Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 

De familie Stapert en het dorp Lemmer, in de 18e eeuw.

 

 
 

 

 

Cyprianus Vomelius á Stapert.

zijn geslacht en geslachtswapen

Voor ongeveer een viertal eeuwen lag ten zuiden van het dorp Wommels in Hennaarderadeel de state Stapert en ten noorden van dat dorp de state Walpert.
De state Walpert werd vóór 1543 vrij zeker door eenen Hoijte Walpert bewoond, toen reeds overleden, terwijl de state Stapert aan het geslacht van dien naam toebehoorde. Op laatstgenoemde state werd Cyprianus Stapert, meer bekend als Cyprianus Vomelius, in het jaar 1515 geboren.

Over hem en zijn geslacht willen wij hier hier een en ander mededeelen. Voor zoover wij hebben kunnen nagaan, werd de state Stapert in den aanvang der 16e eeuw bewoond door EPE STAPERT en zijne vrouw HYLCK, wier familienaam wij niet kennen. Epe daalde vóór zijne vrouw ten grave; beide echtelieden schijnen althans-in 1543 niet meer in leven te zijn geweest. HANS en BOTTE waren hunne zonen; mogelijk hadden zij nog twee kinderen: DOUWE en HAIJE.

„Toe Stapert", op de terp, waarop de state stond, lagen twee „zaeten" van dien naam, waarvan destijds de eene aan HANS, de andere aan BOTTE behoorde. De patroon van Wommels, in de kerk van dat dorp, had in dien tijd recht op „XVIII Stuvers jaerliex renten in HANS EPIS „zaete toe Stapert, bysproecken in voertijden „van HYLCK EPIS weduwe", benevens „een pon- „demaete terpland in BOTTE STAPERTS zate, geldende „toe huyer XII stuvers."

Daarenboven was BOTTE aan de pastorie van liet dorp jaarlijks schuldig te betalen één floreen, terwijl daaraan nog „vuyt beyde zaeten toe Stapert, een ewich „deel" toekwam. Ook te IJtens, niet ver van Wommels, alsmede bij liet dorp Nijland in Wijmbritseradeel trof men voorheen staten of saten aan, die den naam Stapert droegen.

Met zekerheid weten wij, dat HANS of JOHANNES in 1515 op de state Stapert onder Wommels verblijf hield. Of ook BOTTE toen in dat dorp woonde, is wel waarschijnlijk; het is zeker, dat hij er althans in 1548 eigendommen bezat. Vermoedelijk woonde DOUWE destijds te IJtens, terwijl de woonplaats van HAIJE ons onbekend bleef. Deze laatste komt in 1587 als volmacht voor van de Vijfdeelen-binnendijks, vanwege Hennaarderadeel.

JOHANNES huwde met TJETS OEGEMA en bewoonde, zooals wij opmerkten, de ouderlijke state. Hij was in 1522 als „gedeputeerde der lantschappen" in de kerk van Sneek een der getuigen bij de overeenkomst, die in 't begin van Juni van dat jaar tusschen die stad en den Gelderschen stadhouder, Graaf van Meurs, gesloten werd.

In een accoord over het opgraven der Zijlroede naar Mackum van 22 Juli 1532 wordt ook zijn naam onder de gevolmachtigden gelezen, als: „HANS STAPPERT, to „Wommels, van (wege) Hynnaerderadeel", terwijl hij dat stuk aldus onderteekende: „HANS EPESZ. to Wommels".

In het volgende jaar, 1533, daalde hij ten grave en liet 6 kinderen na, en wel ééne dochter AAL , benevens vier zonen: EPE, SABOKE , SYBOLT (?) (Cyprianus) en HANS en misschien nog een zoon HAIO.

Deze laatste kan dan geweest zijn HAIO VOMELIUS, die in 1551 pastoor te Oosterend en in 1562,. commissarys generael over Vrieslandt" was, benevens prebendaris in de St. Vituskerk (Oldehove) te Leeuwarden. Hij zal later wellicht het geestelijk kleed hebben afgelegd en zich te Sneek gevestigd hebben, waar ook SABOKE heeft gewoond, want beiden komen als inwoners dier stad voor in 1580 en wel onder hen, die wegens hunne getrouwheid aan hun Koning en hun geloof de wijk moesten nemen. HAIO zal zich toen naar Groningen hebben begeven en in 1594, bij het beleg dezer stad door Prins MAURITS, naar de Ommelanden gevlucht zijn.

Merkwaardig toch is de volgende aanteekening:
„Den 6" (Juni 1594) „bindt omtrendt 100 Ruyter
„van Selwaert" (t. n. van Groningen) „gekomen
„ om beesten toe haelen, ende hebben HAIO STA-
„PEERT gevangen, ende weinich beesten gekreegen;
„daer is een Trommeslaeger nae HAIO gesonden, dan is
„voort met een peert nae dat groote leger tho Helpen
gebracht". Daar was toen het Statenvolk gelegerd.

Waarschijnlijk was deze HAIO een natuurlijk kind van JOHANNES of wel een kind uit een vorig huwelijk. Immers, men vindt vermeld , dat HANS zes kinderen had en door SUFFRIDUS PETRUS worden EPE, SAECKE en HANS volle broeders van CYPRIANUS genoemd.

De vraag of AAL de oudste dan wel de jongste der kinderen was, waarover getwijfeld wordt, zullen wij, als van minder belang, hier niet bespreken, 't Komt ons waarschijnlijk voor, dat zij de oudste was. Zij huwde, met wien is onbekend en woonde te Witmarsum, waar zij den 28 Februari, denkelijk van het jaar 1570, op 60 jarigen leeftijd is overleden.

Haar broeder CYPRIANUS vervaardigde op haar een latijnsch grafgedicht, hetwelk vertaald, aldus luidt:
„Hier rust zuster AAL, een van de vijf van het kroost,
„dat nog in leven is, zeer gelukkig door hare
„nakomelingschap. Helaas ! Witmarsum betreurt
„haar als eene moeder, die haar ontnomen is en
„die dikwerf goede gaven aan de armen gaf. Geef
„Gij, o Heer, voor deze diensten en voor hare
„voortdurende goedheid een erfdeel in Uw Hemelsch
„Koningrijk aan Uwe dienstmaagd."

EPE zal wel genoemd zijn naar zijns vaders vader en dan wellicht de oudste der zonen zijn geweest. In dat geval zal hij omstreeks 1512 zijn geboren.
Hij woonde te Wommels, zeer zeker op de voorvaderlijke state, beoefende den landbouw, was mederechter van Hennaarderadeel en dorprechter in zijne woonplaats. Zijne vrouw heette SYBRICH en was de dochter van MARCK SIERCKSZ, die in 1505 voorkomt als edelman in de Zevenwouden, in 1515 grietman werd van Schoterland en Stellingwerf en omstreeks dien tijd veel roem verwierf in den oorlog tegen de Gelderschen en Bourgondiërs.

Zij hadden twee kinderen: „LAURENTIUS VOMELIUS à STAPERT" en TJITSKE of JETSKE, zeker naar haar vaders moeder genoemd.
't Is niet bekend of LAURENTIUS is gehuwd geweest, maar wel, dat hij Doctor in de beide Rechten en vervolgens Procureur bij den Hove werd. Hij wordt geroemd als een man, „van wiens uitstekenden ijver, kennis en trouw, vele vorsten, „vele gewesten en steden, wijd en zijd, door het „geheele land gebruik maakten."

Zijne zuster JETSKE trad in het huwelijk met een aanzienlijken eigenerfde, JAN HOTZES VAN RINSS, die ook te Wommels woonde en aldaar mede het landbouwbedrijf uitoefende.

Men vindt aangeteekend, dat zij in 1593 acht kinderen hadden.
EPE STAPERT leefde nog in 1574 en was volmacht op den Landsdag van 12 Sept. van dat jaar vanwege Hennaarderadeel.  Daar hij niet, zooals SAECKE en HAYE STAPERT in de lijst der ballingen van 1580 wordt vermeld, zal hij, zoo hij, ten minste de Spaansche regeering en de Katholieke eeredienst heeft aangehangen en trouw gebleven is, vóór dat jaar gestorven zijn.

Zijn broeder SAECKE, elders SABINUS genoemd, was doctor in de beide rechten en eenigen tijd burgemeester van Sneek. Hij was tweemalen gehuwd. Zijne eerste vrouw was YDT, eene aanverwante van JOACHIM HOPPERS; zijne tweede vrouw IBEL ALBADA, die in Januari 1566 als zijne echtgenoote voorkomt, was eene aanverwante van WIGLE VAN AYTTA.

SAECKE en IBEL waren, zoo 't schijnt, een voortreffelijk echtpaar. Althans SUFFRIDUS PETRUS maakt daar een compliment, door op te merken, dat zij haars gelijken niet had, wat schoonheid, kuischheid en andere vrouwelijke deugden betrof, en VIGLIUS getuigt van hem, dat hij waardig was hooger op te klimmen op den maatschappelijken ladder en hij spreekt zijn verlangen uit, dat zich weldra de gelegenheid eens mocht opdoen, dat SAECKE tot de waardigheid van Raadsheer mocht worden verheven.

Ook vermeldt AYTTA in een zijner brieven aan zijn landgenoot HOPPERS, dat zijn broeder, waarschijnlijk GERBRANT, die Kanunik van St. Bavo te Gent was, zich zeer voor de belangen van SAECKE in de bres had gesteld.
SAECKE schijnt alleen bij zijne tweede vrouw kinderen te hebben gehad. Hij was de Spaansche zijde toegedaan en moest dientengevolge bij de omkeering van zaken in 1580, de wijk nemen.

In de lijst van ballingen uit dat jaar wordt hij opgenoemd onder de edelen van Sneek. Hij was reeds vóór Juni van dat jaar gevlucht en begaf zich naar Emmerik, waar hij in datzelfde jaar overleed. Vermoedelijk was hij juist naar die stad getogen, dewijl zijn broeder JOHANNES er indertijd gewoond had en wiens nakomelingen er zich in 1580 vrij zeker ophielden.

Zijn broeder JOHANNES toch, omstreeks 1520 geboren, had zich, waarom is onbekend, reeds een twintigtal jaren te voren daar metterwoon gevestigd en was er gehuwd, reeds 40 jaren oud. Hoewel man en vader, bezocht hij er, zoo vindt men aangeteekend op eene wijze der herinnering' waardig, dagelijks als een jongeling de letterkundige scholen.

Maar korten tijd daarna overviel hem de dood. Hij stierf in 1568 en werd in de stad zijner inwoning begraven onder eene zerk, waarop een latijnsch grafvers werd gebeiteld, door CYPRIANUS aan hem gewijd en van den volgenden inhoud: JOHANNES, toegenaamd STAPERT, een Fries, leefde als een vergrijsd bewonderaar van de Gratiën en der Musen, want op veertigjarigen leeftijd hoorde hij ijverig de Hoogleer aren, die in deze stad de wijsbegeerte onderwijzen. Hoeveel te meer past het u, o jongelingen! om de fraaie letteren, die schoone wetenschap, lief te hebben.

De naam zijner vrouw kennen wij niet, evenmin als de namen zijner kinderen.
Wij komen thans tot den hoofdpersoon van dit geslacht, meest bekend onder den naam van CYPRIANUS VOMELIUS of CYPRIANUS VOMELIUS à STAPERT, of van Wommels, aldus genoemd volgens de gewoonte dier dagen, om geleerde personen naar hunne geboorteplaats te betitelen, zooals dit o. a. ook liet geval was met WIGLE VAN AYTTA , die men gewoonlijk VIGLIUS ZUICHEMIUS noemde. Of zijn eigenlijke naam SJOERD, SYBOLT of SYBREN was, zullen wij in het midden laten, maar wij voor ons gelooven, dat die SYBOLT zal zijn geweest.

CYPRIANUS werd in het jaar 1515 te Wommels geboren. Hij genoot zijn eerste onderwijs op de dorpschool zijner woonplaats. Later begaf hij zich ter verdere opleiding naar Gouda en Haarlem, in welke laatste stad hij op de Latijnsche school het onderwijs genoot van den kundigen JACOBUS HOYERUS. Vervolgens begaf hij zich naar Sneek en vandaar naar Groningen, waar hij onder de leerlingen behoorde van den bekenden en geleerden REGNERUS PRAEDINIUS, rector van de St. Maarten-school.  Dewijl hij zich op de studie der rechtsgeleerdheid wilde toeleggen, vertrok hij in 1580 vandaar naar Wittenberg.

Drie jaren lang had hij zich met ijver op die wetenschap toegelegd, toen eene treurige gebeurtenis zijne studieplannen plotseling den bodem dreigde in te slaan. Zijn vader werd hem door den dood ontrukt en zijne moeder bleef in kommervolle omstandigheden achter. Zij gaf CYPRIANUS te kennen, dewijl zij behalve hem en SAECKE nog bovendien vier kinderen had te onderhouden, dat het haar onmogelijk was om de groote kosten, tot zijne studiën benoodigd, te betalen.

Zonder twijfel was dit eene groote teleurstelling voor den ijverigen jongeling. Maar hij liet zich niet ontmoedigen. Goede wil en volharding, ijver en opofferingen hebben menig mensen verder gebracht, dan het stomme geld!

CYPRIANUS was nu omstreeks 18 jaren en hij moest thans zelf het middel zoeken, om zijne studiën te bekostigen. Geen eervoller weg kon hij inslaan, dan dien hij tot dat einde koos. Hij vatte het plan op, om winst te doen, om namelijk geld te slaan uit hetgeen hij zich van de wetenschap had eigen gemaakt. Hij begon nu onderwijs te geven op onderscheidene letterkundige scholen in Duitschland, zooals te Maagdenburg en Brunswijk.

En dit schijnt hem goed gelukt te zijn. Althans hij zette zijne studiën met kracht voort en begaf zich van tijd tot tijd naar verschillende Akademiën, achtereenvolgens naar Erfurt, Leuven en Keulen. In Erfurt bevond hij zich waarschijnlijk omstreeks 1535 en zeker althans in 1540, want in laatstgenoemd jaar zag een zijner werken aldaar liet licht.

Dat hij zich inderdaad omstreeks 1535 in die stad moet hebben opgehouden, meenen wij te mogen afleiden uit het feit, dat hij in nauwe betrekking stond met zijn landgenoot ULPIUS CISSAEUS, die in die dagen het Hoogleeraarsambt aan de hoogeschool te Erfurt bekleedde en omstreeks 1540 overleed.

Deze ULPIUS CISSAEUS FRANKEQUERENSIS of van Franeker, wiens eigenlijke naam wel ULBE zal zijn geweest, werd omstreeks het jaar 1480 te Schalsum in Franekeradeel geboren.
In dit dorp," zoo verhaalt ons SCHOTANUS, plach de Toorn met een klimmerboom bewassen te zijn, claer van 't spreeckwoord noch" (d. i. omstr. 1660) in wesen is: „To Schalsum in de Climmerbeam."

De huysluyden moesten dien Climmer afhacken, omdat liy menichte van Musschen ende ander ghevogelte schadelyck voor 't staende Coorn, herberchde. Een van de gheleerde vrienden van ERASMUS ROTERODAMUS, was uyt dit dorp gheboortigh en nam syn toenaem ofte titel van den Climmerboom ULPIUS CISSAEUS FRANEQUERENSIS. Hij was uitmuntende in kennis van de Grieksche tale.
Elders vindt men hem aangeduid met het woord „HEDERACEUS", hetgeen even als CISSAEUS op Klimmerboom betrekking heeft.

ULPIUS CISSAEUS nu had te Erfurt gestudeerd en werd later in die stad , zooals wij zagen , tot Hoogleeraar benoemd. Toen echter de gevoelens van LUTHER tot Erfurt waren doorgedrongen, schijnt hij, dewijl hij ijverig tegen dien Hervormer had geschreven, die stad al spoedig verlaten en zich naar zijn Vaderland begeven te hebben, waar hij naar men wil, ergens priester is geweest, waarschijnlijk te Franeker. Hij schijnt kort na zijne terugkomst, omstreeks 1540 gestorven te zijn.

CYPRIANUS was het met dezen zijnen landgenoot volstrekt niet eens op staatkundig gebied en dit lokte van beide zijden veel geschrijf uit. Maar al was er strijd tusschen hen, 't was volgens SUFFR. PETRUS een kalme strijd, een strijd zonder bitterheid.

ULPIUS dweepte met de vroegere regeering der Saksische Hertogen; misschien was daartoe voor hem eenige aanleiding, dewijl hij door HENDRIK VAN SAKSEN met eene betrekking was bekleed. waarvoor hij dezen Hertog uit erkentlijkheid een gedicht opdroeg.

Maar CYPRIANUS, die zooveel jonger was en het eerste levenslicht had gezien in hetzelfde jaar, waarin het bewind over Friesland door den Saksischen Hertog aan het huis van Bourgondië werd overgedragen, CYPRIANUS , die met grooten eerbied vervuld was voor den in zijn tijd zoo roemruchtigen Keizer KAREL V, van wiens regeering hij voor zijn Vaderland alle heil verwachtte, hij gevoelde niets voor het bestuur van een vreemdeling, wiens zon hier uitgeschenen had.

Sedert 1523, het jaar waarin Friesland volkomen aan Keizer KAREL was onderworpen, genoot dit gewest eenige verademing na een langdurige binnenlandsche tweedracht en daarop gevolgde invallen en plunderingen van vreemde krijgers. Er was een tijdperk van betrekkelijke rust ingetreden, al dreigde ook in de verte liet spook van den godsdienstkrijg; die rust werkte gunstig op welvaart en bloei, handel en nijverheid.

Geen wonder, dat de vurige jongeling, die onder dat alles was opgegroeid, die zeker in zijne jeugd dagelijks de naweeën zag van, en gesprekken hoorde over de plunderzieke benden der Saksische en Geldersche Hertogen, aan ULPIUS zijn gevoelen lucht gaf in de volgende bewoordingen: „Aan ULPIUS CISSAEUS FRANEQUERENSIS. Daar in ons gewest het Hof van, GEORGE Hertog van Saxen thans niet meer heerscht, is daarover een langdurig geschil tusschen ons beiden gerezen. Maar ik verheug mij met het grootste recht, dat de Keizer de teugels der regeering in mijn Vaderland in handen heeft.

Hij, de Beheerscher der Wereld, aan wien het Westen en het Oosten gehoorzaamt, zachtmoediger Heer dan Hij, is er op de geheele wereld niet! Hij moge langen tijd heersenen over Friesland; de Friezen zullen hunnen Heer niet beschamen!
Neen, niet de Friezen zouden hunnen Heer, maar hun Heer zou hen beschamen en de gevolgen zouden niet uitblijven! In hetzelfde jaar, dat CYPRIANUS den geest gaf, zwoeren zij den Koning van Spanje af, den zoon en opvolger van den, zooals CYPRIANUS het uitdrukte, „zachtmoedigen Heer."

Niettegenstaande hun verschil van meening op staatkundig gebied , achtten zij elkander hoog en wisten zij elkander te waardeeren, hetgeen hen tot eer en ons tot navolging kan strekken. CYPRIANUS toonde dit door aan ULPIUS bij zijn overlijden (1540) een fraai gedicht te wijden. Twee jaren later treffen wij CYPRIANUS te Leuven aan.

Daar studeerden destijds landgenooten van CYPRIANUS, o. a. SEVERINUS FEYTA, van Harlingen, en UVO HELT, uit Groningen. Beiden maakten zich zeer beroemd bij die bestorming. FEYTA was bij die gelegenheid de aanvoerder der studerende jongelingschap en wist zijne studiebroeders met zooveel moed te bezielen, dat de aanval werd afgeslagen en de vijand werd verdreven, redenen, waarom Keizer KAREL V hem, FEYTA , in den adelstand verhief.

Dit laatste geschiedde ook met HELT, die meer bepaald het voornemen had opgevat, om zijne medestudenten tot verdediging op te roepen.
CYPRIANUS wijdde aan beiden een gedicht. Vooral de laatste, wiens geleerdheid hem al spoedig na zijne komst te Leuven was ter ooren gekomen, had op hem een bijzonder goeden indruk gemaakt.

Die goede indruk werd zeer zeker nog versterkt door het blijk van moed door HELT gegeven, een bewijs, dat deze zijn naam alle eer aandeed. Want CYPRIANUS verhaalt, dat deze, toen een van Leuven's burgers den raad gaf, om den vijand door omkooping van den storm te doen afzien, zich verontwaardigd tot de menigte keerde en burgers en  studenten aansprak op eene wijze, dat allen, met geestdrift vervuld, naar de wallen snelden en het voornemen des vijands door hunne dapperheid verijdelden.

Geen wonder alzoo, dat CYPRIANUS dit feit op dichterlijke wijze trachtte te vereeuwigen en voor de nakomelingschap te bewaren.
De geleerdheid van CYPRIANUS en zijn ijver voor de wetenschappen waren oorzaak, dat hij eerlang op aanbeveling zijner vrienden en voornamelijk van zekeren JACOBUS CURIENSIS, zeer beroemd in de genees- en wiskunde, naar Maintz werd geroepen.

Gedurende drie jaren stond hij daar aan het hoofd der philosofische school en nam tevens gedurende dien tijd, als plaatsvervanger, de betrekking waar van Bewaarder der Schatkist van den Aartsbisschop in die stad. Ook verwierf hij daar den doctoralen graad in de Rechtsgeleerdheid-, omstreeks 1547, in welk jaar hij een zijner werken te Maintz uitgaf.

Thans was zijn naam gevestigd en de roem zijner geleerdheid breidde zich wijd en zijd uit. Eerlang stond de Aartsbisschop hem toe het Burgerlijkrecht aan de Akademie in laatstgemelde stad te onderwijzen.

Zelfs drong de mare zijner kunde door tot het Hof van Keizer KAREL V, en zoo hoog werd hij door dien vorst geschat, dat deze hem 9 November 1547 een eerewapen schonk, „zijnde een, schild uit meni of rode koleur, op welken fundament op een aarden gront een vliegend paard van witte of zilver coleur, met uitgestrekte vleugels, de voorste voeten van gelijke gevleugelt zijnde, na 't voorste van 't schild uitgestrekt en na 't vliegen gefatsoneerd, met de achterste voeten op de grond staande zich vertonende; over 't schild hangt een gesloten helm versiert met hairsnoeren, linten en een gekruld windsel van meni en silver coleur, op welken top het voorste gedeelte van een vliegend paart met uitgestrekte en gevleugelde voeten, gelijk in 't schild te zien is en gelijk hier in 't midden van dit geschrift afgeteykent staat.

Hij mocht zich daarvan bedienen „in alle eerlijke en betamelijke handelingen en tochten, so wel uit ernst als uit jok, op de manier van wapendragers, in drilling en geweeroefeningen en kampen en duellen en in alle gevechten, op vaandels, tenten, ringen, signetten, segels, wimpels, tapeten, spreden, grafsteden, aan de huisen, schilderijen, op iets gegraveert, op kleynodien, voorts op alle huisgeraad en alle andere dingen na uwe begeerte en vrije wille.

De overweging, om CYPRIANUS dit eerewapen te schenken, was, zoo zegt de Keizer, de volgende. Des Keizers voorouders hadden boven dapperheyt in vrede en oorlog, altijd den geleerden gunst gezocht te bieden, zij hadden steeds mannen van wetenschap en verstand met groote neer stigheyt gesocht en hun „aansienlyke eerampten opgedragen, weshalve, zoo luidt het verder, dewijl gij CYPRIANUS bij uw schrander oordeel ook t sieraat van de studiën hebt toegedaan en u in vrije en vatsoenelijke luiden passende konsten hebt geoeffent en door yver, arbeid en waakzaamheyt zoo verre gekomen zijt, dat gij een seer goede naam en lof van geleertheid verkregen hebt, om die reden schonk de Keizer hem met een besondere gunst van onse goeddadigheyt dit schoone „eerewapen", zoo voor hem , als voor zijne nakomelingen.

Het is mogelijk, dat CYPRIANUS en zijn geslacht toen reeds een wapen met een opspringend paard voerden. Dan was het in verband met hun naam, een zoogenaamd sprekend wapen. Het aanbrengen der vleugels zou kunnen duiden op de hooge vlucht van zijne geleerdheid en dichtkunst. Immers de Pegasus, het gevleugeld paard, werd bij de ouden als het dichterlijke paard der Musen gevierd.

De veronderstelling, dat de STAPERT'S reeds vóór dien tijd een springend paard in hun wapen voerden, grondt zich op een familiesage, waarvan de korte inhoud is, dat een lid uit dit geslacht het vurig ros van den een of anderen hooggeplaatsten persoon, terwijl het op hol was of steigerde, in den teugel greep met de woorden „sta pert." Mogelijk licht daarin eenige waarheid ten grondslag.

De Keizer achtte het evenwel nog niet voldoende, aan dezen geleerden Fries een eerewapen geschonken te hebben. Bij diplomata van 4 Mei en 19 October 1555, te Brussel gegeven, werd hij met zijne drie broeders „ SABIN, licenciaat der rechten, EPPO en JOHAN" in den Rijksadelstand verheven en dientengevolge het wapen in zooverre gewijzigd dat de gesloten helm (voor niet-adellijken) nu werd veranderd in een geopenden helm of adellijken toernooihelm.

Verder werd CYPRIANUS voor zijn persoon in laatstbedoeld diploma benoemd tot Comes Palatinus (Paltsgraaf, in engeren zin) al hetwelk door Keizer MAXIMILIAAN II bij bul van 18 Juli 1569 werd bevestigd.

Voorzeker waren dit blijken van groote onderscheiding en waardeering van de bekwaamheden van dezen geleerden Fries, en het is dan ook niet te verwonderen, dat hij, die zoo dikwijls met goed gevolg de dichtkunst beoefende, den Keizer in versmaat zijne hulde bracht.

Omstreeks 1558 bevond CYPRIANUS zich te Keulen en hield er toen o. a. een penningkabinet op na. Vier jaren later (1562) woonde hij weder te Maintz, waar SUFFR. PETRUS hem een bezoek bracht. Deze was door zijne bemoeingen in Juni 1557 benoemd tot hoogleeraar in de Grieksche taal aan de Akademie te Erfurt, welk ambt hij waarnam tot in 1562, in welk jaar SUFIRIDUS op aanbeveling van een anderen landgenoot, JOACHIM HOPPERS, boven reeds door ons vermeld, door den Kardinaal GRANVELLE tot diens secretaris en bibliothecaris werd aangesteld.

Reeds in het vroege voorjaar (1562) begaf SUFIRIDUS zich op reis van Erfurt over Maintz en Frankfort naar Brussel. Te Maintz gekomen, richtte hij zijne schreden al spoedig naar de woning van zijn landgenoot CYPRIANUS, die hem nimmer te voren had gezien en van zijne komst niet verwittigd was.

Zij kenden elkander alleen bij naam en door hunne werken, zoodat, toen de bezoeker het vertrek van CYPRIANUS was binnengetreden en de eerste begroeting had plaats gehad, deze hem terstond tegemoet kwam, hem als een ouden bekende de hand reikte en hem vriendelijk toevoegde : „Wel vriend SUFFRIDUS, hoe aangenaam is mij uwe komst. Reeds lang heb ik naar een bezoek van u uitgezien en hartelijk gewenscht u te leer en kennen.

SUFFR. PETEUS spreekt van CYPRIANUS in een brief, door hem 31 Aug. 1562 te Brussel aan zekeren Dr. THYMANS gericht, waarin hij dezen meldt, dat zoo hij hem soms eens wil schrijven, hij den brief maar moest zenden aan Doctor CYPRIANUS VOMELIUS te Maintz, daar deze hem den brief gemakkelijk vandaar naar Brussel kon opsturen.

Overigens schijnt de kennismaking, althans van de zijde van SUFFR. PETRUS, zeer aangenaam te zijn geweest. Want hij prijst CYPRIANUS zeer en getuigt van hem, dat hij niet alleen in de letteren uitmuntte, maar ook een zeer dienstvaardig en beschaafd man was, nimmer bitter in zijne beoordeelingen en geheel zonder geveinsdheid, welke deugden ieder, die met hem omging, — zoo verzekert zijn lofredenaar, — gaarne erkende.

Maar  de smaken verschillen, want JOACHIM HOPPERS, dacht niet zoo gunstig over CYPRIANUS. Wel prijst hij hem als een kundig rechtsgeleerde en een getrouw katholiek, maar hij vond hem in den omgang alles behalve aangenaam.

In het volgende jaar (1563) werd CYPRIANUS door de bemoeiingen van den Paltzgraaf GEORGE VAN BEIJEREN tot Assessor benoemd in het Kamergericht te Spiers. Daarin had destijds nog een andere Fries zitting, namelijk AGGAEUS VAN ALBADA (de oude), die in 1559 daartoe was benoemd, maar, min of meer genoodzaakt, in 1570 daarvan vrijwillig afstand deed.

ALBADA schijnt omtrent dien tijd zijn uitersten wil te hebben gemaakt, dewijl als een der getuigen hierbij tegenwoordig was: Dr. CYPRIANUS VOMELIUS STAPERT, toen Procureur in de Keizerlijke Kamer.

STAPERT bekleedde dat ambt gedurende 15 jaren, tot 5 Maart 1578, toen hij in 63-jarigen ouderdom overleed, vrij zeker zonder ooit getrouwd geweest te zijn.
Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in de St. Janskerk te Spiers.

Uit de Friesche Volksalmanak 1891.

Genealogie: Epe Stapert.

In het Register van Aanbreng, van 1511, komt de naam Stapert niet nog niet voor. 'Stapert' is waarschijnlijk verbonden met een plaatsgebonden naam, een naam van een terp, wat zou kloppen met het feit dat beide sates Stapert te Wommels op een terp gelegen zijn.

Terp Wommels-Stapert.

 

 

375 v Chr. tot 175 v Chr.

● 600 v Chr. tot 375 v Chr.

 

EPE STAPERT: Gehuwd met: Hylck N.n.

 

De oudste van dit geslacht, die wij in historische geschriften hebben kunnen vinden, is Epe Stapert en zijne huisvrouw HYLCK N. Zij leefden en woonden in de eerste helft der XVIde eeuw te Wommels op de state 'Thoe Stapert'. Hunnen namen worden vermeld in het Beneficiaal-Boek van Friesland (1). Epe was in het jaar 1543 niet meer in leven. Van HYLCK 'Epis weduwe' zoals er staat, is dit onzeker.

Denkelijk was zij toen ook reeds overleden, omdat er woorden 'in overlijden' bij staan. Zij hadden vier zonen: Hans of Johannes, Botte en denkelijk ook nog: Douwe en Haye

 

(1) Uitgave Beneficiaalboeken 1543-1544

In 1542 heeft Karel V gelast de Friese gemeenten om lijsten samen te stellen van de grootte, grenzen en jaarlijkse opbrengsten van de patroons, pastorie-, vicarie-, en prebendegoederen van alle Friese parochies binnen hun territoir. Deze zijn voor het grootste deel van de steden en grietenijen bewaard gebleven. Alleen Franekeradeel, Engwirden, Gaasterland, Schoterland en verschillende dorpen ontbreken.

 

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

 

1. Johannes Hans Stapert.

 

2. Botte Stapert. Uit het leven van Botte Stapert is ons weinig bekend. Alleen weten wij dat hij omstreeks 1540 ene 'zate toe Stapert' bezat te Wommels.

 

3. Douwe Stapert. Bezat landen te Ytens, had vijf kinderen: drie zonen en twee dochters. Het zijn Saecke, Epe, Hans, Jay en Teets.

 

4. Haije (Haeije) Stapert.

●●●

Johannes (Hans) Stapert, overleden op 12 maart 1533 te Wommels. Gehuwd met: Tjets Oegema.

 

Hans bezat eene toe Stapert te Wommels. Hans zal te Wommels geboren zijn omstreeks 1490. Hij komt voor in 1522 en in 1533, want in 1522, was hij als 'Gedeputeerde der Landschappen' in de kerk van Sneek, een der getuigen bij de overeenkomst gesloten in het begin van Juni van dat jaar tusschen de stad Sneek en den Graaf van Meurs, stadhouder van Gelderland.

In een 'Accoord' over het opgraven en maaken van de Zijlroede na Mackum' gedateerd 22 Juli 1532, komt onder de gevolmachtigden ook voor 'Hans Stapert, to Wommels' In 1533 stierf hij, zijne weduwe Tjets Oegema genaamd, met zes kinderen achterlatende.

 

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

 

1. Aal Stapert. Waarschijnlijk de oudste der kinderen van Johannes Stapert en Tjets Oegema, werd te Wommels geboren in 1510, huwde en woonde te Witmarsum, waar zij den 28 Febr. 1570 op 60-jarigen leeftijd is overleden. Zij liet verscheidene kinderen na. Haar broeder Cyprianus vervaardigde op haar een grafschrift.

 

2. Epe Hanses Stapert. Naar zijn grootvader aldus geheeten, werd omstreeks 1543 te Wommels geboren. Hij woonde op de state Stapert aldaar, waar hij den landbouw uitoefende en was dorpsrechter van zijne geboorteplaats en mederechter van de grietenij Hennaarderadeel. Hij huwde met Sybrich. Marck Siercksz. dochter, uit welk huwelijk twee kinderen voortsproten.

Den 4 mei 1555 werd hij door Karel V in den Rijksadelstand verheven. Epe Stapert komt niet voor op de lijst dergenen, die hun vaderland verlieten en in den vreemden eene schuilplaats zochten, om hunne gehechtheid aan het oude geloof blijk te geven. Misschien was hij reeds voor die tijd overleden.

 

3. Saecke (Saboke) Stapert. Ook wel genaamd Sabin of Sabinus Vomelius á Stapert, was Doctor in de beide Rechten en Burgemeester der stad Sneek. Hij werd 4 Mei 1555 door Karel V in den Rijksadelstand verheven.

Hij huwde de eerste maal met met IJdt of Ida N. uit welk huwelijk geen kinderen voort kwamen: de tweede maal met Ibel van Albeda, die in Januari 1566 als zijne echtgenoote voorkomt en eene dochte was van Sicco van Albeda. Deze Ibel van Albeda, was eene achternicht van den beroemden Viglius van Aytta. Uit dit tweede huwelijk werden kinderen geboren.

 

Suffr.Petrus, getuigt van dit echtpaar: 'dat Ibel van Albeda, haars gelijken niet had, wat schoonheid, kuischheid en andere vrouwelijke deugden betrof'.

In de lijst der bannelingen, komt hij voor onder de bewoners van Sneek, als Burgemeester: 'Mr. Saecke Stapert, consul Snaecanus, obiit Emricae cum uxore Albada anno 1580, Requiescant in Domino!' Hij was Spaanschgezind en werd daarom genoodzaakt in 1580, na de Unie van Utrecht, tengevolge van de ommekeer der zaken, naar elders te vluchten.

 

In voornoemde lijst wordt hij vermeld onder de edelen van Sneek. Vóór Juni 1580 had hij reeds de wijk genomen naar Emmerik, waar hij korten tijd daarna overleed. Misschien had Saecke juist Emmerik uitgekozen tot verblijf zijner ballingschap omdat zijn broeder Johannes omstreeks 1560 daar gewoond had en begraven lag.

 

4. CYPRIANUS VOMELIUS STAPERT. Zoals boven beschreven.

 

5. Hans (Haio) Stapert

 

6. Tjets Stapert. Gehuwd met Johannes Hessels van Rheen. Tjets woonde 1547,1561 in Tzum en later met haar man op Stapert te Wommels.

 

●●●

 

Hans HAIO Stapert: Gehuwd met Tiedt Syrks. Hans (Johannes) Stapert, geboren te Wommels, omstreeks 1520: was de jongste der broeders van Cyprianus; hij vestigde zich later te Emmerik, was gehuwd en had kinderen. Hij werd 4 Mei 1555 door Karel V in den Rijksadelstand verheven. Zijne weduwe keerde naar Friesland terug. Een zijner kinderen droeg den naam van Sybren. Hans stierf te Emmerik in 1568.

 

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

 

1. Sybren Stapert.

 

2. Bauck Stapert. Gehuwd met Ulbe Tiaerts van Buwalda.

 

●●●

 

Sybren Stapert: Gehuwd met Jetske Fokkes

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

 

1. Jouwert Sybrens Stapert.

 

●●●

 

Jouwert Sybrens Stapert: Gehuwd met Wickjen Uwes (Ouwes)

 

Jouwert Sybrens Stapert, werd geboren omstreeks 1610, overleed voor 1698, misschien in de maand Oktober van dat jaar, zo men ten rade kan gaan tusschen de Stemkohieren van Eestrum en van IJtens. Tenminste in Oktober 1698 komt zijne weduwe voor als eigenaresse van de zathe op nr.12 te Eestrum. Zij bezat ook nog in dat jaar eene zathe te Oenkerk op nr.13, die toebehoorde aan Hans Douwe Stapert en haar denkelijk door erflating was geworden.

 

Woonde in 1648 te Veenwouden, in 1652 te Suameer en in 1666 te Eestrum. Wikje Ouwes, is in 1698 eig. Eestrum stem 12), op lidm. lijst Eestrum 1667, 1674, 1678, cur.

 

Een Stapert sate was gelegen te Oenkerk in de grietenij Tietjerksteradeel en ging vóór 1698 over in het bezit van het echtpaar Jouwert Sybrens en Wiekjen Uwes, eigenerfden te Eestrum in dezelfde grietenij. Een kleinzoon van dit echtpaar nam na zijn vestiging in Lemmer (±1718) de naam en het wapen van Stapert aan en werd voor zijn nageslacht de  stamvader van een nieuwe familie met dien naam.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

 

1. Ouwe (Uwe) Jouwerts Stapert, was boer en tevens dorprechter en ontvanger te Eestrum (1694, 1721) Hij bezat daar eigendommen o.a. met zijn broeder Sybren. Gehuwd op 1 november 1691 met Trijntje Nannes.

 

2. Sybren Jouwerts Stapert.

 

3. Saakje Jouwerts Stapert. Gehuwd op 4 maart 1688 te Oostermeer met Tjerk Fokkes.

 

4. Jetske Jouwerts Stapert. Gehuwd op 15 juni 1677 met Meinte Boeles.

 

●●●

 

Wommels, gezicht op de Villa 'Sminiastate.

 

Sybren Jouwerts Stapert: Gehuwd met Sjoerdtje Sytzes Sminia.

 

Sybren Jouwerts Stapert, boer te Eestrum (1691, 1733), ook schipper en koopman. Gehuwd op 28 november 1686 te Eestrum met Sjoerdje Sytses Sminia.

Op 5 November 1687 heeft hij een zoon Jouwert laten dopen, die jong gestorven is. Op 24 Maart 1689 werd hem een zoon geboren, die den naam ontving van Jouwert Sybrens Stapert.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

 

1. Jouwert Sybrens Stapert. Geboren op 24 maart 1689 te Eestrum, overleden op 29 mei 1774 te Lemmer. Jouwert, bleef tot omstreeks 1718 in zijne geboorteplaats en huwde kort daarop met Tetje Nannes, geboren op 24 januari 1697 te Lemmer, overleden op 29 mei 1774 te Lemmer, dochter van Nanne Anes, en Janke Annes.

 

Het dorp Lemmer, de meest zuidelijke plaats van Friesland, aan de Zuyderzee, was vroeger, d.w.z. in de XIIIde en volgende eeuwen van geringen omvang. De Grietman Regnerus van Andringa (1674-1754) deed vooral de Lemmer in bloei toenemen, zoo door het aanleggen van veerschepen en postwagens, om den doortocht uir Groningen en Friesland gemakkelijk te maken, als door het derwaarts lokken van ondernemende lieden tot het oprichten van fabrieken en trafieken.

 

De oorlog, die in 1756 in Europa losbarste, was voor Lemmer zeer gunstig, daar de strijd der buitenlanders den bloei de Lemmersche rederijen bevorderde. De verbetering der zeesluis in 1838 en het aanleggen van een Straatweg over Follega naar Sneek in 1845 heeft in onzen tijd den bloei van de Lemmer nog meer verhoogd. Zo bevinden er zich scheepstimmerwerven, zeilmakerijen, mastenmakerijen, enz.

 

Jouwert Stapert, werd deelgenoot in den uitgebreide houthandel van zijn schoonvader (Nanne Anes, houtkoper, zeilmaker en vrederechter te Lemmer. Hij legde de eerste steen van de hervormde kerk in Lemmer. Gedoopt op 29 juni 1670 te Lemmer. Gehuwd op 10 februari 1695 te Lemmer met Janke Annes, gedoopt op 10 juni 1677 te IJlst, dochter van Anne Japiks en niet genoemde moeder) en werd na diens dood, de voornaamste houtkooper van de Lemmer.

 

www.andrebuwalda.nl Gevelsteen in de buitenmuur van de Hervormde kerk te Lemmer.

 

Den 5 May 1716 heeft Nanne Aenes, holt kooper in de Lemmer van deese Kerk en Tooren de eerste steen gelegt. Al die hier komt en siet dit schoon gebouw eens aen. Wilt hier niet Buiten blieven Stae(n). Maer hoort met vlijt datter wort geseit Op dat door GOODES Geest en woort de Eerste Steen ook wort geleit. In U en Mij ook Altesaem Ick sluit hier mee in Goodes Naem.

 

Ook elders, o.a.. te Medemblik bezat hij houtkooperijen. Om zijn handel nog meer uit te breiden, verkocht Jouwert, na den dood zijns vader, al zijne landgoederen te Eestrum en stak deze gelden in den handel. Hij stierf in 1774 op ruim 85 jarigen leeftijd en werd te Lemmer begraven. Uit zijn huwelijk met Tetje werden kinderen geboren.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

 

1. Nanne Jouwerts, geboren op maandag 15 december 1721 te Lemmer, overleden voor 1729.

 

2. Sjoerdje Jouwerts Stapert, geboren op 24 oktober 1723 te Lemmer, overleden op 21 januari 1784 te Lemmer. Gehuwd  op 10 februari 1743 met Cornelis Witteveen, zoon van Frederick Jans Witteveen en Geesje Harmens. Cornelis is geboren rond 1715 te Noordwolde, overleden op 9 februari 1802 te Lemmer, broer en ontvanger, wonende aldaar.

 

Van dit echtpaar stammen de Witteveens af te Leeuwarden, Schrans, Harderwijk, oudtijds te Lemmer, enz. wel te onderscheiden van de Witteveens, die thans nog te Lemmer, Kollum, Metslawier en elders wonen. Deze laatsten komen af van Sybren Jouwerts Stapert (1731-1799) wiens dochter Tetje Stapert (1758-1838) op 15 november 1780 te Lemmer huwde met Mr. Jouwert Witteveen, Assessor van de Grietenij Lemsterland.

3. Janke Jouwerts Stapert, geboren op 31 augustus 1727 te Lemmer, overleden voor 1731.

 

4. Nanne Jouwerts Stapert, geboren op zondag 30 oktober 1729 te Lemmer, overleden voor 1740.

 

5. Janke Jouwerts Stapert, geboren op vrijdag 23 februari 1731 te Lemmer, gedoopt op zondag 25 februari 1731, overleden op vrijdag 19 mei 1809 aldaar. Gehuwd met Arjen Klazes Buwalda, zoon van Klaas Jans Buwalda en Jisk Boltjes. Arjen is geboren op donderdag 1 december 1729 te Bolsward, gedoopt op zondag 4 december 1729 aldaar, overleden op donderdag 17 september 1807 te Lemmer, houtkoper, wonende aldaar.

 

6. Sybren Jouwerts Stapert, geboren op vrijdag 23 februari 1731 te Lemmer, gedoopt op zondag 25 februari 1731, overleden op zondag 10 februari 1799 aldaar, koopman, blokmaker en diaken. Gehuwd met Maria Folkerts Soersma, geboren op zaterdag 23 augustus 1738 te Kollum, gedoopt op zondag 7 september 1738 aldaar, overleden op donderdag 15 mei 1823 te Lemmer, dochter van Folkert Johannes Soersma en Berendje Johannes.

 

Uit hun huwelijk ontstonden vier kinderen: 1. Jouwert Stapert, gehuwd met Trijntje Westra, eene bloedverwante van Jarich Westra, Burgemeester van Harlingen: 2. Tetje Stapert, geb. 1758, overleden 1780 en gehuwd met Mr. Jouwert Witteveen, zoo even genoemd: 3. Barendje Stapert, ongehuwd gestorven en 4. Sjoerdtje Stapert, gehuwd met Frederik Witteveen, waaruit een zoon Frederik, die ongehuwd is gestorven.

 

7. Geertje Jouwerts Stapert, geboren op 6 maart 1733 te Lemmer, gedoopt op 6 maart 1733, overleden op 15 juli 1803 te Bozum. Gehuwd op 7 oktober 1753 te Burgwerd met Reinder Klazes Buwalda, Boer en kerkvoogd, wonende te Grons en te Burgwerd, gedoopt op 9 september 1731 te Hichtum, overleden op 10 oktober 1799 te Bolsward, zoon van Klaas Jans Buwalda en Jisk Boltjes. Van zowel Janke en Geertje stammen in vrouwelijke linie, de Buwalda's af, die heinde en ver verspreid en voor zoover de tweede generatie betreft, in de doopboeken te Lemmer te vinden zijn.

 

8. Sjoerd Jouwerts Stapert, geboren op 9 november 1735 te Lemmer, gedoopt op 9 november 1735 te Lemmer, overleden op 1 november 1816 te Lemmer. Gehuwd (1)op 20 november 1757 met Minke Barres, geboren op 8 mei 1738 te Lemmer, gedoopt op vrijdag 9 mei 1738, overleden op vrijdag 2 november 1781 aldaar, dochter van Barre Cornelis en Trijntje Jans Outiers. Gehuwd (2) op 9 december 1784 te Lemmer op 49-jarige met de ongeveer 36-jarige Nyske Thomas Bijlsma, dochter van Thomas Bijlsma en Hendrikjen Jans. Nyske, was eerder gehuwd met Carolus Leheux.

 

Sjoerd, was in 1771 Diaken te Lemmer, Waterbouwkundig aannemer en scheepsbouwmeester, commissarisinspecteur over 's lands waterwerken en waterstaat in de departementen van de Eems en Oude IJssel, Aannemer van publieke werken en Scheepsbouwmeester te Lemmer en aldaar algemeen bekend onder den naam van Sjoerd-Baas. Sjoerd Stapert, zette den handel zijns vaders op grooter schaal voort en leverde in het laatst van de achttiende eeuw zeer veel oorlogsschepen.

 

Zij hadden o.a. drie dochters: Trijntje, Sjoerdtje en Tetje. De eerste Trijntje huwde met Gerben Eekman, koopman te Sneek.

De tweede, Sjoerdtje Stapert, huwde met Tjepke Lycklama a-Nijeholt. Uit dit huwelijk zijn geboren: Renske, Sjoerd, Hector-Jacob en Antje Tjepkes Lycklama-a-Nijeholt. De derde, Tetje Stapert, huwde met Rienk Cornelis Sleeswijk te Lemmer. Hun kleinzoon Mr. Sicco Sleeswijk, Rechter in de Arrondissement Rechtbank te Amsterdam.

 

Van de zonen van Sjoerd Stapert, had o.a. Jouwert Stapert verscheidene afstammelingen.

 

9. Imke Jouwerts Stapert, geboren op 7 april 1738 te Lemmer, overleden voor 1743.
 

10. Nanne Jouwerts Stapert, geboren op 20 maart 1740 te Lemmer, gedoopt op woensdag 27 april 1740. Gehuwd met Foekjen Tijssens Pekema, geboren op 24 juni 1738 te Lemmer, gedoopt op 29 juni 1738, overleden op woensdag 12 juli 1815 aldaar, dochter van Tijs Jentjes Pekama en Fokeltje Gerardus Samplonius. Uit dit huwelijk werden o.a. geboren een zoon genaamd Jentje Stapert, die huwde met Antje Cornelis Sleeswijk. Hunne eenige dochter Wiepkjen Stapert, trad in den echt met IJde de Haan. Uit dit huwelijk werd geboren Anne de Haan. Door deze Anne de Haan werd in 1878 als curiositeit aan het Friesch Museum te Leeuwarden, ten geschenke gegeven een gedreven zilveren tabakspot van gewone grootte, die thans nog in het Museum aanwezig is. Op den bodem aan de buitenzijde, leest men het volgende.

 

 

Historische, genealogische en heraldische aanteekeningen betreffende het adellijk geslacht Stapert, door J. C. H. Matile. www.archive.org

En voor de beschrijving van de Friesche Volksalmanak 1891: tresoar.nl/wumkes

Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer

Foto van een geschilderd portret van Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer.

Lemmer is in de 18e eeuw van een klein vissersdorp uitgegroeid tot een belangrijke aan en doorvoerhaven. De aanzet hierdoor werd gedaan door Regnerus van Andringa, grietman van Lemsterland van 1692 tot 1741. De maatregelen die hij nam, waren vooral het instellen van beurtvaart en veerdiensten, waardoor veel verkeer uit Friesland en Groningen over Lemmer is gaan lopen. Voorts heeft hij de scheepsbouw en industrie bevorderd.

De top van zijn ontwikkeling beleefde Lemmer enkele tientallen jaren na de dood van Regnerus van Andringa. In de jaren 1756 tot 1763 profiteerde ons land van zijn neutraliteit in de Frans Engelse oorlog. Dit maakte dat Nederland, het land bij uitstek was om oorlogsvoorraden voor de vechtende landen aan te voeren. Hierdoor kon ook in Lemmer een bloeiende rederij van koopvaardijschepen ontstaan.

In dit beeld passen geheel de jaarlijkse passages van bijna 100 Lemster schippers door de Sont, zo'n 20% van alle Friese Sontdoorvaarten. (In de periode 1711-1720 voeren er per jaar gemiddeld drie Woudsender schippers door de Sont, het zeegat dat toegang verschafte tot de Oostzee. Er volgde een opmerkelijke groei en in het decennium 1751-1760 waren er jaarlijks gemiddeld 108 en dat betekende 10% van de Friese Sontvaart en 6% van alle Nederlandse schippers die daar passeerden. Alleen Hindelopen had een nog groter aantal Friese schippers op deze route.

De opgang die Lemmer in deze periode maakte, leidde tot de allersterkste bevolkingsgroei van de provincie, namelijk van 1060 inwoners in 1744 naar 1765 in het jaar 1796. Deze spectaculaire groei kwam mede voort uit een maatregel van Regnerus Andringa, welke de aantrekking van ondernemende lieden inhield. Gedurende zijn ambtsperiode, vestigden zich te Lemmer -Jouwert Sybrens Stapert, van Eestrum, in 1718, en Sicke Frederiks Sleeswijk, van de Knijpe in 1729. Beide trouwden met dochters van Lemsters families, en hebben vooraanstaande posities ter plaatse verworven, welke staat door hun nageslacht gedurende meerdere generaties kon worden gehandhaafd.

Door de huwelijken van Tettje Sjoerds Stapert en Cornelis Sleeswijk, en van Nanne Jouwerts Stapert en Antje Cornelis Sleeswijk, zijn deze families vooraanstaand in Lemmer geworden. Zo bewoonden ze ook het pand aan het Turfland 56 te Lemmer. Dit pand werd het 'Staperthuis' genoemd. Sjoerd Jouwert Stapert, liet het statige woonhuis met bedrijfsgebouwen in 1758 bouwen...

(Hier is een prachtig boek over verschenen op initiatief van Stichting Oud Lemmer, geschreven door Anne Hielke Lemstra, Sytse ten Hoeve, Jelle de Jong en Rienk Wegener Sleeswijk. De laatste is een nakomeling van Sjoerd Stapert.)

De jongste van de tien kinderen van Jouwert Sybrens Stapert, Nanne Jouwerts Stapert, geboren 20 maart 1740 te Lemmer, was de stichter van pand 'Oudesluis 9' te Lemmer. Zijn vrouw Foekjen Tijssens Pekama, kwam uit een vooraanstaande Lemster familie, zij was een dochter van de bijzitter (wethouder) Tys Jentjes Pekema.

Nanne Jouwerts Stapert, was werkzaam in de houthandel van zijn oom Aene Nannes, waarin waarschijnlijk ook zijn vader belangen had. Na de dood van Aene Annes, werd hij met zijn zwager Arjen Klazes Buwalda, eigenaar van het bedrijf. De laatste woonde in het huis bij de zaagmolen.

Staperthuis, op het Turfland te Lemmer.

 

 

Oudesluis 9 te Lemmer. Zie ook: Monumentenwandeling-Lemmer

 

De windhoutzaagmolen, te Lemmer met zijn eigenaars, die in der loop der jaren het beheer voerden.

De houtzaagmolen aan het vaarwater de Rien te Lemmer. Dit bedrijf is in 1795 (volgens in één van de balken van de molen), verplaatst naar de kolk aan de Rien. De toenmalige eigenaar, Nanne Jouwerts Stapert, zou de molen hebben aangekocht in de Zaanstreek en in Lemmer hebben herbouwd. De houtzagerij is in 1851 eigendom geworden van de familie Sleeswijk, die tot 1905 persoonlijk eigenaar was. Daarna werd het bedrijf ondergebracht in een N.V. In 1895 is de molen van windhoutzaagmolen verbouwd tot stoomhoutzaagmolen, waarbij de wieken werden afgenomen.

Sjoerd Stapert, ,,een Lemster op drift’’

De voorouders van Rienk Cornelis Sleeswijk en Tettje Sjoerds Stapert.

 

Oud rechter Rienk Wegener Sleeswijk, hield op de donateuravond van 'It Lemster Skûtsje' een inleiding over Sjoerd Jouwerts Stapert, "Een Lemster op drift" zoals Sleeswijk hem noemde. Sleeswijk is een Lemsterland-kenner bij uitstek. Zijn familie woonde indertijd in 'De Andringastate' aan de Schulpen en was eigenaar van de Houtmolen. Spreker vond het een eer om hier bij de skûtsjesliefhebbers te zijn.

Sjoerd Stapert leefde van 1735 tot 1816. Dat was een roerige tijd met veel oorlogen. Van 1740 tot 1748 woedde de Oostenrijkse Successieoorlog. Na enkele jaren gevolgd door de zevenjarige oorlog. Verder kreeg men in die tijd te maken met Engelse zeeroverij.

Tot zijn veertigste was deze 'geweldig gekke Lemster' een heel gewone man. Zijn vader Sybren was een succesvol zakenman, getrouwd met een Lemster meisje uit de gegoede stand. Hij had een touwslagerij, was reder en koopman. Sjoerd kreeg daar zijn opleiding, die in 1756 voltooid werd met een reis naar Riga als afsluiting. Het was de tijd dat de Engelsen Nederlandse schepen roofden en uit die tijd hield Stapert een diepe afkeer over voor alles wat Brits was. Toch waren die oorlogsjaren een welvarende tijd. Zo lang er oorlog was en je zelf neutraal bleef kon er aan beide kanten verdiend worden.

Ataque van de Engelschen op De Lemmer, den 29 September 1799.

Van het goudgeld dat in die oorlogen verdiend was, werden een stuk of vijf luxere woningen in Lemmer gebouwd. In het huis aan het Turfland, nu bewoond door Piet Zandman, hebben twee generaties Sleeswijk gewoond. Daarna is het geschikt gemaakt om in tweeën bewoond te worden.

Sleeswijk, vertelde van een tegeltableau van het lopen van Jezus over het water, dat in de woning aan het Turfland zat. Dat werd er uitgesloopt en verkocht. Na jaren kwam het weer te koop en kwam in het bezit van de 'Ottema Kingma Stichting'. Die heeft gezorgd dat het nu in het Prinsessehof in Leeuwarden is.

Sjoerd Stapert, gaf veel gewicht aan zijn functie van diaken. Daarnaast was hij brandmeester, touwslager, scheepsreder en aannemer. Voor al deze zaken had hij veel werkvolk in dienst. Hij gedroeg zich als een eenvoudig, egalitair man, die het met iedereen goed kon vinden. Zo gebruikte de familie Stapert, die achternaam nooit. Dat was toen te deftig. Pas toen er contacten met Den Haag kwamen, moest die naam er wel bij. Overigens moet die naam afgeleid zijn van een voermansroep: 'Sta paard!'

Het redersbedrijf van Stapert, bloeide vooral in de Amerikaanse Vrijheidsoorlog. In 1781 kwam de oorlog met Engeland. Sjoerd Stapert, sloot zich aan bij de patriotten. De vrouw van stadhouder Willem V, was een zuster van de Engelse Koning. Men wantrouwde de stadhouder, omdat hij als een halve Engelsman werd beschouwd.

Sjoerd was dus anti-stadhouder. Hij werd kapitein van het Lemster exercitie genootschap (ook wel vrijcorps of genootschap voor de wapenhandel). De anti Britse gezindheid van Stapert werd nog verergerd door de Engelse zeeroverij. Er was een vloot van Nederlandse schepen in konvooi onderweg naar een Franse haven. In Het Kanaal lag een eskader Engelsen te oefenen. Zij overvielen het konvooi en tweehonderd schepen met inhoud vielen in Engelse handen. Alleen een paar oude, eigenlijk al afgedankte schepen kwamen terug. Sjoerd had belang in elf van de verloren schepen.

Op een werf in Harlingen liet de admiraliteit een groot schip bouwen. Ook Stapert bouwde een dergelijk schip voor de overheid. Er was alleen naar het bouwen gezien en niet naar de mogelijkheden om uit Harlingen weg te komen. De schepen liepen met de kiel in de modder vast en kwamen de haven niet uit. Er moest eerst gebaggerd worden. In 1783 waren de schepen klaar en de oorlog was over. Het door Stapert gebouwde schip moest 400.000.— gulden kosten. Het werd door de admiraliteit geaccepteerd maar de laatste f 130.00.— gulden kreeg de reder niet meer. Dit sterkte hem in zijn opvatting dat het bestuur zo rot als een mispel was. Door een truc kreeg men het geld tenslotte toch nog binnen.

Als kapitein van het exercitie genootschap zou Sjoerd met 30 man Lemmer verdedigen tegen de Pruisen. Maar de Pruisen kwam niet. Zij kozen een andere weg naar Amsterdam. Reden voor Sjoerd om met zijn mensen naar Amsterdam te gaan om die stad mee te verdedigen. Ouderkerk aan de Amstel werd met succes verdedigd maar Amsterdam wilde capituleren. Stapert vond dat onzin maar werd verbannen. Stapert vertrok naar Brussel en was welkom in Noord Frankrijk. Daar ging hij het bedrijfsleven weer in. Tenslotte kwam hij in een Koninklijke commissie terecht.

Na wat omzwervingen door Frankrijk ging Stapert in Duinkerken wonen. Van daaruit kon hij zijn rederij weer beheren. Bij dit alles werd Sjoerd vergezeld door zijn zoon Bareel. In 1792 vertrok deze, terug naar Nederland. De vader volgde hem en ging in de richting van Zutphen. Hij en zijn metgezellen werden later als helden in Lemmer binnengehaald. Sjoerd werd provinciaal bouwmeester. In die functie kreeg hij te maken met het opruimen van familiewapens en dergelijke van de Friese Nassaus. Hij verhinderde daarbij niet.. dat alles, zelfs de graven van dat geslacht, kapot geslagen werd.

Johannes de Vries.

De Bloeyende Oranjestam.

Literatuur van de Friese historicus S. J. van der Molen, onder de titel "Het Oranjezeilen bij Oude Schouw in 1777" en de "Greate" Bever". Het is verlucht met o.a. een foto van de spiegel van het miniatuurscheepje "De Bloeyende Oranje Stam" uit de Lemmer, dat op 4 september 1777, het feest te Oude Schouw heeft opgeluisterd.

Ik ben in het gelukkige bezit van één kanonnetje, en dit ankertje. Ik heb beide laten fotograferen met als achtergrond de genoemde afbeelding van de spiegel. Deze foto is hierbij opgenomen in het weekblad "Zuid-Friesland" hetwelk wordt uitgegeven te Lemmer, van 16 mei, 4 juli en 18 juli 1975, hebben de heer Rienk Wegener Sleeswijk te Dordrecht en ik uitvoerig van gedachten gewisseld over dit scheepje. De heer Van der Molen, heeft reeds vermeld op welke punten wij van mening verschillen; doch zij zijn minder belangrijk. Een feit is, dat het vaartuigje op 4 september 1777 te Oudeschouw aanwezig was. 

4 september 1977 is het 200 jaar geleden, dat in Friesland een uiterst belangrijke hardzeil partij gehouden werd. Belangrijk niet alleen als hardzeilerij, maar ook omdat er het een en ander omtrent bekend geworden en bewaard gebleven is en wij uit de beginperiode van het hardzeilen te onzent niet over veel materiaal beschikken.

De zeilpartij maakte deel uit van het staatsiebezoek dat het prinselijk gezin, "Prins Willem V" zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen en drie kinderen aan Friesland bracht van 26 aug. tot 8 sept. 1777.

Om de ongenoemde dichter van "Het friesck oranje zijllers lied oppe Aodde Schouw. De 4de fin septimber 1777." (Ta Dokkom bi H. GROENIA, 1777. Mij. Nederlandse Letterkunde, Leijen) te citeren zijn er allerlei bijzonderheden bekend gemaakt. Dit danken we vooral aan het boekje "Het Verheugd Vriesland in den Jare 1777", dat te Leeuwarden werd uitgegeven en waarvan de Stedelijke Bibliotheek gelukkig een exemplaar bezit.

Dit feestlied, dat út saun koupletten bistiet is makke op 'e hirdsylpartij, dy't steedhâlder Willem V-en-dy bywenne. Mintie Wouters woun de priis: in sulveren fleugel mei túchje. Fen dit feest is ek in plaet makke, dy't yn 'e hannel kaem. Eelke Meinderts stalde in ,,Lokwinsch" gear, dy't by Groenia to Dokkum útkaem. En fierders boppeneamd Oranjezyldersliet. It ,,fjourde" kouplet is Op 'e wize Moij Elske:

Meits los dijn touw!
Dar komt op Schouw
Prins Willem meij Sophye,
Besjug zôn Paer
As Vrieslans Eer
Jer Bentjes bin wol trïje!
Het sjugze blied,
In disse tied,
Wa zoe hem net formeittje —
De Prins meij 't Wijf
Ik hâd mijn lijf,
As Jae oon 't Donsjen reitsje

De Friese Staten hadden, om het Haagse gezelschap een plezier te doen, een zeilwedstrijd georganiseerd op, zo mag wel gezegd worden, voorbeeldige wijze. Allereerst hadden zij als plaats uitgekozen 'De Oude Schouw', tussen. Irnsum en Akkrum. Daar was toen nog geen brug, doch een overhaal ("skou") maar men kon er wel met paard en rijtuig komen en dat zal wel de reden zijn geweest waarom deze plaats, waar aan het vaarwater ook een herberg aanwezig was (er staat er nog één!), was uitgekozen. "Haar Ed. Mogenden" hadden vier keurmeesters aangesteld, die zeker bij de organisatie een grote rol speelden: 'Hendrik Johannes van der Werf', ("Capitein van het Binnen Jagt van Syn Doorlugtige Hoogheid"): we zouden nu zeggen het Statenjacht, Siedts Pieters (Koopman op het Vliet en schipper op Den Haag), Andries Wouters (Koopman te Sneek) en Bartholomeus Nuyen (Woudsend).

Er werd een "Zeil-Party" uitgeschreven voor spiegeljachten en wie wilde  meedoen moest zich 's morgens al om acht uur ter plaatse melden. De keurmeesters hielden 37 jachten over die mede mogten zeilen en die na loting elk een deelnemerscijfer kregen. De opzet waarin de vaardige hand van Andries Wouters, gezocht mocht worden, was even eenvoudig als praktisch.

Een vliegende start was niet mogelijk en zo vond men voor de jachten ("elk mits boven de twintig voet lang zijnde") de volgende oplossing (citaat): "Paaltjes waaren er geslaagen waarvan ieder Jagt vandaan moest zeilen, en een Baken, waarop een Vlag een End van de Schouw af naar Eernsumer-zyl toe, waarom alle Jagten om heene wenden moesten, opdat elke Jagt een even verre distantie hadde te Zeilen en by de Paalen, was iemand met een Snaphaan gesteld, welke afgeschooten wierd als het eerste Jagt daar weder was aangekomen, waardoor men aanstonds konde weeten wie van die Party het sterkst hadde gezeild."

Het Landgoed Hotel Restaurant " De Oude Schouw" staat van oudsher bekend als veerhuis en postiljon, één van de oudste pleisterplaatsen van Friesland. Al sinds de 17e eeuw is "De Oude Schouw" bekend.

Mensenmenigte.

De dag te voren waren er bij de Schouw verschillende tenten gebouwd, waaronder een groote en "kostelijke" voor de hoge gasten, gedeputeerden en voor de verdere Heeren en Dames van Distinctie, en een, met een roodfluwelen "spreed", om de jachten te zien voorbij zeilen, uiteraard ook niet voor de gewone man bestemd. Die kon echter wel de wedstrijd bijwonen, want er waren over de sloten aan Wetering en Boorn planken gelegd, zodat men door de landerijen aan de waterkant kon komen.

Geen wonder dat er een ware mensenmenigte op de been was, toen 's middags half één bij de Schouw in hun koetsen de doorluchtige hoogheden uit Leeuwarden arriveerden onder een "streelend Musicq van Keteltrommen,Trommel,Trompetten, Walthoorens en andere Musicq Instrumenten". Ook lag het er vol met schepen die niet meededen en die zolang de wedstrijd duurde, aan de wal moesten blijven liggen.

Dat gold van het Sneeker meer tot het eerste rak van wat Friese schippers doorgaans noemden "It rak fan ungemak": de wedstrijdroute werd in vijf "divies" gezeild en als men de lijst nagaat, blijken de deelnemers als volgt verdeeld; Sneek 12, Woudsend 8, Leeuwarderi 6. Met elk twee jachten waren vertegenwoordigd Grouw en Eernewoude, terwijl Harlingen, Makkum, Oldeboorn, Terhorne, Warga en IJlst elk met één schip deelnamen. Het is natuurlijk niet na te gaan of het aantal deelnemers in verhouding stond met het aantal jachten boven de 20 voet dat in een bepaalde plaats aanwezig was. Dat Sneek en Woudsend aan de top stonden, hoeft ons voor die periode overigens niet te verwonderen.

Spiegeljacht.

Daar komt nog iets bij: er was een wedstrijd tussen spiegelachten uitgeschreven, en een spiegeljacht was geen gewoon Fries jacht of boeier, in elk geval geen jacht met een rond achterschip, maar een met een spiegel: een plat achterschip en daarop een paviljoen. Prenten uit de  achttiende eeuw tonen ons zulke spiegeljachten genoeg. Zo vertoont een gezicht op de Lemster Zijlroede door 'P.I. Portier' (ca. 1760) het spiegeljacht van jonker S. H, R. Roorda van Eysinga, te Joure. Dezelfde kunstenaar tekende buiten de haven van Workum ca. 1770 een Enkhuizer en een Fries jacht, maar het zijn beide spiegeljachten met veel snijwerk op en om het lichtjes vallende achterschip.

Ik meen dat het van belang is om de aandacht op de aanduiding spiegeljacht te vestigen. In de eerste plaats blijkt een zilveren gedachtenispenning die aan 'Hendrik Johannes van der Werf' "als Bestjierrer van eene Zeijl Parthij met Spiegeljachten Landsweege vertoond bij de "Oude Schouw" door de Staten vereerd was" (thans Fries Museum), geen spiegeljachten te vertonen, maar ronde Jachten, zodat de onbekende penningmaker blijkbaar zijn fantasie heeft laten werken en van te voren al het tafereel had afgebeeld. Dat zou ook kunnen gelden voor de opstelling van de tenten op. (voorgrond) en de herberg met rond zomerhuis en ook een tent of schuur (aan de overzijde van het water).

De tweede conclusie moet het schip van de winnaar betreffen. Die winnaar was de koopman Mintie Wouters, te Sneek, die uit handen van "Haare Koninglyke Hoogheid" de uitgeloofde prijs ontving: een zilveren scheerhout mastwortel en vlaggenstokknop, die zich ook in het genoemd museum bevinden. Deze prijs wordt toegekend aan degene die zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt voor het door de Stichting nagestreefde doel, dan wel blijk heeft gegeven van uitermate grote zorg en toewijding bij het onderhoud en de instandhouding van zijn jacht. De prijs bestaat uit twee onderdelen te weten een wisselprijs zijnde een zilveren model van de Lemsteraak de “Onrust” en een vergulde vlaggenstokknop.

Deze prijs was namelijk in 1877 ingezonden op de Historische Tentoonstelling te Leeuwarden door mevrouw Kappijne van de Copello-Hesselink te Arnhem, tot wier voorouders Minti Wouters behoorde. Later zijn de fraaie en kostbare voorwerpen aan het Fries  Museum geschonken. Wat nu het schip betreft, drs. H. Halbertsma weet in Sneeker Hardzeildag (1965)- te berichten, dat het schip van Wouters de boeier "de Bever" was waarvan het roer nog te bewonderen valt in het Historisch Scheepvaart Museum te Amsterdam. Ook het schip zelf bestond nog wat de romp betreft; die zou toen als "Anne" te Broek in Waterland gelegen hebben.

Raadsels.

Het wil mij voorkomen, dat nog wel eens goed mag worden uitgezocht, of het spiegeljacht van de winnaar "De Bever" heeft geheten en of dit schip wellicht later verbouwd is tot rondjacht, zodat het in 1965 als zodanig en dus zonder spiegel nog aanwezig heette. Dit temeer omdat in het verslag waaruit wij putten, de schrijver Jeltema geen scheepsnaam noemt. Er is trouwens nog een raadsel aan de hardzeilpartij op 4 september 1777 verbonden en dat betreft een schip, dat niet meezeilde, maar zich die dag wel bij de Oude Schouw vertoonde.

Een schip waarvan zich in particulier bezit te Leeuwarden de gesneden achterspiegel bevindt met de naam. "De bloeyende oranje stam" met daarboven 'n palmboompje met Oranje (?) appels in een pot. Dit fraaie gerestaureerde overblijfsel van een schip uit 1777 is nog nimmer afgebeeld, zodat de hierbij afgedrukte foto veler aandacht zal trekken. Over deze "Bloeiende Oranjeboom" is enkele malen geschreven. Mij kwamen mededelingen onder ogen van dr. mr H. F. W. Luiking (oud-Lemster) te Naarden en Rienk Wegener Sleeswijk.

Ook uit oud Lemster familie te Dordrecht, die het overigens niet in elk opzicht met elkaar eens zijn. Niet zo belangrijk is, dat Luiking de bouwer van het schip als een warme Oranjeklant beschouwt en Wegener Sleeswijk moest meedelen, dat die Sjoerd Jouwert Stapert een prominent patriot was (geworden?) die in 1787 naar Frankrijk vluchtte en eerst in 1795 terugkeerde en toen als architect van 's Lands Werken werd benoemd. (Zie over een en ander het Genelogysk Jierboekje 1955 en L. C. Vonks Geschiedenis de landing van het Engelse en Russische leger enz. (1802)

Belangrijker is dat Wegener Sleeswijk, een overlevering van zijn vader aanhaalt, dat zijn Lemster voorvaders Stapert en Sleeswijk op 4 september 1777 bij het hardzeilen te "Oude.Schouw" een bemand model van een driemaster lieten varen onder de genoemde naam. Luiking weet, dat alleen Stapert het bouwde en dat het scheepje werd opgeborgen in een pakhuis, maar dat het bij de aanval van de Engelsen op Lemmer in 1799 vrijwel geheel vernietigd werd. Alleen de spiegel bleef bewaard, terwijl ook enkele bronzen kanonnetjes en een ankertje als familie bezit (niet in Leeuwarden) gekoesterd worden.

De bewaard gebleven spiegel.

Het merkwaardige is dat deze "Oranjestam" nu juist wel een spiegel bezat, zij het niet breder dan ongeveer 120.cm. Een spiegel van een spiegeljacht kan het dus niet geweest zijn, ten hoogste een "speelmodel", dat ter opluistering zal hebben gediend; mogelijk een miniatuur oorlogsschip, al staat dat ook nog niet zonder meer vast. Of het model dat slechts enkele gekostumeerde matrozen kon bergen, speciaal voor die 4de september 1777 is gebouwd.?

Dat kan uiteraard alleen, als de bouwer(s) tijdig van de plannen hadden gehoord. Tenslotte: Oude Schouw en het Fries. Het is al even genoemd: er verscheen bij deze gelegenheid bij "Steds Drukker' H. Groema te Dokkum" een "Friesk Oranje Zijllerslied', waarvan de zes melodieën die voor de zeven verschillende coupletten waren gekozen,een aardige indruk geven van het populaire Nederlandse repertoire in die dagen, waartoe zelfs het Duitse "Brudder Michell" behoorde.

Sytse Jan van der Molen.

De bokaal van Sjoerd Stapert.

In de "Zuid- Friesland" van 7 augustus 1980 schrijft de heer R. F. W. Luiking, opnieuw over de bokaal van Sjoerd Jouwerts Stapert, en hij uit de wens, dat deze bokaal in de Lemster oudheidkamer zal worden opgenomen. Hoewel ik het met het laatste volkomen eens ben en Luikings initiatief daartoe toejuich, heeft het artikeltje op zich mij verbaasd. lmmers Luikings "onopgelost raadsel" is reeds sedert jaren opgelost, zoals hij ook kon weten. Door mij is in dit blad van 4 juli 1975 reeds uiteengezet, dat de door Luiking vermelde familieoverlevering, die ik overigens als jongen van mijn grootmoeder Janke van der Goot, in een wat andere vorm hoorde, slechts een kern van waarheid bevat.

Een kern waarvan slechts het volgende overeind blijft: Stapert kreeg een bokaal van iemand van vorstelijke bloede in verband met een schip, dat hij had gebouwd. Hieronder zal ik achtereenvolgens ingaan op de drie elementen van de overlevering, t.w. de bokaal, de schenker en het schip in verband waarmee de bokaal werd geschonken.

De Bokaal, geen zilver maar kristal.

Voorop moet worden gesteld, dat de bokaal wel degelijk in het Stedelijk Museum -'t Coopmanhûs' te Franeker berust. In tegenstelling tot wat Klijnsma in zijn Kuijerke en Luiking in zijn kielzog vermelden, blijkt uit de hierbij afgedrukte foto zonneklaar, dat de bokaal. niet van zilver doch van geslepen kristal is gemaakt. De steel van het glas is met facetten geslepen, terwijl de kelk een fraai uitgevoerd wapen toont.

Door wie geschonken.

Dit wapen, het wapen van de schenker, is dat van het huis Hannover, dat in de 18e eeuw in Groot Brittannië regeerde. Een bijzonderheid bij dit wapen is, dat in het schildhoofd een breukbalk (een z.g. barensteel) wordt gevoerd Volgens Fox-Davies in zijn" Complete guide to heraldry" werd dit wapen met barensteel gevoerd door niet-regerende prinsen, behalve door de prins van Wales, die bovendien het Wapen van Wales centraal op het schild had, in beginsel komen als schenker. volgens onderzoek door mijn broer André W. S. te Cambridge, komt daarvan het meest in aanmerking, Frederick Duke of York and Albany (I763 -1827).

Zekerheid echter kon daarover vooralsnog niet worden verkregen, maar misschien kan verder onderzoek in de toekomst wat meer licht hierop werpen. Hoewel wat speculatief kan in dit verband tevens worden gewezen op de buitengewoon goede relaties van de stadhouderlijke familie met de Engelse Koninklijke familie. De moeder van stadhouder Willem V was Anna van Hannover, een zuster van George II, zodat het niet onmogelijk lijkt, dat op die wijze de connectie met Stapert tot stand is gebracht. Nog speculatiever, maar niet minder aantrekkelijk, is daarbij de hypothese, dat het doen varen van "De Bloeyende. Oranjestam" in 1777 hierin een rol kan hebben gespeeld.

Het schip.

Omtrent het schip waarvoor de bokaal zou zijn gegeven, is in feite niets bekend. Dit is evenwel één van de punten, waarop de overlevering zoals deze door Klijnsma wordt weergegeven, afwijkt van de overlevering zoals ik die als kind heb gehoord. In deze laatste versie is niet sprake van de bouw van een oorlogsschip doch van een jacht. Daarnaast wordt melding gemaakt, van het feit dat Stapert ook oorlogsschepen gebouwd zou hebben. Alhoewel vooralsnog niet met volstrekte zekerheid een uitspraak kan worden gedaan of het om een oorlogsschip of om een jacht gaat, toch kunnen enkele bepalende factoren worden vastgesteld, die m.i. tot een voorzichtige en voorlopige conclusie kunnen leiden.

In de eerste plaats is er het feit dat dit soort glazen werd geschonken als blijk van waardering voor een aan de schenker persoonlijk bewezen dienst.  Reeds uit dezen hoofde lijkt het niet waarschijnlijk, dat het glas geschonken zou zijn wegens de bouw van een oorlogsschip.

In de tweede plaats is daar de geringe afmeting van de toenmalige Lemster zeesluis, die de passage van grote schepen niet toeliet. Smakken, koffen, jachten en andere kleine schepen konden erdoor, grotere schepen zoals de fluiten, die in die tijd Lemmer als thuishaven hadden, moesten altijd buiten de sluis blijven.  Mijn conclusie is dan ook, dat het waarschijnlijker is, dat Stapert de bokaal kreeg voor de bouw van een jacht, dan voor de bouw van een oorlogsschip.

In mijn papieren bevindt zich een krantenknipsel uit 1920 (uit welke krant is helaas onbekend) met een artikeltje ter gelegenheid van de opening van het Stedelijk Museum te Franeker, waarin melding wordt gemaakt van het feit, dat de oudheidkamer, uitgebreid door de schenking van het legaat Stapert, tot een museum (is) geworden. Het gaat hier om een legaat aan de gemeente Franeker, van een kostbare verzameling porselein, zilver etc. door Jan Stapert (1859 -1916), die deze had geërfd van zijn achternicht Tjaarda.

Deze Jan Stapert stamde uit het Stienser geslacht Stapert, dat niets met de Lemster Staperts te maken had en slechts de naam daarmee gemeen had (Zie het Jierboekje fan it Genealogysk Wurkforbàn 1955 van de Fryske Akademy).
Bij de opening van dit museum waren enige naamgenoten van de legataris uitgenodigd, waaronder Janke Matile Stapert, een achterkleindochter van de Lemster, Sjoerd Jouwerts Stapert, en derhalve in het geheel geen bloedverwant van genoemde Jan Stapert.

Mevrouw Matile-Stapert meende evenwel ten onrechte van dezelfde familie te zijn, enzo werd om eerder genoemd krantenartikel te volgen, door den heer en mevrouw Matile-Stapert, nog een stuk aan de verzameling Stapert toegevoegd, een kristallen drinkglas, geschonken in de 18e eeuw aan Sjoerd Stapert, een scheepsbouwmeester te Lemmer, door den Engelschen Koning, voor wien hij een jacht gemaakt had.

Op deze wijze kwam, gebaseerd op een betreurenswaardige vergissing, deze voor Lemmer historische bokaal op een volkomen verkeerde plaats terecht. De schenking aan het Stedelijk Museum te Franeker, heeft slechts plaats gevonden wegens vermeende bloedverwantschap tussen Lemmer en Stienser Staperts.

Aangenomen mag worden, dat indien de schenkster op de hoogte was geweest van het ontbreken van enige verwantschap er van deze schenking geen sprake zou zijn geweest. Zeker nu Lemmer over zo'n fraaie oudheidkamer beschikt, dient naar mijn mening de bokaal terug te komen van haar huidige onjuiste verblijfplaats naar de plaats waar Sjoerd Stapert en zijn medewerkers haar verdienden met hun vakmanschap.

Rienk Wegener Sleeswyk.

-Dordrecht,augustus 1980-

( noot van Roelie) Zo zijn er in de krant wat meningwisselingen geweest, tussen de heer Luiking en Sleeswyk, na bovenstaande eindigt de heer Luiking met de woorden. "Van de door mij en de heer Sleeswijk genoemde bokaal, die te zien is in het Stedelijk Museum te Franeker, wordt gewag gemaakt op blz. 65 van het boek "Lemsterlân. In kuijerke troch it forline" van de hand van oud-wethouder van Lemsterland, A. E, Klijnsma. De vraag blijft of deze geschonken is door de koning van Zweden of door die van Engeland. De door mij verzamelde overleveringen melden dat dit de Zweedse koning Gustaaf IV Adolf, is geweest. Dit zal dan zijn Gustaaf IV Adolf, koning van Zweden van 1792 tot 1809. Hiermee eindig ik om het met de woorden van de heer Klijnsma te zeggen: hjir is it ein fan myn kuijerke.

Dr. Mr. H. F. W. Luiking.

Naarden.

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.