Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 

De Tweede Wereldoorlog en Lemsterland.
 

Onderwerpen die op deze pagina staan

 

 
 

Slagersknecht Hans Jaalsma vocht bij de Afsluitdijk. 24 april 1980.

Door: Atte Wierda, Lemmer.

Het echtpaar Jaalsma, dat van 1946 tot 1970 in Utrecht woonde en sinds 1970 aan de Zijlroede woont. Hans Jaalsma (65) vocht bij het uitbreken van de oorlog bij de Afsluitdijk. (Hans Jaalsma, is geboren op 7 december 1914, zoon van Jan Jaalsma en Jantje Rottin. Hans trouwde, 25 jaar oud, in 1939 met Tietje Vleer).

 

Spaanse griep.

Zeven december 1914 werd Hans Jaalsma, geboren in een huisje aan de Polderdijk. Zijn vader was smid bij Van den Berg. Hij kwam te overlijden in 1918. De Spaanse griep teisterde Lemmer. Voor moeder Jaalsma, was het verlies van haar man een grote ramp. Zij had niet alleen haar echtgenoot verloren, maar moest ook nog de kost verdienen voor de drie zoons en een dochter. Sociale voorzieningen, zoals we die vandaag de dag kennen, bestonden toendertijd alleen in de meest heerlijke dromen.

"Mijn moeder", vertelt Hans Jaalsma, in de gemakkelijke stoel en uitkijkend op het vaarwater de Zijlroede dat voor zijn huis langs loopt, begon na de dood van vader met het venten van kruidenierswaren. Ze ging met koffie en thee en zo in een mandje langs de deuren. Toen dat wat liep, zijn we verhuisd naar de 4-de Parkstraat. In een gewoon huis is ze daar een kruidenierswinkel begonnen".

Weeshuis.

De winkel in de Parkstraat, draaide nog maar net of een volgende ramp kondigde zich aan. Hans moeder werd ernstig ziek, zo ziek zelfs, dat men dacht dat ze zou sterven. De zoons Ike, Marten en Hans werden naar het weeshuis 'Neerbosch' bij Hees in de buurt van Nijmegen gebracht. Nadat het drietal daar zo'n 2 jaar had vertoefd, werd de oudste, Ike, plotseling ziek. Hij had een loodvergiftiging opgelopen. Moeder Jaalsma, zo goed als helemaal hersteld, haalde haar doodzieke zoon uit 'Neerbosch' naar Lemmer, waar hij kwam te overlijden. Marten en Hans bleven achter in de wezeninrichting, waartoe o. a een boerderij, een school en drukkerij behoorden. Hans was zeven jaar oud toen hij in Neerbosch terecht kwam en verliet de inrichting toen hij elf was.

"Ik heb slechte ervaringen in het weeshuis opgedaan. Je kreeg wel voldoende eten en drinken, maar er was totaal geen gezinsleven. Toch kon ik me er wel goed aanpassen". De heer Jaalsma, herinnert zich nog goed die bonte kleding, die hij in het weeshuis moest dragen. Blij was hij, toen hij na 4 jaar zich van die bonte blouses mocht ontdoen. In Lemmer wachtte moeder en dochter Antje op Hans en Marten.

Op een varken.

Eenmaal in Lemmer werd Hans naar de Koningin Wilhelminaschool aan de Flevostraat gezonden. "Die school was toen net gebouwd. Ik kan me nog herinneren dat ik op een varken gezeten over het bouwterrein heb gereden. Ik denk dat ik toen net Dik Trom had gelezen". Genoemde lagere school lag 55 jaar geleden helemaal aan de buitenkant van Lemmer, dat in het noorden werd omgeven door weilanden.

Na het doorlopen van de Koningin Wilhelminaschool is Hans naar de Mulo gegaan. Die stond toen aan de Langestreek, in het gebouw waarin eens een sigarenfabriek van Smit en Ten Hove uit Kampen, was ondergebracht en waarin later het sociaal-cultureel centrum "Doedok" zat Anderhalf jaar zat Hans op de Mulo: "Ik moest nodig aan het werk". De leraren hebben blijkbaar weinig indruk op hem gemaakt, want de heer Jaalsma weet nog maar weinig over zijn meesters te vertellen. De Mulo-leraren zijn hem allemaal uit het geheugen gesprongen. Wel kent hij nog de meesters Dragt en Fedde Schurer. "Schurer, de Friese dichter, was een man die recht voor z'n mening uitkwam en dat gaf nogal eens moeilijkheden, onder andere met de plaatselijke Gereformeerde kerk".

Aan het werk.

Hans moeder verdiende nog steeds de kost met haar kruidenierswinkel. Ze werd bijgestaan door haar zoon Marten, die er altijd met de kruidenierskar op uittrok. Het woonhuis aan de Parkstraat werd steeds meer een echte winkel. Moeder Jaalsma begon in de hal, stapelde in de loop der jaren de trap vol met producten en op een gegeven moment moest Hans stellages op zolder maken. Hans was van de Mulo gekomen om buitenshuis de kost te verdienen. Zijn eerste werkgever was elektricien Faber, die een zaak aan de Nieuwburen had. Daar bleef hij maar een paar weken, omdat het karakter van Hans in het geheel niet paste bij dat van meneer Faber. En dat bazige optreden, daar had de jonge Hans het helemaal niet op staan. Hans keerde de elektriciteit de rug toe en trad in dienst bij slager Sijswerda in de Flevostraat, als slagersknecht. In de slagerij zat later de heer Krol. Hans bleef tot december 1933 bij Sijswerda, langer ging niet, want hij moest in militaire dienst.

In dienst.

De heer Jaalsma is vier perioden in dienst geweest. Eerst van 4 december 1933 tot 2 september 1934, toen van 25 mei 1938 tot 25 november 1938 (voormobilisatie) en van 29 augustus 1939 tot 10 mei 1940 en laatstelijk vanaf de bevrijding tot het najaar van 1946. In 1933 volgde Hans Jaalsma, een opleiding als onderofficier in de Johan Willem Friso kazerne in Assen. Hij werd ingedeeld bij de verbindingsdienst. Toen hij begin september 1934 uit dienst kwam is hij weer aan 't werk gegaan bij slager Sijswerda. In 1938 deed zich de kans voor om beroepssoldaat te worden en omdat het in de slagerij niet zo best was, besloot Hans die kans te benutten. Na een halfjaar beroepsmilitair te zijn geweest, besloot hij er mee te kappen. De sfeer in het leger beviel hem niet. Bij het uitbreken van de oorlog had de regering (sinds juni 1939 een noodkabinet onder leiding van jonkheer D. de Geer, 1980 - 1960, waarin voor het eerst ook socialisten zaten) de algemene mobilisatie gelast.

Aan de kop van de Afsluitdijk.

Sergeant Hans Jaalsma, (Jaalsma, Hans, sergeant M.C. 1-33 R.I. ,' 7-12-14 Lemmer, Schans 6)werd ondergebracht bij de mitrailleurscompagnie en toen in de vroege ochtend van 10 mei 1940 een sterke Duitse troepenmacht Nederland binnenviel, lagen hij en zijn mannen aan de Friese kop van de Afsluitdijk, bij het plaatsje Wons. Ze trachtten te verhinderen dat de Duitsers gebruik gingen maken van de Afsluitdijk, om zodoende zo snel mogelijk Holland in de vingers te krijgen. "We lagen achter de Hervormde kerk van Wons te schieten op Duitsers, die van Bolsward kwamen. Onze taak was om de Afsluitdijk vrij van Duitsers te houden. Veel materiaal om mee te schieten hadden we niet. Een kanonnetje en een aantal mitrailleurs, zgn. "Schwarzwalders". We hadden er niet zoveel kogelbanden bij. Ik geloof zo'n tien kistjes. "Er gingen acht kogels per seconde uit zo'n mitrailleur. Kun je begrijpen dat we gauw zonder zaten".

Het leger was in Nederland nooit erg geliefd geweest De defensie-uitgaven vormden al jaren een sluitpost op de begroting. De Nederlandse soldaten waren slecht voorbereid op een eventuele oorlog. Tegen de modern bewapende en perfect gedrilde Duitse troepen die op vrijdag 10 mei 1940 om drie uur in de ochtend Nederland binnenvielen, waren zij niet gewassen. Tegen de Duitse luchtmacht kon het Nederlandse leger helemaal niets beginnen, ondanks dat er nog 30 vliegtuigen naar beneden zijn gehaald.

En van die vliegtuigen werd door Hans Jaalsma en zijn kameraden neergehaald. "Er ging een enorm gejuich op toen dat Duitse vliegtuig naar beneden kwam". Juichen in de oorlog. Hoe bestaat het, denk je achteraf. De jongens bij de kop van de Afsluitdijk wisten niet wat zich elders in Nederland afspeelde. De vliegvelden werden gebombardeerd en bijna alle Nederlandse vliegtuigen op de grond kapot gegooid. Achter de nog altijd veilig geachte Hollandse waterlinie werden parachutisten uitgeworpen.

 

Op deze manier wisten de Duitsers de Moerdijk bruggen onbeschadigd in handen te krijgen, zodat hulp vanuit Frankrijk was uitgesloten. Nederlandse soldaten leverden een verbeten strijd bij de Grebbelinie en bij de Afsluitdijk. Na drie dagen bleek de situatie hopeloos. Op advies van opperbevelhebber generaal H. G. Winkelman, vertrokken koningin Wilhelmina en het kabinet op 13 mei naar Engeland Een besluit dat niet algemeen werd gewaardeerd, maar dat achteraf verstandig is gebleken. De heer Jaalsma "Nederland was niet klaar om tegen de Duitsers te vechten. We wisten niet wat oorlog was. Met de oorlog van 1914-1918 hebben we ons niet bemoeid".

Krijgsgevangen.

Er zijn verscheidene Nederlandse soldaten bij de kop van de Afsluitdijk gesneuveld. Bunkers vlogen de lucht in. De heer Jaalsma zegt, dat het een geluk is geweest dat hij en zijn maten niet in de aardwallen- bunkers zaten. Die gingen n voor n de lucht in. En dag konden de heer Jaalsma en zijn vrienden het bij de Afsluitdijk volhouden. Ze trokken zich terug naar Makkum en gingen verder langs de zeedijk richting Molkwerum, een gewonde sergeant meeslepend "Bang? Och, als je eenmaal aan de gang bent, ben je niet bang meer". Tussen Makkum en Molkwerum werden de jongens door de Duitsers omsingeld en krijgsgevangen gemaakt.

De wapens werden in de sloot gegooid "We moesten naar Bolsward lopen, waar we in een school werden ondergebracht. De Duitsers waren niet ruw. We werden niet slecht behandeld". Er werd in de school geslapen. Van het feit dat men krijgsgevangen was, was de ene soldaat meer ondersteboven dan de ander. En van Jaalsma's vrienden was zo in de war, dat hij de volgende morgen dwars door de prikkeldraadversperring liep. Omdat Hans Jaalsma nieuwsgierig was naar wat er met hen ging gebeuren, stapte hij naar de Duitse commandant voor tekst en uitleg. Hij was nog maar net buiten de school of de Duitsers pakten hem op en zetten hem in een vrachtwagen met de bestemming Groningen.

In Groningen werd de heer Jaalsma weer opgeborgen in een school en wel twee weken. Toen werd hij terug gestuurd naar Wons, om daar weer als soldaat in dienst te gaan onder Duits toezicht. Maar Jaalsma ging niet naar Wons, maar naar Lemmer.

Slachten, vissen en sjouwen.

Hans Jaalsma, trad niet weer in dienst bij slager Siedsma, maar bij slager Sake van der Bijl. In 1942 moest hij, Hans Jaalsma, zich melden in de Prins Hendrik kazerne. Hij deed dat niet, maar wel dook hij even onder. 's Avonds keerde hij naar zijn woning tegenover de Rooms katholieke kerk in de Schans terug. Hij was inmiddels getrouwd met een dochter van de bekende visserman Andries Fleer.

Omdat het in zijn leefomgeving te gevaarlijk voor hem werd, legde Hans Jaalsma zijn functie als slagersknecht neer en ging in het losse werk. Via goede relaties met de heer Medendorp, van het Arbeidsbureau zag de heer Jaalsma, kans te werken als los arbeider zonder ook maar ergens voor ingeschreven te staan. Hij loste schepen met aardappelen voor handelaar ? van der Veen en schepen met kolen voor de gasfabriek.

Op een gegeven moment werd hem dit werk te zwaar. Hij ging een jaar vissen op het IJsselmeer met de LE 21 van zijn schoonvader. Toen hij hoorde dat een zoon van slager Koning naar Duitsland moest en de slager zonder hulp kwam te zitten, meldde hij zich bij de heer Koning. Tot de bevrijding heeft hij voor Koning en voor slager De Jong gewerkt. De slagers werkten nauw samen in verband met de aanvoer van het vlees op n centraal punt, namelijk bij slager Lageveen in de Ben-Schans. Koning had een slagerij op de Markt en De Jong was gevestigd aan de Langestreek. Tussentijds behaalde de heer Jaalsma het slagersvakdiploma.

Wapens in de school.

Het huis van de Jaalsma's, in de Schans deed in de oorlog dienst als doorgangshuis voor onderduikers. Ze hadden onder andere het Joodse echtpaar Kronenberg, dat nu in Naarden woont, een poosje onderdak verschaft. Dit echtpaar heeft anderhalf jaar ondergedoken gezeten in het huis van Haye Dijkstra in de Schoolstraat, de vader van de ex-havenmeester Marten Dijkstra. Ook heeft de sergeant Kaufmann, die instructeur was voor de Knokploegen, in de oorlog even een veilig heenkomen gevonden in het huis van de familie Jaalsma. De wapens, die deze man bij zich had, werden in de dakgoot verstopt.

In 1944 vorderden de Duitsers het huis Schans 68. Het echtpaar verhuisde naar een achterwoning, behorende bij de winkel van slager De Jong van de Langestreek. Slager Ynze de Jong, aktief bij de Binnenlandse Strijdkrachten, moest met zijn vrouw en kinderen onderduiken in Gaasterland. "Het was toen de tijd van vraag niets, maar doe maar" vertelt de heer Jaalsma. Zo belanden nieuwe gedropte wapens in Lemmer, bestemd voor de Binnenlandse Strijdkrachten in Lemmer. De wapens werden verstopt op de zolder van de Koningin Wilhelminaschool, waar een zevental leden van de BS ook instructies kregen, in hoe ze de wapens moeten gebruiken. En van die leden was Hans Jaalsma, de knecht van slager De Jong.

In het complot zat ook concirge Haye Dijkstra, die het schoolhoofd, de heer Van der Kooi, niet had verteld dat er gedropte wapens in de school verborgen werden gehouden. Maar op een avond kwam het hoofd er toch achter dat er 's avonds iets bijzonders gaande was in zijn school. Als hij in n van de lokalen staat, komen de mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten na een instructieles van de zolder en lopen de schoolmeester tegen het lijf. Ongezien ontkomen was er niet meer bij. "We hebben maar heel weinig tegen hem gezegd: als je iets vertelt, is het niet best met je. De volgende dag heb ik de wapens, Brenguns en Stenguns, van zolder gehaald. Ik vertrouwde het niet Ik heb de wapens gewoon in een kruidenierswagen gedaan. Een zak erover en niemand zag er wat van. Het spul hebben we in het karrehok achter de kruidenierswinkel in de 4de Parkstraat gebracht. Gevaarlijk transport? Net doen alsof je gek bent, dan gebeurt er niet zoveel'.

Bevrijding.

De wapens bleven liggen tot twee weken voor de bevrijding in de nacht van 16 op 17 april. De Canadezen bevonden zich in de wijde omtrek van Lemmer. Met Jetze de Haan, heeft Hans Jaalsma op een avond de wapens uit het karrehok gehaald en achter op de fiets naar de roeiboot aan de Polderdijk gebracht. Het bootje lag vlak bij het huis van een NSB-er. De mannen zijn met de wapens via de Rien over het Tjeukemeer naar Echtenerbrug gevaren, om daar naar de boerderij van Gerrit Kraak te lopen. ln de boerderij zaten zo' n 20 leden van de BS. Op weg naar de boerderij kwamen Hans en Jetze, nog twee Duitsers tegen, maar die hadden niets in de gaten. "We hebben een dag of vier in die boerderij doorgebracht Over ons heen werd vanuit Wolvega Lemmer beschoten. Wij hadden het daar wel goed in de boerderij. Ik heb er nog een varken geslacht".

Als in de nacht van 16 op 17 april de Duitsers door de Canadezen uit Lemmer zijn verjaagd, komen de leden van de Binnenlandse Strijdkrachten uit Kraak's boerderij en trekken op naar Lemmer. Ze voegen zich bij de Canadezen op zoek naar Duitsers. "In Lemmer hebben we de mensen de eerste uren na de beschieting in de huizen gestuurd. Het was een paniekerige situatie. Ik zie me nog liggen met zijn Stengun op de Markt. Wij zochten naar Duitsers. Met de Canadezen zijn we nog naar Kuinre gereden, omdat we meenden dat daar nog Duitsers achtergebleven waren. We hebben daar echter geen Duitse soldaten meer aangetroffen".

De NSB' ers werden opgepakt en naar kamp Sondel vervoerd. Commandant Zwarthoed vertegenwoordigde een week lang na de bevrijding van Lemmer het Nederlandse militaire gezag, daarna werd Hans Jaalsma de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Lemmer. Na de bevrijding (de beschieting van Lemmer heeft aan een 5-tal mensen het leven gekost) is de heer Jaalsma in de rang van sergeant majoor in de militaire dienst gebleven, hij was gestationeerd op de vliegbasis Leeuwarden. Na trammelant met de grootmajoor in Leeuwarden werd hij overgeplaatst naar Schoonhoven.

Tot het najaar van 1946 is de heer Jaalsma militair gebleven. Hij is vervolgens naar het slagersvakonderwijs in Utrecht gegaan, waar hij onder andere tot taak had het leerlingenstelsel op poten te zetten. Hij begon in Utrecht als assistent-controleur en was uiteindelijk adjunct-directeur (tijdelijk) van de slagersvakschool in Utrecht en hoofdconsulent In 1970 is het echtpaar Jaalsma, dat bijna 25 jaar in Utrecht heeft gewoond, weer naar Lemmer gekomen. Vanuit Lemmer heeft de heer Jaalsma als freelancer diverse vleesverwerkende industrien adviezen gegeven.

Eind 1974 werd hij getroffen door een tweetal hartinfarcten. Wat vindt de man, die actief heeft geholpen aan de bevrijding van Nederland, van het hedendaagse resultaat van de succesvolle strijd van Amerikanen, Canadezen, Engelsen, Fransen, Polen enz. tegen de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog?

"In de oorlog vormde je met elkaar een hechte eenheid. Na de oorlog zou de maatschappij anders worden. Hechter. Maar nu moet ik constateren dat er geen verbroedering is. We vreten vandaag de dag elkaar weer op. De polarisatie viert hoogtij". Op de vraag of hij denkt, dat de generatie, die de Tweede Wereldoorlog niet heeft meegemaakt, waardering heeft voor de bevrijders, antwoordt de heer Jaalsma: "De zwijgende meerderheid onder de jonge mensen wel. Al zul je meer waarde hechten aan hetgeen, waarvoor je zelf hebt gevochten"

Bevrijdingsnacht 17 april 1945

De Duitsers trokken uit Oostelijke richting terug naar Lemmer en het was bij de haven veel geschreeuw en lawaai; ze schreeuwden daar als gekken. Omstreeks middernacht hoorden wij een hevige knal en daarna meer ontploffingen. De ondergrondsen hadden het vroegere kantinegebouw waarin veel munitie was opgeslagen in brand gestoken en de ene ontploffing volgde op de andere. Het regende brokken hout en projectielen en vele ramen werden verbrijzeld.

Mijn buren Harmen v. d. Wolf en Lute Dam, die daar toen naast woonden, vluchtten het straatje op naar mijn buurman Klaas Verbeek, maar Harmen keerde nog even terug. Hij had een zaklantaarn in de hand en werd door een Duitser in het linker bovenbeen geschoten. Lute Dam sleepte hem naar de woning van Klaas Verbeek. De explosies bleven aanhouden en toen de kantine in lichte laaie stond was het zo helder licht als de dag en bij de stroomsluis en op het erf van de boerderij van Huitema was het nog vol met Duitsers.

Later in de nacht begon de beschieting van de haven door de Canadezen heviger te worden. Als wij de projectielen hoorden fluiten lagen wij plat op de vloer en stonden niet eerder weer op dan wanneer de granaat was ontploft en dat gebeurde niet ver van ons vandaan. Een deel van de koestal van Huitema werd getroffen en een paar koeien werden gedood. Een andere voltreffer kwam in de Rien terecht waarbij die op de Noordzee leek met vliegend stormweer.

Ook kwam een granaat boven in de dijk terecht, waar een groot gat werd ingeslagen. Naderhand begon het schieten te verminderen. Bij mij thuis waren veel dingen verbrijzeld en geen ruit meer heel. Ik heb toen planken voor de ramen gespijkerd, maar zelf waren wij ongedeerd. De Duitsers waren voorgoed achter de dijk verdwenen. En de Lemmer was bevrijd!

Dit is de herinnering aan de bevrijdingsnacht van 17 april 1945, die ik nooit zal vergeten.

Hendrik en Hendrikus de Jong, verzetstrijders uit Bantega.

Door: Albert Hendriks.

Verzetstrijder Hendrik de Jong, geboren op 3 januari 1915 in Bantega. Later woonachtig in Elburg.

 

_ 8 mei 1980 Elburg - In een heel gezellig ingericht huisje aan de Winckelstraat in het voormalige vissersdorpje Elburg, wonen de 65-jarige Hendrik de Jong en zijn 67-jarige vrouw Afke Visser. De heer De Jong schreef ons een brief naar aanleiding van een artikel over de op 13 november 1943 in het Lemster Hop gelande Amerikaanse bommenwerper Liberator B24 42-7650. Dat vliegtuig landde bijna op het hoofd van Hendrik de Jong, toentertijd als arbeider in dienst van de Directie in de Noordoostpolder werkzaam op kavel 17 aan de Hopweg. Toen de bemanning van het toestel zich naar buiten begaf en de Duitsers naderden maakte Hendrik de Jong zich uit de voeten. De grond werd de uit Bantega afkomstige verzetsman te heet onder de voeten. Over wat Hendrik in de oorlog uitspookte, gaat het volgende verhaal.

Soldaat Hendrik de Jong.

Hendrik de Jong is een zoon van Albert de Jong, timmerman, die met zijn vrouw een huisje aan de Bandsloot bewoont. Nadat Hendrik eind 1933 en begin 1934 in militaire dienst is geweest, gaat hij in het losse werk bij verschillende boeren, waar onder Koert Zijlstra aan de Middenweg. Allesbehalve licht werk: hooien, sloten schoonmaken en mesten. Geen gemakkelijke tijd, die jaren voor de oorlog. De landbouw verschaft niet regelmatig werk. Midden 1939 wordt het Nederlandse leger gemobiliseerd. Hendrik moet zich in Leeuwarden melden. Hij is nog nauwelijks in de Friese hoofdstad, of hij wordt met andere gemobiliseerde ex-soldaten per vrachtwagen naar Vleuren, enige kilometers ten westen van Utrecht, gebracht. Vandaar worden de mannen naar Heemstede getransporteerd. Hun onderkomen: een bollenschuur.

In de vroege ochtend van 10 mei 1940 valt een sterke Duitse troepenmacht ons land binnen. Als de mannen in Heemstede van het oorlogsgeweld van Adolf Hitler, vernemen worden ze naar vliegveld Valkenburg gedirigeerd. Het vervoer geschiedt met gevorderde autobussen: Als het legertje Nederlanders in Valkenburg aankomt, ontdekt het dat de Duitsers het vliegveld al in de klauwen hebben. Toch wordt het veld omsingeld en op de Duitsers geschoten.

Hendrik de Jong krijgt de opdracht elke in de lucht hangende parachutist lek te schieten. De Hollanders houden het een paar dagen vol. Hun strijd tegen de moffen blijkt weinig succesvol. Tegen het materieel van de oosterburen valt niet op te boksen. Hendrik en zijn maten worden naar een plaatsje bij Leiden gebracht, nadat zij zich overgegeven hebben. Na een kort verblijf in de plaatselijke Rooms Katholieke kerk gaan ze naar Bennebroek. Na daar een paar weken te hebben gezeten, tekent Hendrik een aantal papieren en wordt verzocht naar zijn geboorte en woonplaats Bantega terug te gaan.

Spitten en ploegen in de polder.

Weer gaat Hendrik aan 't werk bij de boeren. Er is weinig werk in de omgeving van Bantega. Blij is Hendrik als in het laatst van 1941 werk in de in opbouw zijnde Noordoostpolder loskomt. Hij meldt zich bij het administratiekantoor van de Directie Noordoostpolder-werken in Kuinre. Hij wordt in de omgeving van Blankenham aan de schop gezet. Greppels en sloten graven. Loodzwaar werk onder toezicht van zich soms dictatoriaal gedragende ploegbazen.

Er zijn er slechte bij, constateert Hendrik. De onderduikers uit Amsterdam en Rotterdam hebben het helemaal beroerd. Zij hebben nog nooit een spade in de hand gehad. Blaren branden in hun handen. Na een paar weken Blankenham wordt Hendrik in de buurt van Lemmer tewerkgesteld. Spitten en ploegen moet hij. Weer of geen weer. Het loon bedraagt 35 cent per kub. Werk je te hard dan gaat er 5 cent per kub af.

Onaantrekkelijker kan het niet. Behalve het op de rug aankomende spitwerk is er ook mooi werk, zoals ploegen met ossen als trekdieren. Onmogelijke trekkers. Halfweg de akkers hebben ze geen zin meer de ploeg voort te trekken en gaan er bij liggen, zich aan niets storend. Als Hendrik verder wil, denken de ossen, moet hij zelf dat ijzer maar door de grond trekken. Soms hebben de beesten tijdens het werk honger. Op de kopakkers aangekomen zien de ossen aan de andere kant van de sloot een lekkere pol gras staan. Ze baggeren dwars door de sloot heen, de ploeg achter zich aan slepend. Er is geen houden en keren aan. Als de honger gestild is, moet Hendrik met zijn ossen een hele omweg maken om weer op de te ploegen akker te komen.

Liberator.

Op zaterdagmiddag 13 november is Hendrik de Jong, bezig met het schoonmaken van de infiltratiesloot die tussen de Hopweg en de oude zeedijk loopt. Plotseling hoort hij gebrom van een vliegtuig. Hij ziet op en ziet een Amerikaanse bommenwerper van Slijkenburg richting Lemmer vliegen. Het toestel verliest hoogte. Het vliegtuig maakt een lus boven de polder en vliegt regelrecht op Schoterzijl aan en zet vervolgens weer koers naar Lemmer.

Hendrik ziet het toestel wel, maar hoort 'm haast niet Wat gaat de piloot doen? Landen in die drassige polder of in 't Hop of . . . . boven op mij? Hendrik krijgt het wel even benauwd. Opeens komt het vliegtuig met z'n buik aan de grond. Boem! De bommenwerper glijdt over de grond en komt slechts een tiental meters van Hendrik tot stilstand. Hij slaakt een ongelooflijke zucht van verlichting. Dat was op het kantje af! De schop trilt in zijn handen als de bemanning uit de kist klautert en op n van de vleugels gaan staan.

Hendrik kan onmogelijk iets voor de jongens doen. De polder is kaal. Van verstoppen kan geen sprake zijn. Wat het ergste is: de Duitsers hebben een wachtpost dichtbij het wrak. Aanvankelijk blijven de moffen op hun post. Ze durven kennelijk niet naar het vliegtuig te stappen, bang dat ze neergepaft zullen worden. Er wordt gewacht op versterking vanuit Lemmer. Als er meer Duitsers uit Lemmer komen, neemt Hendrik het besluit 'm als de sodemieter te smeren. Hij, af en toe betrokken bij illegale wapentransporten in de polder, loopt naar de cultuurboerderij van Koopman op kavel 17.

 

Pas 's avonds keert hij huiswaarts. Het pad, waar hij normaal langs gaat naar Bantega, loopt door het Lemster Hop. De omgeving van het vliegtuigwrak hebben de Duitsers afgezet en daarom moet Hendrik een grote omweg maken. De situatie blijft enige dagen zo. Later ziet hij hoe het vliegtuig wordt gedemonteerd en met een grote auto, die geparkeerd staat voor het houten huisje van Andries Zijlstra (Andries Dubbelt) aan de Middenweg, wordt afgevoerd.

Arrestatie.

Hendrik's broer Riekus de Jong en Jan Visser, van de Gracht bij Scherpenzeel, zitten dik in het verzet. Beide mannen verzamelen 's nachts in de polder gedropte wapens en laden ze in vrachtautootjes. Gevaarlijk werk, waarbij ook Hendrik en vader Albert worden betrokken. Op een avond worden in het oosten van de polder weer wapens op een auto geladen. De chauffeurs zijn Hollanders in Duitse uniformen. Jan Visser is er dit keer niet bij. Het is november 1944. Hendrik, Riekus en hun vader lopen richting Hopweg op weg naar Bantega. Ze komen van Schoterbrug. Als ze op de Hopweg zijn, wordt de te volgen route besproken.

Er zijn twee mogelijkheden om thuis te komen. Op de fiets naar de cultuurboerderij van Koopman op kavel 17 en vervolgens door het Lemster Hop naar Bantega, of lopend richting Schoterzijl. Juist als ze een besluit willen nemen, buldert iemand in de donkere nacht: "HALT !?? Hendrik, Riekus en Albert de Jong staan stijf van de schrik. De moffen schijnen de sterke zaklantaarns recht in hun gezicht. Ze willen wapens zien. Hendrik legt uit dat ze nog laat aan het werk voor de Directie zijn geweest en daarom in het donker huiswaarts keren.

De Duitsers geloven er geen barst van, Ze drijven de drie Bantegasters voor zich uit naar Lemmer. In de barak aan de Sluisweg worden ze intensief verhoord. Het gaat er niet zo zuinig toe. De mannen moeten antwoorden met een revolver op de borst. Hendrik en Riekus laten merken er geen om te geven. Ze zeggen niets met van wapentransporten te weten. Dat pikken de moffen niet. Riekus wordt bij armen en benen gepakt en op een harde stoel gesmeten. De soldaten schoppen hem en meppen met de revolvers.

Ook Hendrik krijgt een paar enorme dreunen met een pistool. De gezichten van de broers raken bebloed. De moffen zijn tevreden. Vader Albert behandelen ze vanwege zijn hoge leeftijd wat menselijker, maar ook hij vertikt het de juiste antwoorden op Duitse vragen te geven. In het huisje van de familie De Jong aan de Bandsloot is men ongerust. Zijn de mannen opgepakt? Als dat het geval is, laten we dan als de gesmeerde de jachtgeweren in de tuin begraven, denken moeder en twee zusters. Zo gezegd, zo gedaan.

Geluk in gevangenschap.

Hendrik, Riekus en hun vader blijven n nacht in Lemmer. De Volgende morgen wordt het drietal op fietsen gezet en met de handen aan het stuur gebonden. Ze moeten naar Heerenveen fietsen. Voor twee Duitsers en achter twee. In Heerenveen worden ze opgesloten in de gevangenis van Crackstate in het centrum. Vader Albert is bang dat de moffen hem van kant willen maken. Hij vraagt zijn zoons of het niet beter is om te zeggen, wat ze gedaan hebben. De oude man wil zo snel mogelijk uit het gevang. De jongens praten als Brugman om hun vader gerust te stellen. Ze zijn dolblij als de bewakers hun vader na een week de vrijheid geven. Probleem nummer n is aan de kant, Hendrik wordt redelijk verzorgd in Crackstate. Hij krijgt eten en drinken en meer hoeft hij niet van de vijanden. Riekus wordt regelmatig geslagen, opdat hij, de saboteur van de Wehrmacht, zijn mond open doet.

Drie weken zitten ze in de Heerenveense gevangenis, als ze naar het Leeuwarder huis van bewaring worden overgebracht. Dit keer gaan ze per trein. Ze zitten daar nauwelijks een week, als ze wederom op transport worden gesteld. Dit keer gaan ze met de trein van Leeuwarden via Groningen naar Port Natal, waar op het station een selectie volgt. Een deel van de gevangenen, waaronder de broers de Jong, moet naar Duitsland, een ander deel moet naar een werkkamp in het plaatsje Loon bij Assen.

In Port Natal roept een Duitse officier de gevangenen voor Duitsland op. Opeens horen Hendrik en Riekus hun naam. "Bek houden !?? zegt Riekus tot Hendrik. En Hendrik doet dat. Nog een keer en dan behoorlijk woest, schreeuwt de officier: "Gebroeders de Jong uittreden". Weer geen reaktie. Een geluk voor Hendrik en Riekus dat er geen controle volgt. De Duitser gaat verder met het noemen van namen. De Bantegasters belanden in de groep gevangenen die naar Loon gebracht zullen worden. Ze glunderen. Hebben ze dat even mooi geflikt!

De vlucht.

In Loon worden Hendrik en Riekus, bij boeren ingekwartierd. Maar een boer zien ze niet, ze moeten in een schuur in het hooi slapen. De mannen moeten in Drente loopgraven en tankvallen graven, onder toezicht van Duitse bewakers. Er heerst een hard regiem. Wie niet werkt krijgt een opsodemieter van heb ik jou daar. Het is buiten koud. De winter van 1944 lijkt een echte te worden. Koning Winter zal regeren en niet Adolf Hitler.

Op een nacht in december regent het en sneeuwt het tegelijkertijd. Verschrikkelijk beroerd weer. Riekus maakt Hendrik wakker. "Jongen, we gaan er vandoor". "Wat? Dat kan niet man. Overal bewakers". Hendrik ziet het niet zitten. Riekus wel. "Kom op. Kleren aan en schep mee. Wegwezen". De mannen verlaten de boerenschuur en proberen zo snel mogelijk ver van het kamp te komen. Bewakers zien ze niet. Prachtig! Oh, daar loopt een landwacht. Uitkijken. "Als hij ons ziet lopen we regelrecht op hem af en slaan hem met de schep de hersens in", fluistert Riekus.

De verzetstrijders zien kans uit het gezichtsveld van de landwacht te komen. Ze lopen en lopen. Over sloten, door bossen. Riekus weet ongeveer de goede richting. Ze willen terug naar Bantega. Na een dag zwerven zijn ze in de buurt van Appelscha gekomen. Het is laat in de avond als ze bij een boer aankloppen. "Vluchtelingen? Kom maar binnen!" Van de boer krijgen ze eten en melk. Uitstekende kost in de oorlog. De jongens vragen of ze mogen blijven slapen. Dat mag, maar alleen op het hooi. In het voorhuis vindt hij te gevaarlijk. Hij belooft Hendrik en Riekus 's morgens om 5 uur te wekken. Dat gebeurt de volgende morgen ook. Weer krijgen ze goed eten. De landbouwer is onvoorstelbaar gastvrij.

Riekus vraagt naar het begin van de Tjonger, want als hij dat weet, dan komen zij vanzelf in de buurt van Bantega uit. De boer wijst de mannen de weg. Hendrik en Riekus nemen afscheid en vervolgen hun weg in de ijskoude buitenlucht. Ze ploeteren door ondergelopen landerijen. Bij momenten staan ze tot hun middel in het water. Ze verrekken van de kou. Het vriest behoorlijk. Ze gaan in een behoorlijk tempo. Het moet wel. Het is een zaak van leven of dood.

Plots staan ze voor de Helomavaart. Voor hun neuzen ligt een roeibootje, alsof het daar voor hen klaargelegd was. Ze steken de vaart over en lopen richting Langelille, waar ze doodmoe en steenkoud onderdak vragen en krijgen bij een veehouder. De volgende nacht zetten ze koers naar het ouderlijke huis in Bantega. De ouders hebben al via via vernomen dat hun jongens onderweg zijn. Grote vreugde als Hendrik en Riekus' s morgens thuis komen. Maar lang kan de vreugde niet duren, want ze worden gezocht en daarom moeten ze onmiddellijk weer weg.

Onderduiken.

Het eerste onderduikadres is dat van oom Hessel Luik, die een boerderij aan de Ringvaart heeft. Weken zitten Hendrik en Riekus daar, tot ze een seintje van de ondergrondse krijgen, dat de Duitsers hen op het spoor zijn. IJlings wordt de boerderij verlaten. Een nieuw onderkomen vinden ze bij de ouders van de verzetstrijder Jan Visser, boer Willem Visser op de Gracht te Scherpenzeel. Jan brengt de Bantegaster vandaar naar familie in Zevenbuurt. Ze verblijven onder de vloer van de huiskamer. Stro moet hen enigszins beschermen tegen de strenge kou.

Na een paar dagen wordt hen verzocht naar boer Elzinga in Oldelamer te gaan. Dat doen ze. Ze volgen in het nachtelijke donker een pad langs de Helomavaart, passeren een draaibrug. Er is niks fout gegaan als ze bij de Elzinga's zijn. Ze zullen daar geruime tijd blijven, Er moet gewacht worden op de Canadezen, die naar het Noorden oprukken. Hendrik en Riekus gaan 's nachts ongewapend op verkenning. Weken en weken trekken ze er op uit. Geen vlieg doet hen kwaad. Als de Canadezen Steenwijk voorbij zijn, worden Hendrik en Riekus naar de Driewegsluis gedirigeerd. Ze worden daar in de grote boerderij van Doede Boersma, waar inmiddels 80 verzetstrijders zijn aangekomen, ondergebracht. Daar zal de grote strijd tegen de Duitsers beginnen.

De Blesbrug.

In de boerderij zit veel geallieerd wapentuig: Stenguns en Bazooka's. Voorlopig zal er niet geschoten worden. Eerst moet de omgeving goed worden verkend. Als Duitse colonnes, op de vlucht voor de Canadezen naderen, worden explosieven op de wegen gelegd. De eerste militaire wagen is de sigaar, in n klap vliegen de banden van de auto. De moffen zijn des duivels en schieten hun mitrailleurs in de omgeving leeg. Het heeft geen enkel nut, want de ondergrondse is allang en ver weg.

De jongens trekken ' s nachts van de ene plaats naar de andere. Ze naderen zelfs een Duits munitiedepot op het landgoed "De Eese" van dichtbij. Ze ondernemen echter niets met hun kostbare wapens. Alleen verkennen, luidt de opdracht. Van "De Eese" worden de verzetstrijders naar barakken in Wolvega gestuurd. Als ze daar een paar weken hebben gezeten, moeten 21 mannen zich goed bewapenen. Onder de 21 mannen bevinden zich Hendrik en Riekus de Jong. Hen wordt opgedragen de Blesbrug, die over het riviertje De Linde tussen Wolvega en De Blesse ligt, in takt te houden voor de Canadezen. De bezetters zijn namelijk van plan de betonnen brug op te blazen. Zou dat gebeuren, dan lopen de Canadezen, die vanuit Steenwijk naderen ernstige vertraging op.

Op een nacht, begin april 1945, sluipen 21 mannen van de ondergrondse zwaar bewapend langs de spoorlijn richting Steenwijk. Bij de Blesbrug, die een paar honderd meter van de spoorbaan afligt, zien ze Duitsers bezig met het treffen van voorbereidingen voor het opblazen van de brug. Commandant Bosscha, laat zijn mannen de Duitsers omsingelen. Twee mannen met een bazooka en een zware mitrailleur blijven achter de spoorbaan zitten. De overige 19 mannen worden het veld in gestuurd.

 

Dan moet er een spervuur van de stenguns en brenguns volgen. Hendrik en Riekus hebben hun stengun gevuld met een houder van 32 patronen. Ieder heeft nog een reservehouder met 32 patronen, klokslag n uur wordt er aanhoudend op de brug geschoten. Na een kort spervuur is het doodstil. Er is geen Duitser in het donker te bekennen. De commandant besluit te wachten tot het licht is. Het duurt lang tot er wat zicht op de situatie komt. Als het goed licht is, sluipen de mannen naar de brug. De moffen zijn als sneeuw voor de zon verdwenen! De brug is heel gebleven. De Canadezen naderen met een tank. Later komen er meer aanrollen, Boscha en zijn mannen hebben een groot succes geboekt.

Bevrijding.

Als de Canadezen Wolvega binnenrijden gaat het legertje verzetstrijders weer terug naar de barakken in de hoofdplaats van Weststellingwerf: Hendrik en Riekus nemen deel aan het oppakken van NSB' ers. Na een paar weken trekken ze naar het caf van Tjeerd en Jikke in het bevrijde Oldelamer, om vandaar uit NSB'ers in het westen van de gemeente Weststellingwerf op te pakken. De Canadezen hebben stelling genomen in de buurt van Rohel en Scharsterbrug, om vandaar op de Lemster haven te schieten, Hendrik, Riekus en hun maten proberen te verhinderen dat de Duitsers de brug over de Tjonger bij Langelille in de lucht laten vliegen. Ze slagen er niet in om de Duitsers te verjagen en vragen daarom versterking van de Lemster ondergrondse, die om onduidelijke reden niet komt opdagen. De Duitsers hebben zich aan de Lemsterland-kant van de Tjonger ingegraven en kunnen zich goed verdedigen. Uiteindelijk moet de Tjongerbrug er aan geloven, Hendrik en Riekus zijn woest na het mooie succes van de Blesbrug.

Teleurgesteld keren ze terug naar het caf van Tjeerd en Jikke in Oldelamer en vandaar gaan ze naar Wolvega, waar ze de wapens inleveren. Ze krijgen een briefje mee, dat hun werk is gedaan. Ze mogen terug naar het inmiddels bevrijde Lemsterland. Ze zitten nog maar een goede week thuis of daar verschijnt een grote auto vol leden van de ondergrondse uit Lemsterland. Het huis aan de Bandsloot wordt omsingeld en Hendrik en Riekus worden zonder pardon opgepakt. De broers kunnen kletsen wat ze willen, ze moeten toch mee.

De mannen uit Lemmer zijn er van overtuigd met NSB" ers te maken te hebben, Hendrik en Riekus maken zich verschrikkelijk kwaad. Wat mankeert die stomme Lemsters? Als er werk voor hen is bij de Tjongerbrug, dan zijn ze er niet. Maar als anderen het vuile werk in de oorlog hebben geklaard, dan komen zij met veel bravoure. Onderweg naar Lemmer krijgen Hendrik en Riekus te horen dat ze moeten werken. Ze worden in de centrale bakkerij gedrukt. Die Lemster verzetstrijders zijn knettergek, denken Hendrik en Riekus. Ze verzoeken de Lemster commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Wolvega op te bellen en hem te vragen of zij nu goed of fout zijn. De commandant doet dat en hoort tot zijn stomme verbazing dat hij twee mensen van het verzet opgepakt heeft.

Fatsoen om zijn excuses aan te bieden heeft hij niet. Hendrik en Riekus zitten opgesloten in de centrale bakkerij, maar ontdekken op een gegeven moment dat er geen wacht meer wordt gehouden. "We lopen naar huis" zegt Riekus. Hen wordt geen strobreed in de weg gelegd. Als ze in Bantega aankomen, pakt Riekus de fiets en jakkert naar Wolvega, om bij commandant Kooistra te klagen over het gedrag van de Lemster commandant. Laatstgenoemde krijgt dan ook de wind van voren. Blunders kunnen ook verzetslieden begaan.

Na de oorlog.

Zeven augustus 1950 is Hendrik de Jong getrouwd met Afke Visser. Hij is weer aan het werk gegaan op kavel 17 in de polder. Het echtpaar heeft tot 1957 in Lemmer gewoond en is toen verhuisd naar Elburg, om vandaar uit mee te werken aan de opbouw van de volgende polder, Oostelijk Flevoland. In 1973 werd Hendrik de Jong afgekeurd, nadat hij een tweetal zware rugoperaties had ondergaan. De verzetstrijder zegt nu 35 jaar na de oorlog - te hopen dat er nooit weer zo'n oorlog komt.

Op de vraag, of hij als er weer een oorlog zou uitbreken - weer in de ondergrondse zou gaan, antwoordt hij niet vlot met ja. Hij zegt mensen in de ondergrondse meegemaakt te hebben, die spullen van anderen in beslag namen om er zelf rijker van te worden. Onaanvaardbaar vindt hij het dat vooraanstaande dorpelingen die bij de NSB waren en onderduikers aan Duitsers hebben verraden, na de oorlog nauwelijks werden gestraft, dit door toedoen van zogenaamde verzetsmensen. Naar de mening van Hendrik de Jong zijn sommige oneigenlijke verzetstrijders met de eer van de ware verzetstrijders gaan strijken.

Dirk de Bruin distrikts operatieleider in de Bezettingsjaren.

Door: Albert Hendriks.

 

Hier is Dirk de Bruin (met hoed) te zien met Jaap Numan, in een weiland bij Rotstergaast, waar wapens na een dropping werden verstopt.

 

1982 _Lemmer.

Wijlen Dirk Johan de Bruin, de vader van de in Lemmer bekende kapper Kees de Bruin, was in de Tweede Wereldoorlog district operatie leider in het Friese verzet. Afgekort werd hij betiteld met D.O.L. Hij verzorgde en plande de gevaarlijke klussen die werden ondernomen tegen de Duitse bezetters. Met een sterk gevoel van vaderlandsliefde plande en organiseerde hij activiteiten voor het verzet in het rayon Heerenveen, Haskerland, Oost- en Weststellingwerf. Peter Tazelaar, eveneens een groot en bekend man uit het verzet in de Tweede Wereldoorlog - hij komt voor in de verfilming 'Soldaat van Oranje' - zei in juni 1945 over Dirk de Bruin: 'De overvallen op Duitse voorraden en transporten voerde hij met vermetelheid uit, zonder onvoorzichtig te zijn. Dit was verbazingwekkend. Ik heb hem 2000 kg vet van de Duitsers zien stelen. Hij deed dit zo handig, dat zij nooit in staat waren om uit te zoeken door wie en hoe het was gedaan. Hij had de leiding van zijn mensen zeer goed in handen, hetgeen heel wat betekent met mensen die veelal ongedisciplineerde ondergrondse strijders waren van de Knokploeggroepen'.

Onderscheiding: De heer D. de Bruin ontving een Engelse oorkonde en een getuigschrift ondertekend door de opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten Eisenhouwer en een oorkonde van de president van Amerika, als dank voor de hulp aan de geallieerde soldaten en vliegeniers bij het terugkeren naar hun vaderland. Zijn vrouw, Mevr. P. de Bruin-Klinkspoor, is in het bezit van het verzetskruis. Ook zij deed belangrijk werk in het verzet. Het verzetskruis werd aan D. de Bruin, postuum uitgereikt aan zoon Kees in 1982.

W.H. de Vries.

 

In de Regio Expres, welke verschijnt in de gemeente Weststellingwerf, Vledder en Ooststellingwerf, verscheen in de jaren 1989 tot 1994 - 112 afleveringen (om de 14 dagen n). De heer W.H. de Vries, is 20 jaar bezig geweest om al deze gegevens bijeen te brengen. In april 1995 is er een boekwerk verschenen van zijn hand met als titel: De Regio tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgebreid met de gemeenten Diever, Dwingelo, Lemsterland, Kuinre, NOP en Heerenveen. Dit boek is van vele foto's voorzien. Op de pagina's 186 - 189 leest u de belevenissen van D.O.L. - Dirk de Bruin.

 

Oud-Lemster Jetze de Haan krijgt Verzetsherdenkingskruis.

Door: Johannes de Vries.

Jetze de Haan, in latere jaren gekiekt bij het betreden van een Amsterdamse rondvaartboot.

 

Dit jaar (jaartal niet bekend) worden voor het laatst Verzet herdenkingskruizen uitgereikt, als teken van erkentelijkheid voor wat mensen in de jaren 1940 - 1945 in het verzet tegen de Duitse overheersers hebben gedaan. Tot deze laatste groep mensen welke de onderscheiding zullen ontvangen behoort ook een oud- Lemster, de thans 66-Jarige Jetze de Haan.

De onderscheiding zal op 4 mei worden uit gereikt door Ad Roobeek, voorzitter van de Stadsdeelraad van Osdorp, waar De Haan nu woont. Tegelijk met hem wordt ook onderscheiden de heer Cor Busscher, iemand die in de bezettingsjaren actief was in het Amsterdamse verzet o.a bij het verspreiden van De Waarheid en bij het organiseren van tegen de bezetters gerichte stakingen. De heren Busscher en De Haan, leerden elkaar kennen bij de CPN- afdeling in Osdorp. Het feit dat zij nu tegelijk het herdenkingskruis zullen ontvangen is geheel toevallig, al is er wel een overeenkomst in hun werk voor de illegaliteit. Wat de een in Amsterdam deed meewerken aan productie en verspreiding van het toen illegale blaadje De Waarheid, deed de ander hier in Friesland.

Twee keer per maand was De Haan hier destijds mee bezig. Jetze was de zoon van Jan en Rika de Haan. Zijn vader, van Hervormde afkomst, werd al in 1917 lid van de CPN. Zo geraakte Jetze ook al jong betrokken bij de activiteiten van de Communisten in de vooroorlogse jaren. Als jongetje hielp hij al bij de verspreiding van de toenmalige communistische krant De Tribune, terwijl hij ook geld inzamelde voor de Internationale Rode Hulp, een organisatie die in de dertiger jaren voor het Hitler-regime gevluchte Duitsers hielp. Strijden tegen onderdrukkers moet voor Jetze een tweede natuur zijn geweest, want toen in Spanje de burgeroorlog woedde gaf hij zich op als vrijwilliger om tegen de troepen van Franco te vechten Dat ging niet door, want de partij secretaris vond hem te jong. Zie ook Engelse Sake

Deelname aan het verzet in de Tweede Wereldoorlog was voor de heer De Haan, een logisch gevolg van de weg waarvoor hij eenmaal had gekozen. Hij hielp Joden onderduiken en kwam in 1944 bij de NBS, de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten terecht. Daar was men 's nachts in de weer met wapens en het saboteren van bruggen. In Lemmer was menigeen er van op de hoogte, dat Jetze zich met ondergrondse activiteiten bezighield. Er werd echter gezwegen en De Haan heeft nu nog waardering voor de zwijgende ondersteuning van zijn dorpsgenoten voor de activiteiten van anderen. Twee weken voor het einde van de oorlog dreigde alles nog mis te lopen Luitjen Mulder, de commandant van de BS hier ter plaatse, werd gearresteerd en alle leden van de verzetsgroep doken onder. Er gebeurde echter verder niets, want de martelingen van de Duitsers brachten de commandant niet tot verraad - als men doorslaan onder dergelijke omstandigheden tenminste zo mag noemen - van zijn mensen.

De groep kwam weer te voorschijn uit de schuilplaatsen en op 17 april 1945 waren dat een van de eerste beelden die ons nu nog zo duidelijk voor ogen staan: de mannen van de BS in hun blauwe overalls en met de banden met opschrift: Oranje-NBS om de mouwen daarbij, hoe was het mogelijk.. de wapens die we de laatste vijf jaar alleen in handen van de Duitsers hadden gezien hingen nu aan de schouders van bekende jongemannen uit Lemmer en omgeving.

Strijd nog niet voorbij.

Zowel De Haan als zijn vriend Busscher, willen het nu aan hen toegekende Verzets-herdenkingskruis niet alleen zien als een erkenning van hun verzetsdaden, maar ook als een teken van strijd tegen het hedendaagse fascisme en racisme. Zij beschouwen de strijd uit het verleden nog niet als beindigd, maar als doorlopend tot in onze dagen, nu zij in de ontwikkeling van de Centrumpartij een opleving zien van de kwalijke zaken, waar zij tegen gestreden hebben en een herhaling van wat er in de dertiger jaren in Europa aan de hand was. De Haan heeft vertrouwen in de jeugd van nu, die geleerd heeft zich door demonstraties en discussies te weer te stellen tegen dit soort bedreigingen.

De GRONINGEN IV gelicht.

14 september 1946. (Gedeelte uit de krant "De Zuid-Friesland)

 

Foto van Haije Bouwman: Groningen IV. In de bezettingsjaren werd de vracht- en passagiersboot Groningen IV beschoten en kwam met een stervende Jacob Stienstra, in de Lemster sluis aan.

Vorige week hebben wij gemeld, dat de Groningen IV gelicht was en in het Krabbersgat bij Enkhuizen aan de grond was gezet. Nu dit schip van de Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij, dat in de late avond van 8 januari 1945 op het IJsselmeer onderging, weer in het middelpunt der belangstelling staat, gaan onze gedachten onwillekeurig terug naar die donkere winter, toen honger en ellende ons van alle kanten aangrijnsde, tirannie en terreur hoogtij vierden en willekeur en rechteloosheid aan de orde van de dag was. Hoe vaak hebben wij in die dagen de arme zwervers langs de wegen gadegeslagen, torsend hun met moeite en tranen vaak opgedane voedsel, steeds in angst dat dit eten, waarvoor ze dagen langs de dorpen en gehuchten in ons gewest hadden gesjouwd, hen door de SD of Grne Polizei zou worden afgenomen.

Wij hebben ze zien komen die vrouwen en meisjes, hun opgedane aardappelen of peulvruchten moeizaam voortslepend of geladen op een oud vehikel, dat eens de naam rijwiel had gedragen. En als ze dan in Lemmer waren aangeland om de overtocht naar Amsterdam aan te vangen, hoe vaak gebeurde het dan, dat ze na uren in de rij te hebben gestaan nog teleurgesteld werden, omdat er geen plaats was en ze op een volgende gelegenheid moesten wachten. Vaak hebben we medelijden met deze arme mensen gevoeld, die er op uit trokken om voor hun gezin nog maar iets op te doen, vaak tegen abnormaal hoge prijzen of tegen inruiling van de laatste restjes lijfdracht uit de linnenkast of gouden en zilveren sieraden.

En tussen de vrouwen en moeders die er voor hun gezin op uit trokken, bewogen zich de parasieten, de zwarte handelaren, die om te verdienen met een mooi smoesje de goed gelovige en gulle gevers vaak er tussen namen. Schrijnend leed en geweldige zelfopoffering zagen we bij de afvaart van de boot vaak naast het verachtelijk gedoe van die mensen die elk blijk van naastenliefde en hulpvaardigheid hadden afgeschud en geen ander doel hadden dan geldelijk voordeel te trekken uit de nood en de honger van anderen.

En dat, terwijl we als volk van Nederland tegen n gemeenschappelijke vijand stonden, wij in plaats van elkander de helpende hand te bieden elkaar moreel afmaakten. Wij weten het en wij hebben niets dan lof voor de boeren en andere gulle gevers, die bij machte waren aan de arme hongerende stedelingen iets mee te geven op hun moeizame reis naar het verre Holland. Maar al te vaak vielen ze later in handen van sjacheraars, en de Duitse rovers, die er steeds op uit waren deze mensen een pondje boter, vet of spek af te nemen om zichzelf daaraan te goed te doen.

Wat een zee van leed heeft zich in die dagen op en bij die boten afgespeeld, wat een angst is er doorstaan en tranen gevloeid als op het punt de veilige haven uit te gaan, de vrije zee tegemoet, nog bij controle het zo moeilijk verkregen voedsel werd afgenomen, terwijl hongerende kinderen of zieke huisgenoten met groot verlangen de thuiskomst verbeidden van de man en vader, de vrouwen moeder, zuster of broer. Die dagen van leed en honger, van moeite en zorgen, wij beleven ze thans in gedachten weer nu de Groningen IV uit de golven van het IJsselmeer omhoog gebracht is en in het ruim van het schip de aardappelen en peulvruchten ronddrijven en de zakken rogge en tarwe overspoeld met keileem en schelpjes een trieste blik geven van de lading, die nimmer zijn bestemming bereikte.

In die dagen was de Lemmerboot de enige gelegenheid om van en naar Friesland en Holland te komen en dat was ook de oorzaak dat in die gedenkwaardige nacht toen de Groningen IV zijn noodlot tegemoet ging, deze boot afgeladen was met trekkers, die in de noordelijke provincies nog een weinig hadden opgehaald om de hongerende magen van hun medegezinsleden te vullen. In voor- en achterkajuit, op het dek en in de luwte van de lading hadden de stumpers de reis aanvaard, trotseerden zij de koude winternacht en strekten ze hun vermoeide leden uit, om te rusten van de doorstane emoties en het torsen van hun vrachtje op rijwiel en met anti-plofbanden en karretjes of wagentjes die eens dienst hadden gedaan als kinderwagen.

Het was donkere maan, maar volgens de verklaringen een nacht met goed zicht. Mist of nevel hing er die nacht niet over het IJsselmeer en het blijft dan ook nog steeds een raadsel hoe de Groningen IV en de Jan Nieveen, die van Amsterdam kwam, daar westelijk van Urk tegen elkaar opbotsten, waardoor de Groningen IV enkele ogenblikken later zonk. Wij herinneren ons nog de verslagen van opvarenden en bemanning hoe de redding van de honderden passagiers van de Groningen IV in zijn werk ging.

Er viel niets anders te redden dan het vege lijf; slechts een enkeling mocht er in slagen nog iets van zijn bagage over te gooien en zo te behouden. Naar met grote zekerheid is vastgesteld, zijn toen uit de achterkajuit en van het dek alle passagiers op de Jan Nieveen overgegaan. Door de aanvaring echter maakte de Groningen IV water doordat de zijwand openscheurde, waardoor het zeewater binnenstroomde. Daar in de voorkajuit van het schip is toen het drama voltrokken. Naar schatting zijn daar een kleine twintig mensen door verdrinking om het leven gekomen. Dit drama moet zich in enkele ogenblikken hebben voltrokken, want naar thans het onderzoek heeft uitgewezen, is er een scheur van 30 cm. breedte, die tot bijna de kiel loopt, geconstateerd.

Door de aanvaring zijn twee bolders naar binnen geschoven, waardoor de ingang van de voorkajuit klem kwam te zitten en het onmogelijk was zich door de uitgang te verwijderen. Onze plaatsgenoot Van der Bijl, die in die dagen opvarende was, wist met zijn benen de deur in te trappen en zo buiten te komen, maar toen was er inmiddels reeds zoveel water naar binnen gestroomd, dat de mensen er tot de hals in stonden. Het voorschip ging al dieper en dieper en terwijl het water van boven en van onder de vloer instroomde, werden de opgeslotene tussen vloer en zolder gedrukt, waar het drama zich voltrok. Op hetzelfde ogenblik waren op het achterschip talloze passagiers overgenomen en hebben aan het kordate optreden van de bemanning van beide schepen hun leven te danken.

Momenteel is een duiker bezig met het voorlopig dichtmaken van het schip, opdat het straks kan worden leeggezogen en men een juist overzicht kan krijgen van een en ander om het geval te kunnen reconstrueren. Daarom heeft ook de Justitie er beslag op gelegd en staat het wrak onder voortdurende bewaking. De lijken van de omgekomenen zijn nog aan boord en is de toestand zoals het uit de golven omhoog kwam. Kajuit, deksalon, schoorsteen en mast, alles is verdwenen, alleen ligt op dek nog een partij oud roest, overblijfselen van de rijwielen die eens eigendom van de passagiers zijn geweest.

Maandag hebben enkele personen o.a. havenmeester Kooi, oud kapitein A. v.d. Meer en sluisknecht Poepjes, aan boord van de reddingsboot 'Hilda' een bezoek aan het wrak gebracht. Van hen vernamen we, dat alles een troosteloze aanblik biedt. In de voorkajuit, waar men het dek over een groot deel heeft uitgebrand, ziet men op de stoffelijke resten van enkele omgekomenen neer. Het is een aangrijpend drama geweest, dat zich daar in die voorkajuit moet hebben afgespeeld, dat merken we wel aan de verhalen die onze zegslieden ons vertellen. Een vormloos wrak, dat van onder tot boven bedekt is met mosselen en schelpjes. In het ruim drijven in een compacte massa de aardappelen en peulvruchten en ziet men overblijfselen van pakjes en zakjes, waarin levensmiddelen werden verzonden aan familie en vrienden.

Ook ligt er post in 't ruim. want in die dagen vervoerde deze boot post naar en van Holland. Alles ligt als een vormeloze massa dooreen en eerst nadat de bekisting zal zijn aangebracht kan men beginnen met een ander onderzoek en dan eerst kan aan de berging van de lijken van de omgekomen worden gedacht.

 

De Groningen IV, hier te zien toen het schip geveild werd.

Oorlogsboek "De dag van de Liberator" ten doop gehouden.

Door: Albert Hendriks.

17 APRIL 1980.

BANTEGA. In een legertent vlakbij de boerderij van Hendrik Kortstra, in het Lemster Hop heeft mevrouw Flora Schatte uit Highland (USA) dinsdagmiddag het eerste exemplaar van het oorlogs-luchtvaartboek "De dag van de Liberator" ontvangen van uitgever Martin Hopman van de Friese Pers BV uit Leeuwarden. Het door Jan J. van der Veer uit Elahuizen, geschreven boek over de B-24 H Liberator die 13 november 1943 een wonderbaarlijke noodlanding maakte in het Lemster Hop, is opgedragen aan de 10-koppige bemanning en in het bijzonder aan de inmiddels overleden radiotelegrafist Technical Sergeant Wilbur C. Schatte. Mevrouw Schatte was met haar dochters Marlene en Nadine naar Nederland gevlogen om de doop van Van der Veer's, tweede oorlogsboek mee te maken.

De tweede persoon van rechts is mevrouw Flora Schatte, uit Highland (Illinois) (Zij ontving het eerste exemplaar van het boek "De dag van de Liberator" op 15 april j.L tijdens een herdenkingsbijeenkomst in een legertent bij de boerderij van Hendrik Kartstra, in het Buitendijksveld)., weduwe van Wilbert C. Schatte, die indertijd aan boord was van de Amerikaanse bommenwerper die een noodlanding in het Lemster Hop maakte. De overige personen zijn van links naar rechts: Marlene Grady en Nadine Freeman (dochters van Flora Schatte), mevrouw van der Veen. Albert van der Veen en geheel rechts staat Jan de Lange, die vroeger in Kuinre woonde, maar thans in Eerbeek woonachtig is.

 

Een Liberator (= bevrijder) zoals die 37 jaar geleden een noodlanding maakte in het Lemster Hop.

 

Een boek van velen.

De Friese Pers had er dinsdagmiddag een bijzonder sfeervolle plechtigheid van gemaakt. De "crash landing site" van de Liberator werd in Kortstra's land gemarkeerd door een Amerikaanse, een Nederlandse en een Friese vlag. Waar de Amerikaanse bommenwerper 37 jaar geleden tot stilstand was gekomen, daar had de Koninklijke Luchtmacht de legertent opgezet, waarin het boek ten doop werd gehouden.

Zo'n honderdtal genodigden, waaronder een paar belangrijke ooggetuigen van de succesvolle landing, zoals Jan de Lange uit Eerbeek (vroeger Kuinre), Albert van der Veen uit Bantega en Siemen van der Wal uit Lemmer, waren naar het Lemster Hop gekomen om de overhandiging van het eerste exemplaar van "De dag van de Liberator" mee te maken. Uitgever Martin Hopman heette de aanwezigen, en in het bijzonder mevrouw Schatte en haar twee dochters, in drie talen (Nederlands, Fries en Engels) van harte welkom en plaatste de volle donkergroene legertent in het verleden, toen captain Leroy Hensen zijn Liberator na een bombardementsvlucht op Bremen aan de grond moest zetten, omdat hij het toestel niet op hoogte kan houden.

De viermotorige bommenwerper vloog op n motor, waarmee onmogelijk Engeland kon worden bereikt. De Duitsers hadden drie motoren uitgeschakeld tijdens de vlucht naar en boven Bremen. De vliegmachine werd 13 november 1943 in het Lemster Hop aan de grond gezet, precies voor een wachtpost van de Duitsers. Ontkomen was er niet meer bij. De boordschutter wilde de met Duitse soldaten gevulde wachtpost met nog in takt zijnde mitrailleurs van de dijk schieten, maar daar voelden de overige bemanningsleden bitter weinig voor.

In het open veld waren ze te gemakkelijk te pakken door elders gelegerde soldaten.
De heer Hopman vertelde dat het boek het resultaat is van zeer intensieve correspondentie tussen de verschillende getuigen van de landing, de bemanning van de Liberator en vele deskundigen en schrijver Van der Veer. Ook heeft de Leeuwarder Courant journalist Jelte Mulder, veel bij gedragen aan de totstandkoming van het boek.

Nadat het eerste boek naar mevrouw Schatte was gegaan, gaf de heer Hopman het tweede boek aan schrijver Van der Veer, die daarop het woord kreeg. Hij zei dat het niet zijn boek was, maar een boek van velen, zonder wie hij onmogelijk de documentaire kon samenstellen.
Hij dankte met name de bekende Britse auteur-boer Roger Freeman, die als n van 's werelds grootste kenners van de Amerikaanse Luchtmacht kan worden beschouwd.

Freeman gaf vriend Van der Veer, toestemming gebruik te maken van waardevolle gegevens in zijn boeken en publicaties. Ook Albert van der Veen werd door de schrijver genoemd als de man, die de stoot heeft gegeven tot de samenstelling van "De dag van de Liberator".

Jan de Lange, een kroongetuige, werd geprezen voor zijn activiteiten in Oostenrijk, waar hij twee Oostenrijkers opspoorde, die 37 jaar geleden de wachtpost van de Duitsers op de Grietenijdijk bemanden.
Deze mannen, toen in Duitse dienst, komen in het boek aan het woord.
Kolonel A. P. de Jong van de Koninklijke Luchtmacht mocht het derde exemplaar in ontvangst nemen, omdat ook hij veel medewerking had verleend. De kolonel zei het manuscript te hebben gelezen en diep onder de indruk te zijn van de betrouwbaarheid van het geschrevene: " Uiterst integer, accuraat en serieus. Geschreven in een auteurstrant van boven het gemiddelde niveau".

Na de kolonel kwam Jan de Lange aan het woord. Hij vertelde over zijn kontakten met schrijver Van der Veer, die negen jaar over het boek had gedaan. De heer De Lange prees de schrijver en de Amerikanen, die erin belangrijke mate toe hebben bijgedragen, dat we in een vrij land leven. Voor mevrouw Schatte had hij een oude foto van de bemanning van de bij Bantega gelande Liberator laten reproduceren op posterformaat.

Albert van der Veen, veehouder in Bantega, vertelde de aanwezigen, dat hij 37 jaar geleden op 19-jarige leeftijd het geluk had toestemming te hebben van de Duitsers om zich in het neergestorte vliegtuig te begeven. Hij had er verschillende onderdelen uitgehaald, onder andere een keelmicrofoon van Leroy Hansen, de eerste piloot. Dat onderdeel overhandigde hij een paar jaar geleden aan de heer Hansen, die op bezoek was in Nederland. Nu gaf hij aan mevrouw Schatte en haar dochters een paar andere kleine onderdelen van de Liberator.

De Amerikaanse vrouwen waren zeer blij met de stukjes schroot.
Tenslotte kwam mevrouw Schatte aan het woord, die alle vrienden bedankte voor hun voortreffelijke werk. Ze vond het onbeschrijflijk mooi, dat ze op de plaats mocht zijn, waar 37 jaar geleden haar man na een goede noodlanding werd opgepakt door de Duitsers.

-In "De dag van de Liberator", wordt de noodlanding beschreven die een Amerikaanse bommenwerper op 13 november 1943 in het Lemster Hop tussen Schoterzijl en Lemmer maakte. Een succesvolle noodlanding, want alle de tien bemanningsleden brachten het er zonder noemenswaardig letsel af. Wij geven een korte samenvatting van de beschrijving van "Flugwache Kooisloot" en de wonderbaarlijke landing die toentertijd werd opgemerkt door Albert van der Veen uit Bantega, Jan de Lange uit Kuinre en Siemen van der Wal' uit Lemmer.

 

Flugwaffe Kooisloot.

Jan de Lange, fietste zaterdagmiddag 13 november 1943 van Lemmer over de Grietenijdijk via Schoterzijl naar Kuinre, waar zijn ouders een boerderij hadden. Hij was in het gezelschap van zijn kameraden, met wie hij in Lemmer de MULO-school bezocht. Ze waren nog maar net buiten Lemmer, of ze zagen lege benzinetanks van een geallieerd vliegtuig uit de lucht komen vallen. Aanvankelijk wilden ze de tanks uit de weilanden halen en mee naar huis nemen, maar de afstand tussen de Grietenijdijk en de begeerde objecten bleek te groot. Jan de Lange en zijn vrienden pakten weer de fiets en jakkerden richting Schoterzijl. De scholieren hadden flink vaart, want ze hadden de wind in de rug. Minder comfortabel hadden Siemen van der Wal en zijn collega' s het, die de zaterdagmiddag van Kuinre van hun werk op het districtskantoor van de directie Wieringermeer (Noordoostpolderwerken) op de fiets op weg waren naar hun woonplaats Lemmer. Ook zij volgden het traject van de oude Zuiderzeedijk, maar dan tegen de wind in.

Albert, een zoon van veehouder Hans van der Veen van de Middenweg bij Bantega, was juist met de fiets op weg naar een landbouwcursus in Echtenerbrug, toen zaterdagmiddag 13 november omstreeks kwart over 12 een Amerikaanse bommenwerper in moeilijkheden kwam boven de Noordoostpolder in opbouw. Een paar honderd meter van de boerderij van de Van der Veen's, stond de boerderij met de typische blauwe dakpannen van Andries Bosscha. Vanuit het woongedeelte van Bosscha's boerderij had men een uitzicht op een wachtpost van de Duitsers op de zeedijk: Flugwache Kooisloot.

 

Schrijver van der Veer: "Het is anders niet, dan een houten barak met een eveneens houten platform en het geheel wordt omgeven door een eenvoudige prikkeldraadafrastering. Het is een installatie van de Duitse luchtmacht en heet officieel "Flugwache Kooisloot". Het is een observatiepost van de Luftwaffe, zoals die veelvuldig rond het IJsselmeer zijn te vinden. De post wordt bemand door vijf militairen van de Luftwaffe-verbindingsdienst. De militairen zijn boven de gemiddelde leeftijd geen fronttroepen. Op het platform staat een grote telescoop opgesteld en met behulp van dit instrument speurden ze de lucht af naar geallieerde luchtactiviteit. De naam "Duitser" is synoniem aan het woord onmens".

 

Inderdaad. In theorie is dat, volkomen waar als men de zaak in zijn totaliteit bekijkt en niet geregeld met Duitsers wordt geconfronteerd. Maar hoe gaat het als men regelmatig met Duitsers moet omgaan, die je met de beste wil ter wereld niet kwaad kunt noemen? De bemanning van "Flugwache Kooisloot" zit nu al een hele tijd bij de kruising van de Middenweg. Ze zijn eigenlijk al een deel van het landschap geworden. Toen ze voor het eerst kwamen, konden ze zich geenszins in de sympathie van de Middenwegbevolking verheugen.

 

Zoals verreweg de meeste anderen waren ook de Middenwegbewoners van mening dat de enige goede Duitsers dode Duitsers waren. Maar later veranderde de verhouding. De Duitsers waren niet onvriendelijk en voor de Friezen aan wie hun zeer nabije aanwezigheid werd opgedrongen, bleek het erg moeilijk hen uitsluitend als vijanden te zien. Niet dat die Friezen Duitsgezind waren - niets zou minder waar zijn! Maar probeer eens onvriendelijk te zijn tegenover mensen die van hun kant wl aardig doen. Op een gegeven moment zie je, ondanks jezelf, het uniform niet meer, zelfs al is het een vijandelijk uniform. Je ziet alleen de mens in dat uniform. Je staat dan min of meer versteld van jezelf, maar je kunt gewoon niet anders.

 

Zijn deze Luftwaffe-militairen, fanatieke dienstkloppers van het welbekende Pruisische type? Helemaal niet Men zou eerder geneigd zijn te zeggen dat ze het omgekeerde zijn, zelfs al zijn er een paar Pruisen bij. Maar Oostenrijk is ook vertegenwoordigd, met de even bekende Oostenrijkse "Schlamperei". Zijn ze razend Hitlergezind? Of haten ze de Fhrer aller Germanen even hard als de Friezen van de Middenweg? Daar laten ze zich niet over uit - of het moet binnen bepaalde grenzen zijn.

 

In elk geval leggen ze hun wereldbeschouwing niet aan hun omgeving op en dat is een zegen. De commandant van het detachement Kooisloot is een Obergefreiter, een korporaal uit Insterbrug in Oost-Pruisen. Zijn naam is Leo Hinszman en in het burgerleven beheert hij een stationsrestauratie in zijn woonplaats, die niet ver van Koningsbergen ligt, Hinszmann is de "Truppefuhrer". Zijn opvolgend commandant is een soldaat eerste klas, die eveneens uit Oost-Pruisen komt - Gefreiter Walter Braun, een steenkolenhandelaar uit Goldap. Braun maakt alom bekend dat hij na de oorlog niet weer naar Goldap terug wil. Hij wil in Nederland blijven wonen. Goed, dat zijn dan de "Pruisen" van Flugwache Kooisloot en als alle Pruisen zo zijn, dan valt het best mee. De andere militairen zijn Oostenrijkers.

Gefreiter Anton Ippoldt, is 36 jaar oud en is een slager uit Haslach, dat zo'n 40 kilometer van Linz vandaan ligt. Uit ditzelfde bergdorp komt ook de 38-jarige Franz Koblmiller, die in het burgerleven boekhouder is. Zodoende had Anton steeds een plaatsgenoot bij zich. Had, jammer genoeg, want kort geleden is Koblmiller overgeplaatst naar Sneek, waar hij chauffeur is geworden van de grote baas die het opperhoofd van de Flugwachen in Zuidwest-Friesland en de Kop van Overijssel is, de "Zugflihrer is een Oberfeldwebel, een sergeant-majoor eerste klasse en bovendien een enorme vuurvreter. Zijn naam is Malayka. Maar goed dat die helemaal in Sneek zit. De rij wordt gesloten door "Kruzi" , die officieel Franz Krenn heet, uit Pernegg an der Mur in Stiermarken komt en daar de plaatselijke doodgraver is. Een heel goed vak is dat, beweert "Kruzi" - je zit zelden zonder werk.

Na de oorlog hoopt hij verder te kunnen gaan met de beoefening van het doodgraversvak. "Kruzi" heeft de gewoonte de radio van de Flugwache af te stemmen op de nieuwsberichten in het Duits, zoals die door de B.B.C. worden uitgezonden en houdt ervan bij de Van der Veens binnen te stappen om het laatste nieuws uit Engeland door te geven. Dat maakt hem bijzonder populair. Krenn heeft langzamerhand zijn eigen mening gekregen over de waarheidsgetrouwheid van wat officieel door het Oberkommando der Wehrmacht wordt bekend gemaakt en dat hoe langer hoe meer begint te lijken op "Vorwrts, Kameraden - wir mssen zurck"!

De Oostenrijkers zijn brave, gelovige katholieken, die destijds de Anschluss van Oostenrijk met Duitsland, met vreugde hebben begroet. De streken waar ze vandaan zijn gekomen, waren onvruchtbaar en de werkloosheid was groot, evenals de armoede. De toekomst was uitzichtloos, maar na de vereniging met Duitsland scheen alles anders te zullen worden. De Fhrer van het nieuwe Groot-Duitse Rijk, die tenslotte k een Oostenrijker van origine was en dus wel heel goed moest weten hoe de toestand in hun gedeelte van Oostenrijk was, had werk en brood beloofd en een nieuwe toekomst. Uitzicht voor hen en hun kinderen. Wat wisten deze bergbewoners van de grote wereld af? Hun woonstreken waren gesoleerd en van de praktijk van het nationaalsocialisme hebben ze geen "blasse Ahnung". Ze wisten alleen maar dat ze het slecht hadden en het alleen maar beter konden krijgen. Voor hun gevoel gaat de oorlog ook niet zozeer tegen Engeland en Amerika.

Het gaat in hoofdzaak tegen het goddeloze, bolsjewistische Rusland en de geestelijkheid heeft het hun in-gehamerd dat het communisme de verpersoonlijking van de Antichrist is. De strijd tegen de communisten heeft voor de Oostenrijkers het karakter van' een heilige oorlog - een kruistocht. Ze zijn aan God verplicht, die heilige oorlog te voeren, hoe ontzettend die oorlog op zichzelf ook mag zijn. Het gaat, kort samengevat, om de toekomst van hun land, hun gezinnen en het Christendom.

Anton Ippoldt zegt vaak dat het communisme de wereld zal gaan overheersen als Duitsland Rusland niet verslaat, dat kan gewoon niet uitblijven. Hitler had de redder van Oostenrijk kunnen zijn, maar nu is de oorlog al meer dan vier jaar aan de gang en de grootste bijdrage van Hitler aan Oostenrijk is tot nog toe het eisen van mensenlevens geweest, zeen van bloed en ellende. De Oostenrijkers kunnen het idee hoe langer hoe moeilijker van zich afzetten dat ze bedrogen zijn. Ze gaan twijfelen. Maar dat kunnen ze niet hardop zeggen in Hitlers staat. Want dan wordt meteen gezegd dat twijfelaars defaitisten zijn - en defaitisten verdienen de kogel.

Albert van der Veen, is erg genteresseerd in vliegtuigen, in het bijzonder geallieerde vliegtuigen. Hij heeft zich een boekje aangeschaft, dat "Oorlogsvliegtuigen" heet en dat is uitgegeven door het Reichsluftfahrtministerium te Berlijn, als een Nederlandse versie van het originele "Kriegsflugzeuge". Er staan foto's en maatschetsen in van de meest voorkomende Duitse, Italiaanse, Engelse, Amerikaanse en Russische oorlogsvliegtuigen en Albert heeft de afbeeldingen goed bestudeerd. Hij kan de verschillende typen nu aardig goed herkennen. De mannen van de Flugwaffe Kooisloot hebben daar schik in.

Soms, als ze zeker weten dat de helhond Malayka niet in de buurt is, zeggen ze wel eens "Komm mal oben, Albert - kannst mal gucken was dort drben bergeht"! en dan staat Albert op het platform en kijkt door de sterke telescoop naar de overtrekkende Amerikaanse formaties. Goeie genade, wat kun je dan die zeven en een halve kilometer hoog vliegende toestellen duidelijk zien! De telescoop vergroot enorm. Je kunt gemakkelijk zien of de toestellen vliegende Forten of Liberators zijn en je kunt zelfs de witte ster op de onderkant van de rechtervleugel van de machine onderscheiden. Een machtig gezicht.

Natuurlijk gebeuren in dit afgelegen deel van Bantega, ook de nodige illegale dingen. Net zoals overal. Misschien merken de Luftwaffe mensen dat, maar als dat zo is, laten ze het niet blijken. Wel zo goed. Maar van hun kant laten de "Duitsers" gemakshalve wordt door de Friezen van de Middenweg de bemanning van de Flugwache met de verzamelnaam "Duitsers" aangeduid, hoewel de meerderheid uit Oostenrijkers bestaat - k wel eens een steek vallen. Want op zekere dag begaat een van de militairen de onvergeeflijke zonde zijn geweer buiten te laten liggen. Als Malayka dat ooit zou komen te weten, zou de wereld te klein zijn - krijgsraad, Erziehungslager en wat de Duitse Behrden nog meer aan vreselijke dingen kunnen bedenken.

Een van de Middenweg bewoners vindt het schietwapen en trekt voor zichzelf de consequenties. Hij levert dus de volgende morgen het geweer in op de Flugwache, tot grote opluchting van de hele Trupp. "Niet verder over praten asjeblieft"! zegt Obergefreiter Hinszmann. "Best"! zegt de Bantegaster. "Ik weet van niks jongens. Maar als het zo uitkomt, weten jullie k van niks, denk er goed om"! Hij laat de laatste opmerking vergezeld gaan van een veelbetekenende knipoog. "Aber nein"! antwoordden Hinszmann en zijn ondergeschikten, "Wir sehen nix, wir wissen nix - einverstanden"? Natuurlijk is het dik "einverstanden".

En zodoende gebeuren er de gebruikelijke illegale dingen in dit deel van de wereld. De Luftwaff-mannen zien op hun manier niets. Zijzelf zondigen ook wel eens tegen de militaire regels. En dan zien de Friezen niets. Beide partijen grijnzen. Ze hebben het toch aardig met elkaar getroffen. Het begint nu eindelijk wat licht te worden op deze zaterdagmorgen, 13 november 1943. De boeren zijn klaar met melken en de melkbussen staan in de berm van de weg, klaar om door de melkrijder naar de zuivelfabriek te worden gebracht. Het is nu tijd voor het ontbijt, als je op een boerderij woont, is dat ontbijt nog niet zo slecht. Je kunt altijd wat melk, vlees, spek eieren en dergelijke zaken voor jezelf achterhouden. Dat is wel tegen de voorschriften, maar je moet zelf ook leven en spullen die je voor jezelf houdt, kunnen nu eenmaal niet naar Duitsland worden afgevoerd. En als het ontbijt is afgelopen, zijn er de gebruikelijke zaterdagwerkjes uit te voeren.

De dagindeling op de boerderij staat al vast - die is traditioneel bepaald. De zaterdag breekt aan op een sacherijnige manier, net als zoveel andere novemberdagen. De schooljeugd uit Kuinre, op weg naar de MULO in Lemmer, verdwijnt in de morgenschemer van dit onbestemde, eigenaardige grensgebied tussen Overijssel en Friesland. De mannen van de Flugwache hebben hun observatieplatform weer bemand en kijken uit naar vliegtuigen, hoewel er op dit moment bijzonder weinig is te zien. De wacht is net afgelost. De nieuwe wacht klost op het platform rond en de afgeloste wacht maakt het zich in de barak gemakkelijk.

"Mge"! zegt Albert van der Veen als hij de Duitsers passeert "Moge"! zeggen de bezetters, " 's gibt heute ziemlich gutes wetter, was"? "Ja"! zegt Albert, "voor november houdt het weer zich goed"! "Mge"! Dat is de ploeg van Jan de Lange, nu halverwege Kuinre en Lemmer. "Moge"! zeggen de Flugwache-mensen, die de schooljeugd dagelijks zien passeren, "zullen jullie vandaag de onderwijzers niet te veel pesten"? De fietsers grinniken.

Een eigenaardig oord in het door haat bezetten Nederland. De leeuw verkeert met het lam. De Duitsers worden gehaat, maar deze Duitsers niet, zij schijnen bij de omgeving te horen. En de Duitsers vinden dat het hier best uit te houden is in deze vergeten uithoek van de wereld. Hier worden ze niet straal genegeerd zoals op andere plaatsen. Natuurlijk weten ze dat ze niet geliefd zijn, maar alles met elkaar is er toch een groot verschil. Als ze maar niet zo ver van huis waren en als die vervloekte oorlog er maar niet was. Wenn es nur nicht diesen verdammten Krieg gbe ... -".

De B-24 Liberator.

 

De noodlanding.

Heel nauwkeurig beschrijft Jan Van der Veer, de noodlanding van de Liberator B 24 42-7650 op zaterdagmiddag 13 november 1943 omstreeks kwart over twaalf met 10 man aan boord in het buitendijksveld Lemster Hop, vlakbij waar nu de nieuwe boerderij van Hendrik Kortstra staat. Achter de stuurknuppel zat kapitein Leroy M. Hansen. Men had een magere bombardementsvlucht boven Bremen achter de rug. Slechts n van de vier motoren werkte nog. Die ene krachtbron leverde onvoldoende vermogen om de bommenwerper op hoogte te houden. Boven de Noordoostpolder moest beslist worden: eruit springen met de parachutes of een noodlanding maken. De bedenktijd bedroeg slechts enkele seconden.

Er moest een noodlanding worden gemaakt, omdat het denken al te veel tijd had gevergd. Van der Veer: "Hansen denkt niet meer. Hij functioneert alleen. Laten we dus nu zelf proberen een beeld te krijgen van wat er vanuit de cockpit is te zien en wat er moet gebeuren. We stellen ons voor dat we nu zelf in de linker pilotenstoel zitten en stuurkolom en voetenstuur bedienen. In Nederland is de maximumsnelheid op de hoofdwegen 100 km/u. Dit grote ding gaat door de lucht met een snelheid die meer dan tweemaal zo groot is. Bovendien zitten we in een tamelijk vlakke duikvlucht en de grond is angstwekkend dichtbij en komt omhoog om ons te raken. We nemen aan dat we precies weten hoe we met het onbehouwen bakbeest, dat B-24 wordt genoemd, moeten omspringen.

Ondanks dat zullen we, uitgerekend in dat onderdeel van een seconde waarin die verste slootswal onder ons doorflitst, het onhandelbare spook zo moeten manoeuvreren dat de onderkant van de romp zo'n dertig vijfendertig centimeter boven die slootswal is... We zullen goed in de gaten moeten houden dat we die slootswal niet met de onderkant van de romp raken - als dt gebeurt is de machine niet meer te houden en het volgende ogenblik zijn we er met z'n allen geweest. Scheer dus rakelings over die slootswal heen, maar raak hem in hemelsnaam niet!

En wat dat uithangende wiel aan zijn landingspoot onder de linkervleugel betreft: dat hele ding, tot de onderkant van de vleugel, is bijna 2,70 meter lang - iets minder dan de gemiddelde hoogte van een huiskamer - maar het steekt slechts zestig centimeter onder de romp uit. Als je normaal in de cockpit zit zie je die landingspoot met dat wiel niet eens! Als je je gezicht helemaal naar links-onder draait dan zie je er misschien iets van - maar als er een operatie als de onderhavige aan de gang is, dan kijk je alleen maar vooruit!

Er is geen tijd om ergens anders naar te kijken. Je kunt alleen maar concentreren op al dat gras in het weiland, dat omhoog komt vliegen om je te raken. En de hoogtemeter zal je ook niet precies vertellen hoe hoog je precies boven het veld bent, want dat kan het ding niet. Het is gebouwd op dit soort stunts, waarvan je de haren te berge rijzen. Je zult deze hele klus op het gevoel moeten doen - je moet voelen wanneer het juiste moment is aangebroken en wanneer je op de juiste plaats en hoogte bent.

Wij zullen het net zo moeten doen als Hansen het nu zal gaan doen. En de tweede piloot heeft precies geraden wat Hansen van plan is. Hij werkt loyaal mee, zonder protest. Hij zegt ook niet dat het onmogelijk is en op klinkklare zelfmoord lijkt. Hij zal de eerste piloot tot het uiterste assisteren met al zijn aanzienlijke bekwaamheid. Eigenlijk is er geen lof te groot voor deze tweede piloot, onverschillig of de landing succesvol is of niet. Hij heeft zijn stoelriemen extra stevig aangetrokken en vliegt met open ogen de laatste confrontatie tegemoet.

Voor zoiets moet je over een moed beschikken die meer dan normaal is. Charles Spearman is weer terug op het flight deck, na de mislukte operatie met het onwillige neuswiel. Hij gaat op de vloer zitten met de rug tegen de pantserplaat van een van de pilotenstoelen en met zijn gezicht naar het bommenruim gekeerd. Jim Norton is onderweg naar het flightdeck, maar staat nog op de loopbrug. Jim, roept Spearman, "schiet nou op, man, we gaan al naar beneden"! Norton kijkt omhoog en staat klaar voor de sprong naar het luik in de vloer van het flight deck. Vooruit dan toch, zie je niet dat je geen moment meer kunt wachten?

Het gras, waarmee Hansens privvliegveld is begroeid, staat nu schuin geprojecteerd voor de cockpitruiten en vult het gezichtsveld volkomen. Allemaal gras en het houdt niet op. De grashalmen, waarin de zon schijnt te glanzen, komen van boven de voorruiten aangevlogen, komen op je afvliegen zoals een sneltrein toeraast op een tussen de rails vastzittende auto en verdwijnen dan weer onder de bovenkant van het instrumentenbord. Een waterval van gras. Alle gras ter wereld. Geen geluid - behalve de schril gierende slipstroom.

En iets anders. Een stem, die alleen tot Hansen doordringt. Een gehate maar toch vertrouwde stem, die duidelijk in Hansens koptelefoon is te horen. De stem van zijn oude vlieginstructeur. De noodlandingmaniak, Hansen luistert naar de instructies, die klinken alsof ze op hetzelfde moment worden uitgesproken. De instructeur zelf weet van niets en is meer dan tienduizend kilometer ver weg. Hoogstwaarschijnlijk verveelt hij nu andere leerling- piloten In Californi. Hansen luistert heel aandachtig. De stem van de instructeur is nu helemaal niet hatelijk meer - het is een vriendelijke stem, die verstandige dingen zegt waarvan een kalmerende invloed uitgaat. Het helpt op een of andere manier.

Alleen de piloten zien de waterval van gras voor de cockpitramen alle anderen zitten met hun gezichten tegengesteld aan de vliegrichting op het flight deck - de beste manier om de komende schok op te vangen. Behalve Jim Norton. Die is nog niet binnen. Gras. En nog meer gras. Anders niets dan GRAS voor de cockpitramen. Eindeloos. En nu komt die hele groene zee opvliegen. Springt op ons toe en rkt ons bijna. En nu komt die sloot en - NU!

Een druk op het voetenstuur, een rukje aan de stuurkolom. De lange, sierlijke linkervleugel gaat iets naar beneden. De vleugeltip schijnt de slootswal te zullen raken. Een korte, hevige ruk. De grote vleugel gaat gehoorzaam omhoog. Het gras zinkt ineens weg, en .... er loopt een nijdige, zwarte kerf door het groen vanaf de slootswal die abrupt eindigt want DE LINKERLANDINGS-POOT IS WEG! Finaal afgeknapt J-BAR zeilt weer omhoog als een schommel. De piloten trekken met een paar geroutineerde rukken de machine recht. De Liberator zakt nu door, doelbewust, rompneus iets omhoog, staart iets naar beneden.

De krakende, doffe klap, waarmee de Liberator de grond raakt, komt niet zo hard aan als Pecka had verwacht. Nu kunnen er nog twee dingen gebeuren: de top turret kan losraken en op het flight deck vallen en het hele toestel kan in brand vliegen. De eerste schok gooit Jim Norton uit zijn evenwicht en hij valt. Die schok was nog niet eens zo hard, maar de volgende klap zal harder aankomen en rukt vermoedelijk de hele onderkant van de Liberator weg. Spearman springt overeind, doet twee haastige stappen naar het luik achter in de vloer van het flight deck en steekt zijn hand uit in de richting van Norton.

Op het moment, dat Norton de hand van de boordwerktuigkundige kan grijpen, komt de tweede schok, die beide mannen de lucht in slingert, tegen het plafond van het fligt deck. J-BAR wordt opnieuw de lucht ingegooid, terwijl beide mannen tegen de vloer smakken met een dof geluid. En nu wordt het lawaai onbeschrijflijk - het geradbraakte metaal van de machine snerpt het uit in protest. De mannen op het flight deck ondergaan alle gewaarwordingen van een erwt in een grote trom, geslagen door een volkomen krankzinnige drummer. De machine schokt, siddert en bonkt als een sneltrein die in volle vaart uit de rails vliegt, wordt de lucht weer ingeranseld, kwakt weer neer, gaat nog eens omhoog en wordt opnieuw met een verpletterende klap neergeslagen, terwijl het gevaarte wild en slingerend door het weiland glijdt.

Het geluid van jankend en scheurend metaal is overal, alle mogelijke dingen worden losgerukt van de tussenschotten en de wanden en maken een rommelend geluid terwijl ze op de vloer heen en weer vliegen. Norton en Spearman worden nog steeds op en neer gegooid over het flight deck, totdat Norton definitief terechtgekomen ergens achter de pantserplaat van een pilotenstoel en daar verfomfaaid blijft liggen. Bill Topping, die Hansens waarschuwing finaal had vergeten en zich aan niets heeft kunnen vasthouden, voegt zich tegen wil en dank eveneens bij de krankzinnige balletscne, wordt tegen iets hards aan gegooid en voelt een stekende pijn in zijn ribben. Pecka en Schatte kijken met ongeruste blikken naar de top turret.

Er begint beweging in het gevaarte te komen het begint te zakken en als het blijft doorzakken is er geen houden meer aan en komt de zware koepel precies op Norton terecht. "Jim wordt tot pulp verpletterd", gaat het door Schatte heen "en we kunnen er niets tegen doen in dit kompleet dol geworden karkas, dat maar doorbuldert en verder sliert over het veld. Jim gaat er aan .... " Pecka vreest dat de turret op de piloten zal terechtkomen. Beiden wachten in angstige spanning af, terwijl J-BAR botsend, zwiepend en krakend verder boldert op een reis die nooit schijnt te eindigen. De top turret zakt nog iets naar voren en blijft dan zitten waar hij zit, half weggezakt.

Dit moet Gods wil zijn geweest, denkt Schatte. De piloten hebben met de roeren geworsteld tot er niets meer was om tegen te vechten. Het linker hoofdwiel is precies volgens de bedoeling afgeknapt tegen de slootswal. Met een doordringend, scheurend en knarsend gejank wordt de onderkant van het bommenruim ingedrukt, terwijl het vliegtuig, nu volkomen dolzinnig geworden, over het veld zwiept en sliert als een nat stuk zeep over de tegels van een badkamer. De horizon zwaait ineens naar rechts voor de cockpitramen, komt als de slinger van een klok weer terug en vliegt weer terug naar rechts en blijft dan heen en weer zwaaien als de ruitenwissers van een auto, op de maat van het slingeren van de romp en het molenwiekend op- en neergezwaai van de lange vleugels.

De romp gaat te keer als een schip in een storm en het lawaai is nauwelijks te harden. De piloten kunnen nu totaal niets meer doen. Ze zullen moeten wachten tot de energie van beweging, aan het vijfentwintig ton zware vliegtuig meegegeven door de snelheid waarmee het op de grond kwam, zal zijn geneutraliseerd door de enorme wrijving met de grond. En nu komen er plotseling zwart-wit-gevlekte gedaanten in het gezichtsveld van de piloten terecht De gedaanten staan stil, tillen hun koppen op en gaan er in paniek vandoor - recht op de aanstormende Liberator af. Koeien! Het laatste dat je zou verwachten...

De koeien van Jan S. de Vries, bemoeiden zich niet met de oorlog. Nu is de oorlog zich met de koeien komen bemoeien en de dieren worden dol van angst. Arme stomme dieren, denkt Roy, ik kan niets voor jullie doen - ik hoop dat jullie dat kunnen begrijpen. Ik mt jullie wel raken ..... De B-24 raast nog steeds door over het weiland en de splinterende, krakende en kreunende geluiden duren nog steeds voort. De energie van beweging is nog steeds niet uitgewoed.

De linkervleugel raakt de dol geworden horde koeien met een klap, die zelfs tot in de cockpit te horen is. Met een spookachtig gehuil en geknars rukt -Motor Nummer Een- zich los van de vleugel en verdwijnt uit het gezicht. Omvergegooide koeien en rondspattend bloed. (x ... ) zegt de co-piloot tot niemand in het bijzonder. Vergeef ons, stomme dieren. We wilden jullie helemaal niet doodmaken. Maar we hebben het toch gedaan ..... Je rijdt in een auto en ineens steekt er een eend de weg over, vlak voor je wielen. Je hoort alleen een zachte, meegevende bons en de eend is dood. Je kunt er niets aan doen, maar je voelt je voor de rest van de dag schuldig. Door jouw toedoen is die eend gedood. Sentimenteel gedoe?

Misschien, maar je weet dat een leven iets heiligs is. Je kunt wel een leven vernietigen, maar het nooit weer terugroepen. MAAR HOEVEEL MENSEN ZIJN ER ZO'N ANDERHALF UUR GELEDEN GECREPEERD IN DE BRANDEN DIE ONZE BOMMEN IN BREMEN HEBBEN GESTICHT? De krankzinnige Liberator scheurt verder door het weiland en laat een zwarte vore na in het gras. Het toestel raakt de grond met een snelheid van meer dan 210 kilometer per uur en ondanks de uit elkaar gerukte onderkant van de romp, die als een ploeg door de grond snijdt, duurt het lang voordat de voorwaartse massakracht door de wrijving met de grond wordt omgezet in vervorming, warmte en omgeploegde grond. Maar toch worden de bewegingen van de machine minder wild en heel geleidelijk vermindert de voorwaartse snelheid. De scheurende, rijtende geluiden schijnen iets te bedaren en op een of andere manier schijnt het vliegtuig niet uit elkaar te zijn gevallen.

Wat nauwelijks te geloven is na de woestheid van de schokken die het in de laatste seconden heeft moeten doorstaan. Het gras van Hansens privvliegveld glijdt nu langzamer voorbij. Het is nu duidelijk te zien. En het lawaai is gaan liggen. Vergeleken bij het tumult van daarnet wordt het nu angstaanjagend stil. Maar J-BAR glijdt nog verder. De massawerking is nog niet helemaal uitgeput. Vroeger liep er nog een sloot door het terrein, loodrecht op de koers van de Liberator. Op een gegeven moment was die sloot overbodig geworden, zodat het beter was hem te dempen. De sloot werd dichtgegooid met aarde. Misschien weet iemand uit de buurt hoeveel jaar geleden dat gebeurde, maar het moet al een hele tijd geleden zijn. De opvulgrond in de voormalige sloot gedroeg zich zoals van opvulgrond viel te verwachten. Hij ging beklinken.

Onder invloed van regen en samen-persing en andere grondmechanische zaken nam de opvulgrond minder volume in. Het gras groeide over de opvulgrond heen en vormde een stevige zode, maar je kon nog precies zien waar de sloot zich had bevonden. Er zat daar een inzinking in het terrein, een flauwe geul van zo'n halve meter diep. Men had toen die inzinking wel opnieuw kunnen opvullen met meer aarde, doch om een of andere reden gebeurde dat niet. Die groef door het terrein is er nu nog, maar hij is netjes gecamoufleerd door het gras, dat er overheen is gegroeid. Maar J-BAR vindt de uitholling. De machine ramt zijn lange neus precies in de brede, ondiepe uitholling. Er volgt een enorme schok en een hernieuwd gekrijs van metaal als de rompneus afbreekt, vlak vr de cockpitramen.

De vloer van het flight deck knarst en kreunt als de voorkant wordt losgescheurd en begint te zakken. De grote bommenwerper sliert nog een paar meter door en legt dan met een berustend, vermoeid gebaar zijn lange rechtervleugel voorzichtig neer op een laag dijkje. Vijfentwintig ton aluminium, glas en staal komen uiteindelijk tot rust op Hansens priv-luchthaven, in een buitendijks weiland dat het Lemster Hop wordt genoemd. Precies tegenover de boerderij van Andries Bosscha. Vlakbij Flugwache Kooisloot. De Liberator, zwaar mishandeld door de Flak in Bremen, deed tot het laatst toe zijn best en bracht ondanks alles zijn bemanning veilig op aarde terug. Wat de bemanning na de landing wilde doen en hoe zij werd gearresteerd door de Duitsers en waar de bevrijders zijn terechtgekomen wordt allemaal uitvoerig en waarheidsgetrouw beschreven in het boek "De dag van de Liberator".

 

Foto van: family bosscha from oosterzee and family de boer from terwispel -1916 - Bantega-Oosterzee. V.l.n.r. Truidigje Bosscha, Rinske Bosscha, Andries Bosscha, Zwaantje Bosscha, Johannes Bosscha, Abeltje Jongsma.

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.