Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 

Arbeidsdienst in Duitsland.

FRIESLAND ANNIS DOMINI 1940-'45.

Opgedragen aan allen, die leven of gezondheid gaven voor onze vrijheid.

 

Dr. Y. N. YPMA.

 

Onderwerpen die op deze pagina staan

 

 
 

Arbeidsbemiddeling en sabotage.

Veel mensen moesten in de crisisjaren bittere armoede lijden. Deze foto geeft een beeld van die tijd..de jaren dertig. Enkele Amsterdamse jongeren zijn aan de maaltijd op de plaats, waar men in 1934 begon met een werkervaringsproject.


Leeuwarden was niet alleen verzorgingsgebied; het was ook de hoofdzetel van verschillende provinciale diensten, die ieder op hun terrein de illegaliteit konden steunen of van advies dienen. De Rijksverkeersinspectie kon rijvergunningen, benzine of vaste brandstoffen afgeven. Het Telefoondistrict had zijn mannetjes voor de technische sabotage bij de telefoon of voor het maken van clandestiene aansluitingen ten behoeve van de illegaliteit. En dan was er nog het Gewestelijk Arbeidsbureau, dat altijd tussen Judas en Pilatus inzat en als dienst wel in een zeer benarde positie verkeerde, daar het direct te maken had met de tewerkstelling in Duitsland, die juist zoveel mogelijk gesaboteerd moest worden.

Gedurende de eerste twee bezettingsjaren was er nog weinig sprake van principieel verzet tegen het gaan naar Duitsland. Voor de oorlog was er altijd al bemiddeling geweest ten behoeve van melkers en arbeiders in de landbouw, die naar het Derde Rijk wilden. Op dit punt werd na de capitulatie dus een oude gewoonte voortgezet, hoewel in versterkte mate, nu de bezetter om arbeidskrachten zat te springen.

 

En hadden de arbeiders toch bezwaren, dan waren deze in het begin meer van materiële aard: het loon was er lager dan voorgespiegeld werd, de kost en de legering lieten veel te wensen over, men had angst voor de bombardementen of wilde niet omdat Wenen en Kassel nu eenmaal verder van huis lagen dan Bolsward of Drachten. Deze laatste overweging legde bij de gehuwden het meeste gewicht in de schaal; de ongehuwden lokten het vreemde land en het avontuur wel.

Directe dwang om werk te aanvaarden bestond er aanvankelijk van Duitse zijde niet. Wèl stond er een stok achter de deur. Was men werkloos en voelde men er om een of andere reden niet voor om 'over de greppel' te gaan, dan kwam men niet in aanmerking voor steun of tewerkstelling bij de z.g.n. werkverruimings-objecten.

Toch was het streven er op gericht om de mensen zoveel mogelijk naar deze werkgelegenheden te sturen. Bij mannen met grote gezinnen bestonden hiertegen echter bezwaren, omdat de verdiensten er niet hoog waren. Het waren meer ongehuwden, die daarvoor in aanmerking kwamen. En verder was er nog wel eens een mogelijkheid om aan het werk te blijven, door in een ander bedrijf onder te duiken. Daar werd in maart 1942 een stokje voor gestoken. Toen werd van de werkgevers geëist, dat zij een vergunning aanvroegen voor nieuw aan te werven personeel.

 

In april werd op een bijeenkomst in Amsterdam aan alle daar samengeroepen directeuren en adjunct-directeuren te verstaan gegeven, dat het 'Arbeitsministerium' de volle medewerking verwachtte bij een aantal op stapel staande maatregelen. Alleen de directeuren van het G.A.B. te Arnhem en de adjunct-directeur van Leeuwarden weigerden en legden het bijltje er bij neer. Laatstgenoemde kreeg toen van zijn baas nog het getuigenis 'lafaard'. te horen. In mei werd hij in gijzeling gevoerd.

Het duurde tot ongeveer medio 1942 vóór-en-aleer met uitvoering van de - nog beperkte - gedwongen arbeidsinzet en de uitkamming der bedrijven werd begonnen. De eerste groepen gingen weg. Maar toen deze in het voorjaar van 1943 met halfjaarlijks verlof thuis kwamen, wilden zeer velen niet meer terug. Tot nu toe waren de mogelijkheden van sabotage van de bemiddeling gering geweest. Tegen wervingsacties voor tewerkstelling bij Wehrmachtswerken of op het vliegveld was weinig te doen; men meldde zich in drommen.

De uitkamming der bedrijven vond soms direct door Duitse commissies plaats. Daarbij kwamen nog twee remmende factoren: de arbeiders werkten zelf nog niet mee, en men had met een massa mensen te doen. Men moest dus uiterst voorzichtig zijn met wie men in zee ging. Bovendien moest er voortdurend gewerkt worden onder de ogen van de Duitse "Fachberäter", Kunz Schultze, Koch de Arbeitsreferent Hendriock en onder een directeur, die maar één doel voor ogen had: het G.A.B. Leeuwarden aan de spits, ook wat de bemiddeling naar Duitsland betrof. De Arbeitsreferent Hendriock was in het begin niet onwelwillend - dat werd later anders -, en waar de directeur soms van oordeel was: "Hij moet weg", daar gebeurde het nog wel eens, dat, Hendriock zei: "Er kann bleiben".

Oproep tot dwangarbeid in Friesland (1945)

 

Maar na de Meistaking kwamen langzamerhand de jongens, die vóór de keuring een poeiertje in de urine deden, zich maagzweren lieten aanmeten bij welgezinde artsen - die waren er genoeg - of twee nachten niet naar bed gingen, niet aten, 2 x 24 uur eigenbouw rookten en als dessert nog een kauwstang doorslikten! En zo kwamen ze als een wrak voor de keuring! Op deze groeiende onwil kon men aansluiten. Van massale sabotage zou echter nooit sprake kunnen zijn. 'De bezetter moet in de eerste plaats bestreden worden met meerdere list en slimheid en in de laatste plaats - als het niet anders kan - met geweld'. Dit was een stelregel van Jaap.

Geweld werd toegepast op 25 juni 1943 bij de kraak van het jaargangenregister, dat onmiddellijk gevaar opleverde. List was vereist om te zorgen, dat zij, die niet meer terug wilden, toch hun distributiebescheiden terug kregen. Deze moesten door de tewerkgestelde vóór zijn vertrek worden ingeleverd. Kwam hij terug, voorgoed of met verlof, dan moest hij zijn Duitse ontslag- of verlofbewijsje afgeven op het G.A.B. en kreeg daarvoor een reçu, waarop hij zijn papieren terug kon halen, die op het distributiekantoor werden bewaard.

 

De truc was nu, om verlofgangers, die niet terug wilden, een bewijsje van definitief ontslag in handen te spelen. Op het G.A.B. begon E. blanco ontslagbewijsjes achterover te drukken en gaf ze aan S., die welbewust achter het loket buitenland op het distributiekantoor was geplaatst en deze papiertjes ondertekende met de handtekening van de ambtenaar, die dit anders op het G.A.B. moest doen. De betreffende arbeiders ontvingen hun distributiebescheiden terug via tussenpersonen, die ook de namen en andere gegevens doorgaven. De bewijsjes gingen in een daarvoor bestemde map. Dit liep gedurende een halfjaar uitstekend tot eind september 1943 de zaak spaak liep.

De kortste weg niet altijd de veiligste.

Om de gang van zaken te bekorten en te vereenvoudigen - het aantal liefhebbers werd steeds groter -, werden nu alleen de namen en andere gegevens van de verlofgangers ingevuld, die nu zelf voor het loket moesten verschijnen om hun paperassen te halen: Iemand kon zijn mond niet houden en vertelde ergens, dat hij een ontslagbriefje had. Dit kwam een N.S.B.er, die het hoorde, zo onwaarschijnlijk voordat hij bij het G.A.B. ging informeren hoe dat zat. Toen raakte de zaak aan het rollen, omdat men ging vermoeden, dat er valse ontslagbewijsjes in omloop waren.

Op het G.A.B. werden deze niet geregistreerd, zodat hier niets met zekerheid omtrent knoeierij kon worden vastgesteld. Het lek zou dus wel op het distributiekantoor moeten zitten. Het werd bekend, dat de Sipo over het geval had vergaderd en besloten had om de volgende morgen de administratie buitenland in beslag te nemen. Men moest ze vóór zijn. Een andere ambtenaar was bereid met de administratie te verdwijnen en te duiken, want de lokettist moest op zijn plaats blijven, omdat anders het contact weg zou zijn.

Het lukte. 's Morgens vóór half negen ging de bewuste ambtenaar geruisloos en onopvallend klappers en mappen weghalen - een flinke koffer vol - en vertrok. Een uur later kwam de Sipo, maar toen leverde het onderzoek verder niets meer op, want niemand, behalve de lokettist, wist wat er gebeurd was. Enkele personeelsleden werden vastgehouden, maar omdat zij niets konden vertellen, na een paar dagen weer vrijgelaten.

Er werden geen represailles genomen, het werk ging door. Enkele weken daarna moest de lokettistbuitenland toch nog verdwijnen in verband met de ramp van Hoorn van 19 oktober 1943, waar ongeveer de hele Top-L.O. van Noord-Holland werd opgerold. Daarmee was het contact op het distributiekantoor weg. Op het G.A.B. gingen E. en zijn medewerkers door met het afgeven van valse Ausweise, het afkeuren en waarschuwen van mensen en met het verschaffen van adressen. Geen groot verzet voor het oog misschien, maar door het dag-in-dag-uit onder spanning werken, doordat er geknoeid moest worden onder de ogen van wantrouwende Duitse pottenkijkers, opwegend tegen het zwaarste.

Werkgelegenheid in Lemmer.

Blok, mastmakerij en tuigerij van zeil- en stoomschepen - scheepsbenodigdheden van de fa. D.v.d. Neut 'met daarnaast de zeilmakerij van de fa. M.F. de Vries. De Lemsters die er werkten werden niet in Duitsland te werkgesteld, de Duitsers hadden de spullen ook nodig die deze vakmensen daar handmatig fabriceerden. De twee kleinzonen, de Gebr. J.W. en W. v.d. Neut fabriceren heden nog handmatig de houten masten voor kleine en grote zeilschepen en het vakmanschap is hun bij wijze van spreken als met de paplepel ingegeven. Een oud ambacht in Lemmer nog volop in bloei.

 

Het werkloosheidsvraagstuk.

Uit: Zuid-Friesland 13 juli 1940.

Reeds vele jaren hebben onze opeenvolgende regeringen aandacht geschonken aan het probleem van de werkloosheid, maar nimmer gelukte het dit tot een definitieve oplossing te brengen. Het zou onrechtvaardig zijn niet te erkennen, dat het niet aan goede wil heeft ontbroken om deze volkskwaal te bestrijden; de cijfers bewijzen, dat zeer zeker resultaten zijn bereikt. Maar het scheen nu eenmaal onmogelijk, de werkloosheid terug te brengen tot het normale peil van vroeger jaren; er bleven blijkbaar onoverkomelijke moeilijkheden om maatregelen in grote stijl te nemen en het tempo der bestrijding op te voeren en daarmede zijn we met het werkloosheidsvraagstuk blijven zitten.

 

Hadden we voor de oorlog met bijna 300.000 werklozen te kampen, nadien is dat aantal door de ontwrichting van tal van bedrijven belangrijk toegenomen. Inmiddels is ook onze weermacht gedemobiliseerd; velen daarvan hebben geen werk kunnen vinden, terwijl ook geen nieuwe lichting meer in het leger is opgenomen. Men kan dus veilig aannemen, dat thans enige honderdduizenden meer werklozen dan voor de oorlog werkgelegenheid zoeken.

Het was dan ook een zeer belangrijk bericht, waarin werd medegedeeld, dat van de Rijkscommissaris voor de bezette gebieden in Nederland, Rijksminister Dr. Seyss-Inquart, maatregelen te wachten waren om te komen tot opheffing van de werkloosheid in ons land en tot verheffing van het sociale peil der Nederlandse bevolking, met name ook van de arbeidersklasse. Immers, er is niets, dat het moreel van een volk zozeer aantast als het gedwongen niets doen van een belangrijk aantal burgers. Ons volk is nooit werkschuw geweest uit natuur, doch de langdurige werkloosheid heeft sommigen dit wel gemaakt.

Wanneer een eind kan worden gemaakt aan de toestand, dat al bijna niet meer wordt ingezien het moreel verwerpelijke, dat een deel der bevolking wordt onderhouden door de rest van de gemeenschap, alleen omdat het geen arbeid kan vinden, zou zulks voor ons volk een weldaad betekenen, want een belangrijk niet werkend volksdeel betekent op den duur een ondermijnende kracht voor het geheel.

 

En het moet ook de steuntrekkers zelf met wrevel vervullen, dat men zoals is geschied hen laat rondlopen, terwijl er duidelijk aanwijsbaar voor hun handen werk is te vinden. Wij denken bijv. aan het feit, dat wanneer er zogenoemd seizoenwerk was, dit niet door de werklozen verricht mocht worden en wij herinneren ook in dit verband aan de befaamde kwestie van het sneeuw opruimen in de afgelopen winter. Inderdaad is bij tal van gelegenheden gebleken, dat het overgrote deel der werklozen gelukkig zelf al te gaarne op de een of andere wijze weer aan de arbeid wil tijgen.

Het verdient daarom de allergrootste toejuiching, dat de Duitse bezettingsautoriteiten in samenwerking met onze eigen organen zodanige maatregelen willen nemen, dat het werkloosheidsvraagstuk radicaal tot oplossing wordt gebracht. Nadrukkelijk is verzekerd, dat van economische uitbuiting van Nederland geen sprake mag en zal zijn, en dat aan ons volk geen verdere beperkingen zullen worden voorgeschreven dan door de toestand, in het bijzonder de Engelse blokkade, wordt vereist en in verband met de lotsgemeenschap tussen Duitsland en Nederland onvermijdelijk is.

 

Inderdaad is gebleken, dat de reeds getroffen maatregelen volkomen in overeenstemming zijn met ons Nederlandse volkskarakter en gericht op inschakeling van de werklozen in het regelmatige productieproces. Volledig zal dit laatste onder de huidige omstandigheden uiteraard thans nog niet mogelijk zijn, zodat terecht als overgangsmaatregel nodig werd geacht het scheppen van de gelegenheid om in Duitsland te werk te worden gesteld.

In ieder geval zijn thans voor ons land inzake de bestrijding van de werkloosheid nieuwe wegen ingeslagen, waarbij wij onwillekeurig het oog richten op hetgeen in Duitsland ten deze is gedaan en de resultaten, welke dit aldaar heeft afgeworpen. Er zijn weer lichtpunten aan de horizon!

Lemsterlanders te werk in Duitsland.

Van de tewerkgestelden in Duitsland vertrokken er uit de gemeente Lemsterland in het begin: 125 vrijwilligers (voor werk) en later 118 verplicht (dwangarbeid)

Van de vrijwilligers werden 6 afgekeurd, 35 werden ontslagen en keerden teruguit Duitsland. Van hen die met verlof thuiskwamen gingen er 14 onderduiken. Zij hadden het wel bekeken. Van de vrijwilligers nam een drietal dienst bij de SS, één van hen bij de Waffen-SS.

Van de verplicht tewerkgestelden werden 4 afgekeurd, 4 ontslagen en van de verlofgangers keerden er 40 niet terug van verlof, zij gingen ook onder duiken. Vijf mannen uit onze gemeente die naar het buitenland werden getransporteerd om in de vijandelijke (o.a.) wapenindustrie te werken hebben hun vaderland niet terug gezien. Vier mannen kwamen ziek terug en overleden. Zij allen vielen als slachtoffers van de wrede vijand; wij griffen hun namen in de gedenksteen van onze bevrijding.

Zij die in Duitsland overleden:

1. Joh. Dijkstra, Oosterzee geb. 26 maart 1915, vertrokken 20-01-1943 op 18 mei 1944 overleden.
2. Hendrik Kuipers, Lemmer geb. 28-12-1923, vertrokken 08-01-1942 op 18-01-1944 overleden.
3. Klaas Muurling, Oosterzee geb. 01-04-1919, vertrokken 23-10-1942 aldaar overleden.
4. Piet Schaper, Lemmer geb. 16-10-1920, vertrokken 28-04-1941, later matroos geworden en door torpedering van het schip om het leven gekomen.
5. Jenne de Vries, Lemmer geb. 05-05-1911, vertrokken 18-08-1942 in juni 1943 aldaar overleden.

Zij die ziek thuis kwamen en overleden:

1. Albert de Heij, Lemmer geb. 07-11-1919, vertrokken 12-02-1942 terug 29 juni 1944.
2. Klaas Luik, Lemmer geb. 16-05-1919, vertrokken 23-10-1942 terug 18 juni 1943.
3. Pieter Sijswerda, Lemmer geb. 26-11-1923, vertrokken 18-08-1942 terug 23-09-1942.
4. Joost de Vries, Lemmer geb. 14-08-1922, vertrokken 19-03-1942 tijdens verlof overleden.

Eén van de tewerkgestelden (verplicht) was Gerben Bootsma. Hij was de zoon van Gerben Bootsma (straat)

Oproep.

Toen de tewerkgestelden een oproep ontvingen om naar Duitsland te vertrekken, werd ook aan burgemeester Mr. M. Krijger, advies gevraagd, wel of niet aan de oproep gehoor te geven. Zijn advies luidde: 'Wel gaan'. De burgemeester wist dat zij anders door de Duitsers met geweld zouden worden gedwongen, er was geen andere uitweg of je moest onderduiken. De burgemeester kon ook niet anders adviseren, tenslotte kon toch niet iedereen onderduiken. Dat de burgemeester, indien mogelijk, niet ongenegen was om te helpen daar weet Gerben Bootsma, wonende op de Langestreek (in het voormalig nieuw Schippersinternaat) van mee te praten.

Drukker.

G. Bootsma, was als drukker werkzaam bij de fa. W.A.F. Koopman. Deze firma gaf het weekblad 'De Zuid-Friesland' uit. De directie en hoofdredacteur A. Klijnsma, weigerden principieel de Duitse Wehrmachtberichten te publiceren en was reeds op 13 sept. 1941 vrijwillig gestaakt met de uitgave van de krant. Dit mag zeker een moedig en principieel besluit genoemd worden.

Vertrek.

G. Bootsma geb. 12 febr. 1921 vertrok naar Duitsland op 17 sept. 1942 en keerde terug op 3 juli 1945. Hij zou heel wat kunnen vertellen over deze periode in zijn leven, hier enkele regels.
"Het waren lange dagen en over het algemeen te weinig eten. Om 4 uur opstaan, met bus en/of trein en ook lopend naar het werk dat om 6 uur begon, er moest tot 's avonds 7 uur gewerkt worden en dan weer terug. Om 9 uur in de avond weer terug in het kamp".

Verlof.

Eenmaal in deze periode is G. Bootsma, met verlof naar huis geweest. In dit kamp werden 20 personen borg gesteld door de Duitsers, alleen daarom al moest je terug. Toen Gerben Bootsma, bij zijn moeder thuiskwam heeft burgemeester Krijger er voor gezorgd dat Gerben zijn verlofpas met 20 dagen verlengd werd in verband met de situatie thuis. De burgemeester tikte met zijn schrijfmachine, die dezelfde lettertype bleek te hebben, een twee voor de datum en dat was dus 20 dagen later. Op deze wijze zorgde de burgemeester voor enige verlichting bij moeder Bootsma.

Ook in het voordeel van burgemeester Krijger pleit, dat hij van veel illegale activiteiten op de hoogte geweest moet zijn. Een verklaring regelde hij voor koerierster Willy van der Gaast, opdat zij ongehinderd van haar fiets gebruik kon maken. Dit papier werd Luitjen Mulder, ter hand gesteld, die het aan Willy van der Gaast bezorgde.

Razzia in de N.O.-polder 17 november 1944.

Door Diedert Frankema, Woudsend.

DE WEGVOERING EN DE TEWERKSTELLING IN DUITSLAND.

Terugblik op de periode 17 november 1944 tot 17 april 1945. De schrijver van dit verslag is afkomstig uit Lemmer en voorheen een van de firmanten van de Fa. Gebr. Frankema, Aannemers te Lemmer.

(Diederik, zoon van Theunis Frankema, die 50 jaar ouderling was van het 'Ein Tsjerkje' te Lemmer. Dit kerkje werd in 1800 gebouwd door de pake van (moeders kant) Pieter Marten de Vries. Hij werd in de volksmond Pieterbaas genoemd, de meeste huisjes op het 'Ein' waren zijn eigendom. Later werd deze wijk de 'Pietersburen' genoemd, naar deze Pieterbaas).

Deze terugblik is door Diedert Frankema, op schrift gesteld en in 1992, dat is 47 jaar na deze onvergetelijke periode 44/45, kwam de heer D. Frankema, opnieuw in contact met één van zijn kampvrienden en lotgenoten, en wel met Geert Vinke. Hoe dit contact tot stand kwam dat leest u van de hand van de heer G. Vinke.

(* Voor de duidelijkheid zijn de aanvullingen welke door de heer G. Vinke zijn aangebracht cursief geplaatst).

* Op 22 januari 1992 heb ik voor het eerst sinds bijna 47 jaar weer contact gehad met Diedert Frankema. Via een telefonisch onderzoek in Lemmer, kreeg ik uiteindelijk van een ver familielid te horen dat hij in Woudsend woonde. Diezelfde avond heb ik hem daar gebeld en een hartelijk gesprek met hem gehad. Daarbij werden in het kort onze wederwaardigheden opgehaald en een afspraak gemaakt voor een latere ontmoeting. Hij was blij en verrast om mij weer eens te spreken. Op dinsdag 14 april heb ik hem thuis in Woudsend opgezocht en werd daar allerhartelijkst begroet door hem en zijn vrouw Marijke. Het was een onvergetelijke ontmoeting. Wat hadden wij veel te vertellen op die middag bij hem thuis. Hij had zijn wederwaardigheden ook opgeschreven en met bijzondere graagte heb ik aan zijn verzoek voldaan en heb ik zijn verhaal voor hem uitgetypt. Waar dit de duidelijkheid en volledigheid naar mijn menig ten goede kwam, heb ik dit op persoonlijke titel aangevuld en tussengevoegd.

Met dankbaarheid en blijdschap zal ik immer terug zien op je kameraadschap in het verleden, en de belofte die dit inhield voor het heden. Het was een onvergetelijke ontmoeting dit bezoek aan Diedert en Marijke in Woudsend.

Veel dank voor je vriendschap, for now and ever, van je vriend Geert en zijn 'meisje van toen' Dien Vinke-ten Klooster. God bless you both
.

Geert Vinke, * 29 maart 1922
te Zwartsluis en thans te
Arnhem, de 25-ste april 1992

Het vertrek vanaf Meppel.

Van Meppel per trein naar Lingen. Het was slecht weer toen wij aankwamen op het station Lingen in het donker en het regende héél erg. We kwamen in een grote school terecht. Op de gangen was de verwarming een beetje aan, de lokalen waren afgesloten. Ik was als enige van ons personeel nog in de ploeg, maar alles wat bruikbaar was had ik meegesjouwd, dekens en een pan voor het eten, een lepel, wat zeep en een handdoek, maar ook een fles raapolie en een bijbeltje met het Nieuwe Testament.

* Ten tijde van de razzia's was ik als onderduikertimmerman werkzaam in de N.O-Polder bij de Fa. D. Blankevoort en Zn., aannemers van baggerwerken, afkomstig uit Bloemendaal. Toen deel uitmakend van de MUZ, welk stond voor Maatschappij Uitvoering Zuiderzeewerken. Na eerst in kamp Ens gehuisvest te zijn geweest, kwam ik later in kamp Ramspol terecht, in de directe omgeving van Directiewoonarken en keten, totdat ..... !

vrijdag 17 november.

In de vroege ochtenduren werden we opgeschrikt door luid schreeuwende Duitse- en Germaanse SS-troepen. Als eerste was kamp Ramspol aan de beurt om uitgekamd te worden door zwaar bewapende soldaten. Later kregen alle kampen een beurt. Dezelfde dag in colonne te voet afgevoerd naar Vollenhove. Hier in een school ondergebracht, waar de nacht werd doorgebracht.

zaterdag 18 november.

Opnieuw in colonne te voet van Vollenhove, via Zwartsluis naar Meppel. In Zwartsluis kon ik een vluchtige blik wisselen met mijn ouders e.k. welke op de stoep stonden en de trieste stoet machteloos aan zich voorbij zag trekken. Vanaf hotel Roskam kreeg ik korte tijd gezelschap van mijn verkering, nu mijn vrouw, Gerridina (Dien) ten Klooster, werkzaam in genoemd hotel. In Meppel wederom tijdelijk ondergebracht in een schoolgebouw. aan de Stationsweg. Een moedige poging van mijn meisje Dien om mij daar op te zoeken gelukte wonderwel door enige soepelheid van Hollandse (!) SS-bewakers. We konden toen elkaar nog even spreken en gedag kussen ..

maandag 20 november.


Afgevoerd naar het NS-Station Meppel en in overvolle treinen geperst. Vandaar in de avond-en nachturen naar Duitsland afgevoerd, naar Lingen.

Aankomst in school te Lingen.

Toen ik op de stenen vloer zat voelde ik mij van mensen verlaten, er was niet één bekende bij. In deze verlatenheid heb ik het bijbeltje-NT gepakt om daarin steun te vinden maar ik vond geen tekst waaruit ik deze steun kon vinden. Na meerdere keren de vinger op een bladzijde geprikt te hebben zou ik het bijbeltje wegleggen, zonder enige troost.

Naast mij zat een jongen die het bijbeltje zag en deze vroeg mij of hij het ook even mocht hebben. Na zijn lezen zei hij: 'Wat ben jij rijk met dit bijbeltje, maar ik had er niets aan'. Toen zei hij (Kees van Heerde, nr. 27 van de lijst) 'Zou het niet beter zijn om samen met de ploeg een gedeelte te lezen'. Ja, dat zou mooi zijn, maar hoe moest dat? Toen hebben wij een lucifersdoosje genomen, als blauw boven lag dan zou hij de jongens vragen, maar als zwaluw boven kwam, zou ik dat doen.

Na het doosje gegooid te hebben kwam blauw boven .... en hij moest dus. Toen vroeg hij mij of ik het wilde vragen aan de jongens of het goed was dat wij samen een stukje uit de bijbel lazen en samen zouden bidden. Niemand had er wat op tegen en toen heeft Kees gelezen. Wat weet ik niet meer, maar dat er veel aandacht was weet ik nog heel goed. Het gebed was kort, met knikkende knieën, maar het was goed samen de toekomst in te gaan met de hoop dat God bij ons was. Van slapen kwam niet zo veel, koud en nat en weinig eten; van het Rode Kruis een stukje kuch en wat koolsoep.

De volgende dag, woensdag 22 november, zijn wij naar Emsbüren gebracht met vrachtwagens en ondergebracht in een school die vlak bij de RK-kerk stond. Aan de voorkant waren twee ingangen die op het plein tussen de kerk en de school uitkwamen. De achterkant was afgezet met een omheining van prikkeldraad, plm. 10 cm. uit elkaar en plm. 4 m. hoog. Van de lokalen werden 3 stuks bezet door onze ploeg, mijn lokaal was boven plm. 7 x 7 m. met stro op de houten vloer en een grote Godin-kachel in de hoek, die niet brandde. De drie ramen waren met een zwart rolgordijn afgesloten voor de verduistering.

Op deze gordijnen hebben wij geschreven met krijt: 'Wij kankeren niet, maar houden de moed er in. En als het soms een beetje spannend werd ging het rolgordijn naar beneden en de jongens werden naar het gordijn gebracht. De kameraadschap was goed en altijd hebben wij het als vaste regel aangehouden om des avonds plm. 9 uur een dagsluiting te houden waaraan verschillende jongens meewerkten. We lagen met plm. 40 man in het lokaal, mannetje aan, mannetje. Ik had gelukkig veel dekens en kleren en was jong en gezond.

De identiteitskaarten waren al eerder, in Lingen, ingeleverd, maar op de kamer leerden we elkaar kennen. Mijn slapie naast mij was Toon Free (nr. 23) uit Nieuw- Vossemeer. Daar heb ik later nog mee geschreven. Hij was RK en mocht soms naar de, kerk als het terrein door soldaten en landwachters (volkssturm) was afgezet. Hij is een paar weken voor ons vertrek naar Bremen gebracht, we hebben veel steun aan elkaar gehad, ook geestelijk. Toen hij met anderen weg moest hebben wij elkaar omhelsd bij het afscheid.

* In de school in Lingen werden groepen gevormd en naar verschillende plaatsen afgevoerd. Met een groep van plm. 125personen kwamen wij terecht in de plaats Emsbüren waar wij tegenover de, RK-kerk in de plaatselijke school werden gelegerd.Ons 'PERSOONSBEWIJS' was in Lingen! Alvorens wij deze konden betrekken moesten eerst nog de Russische krijgsgevangenen die hierin waren ondergebracht, op het schoolplein aantreden om naar elders .... (?) te worden afgevoerd. Daarna konden wij op het door hun achtergelaten vuile en verpulverde stro gaan zitten of liggen, al naar gelang in de volgende dagen, het uur van de dag. Van enig meubilair of ander gemak was geen sprake. Slapen op de vloer met dag en nacht dezelfde kleren aan. Door de Duitse SA-leiding werd uit onze groep als 'Lagerfûhrer, aangewezen een in de NO-Polder ondergedoken Lyceumstudent, die als zodanig in voorgaande dagen door de Duitsers reeds was opgevallen.

Hem werden alle verantwoordelijkheden opgelegd ten aanzien van de orde, verdeling van de schamele. rantsoenen en de gevolgen van eventuele ontvluchtingspogingen! De SA-commandant was een zekere Herr Heimell, een voormalig horlogemaker uit Bremen. Van de bewakingssoldaten was er één, met de naam Himmler, een nare man. Hij was een volle neef van de beruchte Heinrich Himmler, de eerste man naast Hitler. Ook zijn voornaam was Heinrich! Dagelijks, ook op zondagen, werden wij onder bewaking naar de verschillende werkobjecten afgevoerd, zoals het maken van onderkomens en loopgraven, het opruimen van puin in pas gebombardeerde fabrieken of vliegveld (en).


Naarmate de Britse en Canadese legers vorderden in hun opmars naar het noorden van Duitsland en Nederland, konden wij dit merken aan het gedrag van onze bewakers. Berichten drongen bijna niet tot ons daar. In die tijd overleed aan een ernstige ziekte, na dagenlang op de vloergelegen te hebben en later toch weggebracht, een jongeman oud plm. 22 jaar. De kist werd daar onszelf gemaakt bij een plaatselijke smidwagenmaker. Hij werd in Emsbüren begraven en is na de oorlog in Nederland herbegraven. Hierin had Arend Timmerman een belangrijke rol t.a.v. die formaliteit en die hieraan vooraf gingen. en is bij deze herbegrafenis in Nederland aak aanwezig geweest.

Toon Free en anderen.

Naast mij lagen o.a. Teun Palland uit Kampen en H. Uitslag uit Zwollekerspel en L. Kodde (nr,.45) uit Kampen. Deze hebben later een boerderij in de NOP gekregen. Veel van de jongens bij ons op de kamer, weet ik nog, waren pioniers of timmerlui die voor werk in de polder waren, maar ook een paar van de andere kamers weet ik nog goed, die waren opgepakt in Blokzijl en Vollenhove.

Een schoolmeester, K. Knol uit Blokzijl, grote man maar weinig steun. Jan Doze en Siep Mooiweer en nog meer uit Blokzijl, dat waren jongens met durf. Omdat er te weinig eten was, gingen we als het goed donker was, bietsen. Ik ging meestal alleen, maar Jan en Siep altijd met z'n tweeën, We hadden ieder onze eigen adressen, ik bij een paar goede boeren. Bij een er van was een Russin, een meisje van plm. 18 jaar.

Zij was gedwongen om in Duitsland te werken. Deze boer had een groot gezin, jonge kinderen en heeft mij veel eten gegeven, ook voor de andere jongens. K. Uitslag wilde graag, een keer met mij mee, dat wou ik niet...maar de boerenvrouw verzocht mij een kameraad mee te nemen omdat ze voor de kerstdagen een varken geslacht hadden en er dus eten genoeg was. Zo gingen we dus samen op pad, het was lichte maan, maar veel bewolkt. Hij was erg bang, voor mij was het gewoonte.

Toen we bij de boerderij kwamen, door een droge sloot voor dekking, hing er een overall aan de waslijn. Hij zag die voor een wachtpost aan, maar ik had onder mijn kleren een broodmes en een dolk en ik zei: 'Die steek ik dood'. Dat was gemeen, maar toen zag hij dat ik een grapje maakte en zijn we naar binnen gegaan. De boerin was aan de vaatwas en de kinderen waren nog in de kamer (andere keren was ik altijd veel later). We kregen elk een witte kom vol buterbrot. Dat was rogge met spek en bloed, het smaakte heel erg lekker, maar er was veel te veel om in één keer op te eten.

Ik had altijd een schone zakdoek bij me en wat teveel was deed ik ongezien in de doek. Maar Uitslag ging door, hij werkte alles naar binnen met dik zweet op de kop. Toen de boer zag dat alles op was zei hij tegen de kinderen: 'Moeten jullie eens zien, die 'anderhalve man (ik was klein) eten meer als wij samen'. Toen moesten de kinderen samen bidden en vragen dat ze nooit zo'n honger zouden krijgen: (Maar ik had de grootste helft in de zakdoek).

Een paar dagen later ging Uitslag en z'n kameraad Kodde samen er op uit, maar op de boerderij waar ze aanklopten was een SA-man ingekwartierd. (Hij was een beroemde pruikenmaker uit Berlijn). Die deed de deur open en toen was het goed mis!. Na verhoor zijn ze teruggebracht naar de school en moesten zich de volgende dag melden bij de commandant.

Voor straf hebben ze een dag en nacht in de cel gezeten en wij zijn allemaal één dag zonder eten geweest. Die boer was een slecht mens. De goede boeren hadden mij al gewaarschuwd voor de nazi-boeren. De plaatselijke bakker was een heel goede Duitser, hij had een Hollandse knecht, een prima jongen. Jan Doze en Siep Mooiweer kwamen er geregeld en hebben vaak veel kuch, grote zware broden, meegekregen die verdeeld werden onder de jongens.

Bijna gepakt.

Een keer ben ik met ze mee geweest, maar toen we de weg moesten oversteken stond er een wachtpost, een van onze bewakers, een landwacht (volkssturm) en een slecht mens. Hij was klein en mank en we hebben veel last van hem gehad. We durfden de weg niet over te steken en hebben tijden in de berm tussen de braamstruiken gelegen. Toen Jan en Siep achter de boerderij om, naar de weg gingen, vielen de melkbussen van de stelling. Dat ongeluk maakte zoveel lawaai dat de Duitse wacht er op af ging.

Toen zijn zij door de volkstuinen in de richting van de school gedraafd. Voor mij was toen de weg vrij en was ik vlak bij de school. Ik moest over de prikkeldraadomheining van 4 m. heen, maar tegen dit stek stonden twee palen met een buis er over heen. Dat was voor de corvee om de kleden uit te kloppen. Met een sprong kon ik de buis pakken en trok mij dan op tot op de buis en kon dan het topgeveltje van de schuur reiken en over het prikkeldraad klimmen. Door de haast en inspanning van het draven kon ik de buis niet grijpen, maar toen ik het te pakken had viel het zware kuch-brood naar beneden en moest ik terug.

Om des broden wil:

Toen ik na veel inspanningen het brood door het prikkeldraad geduwd had, kwam ik langs het dak naar beneden, zocht toen de twee stukken brood op en ging op de WC zitten. Intussen hoorde ik Jan en Siep (op klompen) aankomen rennen voor het leven, door de steeg naar de vooringang. Ook daar stond een wachtpost, maar die liet hen gaan. Direct na aankomst, werd er alarm geslagen en moesten we aantreden om voor de school geteld te worden. Alle Duitsers waren in actie door die kleine manke smeerlap. Hij had drie mannen gezien die beslist uit de school kwamen, maar hoe er ook geteld werd, we kwamen telkens op het juiste aantal en stond de kleine mof voor schut.

De andere soldaten en landwachters (volkssturm) hadden een grote hekel aan deze man, maar de wachtposten werden verdubbeld en pas na een week ben ik er weer op uit geweest. Na 11 uur klopte ik bij de boer aan en die schrok van het late bezoek. Het was vlak voor de kerstdagen, de boer vloekte, hij was in onderkleren, maar ik kwam binnen en de vrouw in pyjama gaf mij te eten. Doordat ik vertelde dat velen van ons honger hadden, zijn er door de kerkgangers veel broden naar binnen gesmokkeld. Naast de school waren enkele kleine woningen voor de diaconessen (nonnen). Daarin woonden alleenstaande vrouwen die in dienst waren van de kerk.

Lieve Frau Teuben.

Een van die vrouwen vroeg de commandant om hulp voor het stellen van de kachel en de pijpen en die vroeg of er ook iemand was die verstand had van ovens. Toen zei die vrouw: 'Die met de 'Lockenkopf', die moet maar mee'. Ik heb alles in orde gemaakt en kreeg heel lekker eten, ja zelfs een zoet wijntje. Zij vertelde mij dat ze als jong meisje met tbc in een tentje gelegen had en dat het daardoor voor haar onmogelijk was geworden om te trouwen. Dit had haar veel verdriet gedaan.

Toen we samen aan de tafel zaten en baden voor het eten, zag ik tranen op haar wangen. Trouwen was verboden in het Duitsland van toen, als men tbc had (gehad). Vele keren heb ik haar brandhout gebracht, meegenomen uit de loopgraven die we moesten maken in het bos. Zij was plm. 6 jaar ouder dan ik, maar nooit heeft het seksuele parten gespeeld, wel warme vriendschap. Na de oorlog, toen ik getrouwd was met Marijke, zijn wij samen met mijn broer Marten en Antje bij haar geweest om haar te bedanken voor alles wat zij, Frau Teuben, voor ons gedaan had.

De vlucht van de broers De Ruiter.

Uit Blokzijl en Vollenhove waren veel mannen opgepakt en met ons mee afgevoerd naar Emsbüren. Daaronder waren 3 broers De Ruiter en een zwager (?), Een van deze was een kapper die niet zo sterk was en in deze omstandigheden ziek werd. Ze hebben toen in overleg met de bakkersknecht besloten om hem naar huis te brengen en dat is gelukt. De bakkersknecht was heel goed bekend met de grensovergangen.

Kolkzicht te Blokzijl met Bierkade en Zeedijk met daaraan gevestigd de kapsalon van kapper de Ruiter.

 

Maar toen wij moesten aantreden voor het appèl, (elke morgen was er een telling) toen waren der drie minder. Na een paar uur kwam er een hoge piet uit Lingen die met een revolver dreigend bij de ploeg langs ging, want een van ons zou gedood worden omdat er drie ontvlucht waren. De spanning was groot maar de straf was dat wij die dag geen eten kregen. Eten, dat was het enige waar wij dagelijks aan dachten. Honger is een scherp zwaard. In een naburig kamp Biene, waar jongens lagen die opgepakt waren in Scheveningen en Den Haag, hadden ze een Hollandse kok en een Duitse kampbeheerder.

De pakketten die door de Directie NOP naar de verschillende kampen gestuurd werden zijn door de beheerder en de kok verkocht ten eigen bate. De beheerder en de kok zijn opgepakt en in een, concentratiekamp terechtgekomen. Het kamp is toen ontruimd en verschillende van deze mensen zijn toen bij ons in het Lager Emsbüren ondergebracht. Deze personen staan niet op de lijst die Geert Vinke mij gaf, maar enkele van deze mannen ken ik nog, Teun Bal en twee met de namen Groen. Er was ook een melkboer bij uit Den Haag, maar de naam weet ik niet meer.

De Haagse melkboer.

Deze man was ziek en had geen weerstand. Ik heb toen Jan van de Wetering geroepen (een pracht van een kerel; die veel voor ons heeft gedaan). Hij zei: 'Die vent zit onder de luizen'. Hij trok hem zijn broek uit en hij zat inderdaad onder de luizen en ontstekingen. In de kelder hebben we hem toen ontluisd en het schaamhaar weggeschoren, geboend en de kleren verbrand. De nieuwe kleren heeft Jan van de kampleiding gekregen en na een paar dagen was deze man weer gezond. Hij liep Jan alle stappen na omdat die zijn leven gered had.

* Dezelfde man als hierboven door Diedert is beschreven, kwam terecht op de kamer waar ik lag en werd mijn rechter slapie. Hij was broodmager, lang van postuur en zag er erg slecht uit. Elke avond keek ik ook zijn kleren na op luizen, iets waar hijzelf te apathisch voor was. Hij kreeg ook dubbele(!) rantsoenen om aan te sterken, want hij bleek aan tbc te lijden. Om deze reden werd hij dan ook later teruggestuurd naar Nederland.

Jan van de Wetering en zijn koksmaat.

Deze Jan zat in het baggerwerk en is met een man die kok geweest was in een hotel in Frankrijk en later in de NOP, onze kok geweest. Het eten dat zij klaar maakten was heel goed. Ze haalden de melk bij de boeren uit de omgeving en waarschijnlijk hebben zij ook wat van de bonen en erwten van de NOP gehad. Het was soms zelfs zo goed dat de Duitse bewakers dan mee aten. Maar op het werk, dat soms 5 - 8 km. weg was kregen we meestal koolsoep.

Op 4 januari, dat is mijn verjaardag, was de trekker met etenswagen beschoten door de vliegtuigen van de RAF. De wagen kwam in de sloot terecht en van de kübels waren veel beschadigd. Er waren nog drie stuks over die ook gedeukt waren. Dat was erg jammer omdat het deze keer geen koolsoep maar bruinenbonensoep was met stukjes spek. Omdat het de gewoonte was dat degene die jarig was, de kübelresten die aan de wand zaten, mocht uitlikken, kreeg ik één van de kübels. Maar onderin lagen zoveel emaille scherven dat ik deze niet wilde hebben. Wim den Hollander kreeg de kübel en spuwde de scherven met veel kabaal uit. Hij vond het restant eten, ondanks de scherven, toch heerlijk.

Roelof Appelo in het werk.

Nog een naam wil ik hier vermelden en wel die van Roelof Appelo, deze was pontbaas in de NOP. Hij is door de ploeg als leider aanvaard en als wij na het appèl op weg gingen, probeerde hij met humor de geest in de ploeg goed te houden. Het werk bestond uit loopgraven maken, dwars door de mooie naaldbossen, hier en daar werden onderkomens gemaakt van de stammen die gerooid waren. Daarvan werden dan vierkanten gemaakt waarbij de hoeken verbonden werden met ijzeren lijndraad. Het dak werd gemaakt van juffers en afgedekt met takken of plaggen en ook hebben wij een paar onderkomens gemaakt met dubbele wanden waar tussen mos en bladeren gestopt werden, Deze waren veel groter, plm. 6 x 12 m. en binnenin werden kooienslaapplaatsen gemaakt, plm. 60 cm van de grond. Het waren mooie hutten maar de bosboeren waren er niet blij mee. Er moest teveel voor gerooid worden. Op een keer is er na een flinke storm een grote hoeveelheid bomen omgewaaid omdat de wortels geen diepgang hadden.

Houtskool branden.

Grote bomen werden in kleinere stukken gezaagd en volgens een bepaalde manier opgestapeld, het geheel werd afgedekt met zoden en grond, een paar kleine gaten in de onderkant waren voor de toevoer van lucht voor de verbranding. Als de houtmassa flink in brand stond werd de voorkant (de mond) toegedekt en dan smeulde het vuur dagen door. Maar veel van die bulten zijn verloren gegaan omdat de jongens voordat we weggingen, een paar extra gaten in de onderkant maakten en dan ging alles in vlammen op.

De slechte Heinrich.

Buiten de bewaking waren er Duitsers die de leiding -hadden- over het werk en één daarvan was 'Heinrich', een verschrikkelijke, drukke man. Hij gunde ons bijna geen tijd om te schaften (een slechte man). Hij maakte ruzie met een jonge Scheveninger, die communist was en het liep bijna op vechten uit. De soldaten werden te hulp geroepen en hij kreeg van Heinrich een paar rake klappen. De volgende dag moest Groen (staat niet op de lijst) een gat graven van plm. 1 x 2 m. en Heinrich stond langs de rand met een paar soldaten. Toen hij ongeveer 1,20 m diep was, wou Groen niet meer. Hij schreeuwde tegen Heinrich: 'Nu zit ik nog in de kuil, maar morgen sta ik daar en jij onderin. Dan zal ik verder scheppen'. Deze jonge man is meegenomen, wij hebben hem nooit meer gezien. Een paar dagen later hoorde ik van Frau Teuben dat hij door Landwachters (volkssturm) naar Lingen is gebracht voor opsluiting, maar deze hebben hem bij een schoenmaker laten onderduiken. Ik zou graag weten wat er van hem geworden is. Hij was heel helder en had meer durf dan vele anderen.

De bange Felicks en het luchtgevecht.

Ook was er een Duitser, Felicks genaamd, als uitvoerder in dienst van de TODT, een organisatie voor de bouw van verdedigingswerken. Hij was sierstratenmaker van beroep, een bange domme man maar ik heb veel met hem gepraat; de oorlog en Hitler waren het grootste kwaad voor het land. Er was een luchtgevecht boven ons en de Tommies met hun jagers schoten omraak. Iedereen zocht dekking in de bosgreppels, ook Felicks. Hij lag vlak bij mij en in de opening tussen de bomen zagen wij dat één van de vliegtuigen een groot ding afwierp dat recht op ons afkwam en vlak bij ons op de grond viel. We wachtten op de explosie maar die kwam niet. Felicks, maar ook ik, waren dankbaar dat we nog leefden. Toen we gingen zoeken vonden we de afgeworpen reserve vliegtuigtank waar nog veel benzine in zat. Als grap vertelde Felicks dat hij nu genoeg benzine had voor zijn vuuraansteker.

De aanval op de V-2 met een treurige afloop.

In onze omgeving was een vliegveld en in de bossen was een plaats waar de V-2's afgeschoten werden. Op een heldere dag kwamen de verkenners, de jachtvliegtuigen, op zoek naar de V-2 lanceerinstallatie. Toen ze die gevonden hadden maakten zes jagers om de beurt een duikvlucht. De boordwapens schoten geweldig, maar ook het afweergeschut van de Duitsers was van alle kanten te horen. Ik heb toen gezien dat er drie van de zes vliegtuigen zijn afgeschoten. Een grote zwarte rookpluim was het einde.

Het bombarderen van het vliegveld.

Het vliegveld werd op een nacht gebombardeerd. Ik heb die nacht voor een groot gedeelte op een klein platje doorgebracht. Eerst kwamen de markeringslichten aan de parachutes. Het was zo licht, ook bij ons; dat je een boek kon lezen. Toen kwamen de bommenwerpers. Die maakten het vliegveld onbruikbaar. De morgen daaropvolgend zijn wij met vele anderen uit de andere kampen er heen gebracht, op een open aanhangwagen met een trekker er voor, om de bomtrechters te vullen.

 

In de middag kwamen de jachtvliegtuigen, het was heel mooi weer, om de resultaten op te nemen. Wij zaten in de bomkrater toen er zes jagers aankwamen. Vanaf het zuiden, met het licht van de zon mee; begonnen ze te schieten, van voren en van achteren. Toen ben ik echt bang geweest en omdat we met plm. 20 man in de kuil zaten, die van de ene naar de andere kant vluchtten, ben ik er uit gegaan om dekking te zoeken in het bos.

Maar ik was er nog lang niet toen de vliegtuigen terug kwamen. Ik sprong in een 'eenmansgat' schuttersput van plm. 80 x 100 cm. en 1 m. diep. Ik zag dat de kogels op de asfaltweg insloegen, maar niemand werd geraakt. Op dat vliegveld stonden enige stokjes met een klein vlaggetje en ik ging er heen om te zien wat dat was .... Er kwam een Duitser naar me toe die vroeg of ik naar de hemel wou. Zo niet, dan moest ik bij die vlaggetjes wegblijven. Dat waren mijnen of tijdbommen!

Toen we de gaten gedicht hadden met heel veel mensen, gingen we terug naar de aanhangwagen. De Poolse krijgsgevangene was nog bezig om met een zware landrol die 2 m. hoog en breed was, de grond (het was allemaal zand) te verdichten. Voor de rol liep een grote zware os met grote horens, die de rol voorttrok. Toen ging er achter hen een tijdbom of landmijn af, even waren ze onzichtbaar, maar ze liepen rustig verder alsof er niets gebeurd was. We hebben lang moeten wachten op de trekker, de boer wou niet bij licht rijden, bang voor de jagers, maar het is gelukkig goed gegaan.

De kerstdagen, 25-26 december 1944.

De kerstdagen hebben we niet gewerkt, dat zal ik nooit vergeten. Samen hebben wij in het bovenlokaal een kerstdienst gehouden, met zingen en spelen. Er was een gitaar en een van de kamergenoten, ik meen dat het een jongen A. Treep uit Kampen was, ging voor in gebed en had een preek gemaakt. Zijn vader was dominee of aan de theologische hogeschool verbonden. Verder hebben we samen gesproken over de verborgen omgangen met God, maar ook over de mensen die elkaar als christenen de dood injaagden.

Jezus, liefde en de dwaasheid van de mensen.

Veel van onze jongens waren afkerig van de God van die christenen en ze hadden gelijk Ook ik heb daar grote moeite mee, maar waar moest ik anders heen? Zou de dwaasheid van de mensen de verbinding met God verbreken, van onze kant misschien wel, maar ik wist toen en nu zeker dat onze dwaasheid de liefde van God niet stuk kan maken en dat Hij Zijn schepping naar het doel zal brengen waarvoor Hij het gemaakt heeft en waarin Hij alles in allen zal zijn. Op de kamer beneden hebben ze een ander kerstfeest samen gemaakt, waarbij Piet Kreder de leiding had. Dat was een echte Jordaner uit Amsterdam. Hij zong net zoals Johnny Jordaan de liedjes van Manke Nelis en van de kat die op buurmans plat lag te janken, enz. Veel plezier maar zonder inhoud.

De broers uit Blokzijl en het manna.

Er waren ook twee iets oudere broers uit Blokzijl meen ik, die op de kerstavond heen en weer liepen tussen de beide ingangsdeuren voor de school. In het donker kwam een klein meisje met een schoenendoos en die gaf ze aan de beide mannen, maar ze durfden het niet aan te nemen - wij zijn Hollanders - maar het meisje zei: 'Pak aan, het is voor jullie' en weg was ze. Toen ze met de doos op de kamer kwamen zat die vol met lekker brood met spek en vlees. De tranen liepen over de wangen (gebeds-verhoring). Ook wij hebben er wat van gekregen, maar ze waren er zo zuinig op dat het laatste verschimmelde in de koffer en niet meer eetbaar was. Ik heb toen gedacht aan het manna in de woestijn dat elke dag gegeven werd om te delen met de anderen.

* Zoals ik in een eerdere notitie reeds heb vermeld, werd Arend Timmerman reeds in Lingen door de Duitsers aangewezen(!) als toekomstig kampleider in Emsbüren. Na enige tijd daar de leiding te hebben gehad, bleek hem dat er tijdens het transport van onze rantsoenen, onderweg door de bewaking van ons eten werd gestolen. Hiervan maakte hij melding bij de Duitse leiding die hem deze beschuldiging niet in dank afnam. Het werd doorgegeven naar Lingen, vanwaar een paar SS-officieren naar Emsbüren kwamen om hem te onderhouden. Hij kwam er genadig af en werd voor straf overgeplaatst naar het naburige kamp Leschede.

Hij werd later dan ook tegelijk met de bewoners van andere kampen op paaszondag 1 april 1945 op transport, te voet afgevoerd. In de buurt van Oldenburg heeft hij kans gezien om te ontsnappen en is via Groningen in Genemuiden teruggekeerd. Hij heeft hier jaren later nog zeer ernstig onder geleden. Ik weet dit zo zeker omdat ik hem jaren geleden heb gesproken en dit verhaal uit zijn mond heb opgetekend. Ik was belangstellend te weten waar de overige personen uit de diverse kampen uiteindelijk terecht zijn gekomen. Hij wist het ook niet en ik heb er later ook niemand meer over gesproken of ontmoet. Het eindstation is dus onbekend gebleven voor ons beide.


In het laatst van ons, verblijf was er een Jan Boeren uit Blokzijl, die kameroudste was. Hij heeft veel avondsluitingen gedaan. Maar er was weinig warmte in het gebed. Later heb ik in Lemmer nog met hem gesproken.

De ontluizing.

Een keer zijn we ontluisd met de gehele ploeg. We moesten op transport, maar waarheen weet ik niet meer. Wel weet ik dat het een soort slachtplaats was. Op de stenen vloer moesten we alles uittrekken en de kleren bundelen die in een stoombad kwamen. D. Otzen uit Kampen was een bioloog die met aardappelziekten te maken had. Hij had een lange leren jas die ook in de bundel kwam, maar op aanraden van ons heeft hij die achtergehouden. Toch was de spanning groot allemaal naakt onder de douche, wachtend op de kleren. Het weerloze gevoel in die afgesloten ruimte is mij nog bijgebleven, maar gelukkig ging het goed.

Een briefkaart van moeder. Een goede gewoonte.

Ik heb een keer een briefkaart van thuis gehad, door mijn moeder geschreven. Daar stond in dat ik veel moest wassen, anders kwam ik onder de luizen ..... ! Diezelfde avond had ik 16 luizen gevangen. We hadden zo nu en dan luizenappèl. Dan moesten we de onderbroek en het hemd aan de buurman geven, die telde dan het aantal gevangen luizen en degene die het hoogste aantal had gevangen kreeg een pluimpje, maar diegene die teveel in zijn kleren had kwam aan de 'schandpaal' en werd voor schut gezet. In de kelder onder in het gebouw konden we warm water maken. De kachel werd gestookt met door onszelf meegebracht hout uit het bos. Er was soms ook waspoeder en daarom heb ik weinig last van luizen gehad. Ook hierin heeft Jan van de Wetering een grote rol gespeeld en was hij een steun op velerlei gebied.

Enkele jongens:

Er was ook een zekere Tanes die opzichter was in de NOP en die heel goed in wiskunde was. Ook een zekere Thebandië die soms last had van veel hoofdpijn en dan soms buiten bewustzijn raakte. Dan sloeg hij wild om zich heen en we beschermden hem dan voor zelfverwonding. Veel van de jongens kan ik mij nog goed herinneren, waarvan meerdere later een bedrijf in de NOP kregen.

Vluchten kan ik niet.

Een keer ben ik na aankomst op het werk, door de loopgraven en bossen, in de richting Nederland gelopen, zeker twee uur. Maar toen kwam er een Engels vliegtuig heel laag over vliegen (een mosquito?) die waarschijnlijk motorpech had. Ik kon de bemanning zien zitten achter de voorruit in de cockpit. Zo nu en dan pakte de motor weer met een harde knal en veel rook en ik denk dat die een noodlanding heeft gemaakt. Ik was bang en ben toen terug gegaan. Op die terugweg kwam ik langs een boerderij met een grote Sint Bernhard-hond die blaffend op mij afkwam. Een jonge militair met het hoofd in de doeken (verwondingen) was aan het brandhout hakken. Hij schrok heel erg van mij en vluchtte de schuur binnen, Toen ik aanklopte op de deur was er zichtbaar spanning, maar toen ik zei wie ik was en wat ik deed, kreeg ik drinken en eten en moest beloven niet te vertellen dat ik de soldaat gezien had. Doodmoe kwam ik nog juist op tijd bij de kameraden terug.

Gereedschap slijpen bij een boer voor eten.

Ook ben ik een paar keer naar een boer gegaan waar in een hok zijn gereedschap was opgeborgen. Ik heb met een vijl de zaag geslepen en ook de beitels enz. Toen de boerin mij ontdekte, riep ze de boer. Die vroeg wat ik deed, maar toen hij het geslepen gereedschap zag was hij blij en kreeg ik zoveel eten als ik op kon en kreeg ook nog mee voor de kameraden. Later heb ik nog een eiken zitbankje gemaakt van een prachtige eiken plank van een schaapskooi. De vrouw en de boer vonden het prachtig, maar ik moest natuurlijk wel op tijd en ongezien terug naar de jongens. Deze boer vond het goed dat wij aardappelen, die waren ingekuild, uit de bult haalden. Maar ik moest beslist vertellen aan de jongens dat zij de gaten onderin de bult weer goed dicht maakten tegen de vorst. Er waren ook goede Duitsers, zoals weer bleek. Ik had twee broeken aan, één pofbroek die boven de laarzen zat, daar kwamen dan de piepers in en de andere broek er overheen. Dan stookten we de kachel op en plakten de schijfjes aardappel tegen de kachelwand tot ze gaar waren. Ook poften we de aardappelen wel in de hete as. Omdat ik een liter raapolie had, was het goed te eten. We hebben het over twee weken verdeeld.

Naar de tandarts.

Ik had kiespijn, één van de hoektanden was ontstoken. Ik vroeg de commandant of ik naar de tandarts (in het dorp) mocht en dat was goed. Bij de tandarts mocht ik binnen en ik zei dat ik geen geld had, wel een gouden zegelring. 'Maar dat is niet nodig' zei hij. Hij heeft er gratis een mooie kroon opgezet die ik jaren heb gehad.

De commandant en het bidden.

Zoals ik al verteld heb hadden wij 's avonds een dagsluiting en op een avond, toen ik na een Bijbelgedeelte aan het bidden was kwam de commandant binnen. Het was ons verteld, reeds op de eerste dag, dat wanneer de commandant binnenkwam, wij moesten opstaan. Toen hij binnenkwam bleven de jongens liggen. Hij deed zijn pet af en wachtte tot ik klaar was met het bidden. Toen ging hij weer weg en we hebben nooit geweten waarom hij op de kamer kwam :.., maar hij toonde eerbied voor het bidden. Het heeft mij persoonlijk gesterkt om vol te houden, na vaak diepe teleurstellingen.

Vertrek uit Emsbüren.

Ik heb nu al heel wat geschreven en zal proberen de reis naar huis te vertellen. De geallieerde legers trokken na de hevige gevechten bij Arnhem en daarna na de winter, nu in onze richting. Het zware geschut was goed hoorbaar en de vliegtuigen kwamen elke nacht bij tientallen over. Ook bij de soldaten en de andere Duitsers was de spanning heel goed voelbaar. We moesten op een morgen vroeg aantreden om lopend vervoerd te worden naar Bremen of Hamburg (zo werd ons verteld).


In groepsverband gingen we op weg, begeleid door soldaten en landwachters (volkssturm). Na een lange tijd gelopen te hebben, zakte mijn vriend Geert Vinke, steeds verder af naar achteren. Hij was 'ziek en kon niet meer in het tempo mee, zodat er een grote afstand kwam tussen de ploeg en ons. Toen kwam er een soldaat op de fiets met geweer die ons terug bij de ploeg moest gaan brengen, maar Geert zei: 'Ik kan niet meer' toen nam de soldaat het geweer van de schouder en begon te dreigen, maar Geert ging niet één stap meer. Ik zei tegen de soldaat: 'Haal maar een dokter want hij is ziek, dat zie je toch wel?', waarop hij zei dat hij de commandant zou halen. Hij fietste weg en wij hebben maar niet gewacht of hij terugkwam.

 

Wij zijn toen bij de eerste de beste boer het erf opgegaan. Die had de ploeg wel gezien en was bang dat ze ons zouden zoeken, maar toen hij Geert zag met de hoogrode koortskleur, mochten we in het hooi. De datum weet ik niet meer, noch de plaats waar we waren; Ik meen mij te herinneren dat Geert toen een aspirine van de vrouw gekregen heeft, maar die eerste nacht hebben we allebei heel goed geslapen. Jammer dat ik geen datum meer weet. Ik meen dat we in de paasdagen onderweg waren.

* 1e Paasdag, 1 april 1945. Alle gevangenen uit het Lager Emsbüren en het naburige Lager Leschede werden in de vroege ochtend verzameld en we moesten te voet op mars in noordelijke richting, naar de geruchten was dat Bremen of Hamburg. Onbekend met bestemming en het lot, wat ons te wachten zou staan. De order tot het plotseling opbreken van ons Lager kwam mij echter zeer zeker niet ongelegen. Op de dag vóór Pasen had ik namelijk een mislukte vluchtpoging ondernomen en de straf hiervoor zou mij de volgende dag, op eerste paasdag, worden aangezegd. Welke straf dit zou zijn; daar hoefde ik niet naar te raden .....†!


De plotseling gewijzigde omstandigheden ten gevolge van de snelle opmars van de Britse en Canadese legers in deze sector, werden mijn redding voor het moment. Ik had niets meer te verliezen en zon opnieuw op een vluchtpoging, nu vanuit de marcherende colonne. Tijdens de mars door bosrijk gebied wist ik met een lotgenoot uit Lemmer, mijn vriend Diedert Frankema, te ontsnappen uit de colonne door ons steeds verder naar achteren te laten afzakken. De afstand tussen de colonne en ons beiden werd groter, tot een SS-bewaker op de fiets terugkwam en ons gelastte, dreigend met zijn geweer, aan te sluiten. Naar Diedert mij later vertelde zou ik op zijn schietdreigement hebben gezegd 'dat hij me dan maar moest doodschieten, want ik kon niet meer'. Dat weet ik me echter nu niet meer te herinneren. Ik was koortsig, ziek en voelde me ellendig.

Na de SS-soldaat op zijn fiets was gesprongen om z'n commandant te waarschuwen hebben we niets meer afgewacht en zijn de bossen ingevlucht. Na lang lopen en schuilhouden kwamen we langs een boerderij, waar een vriendelijke maar bange boer ons toestond de nacht in de hooiberg door te brengen: Het zal in de achternamiddag zijn geweest dat wij doodvermoeid in slaap zijn gevallen en tot de volgende morgen, tweede paasdag, aan één stuk door hebben geslapen. 2e Paasdag, 2 april 1945. Op deze paasdag werd ons door dit Duitse boerengezin een ontbijt aangeboden waar wij dankbaar gebruik van maakten. Tijdens dit ontbijt kreeg de boer op zeker' moment bijna een hartstilstand van schrik toen hij een SS-er zijn erf op zag komen, duwend aan een motorfiets. Ook wij dachten dat dit het einde zou betekenen van onze vrijheid.


De SS-er vroeg echter alleen maar gereedschap te leen om zijn defecte motorfiets te repareren. Nadat hij weer was vertrokken moesten ook wij onmiddellijk het erf verlaten, maar voor de angst van deze Duitse boer konden wij zeker begrip opbrengen. Het verlenen van onderdak aan gevluchte 'Ausländer' was een zwaar misdrijf De boer wees ons de weg hoe we het beste verder konden gaan. Na verschillende overnachtingen onderweg bij goede Duitse boeren en in een schapen of paardenstal zijn we op 8 april in de omgeving van naar ik ineen Oud- en Nieuw Schoonebeek, de grens overgestoken na eerst nog een goed bewaakte brug over het (Süd;Nord?) kanaal te moeten passeren.

Ook hierbij zijn we door een goede Duitse Rode-Kruis verpleegster geholpen. Via het zgn. niemandsland gingen wij toen op weg richting Coevorden, waar we op 9 april aankwamen, vrijwel tegelijk met de 4e Canadian en de 1st Polish Armoured Division. Onze blijdschap was groot. Toen we de grens waren overgestoken hadden we op onze knieën God gedankt 'dat we weer veilig terug waren' in ons eigen goede Nederland. In Coevorden beseften we pas goed wat dit betekende. We maakten daar de bevrijding van deze stad en van onszelf, in opperste vreugde mee. Bij een bevriende relatie van Diedert kregen we onderdak voor één of twee dagen, dat weet ik niet zeker meer. Van hieruit namen wij afscheid van elkaar en ging Diedert richting Lemmer terug naar huis en ben ik via Hoogeveen en Meppel te voet in Zwartsluis aangekomen, naar ik meen op 15 april 1945.


Na veel lopen, zoeken om eten en onderdak.

Ook de namen van de plaatsen welke we moesten passeren weet ik niet meer. Wel weet ik dat wij dagenlang op de landbouwwegen hebben gelopen. De grote wegen waren te gevaarlijk vanwege druk militair (terugtrekkend)verkeer. Toen we op een late middag bij een boer(in)om onderdak vroegen, zei de vrouw: 'Ik heb jullie niet gezien, maar zoek maar een plaatsje in de hooivakken'. Een van die hooivakken was nog halfvol met hooi, maar we namen het lege hooivak. Daar waren schapen met hun lammeren en was er stro genoeg.

 

Diezelfde nacht liep de schuur vol met Duitse soldaten die in het hooi een paar uur gingen rusten, voordat ze verder gingen terugtrekken. Toch hebben we ook die nacht behoorlijk geslapen en we hebben van elkaars aanwezigheid blijkbaar niets gemerkt. De volgende morgen vroeg de boerenvrouw hoe het gegaan was. Zij had geen oog dicht gedaan met al die soldaten die om eten en drinken vroegen. Ook was ze bang dat ze ons iets gedaan hadden want ze waren erg brutaal geweest. Alles moest voor hen uit de kast, maar voor ons was er nog genoeg over. We kregen ook nog eten mee voor onderweg. Onbegrijpelijk dat ze ons niet hebben gezien!

De verpleegster van het Rode Kruis.

Toen we richting grens liepen, een paar kilometer voor Rühlermoor, kwam er een verpleegster van het Duitse rode Kruis op ons af, het was plm. 1 of 2 uur in de namiddag. Zij zei ons dat er pas jongens opgepakt en meegenomen waren. We moesten daarom niet verder lopen op de grote weg, maar het land ingaan langs een smal spoor dat gebruikt werd om de turf die in dat gebied gestoken werd, te vervoeren. Dat deden we en op haar aanwijzingen moesten we altijd rechts-aan houden tot we weer op de grote weg kwamen.

 

Daar zou zij dan weer zijn om ons verder de weg te wijzen. Het was al bijna donker toen we eindelijk de weg met bomen langs de kanten zagen, maar de verpleegster was er niet .... ! Toen we plm. 1 uur gelopen hadden kwam ze aanfietsen en vertelde ons dat het niet vertrouwd was om verder te gaan. Ze had voor ons beide een onderduikadres. Ik moest het tweede boerenhuisje aan de linkerkant van de weg binnengaan, zonder te kloppen en Geert werd verwezen naar het vijfde huis.

 

Op mijn adres was een oude vrouw met een klein meisje van haar zoon. Ze wilde weten hoe mijn naam was en ik zei: Dûkko en ze begon met het brood te snijden, waar een stukje spek opkwam. Onder het brood snijden was zij aan het bidden, maar de kleine meid poepte op de vloer. Zij had geen broekje aan. Met een kleine vloek pakte oma de keutel op die in de brandende kachel kwam. Toen ik bad en dankte voor het eten en onderdak, ging ze naast me zitten en sloeg een kruisje.

Slapen op autokussens.

Ze zou het bed klaar maken zei ze, maar ik ga in het hooi slapen zei ik, want ik zit onder de luizen. Dat heb ik ook gedaan, maar het hooi zat onder de hooimijt en heb heel erg slecht geslapen, dus vroeg op. Toen ze mij zag zei ze dat ik niet weer in het hooi mocht en samen hebben we toen het bed klaargemaakt. Drie autokussens werd de matras en een schoon koeiendek was de onderdeken. Maar ik sliep heel goed, ondanks de veren die ik in mijn rug voelde.

Boerenhulp.

Ze vroeg me of ik met het paard wilde lopen dat al zo lang op stal had gestaan, maar dat viel erg tegen. Dat beest zette de benen zo wijd uit elkaar dat ik hem bijna niet kon vasthouden. Dat kwam omdat het gewend was met blokken aan de benen te lopen, vanwege de slappe ondergrond in het turf/veengebied tijdens het werk in de turf. Ook heb ik ongevraagd de stal met de pinken uitgemest, want daar zat wel 40 cm. mest in. Een beetje opgetogen vertelde ik haar wat ik gedaan had. maar dat was niet goed! Het was een potstal, waarin de mest de hele winter bleef liggen. Dat wist ik niet, maar het was niet erg. Ze vertelde dat er huiszoekingen waren geweest bij de grotere boeren naar zwart slachten en alles wat geen keurstempel had namen ze mee.

Ook zij hadden frauduleus geslacht en ze vroeg of ik goed kon tekenen. Toen ik zei dat ik dat wel kon, haalde ze een grote varkensham uit de kast en ik moest met een blauw(aniline) potlood de merken, volgens een voorbeeld, er op tekenen. Ze was verrukt van mijn kunnen en hing de ham zichtbaar in de hoge schoorsteen boven de kachel. Haar zoon, die jarig was, zou een feestje geven met de jongens en meisjes uit de buurt en daarbij werd ik uitgenodigd. Daar voelde ik niets voor, maar ze kwamen midden in de nacht in mijn kamertje en waren flink aangeschoten door de zelfgemaakte drank. Ik lag als dood op mijn bed, de meiden lachten en streken mij door het haar, de Lockenkopf, toen gingen ze weer weg, zeer verbaasd dat ik niet wakker werd.

Geert Vinke's onderdak.

Geert Vinke had een paar boerderijtjes verder onderdak gekregen bij een jonge vrouw, die wel dik was, maar toch wat miste. Ze was ook geestelijk niet geheel honderd procent in orde. Het was een arme streek en ze had wat schapen en een hond. Die schapen moest Geert gaan weiden, maar de hond luisterde niet (geen wonder) en de schapen gingen bij de buurman het land op. Die was daar niet van gediend en maakte heibel. Geert zag het daar niet meer zitten en wilde weggaan, maar wij zouden op bericht van de verpleegster wachten, dus nog even volhouden. Toen kwam eindelijk de verpleegster met het bericht dat wij de volgende morgen naar de brug moesten. We moesten door een klein dorpje, vlak bij de brug die over het Süd-Nord kanaal lag en we moesten goed uitkijken want daar was een grens/wachtpost die ook al eerder Hollandse jongens hadden opgepakt. Die grenswacht heeft op de fiets naar ons gezocht, maar wij gingen in de hoek van een portiek staan en hij fietste door.

Op weg naar de grensbrug.

Toen we ruim op tijd bij de brug kwamen hebben we nog even gewacht op de aflossing van de wacht op de brug en zijn toen in fluks tempo over de brug gelopen. Er stonden drie wachtposten op de brug. De eerste draaide zijn rug naar ons toe en toen hij weer draaide, met het gezicht van ons afgewend, waren wij naast hem. De tweede zag ons wel aankomen maar hij zei: 'Grüb deinen Heimat' en van de laatste kregen we een halve sigaret!

Op Nederlandse grond.

Toen waren we de brug over en hebben de knieën gebogen in dankbaarheid dat wij weer op Nederlandse grond stonden. Er werd geschoten door tanks en machinegeweren, wij bevonden ons in een stuk 'niemandsland'. Niet ver van de weg zagen wij een soldaat in een schuttersput zitten. Het bleek een Vlaamse Belg, één van onze bevrijders die per parachute was geland. Hij had de pen reeds uit de handgranaat getrokken, klaar om te gooien. Hij vloekte toen wij hem aanspraken, vanwege de grote dwaasheid die wij begaan hadden. Hij zei: 'Alles wat op mij aankomt, schiet of gooi ik dood, ik vertrouw niemand!'

Onze blijdschap werd danig getemperd en even verder zagen wij een dode Duitser met een motorfiets in de sloot liggen. We zijn toen in een klein alleenstaand huisje gevlucht. Daarin waren een paar mensen die naar Duitsland wilden, NSB-ers, maar die zijn de brug niet overgekomen want een zware explosie heeft de brug opgeblazen (zo men ons zei). We kwamen in een dorp (Middendorp?) en zagen de grote zware Sherman-tanks die niet over de kleine brug konden, omdat ze te breed waren. Een paar heel zware kettingen werden om de staande gedeelten van de brug gelegd en twee tanks scheurden de hele brug, met alles eraan het plein op, zwart van de rook. Toen kwam er een grote wagen met een brugdek en in een ogenblik tijds konden de tanks er over rijden.

Op weg naar huis.

Waar we die nacht geslapen hebben weet ik niet meer zeker, maar ik denk dat we gelift hebben naar Coevorden. Daar woonde de familie Toering, oud-Lemsters en met hun dochter Djoeke had ik een poosje verkering gehad. De opvang was heel hartelijk. De heer Toering had een hoge functie bij de grensbewaking/ douane. Na goed gewassen en geschoren te zijn heb ik er waarschijnlijk één nacht geslapen, ik wilde zo vlug mogelijk naar huis.

De scheiding van mijn vriend Geert.

Waar Geert en ik uit elkaar gegaan zijn weet ik ook niet meer, maar Geert moest naar Zwartsluis. Er was veel verkeer op de weg en ik denk dat hij die nacht wel thuis is geweest. Vanaf Coevorden ben ik de richting van Heerenveen gelopen, ik meen over Balkbrug. Het wal wel plm. 80 km. geweest zijn, misschien gelift, of heb ik in Oudeschoot de nacht doorgebracht? Ik weet het niet meer. De 17e april was ik om plm. 10.00 uur tussen Oudeschoot en Heerenveen. Daar zag ik mijn zuster Ittie aankomen op de fiets. Na een innige omhelzing vertelde ze dat de Lemmer zwaar was beschoten en dat er enkele doden waren. Met nog meer haast ging ik naar de Lemmer. In Follega was de brug er uit en moet ik met een bootje over de Follegasloot.

Toen ik in Lemmer aankwam zag ik de verwoesting op verschillende plaatsen, maar toen ik thuis kwam, zag en hoorde ik hoe erg het was. Twee van ons personeel, Pieter van der Bijl en Jan Bijkersma waren gedood en ook Bouwe de Vries, die dicht bij ons woonde, was gedood door granaten die vanaf Scharsterbrug waren afgeschoten door de Canadezen om de Duitsers het terugtrekken naar de Vesting Holland over het IJsselmeer te beletten. In de haven van Lemmer lag een schip gereed met geplunderde eigendommen van de burgers, zelfs koeien werden gestolen. De achtergevel van onze werkplaats was zwaar beschadigd, zoals ook op veel andere plaatsen en overal was veel glasschade.

De thuiskomst.

Na de begroeting van mijn ouders en familie zou ik met vader naar de konijnen. Ik had veel hokken met raskonijnen ..., maar vader zei: 'Kijk eerst maar in de timmerwinkel. Ik heb er veel geslacht en alle vellen hangen nog met stro gevuld aan de zolder. Ze hebben ons mooi door de winter geholpen'. Er hingen wel 20 stuks die door jaren fokken tot goede resultaten gekomen waren. Ik was bedroefd, maar geen uur later was ik al weer bezig met de herstelwerkzaamheden bij Jurjen Pen in de Schans. Zo is het doorgegaan, heel blij dat ik weer de hamer en de zaag in de handen had.

Epiloog.

Dat ik zoveel geschreven heb is naar aanleiding van een telefoongesprek met mijn vriend Geert Vinke uit Arnhem (toen Zwartsluis), die met de vele andere jongens door de razzia op 17 november 1944 (ik in kamp Ens, om 4 uur 's nachts) naar Emsbüren in Duitsland zijn gebracht. Volgende week, dinsdag 14 april, hoopt hij bij mij te komen en met vreugde zie ik uit naar die dag. Dan is het 47 jaar geleden dat wij elkaar voor het laatst gezien hebben.

Op'e Romte, Woudsend, 10 april 1992
Diedert Frankema,
* Lemmer, 4 januari 1919.

Wij schreven dit alles op voor 'later': 'Opdat wij niet vergeten', zoals vele monumenten in Nederland ons doen herinneren. Bescherm en gedenk het grote goed dat VRIJHEID heet!

 

Woudsend: Hier de heer G. Vinke (rechts) op bezoek bij het echtpaar D. en M. Frankema. De molen met kippenren is door de voormalig aannemer met grote vakmanschap en liefde gebouwd.

Enige relevante bevrijdingsdata:

1 april 1945  - Enschede (1e paasdag)
5 april 1945  - Almelo
9 april 1945   - Coevorden
13 april 1945  - Meppel
14 april 1945  - Zwolle
15 april 1945   - Zwartsluis
17 april 1945  - Lemmer

Dwangarbeid in Duitsland.

Geschreven door Annie Bergstra-Kramer.

Verslag van de belevenissen van Frans Kramer en Andries Visser.

Geschreven door Annie Bergstra-Kramer, oud Lemster geboren 23 januari 1941 dochter van Frans Kramer en Taekje Anna Kramer-Riewald, thans wonende in Drachten. Annie maakte een familiebrochure en stamboom boekje over het geslacht Kramer.

Deel 1: Haar vader Frans Kramer die met de razzia in de NOP op 17 november 1944 werd opgepakt vertelde wel eens iets over deze periode, maar wel heel summier. Hij sprak dan ook over zijn metgezel en vriend Andries Visser, ook uit Lemmer die met hem een half jaar in Duitsland was.

 

Frans Kramer.

 

Andries Visser.

 

Annie kwam via een kennis in contact met Andries Visser en zijn vrouw en van hem ontving zij veel informatie over die periode in Duitsland. Dit leidde er toe dat er opnieuw een familiebrochure van haar hand verscheen getiteld:

Het geslacht Kramer Deel 2
1944 - 1945.

Dwangarbeid in Duitsland
17-11-1944 tot 14-05-1945.

Uit deze brochure de nu volgende pagina's door Annie Bergstra -Kramer.

 

Gezin Frans Kramer en Taekje Anna Kramer-Riewald, met hun twee kinderen Rinze geboren op 9 mei 1942 en Annie geboren op 23 januari 1941.

 

Lemmer Nieuwedijk: In het grote huis met de dakkapellen woonde de familie Poepjes en de familie Kramer.

 

Dwangarbeid in Duitsland. 17-11-1944 _ 14-05-1945

Verslag van de belevenissen van Frans Kramer en Andries Visser.

10 mei 1940 vielen de Duitsers ons land binnen. De tweede wereldoorlog was aangebroken.

Verplichte arbeid.

Op 22 maart 1942 stelden de Duitsers verplicht dat mannen in Duitsland moesten gaan werken. Men moest zich in verband hiermee laten keuren door een arts. Frans ging naar de vertrouwde huisarts van zijn ouders Rinze en Sijbrigje Kramer, dokter Buis. Deze keurde hem af. Daarna moest hij opnieuw gekeurd worden, maar dat deed Frans niet. In 1943 mochten artsen die geen lid waren van de nazi-gezinde artsenkamer, en velen hadden geweigerd daarvoor te ketenen, hun beroep niet meer uitoefenen. Hun naambordjes werden verwijderd. Officieel waren zij geen arts meer.

Op 25 juni 1943 deed de Leeuwarder Knokploeg een inval in gebouw Gerzon in de Friese hoofdstad en haalde daar de cartotheek van de jaargangen registratie weg, daarmee de bezetter een belangrijk hulpmiddel hij het oproepen van mensen voor de arbeidsinzet uit hand slaand. Vanaf 27 november 1942 werkte Frans in de Noordoostpolder, in dienst van de directie Wieringermeer. Hij werkte nu voor de voedselvoorziening en was derhalve vrijgesteld van de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Hij verbleef in barakken van een kamp bij Lemmer en kwam om de 2 weken thuis. In de NOP werkte hij veel samen met Andries Visser uit Lemmer. Ze konden het goed vinden samen. Andries werkte al sinds 1937 in de NOP. Hij maakte in het begin hele lange werkdagen. Om 3 uur 's morgens de deur uit en hij kwam 's avonds om 10 uur pas weer thuis.

Verhuizing.

In augustus 1944 konden Frans en Taekje hun huis in de Fabriekssteeg nr. 15 te Leeuwarden ruilen met een echtpaar Pietersma, dat in Lemmer aan de Nieuwedijk woonde. Een pand van 2 onder 1 kap, met een stenen trap naar de voordeur. De kelder die onder het hele huis doorliep (deze ruimte was gewoon boven de grond) hoorde er niet bij. Hierin had Van der Veen zijn groenteopslagruimte. Het huis had een halletje met daarin de trap naar boven. Er was een voor- en achterkamer met daartussenin een ruimte wat ooit een bedstee is geweest.

 

Boven was 1 slaapkamer waarin aan weerszijden een bedstee was, maar zonder deuren ervoor. Door de ramen van de kajuit kon je de zee zien. Verder was er een zolderruimte op dezelfde verdieping met hoeken en gaten, maar daar konden wel een paar ledikanten staan. Beneden naast de achterkamer was een keukentje met een hoog raam, waar je dus niet door naar buiten kon kijken. Daarnaast was dan nog een vertrekje met kookgelegenheid en om de hoek van dat vertrekje was de WC (nog zo'n ouderwetse ton die opgehaald werd via een trap buiten die in de steeg uitkwam).

De Razzia.

Op 17 november 1944 gingen Andries en Frans zoals elke morgen naar hun werk in de NOP. Hun werkzaamheden lagen vlak buiten Lemmer, vlak na de brug bij het gemaal. Men noemde dit sectie A. Er stond hier slechts een enkele boerderij. Melkboer Hoekstra had Frans gewaarschuwd niet naar het werk in de NOP te gaan, maar de mannen voelden zich daar betrekkelijk veilig. Men had immers een Ausweis met een stempel en een hakenkruis erop, en ze werkten voor de voedselvoorziening. Elke morgen moesten we eerst langs de Duitse controle.

Dit waren vrij oude mannen, die hen wel kenden. De mannen gingen aan het werk. Er werd gedorst. Frans reed op een trekkertje. Om een uur of negen zagen ze Duitsers aankomen. Deze soldaten omsingelden hen, maar waren zo vermoeid, ze vielen in slaap. De mannen gingen door met dorsen om de slapende soldaten heen. Het duurde niet lang tot ze doorkregen dat er wel iets aan de hand was. Er kwamen steeds meer Duitsers en ze zagen dat ook bij Lemmer alles was afgezet. Ze hadden geen enkele kans om te vluchten. Om een uur of tien ging het erg hard regenen.

Toen werden de mannen door de Duitsers naar een landbouwschuur gedreven. Om elf uur moesten ze onder bewaking naar Kuinre lopen. De Duitsers die hen hadden opgepakt (het waren er zeker 80 à 90 man) hadden opblaasboten bij zich, omdat ze in de NOP ook wel kanalen moesten oversteken. Het werd Frans en Andries al spoedig duidelijk dat dit een grootscheepse razzia was. Andries had die morgen net een paar nieuwe laarzen in ontvangst genomen. Een van de Duitsers wilde die van hem afnemen. Toen heeft hij ze maar gauw aangetrokken en zijn oude weggegooid. Toen later gevraagd werd om trekkerchauffeurs (ze moesten apart gaan staan van de anderen) heeft Frans zich daar niet voor opgegeven, omdat hij opgevangen had dat deze dan naar Polen zouden worden gestuurd.

Kuinre.

Na de razzia werden Frans en Andries naar Kuinre gebracht, waar zij de nacht moesten doorbrengen in de school aldaar. Aukje (Andries' vrouw) is, nadat zij had gehoord van de razzia naar Kuinre gefietst. Het weer was bijzonder slecht, het regende en waaide heel hard, maar zij wilde kleding en dergelijke brengen en zij hoopte evenals andere vrouwen van opgepakte mannen nog even met Andries te kunnen praten, maar dat werd absoluut niet toegestaan. De volgende dag werden alle mannen die tijdens de razzia in de NOP en in Urk waren opgepakt, ondergebracht in houten barakken in Vollenhove.

Zij werden onder strenge bewaking gesteld, al waren er die toch nog kans zagen te ontvluchten. Frans en Andries zaten hier met ongeveer 15 mannen die allen uit Lemmer afkomstig waren. Dames van het Rode Kruis kwamen eten brengen en schrijfgerei, zodat er een briefje naar huis kon worden geschreven. Ongeveer 25 mannen moesten het doen met één kamer, waarin slechts zes eenpersoonsbedden stonden, zodat de meeste mannen gewoon op de vloer moesten slapen, in hun kleren uiteraard. Het weer was grauwen guur.

 

Briefkaart die Frans vanuit Vollenhove schreef.

 

 

Lieve vrouw en kinderen.

De koffer heb ik in goede orde ontvangen hoor! Je wordt bedankt voor de foto en het bericht. Wat is het snel gegaan hé, dat had ik niet verwacht. Maar afijn, we weten waar we op moeten vertrouwen. We zitten hier nu in Vollenhove in een school. We hebben het goed, er wordt ons van alles toegesjouwd. We gaan vandaag naar Meppel, en worden we verdeeld over het land. Het spijt me dat ik jullie niet meer even heb gezien. Zeg de kinderen maar dag van mij, en geef ze een kus. Er wordt weer gewerkt aan een vrijstelling, er is een geringe kans. Schrijf mijn ouders ook maar en zeg dat alles in orde is, en dat de hele polder weg is , alleen de mannen boven de veertig niet. Ik hoop dat er spoedig verandering mag komen, en dat we gauw weer bij elkaar zullen zijn. Je moet je geen zorgen maken over mij, alles lijkt goed. Je moet met het geld maar zien. Red je maar, en moed houden hoor! Zo God het wil, komt alles terecht. Groeten ook aan de buren (Echtpaar Luik). En groeten aan mijn ouders.

Nu tot het volgende bericht vrouw of tot ziens.

     Dag Annie en Rinze, kus van papa, jullie paps.

 

Buurman Luik, de buurman van Frans en Taekje heeft alle bagage, koffers en dergelijke die de vrouwen aan de bij de razzia opgepakte mannen wilden versturen, met paard en wagen naar de plaats van bestemming gebracht. Op woensdag 22 november krijgen de mannen te horen dat ze naar Meppel zullen worden getransporteerd. Donderdagmorgen 23 november 1944 is er eerst een appèl en dan begint de streng bewaakte voettocht. Het wordt een hele zware tocht. In de striemende regen strompelen de mannen over de dijk. De vele uitvallers worden met gummiknuppels overeind geslagen. Enkelen die echt niet meer kunnen worden in vrachtwagens gesmeten en komen achteraan. Langs de weg staan mensen die brood, melk en fruit geven.

Meppel.

Het is half vier als de mannen in Meppel aankomen. Er is net luchtalarm gegeven, bewoners van Meppel kijken medelijdend vanachter hun ramen naar de trieste optocht. In totaal zijn er ca. 400 mensen die tijdens de razzia's zijn opgepakt, Friezen, Urkers en Amsterdammers. Veel mannen kunnen haast niet meer lopen. Mensen van het Rode Kruis komen de gewonde voeten verzorgen. De allerergste gevallenmoeten naar het ziekenhuis, maar deze mensen hebben dan het geluk om te kunnen ontsnappen.

Men wordt ondergebracht in een school. Op de gangen delen de Duitsers schreeuwend bevelen uit. Beurt om beurt moet door iedereen deurwacht worden gehouden, dag en nacht. Niemand mag op het appèl ontbreken. 's Morgens en 's middags staan de mannen in de regen en de kou te verkleumen. De heren van de SS staan droog in de portiek Na het appèl verzorgen de mannen hun voeten, prikken hun blaren door en deden er meel op. De mannen moesten van de Duitsers Heil Hitler zeggen, maar iemand kwam toen op het idee om Drei Liter te zeggen, want het Heil Hitler konden ze niet over hun lippen krijgen.

Zaterdagavond 25 november moeten de mannen zich gereed maken voor vertrek. Om 10 uur nemen de mannen hun spulletjes op de rug en gaan vaderlandse liederen zingend om de moed er toch wat in te houden naar het Meppeler station. Er staat een trein klaar en die vertrekt om één uur 's nachts, Niemand, weet waarheen. De tocht duurt de hele nacht Zondagmorgen. De zon schijnt op de bleke ongewassen gezichten van de mannen. Ineens stopt de trein. Er vliegt met oorverdovend lawaai een Engelse jager over de trein, even later een Duitse. Ze zijn in een gevecht gewikkeld. Dekking wordt er geschreeuwd en iedereen wurmt zich in paniek door deuren en ramen naar buiten, het weiland door, de slootkant in. Als het voorbij is worden de mannen weer 'Schnell, schnell' de trein ingejaagd. In de trein ligt alles hopeloos door elkaar en als korte tijd later de trein het station van Haren-Emst binnen rijdt kan dan ook niemand zijn eigen spulletjes vinden.

Haren (Kreis Meppen)

Na een klein uurtje lopen arriveren de mannen in een plaatsje Haren (Kreis Meppen), 12 km. over de Nederlandse grens. De mannen werden in drie groepen gesplitst en verdeeld over twee scholen en een schouwburgzaal. De Friezen krijgen een gymnastieklokaal aangewezen als verblijf. Men moet op de harde vloer slapen met de kleren aan. Het eten voor 's middags bestaat uit waterige soep zonder enige voedingswaarde, het werk uit loopgraven maken. Zwaar werk. Door de slechte hygiëne had ieder al spoedig last van hoofd en klerenluizen, wat veel jeuk en ongemak met zich meebracht.

Elke dag moesten de mannen 6 km. naar hun werk lopen. Het broodrantsoen bestond uit 400 gram, d.w.z. drie hele dunne sneetjes 's morgens en 's avonds om 7 uur weer 3 dunne sneetjes. Om 6 uur kwamen de mannen na een dag zwaar werk te hebben verricht terug, bekaf en met een hongerige maag. Om 9 uur gingen de lichten uit. Het slapen op de harde vloer was bepaald geen pretje. Het regende bijna elke dag; kleren konden amper gedroogd, dus de volgende dag maar weer in dezelfde natte kleren naar het werk. De regen maakte ook de maand december 1944 tot een natte moesson, de dagen werden korter, de kleren natter en smeriger, de gedachten somberder, en men had heimwee naar huis.

 

Absender: F. Kramer

Kino Lager

Duitsland Haren-Ems,

Lieve vrouw en kinderen,

28 november 1944

Wij zitten hier in het dorpje Haren-Ems in het grondwerk. Zondag zijn we hier aangekomen. met ons allen is het goed. We zijn goed gezond, en het eten is best. Ik schrijf je deze briefkaart in ons Lager. Wanneer hij overkomt dat weet ik niet, maar wil je dan direct naar mijn ouders schrijven dat alles is. Jullie zult wel ongerust zijn denk ik. Maar dat hoef je niet te zijn. Misschien komen wij zo de Heere wil weer spoedig terug. Ik hoop dat bij jullie ook aalles in orde is. De Polder moet voor jullie geld zorgen,anders ga je maar naar de burgemeester. Hoe is het met mijn lieve schatten? Zijn ze goed gezond en vragen ze ook naar papa? Dat ging maar plotseling he! Maar daar is niets aan te doen vrouw. Houd maar goede moed en vertrouw op God. Het is zijn wil en daar berusten we in. Ik hoop dat we weer spoedig bij elkaar zullen zijn. Schrijf mijn ouders, en zeg dat alles goed is. Ik heb maar 1 briefkaart, doe de groeten aan de buren en dan zeg ik gedag. Een kus voor Annie en Rinze.

     Tot ziens, jullie papa.

 

(Onze buren waren in die tijd het echtpaar Luik)

Op een dag worden er klompen uitgereikt, maar er zijn veel te weinig paren, dus velen moesten op hun kapotte en lekke schoenen blijven lopen. Andries' vrouw wachtte steeds op bericht van haar man over de post. Andere vrouwen hadden wel een briefkaartje ontvangen. Nu werden de briefjes die de mannen wilden verzenden gecensureerd, hadden ze teveel geschreven, of misschien geschreven hoe slecht het was ten aanzien van omstandigheden, dan werden zulke briefjes niet verzonden.

Een pakje.

In ieder geval wou Andries zijn vrouw hem wel een pakketje sturen met kleding en wat tabak. Hendrik van der Wal (een visventer uit Lemmer, die door zijn beroep wel in aanraking kwam met Duitsers) heeft toen aan een Duitser die met verlof naar huis ging een pakje meegegeven van Andries zijn vrouw. Hij had beloofd dat pakje in Haren-Ems te brengen. Andries werd op een avond bij de commandant van Haren in zijn kantoor ontboden, Andries met knikkende knieën er naar roe. Hij dacht dat hij voor een of ander op het matje werd geroepen, maar toen was de Duitser uit Lemmer daar om hem het pakje van zijn vrouw te overhandigen.

Opnieuw op reis december 1944.

's Morgens vroeg wordt men al vroeg gewekt. Al het stro moet worden opgeruimd. Iedereen moet zijn boeltje pakken, want ze gaan weer op reis. Een Nederlander in een zwart waffen-SS-uniform deelt mee dat de mannen naar Oldenburg gaan om een opleiding te krijgen bij de spoorwegen. 's Middags om 4 uur moeten ze zich buiten opstellen. Ieder sjouwt met zijn plunjezak. Buiten ligt er sneeuw. Wat staat de mannen nu weer te wachten! De miserabele hygiënische omstandigheden, het gebrek aan kleren, nooit is er een stukje zeep verstrekt, scheren moest worden gedaan me een beetje theewater. Iedereen voelde zich ellendig, moe en onzeker over wat hen nu weer boven het hoofd hing. Om 5 uur komen ze meer glijdend dan lopend aan op het station van Haren-Ems. Er valt sneeuw en het is koud. Bad Zwischenahn blijkt de plaats van bestemming te zijn, 60 km verderop. De beide kerstdagen hoeft er niet gewerkt te worden. Het karige broodrantsoen wordt voor 2 dagen uitgereikt, en er is voor ieder een hele leverworst. Die blijkt overigens min of meer bedorven te zijn. De gevolgen blijven dan ook niet uit, de toiletten raken overbelast.

Bad Zwischenahn (bij Oldenburg)

Hier hebben Frans en Andries ongeveer 3 à 4 weken gezeten. Ze woonden met een man of 150 in barakken. Het kamp van de mannen lag tegen de bosrand aan. Er was ook een vrouwenkamp in Bad Zwischenahn. Frans en Andries werkten met nog 5 andere Hollanders in de keuken. Hier werd eten klaargemaakt voor o.a. de Duitse Wehrmacht die op het nabijgelegen vliegveld werkten. Ze moesten pannen vol aardappelen schillen, wortelen schrapen e.d. ook voor henzelf en anderen uit hun kamp die elders werkte, loopgraven maken bijv. Om 7 uur 's morgens begon de dag met appèl. Ze moesten 'Heil Hitler' roepen, maar ze zeiden steevast allen in koor 'Drei Liter'. Het werk in de keuken duurde tot half vijf.

De vrouwen die in de keuken werkten mochten een uur eerder weg. Vertier was er niet voor de mannen. Ze hielden zich 's avonds vooral bezig met het ontluizen. Die luizen waren voor iedereen een enorme plaag. Ze werden gek van de jeuk. Toen Frans en Andries later in Wilhelmshaven waren, had Frans eens een soortement staalborsteltje wat ze daar voor hun werk moesten gebruiken. Daarmee 'borstelden' ze hun haar en hun hoofdhuid ging dan bloeden. Ze schoren elkaar met een scheermesje wat al weken oud was, zonder zeep, want dat hadden ze niet. Dus hun gezicht bloedde nogal, maar hun baard laten staan was ook geen oplossing in verband met de luizenplaag.

Elke week werden hun kleren en beddengoed ontluisd. Dat wil zeggen hun kleding en beddengoed werd 3 uren lang in een grote ketel gestoomd. Men had amper kleding, dus moesten de mannen 3 uren lang wachten zonder kleren aan, tot ze die weer terug kregen. Het was midden in de winter, er heerste strenge vorst, maar ondanks het ontluizen van de plaag werden ze niet verlost. Andries heeft later nog een pakketje van thuis ontvangen, waarin ook een stukje zeep zat. Ook Taekje stuurde een pak met o.a. een jas en tabak daarin. Dat pak is wel op de plaats van bestemming aangekomen. De mannen kregen wel eens een vrije dag.

Dan kregen ze een verlofpasje mee met een stempel en een hakenkruis erop, zodat ze geen moeilijkheden kregen op zo'n dag. Op zulke dagen gingen ze 'de boer op' om eten te bemachtigen. Ze probeerden van schamele bezittingen iets te ruilen tegen eten, want ze hadden altijd honger. Op een dag klopten ze eens aan bij een boer die Nederlander bleek te zijn. Deze man was met een Duitse vrouw getrouwd en woonde hier al voor de oorlog. Deze boer wilde hun ruil waar niet aannemen, 'want' zei hij: 'jullie hebben bijna niets en ik heb er niets aan, maar jullie mogen elke week wel tabak komen halen'. Hij verbouwde die zelf. Er was daar ook een meer in de buurt waar ze wel eens om heen zijn gelopen. Ze durfden niet te vluchten naar Holland, want de kans dat ze gepakt zouden worden was veel te groot.

Vluchtpoging.

Twee broers (Poepjes heetten ze, ze kwamen ook uit Lemmer) hebben een keer geprobeerd te vluchten. Deze twee werkten ook in de keuken. Ze hadden van te voren al een kaart bestudeerd om te zien welke route ze zouden volgen. Toen ze op eens een vrije dag hadden, namen ze een retour voor een treinrit. Maar toen ze al in Nieuweschans waren gearriveerd, dus ze waren net over de grens, moesten ze een poos wachten en werden ze daar tijdens een controle gepakt. 's Avonds om een uur of elf werden ze weer op de kamer gebracht waar Andries en Frans ook sliepen. De twee broers waren verschrikkelijk afgeranseld door de Duitsers.

Tja, Frans en Andries zouden welgraag naar huis willen, maar ze beseften heel goed dat ze niet aan heimwee mochten toegeven, want dan hielden ze het niet vol, en ze wilden al deze ellende overleven. Eens zou de oorlog toch wel aflopen, dat hielden ze steeds in gedachten Ze hebben in Bad Zwischenahn ook wel graafwerk moeten verrichten. Er waren altijd bewakers bij hen. Dit waren (zoals Andries mij vertelde) oude afgedankte soldaten. Die waren zo kwaad nog niet, om de 10 meter stond er één. Maar deze bewakers moesten er wel voor zorgen dat zij, als ze met 50 man op het werk waren 's avonds ook weer met hetzelfde aantal terugkwamen. Overdag telden ze het aantal mannen dat nog aanwezig was en dan ontbrak er wel eens eentje. Zo iemand bleek dan een eind verderop te zijn, waar hij in een koolrapen veld van een boer zat om weer wat extra eten te organiseren.

Op de boerderij.

Hieronder volgen nog enkele belevenissen uit de tijd dat Frans en Andries in Bad Zwischenahn zaten. Frans schreef wel naar huis dat ze voldoende eten kregen, maar dat was absoluut niet waar (hij wilde zijn moeder niet ongerust maken). Vanuit hun werkkamp werden de mannen dagelijks met een bus naar het werk gebracht. Ze moesten graafwerk verrichten. Frans en Andries, zaten op het voorste bankje. Toen de bus stopte schoten zij als eersten uit de bus, liepen er omheen en verdwenen in het bos. De Duitse bewakers hadden het zo druk met het tellen van de mannen dat zij het niet merkten. Na enige tijd gelopen te hebben kwamen ze bij een open veld waar een boer aan het aardappelrooien was. Ze vroegen of ze mochten helpen. De boer die best hulp kon gebruiken sloeg dat niet af. Na een poos gewerkt te hebben kwam er een stel Duitsers langs, waarop Andries het benauwd kreeg en het op een lopen wilde zetten. 'Ben je gek' zei Frans, 'dat loopt juist in de gaten'.

Ze werkten toen naar het bos toe en verdwenen daarin, maar hadden wel hun keteltje volgepropt met aardappelen. Na een poos gehold te hebben kwamen ze aan een slootkant, maakten een vuurtje en kookten hun aardappeltjes. Toen ze zouden gaan eten kwam er een vrouw voorbij, die vroeg of ze geen vlees hadden. Het lijkt een sprookje, maar een poosje later kwam een meisje hen vlees brengen. Die dag was hun maag tenminste behoorlijk gevuld. 's Avonds zorgden we weer op tijd bij de bus te zijn. Zo ging het natuurlijk niet elke dag, maar als ze een kans zagen namen ze die, want het werk was zwaar en het eten schaars. Het gebeurde ook eens dat ze gaten moesten graven en al twee dagen helemaal geen eten hadden gehad. Ze voelden zich belabberd en slap. Eigenlijk niet tot werken in staat. Toen zeiden Frans en Andries tegen elkaar dat ze de eerste de beste die voorbij zou komen om eten gingen vragen. Laat er nou iemand voorbij komen die Nederlands blijkt te spreken. Hij nam de mannen mee naar een kantine in de buurt en daar kregen ze een soepterrine met snert.

De mannen aten niet, maar vraten zoals mijn vader dat later aan ons vertelde. In zo'n soepterrine gingen zeker zeven borden erwtensoep. Toen ze dat allemaal op hadden, hadden ze het gevoel nog wel meer op te kunnen. Ze hadden al zo'n poos op rantsoen geleefd, dat ze bang waren dat de snert misschien niet zo goed voor hun gekrompen magen zou zijn, maar wonder boven wonder hebben ze er beide nauwelijks last van gehad. Ook zijn ze eens met een partijtje hout, wat ze expres nat hadden gemaakt, naar een boer gegaan die best wat hout kon gebruiken. Omdat het nat was mochten ze het zelf in de keuken achter de kachel leggen en wat ze al hoopten gebeurde, ze kregen een bord soep.

 

Mej.J. Riewald
p/a F. Kramer
Nieuwedijk 48
Lemmer.

31 december 1944

Lieve vrouw en kinderen,

Vandaag de laatste dag van het jaar en morgen de eerste van 1945 en tevens je verjaardag. Hiermee feliciteer ik je hartelijk en hoop dat de Heere God ons nog lang voor elkaar wil sparen, al kan ik je niet aan het hart drukken en je een flinke zoen geven. Zoals je weet zijn we met zijn vieren als kameraden vertrokken. Twee van hen zijn afgekeurd, en gaan hoogstwaarschijnlijk de 5e januari naar huis toe. Hoe gelukkig voor die twee jongens. Hoe of het met ons komt dat weten we niet. Dat blijft afwachten. Maar vrouw, al hoe ik naar jullie verlang, ik blijf de moed houden en vertrouw op de Heere onzen God die alles wel zal maken. Ik hoop dat met jullie ook alles goed is, ook met de kinderen. Die zullen ook wel vreemd opzien denk ik dat papa nooit eens thuiskomt. Ook hoop ik dat je geld krijgt. Probeer dat op alle manieren, en wend je anders tot vader en moeder die ik een briefkaart schrijf, die de jongens op de bus zullen gooien in de Lemmer. Kan je met de winter nog wat stoken? Ik denk nu haast nog wel. het vriest hier aardig, daar ook? Wij blijven nu met zijn tweeën over en redden ons best. Wij zitten hier 20 km. van Oldenburg af te werken bij de telefoon. het leven is precies zoals in de barakken als in de NOP. We hebben nog maar één keer Tommies gezien. het is nog rustiger dan in Lemmer. het is de volle waarheid hoor vrouw! het eten is goed maar te min. Maar we scharrelen veel aardappels op. We hebben net een flinke portie aardappelen met groente boerenkool op. Dus daarover geen zorgen hoor! Alleen de verschoning is slecht. Jammer dat ik niet een teken van jullie kan horen, maar afijn we vertrouwen op God. Dag lieve schatten, een kus van papa hoor, en hij hoopt spoedig weer bij jullie te zijn. We stoken hier twee kachels, dus je hoort alles is in orde, verder komen de jongens veel bij je. Hartelijke groeten aan jullie en de buren, en schrijf mijn ouders ook. Misschien heb je voor mij wel bericht weg, maar dat komt wel na, want we zijn verhuisd zoals je wel verneemt. Nu vrouw jammer dat het zo gegaan is. maar het is de wil des Heeren. Ik hoop jullie spoedig weer te zien. Nu schrijf ik nog even over mijn jas, die ik ben kwijtgeraakt en nu krijg ik Willem zijn jas en zal hij de mijne halen, geef hem aan Willem de Jong. Ik heb ook een mooi jasje terug gekregen, maar dat is een dunne, die ik nu heb is beter voor de regen. Nu vrouw het begint weer te vriezen, nu is het weer koud. Heb je aardappelen  en uien bij de melkboer? Ik hoop van wel, anders zijn ze bevroren> Je moet je maar redden hoor schat. Ik hoop gauw weer thuis te zijn, want ik verlang naar jullie, maar wij moeten berusten in de wil des Heeren. Vertrouw daar ook op vrouw, en bid voor de vrede, en zeg de kinderen maar dag, dan hoop ik tot spoedig ziens.

Dag vrouw en kleine pukken, een gezegend Nieuwjaar hoor, naar ik hoop voor ons allemaal, ook voor de buren, zeg je het even!

     Tot ziens

          je Frans.

 

Oldenburg.

Frans en Andries, hoorden bij de eerste groep die naar Oldenburg is gebracht Ze werden ondergebracht in een oude loods, vlakbij het station. Alle ramen van deze loods waren kapot. Ze sliepen op stro, ieder van de mannen had slechts 1 eenpersoons deken, ze hadden het dan ook erg koud. Er stond wel een oude kachel in de loods. Fedde Verhoef, ook een Lemster, sliep met Andries samen op één krib. Frans lag in de hoek, had daar nog een beetje beschutting, maar Fedde en Andries lagen vlak onder de kapotte ramen. Ze konden niet slapen, want ze hadden het verschrikkelijk koud. Fedde heeft toen een krib die over was in de kachel verbrand om nog een beetje warmte te creëren. De volgende morgen werden de mannen weer geteld, en toen ontdekten ze dat er een krib ontbrak. Dat was in de ogen van de Duitser een ernstige zaak en toen ze ontdekten dat Fedde dit had gedaan, hebben zij hem naar het oosten van Duitsland getuurd voor straf. (Fedde heeft de oorlog wel overleefd, woont tegenwoordig in Kampen 1991).

Oldenburg was voor Andries en Frans slechts een 'Durchgangslager'. Zij zijn hier drie dagen gebleven en gingen vanuit Oldenburg per trein naar Sande, een dorpje wat ongeveer negen kilometer onder Wilhelmshaven lag, en waar de mannen in een z.g. 'Frei Lager' in barakken waren ondergebracht.

Wilhelmshaven.

In het laatste oorlogsjaar bestond er in Wilhelmshaven een groot tekort aan arbeidskrachten. Zo moest de marinewerf bijna geheel door buitenlandse krachten draaiende worden gehouden. Deze werkkrachten waren ondergebracht in zogenaamde 'Frei Lager', waarvan er verscheidene zijn geweest in en rond Wilhelmshaven. Frans en Andries waren dus in zo'n frei Lager ondergebracht in het plaatsje Sande ten zuidwesten van Wilhelmshaven. In Sande was ook een vrouwenkamp waarin Russische arbeidsters waren ondergebracht. Frans en Andries zaten in een voormalige marinekazerne. Een hoog stenen gebouw. Als er 's nachts luchtalarm was, vluchtten ze meestal in een greppel. Anderen vluchtten ook wel in de kelder onder het gebouw. In januari 1945 heerste er strenge vorst en op 4 februari is de dooi ingevallen en regende het steeds. Frans en Andries werden te werk gesteld in de Kriegsmarinewerf te Wilhelmshaven.

Ze moesten daar onderdeeltjes maken, maar waar dat nu eigenlijk voor moest dienen wisten ze niet. Eerst gingen ze met een bus naar hun werk. Deze bus haalde hen uit Sande zelf vandaan, maar de bus had achterop een soort kookpot die gestookt werd met hout of brandstof. Het gevolg was dat de bus dan steeds moest stoppen onderweg en zodoende kwamen de mannen te laat op hun werk. Dat mocht dus niet meer. In het vervolg moesten ze met de trein gaan. Maar toen moesten ze elke dag eerst een kwartier lopen om bij de trein te komen en 's avonds natuurlijk ook weer. Ze moesten tijdens hun werk in de marinewerf een zogenaamde 'flapbroek' dragen. Dat was een broek zonder sluiting voor. Deze werkbroek hebben ze bij een arbeidsbureau in Wilhelmshaven moeten halen. Ze droegen deze broek over hun gewone werkbroek heen. Die was natuurlijk ook al behoorlijk versleten. (Andries is later nog thuisgekomen met deze bewuste flapbroek. Bovendien droeg hij bij thuiskomst een domineesjasje met zijden kraag.

Ze hadden ook praktisch geen kleding en raakten tijdens de bombardementen als ze in de bunkers (schuilkelders) moesten vluchten ook wel kleding kwijt). Ze mochten trouwens de flapbroek niet aanhouden als ze naar de bunker moesten. Die moesten ze eerst uittrekken van hun chef. Men kreeg meestal 5 minuten voor er een luchtaanval werd verwacht hiervan bericht. Vaak moesten ze overdag wel 3 maal in de bunkers wegens een luchtalarm. Er waren verschillende verdiepingen in de bunkers. Hoe meer Duitsers er in moesten, hoe hoger het buitenlandse werkvolk moest gaan, want de Duitsers gingen natuurlijk voor. Frans en Andries hielpen wel vrouwen en kinderen naar binnen. Andries droeg voor een vrouw die in een keuken werkte een koffer. Als dank daarvoor heeft hij wel eens wat eten van haar gekregen wat ze in haar koffer had meegesmokkeld. In de bunkers zaten ze trouwens betrekkelijk veilig.

Onrecht.

Het portret van Hitler wat in de werf aan de wand hing, is tijdens een bombardement haar beneden gevallen. De lijst erom heen was stuk. Nu gebeurde het een keer dat de mannen met hun werk bezig waren in de Kriegsmarinewerf dat Frans eens stond te nietsdoen. Ze waren natuurlijk ook absoluut niet gemotiveerd om zich voor de Duitsers uit te sloven. Ze deden hun best heus niet. Dus Frans stond wat voor zich uit te staren en leunde wat op zijn werkbank met zijn rug naar de deur en zag dus niet dat er een hoge piet binnenkwam. Andries zag hem wel binnenkomen, maar stond te ver van Frans af om hem te waarschuwen. De Duitser schopte Frans tegen zijn benen en schreeuwde tegen hem dat er 'gearbeitet' moest worden. Frans zei toen dat ze te weinig te eten kregen om goed te kunnen werken.

Toen heeft de Duitser hem tegen de grond geschopt. Frans was woedend, maar bedacht dat hij zijn mond verder maar beter kon houden, omdat de man hem in staat leek hem te kunnen doodschieten. Voor straf heeft Frans een nieuwe lijst moeten maken om het portret van Hitler. Als hij het af had, brachten ze een andere lijst, die hij er dan weer om heen moest zetten. Dat is zo een keer of vier gebeurd. Deze pesterij heeft zo'n drie weken geduurd. Ze ontvingen in Duitsland 75 Mark per maand, maar daar werd 30 Mark van ingehouden voor kostgeld (ze kregen amper eten) en hielden dus 40 Mark over waar van alles van moest worden betaald. Een bezoek aan het 'Krankenhaus' bijvoorbeeld. Ook in de tijd dat ze in Wilhelmshaven werkten zagen ze nog wel eens kans om er eens dagje tussenuit te gaan. Ze hielden zich dan 's morgens 'krank' ziek, en gingen niet naar het ochtendappèl. Om een uur of negen vertrokken ze dan, overdag werd er niet gecontroleerd maar ze moesten wel zorgen niet gesnapt te worden.

Urkerboten.

Ze gingen het dorpje Sande wel eens in. Bij Wilhelmshaven liep een kanaal waar een ophaalbrug overheen lag. Ze hebben hier wel Urker boten zien varen die door de Duitsers waren gevorderd. De schipper was aan boord om bijv. naar Bremen te varen, maar de schipper kwam zonder zijn boot weer thuis. Bij deze brug stonden huizen waar Poolse dwangarbeiders waren gehuisvest. Ze droegen een grote P op hun rug. Er zijn uit Wilhelmshaven wel enkele dwangarbeiders op transport naar huis gezet. Dezen werden zo enorm door heimwee verteerd, dat het niet langer ging. Nu waren de Duitsers bepaald niet zachtzinnig. Er waren in de buurt van Wilhelmshaven ook strafkampen waar heel wat Friezen hebben gezeten en waar verschillende mannen de ontberingen en beestachtige behandelingen niet hebben overleefd. Frans en Andries zijn na Wilhelmshaven nog weer op transport gezet naar een strafkamp bij Kiel. Op zondag 1 april 1945 viel Pasen.

Kiel.

De laatste 3 à 4 weken van de oorlog zaten Frans en Andries met nog ongeveer 50 à 60 Hollanders in een kamp bij Kiel. Er zaten ook andere nationaliteiten. De gevangenen kwamen overal vandaan. Frans en Andries kwamen hier terecht na Wilhelmshaven. Eigenlijk min of meer voor straf. Ze hadden namelijk papieren gevonden bij een benzinetank die door een vliegtuig naar beneden was gegooid, dat gebeurde wel vaker. Dan wilden de vliegtuigen het teveel aan ballast kwijt op hun terugtocht. Er waren er, die dachten dat het een bom was, maar Andries wist wel zeker van niet. En uit nieuwsgierigheid waren ze naar die plek toegelopen. De benzinetank (een lege natuurlijk) had zich zo'n 3 meter in de grond geboord. De papieren die ze gevonden hadden op dezelfde plek, lieten ze aan de anderen zien toen ze 's avonds al op hun krib lagen.

Het waren waarschijnlijk papieren die door Engelsen uit het vliegtuig zijn gegooid tegelijk met de lege benzinetank. Om kort te gaan, de Duitsers kwamen er achter dat zij die papieren hadden opgeraapt en dat vonden zij een reden om Frans en Andries voor straf naar een ander kamp te sturen. Dat werd dus het kamp bij Kiel. Deze plaats ligt aan de Oostzee. Er waren duinen, waarin ook mijnen waren geplaatst. In ditzelfde kamp zaten ook ongeveer 3000 Russen. Kennelijk ook gezinnen met kleine kinderen. Deze mensen waren er nog veel slechter aan toe dan de groep waar Andries en Frans in zaten. De meesten hadden amper kleren en schoenen aan. De gewone gevangenen, zoals Frans en Andries hadden wel iets meer vrijheid dan de Russen. Ze konden nog wel eens een luchtje scheppen, maar om het kamp was wel een afrastering met stroom en er liepen waakhonden buiten. Buiten het stek konden ze dus niet komen. Ze hoefden hier verder niets te doen. Er was geen werk. In dit kamp was een lange kantine waar de mannen 1 keer per dag iets te eten konden halen. Dat eten bestond uit een bordje soep voor zover dat de naam soep kon verdienen. In deze kantine zagen ze ook de Russen die bewakers bij zich hadden.

Vrijwilligers.

Toen werd er op een dag om vrijwilligers gevraagd om aardappelen te lossen. Andries en Frans met nog een paar Hollanders melden zich hiervoor aan, want ze kregen dan wat extra soep. Anders hadden ze zich natuurlijk niet aangemeld. De schuur waarin die aardappelen gelost moesten worden lag aan de voorkant van het gedeelte waar de Russen zaten. Ze konden ze daar niet zien, maar de hoorden wel dat er vlakbij kinderen waren. Als de bewakers die bij het aardappellossen aanwezig waren toevallig even de andere kant opzagen, gooiden ze wat aardappelen over de muur en ze hoorden dat de kinderen ze opraapten en er mee wegholden. Ze zagen ook kans voor zichzelf wat achterover te drukken en dat kookten ze dan 's avonds in een soort hoge ketelbus.

Goede tijding.

Op een dag, het zal ongeveer 27 of 28 april 1945 zijn geweest,hoorden ze de hele dag vliegtuigen in de lucht. Deze gooiden papiertjes naar beneden, ze raapten ze op en toen wisten ze dat de oorlog voorbij was. Ze hadden eerder al duizenden karren waarop munitie lag en paarden ervoor, voorbij zien trekken. Die moesten naar het front verderop. Om een uur of zes 's avonds werd er omgeroepen in het kamp dat men zich rustig moest houden. Maar Frans en Andries hoorden de Russen enorm tekeer gaan omdat de bevrijders (Canadezen) het kamp binnenkwamen. Om 7 uur diezelfde avond mochten Frans en Andries vertrekken, als ze maar voorzichtig zouden zijn. Het was overal een chaos op de wegen. Duitsers die vluchtten, onderweg door Canadezen werden aangehouden en hun wapens niet wilden afgeven.

Naar huis.

Frans en Andries gingen lopend op weg met nog ongeveer 11 Hollanders. Ze hadden perse niet nog een nacht in het kamp willen blijven. Ze hadden maar één verlangen en dat was naar huis. Toen ze ongeveer een uur hadden gelopen zeiden ze tegen elkaar dat ze nu eerst maar een boer moesten gaan zoeken om te overnachten, want het begon al wat te schemeren. Plotseling hoorden ze 'Halt'. Ze werden aangehouden door een van de wachten van de bevrijders. De mannen zijn toen naar een voormalig hotel gebracht, dat daar aan de Oostzee lag en dat vol zat met Duitsers die reeds opgepakt waren. Ze kregen wat te eten en konden hier de nacht doorbrengen. De volgende dag kreeg ieder van hen pasjes mee, zodat ze in het vervolg hun reis verder ongestoord konden vervolgen. Om 10 uur 's ochtends vertrokken ze weer.

Onderweg gingen ze meestal met z'n tweeën naar een boer om wat eten te bemachtigen. Ze zochten kleine boerderijtjes uit, want de boeren van de grote waren meestal nogal nasigezind. Op een van de eerste dagen dat ze op weg waren hebben ze bij een boer een wagentje (waar melkbussen op vervoerd werden) gestolen. Als ze eens een klein beetje eten over hadden konden ze dat erop leggen. Maar als een van de mannen te moe was om nog verder te lopen, dan kon hij op het wagentje een poosje uitrusten. Ze legden per dag zo'n 45 à 50 km lopend af. 's Avonds rusten ze uit met hun benen omhoog tegen een boom. 's Nachts sliepen ze bij boeren in het hooi. Andries liep zo ongeveer op anderhalve laars. Onder één laars miste een hak. Dat liep ook niet zo gemakkelijk natuurlijk.

Ook Frans liep op een paar afgetrapte laarzen: Andries heeft onderweg nog een paar schoenen bij een Engels depot weten te bemachtigen, maar helaas bleken die toch te klein te zijn, dus daar had hij nog niet veel aan. Zo hebben de mannen 7 à 8 dagen gelopen. In totaal toch wel 350 à 400 km. Ze hebben ook een nacht bij een boertje in een schuur geslapen die ook bakker was en brood bakte voor de Wehrmacht. Deze man wou hen eigenlijk niet in de schuur laten omdat een andere groep de nacht daarvoor een zwijnenstal had achtergelaten, maar goed, hij liet ze toch binnen. Andries heeft deze boer zijn schoenen waar hij toch niet op kon lopen, gegeven in ruilvoor brood. De volgende dag kregen ze in ruil voor wat Marken melk te drinken.

De laatste dag vertrokken ze 's morgen om 8 uur en om 9 uur kwamen ze aan in Leer. Er waren veel mensen op een groot veld bijeen. Ieder moest zich hier melden. Ze werden door een arts onderzocht, werden ontluisd. Ze waren erg vermagerd en ondervoed natuurlijk. Andries woog nog 119 pond, Frans slechts 98. Bij de controle bleek ook nog dat 3 van de mannen die met hen in de groep van 13 man zaten en al dagen hadden meegelopen, Nederlandse SS'ers waren. Ze bleken een brandmerk (ingebrand nummer) te hebben. Deze heren hebben ze niet terug gezien. Het wagentje wat ze hadden gestolen, hadden ze aan een Nederlandse boer willen geven, maar ze hebben dit in Leer achter moeten laten.

Over de grens.

Bij Bunde moesten ze over de grens. Daar stonden heel veel te wachten op legerwagens die de mensen naar Nederland zouden brengen. Andries zei dat ze al 5 dagen ingeschreven stonden, dat was helemaal niet waar, maar ze mochten toen vooraan staan. Per legerauto zijn ze toen via Nieuweschans naar Wezep vervoerd, waar ze werden opgevangen door het Rode Kruis. Wezep ligt onder Zwolle. Ze mochten geen bericht naar huis zenden. Werden hier uitvoerig onderzocht door artsen en ze kregen per dag slechts twee koekjes te eten, omdat ze zwaar ondervoed waren. Nu hadden enkelen uit hun groep in Leder tabak weten te bemachtigen en dat ruilden ze hier tegen blikken vlees. Omdat ze honger hadden aten ook Frans en Andries hiervan, maar ze kregen toen wel maag- en darmstoornissen. Na 5 dagen in Wezep te zijn vastgehouden, mochten ze nu dan toch eindelijk naar huis. Ze konden meerijden met een legerauto, maar onderweg kreeg de auto pech. Dat bleek niet onmiddellijk te kunnen worden opgelost, er was immers overal gebrek aan en dit gold ook voor auto-onderdelen.

Ze zijn uitgestapt en hebben toen ergens wat gegeten! Toen ze later terugkwamen bij de plek waar ze uit de legerauto waren gestapt, stond deze daar niet meer. Wat nu! Gelukkig konden ze toen verder gaan met een kolenauto. Deze bracht hen tot Heerenveen. Ze waren beide zwart van het kolengruis. Op het station van Heerenveen bleek dat er geen vervoer was naar Lemmer. Van de stationschef mochten ze wel in het kantoor overnachten; maar ze wilden zo graag naar huis. Ze hebben hun schamele bezittingen op het station achtergelaten, dat kon later wel opgehaald worden, en ze zijn lopend op weg gegaan. Ze hadden toen inmiddels al wel kans gezien bericht naar Lemmer te sturen, dat ze onderweg waren. Ze liepen via St. Nicolaasga over de Noed. Daar hebben ze bij verschillende huizen aangebeld om te proberen iets te eten te kunnen krijgen. De meesten deden niet open, maar eindelijk lukte dat toch bij een huis, waar een oude man open deed. Deze gaf hen een beker warme melk en zij gaven hem in ruil daarvoor wat tabak wat ze nog op zak hadden.

Eindelijk in Lemmer.

Na 5 à 6 uren te hebben gelopen, kwamen ze dan eindelijk in Lemmer aan. Andries woonde aan de Singel. De Singel was aan het eind van het Turfland. Frans liep met hem mee over de Kortestreek, omdat hij daar over de brug wilde gaan om via het Waaigat op de Nieuwedijk te komen, maar daar ontdekten ze dat de brug eruit was. Men kon daar alleen met een pontje overgezet worden. Nu was het al avond, ongeveer half twaalf, dat pontje werd 's avonds niet bediend. Andries liep toen door en Frans liep terug over de Kortestreek om over de Blokjesbrug (bij Noppert voor) te gaan. Daar werd hij aangehouden door de ondergrondse. Ze hielden iedereen aan op zoek naar NSB'ers. Frans had het persoonsbewijs bij zich wat hij in Wilhelmshaven had ontvangen. Andries heeft steeds zijn Nederlandse bij zich gehad (misschien heeft mijn vader zijn Nederlandse op een of andere wijze verloren in Duitsland, in ieder geval moet zijn persoonsbewijs voor de ondergrondse wel een onbekend document zijn geweest. Bovendien kenden zij Frans Kramer niet, immers toen hij op 17 november 1944 bij de razzia in de NOP is opgepakt, woonde hij nog maar pas in Lemmer.

Opsluiting.

In ieder geval dacht de ondergrondse dat Frans misschien wel een NSB'er was. Ze hebben hem toen opgesloten in het gemeentehuis (wat moet mijn vader zich toen ellendig hebben gevoeld om als een misdadiger opgesloten te worden na alle ontberingen die hij als dwangarbeider in Duitsland had doorgemaakt). De volgende morgen komt Andries in Lemmer anderen tegen, die hem vertellen dat er iemand was opgepakt die net uit Duitsland was gekomen. Hij dacht meteen 'Als dat Frans maar niet is'. Dat bleek dus wel het geval te zijn. Hij is onmiddellijk naar de commandant van de ondergrondse, ene Zwarthoed, gegaan om duidelijk te maken welke enorme blunder men had gemaakt. Men heeft Frans toen onmiddellijk op vrije voeten gesteld.

Vrij en thuis.

Ik herinner me nog heel goed de thuiskomst van mijn vader. Mijn moeder kwam uit de kamer en ik kwam de trap af rennen. Ik vloog hem nog eerder dan mijn moeder om de hals en ik weet ook nog goed dat hij zwart van het kolengruis was. Ik was toen ruim 4 jaar oud.

Mijn herinneringen van die dagen in Lemmer.

Toen Frans opgepakt was in de NOP, moest Taekje het maar zien te redden met de kinderen, Annie 3½ en Rinze ruim 2 jaar oud. Rinze werd trouwens Broerke genoemd in die tijd. Er was natuurlijk overal gebrek aan. Zo waren er ook geen schoenen meer te krijgen. Jouke Luik, zoon van de buren maakte voor Annie houten kleppers met een bandje er over heen. (Ik herinner me nog goed hoe trots ik daar op was en dat ik steeds op de Nieuwedijk heen en weer liep, omdat ik dat geklepper op straat zo leuk vond). Allerlei voedsel kwam op de bon. Eten werd uit een gaarkeuken gehaald. Die gaarkeuken was ergens bij de Nieuwburen in de buurt van het Nutsgebouw als ik het me goed herinner. Op een keer ben ik mijn moeder daar kwijtgeraakt. Ik huilde tot iemand zich over mij ontfermde en me weer bij mijn moeder bracht. 's nachts waren we vaak wakker doordat er vliegtuigen over Lemmer vlogen. Op een keer waren Rinze en ik overdag buiten, toen er ineens ook een zwerm vliegtuigen aankwam. Mijn moeder vloog in paniek naar buiten om ons op te halen, maar van pure angst is ze in een steeg flauwgevallen.

De gaarkeuken achter de Nieuwburen te Lemmer.

Aan de overkant van de Nieuwedijk woonden Duitsers in huizen die ze gevorderd hadden. Ik herinner me dat er een hele dikke Duitser woonde, een al oudere man in mijn ogen tenminste, die gaf me wel eens een boterham. Dat was een grote grijze boterham. Een beetje zuur van smaak. Verderop aan de Nieuwedijk lagen ook bunkers. Ik zag dat kinderen daar grote stukken karton, waar een houten rand omheen zat, weghaalden. Ik wou mijn moeder daar ook wel mee verrassen, want al hoe klein ik nog was, dat ze regelmatig gewoon niets had om de kachel te laten branden wist ik wel. Dus ik pakte ook zo'n stuk karton en sleepte dat achter me aan. Maar toen kwam er ineens een Duitser uit een van de bunkers met zijn vuist omhoog en hij schreeuwde tegen me dat ik het moest laten vallen. Ik was verschrikkelijk bang en wist niet hoe gauw ik thuis moest komen.

Van de laatste nacht voor de bevrijding herinner ik me niets. Ik heb altijd gedacht dat wij die nacht bij onze buren Luik in de kelder hebben gezeten, maar op een schoolreünie van Lemmer in 1988 ontmoette ik Ida v.d. Bijl. Getrouwd met Tiemen Sietsma, die indertijd met mij in de klas zat. Tiemen is even oud als ik, Ida is jonger. Zij woonde in de oorlog in de Tuinstraat. De Tuinstraat lag beneden de Nieuwedijk. Zeker een meter of vier lager denk ik. De huizen aan de Nieuwedijk hadden onder hun huis een kelder die als het ware ingebouwd was in de dijk. Niet alle huizen hadden zo'n kelder die onder het hele huis doorliep, maar de vrijstaande woningen wel.

De firma Coehoom had een grote kelder. Volgens Ida hebben daar de laatste nacht van de oorlog alle bewoners van de Nieuwedijk, de Tuinstraat en misschien ook van het Waaigat enz. daar de nacht doorgebracht. Ida heeft haar moeder gevraagd of wij, mijn moeder, Rinze en ik, die nacht ook bij Coehoorn in de kelder zaten. Die kon zich dat niet meer herinneren. Voor haar moeder was die nacht een hele dramatische nacht. Zij was namelijk al met Ida naar de kelder gegaan en Ida's vader zou nog even iets doen in hun huis. Toen hij maar steeds niet kwam, werd haar moeder zo ongerust, dat ze terugholde naar huis en toen vond zij hem dood. Hij was geraakt door een granaatscherf Geheel overstuur is zij toen met Ida op haar arm onder het granaatvuur terug gehold naar de kelder. Zij was in verwachting van haar tweede kind Pieter, die een half jaar later is geboren.

De bevrijders hadden in Follega hun geschut iets te krap afgesteld in het begin. Het moest op de haven gericht zijn om de Duitsers te beletten weg. te komen. In deze nacht zijn meer mensen uit Lemmer omgekomen. Later op de lagere school zat er bij mij een Dik de Vries in de klas, wiens vader ook dodelijk getroffen werd. Ik herinner mij ook nog een mevrouw die een winkeltje had in de Schans en een kunsthand droeg. Haar hand is zij toen ook kwijtgeraakt door een granaatscherf.

Rinze kan zich nog wel van de laatste oorlogsdagen herinneren dat hij Duitse soldaten over de Nieuwedijk zag marcheren, die kwamen van Gaasterland en zullen op weg zijn geweest naar de Lemsterhaven om aldaar te vluchten per boot. Mijn moeder verkeerde nog in onzekerheid over mijn vader. Zij en Andrie's vrouw hadden nog geen bericht van hun mannen gehad, terwijl andere vrouwen wiens mannen ook in Duitsland waren al wel bericht hadden gehad. Dat gaf veel spanning, onrust en slapeloosheid voor mijn moeder.

Zou mijn vader weer thuiskomen? Alles was onzeker, zij moest maar afwachten wat een opluchting voor haar toen buurman Luik, kwam vertellen dat Frans en Andries op weg waren naar huis. Volgens een aantekening van mijn grootmoeder Sijbrigje Kramer-Jellesma in haar agenda uit die tijd, weten wij dat mijn Vader op maandag 14 mei 1945 is thuisgekomen. (Sijbrigje Martens (Sijbrigje) Jellesma, 1892-1955 -gehuwd met Rinse Franses Kramer 1888-1954)

Drie dagen later is hij naar Leeuwarden gereisd om zijn ouders te bezoeken. (pake en beppe Kramer woonden op de steenfabriek 'Schenkenschans' bij Leeuwarden). Lemmer is op 17 april 1945 door de Canadezen bevrijd. Rond Lemmer zaten in de laatste dagen nog een 1500-2000 man Duitsers geconcentreerd, zodat deze plaats door de Canadezen bevrijd moest worden. Ongeveer op hetzelfde ogenblik, waarop Harlingen werd bevrijd, trok dinsdagmorgen 17 april de BS Lemmer binnen. Een tweetal Polen had inmiddels kans gezien de springlading uit de dijk van de Noord-Oostpolder te verwijderen, waarmee een ramp als die van de Wieringermeer werd voorkomen.

Voor zover ik weet hebben wij ook nog enkele onderduikers in huis gehad. Een Han Hasper en ene Ab Kamphuis. Van deze Ab Kamphuis bestaat nog een brief die hij schreef in 1947. We hebben ook enkele bevrijders ingekwartierd gehad naar ik meen. Een Fransman en een Canadees geloof ik. Ik herinner mij nog dat mijn moeder rode bieten kookte en dat een van hen het deksel van de pan optilde en toen erg vies keek. Ik geloof niet dat hij deze groente lustte, of misschien kende hij het helemaal niet.

Slot.

Mijn vader werkte tot 1952 in de NOP bij de Directie Wieringermeer Polderwerken, en trad later in dienst bij de ASF in Leeuwarden. In 1962 verhuisden mijn ouders naar Drachten en later naar Ureterp. Bij dat huis was een stukje grond waarop hij zijn eigen groente verbouwde. Mijn vader overleed na een ernstige ziekte op de leeftijd van 63 jaar op 18 maart 1978. Mijn moeder woont sinds 1982 in Drachten en is nu 73 jaar (1991) Andries is later in dienst gekomen bij Staatsbosbeheer en overleed 29 november 1991. Zijn vrouw woonde later in de Wiepke Hofstraat.

Amsterdam, winter 1945 46

Beste Teakje en Frans,

Het is zondagavond en nu zal ik gauw eens even schrijven hoe het met de poes is. Nou hij is gisteren goed en wel gearriveerd.  Frits heeft hem van de boot gehaald (bedoeld wordt de 'Jan Nieveen' die van Lemmer naar Amsterdam voer over het IJsselmeer, mensen vervoerde en belangrijk was in de 2e wereldoorlog toen er Hongerwinter was in Amsterdam)

Meteen in huis maakte hij de kist open in huis en daar kwam poes eruit stappen en begon zich gauw te wassen. Dat was zo grappig net of ze zeggen wou: "Zie ik me er daar toch uit" Ze deed trouwens niks anders als zich maar wassen, ze is al zo gewend, ze deed haar behoefte netjes in een bakje, meteen al gisteravond.

Nou Teakje en Frans,  nog heel hartelijk bedankt hoor voor al de moeite die jullie voor ons gedaan hebben, we zijn er erg blij mee, want het is niet alles als de muizen je zo alles vernielen. We vingen ze wel maar ja er kwamen er zo veel, het orgel hadden ze binnenin flink vervreten, we hebben het juist deze week laten repareren. Ook de aardappelbonnen en twee brieven hebben wij ontvangen en daar zijn we heel blij mee. Wij hebben nu een goed mud in voorraad , waar we van de week nog wel van moeten eten. We krijgen 1 kilo om te bewaren, maar het rantsoen is veel te kort, je bewaard er niets van, we komen tekort. Ik heb nu gelukkig kleiaardappelen van de bonnen gekregen, ze hebben nu weer veel zwarte in de winkels, die zijn zo slecht. Ik vind het prachtig dat jullie ons zo fijn helpen. Het is natuurlijk lang niet toereikend, zoals aardappelen en melk, brood hebben we wel genoeg, maar niet alleen dat jullie ons ermee helpen, maar het medeleven doet me ook zo goed, jullie leven met onze jongen*. Jullie kunnen zich dat zo goed indenken omdat Frans ook opgepakt is geweest. Ik kan hem geen ogenblik vergeten. Ik loop dikwijls op straat ergens naar toe, alleen zo te denken, dat de tranen me maar zo over de wangen lopen. Ik ga met de gedachte naar bed en ik sta er mee op en heb het 's morgens dat ik geen lust heb om de dag weer te beginnen en toch moet het. De andere kinderen moeten ook leven, daar hebben ze recht op op meeleven, maar het verdriet knaagt mijn gestel stuk. Ik heb alle dagen zo'n ondraaglijke hoofdpijn. Naar de dokter hoef ik niet te gaan, voor mij kan hij niks doen. Zijn ? hij is een jood, is ook niet teruggekeerd, toch heeft hij de moed om opnieuw een praktijk te beginnen en ben ook blij dat we weten dat er EEN is die zich altijd om ons bekommerd al begrijpen wij het waarom niet. Teakje schreef dat ik maar eens moest komen, och daar zal nog wel niets van komen. Maar als je wat havermout over hebt, dan zou ik dat graag hebben, als je het sturen kan met de boot. De kosten zijn voor mij natuurlijk, de prijs geef je maar op. Onze Hennie van 15 is zo uit zijn krachten gegroeid, hij moet extra eten zegt de dokter, maar extra eten mag hij niet voorschrijven, want ziek is hij gelukkig niet.

 

Hiermede onze hartelijke groeten, tante Ida

(tante Ida had 5 kinderen: Age, Frits, Henk, Joop en Ida) * Bedoeld wordt de oudste zoon Age, geb. in 1926, dus hij had in de oorlog de leeftijd om gepakt te worden door de Duitsers en ik denk, dat dat is gebeurd. Voor zover ik weet was deze zoon vermist en heeft het Rode Kruis geprobeerd om hem op te sporen in latere jaren. Ik denk dat men er veel later is achtergekomen, dat Age is overleden in 1944.

Grootscheepse razzia in polder op 17 november 1944.

Reinier ten Napel: 'Voor mij is het als de dag van gisteren'

 

Reinier ten Napel in Duits uniform, ingeschreven onder nummer 8574, met op de foto het stempel van de Duitse adelaar en hakenkruis.

 

NOORDOOSTPOLDER -Precies vijftig jaar geleden (1994), op 17 november 1944, grendelde de gevreesde Hanns Albin Rauter*, Höhere SS und Polizeiführer in Nederland, de polder af om een grootscheepse razzia uit te voeren. Met een geweldige overmacht van vierduizend manschappen leidde hij persoonlijk vanuit de dichtbij Vollenhove gelegen Oldenhof de operatie. Tijdens zijn proces zou hij later verklaren dat de wapendroppings -er zijn er drie geweest in de polderde belangrijkste reden waren voor de actie en dat het tevens ging om een legeroefening.

Reinier ten Napel kan de grootscheepse razzia nog navertellen. Een gebeurtenis na vijftig jaar, maar voor hem niet verjaard. 's Nachts ligt hij er nog wel eens wakker van.

Of het door hem genoemde motief wel het belangrijkste is geweest kan betwijfeld worden, omdat ook elders veel klopjachten werden gehouden. In Rotterdam en Den Haag werden bijvoorbeeld meer dan zestigduizend mensen opgepakt; steeds meer mankracht was nodig om de zware verliezen van de Duitsers aan te vullen.

Op 17 november trokken de Duitsers met het geweer in de aanslag in tirailleurslinie (de aanvallers naast elkaar lopend, meer of minder breed verspreid) de polder in, zodat niemand zou kunnen ontsnappen. Van de tweeduizend gevangen genomen mannen werden meer dan duizend afgevoerd naar Duitsland. Het aantal dat het drama van 17 november, na vijftig jaar, nog kan navertellen wordt steeds kleiner. Reinier ten Napel kan dat nog. Voor hem is het nog als de dag van gisteren. Vijftig jaar geleden gebeurd, maar voor hem niet verjaard. 's Nachts kan hij er nog van wakker liggen. Hier volgt zijn verhaal.

Gebrek aan alles.

Jongeren kunnen zich maar moeilijk voorstellen wat de bezettingstijd precies heeft betekend. Je moet dat aan de lijve ondervonden hebben. Oorlog en bezetting betekenden: gebrek aan alles. Zelfs aan de eerste levensbehoeften: brood en warm eten. Gebrek ook aan allerlei gebruiksvoorwerpen. In de landbouw was er gebrek aan benzine en olie en was men aangewezen op de hand en spandiensten van mens en dier, van paard en os. Als je dat vergelijkt met wat er thans in één dag met kolossale machines gedaan kan worden, dan is er sindsdien heel wat veranderd. De Duitse bezetter had belang bij de verbouw van aardappels, tarwe, gerst en rogge. De polder kreeg zowaar een voorkeursbehandeling. En zo ontstond de weg voor velen, hetzij kantoormensen, fabrieksarbeiders of studenten, naar wat later het Nederlandse Onderduikerparadijs (NOP) werd genoemd. Al die werkers werden ondergebracht in barakken.

'Verjaardagskaart'

Het gebeurde in het jaar '43 dat ik op 26 januari 's middags thuis kwam. Ik had een paar uur vrij genomen van het werk bij de firma Hammers, een smederijconstructiewerkplaats. Ik was namelijk die dag jarig. Mijn grootmoeder overhandigde mij bij binnenkomst 'de verjaardagskaart' met de melding 'keuring voor werk in Duitsland'. Daarop nam ik contact op met prof. Mulder, theologisch docent te Kampen en verzetsman. Hij adviseerde mij om op het platteland werk te zoeken bij een boer. Ik zag er niet direct uit als een ervaren boerenzoon. Maar ik kende het werk wel, want mijn moeder was een boerendochter en woonde met pa boven de boerderij toen ik werd geboren.

Mijn vakopleiding kreeg ik op de ambachtsschool te Zwolle en na voltooiing wist ik een baantje bij Hammers te krijgen. Daar werkte ik zo'n zes à zeven jaar als machinebankwerker, totdat die 'verjaardagskaart' kwam. Een oom, winkelier in landbouwspullen, kon mij aan een onderduikadres helpen bij een boer in Windesheim, waar ik met de schop en met paard en wagen leerde omgaan. Ook moest ik daar de koeien melken. Daar was ik tot september '43 toen ik weer in mijn gewone vak terug kon komen bij de firma Penning te Kampen. Dit bedrijf had nauwe contacten met het verzet. In september' 44 liep het fout en moesten alle personeelsleden onderduiken. Zo kwam ik via het Kampereiland, waar ik aanvankelijk bij familie was ondergedoken, in de polder terecht.

'Hände hoch'

Ik werd paardenknecht bij domeinboer Löhr in de buurt van kamp Oostvaart. Mijn kennis van machines kwam me uiteraard ook goed van pas. De morgen van de 17de november begon heel gewoon. Aangekomen bij de boerderij, waar ik al het voorkomende werk moest doen, zoals eggen, ploegen, met de cultivator werken en een vracht bieten of aardappels naar Marknesse brengen, zou ik, zoals gewoonlijk van de ploegbaas horen wat er die dag moest gebeuren. Op die bewuste morgen kwam hij iets later dan gewoonlijk uit Blokzijl. Toen hij arriveerde vertelde hij aangehouden te zijn door Duitsers bij de ingang van de polder, maar dat hij toch was doorgelaten. Ik hoorde het verhaal met verbazing aan. Maar tijd om erover na te denken was er niet. Het was wat nevelig en plotseling werd ons toegeschreeuwd: 'Hände hoch'. Soldaten, lopend in gevechtslinie, kwamen op ons af. Alle jongens en mannen werden in enkele polderkampen verzameld en na selectie -wie vrijuit kon gaan had geluk en mocht weg - op transport gezet. Zonder eten en drinken ging het in looppas richting Vollenhove. Bij het verlaten van de barakken konden we de zwijnentroep nog zien: verspreid liggende etensresten en omver geschopte tafels en stoelen. Echt een zwijnenstal! Bij de brug naar Vollenhove stonden enkele Duitse officieren, die bepaalde mensen selecteerden en uit de groep lieten stappen. Daarop werden ze afgevoerd.

Doodsstrijd.

We werden naar een gymlokaal in Vollenhove gecommandeerd. Hier was een oponthoud van enkele dagen, met weinig eten (brood) en drinken (water). Op de grond lag wat stro om op te slapen. Diepe indruk maakte het toen een Duitser binnenkwam en zei, dat hij over twee uur twee man kwam halen om dood te schieten. Hij liet weten dat ze daartoe waren gedwongen, omdat er na de telling teveel verdwenen waren. Ze hebben er inderdaad twee gehaald, maar ik weet tot op heden niet of ze ook doodgeschoten zijn. Wel weet ik nog hoe tergend langzaam de tijd verstreek; minuten worden uren als een mens de doodsstrijd voert. Hierna werden we gedwongen om te voet, bepakt met wat we nog hadden, naar Meppel te gaan. Het was een eindeloze stoet. In Meppel werd toegestaan bezoek te ontvangen en zo kregen we wat extra's van verloofde, vrouw of familie: het meest nodige aan kleding, wat eten en Nederlandse papieren. Vandaar ging het op transport naar Haren/Ems, waar we aan de schop werden gezet om loopgraven en schuttersputten te graven. Het eten bestond slechts uit vierhonderd gram brood en wat waterige soep. Dat duurde tot Weihnachten 1944.

Kazerne.

De kerst van '44 zal me altijd bij blijven. Toen drong een horde soldaten het schoollokaal binnen, ons bevelend alles in te pakken en te volgen. We werden in treincoupés geperst, de deuren vergrendeld en de ramen verzegeld. Veel soldaten rond en in de trein. Die nacht was er één om nooit te vergeten en die morgen daarop ook niet. Op het perron van station Oldenburg - toen wist ik die naam niet - hield de trein stil en was het weer alles soldaten wat je zag. We moesten in colonne marcheren, dwars door de stad. Een oudere man die naast mij liep en de grote vierkante gebouwen in het oog kreeg zei: 'Dat zit niet goed met ons'. Het commando werd gesnauwd: 'Naar binnen met je spullen, deponeer ze op de (stapel) bedden en kom daarna naar buiten en stel je hier op in het gelid'. Het gebouw bleek een kazerne te zijn. Daarna werd ons, onder het toeziend oog van een hoge piet, toegeschreeuwd dat we vanaf dat moment militair waren.

Vele aanvallen.

We werden opgeleid als gewone rekruten met geweer en marsen. Later werden we omgeturnd tot het bedienen van de drieling gevechtsmitrailleur, die als Flak-afweer diende. Deze mitrailleurs werden achter of voorop de treinen geplaatst om vijandelijke vliegers op een afstand te houden. De trainingen duurden ongeveer tot begin maart '45. We werden toen groepsgewijs in verschillende richtingen weggezonden. Ik kwam terecht in de buurt van Kassel en Hannover. Het front was dus dichterbij gekomen en de geallieerden rukten op naar Berlijn. De Duitsers wisten niet precies wat ze met ons moesten doen en hadden geen plek om ons achter te laten. We werden vaak met andere soldaten per trein vervoerd en stonden bloot aan de vele aanvallen van geallieerde vliegers. Bij Kassel werden we na veel weken van omzwerven aan ons lot overgelaten.

Op Paasdag waren we getuige van het zichzelf doden van enkele officieren. Tenslotte hadden wij het geluk door een Duitse boerenfamilie uitgenodigd te worden om te komen eten en de nacht door te brengen in het hooi. Er werd wel gezegd, dat, wanneer de Amerikanen kwamen, we onmiddellijk geroepen zouden worden om te vechten. Dat gebeurde inderdaad, maar we bleven waar we zaten. Even later verlieten we de boerderij en kwamen naar buiten. Daar stonden de Amerikanen voor onze neus en ... werden wij krijgsgevangen gemaakt.

Lange reis.

We hadden geen papieren meer, geen enkel bewijs dat we Nederlander waren. In de Flak-stelling bij Kassel lagen onze papieren. Toen begon een lange reis, een onvoorstelbaar lange omweg, naar Kampen. Tienduizenden gevangenen bij elkaar, volle kampen, vele nationaliteiten. Dan weer hier, dan weer daar naar toe, totdat we tenslotte werden afgevoerd naar Marseille in Zuid-Frankrijk. Daar werd eindelijk naar onze nationaliteit gevraagd en genoteerd dat we Nederlander waren. Maar we bleven 'prisoner of war' en het einde van de reis was nog lang niet in zicht. Grote spanningen deden zich voor onder de krijgsgevangenen.

Onvoorstelbaar veel ellende: afgematte oude krijgsgevangenen, die op de latrine hun evenwicht verloren en in de drek vielen; waterrantsoenen, die totaal onvoldoende waren. Als je probeerde een extra bekertje water te halen dan werd je in elkaar geslagen. Soms kon je met het papieren bekertje nog wat water uit een geultje scheppen. En 's nachts moest je ook nog uitkijken, omdat er veel gestolen werd. Medekrijgsgevangenen die hun broodrantsoen van vier dagen in één keer opaten, probeerden de volgende dagen het voedsel te jatten van de makkers. Een enkele keer was het mogelijk om samen de lasten te dragen. In Marseille was het vreselijk koud en daar kon ik 's nachts op de stenen grond mijn grote legerjas delen met een Kamper maat. Begin september 1945 kwam voor mij de bevrijding. Dat was bijna vier maanden na de bevrijding van de polder op 17 april. In die vier maanden hadden we meer meegemaakt dan in de vier voorafgaande jaren.

(In de Kamper courant werd een dankbetuiging geplaatst, waarin met name Knipmeijer wordt genoemd).

Mede namens Ouders, Vrouwen en Verloofden, betuigen,wij hierbij onzen hartelijken dank aan de heeren: Knipmeijer, Rutgers, Fien en Kroes, voor de onbaatzuchtige wijze waarop zij hebben meegewerkt, om ons uit de onverdiende krijgsgevangenschap terug te krijgen.

J. AARTEN.
J. KROES.
A. DE LANGE.
R. TEN NAPEL.
G.J. SCHRIJVER.
J. P. SLEURINK.
W. J. TUINMAN.
W. WINKLER.

*Johann Baptist Albin (Hanns Albin) Rauter (Klagenfurt, 4 februari 1895 – Scheveningen, 25 maart 1949) was tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland de hoogste vertegenwoordiger van de SS, en als zodanig hoofdverantwoordelijke voor vervolging en onderdrukking van het Nederlandse verzet en medeverantwoordelijke voor de deportatie van de Nederlandse Joden. Na de oorlog werd hij ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.

Grote Razzia van november '44 trof ook Urkers.

Schrijver van dit verhaal Jaap Ruiten

Jaap Ruiten: 'We werden als slaven behandeld'.

 

Schrijver van dit verhaal Jaap Ruiten (links) met Jan Bos (midden) en Jan Baarsen (rechts).

 

URK.

Ook op Urk werd op 17 november 1944 een razzia gehouden. Veel Urker mannen werden meegevoerd om te werk gesteld te worden in Duitse fabrieken. Jaap Ruiten uit Urk was één van de mensen die toen werden meegenomen. Hij zette zijn ervaringen van vijftig jaar geleden op papier.

De razzia van 17 november 1944 mag met recht de 'Grote Razzia' genoemd worden. Door middel van een tot in de onderdelen goed georganiseerde klopjacht hadden de Duitsers de polder gezuiverd van onderduikers. Met de bedoeling ze op transport te stellen naar Duitsland en ze in te schakelen voor de verdediging van het Duitse grondgebied tegen de geallieerden. Voor dit lugubere werk hadden de Nederlandse SS-ers zich gemeld. Niet alleen in het Nederlands Onderduikers Paradijs, maar ook in Rotterdam en andere grote steden hadden de Duitsers een klopjacht ontketend, waaraan bijna niemand kon ontkomen. Toch konden de meesten zich aan de handen van de SS-ers onttrekken. Anderen waren gevlucht en konden zo de dans ontspringen.

Voedsel.

Veel van de onderduikers in de polder hadden behalve een goede schuilplaats ook een kans op betaald werk. Bovendien kon de polder ze voorzien van voldoende voedsel in de vorm van aardappelen, rogge, tarwe en bieten. Helaas bleef het niet lang goed gaan. Op 17 november 1944 begon de grootste razzia die de polder en Urk in de oorlog heeft gekend. Dit verhaal gaat over de Urkers die destijds werden meegevoerd. Het verhaal van een lange reeks gebeurtenissen waar de overlevenden nog altijd de gevolgen van ondervinden.

 

Jan Kramer werd samen met Ruiten weggevoerd.

 

We waren met ons vijven en werkten tot in de nazomer van 1944 in de rokerij van de firma Baarssen & Kramer. Onder de gegeven omstandigheden rookten we vis, waarvan de Duitse Wehrmacht het grootste gedeelte opeiste. Door de toenemende voedselschaarste werd nagenoeg alle IJsselmeervis (snoekbaars, voorn, spiering, enzovoorts) voor de consumptie klaargemaakt.

 

Tienduizenden kilo's hebben we gerookt en een kleinere hoeveelheid werd op een andere wijze verwerkt. IJsselmeervis was in die donkere dagen van dreigende razzia' s en van toenemend gebrek aan voldoende en eetbaar voedsel een zeer gewilde aanvulling van de karige maaltijden. Een gelukkige bijkomstigheid voor jonge Urkers was dat iedereen die in de visserij, vishandel of viswerking werkte, automatisch vrijgesteld werd van het werken voor de Duitse Weermacht. Wij werkten immers in de voedselvoorziening waarvan vooral de Duitse bezetters en hun handlangers profiteerden!

Schepen.

In het najaar van 1944 verminderde de aanvoer echter, ook omdat zelfs op het IJsselmeer het vissen door de nog resterende meestal wrakke zeilvaartuigen niet zonder gevaar was. De Engelse vliegtuigen hielden deze kleine vaartuigen nauwlettend in het oog. Soms werden de schepen voor een Duits schip aangezien, waardoor het soms voorkwam dat zo'n schip met mitrailleurvuur werd bestookt. Dit is minstens twee keer voorgekomen. Zo werd de postboot de Geusau ooit door een aantal Engelse vliegtuigen beschoten tijdens de reis van Enkhuizen naar Urk. De boot van Jelle Bakker werd ook onder vuur genomen; Jelle werd ernstig gewond en zijn zoon liep lichte verwondingen op. Dit om aan te geven dat ook de Urker vissers gevaar liepen.

In dezelfde periode werd de Duitse wacht- en controlepost op Urk uitgebreid. Hierdoor liepen we nog meer gevaar om op een gegeven moment op transport naar Duitsland te worden geplaatst. We voelden ons al meer bedreigd en onder leiding van Jan Kramer, één van onze bazen, besloten we een goed heenkomen te zoeken in de polder, waar we ook betaald werk hoopten te vinden.

 

We gingen in september 1944 op weg en kwamen na een lange voettocht in kamp 'Zwartemeer' in het oosten van de polder terecht. Vanuit dat kamp werden de ontginningswerkzaamheden in de polder geleid. We hadden het getroffen met onze baas, de heer Duisterwinkel. Hij zorgde goed voor z'n mensen en voorzag ons van voldoende brood, boter, suiker, kaas en jam, wat ons later in Duitsland nog goed van pas zou komen. 's Morgens om half zeven kregen we een groot bord pap te eten en Duisterwinkel verdeelde het werk zo, dat we allemaal het verplichte kostgeld van f 7,70 per week konden betalen. Wij hadden het heel erg naar onze zin in kamp Zwartemeer, althans tot de 17e november.

SS-ers.

Op de regenachtige morgen van die bewuste dag bleek bij het wakker worden het kamp omsingeld te zijn door een groot aantal SS'ers. We hadden nauwelijks in de gaten wat er gebeurde, maar we werden gesommeerd om onze eigendommen in te pakken en ons buiten op te stellen. Wat er verder zou gebeuren zouden we dan wel zien, werd ons verteld. De SS-ers schreeuwden bevelen, terwijl hun commandant ons liet weten dat een ieder die het waagde een poging te doen om te vluchten, zonder pardon zou worden neergeschoten. Wij wachtten verdere bevelen af en stonden urenlang in de rij. Onze kampbaas zorgde er weer voor dat we genoeg eten mee konden nemen. Terwijl we stonden te wachten, werden we herhaaldelijk geteld. We kregen telkens bedreigingen te horen wat er zou gebeuren als we probeerden te ontsnappen.

Vollenhove.

Na ongeveer vijf à zes uur konden we eindelijk vertrekken. Als slaven moesten we in een karavaan op weg naar een onbekende bestemming. Later bleek dit Vollenhove te zijn. We werden in een paar kleine schoollokalen gestopt, die veel te klein waren om ons te herbergen. We moesten daar op de koude vloer de nacht doorbrengen. Op weg naar Vollenhove en in het schoolgebouw gingen verscheidene van de zwakkeren onderuit. Sommigen moesten overgeven of vielen flauw. Het duurde niet lang voordat een Rode Kruiscolonne arriveerde die deze mensen mee zou nemen. Na een moeilijke nacht - er was bijna geen ruimte om liggend te slapen, dus de meesten sliepen staand of half hangend -werden we wakker gemaakt. Onder begeleiding van veel geschreeuw, gestomp en geschop werden we bevolen ons weer in rijen op te stellen.

De karavaan zette zich weer in beweging richting Meppel. Het was een zware tocht. De zwakkeren kregen het nog moeilijker en langs de kant van de weg zagen we een oude vrouw die ontroostbaar langs de straatweg stond te huilen. Toch werden ons verschillende beloften gedaan. De commandant beloofde ons van alles, we zouden een goed bed krijgen om uit te rusten van de vermoeienissen.

 

We zouden ook voldoende eten te krijgen en meer van dergelijke loze beloften. Ze dachten er echter niet aan deze mooie beloften in te lossen. Onder al deze mooie woorden en al hun geschreeuw kwamen we doodvermoeid en afgesloofd om vier uur in Meppel aan. Het beloofde voedsel kwam niet en het bed bestond uit een bos stro op een kale vloer. We waren onze kampbeheerder uit Zwartemeer dankbaar dat hij ons zo goed van voedsel had voorzien. We konden die avond onze honger eindelijk stillen.

Abraham Vuijsje.

 

Foto van de heer Snoek: Abraham Vuijsje.

 

Eén van ons was een jood, die bijzonder klein was. Hij heette Vuijsje. Het feit dat hij jood was én dat hij klein van postuur was, had de aandacht van de SS-ers getrokken. Deze elementen hadden er altijd behagen in om zich te vermaken met zwakkere landgenoten die zich desondanks niet onder het slavenjuk van de Duitse heren wilden buigen. Omdat de WC's door ons allemaal moesten worden gebruikt, liepen deze al snel over. De gangen stonden binnen de kortste keren blank. De SS-ers hadden direct verband gelegd tussen Vuijsje en de troep die was ontstaan. Wat deden de SS-ers nu? Ze grepen Vuijsje beet bij armen en benen en veegden op die manier de vloer met hem aan. Dit hielden ze onder luid gelach en gejoel een tijdje vol, totdat ze er geen eer meer mee konden halen. Daarna grepen ze een tuinslang en spoten de ontdane Vuijsje weer schoon. Ook dit gaf aanleiding tot veel gelach van de kant van de SS-ers.

* Gelukkig voor Vuijsje was er één Nederlandse SS-er die medelijden had met de geplaagde jood. Deze man heeft het zelfs voor elkaar gekregen om Vuijsje te laten ontsnappen. (Abraham heeft geprobeerd om de naam van deze SS’er te achterhalen, maar is hier nooit in geslaagd).

* Met dank aan Robert Hofman

Stichting Urk in Oorlogstijd
Houtrib 10
8321 SL Urk

www.urkinoorlogstijd.nl

 

Verdacht.

Het duurde natuurlijk niet lang of de Duitsers hadden in de gaten dat er één was ontsnapt. We werden meteen ter verantwoording geroepen en onder verdenking gesteld. Vuijsje was immers een 'klasgenoot' van ons en de Duitsers gingen er van uit dat wij van deze verdwijning op de hoogte waren. Wij wisten daar echter helemaal niets van, maar wij werden niet geloofd. We moesten vervolgens op het schoolplein aantreden en we werden naast elkaar opgesteld.

 

Op het hek, zo'n drie meter voor ons, werd een mitrailleur opgesteld met een schutter er achter. De commandant richtte zich in een toespraak tot ons en zei onder andere: 'Jullie allemaal worden verdacht van het meewerken aan de ontsnapping van de heer Vuijsje. Natuurlijk hebben jullie niet allemaal schuld. Maar nu vragen we jullie één voor één hoe en wanneer deze verdwijning is geschied. We moeten dit weten. Als jullie blijven ontkennen maken we korte metten met jullie'. De commandant stelde zijn vraag nog eens: wie wist waar Vuijsje was? Daar stonden we dan onder hoogspanning. We stonden daar met 45 mannen, maar we bleven doodstil.

Terwijl de spanning steeds groter werd, werd ons de vraag nog eens gesteld. We bleven zwijgen, hoe moeilijk dat ook was. Toen vuurde de schutter achter de mitrailleur een schot in de lucht af. 'Denk erom', zei de commandant, 'Dit was maar een voorproefje; straks schieten we gericht. Vertel op, donderse kaaskoppen, wie licht ons in over de verdwijning van de heer Vuijsje?'. Toen klonk het als uit één mond (alsof het afgesproken was): 'Wij weten nergens van'. Na nog een schot in de lucht volgde dezelfde vraag en hetzelfde antwoord. Later kreeg iedereen persoonlijk deze vraag gesteld, maar de antwoorden bleven dezelfde. Onder luid gevloek en geschreeuw liet men ons weer gaan. Het was voor ons een enorme opluchting dat het hier bij bleef.

 

Afdruk van de heer Snoek: Kaart van de dochter van Abraham Vuijsje, gericht aan de heer Snoek, die goed bevriend was met Jaap Ruiten.

 

Eerst verschenen in de Hollandse Krant, Monthly magazine for Canadians and Americans of Dutch origin, Mei 2005.


Bevrijding in de Polder - een onderduikverhaal.

We waren een Amsterdamse familie maar in mei 1945 woonden we in een woonwagen bij het “Kamp Blokzijl” in de Noordoostpolder. Hoe wij daar terechtkwamen is een verhaal op zichzelf dat ik hier in het kort weergeef.

Mijn ouders hadden een gemengd huwelijk. Mijn vader, de joodse kant van het huwelijk, was twee keer opgepakt in een razzia, en beide keren gelukte het hem uit nazi handen te ontsnappen. De eerste keer was in mei 1943, toen hij in één van de beruchte Amsterdamse razzia’s werd opgepakt, tezamen met talloze andere joodse mannen, vrouwen en kinderen, die allen in overvalwagens naar de Hollandsche Schouwburg vervoerd werden.

In de schouwburg brachten ze een slapeloze en onvoorstelbaar angstaanjagende nacht door - - in 1943 wist men immers al wat Joodse mensen te wachten stond: eerst het doorgangskamp Westerbork, en daarna Mauthausen in Polen of een ander vernietigingskamp.

De volgende dag, terwijl de groep opgepakten onder SS bewaking van de schouwburg naar tramlijn 9 liepen, die hun naar het Centraal Station zou vervoeren, zag mijn vader kans (oftewel riskeerde hij de levensgevaarlijke kans) om op het laatste moment om de tram heen te lopen in plaats van erin te stappen. Mijn vader, bakker van beroep, had zijn wit jasje aan en had bij intuïtie een broodmandje opgepakt toen de razzia plaatsvond. Hij schreef zijn succesvolle ontsnapping toe aan die werkkleding.

De tweede ontsnapping vond plaats in november 1944, vanuit de Vedder school in Meppel, waar honderden mannen, opgepakt in een razzia in de Noordoostpolder, enige dagen ondergebracht waren (slapend op stro in de klaszalen) voordat ze op transport gesteld werden naar Duitsland om daar in de arbeidsinzet te werken. Het waren vooral niet-joodse polderwerkers die, ironisch genoeg, naar de polder waren gekomen juist om de tewerkstelling in Duitsland te ontlopen.

Daarnaast waren er ook mannen uit de streek die op weg naar Meppel van hun woonplaats geplukt werden door de moffen. Mijn vader was ook polderarbeider, maar had zich nooit officieel daarvoor opgegeven - - met behulp van een “goede” kampdirecteur had hij in de polder kunnen werken vanuit het kamp Marknesse, waar hij zich tamelijk veilig voelde tussen de niet-joodse “polderjongens” (waarvan de meesten niet niet wisten dat hij joods was). Na een paar maanden gelukte het hem overgeplaatst te worden naar kamp Blokzijl, waar de mogelijkheid bestond zijn gezin bij elkaar te krijgen - - in een woonwagen.

Van voorjaar 1944 tot de polder razzia op 17 november 1944 woonden we als een gewoon gezinnetje in die woonwagen net buiten het stadje Blokzijl. Mijn vader ging gewoon naar zijn (poldercultuur) werk, mijn zus en ik gingen naar school, mijn moeder moest zien de eindjes aan elkaar te knopen.
 

Nadat mijn vader op 21 november uit de school in Meppel ontsnapte (met behulp van - ja, echt waar - een S.S.-bewaker die op een zeker moment een oogje dicht deed terwijl mijn vader zogenaamd een luchtje aan ’t scheppen was op de speelplaats van de school), zwierf hij een paar weken rond in het Overijsselse boerenland, werd door verschillende boeren aan een slaapplaats (voornamelijk in’t hooi) en eten geholpen, maar kon geen echt veilige onderduikplaats vinden.

Uiteindelijk waagde hij het “naar huis” te komen, naar de woonwagen dus, en mijn ouders besloten dat hij maar in de woonwagen zelf moest onderduiken. (Hij kon namelijk niet meer aan’t werk gaan - hij werd nu gezocht en er stond een prijs op zijn hoofd - de nazi’s in Meppel hadden namelijk ontdekt dat de ontsnapte polderarbeider een Jood was).
 

Een tijdlang ging het goed met mijn vader zijn thuis-onderduiken. Mijn zus en ik wisten dat we nooit iets over mijn vader mochten zeggen - dat werd ons elke morgen weer op het hart gedrukt voordat we naar school gingen. Als iemand toch iets over hem zou vragen, moesten we zeggen dat we niets van hem gehoord hadden na de polder razzia. Als er af en toe onverwacht op de deur geklopt werd verschool mijn vader zich in de slaapkamer van de woonwagen en hield hij zich doodstil uit angst ontdekt te worden..

Uiteindelijk werd het toch te gevaarlijk - - mijn jonge zus had bij een vriendinnetje iets laten vallen over mijn vader. Mijn ouders waren radeloos - maar de situatie werd gered door onze goedgezinde huisdokter, die een plakkaat op onze deur aanbracht “Roodvonk - besmettelijk”.

Nu was ons geheim veilig - niemand zou binnen willen stappen, inclusief nazi’s of NSB'ers. Nu moesten wij kinderen voortaan ook binnen blijven, maar het niet naar school gaan vonden we niet erg. Wat ons voedsel betreft (er kwam immers allang geen loongeld binnen), dat werd ons elke avond gebracht door de directeur van Kamp Blokzijl en zijn vrouw. Mijn vader had namelijk het geluk gehad dat ook die tweede directeur (na de eerste in Marknesse) een humaan mens en goede Nederlander was.

Dat was de hachelijke situatie waarin onze familie verkeerde tot begin April 1945, toen veel delen van Nederland al bevrijd waren, inclusief het nabije Steenwijk, maar Blokzijl was nog steeds bezet door S.S. soldaten. Op een middag kwam de kampdirecteur onverwacht op de deur kloppen om mijn vader te waarschuwen dat hij meteen weg moest.

De S.S.-ers waren huiszoekingen aan ’t doen, hadden een paar mensen in Blokzijl doodgeschoten, en waren nu op de dijk aan de gang - - een paar kilometer van het kamp en onze woonwagen. Mijn ouders lieten geen moment verloren gaan. Mijn moeder bracht mijn zus en mij naar bevriende buren, die blij waren te horen dat er echt geen roodvonk bij ons heerste, en mijn ouders vertrokken op de fiets naar Steenwijk opaan - een riskante onderneming, maar ze kwamen er levend doorheen.

Hoe lang mijn zus en ik bij de buren waren kan ik me niet herinneren - het leek een eeuwigheid, maar toen ze terugkwamen was ook Blokzijl bevrijd en kon het leven van ons gezin eindelijk weer wat normaal worden.

Willy Vuijsje Evans
Anacortes, WA

 

 

HIJ GAF ZIJN LEVEN ...

(Pieter Hoekman/Urk)

Hij gaf zijn leven voor zijn vriend,
zijn volk en vaderland,
en heeft het tot de dood gediend
met kracht van hart en hand.

Hij gaf zijn leven als een held,
temidden van 't verraad,
en heeft zichzèlven nooit geteld,
maar stelde steeds de daad.

Hij gaf zijn leven, jong en sterk,
voor vrijheid in 't verschiet.
Zij daagde - mede door zijn werk,
maar ach, hij zag haar niet.

Hij liet het liefste dat hij had
om vrijheidswil in rouw
en lag, het Vaderland getrouw,
gevallen op zijn pad.

 

 

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.