De familie Stapert en het dorp Lemmer, in de 18e eeuw.

 

| 1 | 2 | 3 |

 

Lemmer is in de 18e eeuw van een klein vissersdorp uitgegroeid tot een belangrijke aan en doorvoer haven. De aanzet hierdoor werd gedaan door Regnerus van Andringa, grietman van Lemsterland van 1692 tot 1741. De maatregelen die hij nam, waren vooral het instellen van beurtvaart en veerdiensten, waardoor veel verkeer uit Friesland en Groningen over Lemmer is gaan lopen. Voorts heeft hij de scheepsbouw en industrie bevorderd.

 

Foto van een geschilderd portret van Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer.

De top van zijn ontwikkeling beleefde Lemmer enkele tientallen jaren na de dood van Regnerus van Andringa. In de jaren 1756 tot 1763 profiteerde ons land van zijn neutraliteit in de Frans Engelse oorlog. Dit maakte dat Nederland, het land bij uitstek was om oorlogsvoorraden voor de vechtende landen aan te voeren. Hierdoor kon ook in Lemmer een bloeiende rederij van koopvaardijschepen ontstaan. In dit beeld passen geheel de jaarlijkse passages van bijna 100 Lemster schippers door de Sont, zo'n 20% van alle Friese Sontdoorvaarten. (In de periode 1711-1720 voeren er per jaar gemiddeld drie Woudsender schippers door de Sont, het zeegat dat toegang verschafte tot de Oostzee. Er volgde een opmerkelijke groei en in het decennium 1751-1760 waren er jaarlijks gemiddeld 108 en dat betekende 10% van de Friese Sontvaart en 6% van alle Nederlandse schippers die daar passeerden. Alleen Hindelopen had een nog groter aantal Friese schippers op deze route.

De opgang die Lemmer in deze periode maakte, leidde tot de allersterkste bevolkingsgroei van de provincie, namelijk van 1060 inwoners in 1744 naar 1765 in het jaar 1796. Deze spectaculaire groei kwam mede voort uit een maatregel van Regnerus Andringa, welke de aantrekking van ondernemende lieden inhield. Gedurende zijn ambtsperiode, vestigden zich te Lemmer -Jouwert Sybrens Stapert, van Eestrum, in 1718, en Sicke Frederiks Sleeswijk, van de Knijpe in 1729. Beide trouwden met dochters van Lemsters families, en hebben vooraanstaande posities ter plaatse verworven, welke staat door hun nageslacht gedurende meerdere generaties kon worden gehandhaafd.

1: Epe Stapert.

2: Hans Epesz Stapert. Zie document onderaan deze pagina

3: Hans Hansz Stapert.

4: Sybren Stapert.

5: Jouwert Sybrens Stapert.

6: Sybren Jouwerts Stapert.

7: Jouwert Sybrens Stapert, (Houtkoper, lijnslager) werd in 1689 te Eestrum geboren, overleden op 29 mei 1774 te Lemmer, en is in 1719 te Lemmer gehuwd met Tet Nannes Muscules, dochter van Nanne Aenes en Janke Annes Schanstra. Uit welk huwelijk de volgende kinderen zijn geboren.

1. Nanne Jouwerts, geboren op 15 december 1721 te Lemmer.

2. Sjoerdje Jouwerts Stapert, geboren op 24 oktober 1723, te Lemmer.

3. Janke Jouwerts Stapert, geboren op 31 augustus 1727, te Lemmer.

4. Nanne Jouwerts Stapert, geboren op 30 oktober 1729, te Lemmer.

5. Janke Jouwerts Stapert, geboren op 23 februari 1731, te  Lemmer.

6. Sybren Jouwerts Stapert, geboren op 23 februari 1731, te Lemmer.

www.friesscheepvaartmuseum.nl

Twee zilveren lepels. De initialen MS zijn die van Marike Soersma. Geboren Kollum 23 aug. 1738 en overleden te Lemmer 15 mei 1823. Dochter van Folkert Johannes en Berendje Johannes. Zij trouwde te Lemmer op 21 sept. 1751 met Sybren Jouwerts Stapert (geboren te Lemmer 23 febr. 1731, overleden aldaar 10 febr. 1799). Sybren Stapert was koopman en blokmaker. Ze kregen drie dochters en een zoon. Hun oudste dochter was Tettje Stapert (1758-1838)Zij trouwde te Lemmer op 26 nov. 1780 met mr. Jouwert Cornelis Witteveen (1748-1824). Hij was advocaat te Lemmer, mederechter van Lemsterland, advocaat en notaris te Metslawier, secretaris en ontvanger der boelgoedgoederen van Oostedongeradeel, vrederechter te Dokkum en maire aldaar. Tettje Stapert en Jouwert Witteveen kregen een zoon Folkert Johannes Witteveen (Metslawier 18 dec. 1793 - Lemmer 12 okt. 1886). Hij trouwde (Sloten 15 febr. 1829) met Titia Catharina Gerlsma. Zij kregen een zoon Jouwert Witteveen (Lemmer 25 maart 1833 - Kollum 18 maart 1906). Jouwert trouwde (Kollumerland 12 sept. 1861) met Gesina Gertruda Hesse (geboren Kollum 11 juni 1834). Jouwert en Gesia kregen een dochter Martjen Hermanna Witteveen (geboren Kollum 9 nov. 1864). Zij trouwde (Kollum 15 sept. 1887) met Douwe Ruitinga. Zij kregen een dochter Gesina Gertruda Ruitinga (geboren Kollum 26 nov. 1889). Zij trouwt (Kollum 25 april 1918) met Hero de Jager. Zij kregen een dochter Martje Hermanna (Max) de Jager (geboren 1919 te Kollum). Zij is de schenkster., literatuur: J. Visser, "Familia Stapertica Perantiqua" in: Jierboekje fan it Genealogysk Wurkferbân 1955 Genealogysk Jierboek

7. Geertje Jouwerts Stapert, geboren op 6 maart 1733, te Lemmer.

8. Sjoerd Jouwerts Stapert, geboren op 9 november 1735, te Lemmer. Hij huwde met Mincke Barres, dochter van Barre Cornelis en Trijntje Jans. Uit welk huwelijk de volgende kinderen zijn geboren.

1. Trijntje Sjoerds Stapert.

2. Trijntje Sjoerds Stapert.

3. Tettje Sjoerds Stapert, geboren 28 augustus 1762, te Lemmer. Tettje huwde met Rienk Cornelis Sleeswijk.

4. Barre Sjoerds Stapert.

5. Antje Sjoerds Stapert.

6. Cornelia Sjoerds Stapert.

7. Jouwert Sjoerds Stapert.

8. Sjoerdtje Sjoerds Stapert.

9. Sijbrandt Sjoerds Stapert.

10. Janke Sjoerds Satapert.

9. Imke Jouwerts Stapert, geboren op 7 april 1738, te Lemmer.

10. Nanne Jouwerts Stapert, geboren op 20 maart 1740, te Lemmer. Nanne huwde met Foekjen Tijssens Pekama. Uit dit huwelijk werd geboren op 16 mei 1772 te Lemmer: Jentje Nannes Stapert. Welke later zou huwen met Antje Cornelis Sleeswijk.

Jouwert Sybrens Stapert, werd opgenomen in het bedrijf van zijn schoonvader Nanne Aenes, geboren in 1670 te Lemmer, overleden op 29 juni 1753 te Lemmer, die houtkoperzeilmaker, was in Lemmer, en op 5 mei 1716 als ouderling de eerste steen had gelegd van de Hervormde kerk te Lemmer. Jouwert Sybrens was in 1749 een welgestelde koopman en lijnslager.

Parenteel van Epe Stapert 

Sicke Frederiks Sleeswijk, huwde in 1733 met Corneliske Cornelis. Uit welk huwelijk de volgende kinderen zijn geboren.

1. Sikke Sikkes Sleeswijk.

2. Cornelis Sikkes Sleeswijk, geboren in 1739, hij huwde met Fetje (Fettie) Rienks Sleeswijk. Dochter van Rienk Jilles Sleeswijk van Workum en Trijntje Piers Faber. Cornelis en Fetje bewoonden het pand Langestreek 22 te Lemmer. www.walmar.nl Uit dit huwelijk werden de volgende kinderen geboren.

1. Corneliske Cornelis Sleeswijk.

2. Rienk Cornelis Sleeswijk.

3. Trijntje Cornelis Sleeswijk.

4. Sjoerdje Cornelis Sleeswijk.

5. Frederijke Cornelis Sleeswijk.

6. Sjoerdje Cornelis Sleeswijk.

7. Sikke Cornelis Sleeswijk.

8. Antje Cornelis Sleeswijk.

9. Kathalina Cornelis Sleeswijk.

10. Sikke Cornelis Sleeswijk.

3. Frederik Sikkes Sleeswijk.

4. Sara Sikkes Sleeswijk.

5. Antje Sikkes Sleeswijk.

6. Antje Sikkes Sleeswijk.

7.Sara Sikkes Sleeswijk.

Door de huwelijken van Tettje Sjoerds Stapert en Cornelis Sleeswijk, en van Nanne Jouwerts Stapert en Antje Cornelis Sleeswijk...zijn deze families vooraanstaand in Lemmer geworden. Zo bewoonden ze ook het pand aan het Turfland 56 te Lemmer. Dit pand werd het 'Staperthuis' genoemd. Sjoerd Jouwert Stapert, liet het statige woonhuis met bedrijfsgebouwen in 1758 bouwen...(Hier is een prachtig boek over verschenen op initiatief van Stichting Oud Lemmer, geschreven door Anne Hielke Lemstra, Sytse ten Hoeve, Jelle de Jong en Rienk Wegener Sleeswijk. De laatste is een nakomeling van Sjoerd Stapert.)

 

www.andrebuwalda.nl Gevelsteen in de buitenmuur van de Hervormde kerk te Lemmer.

Den 5 May 1716 heeft Nanne Aenes, holt kooper in de Lemmer van deese Kerk en Tooren de eerste steen gelegt. Al die hier komt en siet dit schoon gebouw eens aen. Wilt hier niet Buiten blieven Stae(n). Maer hoort met vlijt datter wort geseit Op dat door GOODES Geest en woort de Eerste Steen ook wort geleit. In U en Mij ook Altesaem Ick sluit hier mee in Goodes Naem.

 

De kinderen van Jouwert Sybrens noemde zich Stapert, Eén der zonen, Sjoerd Jouwerts Stapert (Sjoerd-baes)  kreeg bekendheid als waterbouwkundige, aannemer van publieke werken en scheepsbouwer te Lemmer. De jongste van de tien kinderen van Jouwert Sybrens Stapert, was Nanne Jouwerts Stapert, geboren 20 maart 1740 te Lemmer, de stichter van pand 'Oudesluis 9'. Zijn vrouw Foekjen Tijssens Pekama, kwam uit een vooraanstaande Lemster familie, zij was een dochter van de bijzitter (wethouder) Tys Jentjes Pekema.

Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren waarvan er in 1796 nog drie in leven waren.

Nanne Jouwerts Stapert, was werkzaam in de houthandel van zijn oom Aene Nannes, waarin waarschijnlijk ook zijn vader belangen had. Na de dood van Aene Annes, werd hij met zijn zwager Arjen Klazes Buwalda eigenaar van het bedrijf. De laatste woonde in het huis bij de zaagmolen.

 

De houtzaagmolen aan het vaarwater de Rien te Lemmer. Dit bedrijf is in 1795 (volgens in één van de balken van de molen), verplaatst naar de kolk aan de Rien. De toenmalige eigenaar, Nanne Jouwerts Stapert, zou de molen hebben aangekocht in de Zaanstreek en in Lemmer hebben herbouwd. De houtzagerij is in 1851 eigendom geworden van de familie Sleeswijk, die tot 1905 persoonlijk eigenaar was. Daarna werd het bedrijf ondergebracht in een N.V. In 1895 is de molen van windhoutzaagmolen verbouwd tot stoomhoutzaagmolen, waarbij de wieken werden afgenomen.

 

 

De voorouders van Rienk Cornelis Sleeswijk en Tettje Sjoerds Stapert.

1.Sjoerd Stapert, ,,een Lemster op drift’’

Oud rechter Rienk Wegener Sleeswijk, hield op de donateuravond van 'It Lemster Skûtsje' een inleiding over Sjoerd Jouwerts Stapert, "Een Lemster op drift" zoals Sleeswijk hem noemde. Sleeswijk is een Lemsterland-kenner bij uitstek. Zijn familie woonde indertijd in 'De Andringastate' aan de Schulpen en was eigenaar van de Houtmolen. Spreker vond het een eer om hier bij de skûtsjesliefhebbers te zijn.

Sjoerd Stapert leefde van 1735 tot 1816. Dat was een roerige tijd met veel oorlogen. Van 1740 tot 1748 woedde de Oostenrijkse Successieoorlog. Na enkele jaren gevolgd door de zevenjarige oorlog. Verder kreeg men in die tijd te maken met Engelse zeeroverij.

Tot zijn veertigste was deze 'geweldig gekke Lemster' een heel gewone man. Zijn vader Sybren was een succesvol zakenman, getrouwd met een Lemster meisje uit de gegoede stand. Hij had een touwslagerij, was reder en koopman. Sjoerd kreeg daar zijn opleiding, die in 1756 voltooid werd met een reis naar Riga als afsluiting. Het was de tijd dat de Engelsen Nederlandse schepen roofden en uit die tijd hield Stapert een diepe afkeer over voor alles wat Brits was. Toch waren die oorlogsjaren een welvarende tijd. Zo lang er oorlog was en je zelf neutraal bleef kon er aan beide kanten verdiend worden.

Ataque van de Engelschen op De Lemmer, den 29 September 1799.

 

Van het goudgeld dat in die oorlogen verdiend was, werden een stuk of vijf luxere woningen in Lemmer gebouwd. In het huis aan het Turfland, nu bewoond door Piet Zandman, hebben twee generaties Sleeswijk gewoond. Daarna is het geschikt gemaakt om in tweeën bewoond te worden.

Sleeswijk, vertelde van een tegeltableau van het lopen van Jezus over het water, dat in de woning aan het Turfland zat. Dat werd er uitgesloopt en verkocht. Na jaren kwam het weer te koop en kwam in het bezit van de 'Ottema Kingma Stichting'. Die heeft gezorgd dat het nu in het Prinsessehof in Leeuwarden is.

Sjoerd Stapert, gaf veel gewicht aan zijn functie van diaken. Daarnaast was hij brandmeester, touwslager, scheepsreder en aannemer. Voor al deze zaken had hij veel werkvolk in dienst. Hij gedroeg zich als een eenvoudig, egalitair man, die het met iedereen goed kon vinden. Zo gebruikte de familie Stapert, die achternaam nooit. Dat was toen te deftig. Pas toen er contacten met Den Haag kwamen, moest die naam er wel bij. Overigens moet die naam afgeleid zijn van een voermansroep: 'Sta paard!'

Het redersbedrijf van Stapert, bloeide vooral in de Amerikaanse Vrijheidsoorlog. In 1781 kwam de oorlog met Engeland. Sjoerd Stapert, sloot zich aan bij de patriotten. De vrouw van stadhouder Willem V, was een zuster van de Engelse Koning. Men wantrouwde de stadhouder, omdat hij als een halve Engelsman werd beschouwd. Sjoerd was dus anti-stadhouder. Hij werd kapitein van het Lemster exercitie genootschap (ook wel vrijcorps of genootschap voor de wapenhandel). De anti Britse gezindheid van Stapert werd nog verergerd door de Engelse zeeroverij. Er was een vloot van Nederlandse schepen in konvooi onderweg naar een Franse haven. In Het Kanaal lag een eskader Engelsen te oefenen. Zij overvielen het konvooi en tweehonderd schepen met inhoud vielen in Engelse handen. Alleen een paar oude, eigenlijk al afgedankte schepen kwamen terug. Sjoerd had belang in elf van de verloren schepen.

Op een werf in Harlingen liet de admiraliteit een groot schip bouwen. Ook Stapert bouwde een dergelijk schip voor de overheid. Er was alleen naar het bouwen gezien en niet naar de mogelijkheden om uit Harlingen weg te komen. De schepen liepen met de kiel in de modder vast en kwamen de haven niet uit. Er moest eerst gebaggerd worden. In 1783 waren de schepen klaar en de oorlog was over. Het door Stapert gebouwde schip moest 400.000.— gulden kosten. Het werd door de admiraliteit geaccepteerd maar de laatste f 130.00.— gulden kreeg de reder niet meer. Dit sterkte hem in zijn opvatting dat het bestuur zo rot als een mispel was. Door een truc kreeg men het geld tenslotte toch nog binnen.

Als kapitein van het exercitie genootschap zou Sjoerd met 30 man Lemmer verdedigen tegen de Pruisen. Maar de Pruisen kwam niet. Zij kozen een andere weg naar Amsterdam. Reden voor Sjoerd om met zijn mensen naar Amsterdam te gaan om die stad mee te verdedigen. Ouderkerk aan de Amstel werd met succes verdedigd maar Amsterdam wilde capituleren. Stapert vond dat onzin maar werd verbannen. Stapert vertrok naar Brussel en was welkom in Noord Frankrijk. Daar ging hij het bedrijfsleven weer in. Tenslotte kwam hij in een Koninklijke commissie terecht.

Na wat omzwervingen door Frankrijk ging Stapert in Duinkerken wonen. Van daaruit kon hij zijn rederij weer beheren. Bij dit alles werd Sjoerd vergezeld door zijn zoon Bareel. In 1792 vertrok deze, terug naar Nederland. De vader volgde hem en ging in de richting van Zutphen. Hij en zijn metgezellen werden later als helden in Lemmer binnengehaald. Sjoerd werd provinciaal bouwmeester. In die functie kreeg hij te maken met het opruimen van familiewapens en dergelijke van de Friese Nassaus. Hij verhinderde daarbij niet.. dat alles, zelfs de graven van dat geslacht, kapot geslagen werd.

Johannes de Vries.

Volkswoede in 1795.

Volkswoede in 1795. De burgers van Leeuwarden vernielen de graven van het Huis Nassau-Diez.

In 1795 werd Friesland, tenminste in de ogen van de patriotten, van het juk van de Oranjes en hun adellijke kliek bevrijd. Het gewest volgde nu het voorbeeld van het revolutionaire Frankrijk. Het stadsbestuur van Leeuwarden verordende dat "alle distinctieve eeretekenen en wapenborden als onbestaandbaar met gelijkheid en vrijheid moeten worden weggenomen". Op 1 augustus sloegen bouwmeester Stapert en steenhouwer Feyens het grafmonument van Willem Lodewijk van Nassau-Diez en dat van Anna van Oranje, een liggende gepolychromeerde gisant, aan gruzementen. Ook de rouwborden en wapenkasten werden vernield.
Nu wreekte zich de opvallende bovengrondse begraafwijze van de Nassaus. Hun fraaie kisten werden op 16 augustus door een door Stapert aangevoerde revolutionaire menigte opengebroken. Men vertrapte de tinnen en loden kisten en voerde het materiaal weg om het om te smelten. Op de door een voorbijganger opgeraapte schedel van Marie Louise na werden alle beenderen in de natte kelder geworpen.
De kapel werd consistoriekamer en de graven werden vergeten. In 1841 bezocht koning Willem II der Nederlanden Leeuwarden en informeerde naar de graven van zijn voorouders. Toen werd een onderzoek ingesteld naar de kelder. Daarop werd op 24 september 1842 de grafkelder geopend. Die bleek vol water te staan. Nadat het water was weggepompt werden er veel verspreide overblijfselen gevonden, kisthout en twee doodskisten die redelijk intact waren. Volgens het proces-verbaal was het lichaam van Marie Louise en Hendrik Casimir intact en waren er ook andere knoken in de natte kelder aangetroffen. De kelder werd gelucht en gewit en in twee nieuwe "groote vorstelijke doodskisten" werden de aangetroffen resten opnieuw in de kelder opgebaard.

Merkwaardigerwijs liet in 1878 de Douairière Baron van Heemstra aan de Nederlandse regering weten dat zij de schedel van Marie Louise bezat. Deze bevond zich in de nalatenschap van haar man in een zwart kistje met de opschrift "Marie Louise Vorstin van Hessen Kassel Douairière van Frislands zesde Stadhouder Johan Willem Friso, Prins van Oranje enz. enz. enz.".Op het kistje waren ook haar geboorte, huwelijks- en sterfdatum vermeld. De Baron had de schedel in 1830 van een Fries gekregen.

Minister Heemskerk liet de schedel, overigens in alle stilte, in de kist van Marie Louise plaatsen maar daarin bevond zich al een schedel...

Bron: Wikipedia

| 1 | 2 | 3 |

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.