|
Dit is een
verslag van een spannende tocht die Eric Wicherts en Okke
Suurenbroek in de Hongerwinter van 1944 van Huizen naar Enkhuizen en terug maakten.

De dertiende december van
1944 was
een koude en grijze dag en in de haven van Huizen, stond
er een lichte wind uit het noord westen die later op de
dag bijna wegviel. Tussen de botters lag een vreemde
eend - een bruine houten Staverse jol met een kajuit.
Het was een vrij fors schip voor zijn soort met een
lange mast en op het achterdekje een ijzeren reling die
ook gebruikt werd als overloop.
De jol, die de naam 'Martina Geertruid' droeg, was het
eigendom van dr. R.B. de Boer, scheikundeleraar aan de
Gooische HBS te Bussum, maar in gebruik bij
beroepsvissers. Daarom heeft het scheepje
visserijregistratie nummer HZ 28 gekregen en kon, hoewel
alle pleziervaartuigen door de bezettende Duitsers van
dit water waren verdreven, daarom op de Zuiderzee
blijven varen. In de oorlogstijd was de visserij
belangrijk in de voedsel voorziening en bovendien werd
er behoorlijk in verdiend. Alles wat maar enigszins kon
varen werd in gebruik genomen en overal werden niet
alleen de oudste zeilen hersteld maar ook werd uit alle
hoeken en zolders vistuig, touw en ander gerei
opgedoken. Er was nog een ander voordeel van het werken
op een visserijvaartuig; men kreeg daarmee een
gelegenheid om onder de verplichte tewerkstelling in
Duitsland uit te komen! En zo had Eric al een flinke
tijd in de visserij gewerkt.
Op die dertiende december waren twee jonge mannen - Eric
Wicherts en ondergetekende, Okke Suurenbroek - bezig de
Martina Geertruid, klaar te maken voor vertrek. De fiets
waar mee ik uit Bussum was gekomen, moest mee aan boord
om als vervoermiddel te dienen in de buurt van Enkhuizen
waar ik wat landbouwers kende die ons naar wij hoopten
levensmiddelen zouden kunnen bezorgen, want zoals zoveel
mensen in West Nederland moesten ook wij op
'hongertocht'.
Terwijl we bezig waren met de voorbereidingen voor
vertrek riep een man ons aan, vanaf de kade en vroeg waar
de reis heen zou gaan. Op ons antwoord 'naar
Noord-Holland' kwam de vraag of hij mee kon varen,
aangezien hij daar als boterhandelaar zaken moest doen.
Hij bood ons een pakje boter aan als hij mee mocht varen
en dat was, in de tijd dat boter meer waard was dan
goud, een reden om hem direct aan boord te nemen.
Hij verdween in de kajuit waar wij inmiddels het kleine
houtkacheltje, dat achter het kajuitschot een plaats
had, hadden aan gestoken en waarvan de schoorsteen door
het kajuitdak stak. Een meegebracht pannetje witte bonen
werd op het kacheltje te koken gezet en daarmee waren we
klaar voor vertrek.
Het kleine beetje wind dat er was kwam uit
noordwestelijke richting en dat betekende dat we al
jagend naar de havenmond moesten. Langzaam gleden we
langs het havenlicht de zee op. Met deze wind was Marken
net niet te bezeilen, maar we legden het scheepje op een
koers zo goed mogelijk naar het Marker vuur. Het zicht
begon af te nemen en we raakten in mist. Na enige uren
hoorden we het geluid van de Nautofoon naast de
vuurtoren. Eerst zwak, maar het werd steeds sterker
totdat het geluid vlak bij ons leek te zijn. Om een uur
of vier zagen we door de mist een stukje van een zeer
lage dijk opdoemen. De water- diepte gaf aan dat we
onder Marken moesten liggen en Eric besloot hier voor
anker te gaan voor de nacht. We staken een olielampje
aan, aten de inmiddels wat aangebrande witte bonen met
een klein beetje brood en wat boter erop en gingen
slapen. De op het voordek vastgebonden fiets begon flink
spatwater over zich heen te krijgen.

DE TWEEDE DAG.
De volgende ochtend tegen een uur of acht, begon het
licht te worden, de mist was opgetrokken en er stond een
redelijk briesje uit het westen. We gingen anker op en
konden met ruime wind om het Markervuur heen, om daarna
een noordelijke koers te gaan voorliggen. Een Staverse
jol, zeilt niet erg scherp aan de wind en rekening
houdend met het verlijeren dachten we zo een behouden
koers voor Enkhuizen te kunnen varen. In de loop van de
ochtend begon de wind iets door te zetten en geleidelijk
aan konden we wat ruimer varen. Een kompas hadden we
wel, maar geen hulpmotor, geen zwemvesten en natuurlijk
geen radio! De jol begon er met de ruime wind plezier in
te krijgen en tegen de
middag zagen we de contouren van een forse dijk
opdoemen. Noord-Holland, maar waar?

Staverse
jollen zijn vissersscheepjes voor de Zuiderzee.
Hier en daar stond een boom maar geen herkenbaar
kerktorentje. Eric besloot zo dicht mogelijk naar de
dijk te kruipen in de verwachting dat het daar voor onze
jol wel diep genoeg zou zijn, hetgeen bevestigd werd
door de slaggaard. Plotseling zagen we twee mannen onder
aan de dijk, die bezig waren hout te kappen, hetgeen in
die Oorlogswinter in Holland een algemeen gebruik was,
van wie en waar dan ook het hout was. Ze waren op
roepafstand. En in antwoord op onze roep waar of we
waren, kregen we als antwoord 'bij Schellinkhout'. Dat
was mooi! Enkhuizen, ons doel, lag noordoostelijk, dus we
konden nu met ruime wind met de schoten gevierd langs de
dijk om de Leekerhoek heen.
Zo zeilden we met een prettig gangetje richting
Krabbersgat, nadat we tegen de vroege avond de hoge
kerktoren van Enkhuizen, al hadden gezien. Tegen donker
voeren we langs de leidam aan stuurboord (waar achter
toen alleen nog maar water en lucht was te zien) en
langs de Drommedaris, slipten we het oude hoekje van de
haven van Enkhuizen binnen. We meerden af langs een oud
stukje kade naast een Urker botter en enkele
Vollendammers. Het waren allemaal vissers, alhoewel de
Vollendammers - voor thuis - ook aardappelen geladen
hadden in Friesland. Onze gast de boterhandelaar ging
hier van boord, hij was op zijn bestemming, en wij waren
een pakje boter rijker.
Terwijl we nog bezig waren de zeilen op te doeken, kwam
een Urker visserman aangelopen op zijn gebruikelijke
klompen, gehaakte zwarte kousen onder de broek, die tot
net over de knie reikte en een plat zwart mutsje op zijn
hoofd. Hij wilde een praatje maken en begon: "Is dat
niet die jol van die dominee uit Lemmer?" "Ja", beaamde
Eric, "Hij moet inderdaad uit Lemmer geweest zijn en hij
is nieuw als jacht gebouwd." "Ja", zei de visserman, "Wij kennen die boot; hij is nog eens een keer met
studenten boven op zijn kop gegaan." En ja wij kenden
dat verhaal ook en het was toch opvallend hoe die oude
vissers de schepen van de Zuiderzee wisten te herkennen.
Van 'onze' Staverse jol was bekend, dat hij voor een
dominee in Lemmer gebouwd was als jacht, ergens rond de
eeuwwisseling en eerst de naam 'Voorwaarts' droeg. Hij had
een strijkbare mast; hiervoor een groot mastluik op het
voordek, een kajuit, een vrij grote kuip en een
achterdekje met een ijzeren preekstoel.
We bleven nog napraten met de visser; we kregen wat vis
voor bij onze witte bonen, en daarna was het vroeg
slapen.

DE DERDE DAG.
De volgende dag werd de fiets aan wal
gebracht en reed ik naar Andijk waar ik een verbouwer
van bonen kende, maar daar aan gekomen, werd me verteld
dat het hele platteland al afgeschuimd was door
voedselzoekers en dat er ook niets meer te krijgen was.
Ik kon alleen wat uien kopen en ging daarmee, hevig
teleurgesteld, terug naar de boot in Enkhuizen. Daar
hebben we nog verder gezocht, maar konden onze
meegebrachte zakken alleen vullen met winterpeen. Er was
niets meer te krijgen!

DE VIERDE DAG.
Toen we ons de volgende dag klaar
maakten, voor de terugreis kwam er iemand aanlopen, met de
vraag of wij teruggingen naar het Gooi. Hij had de
letters HZ op de romp gezien en stelde zich voor als de
baas van Zaadkwekerij 'Zwaan' in Enkhuizen. Hij vroeg of
wij een lading zaad mee wilden nemen bestemd voor
Zaadhandel 'Maurits' in Bussum. Door de spoorwegstaking
en het totaal plat liggende vervoer in West-Nederland,
kon hij met geen mogelijkheid zijn producten naar zijn
klanten krijgen. Hij vroeg ons of wij bereid waren 4 'a
5 balen groentezaad, waaronder een grote jutebaal
spinaziezaad, mee te nemen naar het Gooi. Wij hadden
genoeg ruimte aan boord, dus wat ons betreft konden ze
dat laten komen. Een uur later verscheen er een handkar
met 5 balen van 'Zwaan' met de bijbehorende papieren. De
beurtvaart adressen werden ingevuld en afgetekend;
betaling zou bij aflevering gebeuren. Met deze lading en
de uien en winterpeen en geen ander voedsel aan boord
vertrokken we gedeprimeerd.
Met een matige zuidwester wind maakten we slagen langs
de Noord-Hollandse kust tot voorbij Edam en Marken, want
Huizen was niet te bezeilen. Tegen het eind van de
middag waren we rond Marken en om hoogte te winnen
voeren we nog door richting IJ toren, om daarna een
makkelijke bezeilde route naar Huizen te hebben.
Inmiddels begon de wind aardig door te zetten en rond
half vier, gaf Eric het sein voor overstag. De korte
golfslag was vrij hoog, de boot kwam stampend in de wind
te liggen. Op dat moment hoorden we een oorverdovende
knal en tegelijkertijd kwam de mast met tuig en al
achterover en dreunde met een daverende klap op de
ijzeren overloop. Op het voordek lag mijn fiets aan een
kant en het mastluik in het gangboord aan de andere
kant, een groot gat op het voordek openlatend.
De mast,
gaffel, giek en zeilen - alles lag in grote wanorde op
het dek en in de kuip. Gelukkig was geen van ons beiden
geraakt, maar het was een onvoorstelbare troep van
zeildoek, touw en rondhout bovenop ons en op de gloeiend
hete kachelpijp. Die moest snel vrijgemaakt worden.
Direct daarna rende Eric naar het voordek en begon het
anker klaar te maken, een oud vissermans anker, dat nadat we behoorlijk wat kabel hadden gevierd, goed leek
te houden. De boot kwam in de wind te liggen en wij
konden de schade gaan opnemen. Het eerste probleem was
dat de lange mast met het uiteinde telkens in een golf
werd opgelicht om vervolgens met een doffe dreun op de
overloop te beuken. Het eerste wat gebeuren moest was de
mast zo vast te binden dat hij niet meer kon bewegen.
Daarna konden we de fok en het grootzeil enigszins
fatsoeneren en samenbinden met de vallen en schoten.
Intussen sjorden we het mastluik zo goed mogelijk vast
om het gapende gat op het voordek te dichten.
Geleidelijk aan was de wind toegenomen tot een flinke 5
en een poging om de mast weer omhoog te krijgen moest
worden opgegeven. Telkens als hij iets omhoog kwam,
oefende hij door het hevige rollen van de boot zoveel
dwarskracht op de mastkoker uit, dat we bang waren dat
deze volledig uit elkaar getrokken zou worden en daarmee
zouden we echt een wrak worden. We lieten zo veel
mogelijk ketting uitlopen en begonnen rond te kijken.
Dat maakte ons niet vrolijker; we lagen op misschien een
mijl van de dijk van Waterland, de lagerwal!
Toen gingen we kijken waarom en waardoor de mast, die
niet gebroken was, omlaag was gekomen. Het bleek dat het
bindsel waarmee het voorstag op de zware ijzeren
uithouder werd vast gezet, was gebroken. Bovendien bleek
dat de mastvoet onder in de mastkoker niet was geborgd,
zoals gebruikelijk, met een ijzeren staaf, maar met wat
staaldraad dat totaal verrot was. Dit was gebruikt omdat
- naar later bleek - het onderste deel van de mast niet
meer geheel in de koker paste en daardoor niet met de
staaf geborgd kon worden. Door het stampen van de boot
waren bindsel en staaldraad beide gebroken.
Inmiddels was het donker geworden en konden we niets
meer doen dan hopen dat het anker niet zou krabben. Op
onze kooi en in het vooronder kon je niet meer liggen
door het hevig rollen en we haalden de slaapzakken naar
de kajuit en legden ze op de vloer tussen de tafel en de
zitbanken. Door en door koud geworden probeerden we af
en toe wat te slapen.
Het zal ergens tussen 11 en 12 geweest zijn dat we in de
verte het geluid van scheepsmotoren hoorden, komend
vanuit de richting Amsterdam. We gingen naar buiten en
geleidelijk aan doemden de contouren op van een konvooi
binnenschepen, komend vanuit de richting Amsterdam en
voorafgegaan door een Duitse patrouilleboot. Een
'Flakboot' met luchtdoelgeschut die de vrachtvaarders
konvooieerden van Amsterdam naar Lemmer en vandaar op
weg naar Duitsland. Ze voeren alleen 's nachts want de
Engelse en Amerikaanse luchtmacht was over dag
oppermachtig en geregeld werd de weinig aanwezige
scheepvaart beschoten.
Ondanks onze beduchtheid voor de Duitsers betekende dit
toch hulp in de nood. Wij begonnen met ons olielampje te
zwaaien en om hulp te roepen. Plotseling flitste een
zoeklicht aan, zwaai de over ons heen en verlichtte de
droeve ellende van de neer- liggende mast en de troep
aan zeilen en touwen. We vroegen om een sleep. Het
antwoord kwam snel: "Dat kunnen we niet doen, we zijn nu
onderweg met dit konvooi naar Lemmer, maar morgenvroeg
bij daglicht komen we terug. "En zo begon een lange
nacht. Zou het anker houden? De wind bleef fors
doorstaan en nam in de loop van de nacht niet af. De
golven dreunden onverminderd tegen de bolle kop van de
Martina Geertruid. Veel slapen was er niet bij, het was
telkens een beetje doezelen en weer wakker schrikken!

DE VIJFDE DAG.
Bij het eerste licht van de volgende
dag konden we onze situatie opnemen en tot onze grote
schrik zagen we, dat het anker toch behoorlijk had liggen
krabben. We waren angstig dicht bij de dijk gekomen. Ik
dacht dat we nog geen honderd meter van de stenen
verwijderd waren! Als dit zo doorging zouden we binnen
een uur of wat tot splinters geslagen worden op de
basaltkeien. We realiseerden ons dat als de Duitsers van
plan waren om te komen, dat ze dan snel hier zouden
moeten zijn. Inderdaad moeten de Duitsers zelf ook
nieuwsgierig geweest zijn, want toen we de contouren van
de IJ toren konden zien, zagen we niet een maar drie
schepen naderen: een sleepboot, een Flak patrouilleboot
en een trawler. Op weg naar buiten maakten ze goed van
de tijd gebruik door met hun luchtafweer mitrailleurs te
oefenen op een vlucht eenden.
Bij ons in de buurt hielden ze hun schepen gaande en
riepen dat we voor hen in te ondiep water waren geraakt.
Om naderbij te komen zouden ze een rubberboot met een
sleepkabel overzetten.
Even later peddelden twee matrozen over het ruwe water
in onze richting. Aan boord geklommen, haalden ze met de
meegebrachte lijn een zware tros van de sleepboot over
en maakten die vast aan de mastkoker, In de tussentijd
hield de patrouilleboot de zaak in de gaten, met het
voordekkanon op ons gericht. We verloren de trawler uit
het oog. Daarna begon de sleper te trekken; maar niet in
de richting van de ankerketting. Wij probeerden het
anker in te halen, echter met alle aanwezige mankracht
lukte dat niet.
Een eind ging het nog, maar op een
gegeven moment zat de hele zaak vast. De Duitsers hadden
geen zin om lang bij daglicht op zee te blijven, want ze
waren 'sitting ducks' voor de geallieerde jagers. Dus
kregen wij door een loeiende stem over de megafoon te
horen: "Anker los machen." Dat was voor Eric te veel!
Hij probeerde hen duidelijk te maken dat een anker en
ketting, zeker in die tijd, een onvervangbaar kapitaal
bezit was. Het hielp niet! Verslagen liet Eric de
ketting gaan. Het slepen begon en langzaam naderden wij
de Oranjesluizen.
Eenmaal binnen werden we onmiddellijk
aan bakboord afgemeerd tegen een hulpschip van de Kriegsmarine. Meteen kwamen de heren aan boord, een
'hoofdman van de Wasserschutzpolizei' met twee matrozen
in hun blauwe marinepakken. Ze begonnen ons te
ondervragen. Wat deden we op een vissersboot? Waarom
werkten we niet in Duitsland? Wat zit er in die
jutezakken? Wat voor Ausweisse hebben jullie? Gelukkig
hadden we voldoende goede Ausweisse en het verhaal van
de visserij gecombineerd met een verhaal over honger en
voedsel klonk plausibel. Een matroos kreeg bevel de
zakken te inspecteren om vast te stellen of er niet iets
anders inzat, dan wij hadden gemeld.
Ook de zak
spinaziezaad werd opengemaakt. Degene die weet hoe
scherp spinaziezaad is, begrijpt dat rondgraaien hierin
geen pretje is! Dat kon je aan het gezicht van de
matroos wel zien en hij hield er gauw mee op. Er werd
niets gevonden. Het beurtvaartadres voor de lading zaad
zag er ook geruststellend uit en met de mededeling van
de spinaziematroos "Dumme Hollander" verliet het
gezelschap de boot. De kust was schoon!
Marinemannen verschenen aan dek van het schip naast ons
en begonnen een vriendelijk gesprek. De boot herinnerde
hen aan hun vaders boot in de Oostzee. "Wat is de
tuigage en wat is de diepgang?" "Jullie hadden geluk
heelhuids uit die storm van deze nacht te komen" enz. Ze
hadden enig medelijden met ons en boden aan onze
kletsnatte kleding te drogen, hetgeen we met enige
reserve toch graag aanvaardden. Ze leenden ons touwwerk
en een houten spier waarmee we met de giek een
bokkenpoot konden maken. Alles werd met sjorringen aan
elkaar gebonden en met takels en handkracht van de
Kriegsmarine werden we geholpen bij het opzetten van de
mast.
Dit keer werd de mastvoet extra sterk gezekerd met
gekregen staaldraad en het voorstag werd met stalen
sluitingen vastgezet. Na een dag werken en een nacht
slapen herkreeg het schip weer een normaal aanzien. We
kregen toestemming van de Wasserschutzpolizei te
vertrekken en we wisselden met de buurmatrozen een
Fröhliches Weihnachten uit. Daarop maakten we los en
voeren door de sluis met een bakstagswindje richting
Gooische kust.

DE ZESDE DAG.
De wind was bedaard en rond 11 uur
zeilden we tussen Muiden en Pampus door. Toen zagen we
richting kust Muiderberg een binnenschip, dat op een
vreemde plaats vast lag. We dachten ook iemand te zien
zwaaien en besloten poolshoogte te nemen. Dichterbij
gekomen zagen we dat het schip aan de grond gelopen was
op het zeer ondiepe Muiderzand en dat de opvarenden
duidelijk blij waren met onze komst. We konden met onze
geringe diepgang zonder probleem bij het schip komen en
voeren langszij en maakten vast. De schipper stond er
wat beteuterd bij. Hij had gedacht dat hij richting
Amsterdam voer en zonder kaart meende hij bij Muiderberg
de ingang van het Buiten-IJ te zien, was dus boven op
het Muiderzand gevaren, waar hij al drie dagen zat
zonder dat iemand hem had gezien. Wat zijn kompas hem
had gezegd, hebben we hem niet gevraagd. Een tjalk met
rogge ligt al drie dagen vast op het Muiderzand, zonder
te worden opgemerkt.
Hij was onderweg van Duitsland,
volgeladen met rogge voor de Wehrmacht bakkerij in
Amsterdam. Hij werd 'bewaakt' door een oude, eenzame,
Duitse soldaat met een geweer, die dolblij was dat
iemand hem zou komen verlossen van al dat ellendige
water. Het was naar hij later verklaarde een meer dan
zestig jaar oude artiest, een kunstschilder ergens uit Silezië. Uit dankbaarheid vroeg hij of we misschien wat
rogge konden gebruiken. We beloofden direct na aankomst
in Huizen de havenmeester te waarschuwen en sleephulp te
organiseren. Ja, we zouden graag wat rogge meenemen. Dat
was een Feest!
We keerden al de zakken die door ons gevuld waren met
uien en peen om, mijn plunjezak en koffer en alles wat
leeg kon werd aan boord van het 'graanschip' in het ruim
gebracht en met een grote schop vulden we zakken en
daarmee de Martina Geertruid tot aan zijn merk!
Eric vroeg zich nog af of we het geweer ook maar niet
zouden meenemen, wat we toch maar niet gedaan hebben,
want we waren te makkelijk te traceren. Na zes dagen van
afwisselend mist, regen. Storm, 'schipbreuk' en redding
varen we de havengeul van Huizen binnen.
We beloofden de schipper nogmaals dat we hem zouden
melden en vertrokken diep geladen en met een intens
gevoel van tevredenheid richting Huizen.
De lange havengeul moesten we jagen en eindelijk konden
we vastmaken aan een botter uit Huizen. Na de melding
bij de havenmeester sloten we de boot af en ik vertrok
met mijn fiets en koffer met daarop de plunjezak naar
huis in Bussum, met de afspraak de volgende dag de rest
te komen verdelen.
Dat was een fout (zoals mijn Vader al zei!) want de
volgende morgen zagen we dat onze buren al een deel van
de lading had den gelost! Maar er was gelukkig nog heel
wat over. Tot ons genoegen hadden ze ook de zware zak
met spinaziezaad meegenomen, ongetwijfeld in de
veronderstelling dat het rogge was en we hoopten dat het
de dieven scherp zou opbreken. We verdeelden de rest van
de lading, met ook een deel voor de eigenaar van de
boot, die we de schade van het anker moesten opbiechten.
De niet passende mast en het slechte materiaal dat
gedurende het gebruik door de visser niet goed was
onderhouden, waren ons opgebroken. Desalniettemin was er
een happy end.
Het was bijna 25 december. Na een tocht vanaf 13
december door mist en regen en storm, schipbreuk en een
'redding' van een schip gevuld met graan, werd deze reis
een Kerstwonder waarmee vijf families, inclusief die van
de dieven en de vier Hollandse burgers van Joodse
afkomst, die een veilige beschutting hadden gevonden in
het huis van Eric, de laatste maanden van de oorlog
konden doorstaan, tot de bevrijding van Holland door de
Canadezen in mei 1945.
Door: Okke Suurenbroek en Eric Wicherts.

Staverse jol.
Home
|