|
Poppe de Rook,
uit Lemmer. Het eerste rode raadslid.
Een dominee
in Lemmer maakte Poppe de Rook, een rijke vishandelaar met
een sterk ontwikkeld sociaal gevoel, uit voor
'brandstichter', toen deze in 1889 als eerste
sociaal-democraat in Nederland in de raad gekozen dreigde te
worden. De Rook kwam op voor de belangen van arme vissers en
schippers. T. Beijma, voorzitter van de plaatselijke
liberale kiesvereniging, verweet hem daarom over hun ruggen
in de gemeenteraad te willen komen. Een merkwaardig verwijt,
aangezien alleen welgestelden stemrecht hadden. De Rook
sloeg dan ook terug: ,,Deze ruwe viskoper laat zich
volstrekt niet door een mislukte advocaat uit het veld
slaan.''

Poppe de
Rook.
(Gepubliceerd
in: Jan de Roos,
Pioniers van het lokaal bestuur,
Amsterdam 2000).
De
dominee probeerde het nog te voorkomen door hem
vanaf de kansel een brandstichter te noemen, maar
het mocht niet baten: in 1889 veroverde Poppe de
Rook in de Friese gemeente Lemsterland een
raadszetel. Hij was hiermee het eerste
sociaal-democratische raadslid in ons land. Of was
deze vishandelaar, zoals zijn tegenstanders
beweerden, een salonsocialist die slechts uit was op
eigenbelang?
Lemmer, een lieflijk stadje aan het IJsselmeer,
in de zuidwestpunt van Friesland. De horeca doet
er goede zaken dankzij de pleziervaart. Vroeger,
toen het IJsselmeer nog de ruwe Zuiderzee was,
had je er aan de haven wel vijf kroegen op een
rij. Die stroomden vol zodra de Lemster
vissersboten binnenliepen. Het bonkige
vissersvolk zette er na noeste arbeid een groot
deel van het loon om in jenever. Tot verdriet
van hun vrouwen, die maar moesten zien hoe ze
met de centen die overbleven een bord eten op
tafel kregen voor hun kroost. De dominee en
meneer pastoor waarschuwden wel tegen het
drankmisbruik, maar hun preken waren aan
dovemansoren gericht. De meeste vissers meden de
kerk als de pest. Propagandavergaderingen met
socialistische sprekers als de afvallige dominee
Ferdinand Domela Nieuwenhuis, daar kwamen ze wél
het huis voor uit. Die beloofde een andere
maatschappij, zonder uitbuiting en sociale
ellende. Al in 1870 komt er in Lemmer een
afdeling van de Algemeene Friesche
Werkliedenvereeniging tot stand. In 1883 sluit
die zich aan bij Domela’s Sociaal-Democratische
Bond (SDB). Het socialisme wint steeds meer
terrein, erkent ook het jaarverslag van de
gemeente Lemsterland over 1885.
In de gemeenteraad maken de liberalen en
anti-revolutionairen de dienst uit. Van de
arbeiders hebben ze weinig te vrezen, die hebben
immers geen kiesrecht. De welgestelden, niet
meer dan enkele procenten van de bevolking,
hebben het voor het zeggen. Eén van hen is Poppe
de Rook. Telg uit een geslacht van
bokkingrokers. Hij woont in een kapitaal pand en
heeft een bloeiende vishandel. Een kapitalist
dus, in de oude socialistische terminologie.
Maar wel een van het vooruitstrevende soort.
Poppe, geboren in 1845, komt al op zeer jonge
leeftijd door het overlijden van zijn vader aan
het hoofd te staan van het familiebedrijf. Hij
maakt van de bokkingrokerij een van de bekendste
visbedrijven van ons land. Ook de handel in
ansjovis wordt een belangrijke bezigheid. De
Rook introduceert het vissen met staande netten,
waardoor de vangst met sprongen toeneemt. Ook
leert hij de vissers om voortdurend met
peilglazen het zoutgehalte van het water te
controleren, om te zien of het water waar ze
vissen wel zout genoeg is voor de ansjovis. Die
ansjovis is hoofdzakelijk voor de export,
terwijl de bokking per tram naar Groningen en
per schip naar Amsterdam wordt vervoerd om te
worden verkocht.
Gezien.
In de visserijwereld is Poppe
een zeer gezien man. Hij is voorzitter van
Schuttevaer. Ook zijn sociale denkbeelden
zijn vooruitstrevend. Als geheelonthouder
probeert hij het drankmisbruik onder het
vissersvolk tegen te gaan. Het werkvolk dat
hij in dienst heeft, wordt gehuisvest in
arbeiderswoningen naast het grote herenhuis
van de familie De Rook aan ‘het hoofd’ (nu
Emmakade). Hangbaas (=visroker) Poppe de
Rook werkt veel samen met nettenhandelaar
Jan Pen. Ze zijn allebei lid van de afdeling
Lemmer van Domela’s Sociaal-Democratische
Bond. In de pers komt Poppe de Rook op voor
de belangen van vissers en schippers, die
volgens hem veel te hoge tol- en havengelden
moeten betalen. Hij voert hierover strijd
met burgemeester Andringa en met bestuurslid
T. Beijma van de liberale kiesvereniging
‘Vrijheid en Vooruitgang’. Beijma verwijt De
Rook dat hij met zijn acties slechts over de
ruggen van de schippers en vissers heen in
de gemeenteraad wil komen. Maar De Rook is
niet onder de indruk van de deftige Beijma:
‘Deze ruwe viskoper laat zich volstrekt niet
door een mislukte advocaat uit het veld
slaan.’ Over het verwijt dat hij slechts uit
is op de kiezersgunst, zegt De Rook: ‘Maar
weet hij dan niet dat het partij trekken
voor de schippers en vissers (dat zijn de
armen, de niet-kiezers) geen aanbeveling is
om door onze tegenwoordige kiezers (de
welgestelden) gekozen te worden? Had men
hier evenals in Duitsland, Frankrijk en
andere landen, algemeen kiesrecht voor boven
de 23 jaar, hetzij rijk of arm om te
stemmen, de zaken zouden in Lemmer geheel
anders staan. Ik twijfel er geen oogenblik
aan of die slaapmutsen, die hier thans in
het gemeentebestuur zitten, zouden dan
spoedig door anderen worden vervangen.’
Tegenwerking krijgt De Rook
ook van de kerk. De plaatselijke dominee
bezweert de gelovigen zelfs dat De Rook in
1870 behoorde tot de brandstichters van de
Commune van Parijs, een bloedige linkse
volksopstand tegen de regering die het leven
kostte aan 20.000 mensen. En dat terwijl De
Rooks horizon niet verder strekte dan de
Zuiderzee!
Schoolgeld.
In het voorjaar van 1889
stelt De Rook zich namens de Volkspartij
kandidaat voor een zetel in Provinciale
Staten van Friesland. Verschillende
kiesdistricten bevelen hem warm aan in
het blad De Klok, maar een
liberale kandidaat krijgt meer stemmen.
Vervolgens werpt hij zich op als
kandidaat voor de gemeenteraad van
Lemsterland. Als op 16 juli 1889 de
stembusuitslag bekend wordt gemaakt,
blijkt De Rook 175 stemmen te hebben,
tegen de anti-revolutionair De Vries
141. Een week later meldt Recht voor
Allen, het blad van Domela’s
geestverwanten, trots op de voorpagina:
‘Onze partijgenoot P. de Rook te Lemmer
is tot gemeenteraadslid van Lemsterland
gekozen.’ De dominee heeft het nakijken
en op vrijdag 23 augustus wordt Poppe
beëdigd en geïnstalleerd als raadslid.
In de raadsvergaderingen
voert hij herhaaldelijk het woord,
meestal over visserijkwesties. De al
genoemde haven- en toltarieven zijn
daarbij een geliefd onderwerp. Maar hij
zet zich bij voorbeeld ook in voor het
halveren van het schoolgeld voor de
MULO. ‘Naar het oordeel van den heer De
Rook’, zo is te lezen in het
raadsverslag van 3 maart 1893, ‘is het
schoolgeld ad ƒ 40 per jaar, vooral voor
den kleinen burgerstand, te hoog, zoodat
geen voldoend aantal kinderen van het
onderwijs aan die school profiteeren
kan.’ Zijn voorstel wordt echter met
zes tegen drie stemmen verworpen.
Poppe
de Rook is een zeer trouw bezoeker van
de raadsvergaderingen. Slechts één keer
schittert hij door afwezigheid: in
november 1890, wanneer de gemeenteraad
in speciale zitting bijeenkomt. De Raad
van State heeft koningin Emma aangewezen
als regentes, en de Lemster raad besluit
een telegram van aanhankelijkheid aan
het vorstenhuis te sturen. Deze
demonstratie van monarchistische
gezindheid gaat De Rook kennelijk te
ver. De Sociaal-Democratische Bond
waarvan hij lid is, moet van het
koningshuis niets hebben. Zij is verder
voor invoering van het algemeen
kiesrecht, gelijkberechtiging van man en
vrouw, het verbieden van kinderarbeid en
opheffing van alle vormen van
uitbuiting.
In
1893 verdwijnt De Rook (voorlopig) uit
de raad. In zijn afscheidstoespraak
protesteert hij nog tegen de aantijging
in een verkiezingspamflet als zou voor
hem het eigenbelang steeds voorop hebben
gestaan. ‘Hij wenscht daartegen met de
meeste kracht op te komen omdat hij zich
bewust is, steeds zijn eed getrouw te
zijn geweest, en niet zijn eigen belang
maar dat der gemeente heeft bepleit,
wanneer hij sprak o.a. over hooge tollen
of over misbruiken en onregelmatigheden
bij schipperij en visscherij, b.v. de
gaardering der tollen van
visschersvaartuigen’. Burgemeester
Luiking geeft toe dat de tolheffing in
de gemeente inderdaad niet goed geregeld
was. ‘Terecht is indertijd mede door den
heer De Rook op die wanverhouding
gewezen, en is van een en ander het
gevolg geweest dat gedurende de laatste
jaren die grieven niet meer kunnen
gelden en de zaak aldus beter
marcheert.’
Dooie boel.
Poppe de Rook blijft na
zijn vertrek uit de raad lid van
Domela’s SDB, ook nadat als reactie op
de radicalisering van deze beweging in
1894 de Sociaal-Democratische Arbeiders
Partij (SDAP) wordt opgericht. In 1897
wordt De Rook opnieuw in de gemeenteraad
gekozen. Drie jaar later sluit de kleine
SDB-afdeling Lemmer zich –inclusief De
Rook- bij de SDAP aan. De Lemster
afdeling blijft klein, niet meer dan 15
tot 20 leden, en veel gebeurt er niet. ‘
’t Is bij ons een dooie boel’, schrijft
de secretaris in een van zijn verslagen.
In 1910 komt daar althans wat De Rook
betreft verandering in. Oud-Lemstenaar
S. van der Woude, sinds enkele jaren in
Amsterdam woonachtig, ergert zich
blijkbaar zo aan de ingedutte afdeling
dat hij het landelijk bestuur van de
SDAP en zijn eigen afdeling-Amsterdam
gaat bestoken met een stroom van boze
brieven. Hij beschuldigt de Lemster
sociaal-democraten ervan dat ze
‘blijkbaar alléén met anticlericale
bedoelingen’ een ‘vast compromis’ hebben
gesloten met de vrijzinnige (lees:
liberale) kiesvereniging. In zijn ogen
een verwerpelijke zaak. Met name Poppe
de Rook moet het bij Van der Woude
ontgelden. Dat hij De Rook zo hard
aanpakt zou volgens de
afdelingssecretaris van de SDAP-Lemmer
te maken hebben met een familiekwestie;
Van der Woude zou in de clinch hebben
gelegen met zekere Bart Wesseling, een
schoonzoon van Poppe de Rook, en ‘nu
moet uit wraak tegen Wesseling
schoonvader De Rook het ontgelden.’ In
een van zijn brieven beweert Van der
Woude dat De Rook bij de
gemeenteraadsverkiezingen in een
plaatselijk blad een liberale kandidaat
heeft aangeprezen. Bovendien heeft hij
zijn stem niet laten horen toen in 1909
bij de geboorte van prinses Juliana in
de gemeeenteraad werd voorgesteld haar
moeder koningin Wilhelmina te
feliciteren en bij de Juliana-feesten de
klokken te luiden. Voor Van der Woude is
daarmee de maat vol. ‘Zou het niet eens
tijd worden dat hier ingegrepen wordt?’
schrijft hij aan het SDAP-bestuur.
De actie van Van der
Woude zorgt voor veel commotie onder de
Lemster sociaal-democraten. In een brief
aan het landelijk partijbestuur geeft De
Rook toe dat hij behalve lid van de SDAP
ook lid is van de vrijzinnige
kiesvereniging, die hem bij de laatste
gemeenteraadsverkiezingen ook kandidaat
heeft gesteld. Volgens De Rook is dit
echter geen ideologische keuze maar
vloeit het voort uit de omstandigheid
dat de SDAP-afdeling zelf geen
kandidaten stelde en hij ‘in de raad de
praktische democratie wil dienen’. Tegen
de feestelijkheden rond de geboorte van
prinses Juliana had hij zich niet verzet
omdat dit ‘misstaat, daar het geen
ingrijpende belangen betrof en ik mij
niet sterk genoeg achtte voor het houden
van een propagandistenrede.’
Zuinig.
Steun krijgt De Rook
van zijn eigen afdeling wel, maar de
formulering die afdelingssecretaris
Jan Pen kiest, doet nogal zuinig
aan. ‘Het is ons niet bekend dat hij
in de Raad in strijd met het
Partijbelang heeft gehandeld. Dat
hij weinig voorstellen doet in onze
richting, dat is waar, maar het is
ook waar dat wanneer hij dat deed
het wellicht slecht zou uitloopen.’
De afdeling acht het wel raadzaam
dat De Rook zijn contacten met de
liberale kiesvereniging beëindigt.
Van der Woude zet intussen zijn
offensief in de partij tegen de
Lemster SDAP-afdeling en De Rook
voort. ‘In den gemeenteraad is niets
van ons beginsel te bespeuren’,
klaagt hij. ‘Ons gemeenteprogram
wordt in geen enkel opzicht
toegepast, ook niet bij kwesties
waar het bijna onvermijdelijk is,
zooals bij loonen van
gemeentewerklieden, pensioenen,
bestekbepalingen of wat ook.’ Hij
beschuldigt De Rook van verzet tegen
voorstellen om te komen tot een
gemeentelijke visafslag en tot
beperking van de werktijden van
bootwerkers op de nachtboot van
Lemmer naar Amsterdam. De
SDAP-bladen weigeren echter Van der
Woudes brieven af te drukken. Alleen
de Nieuwe Friesche Courant
neemt op 4 maart 1911 een ingezonden
stuk op, waarin hij De Rook een
‘aanbidder van het onvolprezen
particuliere initiatief’ noemt. Dat
is zó tegen het zere been dat De
Rook onmiddellijk zijn lidmaatschap
opzegt. De afdeling probeert nog om
hem op andere gedachten te brengen,
maar zonder resultaat.
Eind 1911 beëindigt
De Rook ook zijn raadslidmaatschap.
Hij is dan inmiddels de 65
gepasseerd en niet meer in goede
gezondheid: op een foto uit die tijd
zien we hem in een rolstoel. Ruim
een jaar later, op 25 januari 1913,
overlijdt hij. ‘Een slechte dag voor
de Zuiderzeevisscherij-nijverheid’,
schrijft de Visscherij-Courant.
Het weekblad ruimt een groot
deel van zijn voorpagina in om de
verdiensten van Poppe de Rook te
roemen. Ook zijn activiteiten buiten
de visserijwereld worden niet
vergeten: ‘Hij was een
propagandistisch
Staatspensioenneerder,
geheel-onthouder, een zeer
verdienstelijk en geacht lid van den
Raad’. In zijn raadswerk toonde hij
zich geen bevlogen revolutionair
maar een gematigd hervormer. Dat hij
het etiket salonsocialist kreeg
opgeplakt lag voor de hand; als
ondernemer bleef hij ondanks zijn
sociale gezicht natuurlijk altijd
een beetje verdacht.
De familie De
Rook blijft ook na de dood van
Poppe een stempel drukken op de
plaatselijke politiek. Zijn
broer Klaas is lange tijd actief
in de SDAP-afdeling en zijn zoon
Jurjen zal ook raadslid worden
voor de SDAP, maar stapt in de
jaren ’30 uit de raad en wordt
lid van de uiterst-linkse
Onafhankelijk Socialistische
Partij (OSP). Jacob de Rook, een
zoon van Klaas, is zó links dat
hij in het familiebedrijf geen
voorman wil worden. Hij wordt
communist, is tijdens de Tweede
Wereldoorlog een vooraanstaand
verzetsman, wordt door de
Duitsers gearresteerd en zal
niet meer terugkeren uit het
concentratiekamp. Het aardige is
dat al die zo verschillend-links
georiënteerde familieleden het
privé zeer goed met elkaar
konden vinden. Zó goed, dat ze
samen jarenlang een hecht
familieorkest vormden. Met de
vishandel zelf liep het niet
goed af. Nadat drie zoons van
Poppe de zaak hadden voortgezet,
kwam er de klad in, mede doordat
hun kinderen allemaal meisjes
waren, die niets zagen in het
bedrijf. Zo kwam in de jaren ’50
een einde aan wat meer dan een
eeuw lang een bloeiend
familiebedrijf was geweest.

De Emmakade,
met links het huis van de familie "Poppe de
Rook".

Home
|