Home
De Lemmer
Verhalen, feiten, historie...
Wie zoekt Wie ?
Gastenboek
Contact
Links
Wilt U een
pagina (artikel) of een foto, willen kopiëren voor schoolverslagen - privé
gebruik: neem dan even contact op.
De familie Stapert en het dorp Lemmer in de 18e eeuw.
Lemmer is in de 18e eeuw van een klein vissersdorp uitgegroeid tot een belangrijke aan en doorvoer haven. De aanzet hier door werd gedaan door Regnerus van Andringa, grietman van Lemsterland van 1692 tot 1741. De maatregelen die hij nam waren vooral het instellen van beurtvaart en veerdiensten, waar door veel verkeer uit Friesland en Groningen over Lemmer is gaan lopen. Voorts heeft hij de scheepsbouw en industrie bevorderd.

Foto van een geschilderd portret van Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer
De top van zijn ontwikkeling beleefde Lemmer enkele tientallen jaren na de dood van Regnerus van Andringa. In de jaren1756 tot 1763 profiteerde ons land van zijn neutraliteit in de Frans Engelse oorlog. dit maakte dat Nederland het land bij uitstek was om oorlogsvoorraden voor de vechtende landen aan te voeren. Hierdoor kon ook in Lemmer een bloeiende rederij van koopvaardijschepen ontstaan. In dit beeld passen geheel de jaarlijkse passages van bijna 100 Lemster schippers door de Sont, zo'n 20% van alle Friese Sontdoorvaarten. (In de periode 1711-1720 voeren er per jaar gemiddeld drie Woudsender schippers door de Sont, het zeegat dat toegang verschafte tot de Oostzee. Er volgde een opmerkelijke groei en in het decennium 1751-1760 waren er jaarlijks gemiddeld 108 en dat betekende 10% van de Friese Sontvaart en 6% van alle Nederlandse schippers die daar passeerden. Alleen Hindelopen had een nog groter aantal Friese schippers op deze route.
De opgang die Lemmer in deze periode maakte, leidde tot de allersterkste bevolkingsgroei van de provincie, namelijk van 1060 inwoners in 1744 naar 1765 in het jaar 1796. Deze spectaculaire groei kwam mede voort uit een maatregel van Renerus Andringa, welke de aantrekking van ondernemende lieden inhield. Gedurende zijn ambtsperiode vestigde te Lemmer Jouwert Sybrens van Eestrum, in 1718, en Sicke Frederiks Sleeswijk van Knijpe in 1729. Beide trouwde met dochters van Lemsters families, en hebben vooraanstaande posities ter plaatsen verworven, welke staat door hun nageslacht gedurende meerdere generaties kon worden gehandhaafd.
Jouwert Sybrens werd in 1689 te Eestrum geboren, en is in 1719 te Lemmer gehuwd met Tet Nannes Muscules, Hij werd opgenomen in het bedrijf van zijn schoonvader Nanne Aenes, die houtkoper was in Lemmer, en op 5 mei 1716 als ouderling de eerste steen had gelegd van de Hervormde kerk te Lemmer. Jouwert Sybrens was in 1749 een welgestelde koopman en lijnslager.
Gevelsteen in de buitenmuur van de Hervormde kerk te Lemmer. Nannes Aenes is de vader van Ane Nannes, hierboven genoemd.
Den 5 May 1716 heeft Nanne Aenes holt kooper in de Lemmer van deese Kerk en Tooren de eerste steen gelegt. Al die hier komt en siet dit schoon gebouw eens aen. Wilt hier niet Buiten blieven Stae(n) Maer hoort met vlijt datter wort geseit Op dat door GOODES Geest en woort de Eerste Steen ook wort geleit In U en Mij ook Altesaem Ick sluit hier mee in Goodes Naem
De kinderen van Jouwert Sybrens noemde zich Stapert, Eén der zonen, Sjoerd - Jouwerts - Sjoerdbaes - kreeg bekendheid als waterbouwkundige, aannemer van publieke werken en scheepsbouwer te Lemmer. De jongste van de tien kinderen van Jouwert Sybrens, was Nanne Jouwerts, geboren 20 maart 1740 te Lemmer, de stichter van pand oudesluis 9. Zijn vrouw Foekjen Tyssens Pekema kwam uit een vooraanstaande Lemster familie, zij was een dochter van de bijzitter (wethouder) Tys Jentjes Pekema.
Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren waarvan er in1796 nog drie in leven waren.
Nanne Jouwerts Stapert was werkzaam in de houthandel van zijn oom Aene Nannes, waar in waarschijnlijk ook zijn vader belangen had. Na de dood van Aene Annes, werd hij met zijn zwager Arjen Klazes Buwalda eigenaar van het bedrijf. De laatste woonde in het huis bij de zaagmolen.

De houtzaagmolen aan het vaarwater de Rien te Lemmer. Dit bedrijf is in 1795 volgens in één van de balken van de molen, verplaatst naar de kolk aan de Rien. De toenmalige eigenaar, Nanne Jouwerts Stapert, zou de molen hebben aangekocht in de Zaanstreek en in Lemmer hebben herbouwd. De houtzagerij is in 1851 eigendom geworden van de familie Sleeswijk, die tot 1905 persoonlijk eigenaar was. Daarna werd het bedrijf ondergebracht in een N.V. In 1895 is de molen van de windhoutzaagmolen verbouwd tot stoomhoutzaagmolen, waarbij de wieken werden afgenomen.


De voorouders van Rienk Cornelis Sleeswijk en Tettje Sjoerds Stapert, getrouwd in de Lemmer 6 Juli 1788
STAPERT
Oud rechter Rienk Wegener Sleeswijk hield op de donateuravond van It Lemster Skûtsje een inleiding over Sjoerd Jouwerts Stapert, een Lemster op drift zoals Sleeswijk hem noemde. Sleeswijk is een Lemsterland kenner bij uitstek. Zijn familie woonde indertijd in Andringastate aan de Schulpen en was eigenaar van de Houtmolen. Spreker vond het een eer om hier bij de skûtsjeliefhebbers te zijn.
Sjoerd Stapert leefde van 1735 tot 1816. Dat was een roerige tijd met veel oorlogen. Van 1740 tot 1748 woedde de Oostenrijkse Successieoorlog. Na enkele jaren gevolgd door de zevenjarige oorlog. Verder kreeg men in die tijd te maken met Engelse zeeroverij.
Tot zijn veertigste was deze ‘geweldig gekke Lemster’ een heel gewone man. Zijn vader Siebren was een succesvol zakenman, getrouwd met een Lemster meisje uit de gegoede stand. Hij had een touwslagerij, was reder en koopman. Sjoerd kreeg daar zijn opleiding die in 1756 voltooid werd met een reis naar Riga als afsluiting. Het was de tijd dat de Engelsen Nederlandse schepen roofden en uit die tijd hield Stapert een diepe afkeer over voor alles wat Brits was. Toch waren die oorlogsjaren een welvarende tijd. Zo lang er oorlog was en je zelf neutraal bleef kon er aan beide kanten verdiend worden.

Van het goudgeld dat in die oorlogen verdiend was werden een stuk of vijf luxer woningen in Lemmer gebouwd. In het huis aan het Turfland, nu bewoond door Piet Zandman, hebben twee generaties Sleeswijk gewoond. Daarna is het geschikt gemaakt om in tweeën bewoond te worden.
Sleeswijk vertelde van een tegeltableau van het lopen van Jezus over het water dat in de woning aan het Turfland zat. Dat werd er uit gesloopt en verkocht. Na jaren kwam het weer te koop en kwam in het bezit van de Ottema Kingma Stichting. Die heeft gezorgd dat het nu in het Prinsessehof in Leeuwarden is.
Sjoerd Stapert gaf veel gewicht aan zijn functie van diaken. Daarnaast was hij brandmeester, touwslager, scheepsreder en aannemer. Voor al deze zaken had hij veel werkvolk in dienst. Hij gedroeg zich als een eenvoudig, egalitair man die het met iedereen goed kon vinden. Zo gebruikte de familie Stapert die achternaam nooit. Dat was toen te deftig. Pas toen er contacten met Den Haag kwamen moest die naam er wel bij . Overigens moet die naam afgeleid zijn van een voermansroep: “Sta paard!’
Het redersbedrijf van Stapert bloeide vooral in de Amerikaanse Vrijheidsoorlog. In 1781 kwam de oor;log met Engeland. Sjoerd Stapert sloot zich aan bij de patriotten. De vrouw van stadhouder Willem V was een zuster van de Engelse koning. Men wantrouwde de stadhouder omdat hij als een halve Engelsman werd beschouwd. Sjoerd was dus antistadhouder. Hij werd kapitein van het Lemster exercitie genootschap. De anti Britse gezindheid van Stapert werd nog verergerd door de Engelse zeeroverij. Er was een vloot van Nederlandse schepen in konvooi onderweg naar een Franse haven. In Het Kanaal lag een eskader Engelsen te oefenen. Zij overvielen het konvooi en tweehonderd schepen met inhoud vielen in Engelse handen. Alleen een paar oude, eigenlijk al afgedankte schepen kwamen terug. Sjoerd had belang in elf van de verloren schepen.
Op een werf in Harlingen liet de admiraliteit een groot schip bouwen. Ook Stapert bouwde een dergelijk schip voor de overheid. Er was alleen naar het bouwen gezien en niet naar de mogelijkheden om uit Harlingen weg te komen. De schepen liepen met de kiel in de modder vast en kwamen de haven niet uit. Er moest eerst gebaggerd worden. In 1783 waren de schepen klaar en de oorlog was over. Het door Stapert gebouwde schip moest 400.000.— gulden kosten. Het werd door de admiraliteit geaccepteerd maar de laatste f 130.00.— gulden kreeg de reder niet meer. Dit sterkte hem in zijn opvatting dat het bestuur zo rot als een mispel was. Door een truc kreeg men het geld tenslotte toch nog binnen.
Als kapitein van het exercitie genootschap zou Sjoerd met 30 man Lemmer verdedigen tegen de Pruisen. Maar de Pruisen kwam niet. Zij kozen een andere weg naar Amsterdam. Reden voor Sjoerd om met zijn mensen naar Amsterdam te gaan om die stad mee te verdedigen. Ouderkerk aan de Amstel werd met succes verdedigd maar Amsterdam wilde capituleren. Stapert vond dat onzin maar werd verbannen. Stapert vertrok naar Brussel en was welkom in Noord Frakrijk. Daar ging hij het bedrijfsleven weer in. Tenslotte kwam hij in een Koninklijke commissie terecht..
Na wat omzwervingen door Frankrijk ging Stapert in Duinkerken wonen. Van daaruit kon hij zijn rederij weer beheren. Bij dit alles werd Sjoerd vergezeld door zijn zoon Bareel. In 1792 vertrok deze, terug naar Nederland. De vader volgde hem en ging in de richting van Zutphen. Hij en zijn metgezellen werden later als helden in Lemmer binnengehaald. Sjoerd werd provinciaal bouwmeester. In die functie kreeg hij te maken met het opruimen van familiewapens en dergelijke van de Friese Nassaus. Hij verhinderde daarbij niet dat alles, zelfs de graven van dat geslacht, kapot geslagen werd.

Dirk Antoon Teupken - scheepsportret van het kofschip Vriesland.

Buwalda-Stapert. Deze state heet in de volksmond zo, omdat er links naast de voordeur een wapensteen zit gemetseld, met daarop de wapens van Buwalda en Stapert.

Het eerste kwartierwapen vertoont namelijk het (ook door Josias Rispens beschreven) Buwaldawapen met sleutels, hart en pijlen, het tweede de adelaar met de doornenkroon van Ripsens. De kwartieren drie en vier zijn afgebroken, maar zullen dus Haersma en Aylva vertoond hebben. Ook Ulbe Tiaerts Buwalda zocht zijn partners in de tussenlaag tussen grote eigenerfden en kleine adel. Bekend is zijn huwelijk met Bauck Hansesdr. Stapert. Zij kwam uit de eigenerfde familie Stapert uit Wommels, die in 1555 tot 'edelen des Heiligen Roomsen Rijks' werd verheven vanwege de ambtelijke carrière van Cyprianus Vomelius Stapert, assessor in het Rijkskamergerecht te Spiers. De steen die hun zoon Sake in de gevel liet inmetselen, en die nu nog aanwezig is, houdt met het alliantiewapen Buwalda-Stapert de herinnering aan dit huwelijk vast.
De bloeyende oranjestam

De Friese historicus S. J. van der Molen, heeft onder de titel "Het Oranjezeilen bij Oude Schouw in 1777 en de "Greate" Bever". Het is verlucht met o.a. een foto van de spiegel van het miniatuurscheepje "De Bloeyende Oranje Stam" uit de Lemmer, dat op 4 september 1777, het feest te
Oude Schouw heeft opgeluisterd. Ik ben in het gelukkige bezit van één kannonnetje, en dit ankertje. Ik heb beide laten fotograferen met als achtergrond de genoemde afbeelding van de spiegel Deze foto is hierbij opgenomen..In het weekblad "Zuid-Friesland" het-welk wordt uitgegeven te Lemmer, van 16 mei, 4 juli en 18 juli 1975, hebben de heer Rienk Wegener Sleesvvijk te Dordrecht en ik uitvoerig van gedachten gewisseld over dit scheepje. De heer Van der Molen heeft reeds vermeld op welke punten wij van mening verschillen; doch zij zijn minder belangrijk. Een feit is, dat het vaartuigje op 4 september 1777 te Oudeschouw aanwezig was.
Morgen, 4 september 1977 is het 200 jaar geleden, dat in Friesland een uiterst belangrijke hard zeil partij gehouden werd. Belangrijk niet alleen als hardzeilerij, maar ook omdat er het een en ander omtrent bekend geworden en bewaard gebleven is en wij uit de beginperiode van het hardzeilen te onzent niet over veel materiaal beschikken. Was de thans 225 jarige er niet geweest met een (klein) aantal zeil advertenties, wij zouden tot 1777 vrijwel niets geweten hebben omtrent het aantal deelnemers, de trant van zeilen, de typen van schepen enz. Maar bij gelegenheid van een bezoek aan Friesland van "Prins Willem V en Wijf en Bentjes", om de ongenoemde dichter van "Het Friesck Oranje ZijlIers Lied oppe Aodde Schouw de 4de fin septimber 1777" te citeren zijn er allerlei bijzonderheden bekend gemaakt. Die danken we vooral aan het boekje Het Verheugd Vriesland in den Jare 1777, dat te Leeuwarden werd uitgegeven en waarvan de Stedelijke Bibliotheek gelukkig een exemplaar bezit. '( Het Friesck Oranje Zyllers Lied oppe Aodde Schouw. De 4de fin Septimber 1777. To Dokkom bi H. Groenia, Steds Drukker, oppe hoeke finne Tsjerke Striete 1777. Dit feestlied, dat út saun koupletten bistiet is makke op 'e hirdsylpartij, dy't steedhâlder Willem V-en-dy bywenne. Mintie Wouters woun de priis: in sulveren fleugel mei túchje. Fen dit feest is ek in plaet makke, dy't yn 'e hannel kaem. Eelke Meinderts stalde in ,,Lokwinsch" gear, dy't by Groenia to Dokkum útkaem. En fierders boppeneamd Oranjezyldersliet. It ,,fjourde" kouplet is Op 'e wize Moij Elske:)
De Friese Staten hadden, om het Haagse gezelschap een plezier te doen, een zeilwedstrijd georganiseerd op, zo mag wel gezegd worden, voorbeeldige wijze. Allereerst hadden zij als plaats uitgekozen De Oudé Schouw, tussen. Irnsum en Akkrum. Daar was toen nog geen brug, doch een overhaal ("skou") maar men kon er wel met paard en rijtuig komen en dat zal wel de reden zijn geweest Waarom deze plaats, waar aan het vaarwater ook een herberg aanwezig was (er staat er nog één!), was uitgekozen. "Haar Ed. Mogenden" hadden vier keurmeesters aangesteld, die zeker bij de organisatie een grote rol speelden: 'Hendrik Johannes van der Werf, ("Capitein van het Binnen Jagt van Syn Doorlugtige Hoogheid"): we zouden nu zeggen het Statenjacht, Siedts Pieters (Koopman op het Vliet en schipper op Den Haag), Andries Wouters (Koopman te Sneek) en Bartholomeus Nuyen (Wousend). Er werd een "Zeil-Party" uitgeschreven voor spiegeljachten en wie wilde meedoen moest zich 's morgens al om acht uur ter plaatse melden. De keurmeesters hielden. 37 'jachten over die mede mogten zeilen' en die na loting elk een deelnemerscijfer kregen. De opzet waarin de vaardige hand van Andries Wouters gezocht mocht worden, was even eenvoudig als praktisch. Een vliegende start was niet mogelijk en zo vond men voor de jachten ("elk mits boven de twintig voet lang zijnde") de volgende oplossing (citaat): "Paaltjes waaren er geslaagen waar '" van ieder' Jagt van daan moest zeilen, en een Baken, waarop een Vlag een End van de Schouw af naar Eernsumer-zyl toe, waarom alle Jagten om heene wenden moesten, op dat elke Jagt een even verre distantie hadde te Zeilen en by de Paalen was iemand met een Snaphaan gesteld, welke afgeschooten wierd als het eerste Jagt daar weder" was aangekomen, waar door men aanstonds konde weeten wie van. die Party het sterkst hadde gezeild."

Het Landgoed Hotel Restaurant " De Oude Schouw" staat van oudsher bekend als veerhuis en postiljon, één van de oudste pleisterplaatsen van Friesland. Al sinds de 17e eeuw is "De Oude Schouw" bekend
Mensenmenigte
De dag te voren waren er bij de Schouw verschillende tenten gebouwd, waaronder een groote en "kostelijke"voor de hoge gasten, gedeputeerden ,en voor de verdere Heeren en Dames van Distinctie" en een, met een roodfluwelen "spreed", om de jachten te zien voorbij zeilen, uiteraard ook niet voor de gewone man bestemd. Die kon echter wel de wedstrijd bijwonen, want er waren over de sloten aan Wetering en Boorn planken gelegd, zodat men door de landerijen aan de waterkant kon komen. Geen wonder dat er een ware mensenmenigte op de been was, toen 's middags half één bij de Schouw in hun koetsen de doorluchtige hoogheden uit Leeuwarden arriveerden onder "een ' streelend Musicq van Keteltrommen,TrommeI),Trompetten, Walthoorens en andere Musicq Instrumenten." Ook lag het er vol met schepen die niet-meededen en die zolang de wedstrijd duurde aan de wal moesten blijven liggen. Dat gold van het Sneeker meer tot het eerste rak van wat Friese schippers doorgaans noemden "It rak fa~ungemak": de wedstrijdroute werd in vijf "divies" gezeild en als men de lijst nagaat, blijken de deelnemers als volgt verdeeld; Sneek 12, Woudsend 8, Leeuwarderi 6. Met elk twee jachten waren vertegenwoordigd Grouw en Eernewoude, terwijl Harlingen, Makkum, Oldeboorn, Terhorne, Warga en IJlst elk met één schip deelnamen. Het is natuurlijk niet na te gaan of het aantal deelnemers in verhouding stond met het aantal jachten' boven de 20 voet dat In een 'bepaalde plaats aanwezig was. Dat Sneek en
Woudsend aan de top stonden hoeft ons voor die periode overigens niet te verwonderen.
Spiegeljacht
Daar komt nog iets bij: er was een wedstrijd tussen spiegelachten uitgeschreven en een spiegeljacht was geen gewoon Fries jacht of boeier, in elk geval geen jacht met een rond achterschip, maar een met een spiegel: een plat achterschip en daarop een paviljoen. Prenten uit de achttiende eeuw tonen ons zulke spiegeljachten genoeg. Zo vertoont een gezicht op de Lemster Zijlroede door P.I. Portier (ca. 1760) het spiegeljacht van jonker S. H, R. Roorda van Eysinga, te Joure. Dezelfde kunstenaar tekende buiten de haven van Workum ca. 1770 een Enkhuizer en een Fries jacht, maar het zijn beide spiegeljachten met veel snijwerk op en om het lichtjes vallende achterschip. Ik meen dat het van belang is om de aandacht op de aanduiding spiegeljacht te vestigen. In de eerste plaats blijkt een zilveren gedachtenispenning die aan Hendrik Johannes van der Werf "als Bestjierrer van eene Zeijl Parthij met Spiegeljachten Landsweege vertoond bij de "Oude Schouw" door de Staten vereerd was (thans Fries Museum), geen spiegeljachten te vertonen, maar ronde Jachten, zodat de onbekende penningmaker blijkbaar zijn fantasie heeft laten werken en van te voren al het tafereel had afgebeeld. Dat zou ook kunnen gelden voor de opstelling van de tenten op. (voorgrond) en de herberg met rond zomerhuis en ook een tent of schuur (aan de overzijde van het water).
De tweede conclusie moet het schip van de winnaar betreffen. Die winnaar was de koopman Mintie Wouters, te Sneek, die uit handen van "Haare Koninglyke Hoogheid" de uitgeloofde prijs ontving: een zilveren scheerhout mastwortel en vlaggestokknop, die zich ook in het genoemd museum bevinden. ( Deze prijs wordt toegekend aan degene die zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor het door de Stichting nagestreefde doel, dan wel blijk heeft gegeven van uitermate grote zorg en toewijding bij het onderhoud en de instandhouding van zijn jacht. De prijs bestaat uit twee onderdelen te weten een wisselprijs zijnde een zilveren model van de Lemsteraak de “Onrust” en een vergulde vlaggenstokknop.)
Deze prijs was namelijk in 1877 ingezonden op de Historische Tentoonstelling te Leeuwarden door mevrouw Kappijne van de Copello-Hesselink te Arnhem, tot wier voorouders Minti Wouters behoorde. Later zijn de fraaie en kostbare voorwerpen aan het Fries Museum geschonken. Wat nu het schip betreft, drs. H. Halbertsma weet in Sneeker Hardzeildag (1965)- te berichten, dat het schip van Wouters de boeier "de Bever" was waarvan het roer nog te bewonderen valt in het Historisch Scheepvaart Museum te Amsterdam. Ook het schip zelf bestond nog wat de romp betreft; die zou toen als "Anne" te Broek in Waterland gelegen hebben. .
Raadsels
Het wil mij voorkomen, dat nog, wel eens goed mag worden uitgezocht, of het spiegeljacht van de winnaar "De Bever" heeft geheten en of dit schip wellicht later verbouwd is tot rondjacht, zodat het in 1965 als zodanig en dus zonder spiegel nog aanwezig heette. Dit temeer omdat in het verslag waaruit wij putten, de schrijver Jeltema geen scheepsnaam noemt. Er is trouwens nog een raadsel aan de hardzeilpartij op 4 september 1777 verbonden en dat betreft een schip, dat niet meezeilde, maar zich die dag wel bij de Oude Schouw vertoonde. Een schip waarvan zich in particulier bezit te Leeuwarden de 'gesneden achterspiegel bevindt met de naam. "De bloeyende oranje stam" met daarboven 'n palmboompje met Oranje (?) appels in een pot. Dit fraaie gerestaureerde overblijfsel van een schip uit 1777 is nog nimmer afgebeeld, zodat de hierbij afgedrukte foto veIer aandacht zal trekken. Over deze "Bloeiende Oranjeboom" is enkele malen geschreven. Mij kwamen mededelingen onder ogen van dr. mr H. F. W. Luiking (oud-Lemster) te Naarden en Rienk Wegener Sleeswijk. ( Ook uit oud Lemster familie) te Dordrecht die het overigens niet in elk opzicht met elkaar eens zijn. Niet zo belangrijk is, dat Luiking de bouwer van het schip als een warme Oranjeklant
beschouwt en Wegener SleeswIjk moest meedelen, dat die Sjoerd Jouwert Stapert een prominent patriot was (geworden?) die in 1787 naar Frankrijk vluchtte en eerst in 1795 terugkeerde en toen als architect van 's Lands Werken werd benoemd. (Zie over een en ander het Genelogysk Jierboekje 1955 en L. C. Vonks Geschiedenis de landing van het Engelse en Russische leger enz. (1802)
Belangrijker is dat Wegener Sleeswijk een overlevering van zijn vader aanhaalt, dat zijn Lemster voorvaders Stapert en Sleeswijk op 4 september 1777 bij het hardzeilen te "Oude.Schouw" een bemand model van een driemaster lieten varen onder de genoemde naam. Luiking weet, dat alleen Stapert het bouwde en dat het scheepje werd opgeborgen in een pakhuis, maar dat het bij de aanval van de Engelsen op Lemmer in 1799 vrijwel geheel vernietigd werd. Alleen de spiegel bleef bewaard, terwijl ook enkele bronzen kanonnetjes en een ankertje als familie bezit (niet in Leeuwarden) gekoesterd worden. Het merkwaardige is dat deze "Oranjestam" nu juist wel een spiegel bezat, zij het niet breder dan ongeveer 120.cm. Een spiegel van een spiegeljacht kan het dus niet geweest zijn ten hoogste een "speelmodel", dat ter opluistering zal hebben gediend; mogelijk een miniatuur oorlogsschip, al staat dat ook nog niet zonder meer vast. Of het model dat slechts enkele gekostumeerde matrozen kon bergen, speciaal voordie 4de september 1777 is gebouwd.? Dat kan uiteraard alleen, als de bouwer(s) tijdig van de plannen hadden gehoord. Tenslotte: Oude Schouw en het Fries. Het is al even genoemd: er verscheen bij deze gelegenheid bij "Steds Drukker' H. Groema te Dokkum" een "Friesk Oranje Zijllerslied', waarvan de zes melodieën die voor de zeven verschillende coupletten waren gekozen,een aardige indruk geven van het populaire Nederlandse repertoire in die dagen waartoe zelfs het Duitse "Brudder Michell" behoorde. Wie de volledige tekst, wil lezen: BODDERS YN DE
Sytse Jan van der Molen
De bokaal van Sjoerd Stapert.

In "Zuid- Friesland" van 7 augustus 1980 schrijft de heer R F. W. Luiking opnieuw over de bokaal van Sjoerd Jouwerts Stapert en hij uit de wens, dat deze bokaal in de Lemster oudheidkamer zal worden opgenomen. Hoewel ik het met het laatste volkomen eens ben en Luikings. initiatief daartoe toejuich heeft het artikeltje op zich mbijt verbaasd . lmmers Luikings "onopgelost raadsel" is reeds sedert jaren opgelost;zoals hij ook kon weten. Door mij is in dit blad van 4 juli 1975 reeds uiteengezet, dat de door Luiking vermelde familieoverlevering, die ik overigens als jongen van mijn grootmoeder Janke van der Goot in een wat andere vorm hoorde, slechts een kern van waarheid bevat Een kern waarvan slechts het volgende overeind blijft: Stapert kreeg een bokaal van iemand van vorstelijken bloede in verband met een schip, dat hij had gebouwd Hieronder zal ik achtereenvolgens ingaan op de drie elementen van de overlevering, t.w. de bokaal, de schenker en het schip in verband waarmee de bokaal werd geschonken.
De Bokaal, geen zilver maar kristal
Voorop moet worden gesteld, dat de bokaal wel degelijk in het Stedelijk Museum 't Coopmanhûs te Franeker berust. In tegenstelling tot wat Klijnsma in zijn kuijerke en Luiking in zijn kielzog vermelden, blijkt uit de hierbij afgedrukte foto zonneklaar, dat de bokaal. niet van zilver doch van geslepen kristal is gemaakt De steel van het glas is met facetten geslepen, terwijl de kelk een fraai uitgevoerd wapen toont
Door wie geschonken
Dit wapen, het wapen van de schenker, is dat van het huis Hannover, dat in de 18e eeuw in Groot Brittanië regeerde. Een bijzonderheid bij dit wapen is, dat in het schildhoofd een breukbalk (een z.g. barensteel) wordt gevoerd Volgens Fox-Davies in zijn" Complete guide to heraldry" werd dit wapen met barensteel gevoerd door niet-regerende prinsen, behalve door de prins van Wales, die bovendien het Wapen van Wales centraal op het schild had in beginsel komen als schenker in aanmerking zes zoons van George III. Volgens onderzoek door mijn broer André W. S. te Cambridge komt daarvan het meest , in aanmerking Frederick Duke of York and Albany (I763 -1827). Zekerheid echter kon daarover vooralsnog niet worden verkregen, maar misschien kan verder onderzoek in de toekomst wat meer licht hierop werpen. Hoewel wat speculatief kan in dit verband tevens worden gewezen op de buitengewoon goede relaties van de stadhouderlijke familie met de Engelse koninklijke familie. De moeder van stadhouder Willem V was Anna van Hannover, een zuster van George II,zodat het niet onmogelijk lijkt, dat op die wijze de connectie met Stapert tot stand is gebracht. Nog speculatiever,' maar niet minder aantrekkelijk, is daarbij de hypothese,
dat het doen varen van "De Bloeyende. Oranjestam" in 1777 hierin een rol kan hebben gespeeld.
Het schip
Omtrent het schip waarvoor de bokaal zou hebben gekregen, is in feite niets bekend Dit is evenwel één van de punten, waarop de overlevering zoals deze door Klijnsma wordt weergegeven, afwijkt van de overlevering zoals ik die als kind heb gehoord In deze laatste versie is niet sprake van de bouw van een oorlogsschip doch van een jacht Daarnaast wordt melding gemaakt, van het feit dat Stapert ook oorlogsschepen gebouwd zou hebben. Alhoewel vooralsnog niet met volstrekte zekerheid een uitspraak kan worden gedaan of het om een oorlogsschip of om een jacht gaat., toch kunnen enkele bepalende factoren worden vastgesteld, die m.i. tot een voorzichtige en voorlopige conclusie kunnen leiden.
In de eerste plaats is er het feit dat dit soort glazen werd geschonken als blijk van waardering voor een aan de schenker persoonlijk
bewezen dienst. Reeds uit dezen hoofde lijkt het niet waarschijnlijk, dat het glas geschonken zou zijn wegens de bouw van een oorlogsschip.
In de tweedeplaats is daar de geringe afmeting van de toenmalige Lemster zeesluis, die de passage van grote schepen niet
toeliet. Smakken, koffen, jachten en andere kleine schepen konden erdoor, grotere schepen zoals de fluiten, die in die tijd Lemmer als thuishaven hadden, moesten altijd buiten de sluis blijven. Mijn conclusie is dan ook, dat het waarschijnlijker is, dat Stapert de bokaal kreeg voor de. bouw van een jacht, dan voor de bouw van een oorlogsschip. In mijn papieren bevindt zich een krantenknipsel uit 1920 (uit welke krant is helaas onbekend) met een artikeltje ter gelegenheid van de opening van het Stedelijk Museum te Franeker, waarin melding wordt gemaakt van het feit, dat de "oudheidkamer,uitgebreid door de schenking van het legaat Stapert, tot een museum (is) geworden". Het gaat hier om een legaat aan de gemeente Franeker van een kostbare verzameling porselein, zilver etc. door Jan Stapert (1859 -1916), die deze had geërfd van zijn achternicht Tjaarda.
Deze Jan Stapert stamde uit het Stienser geslacht Stapert,dat niets met de Lemster Staperts te maken had en slechts de naam
daarmee gemeen had (Zie het Jierboekje fan it Genealogysk Wurkforbàn 1955 van de Fryske Akademy).
Bij de opening van dit museum waren enige naamgenoten van de legataris uitgenodigd, waaronder Janke Matile-Stapert, een achterkleindochter van de Lemster Sjoerd Jouwerts Stapert en derhalve in het geheel geen bloedverwant van genoemde Jan Stapert. .
Mevrouw Matile-Stapert meende evenwel ten onrechte van dezelfde familie te zijn enzo werd om eerder genoemd krantenartikel
te volgen" door den heer en mèvrouw Matile-Stapert nog een stuk' aan de verzameling Stapert toegevoegd, een kristallen drinkglas, geschonken in de 18e eeuw aan Sjoerd Stapert, een scheepsbouwmeester te Lemmer, door den Engelschen Koning, voor wien hij een jacht gemaakt had". Op deze wijze kwam, gebaseerd op een betreurenswaardige vergissing, deze voor Lemmer historische bokaal op een volkomen verkeerde plaats terecht. De schenking aan het Stedelijk Museum te Franeker heeft slechts plaats gevonden wegens vermeende bloedverwantschap tussen Lemmer en Stienser Staperts.
Aangenomen mag worden, dat indien de schenkster op de hoogte was geweest van het ontbreken van enige verwantschap er van deze schenking geen sprake zou zijn geweest. Zeker nu Lemmer over zo' n fraaie oudheidkamer beschikt, dient naar mijn mening de bokaal terug te komen van haar huidige onjuiste verblijfplaats naar de plaats waar Sjoerd Stapert en zijn medewerkers haar verdienden met hun vakmanschap.
Rienk Wegener Sleeswyk
Dordrecht,augustus 1980
( (noot van Roelie) Zo zijn er in de krant wat mening wisselingen geweest tussen de heer Luiking en Sleeswyk, na bovenstaande eindigt de heer Luiking met de woorden. " Van de door mij en de heer Sleeswijk genoemde bokaal, die te zien is in het Stedelijk Museum te Franeker, wordt gewag gemaakt op blz. 65 van het boek ,, Lemsterlân. In kuijerke troch it forline" van de hand van oud-wethouder van Lemsterland A. E, Klijnsma. De vraag blijft of deze geschonken is door de koning van Zweden of door die van Engeland. de door mij verzamelde overleveringen melden dat dit de Zweedse koning Gustaaf IV Adolf, is geweest. Dit zal dan zijn Gustaaf IV Adolf, koning van van Zweden van 1792 tot 1809. Hiermee eindig ik om het met de woorden van de heer Klijnsma te zeggen: hjir is it ein fan myn kuijerke.
Dr. Mr. H. F. W. Luiking.
Naarden.


































