|
Op één van de laatste
reizen van Amsterdam naar Lemmer stond Tiemen Bouwhuis, onder de
brug op het dek uit te kijken naar het licht van Urk. Dit licht
was zwaar afgedekt, maar onder normale omstandigheden toch wel
waar te nemen. Hij kon het echter niet ontdekken en gezien de
draaitijd vanaf de Hoek van het IJ moest het zichtbaar zijn.
Plotseling zag hij het bewuste licht, maar dan wel aan bakboord
en dat kan niet als je op Lemster koers ligt. Hij is toen naar
boven gegaan en maakte zijn bevindingen aan de kapitein kenbaar.
Deze repliceerde dat hij goed op koers lag, maar werd bij nader
inzien toch wat onzeker. Tenslotte kwam ook hij tot de conclusie
dat Urk aan de verkeerde kant zat. Hoe kon dit; goed op koers en
Urk aan de verkeerde kant?
Welnu; in de stuurhut zaten
ook wel eens passagiers, zo ook toen en één van hen had een
jutezak bij zich waarin een aantal zagen zaten om te ruilen
tegen eten in Friesland. Eén zaag is al voldoende om het kompas
te ontregelen, laat staan een zak vol. De man werd naar de
kajuit onderdeks verbannen met medenemen van zijn handel en
heeft de rest van de reis staande doorgebracht. Het schip werd
bijgedraaid en kwam weer op de juiste koers naar Lemmer.
8 januari 1945
Dan komen we nu aan de
laatste, helaas rampreis van dit 68 jaar oude schip. We volgen
het verslag van de toen 22 jaar oude Tiemen Bouwhuis.

Tiemen, hier
als 5 jarige knaap.
"Die avond, toen we uit
Lemmer vertrokken zat er vorst in de lucht, je kon het ook
merken aan een zeer dun oostelijk windje. Yme Bosma en ik hadden
wat extra eten meegenomen, want je weet nooit hoe snel er ijs is
en hoe lang een reis duurt met ijsgang. Het was een koude,
heldere nacht en de reis ging voorspoedig. De salon en de kajuit
zat vol passagiers. Yme ging de eerste uren de kooi in om mij na
afloop van de nacht af te lossen. Na ca anderhalf uur draaien
keek ik op de wekker en rekende uit, dat de "Jan Nieveen"
onderhand in de buurt kon zijn, vanaf Amsterdam. Kort daarna
hoorde ik onze stoomfluit, wat mij verwonderde, want bij het
passeren 's nachts werden praktisch nooit seinen gegeven.
Ik
stond bij de trap om aan dek te gaan en te kijken wat er aan de
hand was, dit ging niet door een geweldige klap die mij en de
omstanders velde. We lagen in de gang vlakbij de trap naar
boven. Als eerste stond ik op en realiseerde mij dat dit een
ramp was, want naar mijn mening zaten we op vrij diep water. De
machine was gestopt en we deinden op een kalme zee, maar ik
voelde dat het schip naar voren helde.
Zonder iets gezien te
hebben, begreep ik dat er een aanvaring was geweest tussen ons
en de "Jan Nieveen". Nadat ik Yme uit de kooi had gehaald, hem
had verteld wat er was gebeurd en dat het om een ramp ging,
hebben wij de passagiers uit de kajuit naar boven gepraat. Een
moeilijke taak, want de mensen wilden ook een bagage (eten)
meenemen en dat ging niet via de smalle trap. In de kajuit hing
de koperen olielamp heen en weer te slingeren en het was Yme die
met tegenwoordigheid van geest de lamp opstak om licht te hebben
als de stroom uit zou vallen, want dan (in het donker) hadden
wij het waarschijnlijk niet overleefd.
We hebben soms met harde
hand, alle passagiers naar boven kunnen krijgen. Intussen lag de
"Jan Nieveen" langszij en begonnen de mensen over te stappen op
dit schip. Toen pas konden wij zien dat een ramp zich aan het
voltrekken was. Op de "Groningen IV" was het stil en donker
geworden, het lichtaggregaat was uitgevallen, de voorsteven zat
al onder water, maar we waren vastgemeerd aan de "Jan Nieveen".
Samen met de stoker Jan Stuy hebben we de vuren nog getrokken,
omdat we bang waren voor een eventuele ontploffing van de ketel,
wat doe je niet in paniek, er waren tenslotte op de "Jan
Nieveen" zo'n 400 mensen.
De bemanning stapte als
laatste over op de "Jan Nieveen", die even later volle kracht
draaide richting Noordoost-polderdijk met de bedoeling om de
"Groningen IV" ergens op de dijk te zetten. De bedoeling was
goed, maar het schip (vol met water) toonde neiging tot
kapseizen, zodanig dat ook de "Jan Nieveen" slagzij raakte. De
trossen werden gekapt en het wrak dreef van ons af, en binnen 5
minuten kapseisde het, op dat moment stak alleen het achterschip
boven het water uit. Toen raakte het voorschip waarschijnlijk de
grond en was het snel gebeurd. We zagen in het licht van de
schijnwerpers de stuurhut, schoorsteen en de deksalon aan
stuurboord in zee storten, hetgeen gepaard ging met een
oorverdovend lawaai. Dit werd veroorzaakt door het kantelen van
de ketel en door de lucht in het achterschip, die de deksalon
als het ware deed ontploffen. Dat was het einde van het
ex-vlaggenschip uit 1877 van de 'Groninger Lemmer Stoomboot
Maatschappij'.
Met het schip verdwenen 13
passagiers in de golven, ze zaten hopeloos opgesloten in de
kajuit in het voorschip, omdat de toegangsdeur door de aanvaring
was geblokkeerd. Yme en ik zijn toen afgedaald naar de
machinekamer van de "Jan Nieveen" en verder ongedeerd in Lemmer
aangekomen.
De verslagenheid in huize
Bosma was enorm. Een lang en rijk levensdoel van Lou Bosma lag
op de bodem van het IJsselmeer, onherstelbaar vernield, dat
hadden wij wel ingeschat.
9 januari 1945
De GLSM geeft ons bericht,
dat er met 33n motorschip naar de plaats des onheil wordt
gevaren om mogelijk iets te bergen eventueel drenkelingen. Er
wordt 's middags gevaren en door de vorst is er behoorlijk veel
ijs op het IJsselmeer. Toch wordt na ca. 2 uur varen het wrak
bereikt en het herkenningspunt is het dak van de deksalon dat in
zijn geheel van het achterdek is geslagen. Helaas is dat het
enige wat er tussen het ijs te bekennen valt. Zo viel voor de
familie Bosma het doek over 50 jaren hofmeesterschap bij de
GLSM, tenminste zo leek het. Enige maanden later vlak voor de
beschieting van de Lemmer in de nacht van 16 op 17 april werd de
"Jan Nieveen" naar de helling van de Gebr. de Boer gesleept, het
schip overleefde daar de beschieting en ook eventuele in
beslagneming door de Duitsers.
Na de bevrijding van
Nederland werd er weer gevaren, aanvankelijk in dagdienst, maar
omdat de "Jan Nieveen" zonder hofmeester zat viel het
hofmeesterschap toe aan Lou Bosma, die op 75 jarige leeftijd aan
boord ging in zijn uniform, met de Koninklijke onderscheiding op
de borst. Hij kreeg daarbij assistentie van zijn dochter Anna
Bosma, terwijl R. Beljon en ik kelner waren".
Tot zover de bijdrage van
Tiemen Bouwhuis die in september 1945 een baan aan de wal kreeg.
●●●

Leeuwarder
Courant: 05-09-1946
Op woensdagmorgen 4
september 1946 werd door een bergingsmaatschappij het wrak van
de "Groningen IV" het Krabbersgat te Enkhuizen binnen gebracht
en aan de strandvonderij overgedragen. Er zou worden getracht de
lijken te bergen en te identificeren, naar schatting zou hier
veertien dagen mee gemoeid gaan. Men schatte het aantal
slachtoffers toen nog op vijftig!
De burgemeester van
Enkhuizen maakte op 19 september 1946 bekend, dat verwanten van
de slachtoffers hem zo spoedig mogelijk moesten opgeven: het
signalement en een beschrijving van de kleding, welke de
slachtoffers ten tijde van het ongeval droegen.
Donderdag 19 september
slaagde men er in twee slachtoffers te vinden in de taaie klei
en te identificeren, op vrijdag weer twee, waarvan één
onherkenbaar was.
De namen van de drie
geïdentificeerde slachtoffers waren:
A. van der Veen, Pascalstraat 4 Amsterdam.
P. Henschen, Meeuwenlaan
189 Amsterdam.
G. de Vries, inspecteur
bij de GEB, wonende Brinkstraat 52 Amsterdam.
In tegenstelling met de
verwachtingen dat het bergen van de slachtoffers nog enige tijd
in beslag zou nemen, hadden de werkzaamheden van de Dienst voor
Identificatie en Berging een dusdanig vlot verloop, dat op
donderdag 26 september dertien lijken konden worden geborgen,
waarvan elf waren geïdentificeerd.
De namen van deze
slachtoffers waren:
A. M. Jans.
A. van der Veen.
P. Henschen.
C. J. Sunotel.
K. G. van der Paverd.
R. J. Groenendaal.
J. Postma.
G. de Vries.
J. van Ankeren.
G. Gronnotte.
M. C. Jansen.
Op 7 oktober 1946 waren ook
de laatste twee slachtoffers van de dertien geïdentificeerd.
Hun namen waren:
Elisabeth Josephine
Kuijper, oud 25 jaar, Amsterdam.
Agnes van der Veld, oud
31 jaar, Amsterdam.
Als we bedenken dat circa
75 jaar praktisch zonder ongelukken was gevaren met de
stoomschepen tussen Lemmer en Amsterdam en dat bijv. bij mist
altijd op volle kracht werd gevaren, hoe heeft dan deze ramp met
de "Groningen IV" waarbij zoveel mensenlevens te betreuren
vielen, plaats kunnen vinden? Een commissie van de Raad van de
Scheepvaart heeft dadelijk nadat het schip in september 1946 was
gelicht, op 7 september 1946 een uitspraak gedaan aan de hand
van een vooronderzoek en verklaringen onder ede van
bemanningsleden.
Het vooronderzoek bevatte
verklaringen van Arjen van der Meer, kapitein van de "Groningen
IV" en Haye Bouwman, kapitein van de "Jan Nieveen", afgelegd
voor de havenmeester van Lemmer, de heer R. Kool als deskundige
onder ede. Verder verklaringen afgelegd voor ambtenaren van de
Scheepsvaart Inspectie van stuurman S. Rottiné en van matroos W.
van der Bijl, beiden van de "Groningen IV", alsmede van matroos
Cornelis Bouwman en Dirk de Boer, belast met de verzorging van
de post aan boord van de "Jan Nieveen". Tevens werden tijdens de
zitting onder ede gehoord: M. Lemstra van de "Groningen IV" en L.
Mulder, machinist van de "Jan Nieveen". De feitelijke toedracht
van de aanvaring is door de verklaringen met zekerheid vast
komen te staan.
"In die nacht, met helder
weer, goed zicht, alleen wat viezigheid laag op het water, voer
de "Groningen IV" met niet afgeschermde lichten, daar de lampen
gevuld waren met gasolie, die niet helder brand; op de "Jan
Nieveen" brandden afgeschermde elektrische lichten. Bij
tegengestelde of zo goed als tegengestelde koersen ontmoeten de
vaartuigen elkaar tussen de lichtboei van het Enkhuizerzand en
het en het Friese licht. De "Groningen IV" uit Lemmer komende
ziet op een goed ogenblik recht vooruit het groene boordlicht
van de "Jan Nieveen"(van Amsterdam komende) en wijkt naar
bakboord een volle streek uit de koers. De "Jan Nieveen" ziet
een wazig rood licht en wijkt naar stuurboord uit, tot drie
streken, met als gevolg een aanvaring onder ongeveer een rechte
hoek. De steven van de "Jan Nieveen" dringt in het voorschip van
de "Groningen IV", waardoor dit schip van het dek tot de
vlak-oploopplaat ongeveer 30 cm breed wordt open gescheurd, de
stuurboordbolder-plaat naar voren geslagen wordt en over het
voordek een scheur komt te lopen van achterzijde
stuurboordbolders (5,20 meter van de voorsteven) naar voorzijde
bakboordbolders.
Uitwijkseinen zijn niet
gegeven en vaart is ook in dit geval niet verminderd. Op geen
der schepen stond voorop een uitkijk, in géén der stuurhutten
bevond men zich met z'n vieren. De oorzaak van deze ramp is te
wijten aan de kapiteins van beide vaartuigen, waarbij de
kapitein van de "Groningen IV" de meeste blaam treft; hij is
toch bij ontmoeting bij tegengestelde koers naar bakboord
uitgeweken, in stede van naar stuurboord, en heeft daardoor de
aanvaring veroorzaakt. Het niet plaatsen van een uitkijk voorop
moet de kapiteins ernstig aangerekend worden, de uitkijk moet
niet gezellig met anderen in de stuurhut staan, maar zijn volle
aandacht aan zijn taak kunnen wijden, de passagiers hebben
recht, dat voor hun veiligheid op perfecte wijze wordt zorg
gedragen.
Het houden van "scherpe
uitkijk" was bovendien in die dagen uitdrukkelijk door de
Inspecteur-generaal voor de Scheepvaart voorgeschreven. Men kan
in dit geval de aanvaring niet toeschrijven aan de
oorlogsverlichting, want men heeft elkander genoegzaam tijdig
gezien om aanvaring te voorkomen, maar men was niet opgewassen
tegen de taak om datgene te doen, wat daartoe nodig was. Het is
noodzakelijk dat hij, die als kapitein op een passagiersschip
moet optreden, een deugdelijke opleiding ontvangt, met de
betrokken kapitein is dit niet het geval geweest".
Aldus de voorzitter van de
commissie, W.G. W. A. C. VAN DAM.

Leeuwarder
Courant: 28-06-1946
Het wrak van de "Groningen
IV" werd in Enkhuizen door de strandvonderij geveild en
afgevoerd naar een sloper.

Veiling wrak
Groningen IV september 1946.
●●●
Verhaal
van Mevr. M. Y. Koole Dronkers, Zwijndrecht.
Het verhaal van de
aanvaring van de "Groningen IV" in de nacht van 8 op 9 januari
1945 heeft mij bijzonder getroffen; zo zelfs, dat ik, mede als
een hommage aan de machinist, wiens naam ik niet meer weet, en
aan de Lemsters, die na die aanvaring zich van hun meest
menslievende kant lieten kennen, mij niet onttrekken aan de
behoefte, dat stukje geschiedenis aan de vergetelheid te
ontrukken.
Mijn man en ik woonden vanaf 1942 tot 1946 in Lemmer
en wel in het onderste deel van het huis van deurwaarder Rinsma.
De Lemmerboten brachten toen veel onderduikers mee uit Holland
en die werden 's morgens, zodra ze van boord konden, eerst naar
ons huis gebracht, waar ze rond de tafel in de voorkamer warm
drinken en zo kregen en moesten wachten tot ze werden opgehaald
om op onderduikadressen te worden gebracht, o.a. deed Homme de
Bruin dat. Nu was op 22 december 1944 onze zoon geboren en mijn
vader en moeder waren toen woonachtig in Den Haag.
Via de
welwillende medewerking van de marechaussee werd het bericht van
de geboorte doorgegeven aan de politie in den Haag, die op zijn
beurt zo goed was de boodschap aan de Haagse huisarts door te
geven en de huisarts kwam mijn ouders met het goede nieuws
verblijden. Het kon niet anders want post kwam toen niet door.
Van dat moment af had mijn vader geen rust meer. Hij moest en
zou met eigen ogen z'n eerste kleinzoon zien. Om kort te gaan,
op de fiets ging hij via Amersfoort naar Drente, waar mijn broer
ondergedoken zat, kon hij op verhaal komen. Hij kreeg en kocht
aardappelen, rogge en spek mee en deed alles in twee grote
zijtassen aan weerskanten van de bagagedrager. En ging op weg
naar Lemmer.
Zo stond hij ineens voor de deur op de Langestreek.
Hij bleef een dag of wat en ging Lemmer wel eens in. Zo haalde
hij wel brood in de bakkerswinkel van Hennie Haveman, onze
trouwe vrienden. Grietje stond altijd achter de toonbank en zij
en "pappie" zoals ze mijn vader noemde, hadden altijd veel
plezier. Hij was dan ook een heel vriendelijke, vrolijke man.
Maar algauw moest hij weer over naar huis gaan in Den Haag
denken en de eerste de beste boot die ging was de "Groningen
IV". We brachten hem aan boord en gingen huiswaarts en 's avonds
naar bed.
De volgende ochtend rond 8
uur werd er gebeld. Toen ik open deed stond daar mijn vader! Een
pleister op zijn slaap. Hij zei gauw "alles in orde" maar
wankelde zowat de gang in. Nadat hij wat bijgekomen was met
warme koffie, kwam het relaas van de aanvaring. Hij was, omdat
hij al zo'n 20 jaar maagpatiënt was, naar de machinekamer
gegaan, (omdat hij onderweg zulke koude voeten kreeg en bang was
dat hij helemaal koud zou worden), om te vragen of hij daar
mocht staan om warmer te worden. De machinist heeft toen met hem
een gesprek gehad en was heel vriendelijk. En op een gegeven
moment was er een enorme schok.
De aanvaring! Mijn vader sloeg
ergens met het hoofd tegenaan waardoor een wond ontstond. In de
paniek die toen ontstond en al die mensen die aan dek drongen en
worstelden, wilde mijn vader terug naar beneden, tegen de stroom
mensen in om zijn kostbare tassen met eten te redden. De
machinist heeft hem toen gegrepen en gedwongen van boord te gaan
en dát was zijn redding. Zo heeft hij het ons verteld. Maar
terug in Lemmer moest hij eerst naar de dokter, die de wond
hechtte en verbond en hem op het 't drukte een paar dagen te
rusten en niet veel te bewegen. het verhaal ging algauw de
Lemmer rond en binnen de kortste tijd kwamen mij volslagen
onbekenden aardappelen, rogge, een zij spek brengen voor mijn
vader! Dit heeft ons en speciaal mijn vader, zo getroffen dat
wij voor altijd een bijzonder plekje voor de Lemsters in ons
hart hebben.
En op een dag, de eerste sneeuwvlokken vielen al,
had hij geen rust. Hij moest en zou, op welke manier gaf niet,
naar huis terug. Mijn moeder moest wel heel ongerust zijn, geen
verbinding, geen post en zo lang onderweg. Zij leden beiden aan
hongeroedeem en eten was zo belangrijk. Praten hielp niet en
mijn vader vertrok met een slee, gemaakt van een kistje, waarin
het gebrachte voedsel te voet uit Lemmer.
Iedereen wuifde hem uit en
schudde het hoofd. Hij zwaaide optimistisch terug. Een bijnaam
kreeg hij ook: de wereldreiziger. En met zijn alpinomuts, in die
tijd een raar ding, was hij een bekend figuur geworden. Na 14
dagen martelende onzekerheid kwam er een briefkaart, door iemand
meegebracht uit Wolvega. Daar stond in dat hij verpleegd werd
bij een zekere boer De Jong, die hem meegenomen had naar huis,
omdat hij ziek bij het Rode Kruis was binnengebracht. Hij zou er
helemaal verzorgd worden tot er een PTT -auto naar Den Haag
ging, wat eens in de maand gebeurde. Toen hij met de PTT -auto in
Den Haag voor zijn huis werd afgeleverd met de voorraad eten uit
het sleetje en nog meer eten van de boer uit Wolvega, was er een
angstig avontuur tot een goed einde gebracht.
Dankzij velen die een
mensenlievend hart hadden. Er kwam echter een venijnig staartje
aan. De volgende dag kwam de S.S. aanbellen in Den Haag. En zij
namen al de voorraad eten mee. Verraad door buren aan de
overkant. Zo waren mensen óók. Het is wel al heel lang geleden,
maar zo sluit ik dan mijn nostalgische bijdrage met een saluut
aan de velen die deden wat hun hart hun ingaf voor een voor hen
toch onbekend persoon. Hij heeft het er dikwijls over gehad......
●●●

|