Een openbare verkoping.

 

Op 28 juni 1939 vond in De Lemmer de openbare verkoop plaats van een houten botter, gemerkt LE 23 en gebouwd in 1906. Ook een bijbehorende boot en het viswant kwamen onder de hamer. Aanleiding tot deze verkoop vormde het niet na komen van zijn financiële verplichtingen door de in 1904 geboren G.B. deze had in 1937 van de rijksdienst fl 500,-- krediet ontvangen voor de aanschaf van een bootje met bun en de inbouw van een Ford motor in zijn in 1934 aangekochte botter. Er stond nog een oude schuld open, daarmee vermeerderd bedroeg de totale krediet op 20 julie1937 fl 785,-- het geleende bedrag, vermeerderd met rente, behoorde B. in zes jaar terug te betalen middels wekelijkse storting van fl 3,--. In eerste instantie voldeed hij aan zijn verplichtingen, maar in 1938 begon het mis te lopen en bleven de betalingen uit.

Wat  er aan de hand was, word duidelijk uit een brief die de burgermeester van de Lemmer op 2 mei 1939 aan de rijksdienst adresseerde. J.L zaterdag is hij [ G.B.] wegens openbare dronkenschap en de rijkspolitie ter ontnuchtering in een cel opgesloten geweest en is proces verbaal tegen hem opgemaakt. Aangezien hij naar mijn mening de hem toegekende geldelijke tegemoetkoming misbruikt, deze word grotendeels in drank omgezet meen ik, zulks temeer waar hem enige tijd geleden te dezer zaken reeds een ernstige waarschuwing door uwe inspecteur, den heer  Boor(Inspecteur Boor van de Rijksdienst), is gegeven, dat er alle reden is deze tegemoetkoming in te trekken.

Ik maak U er verder nog op attent, dat de schuit van betrokkene met toebehoren reeds enige weken aan de wal ligt, zonder dat hij zich er om bekommert. Was het drank probleem nieuw of kampte B. hij hier al langer mee? Ondanks dat de rijksdienst zich door haar plaatselijke controleurs altijd gedetailleerd op de hoogte liet stellen over handel en wandel van de mensen, was twee jaar daarvoor probleemloos krediet verstrekt aan hem.

De reprimande van Boor haalde weinig uit en dit leidde tot het aan de ketting van de LE 23. op 15 juni 1939 en openbare verkoop op de 28ste. De botter bracht fl 58,- op, de (nieuwe) boot fl 68,-. Netten, touwen en dergelijke gingen in partijtjes voor enkele dubbeltjes  of guldens over in handen van andere Lemsters vissers. De totale opbrengst bedroeg slechts fl 173,90-. Na aftrek van de onkosten resteerde fl 140,30- waarvan fl 17,16- voor delging der achterstallige rente en fl 87,14 in mindering der hoofdsom.

Uit wrevel over de verkoop van zijn botter gooide B. zijn kop in de wind en weigerde verdere afbetalingen. In 1942 viste hij op een noodvergunning met een roeiboot  en netten van zijn vader op witvis, daarbij geholpen door zijn jongere broer. De vangst verhandelde hij buiten de afslag om, dus zwart. Een rapportje uit dat zelfde jaar leert ons iets meer over B.′s huiselijke achtergronden.

Hij was ongehuwd, en woonde met zijn ouders in een onbewoonbaar verklaart huisje. Het gezin B. staat als smerig bekend. Inderdaad verkeerde woning in een verregaand vuilen staat. B. geniet wegens herhaaldelijk drankmisbruik eene ongunstige reputatie. Mogelijk ware te overwegen deze creditnemer met intrekking van zijn noodvergunning te dreigen, besloot de ′adm, ambtenaar zijn brief. Na de oorlog zal men inderdaad B. zijn noodvergunning afnemen. In 1947 schreef die zelfde ambtenaar namelijk dat B. kort daarvoor het vissen had gestaakt, en was gaan zwerven. Hij hielp op dat moment bij het lossen van een boot, en probeerde te monsteren als matroos, waarvoor hij echter geen papieren bezat. Loonbeslag voor doeleinde ter uitvoering van de Zuiderzeesteunwet was niet mogelijk. Uit het verder ontbreken van gegevens moet geconcludeerd worden dat deze vordering voor het rijk verloren ging.

 

De LE 42

 

Een slordige schipper.

 

Mien broer was elf jaar, toen ging ′r al mee naar zee. ′t Was feitelijk kinderarbeid, maar de mensen wurden door armoede geplaagd en dan kreeg moeder weer ′n een riksdaalder in de week d′r bij. Hij was op de LE 42 Andries de Jong. Als die door de wind ging, moest je ′m eerst uit de zeilschoot weg halen. Als je nou aan ′t zeile benne, dan vaam je die zeilschoot op en leg je op ′t bankje neer. Maar waar hij stond, stond ′r, en dat touw lag om ′m heen. Ging ie door de wind dan stond ′r d ′r in en als ie weer door de wind ging nog. Op ′t laatst kon je ′m d′r helemaal uittisten! Moest je es vieren, dan was d′r geen ruimte, want alles zat om ′t blok om zien benen.

Tijdens het haring vissen overkwam de jonge Jan Bijma een ongeluk aan boord van de LE 42, waarbij zijn hand zwaar gekwetst raakte. De wind was Noord-oost en zo af en toe trokken hevige maartse buien over met veel wind er in. Boven hen zeilde meer vissers en daar had de schipper aan kunnen waarnemen, dat er in de opkomende bui een boel wind zat. Hij verzuimde echter om bijtijds zeil in te nemen en toen de vlaag kwam,viel het vaartuig zwaar op één kant.

Het loefzwaard pikte uit de haak en viel binnenboord, op de vingers van het knechtje. hij het daar zowat ′n jaar mee thuisgezeten, kon niks doen. D′r was toen der tijd wel ′n visserfonds, voor ongelukken en zo. Daar betaalde je voor en kreeg je een beetje steun als ′t moest. Dat was niet zoveel, ′n gulden of zeven in de week, zeg maar. Maar hij kreeg niet ′n cent uitbetaald.

Van dezelfde schipper, die de bijnaam 'Pippie" droeg, verteld Jan Wouda in zijn artikelenreeks, De Lemster visservloot van omstreeks 1915, Dat hij eens ruzie kreeg met zijn knecht 'Zwarte' Jan Wierda. Deze voegde hem toe: Je bent een beste vent, je besmeert de boterhammen 10 keer, maar de elfde keer haal je er alles weer af!

Home