Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

Lemsterland in oorlogstijd.

 

Onderwerpen die op deze pagina staan

 

 
 

Drie man op een bankje, door E. de Vries.

Door Evert de Vries.

Op de foto V.l.n.r. E. de Vries, W. Visser en J. Bakker.

 

In de 'Zuid-Friesland' schreef de bekende Lemster, Evert de Vries wekelijks de column 'Lemmer door de jaren heen'. De heer Evert de Vries is geboren op 16 februari 1903 te Lemmer, overleden 5 oktober 1998 te Sneek. De heer De Vries werd destijds gevraagd naar zijn herinneringen aan die eerste dagen van de oorlog.

Meidagen 1940 in Lemmer.

Mijn herinneringen aan het begin van de oorlog spelen zich af in het centrum van Lemmer. Ik stond in die Meidagen van 1940 met een ijskar tegenover het Gemeentehuis. Daar wonen wij vlakbij. Alle dagen was het aan de drukte en het gedrag van de bevolking te merken dat er wat belangrijks op komst was. Zou er oorlog komen? De algemene gedachte was dat het wel mee zou vallen.

Evert de Vries met de ijscokar t.o. het oude gemeentehuis. Op de achtergrond staat nu het nieuwe gemeentehuis. Links is het voormalig atelier van Molenberg, hier hebben vele meisjes en vrouwen op hun trapnaaimachines de kost verdiend. In de Oudheidkamer is zo'n trapnaaimachine nog te zien. Geheel rechts de winkel van Molenberg, waar mej. U. Koopmans verkoopster was.

In de haven lag een klein flottille marineschepen. Donderdag negen mei zag ik Kok, een van de drie politieagenten die Lemmer toen rijk was, bij ons de winkel binnen gaan. In de spanning van die dagen was ik nieuwsgierig naar de reden van zijn bezoek en dus ging ik ook naar binnen. Mijn schoonmoeder en mijn vrouw waren bezig om brood in dozen in te pakken en zij vertelden dat dat brood voor de bemanning van de marineschepen was. Ik ging met dat brood op weg naar de haven. Op de trambrug stond een (Nederlandse) soldaat als wachtpost. Ik mocht doorlopen en gaf het brood bij de schepen af.

's Avonds was het erg onrustig op straat, maar wij gingen gewoon op tijd naar bed. De volgende dag, de tiende mei brak aan. 's Morgens om half zes was het voor het Gemeentehuis al druk. Van alle kanten van Lemmer was men naar het centrum gekomen om te zien of daar meer nieuws bekend was. Er werd ons verteld dat de Duitsers die nacht ons land waren binnen gevallen.

Nog nauwelijks gelovend wat we zo juist hadden gehoord, gingen we naar de kamer en zetten de radio aan. Daar werd bevestigd wat we even eerder op straat gehoord hadden; de Duitsers waren de grens over getrokken! De eerste legerberichten kwamen ook al door. Parachutisten geland bij Leiden, gevechten bij vliegveld Iepenburg. Natuurlijk werd de bevolking direct een hart onder de riem gestoken met berichten over de moedige wijze waarop het Nederlandse leger stand hield.

De Duitse inval had, zoals bij het Hitler regime gewoonte was, zonder oorlogsverklaring plaats gehad. Vechten zonder dat men elkaar de oorlog verklaard had kon natuurlijk niet en prompt was daar het Nederlandse antwoord; Koningin Wilhelmina had het initiatief genomen en de overweldiger de oorlog verklaard. Dat betekende automatisch een bondgenootschap met de Geallieerden en weldra waren er berichten dat er al Franse troepen op weg waren om de Belgische en Nederlandse legers te versterken.

Mijn eerste gang was toen naar mijn vader die in het Achterom woonde. Ik vertelde hem dat de Duitse troepen Nederland waren binnen gevallen. Dat betekende ook voor hem het begin van een zorgelijke tijd. De oudste kleinzoons waren al in dienst en later, toen zij veilig terug waren, kwam er de zorg bij over familieleden die bij Hoogovens werkten en anderen die in Duitsland moesten werken. Maar daar hadden we op die Vrijdagmorgen nog geen idee van.

Zaterdagmorgen kwam ik weer uit het Achterom van een bezoekje aan mijn vader. Over de brug reed een soldaat. Mijn eerste gedachte was: 'Dat is een voorpost van de Fransen die ons land komen helpen.' Bij het brugwachterhokje stond Sake Visser, in Lemmer beter bekend als "Sake de Rus". Zijn schouw droeg namelijk de naam 'De vrije Rus'. 'Waar zijn die Lemsters nu' zei hij. 'Als ik nog een jongkerel was gingen die soldaten een voor een over de leuning van de brug!'. Ik zei dat het Fransen waren die ons komen helpen. Maar Sake hield vol dat het Duitsers waren en dat moest ik dan toch wel geloven. Wat weet ik tenslotte van het verschil tussen de uniformen van Franse en Duitse soldaten, van geen van beiden heb ik er ooit een gezien.

Er gaan nog meer militairen voorbij en drie ervan gaan naar het gemeentehuis. Ik ging naar huis en terwijl we daar over de gebeurtenissen zaten te praten ging de bel en stonden er vier van die soldaten in de winkel. Zij willen alle brood hebben wat in voorraad is. Het moet in dozen verpakt worden. Om aan die wens, beter gezegd die eis, te voldoen gooit mijn vrouw een doos met knippatronen op zolder leeg. Als het aan betalen toe is geven de soldaten een bonnetje met de belofte dat de Wehrmacht alles zal betalen.

In de komende dagen komen er steeds meer Duitse troepen Lemmer binnen. Velen trekken er alleen maar door in de richting van de Afsluitdijk. Het hoofdkwartier wordt ingericht in hotel Krikke en in de mooiste huizen worden de officieren ingekwartierd. Als ik 's zondagmorgens weer op weg ga naar mijn vader is het Achterom ingenomen door paardenvolk. Zij hebben hun paarden overal aan vastgezet, aan hekken en schuttingen, maar ook aan blinden die velen nog voor de ramen hebben. Er zijn paarden bij die de kop al eens door een raam hebben gestoken. Met kunst en vliegwerk kom ik bij het huis van vader, die het ook al donkerder begint in te zien.

 

Paardevolk op weg naar de Friese kust. Op deze afdruk in Heerenveen.

 

Op de dinsdagmiddag ga ik naar hotel Krikke en vraag om een gesprek met de commandant. Ik mag binnenkomen en zeg dat ik kom om het geld voor het geleverde brood. De commandant zegt dat we niets zonder geld moeten afgeven en dat deze rekening na de oorlog betaald zal worden. Tegen de avond, als we de radio even uit hebben gedraaid, komt onze buurman van Schoot binnen stuiven: 'Ze zeggen dat Nederland gecapituleerd heeft' brengt hij met moeite uit. 'Dat komt ervan, als er zo'n (x...) op de troon zit'. Vreemde woorden uit de mond van zo'n nette, gezagsgetrouwe burger, maar wel tekenend voor de machteloze woede van dat ogenblik. Als mijn schoonmoeder even later tegen hem zegt: 'Als je nu je zoon maar weer gezond thuis krijgt', maakt de woede bij buurman plaats voor tranen.

De grote massa van de Duitse troepen verdween weldra en er bleken alleen wat bezettings en bewakingstroepen over. Ook schepen van de Kriegsmarine vonden de weg naar Lemmer. Toen er weer eens een groepje om brood kwam - er werd nu steeds keurig betaald - moest het ook op een schip in de haven bezorgd worden. Op de trambrug, waar ik enkele dagen eerder een Nederlandse wachtpost moest passeren, stond nu een Duitser. Ik kwam er even gemakkelijk langs als bij de vorige gelegenheid, maar er was ondertussen wel wat veranderd. We stonden aan het begin van een trieste tijd en het was maar goed dat we toen nog niet wisten dat dit vijf jaar zou duren.

Herinnering aan zaterdag 27 juli 1940.

De informatie is verkregen van mej. U. Koopmans, wonende op de Nieuwburen. Verschillende foto's zijn door vader Koopmans genomen en ook in zijn eigen donkere kamer in het grote huis in de Schans ontwikkeld en afgedrukt.

De Lemmerboot was net vanuit Amsterdam gearriveerd in de haven van Lemmer. De heer M. Westerveld die van de boot thuiskwam woonde naast het Buma-gemaal. Voor hij naar huis ging haalde hij een bosje bloemen bij de bloemist Funcke. Deze winkel stond tegenover de bakkerswinkel. Bij thuiskomst zag hij het groepje mensen met de politieman niet ver van de woning bezig. Hij zei tot zijn vrouw dat hij daar even een kijkje ging nemen, om te zien wat er precies aan de hand was. Het werd ook voor M. Westerveld zijn laatste wandeling.

Bakker J. Koopmans had ook klanten onder het werkvolk van de sleepboten van Piet Smith, zij groeven de kanalen tijdens de droogmaking van de NOP. Dit werkvolk dwaalde na het dagelijks werk wel door Lemmer, zo ook een zekere J. de Waard, woonachtig in Rotterdam. Sinds de bombardementen op Rotterdam waren zijn vrouwen twee kinderen danig van streek en man en vader De Waard had het oog al eens laten vallen op de grote woning en bakkerij van Jan Koopmans. Hier was ruimte genoeg voor twee gezinnen, vandaar dat aan de bakker en zijn vrouw gevraagd werd om een gedeelte van de woning voor een tijdje te mogen huren om zo weer tot rust te mogen komen.

En zo geschiedde dat op vrijdagavond 26 juli 1940 vanuit Rotterdam de fam. De Waard, man, vrouw en twee kinderen, Adrie 2 jaar en Dinie van 5, arriveerden; precies een dag voor de ramp die Lemmer treffen zou. De bakker die op zaterdagmorgen met het hanengekraai al moest opstaan lag reeds ter ruste en maakte pas de volgende morgen kennis met de gasten. Die zaterdag werd gezamenlijk met de gasten de middagmaaltijd gehouden, voor bakker J. Koopmans de laatste maaltijd op deze aarde.

Bakker Koopmans ging in de namiddag nog brood bezorgen bij het werkvolk van de sleepboten en moest langs het Bumagemaal. Het is ook voor bakker Koopmans de laatste reis geworden om zijn brood aan de man te brengen. Het drama werd in het dorp spoedig bekend en de onheilstijding werd gebracht bij moeder Koopmans. Een diepbedroefde moeder bleef achter met haar 4 kinderen en dat gold al de gezinnen waar een dode te betreuren viel. De vrouw die naar Lemmer was gekomen voor rust, was geheel overstuur en wilde gelijk terug naar Rotterdam. Maar daar wilde haar man niet van weten en sprak: 'We zijn nu hier nodig'. Zo bleven zij 3 maanden te gast bij de weduwe Koopmans en dit is haar tot grote steun en bemoediging geweest. Er ontstond een hechte band en vriendschap die al de jaren door in stand is gebleven. Menig jaar kwam deze familie, soms wel een week of zes, te gast bij de weduwe Koopmans.

Het gezin J. Koopmans en E. Koopmans-Faber. Van links naar rechts, oudste dochtertje Uilkje 9 jr, zoontje Rintje 2 jr. dochter Martzen 7 jr. en het kleine meisje op moeders arm Minke 1 jr. Foto daterend van 1939.

 

De bakkerswinkel en bakkerij van Jan Koopmans in de Schans te Lemmer.

Meistaking 1943.

Ter nagedachtenis aan Jouke Bootsma.

Jouke G. Bootsma.

 

Jouke is geboren op 21 augustus 1903 te Lemmer, van beroep visser, overleden 4 mei 1943. Jouke was een zoon van Gauke Bootsma en Iempkje B. Vlig. Het gezin telde 9 kinderen waarvan Jouke als 3e zoon is geboren. Op lafhartige wijze is hij door de Duitsers onverwachts neergeschoten (vermoord). In verband met de staking gold een samenscholingsverbod, maar van samenscholing was geen sprake, men liep naar huis om te eten.

Wrede tirannie, lafhartige moord.

Jouke zijn broer Hendrikus Bootsma (87 jaar) herinnert het zich nog als de dag van gisteren en zegt over het gebeurde: Er zijn geen woorden voor wat de Duitsers ons op de hals hebben gehaald. De altijd opgewekte en vriendelijke Hendrikus is zeer bewogen als hij hier aan terugdenkt en zegt: bij het ouder worden komt het steeds in gedachten. Het was om etenstijd dat wij met z'n drien, Jouke, Jurjen en ik, als broers naar huis liepen om te gaan eten, we kwamen van de vissersboot.

Plotseling werd er zonder enige reden door de Grne Polizei geschoten op de drie broers, het is een wonder, aldus Hendrikus dat wij niet alle drie werden getroffen. Onze broer Jouke werd dodelijk verwond en was op slag dood. Hij werd bij bakker Loen binnengedragen waar dokter Knufman niet anders dan de dood kon constateren.

Groot was de verslagenheid in het gezin Bootsma-Vlig. Hoewel wij niet kerkelijk waren, moeder ging soms een enkele keer ter kerke, is het toch tot grote troost en bemoediging geweest dat Ds. A. Keuzenkamp na het gebeurde ons opzocht en ook de begrafenis heeft geleid. Wat zijn wij die dominee daar dankbaar voor geweest, vertelde Hendrikus Bootsma. Over zijn oude dag laat hij zich ontvallen: Ik heb het ja zo goed als toen ik werkte en ben dankbaar. Frida (dochter van broer Pieter) komt elke vrijdag en zorgt dat alles netjes en schoon blijft. Op vrijdag 22 juli werd Hendrikus Bootsma opgenomen in het ziekenhuis en is overleden op 31 juli 1994, oud 87 jaar. Weer een bekende Lemster heengegaan.

 

Oude Sluis te Lemmer. Hier liepen de 3 broers Hendrikus, Jouke en Jurjen. Het eerste huis aan de rechter kant was de bakkerswinkel van Van Loen. De Grne Polizei zetelde in het waterschapsgebouw aan de Kortestreek (later slijterij A. Hendrikse). Het grote gebouw op de achtergrond is de openbare MULO.

De nieuwe fiets en de verkregen Ausweis.

Chef veldwachter D.M. Kok, maart 1938.

Gemeenteveldwachter D.M. Kok, geboren op 15 april 1886 werd aangesteld op 15 maart 1913 als nachtwacht. In 1917 werd hij gemeenteveldwachter en klom in de loop der jaren op tot chef veldwachter. In 1938 vierde hij zijn 25 jarig dienstverband bij de gemeente.
Een veelbesproken man, over het algemeen in het negatieve.

Als deze overheidspersonen hun plicht doen dan is men vaak niet geliefd, dus .... zeker geen eenvoudig ambt. Als Doede Kok, langs kwam en het was om en nabij sluitingstijd voor de winkels dan waarschuwde hij eenmaal, maar als hij opnieuw langs kwam dan waren de klanten snel weg. De (baldadige) jeugd van Lemmer had het ook niet zo op de veldwachter staan, men was snel verdwenen als men hem in de verte aan zag komen. Hier volgen twee historische schetsen van twee broers, geboren Lemsters waarvan n reeds overleden, die elk op hun wijze kennis maakten met Doede Kok.

Nieuwe fiets.

Een jongeman van omstreeks 35 jaar had enige jaren gespaard voor een nieuw rijwiel en net voor het uitbreken van de oorlog aangeschaft. Toen in de oorlog de fietsen werden gevorderd werd de nieuwe fiets opgeborgen bij zijn grootmoeder op een slaapkamer. De veldwachter, die niet ontgaan was dat de Lemster op een nieuwe fiets reed, vroeg op zekere dag aan hem of hij zijn fiets al ingeleverd had, het antwoord luidde ontkennend.

'Dan wordt het tijd dat je deze inlevert' was het antwoord. Een aantal weken verliepen en de vraag werd opnieuw gesteld en opnieuw was het antwoord ontkennend. Tenslotte dreigde de veldwachter met behulp van de Duitsers de fiets op te sporen. De Lemster jongeman was niet benauwd en sprak tot de veldwachter 'als je dat doet dan weet ik wat mij te doen staat, zodra deze oorlog is afgelopen'. Wat er gezegd werd laten we verder rusten, de veldwachter verdween en de fiets bleef verborgen op een zolderkamertje in Lemmer, en na de oorlog reed de Lemster weer op zijn nieuwe fiets.

Te Hilversum werden enorme depots gevormd uit het materiaal der Hermann Goering-divisie, die met Nederlandse fietsen 'mobiel' was gemaakt, n fiets ontbreekt er echter....

Een Ausweis.

Op 11 dec. 1942 vertrekt een Lemster ingezetene als fabrieksarbeider verplicht naar Duitsland. Hij keerde terug op 19 januari 1944. In deze periode kwam hij twee maal met verlof thuis en bij het laatste verlof ging hij onderduiken. Eerst verbleef hij bij familie in Makkum. Vrouw en zoontje had hij lief en .... was ook net als zijn broer niet bang uit gevallen, daarom vertrok hij weer naar zijn geboortedorp en woonplaats. Zijn vrouw stond duizend angsten uit en was bevreesd voor een inval.

Op een dag zegt de man tot zijn vrouw: 'Je moet voor mij als je wilt even naar veldwachter Kok lopen en hem vragen of hij even langs komt'. De vrouw schrikt en zegt, 'hoe krijg je het in je hoofd'. Maar de man dringt aan en zegt laat het maar aan mij over. Tenslotte zwicht de vrouwen haar man kennende, vertrouwd zij er op dat het goed zal aflopen. En zo arriveert chef veldwachter Kok bij deze familie, maar voordat hij iets weet te zeggen vraagt de onderduiker hem: 'U was altijd goed bevriend met mijn vader, kunt u niet zorgen dat ik een Ausweis krijg, want een hele dag hier in huis zitten is niks voor mij'. Kok zegt: 'je vraagt nogal wat, maar ik zal het proberen', en ..... na enige tijd heeft Doede Kok een Ausweis bezorgd bij de Lemster ingezetene. Kort hierna komt Kok weer langs en vraagt wil je wel op de sluis werken, want er is een man nodig. En zo zorgde Doede Kok voor een Ausweis en werk. Ook dit was Doede Kok!

Na de oorlog werd ook de chef gemeenteveldwachter naar kamp Sondel opgebracht, waar vele gedetineerden werden ondergebracht, wachtend op een rechterlijke uitspraak in verband met hun houding en gedrag in de oorlog met de vijand. De chef gemeenteveldwachter die zich zelf schuldig heeft gevoeld, heeft het rechterlijke vonnis niet willen afwachten, maar nam het recht in eigen handen en liet een diepbedroefde weduwe en dochter achter, hij overleed op 22 maart 1946. Op de grafsteen van Doede Kok, lezen wij: overleden 22-03-1946. Romeinen 14:12. En dit geschrevene geldt niet alleen voor Doede Kok maar....elk mensenkind, wie staat...ziet toe dat hij niet valle!

 

Lemmer, ingang sluis.

Haye en Aaltje Dijkstra hielden anderhalf jaar Joods echtpaar verborgen.

Door Albert Hendriks.

Lemmer - Van december 1943 tot aan de bevrijding van Lemmer op 17 april 1945 waren Adriaan Carel Kroonenberg (geboren in 1905) en zijn vrouw Eva (geboren in 1908), Joden en thans woonachtig in Naarden, ondergedoken bij de familie Haye Dijkstra aan de Schoolstraat. De concirge van de Koningin Wilhelminaschool, die 21 november 1978 op 87-jarige leeftijd kwam te overlijden en zijn vrouw Aaltje Zweep, die enkele jaren daarna overleed, werden 20 december 1979 door de Isralische ambassade in Den Haag namens het volk van Isral postuum gehuldigd voor hun hulp aan voor de Duitsers vluchtende Joden, die zij herhaaldelijk een tijdelijk onderkomen boden. Zoon Marten Dijkstra, de oud-havenmeester heeft december vorig jaar de Yad Vashem onderscheiding op de ambassade in ontvangst genomen. Over het Joodse echtpaar Kroonenberg, dat de oorlog overleefde mede dankzij de welwillende en menslievende medewerking van het Lemster echtpaar Haye en Aaltje Dijkstra, gaat het volgende verhaal.

Links de heer Adriaan Carel Kronenberg, het echtpaar Dijkstra en mevrouw Eva kronenberg, foto 1970.

 

De Jodenvervolging.

Het ergste voorbeeld uit de geschiedenis van een regering die discrimineerde, was de Duitse Nazieregering van Adolf Hitler.

Dit valt te lezen in de Anne Frank Krant, waarin veel informatie over de Joden in de Tweede Wereldoorlog en hedendaagse vormen van discriminatie. Hitler' s discriminatie ging heel ver: hij liet de Joden uitroeien. Hitler wilde "Lebensraum" voor Duitsland en het "Arische ras" veroveren. Na Polen werden dan ook vele andere landen door Hitlers manschappen aangevallen. Op 10 mei 1940 vielen Duitse troepen Nederland binnen en op 14 mei moest Nederland zich al overgeven, omdat onze soldaten zo goed als niets tegen de Duitse overmacht konden beginnen. De Duitse overheersing in ons land was een feit elders op de wereld werd de Duitse agressie voortgezet. Overal werd gevochten: West-Europa, Rusland, Balkan, Noord-Afrika en Oost-Azi.

Niet alleen militairen sneuvelden, maar ook miljoenen burgers. In de Tweede Wereldoorlog zijn er ongeveer 17 miljoen militairen gesneuveld en tussen de 20 en de 30 miljoen burgers verloren het leven, waaronder ongeveer zes miljoen Joden. De Jodenvervolging was al enige jaren voor de oorlog begonnen. De in Duitsland wonende joden hadden al in de jaren dertig, toen Hitler aan de macht kwam, te lijden gehad van discriminatie en vervolgingen.

Nederlandse en naar Nederland gevluchte joden kregen het benauwd toen de Duitse troepen mei 1940 ons land binnenvielen. Nederland telde ca 115.000 joodse Nederlanders en nog zo'n 25.000 joden, die naar ons land waren gevlucht, nadat Hitler in Duitsland aan de macht was gekomen. En zo'n joodse familie die uit Duitsland vluchtte, was de familie Frank. Toen de Duitsers in Nederland waren, trachtten vele Joden via IJmuiden en Scheveningen per schip Engeland te bereiken. Een aantal joden pleegde uit wanhoop zelfmoord.

De in ons land door de Duitsers afgekondigde maatregelen ten nadele van de joden leken aanvankelijk niet zo erg voor de joodse bevolking. Een van de eerste gevallen van openlijke discriminatie van joden door de bezetter, de juli 1940 afgekondigde bepaling dat joden, evenals communisten en asocialen niet geschikt waren voor de arbeidsdienst in Duitsland, leek niet zo erg. De Duitsers gingen over tot het registreren van joden. De situatie was nog niet alarmerend.

Spoedig volgden onvriendelijker voorschriften. Boeken van Joodse auteurs en uitgevers mochten niet meer in de handel worden gebracht, joden mochten niet meer in openbare gelegenheden, als horecabedrijven, banken, bioscopen, winkels e.d, komen en werken. De joden werden herkenbaar gemaakt door de letter ,,J" in hun persoonsbewijs en door de gele Jodenster, die ze na april 1942 op straffe van onmiddellijke deportatie op kun kleding moesten aanbrengen.

In februari 1941 namen de tegen de joden gerichte terreurdaden van WA (Weerbaarheidafdeling van de NSB. De WA in november 1932 opgericht, werd ingevolge een regeringsverbod van alle particuliere weerkorpsen op 31 december 1935 opgeheven, maar kort na de Duitse inval in Nederland opnieuw opgericht) en de SS (afkorting van Schutz staffel - beschermingseenheid) in versneld tempo toe. In februari 1941 vonden ook de eerste grote razzia's in de Jodenbuurt van Amsterdam plaats. De bevolking protesteerde heftig door de Februaristaking, maar de Duitsers lieten zich daardoor niet weerhouden.

Enkele honderden joden werden weggevoerd naar de concentratiekampen Buchenwald en Mauthausen. Aan de al bestaande anti-joodse bepalingen werden er steeds meer toegevoegd: joden mochten niet uit Amsterdam verhuizen, moesten eerder dan andere Nederlanders hun radiotoestellen inleveren en kregen geen toegang tot de effectenbeurzen. Uit grote orkesten en theatergezelschappen werden ze ontslagen. Van joodse componisten mocht geen muziek meer worden gespeeld.

In de herfst van 1941 werd bepaald dat voor joodse kinderen aparte scholen opgericht moesten worden. In de zomer van 1942 werd in Nederland een begin gemaakt met het op grote schaal deporteren van joden. Aan de Joodse Raad werd medegedeeld dat alle joden in de leeftijd van 16 tot 40 jaar in Duitsland zouden moeten gaan werken. Na enige aarzeling besloot de Raad de hiertoe gevraagde medewerking te verlenen, in de hoop dan tenminste nog iets goeds voor de joden te kunnen doen. Begin juli ontvingen de eerste joden de eerste verzoeken tot melding. Velen besloten aan de oproep geen gehoor te geven en doken onder.

Onderduiken.

Adriaan Carel Kroonenberg, woonde met zijn vrouw in Driehuiswesterveld bij Velzen en was werkzaam bij de Twentsche Bank in Amsterdam. Oktober 1941 werd de directie gedwongen hem te ontslaan, doch hij behield een bepaalde uitkering. In mei '42 moest de familie Kroonenberg hun huis in Driehuiswesterveld verlaten en ging bij joodse familie in Amsterdam wonen. Er werden verschillende razzia' s gehouden, maar de heer en mevrouw Croonenberg en hun 7-jarig dochtertje Johanna ontsprongen nog steeds de dans, dankzij veel koelbloedigheid en veel geluk.

De joden moesten zich melden maar de heer en mevrouw Kroonenberg deden dat vanzelfsprekend niet Op een gegeven moment werd de familie van de Kroonenbergs opgepakt. De grond werd de Kroonenbergs te heet onder de voeten. Ze kregen hulp van een collega van de heer Kroonenberg, toen het drietal zich inmiddels in een leegstaand huis, waar al joden uit gehaald waren, huisvestte. Dat leegstaande huis bevond zich in de Transvaalstraat. Ook daar was het voor hen niet veilig. De collega van de bank, de heer Wim Reinders uit Amsterdam, haalde hen uit het lege huis en gaf ze bij hem thuis onderdak. Na een maand bij zijn collega te hebben verbleven, verhuisde de heer Kroonenberg met zijn gezin naar een andere collega in Haarlem. Daar werd door de ondergrondse het plan gesmeed de familie Kroonenberg via Amsterdam naar Friesland te brengen.

Amsterdam.

De ondergrondse verzocht de familie Kroonenberg naar een bepaald punt in Amsterdam te komen, om vandaar per houtgestookte auto naar Friesland vervoerd te worden. Het was oktober 1943 toen de Kroonenbergs in Haarlem op de trein naar Amsterdam stapten, om zich daar bij een boekwinkeltje te melden. Wat de heer Kroonenberg zich nog van die boekhandelaar herinnerd is, dat hij een communist was, actief in het verzet. Toen de Kroonenbergs zich bij die boekwinkel meldden kwamen er nog twee joden aanlopen. Een vreselijk zenuwachtige vrouw met haar 10-jarig zoontje. In de winkel werd afgesproken dat de vreemde vrouw met haar zoon en de heer Kroonenberg met zijn dochtertje Johanna in de auto zouden stappen. Mevrouw Kroonenberg zou apart met een verzetsman naar Friesland reizen, omdat zij er niet zo joods uitzag, hetgeen wel het geval was met die onbekende vrouw, die bovendien erg zenuwachtig was. Allemaal in de auto ging niet.

Naar Joure.

Achter het stuur van de auto zat de architect Boonstra uit Joure, die later in de oorlog is gefusilleerd Hij werd vergezeld van een voor de Kroonenbergs onbekend gebleven man. Er zou via Amersfoort naar het Noorden worden gereden. Het werd voor iedereen in de auto een zeer angstige rit. De mannen van de ondergrondse waren bewapend en zeiden de Joodse onderduikers op de Duitsers te zullen schieten, wanneer het onderweg fout zou gaan. De heer Kroonenberg vroeg ook een pistool, doch kreeg die niet.

In Amersfoort wemelde het van de Duitsers, maar het toeval wilde dat ze nooit aangehouden werden. De mannen van de ondergrondse zorgden onderweg voor ontspanning in de auto door geestelijke liederen te zingen. Het hielp blijkbaar, want het zestal kwam zonder kleerscheuren in Joure aan. De Joden werden ondergebracht bij een eigenaar van een wasserij, die vlakbij Joure woonde. Vandaar werd dochtertje Johanna naar een ook voor haar ouders geheim onderduikadres gebracht Later, nog in de oorlog, zijn de heer en mevrouw Kroonenberg er achter gekomen, dat hun dochtertje in Heeg verborgen werd gehouden.

Nadat de heer Kroonenberg twee dagen in Joure had gezeten, voegde zijn vrouw zich bij hem. Zij was met de trein met een verzetsman naar het Noorden gereisd. Het echtpaar reisde vervolgens met de stoomtram van Joure naar Lemmer, waar het werd ondergebracht bij de familie Onderweegs, die in het huis Schoolstraat 18 te Lemmer woonden. Het was november 1943. De heer Onderweegs, werkzaam op de gemeentesecretarie, zat dik in het verzet.

Op een gegeven ogenblik werd het te gevaarlijk voor de joodse familie daar te blijven. Begin december 1943 verzocht de heer Onderweegs zijn buurman Haye Dijkstra, concierge van de christelijke lagere Koningin Wilhelminaschool, de familie Kroonenberg onderdak te verschaffen. De heer Dijkstra was een betrouwbaar man die onder andere een goed heenkomen zocht voor gedropte wapens. Wapens, bedoeld voor de Binnenlandse Strijdkrachten, werden op de zolder van de Koningin Wilhelminaschool verborgen gehouden.

Bij de Dijkstra's.

De heer n mevrouw Kroonenberg verbleven in de achterkamer van het kleine huis aan de Schoolstraat en sliepen boven in een van de slaapkamers, welke ook aan de achterkant van het huis was gelegen. De kleine uitkering, die de heer Kroonenberg van zijn bank kreeg, werd bestemd voor de familie Dijkstra voor het onderhoud van de kostgangers. De uitkering was lang niet toereikend, maar Haye Dijkstra was van mening, dat zolang hij het zelf nog kon financieren, hij geen financile of andere hulp van de ondergrondse wilde.

Op het nippertje.

Er werd altijd goed gegeten bij de Dijkstra's. De Kroonenbergs hadden in het begin nog een beetje bewegingsvrijheid. Soms ging het echtpaar' s avonds laat even in de tuin of op straat een luchtje scheppen. Toen er een uitgangsverbod in Lemmer werd afgekondigd, werd het 's avonds naar buiten gaan veel te gevaarlijk. Zodoende hebben de heer en mevrouw Kroonenberg meer dan een jaar niet in de frisse lucht van Lemmer kunnen lopen.

De families Dijkstra en Kroonenberg hebben angstige momenten meegemaakt. Eens was er iemand in Lemmer ontsnapt uit de handen van de Grne Polizei. De Duitsers maakten jacht op de ontsnapte en doorzochten daarom verscheidene huizen. Ook de Schoolstraat werd afgezet. Net toen de huizen aan de Schoolstraat doorzocht zouden worden, werd de ontsnapte in een straat achter de Schoolstraat gepakt.

Het gevaar was toen tijdelijk geweken voor de heer en mevrouw Kroonenberg en uiteraard voor de familie Dijkstra. Een paar keer, toen het er op leek dat het huis van Dijkstra doorzocht zou worden, werden de heer en mevrouw Kroonenberg even bij anderen ondergebracht, onder andere bij de onderwijzer Homans van de christelijke lagere school en bij een zoon van een palingvisser. De heer Kroonenberg herinnert zich de naam van die visser niet meer.

Met de Kerst van 1944 moest het echtpaar Kroonenberg hals over kop zijn schuiladres aan de Schoolstraat verlaten, omdat iemand van de ondergrondse een tas met valse persoonsbewijzen had verloren.

Mooi moment.

In de zomer van 1944 vernam Haye Dijkstra van familie uit Heeg, dat die een jong joods meisje in huis hadden. Het meisje werd beschreven en de beschrijving werd doorgegeven aan de familie Kroonenberg. Zeker was, dat het een meisje uit Amsterdam was. De eerste reactie van de Kroonenbergs op Haye Dijkstra' s beschrijving was, dat het meisje misschien wel hun Johanna was. Mevrouw Kroonenberg is met een boot van een werfbaas uit Heeg naar Heeg gebracht, waar ze mocht kennismaken met het joodse meisje uit Amsterdam, dat inderdaad haar dochtertje bleek te zijn.

Ondertussen.

Ondertussen haalden de Duitsers her en der in Nederland joden uit hun huizen. Alvorens de joden vanuit Amsterdam werden weggevoerd, werden ze verzameld in de Hollandse Schouwburg, waar ze soms dagenlang op transport moesten wachten. Van daaruit werden ze gebracht naar kampen in Nederland, het merendeel naar het in Drente gelegen kamp Westerbork. Andere kampen waren Ellekom, Amersfoort, Schoorl, Ommen, Doetinchem en Barneveld.

Na kortere of langere tijd werden ze van hieruit op transport gesteld naar een van de kampen in Duitsland of Polen. Aanvankelijk was het enkelen gelukt om door middel van een stempel op hun persoonsbewijs vrijgesteld van deportatie te worden. Lijsten van vrijgestelden werden samengesteld door de Joodsche Raad Joden met een buitenlandse nationaliteit, een aantal gemengd gehuwden en zij van wie hun al dan niet jood zijn nog in onderzoek was, kregen het begeerde stempel op hun persoonsbewijs. Het onderzoek naar de raszuiverheid van de laatst genoemde groep joden werd verricht door de Duitse advocaat H. G. Calmeyer.

Al gauw bleek dat ook deze stempels niet altijd een voldoende waarborg vormden voor de vrijstelling van deportatie. In 1943 begonnen de Duitsers ook met het wegvoeren van de vrijgestelden en zelfs van leden van de Joodsche Raad, die aanvankelijk ook van deportatie waren vrijgesteld. Van de 140.000 in Nederland wonende Joden werden er in totaal naar schatting 110.000 naar concentratiekampen in en buiten Nederland overgebracht.

Van hen werden de meeste vanuit Westerbork naar het vernietigingskamp Auschwitz getransporteerd. Ook in het Poolse kamp Sobibor kwamen duizenden Nederlanders om. Vooral jongeren werden niet direct gedood, maar naar een "Arbeitslager" gestuurd, waar bijna iedereen stierf als gevolg van honger, uitputting en mishandeling. De 'Arbeitslager' lagen in Sachsenhausen, Bergen Belsen en Ravensbrck (vrouwenkamp). Minder dan 6000 Nederlandse joden zijn na de oorlog uit Duitsland teruggekeerd.

Bevrijding.

Enige tienduizenden joden in Nederland hebben geprobeerd zich aan de vernietiging te onttrekken door onder te duiken. Velen werden verraden of konden de angsten niet meer doorstaan en gaven zich aan. Voor joden zonder geld was het vaak een hele toer om aan onderduikadressen te komen. Ook de heer en mevrouw Kroonenberg waren geen vermogende mensen. De heer Kroonenberg was gewoon bankemploy en genoot een klein salaris. Hij, zijn vrouw en dochter hadden echter het geluk dat ze liefdevol verborgen werden gehouden in Friesland. Toen de Canadezen in de nacht van 16 op 17 april 1945 vanuit Scharsterbrug de havens van Lemmer beschoten, belandde een granaat in het achterhuis van het pand Schoolstraat 22. Het huis van de buren van Haye Dijkstra werd ernstig beschadigd.

De buurvrouw zocht met haar kinderen een veilig heenkomen in de kelder van het huis van de Dijkstra's. Daar zag zij, de buurvrouw, voor het eerst dat haar buren een Joods echtpaar schuil hielden. Nooit hebben de buren of anderen geweten, dat de familie Kroonenberg al anderhalf jaar bij de familie Dijkstra verbleef.

Vanzelfsprekend was de bevrijding een niet te beschrijven feest voor de familie Kroonenberg. Een domper op de vreugde was, toen men later moest vernemen dat de hele familie van de kant van de vrouw door de Duitsers was vermoord en bijna de hele familie van de heer Kroonenberg. Alleen een zuster van laatstgenoemde heeft de oorlog overleefd.

Uitholling democratie.

Zoals we al schreven, praat de heer Kroonenberg - begrijpelijk - niet graag over zijn oorlogservaringen. Toch vindt hij het zinvol de Duitse bezetting in het algemeen en de Jodenvervolging in het bijzonder na 35 jaar weer in de kranten te beschrijven. Verhalen uit de serie "De Tweede Wereldoorlog en Lemsterland", die waar zijn gebeurd, ziet hij als een waarschuwing voor een ieder, die op schandalige wijze de duur betaalde vrijheid misbruikt en voor een ieder die het misbruik maken van de vrijheid tolereert. Want vrijheidsmisbruik lijdt tot extreem rechtse, fascistische reacties, stelt de heer Kroonenberg. Zij, die de democratie uithollen, helpen "mensen" als Adolf Hitler aan de macht.

Dankbaar.

Adriaan Carel Kroonenberg, in de oorlog Karel, zijn de Tweede Wereldoorlog mede dankzij de Lemsters goed doorgekomen. Ook dochter Johanna, geboren in 1935, is heelhuids door die verschrikkelijke wereldoorlog gekomen. Zij woonde later in Nijkerk. Door het toedoen van Adolf Hitler en zijn sympathisanten hebben bijna 6 miljoen joden het leven verloren, waarvan 106.000 joodse Nederlanders.

De heer Kroonenberg, die na de oorlog officier in het Nederlandse leger is geworden en in 1965 met pensioen is gegaan, praat liever niet over de periode 1940 - 1945. Hij is de familie Dijkstra voor het redden van zijn leven en het leven van zijn vrouw altijd zeer dankbaar geweest. Tot de dood van Haye Dijkstra hebben ze regelmatig de familie Dijkstra in Lemmer bezocht. De laatste jaren is er vooral een hechte band ontstaan tussen een zoon van Haye, Marten en zijn vrouw Wietske Reyenga. Marten heeft namens zijn gestorven vader 20 december 1979 de Yad Vashem-onderscheiding in ontvangst genomen. Dat vader Haye de onderscheiding zou krijgen, was hem al voor zijn dood verteld.

Deze foto van de heer Kroonenberg, dochter Johanna en mevrouw Kroonenberg, is vrij kort na de oorlog genomen. De heer Kroonenberg, werd eind juli 1945 opgeroepen als reserveofficier en is later beroepsmilitair geworden. Hij kon zijn baan bij de Twentse bank wel terugkrijgen.

 

De Schoolstraat in Lemmer. In het huis op de voorgrond hield de familie Dijkstra de Joodse familie Kroonenberg uit Driehuiswesterveld (bij Velzen) anderhalf jaar verborgen. Het tweede huis werd in de oorlog bewoond door de verzetstrijder Onderweegs, die werkzaam was op de gemeentesecretarie.

Een gebouw dat een andere functie kreeg.

Door Jan H. E. Blessinga.

In februari 1937 werd het bestek voor een gebouw voor de Dienst Zuiderzeewerken goedgekeurd en aanbesteed.
In dit gebouw bevond zich o.a. een kantine, recreatiezaal en een woning voor de kantinebeheerder. Verder een directieverblijf met drie directievertrekken en op de tweede verdieping vijf slaapkamers voor de opzichters. De plaats waar dit onderkomen gebouwd werd was op het z.g. opslagterrein van de Zuiderzeewerken, waar later Van der Wal en Van der Molen hun bedrijf hebben. Deze plaats was gekozen zodat het zowel te water als te land gemakkelijk te bereiken was. Gedurende de periode 1940-'45 werd dit gebouw eerst gedeeltelijk, later geheel door de Duitse bezetting in gebruik genomen. Het deed o.a. dienst als opslagplaats voor munitie en als onderkomen voor de militairen en werd zeer zwaar bewaakt. Op de polderdijk waarachter nu de wijk Lemstervaart ligt stond ook afweergeschut.

De beschieting en bevrijding (Een vuurbaken naar de Lemsterhavens)

Het Rgiment de la Chaudire (Qubec) moest Lemmer innemen en verhinderen dat de Duitsers zich daar op grote schaal zouden inschepen om naar de Randstad te ontsnappen. Volgens een rapport van de illegaliteit beschikte Lemmer over een bezetting van 150 man, terwijl 250 militairen de doorvoer van de soldaten moesten regelen. Op 16 april trokken honderden Duitsers en landwachters in o.a. gestolen voertuigen naar Lemmer. Om de plaats werd in een halve cirkel een gemproviseerde defensie gordel gelegd. Daarna werd de brug bij Follega opgeblazen.

In Lemmer heerste een onbeschrijflijke chaos. De straten waren verstopt door vluchtende Duitsers die zelfs vee met zich mee voerden. Om 10 uur 's avonds kwam het Canadese geschut in actie. Dit geschut stond opgesteld tegenover de huizen aan de weg Ouwsterhaule/Haskerhorne volgens Wiebe Feenstra, die dit heeft onderzocht. Ongeveer bij de tweede serie schoten werd het eerder beschreven directiegebouw van de Zuiderzeewerken geraakt en ging met zeer veel ontploffingen en felle brand de lucht in, brandende brokstukken vlogen boven de gebouwen van de Stoomhoutzagerij uit. We woonden toen op de Polderdijk, vanwaar deze brand heel goed te zien was, met name in het Achterom en omgeving was zeer veel schade.

De Canadezen konden nu de richting en afstand bepalen op de havens van Lemmer. De beschieting, waarschijnlijk met brisantgranaten, duurde tot 5 uur. Eerst werd er om de 10 minuten geschoten, later in de nacht om de 15 minuten. Zoals door zeer veel inwoners van Lemmer werd ook door ons de nacht in de kelder doorgebracht. Om 8 uur is Lemmer vrij. De Duitse troepen waren grotendeels per schip gevlucht, vermoedelijk richting Kornwerderzand. Er was een grote buit aan geweren, voedsel en rommel achtergelaten, maar de haven en sluis waren niet vernield.

Wel had men bij de ingang van de havens Rijnaken tot zinken gebracht. In de sluis lag een gezonken betonnen Duits landingsvaartuig. Om ongeveer 11.15 uur kwamen de eerste twee compagnien van de bevrijders, Lemmer onder luid gejuich van de toegestroomde bevolking via de Straatweg Nieuwburen Lemmer binnen, toen de brug in Follega provisorisch hersteld was kwam er ook zwaarder materiaal.

In hun 'War Diary' schreven de Canadezen o.a. 'Binnen een uur was het stadje geheel in onze handen. De Duitsers vluchtten per schip'. De Chauds bleven niet lang in Lemmer. Hierna kwamen militairen van de Queens Own Rifles en daarna Engelse militairen. Er werd in die dagen heel wat afgespeeld door de drie orkesten die Lemmer toen rijk was: Excelsior, Crescendo en St.Cecilia.

Plaquettes Queen's Own Rifles of Canada Oostburg - Oorlogsmusea.nl

Belevenissen van een onderduiker in Lemsterland, 1944-1945.

In de boerderij op de voorgrond leefde onderduiker Kees Pijl, 1944-1945. De boerenfamilie Thijs de Haan op Westeind 7 Oosterzee, verleende hem onderdak. Thans wordt de boerderij bewoond door zoon Lucas J. de Haan en zijn vrouw. De tweede en derde boerderij van de fam. S. Jansma en KL. Visser zijn alle twee in 1991 afgebrand. Thijs de Haan overleed in 1984 De foto's bij dit artikel zijn grotendeels afkomstig uit de familiealbums van L.J. de Haan, C. Pijl en E. en J. de Vries.

 

Hier woont de Lemster schrijver E. de Vries met zoon Johannes, die later de bakkerswinkel van zijn reeds lang overleden grootouders (Schirm) voortzette.

 

Onderduikers.

Door: Evert de Vries

Lemmer -6 maart 1985.

Op het burgemeester Krijgerplein zijn eenden en kraaien aan het zoeken om voedsel. Nu er nog ijs in het Dok ligt is het voor de vogels ook geen vetpot Gelukkig zorgen de mensen er wel voor dat bijgevoerd wordt Bij het brughokje staan zes mensen in de luwte. Verder is alles nog in rust. Als ik in mijn aantekenboekje kijk dan was het vorig jaar op deze datum hetzelfde weer als vandaag: een mooie bries uit het zuidwesten en zonnig. Met deze wind komen de weidevogels terug en dan zal het eerste kievitsei wel gauw worden gevonden. Vorig jaar werd het eerste ei gevonden op zondag 13 maart om 14.45 uur. Op mijn kaart voor de wedstrijd die de Leeuwarder Courant hier altijd van maakt had ik wel die dertiende maart gezet, maar 9.20 uur. Lemmer 1 won op diezelfde dag in Franeker van Freno met 4-1.

Deze week hielp ik een klant in de winkel en die vroeg mij of de naam Kees Pijl mij ook wat zei. Nu, dat was een ver familielid die in de oorlog een poosje bij ons ondergedoken was. Deze klant bleek op hetzelfde kantoor te werken als Kees. Hij had verteld dat hij hier vaak kwam om suikerbrood en Friese duimpjes en nu moest hij dan meteen de groeten van Kees doen. Wij praatten er even over door en ik vertelde hem hoe Kees in de oorlog op een morgen vroeg voor ons stond. Hij was op de vlucht voor de Duitsers en wilde hier in Lemmer onderduiken. Hij werd eerst bij Minke Schots man ondergebracht, een nicht van mijn schoonmoeder en dus ook familie van Kees.

Later kwam hij bij ons, maar dat was gevaarlijk omdat wij hier in het centrum van Lemmer soms allerlei Duitsers en wat daar bij hoorde in de winkel kregen. In de buitenlucht kwam Kees niet, hoogstens 's avonds even met mijn schoonvader. Hij wilde daarom liever wat achteraf in het land bij een boer onderdak zien te vinden. Zo kwam hij tenslotte bij De Haan op het Westend terecht. Het duurde niet lang of Arie Pijl, een broer van Kees, kwam hier ook een plaatsje als onderduiker zoeken. Hij werd bij Hoekstra, een buurman van De Haan, ondergebracht. (Ze werden gevangen genomen en vastgehouden?) in het Waterschapgebouw aan de Kortestreek.

Wij hadden er wel van gehoord maar wat er met hem zou gebeuren was nog afwachten. De volgende middag kwam mevrouw Hoekstra. Zij had gehoord dat Arie en nog wat andere gevangenen de volgende morgen om half tien op transport zou gaan. Zij wilde hem nu nog wat kleren brengen maar wilde liever niet alleen er op af en vroeg of mijn schoonmoeder mee ging. Vanzelfsprekend was die daartoe bereid. Toen de vrouwen bij het grote gebouw aanbelden kwam er een S.D.' er te voorschijn. Toen ze zeiden wat het doel van hun komst was, was het antwoord: "Nein". De man wilde de deur dicht doen, maar mijn schoonmoeder hield dat tegen, praatte door en kreeg het zo ver dat ze de kleren mochten brengen.

Toen ze in de ruimte kwamen waar de mannen gevangen werden gehouden en Arie de kleren gaven, hoorde ze een stem: "Niet te veel kleren meegeven, vrouw Schirm, want binnen 14 dagen zijn we weer in Lemmer terug". Mijn schoonmoeder vroeg de man wie hij was. Het bleek Bartele Kelderhuis te zijn, iemand van wie ze wel eens gehoord had maar die ze niet kende: Bartele kreeg wel gelijk; binnen de genoemde tijd was hij in Lemmer terug met het bericht dat ook Arie aan de Duitsers was ontsnapt en onderweg was naar Lemmer. De gehele oorlog zijn Kees en Arie verder bij De Haan en Hoekstra ondergedoken geweest Kees is hier vorig jaar nog geweest met de begrafenis van De Haan. Arie verbleef de meeste tijd in het buitenland.

 

27 maart 1985.

Door Kees Pijl, Rijswijk.

Als nakomeling van een Lemmer familie (Elisabeth Schotsman, zuster van Pieter Schotsman, was mijn grootmoeder) wil ik, nu de bevrijding binnenkort zal worden gevierd de Friezen, doch in het bijzonder mijn familie, tante Minke de Vries-Schotsman, de familie Schirm en ook niet te vergeten de familie De Haan van het Westend, vanaf deze plaats nogmaals bedanken voor de zorgen en moeiten welke zij zich op hun hals hebben gehaald, toen ze mij als onderduiker in 1944 in huis haalden. Ik ben mij ervan bewust, dat ik in die 40er jaren, hoewel ik af en toe mijn neus liet zien, niet bepaald overliep van dankbaarheid. Ik begrijp donders goed, dat men grote risico's nam om zomaar een verre neef uit Holland zonder veel gepraat onderdak te verschaffen.

Ik zie mij nog in 1944 afscheid nemen van mijn vader en broers. Hij zag er helemaal geen brood in. 'Jongen', zo sprak hij, 'wat wil je nu toch gaan ondernemen. Blijf nu maar zitten waar je zit, de oorlog zal toch niet zo lang meer duren en dat onderduiken is niets voor jou. Bij de boer moet je dag en nacht werken. En weet je wel zeker, dat je daar terecht kunt? Ze hebben onderduikers genoeg'. Met al dit soort argumenten probeerde hij mij thuis te houden. 'Nee pa', was mijn antwoord, 'ik ga naar Friesland, daar zal ik echt wel iets vinden'. Ik ging mijn opa en oma ook nog even van mijn plan op de hoogte stellen, ook zij zagen het donker voor me in. Zelfs zagen zij mij niet meer in Rijswijk terugkeren als ik mijn plannen zou doorzetten. Na gedag te hebben gezegd ging ik mijn koffertje pakken, zei mijn vader en broers vaarwel en verdween toen snel, nagezwaaid door allen, een nieuw avontuur tegemoet.

Met de trein vertrok ik naar Amsterdam, want het was de bedoeling met de Jan Nieveen de oversteek te wagen. De aanlegsteiger was snel gevonden, doch de Jan Nieveen was nog niet gearriveerd.

De Jan Nieveen in De Lemmer.

 

Deze zou pas in de loop van de middag afmeren en 's avonds elf uur weer vertrekken. Vanaf 8 uur 's avonds mocht men de boot pas betreden. Toen ik Amsterdam bereikte was het pas 3 uur in de middag, dus ik moest me nog een poosje zien te vermaken. Angstvallig hield ik mij bij de haven op en vermeed de stad, waar Nederlandse en Duitse politie in grote getale aanwezig was en af en toe steekproeven namen. Ik was tenslotte blij dat de boot op tijd aankwam en dat de passagiers zich konden inschepen en nu maar hopen dat er geen bootcontrole zou plaatsvinden.

Toen de Jan Nieveen eindelijk om 11 uur vertrok, viel er een pak van mijn hart. Voorlopig was alles veilig, of de Wasserschutzpolizei zou nog een controle kunnen uitvoeren, doch er gebeurde niets die nacht. Alleen bij de aankomst om 5 uur in Lemmer moest men opletten. Het was een mooie, heldere nacht, het was zomers aan dek. Ik weet goed, dat ik veel aan dek stond. Op de voorplecht van de Jan Nieveen probeerde ik de duisternis te doorboren. Het vlakke water en de prachtige sterrenhemel waren een lust voor het oog. Ik probeerde land te ontwaren, doch het was alleen maar water die eerste uren. In die tijd was de Noordoostpolder nog de enige polder, dus men voer uitsluitend over uitgestrekte watervlakten. Nu is het anders, dat weten we.

Eindelijk, na uren gevaren te hebben, kwam land in zicht, dit was de dijk van de Noordoostpolder. Na nog een poosje, het liep al tegen 5 uur, zagen we Lemmer liggen. Nog nooit was ik daar geweest, erg benieuwd was ik hoe ik daar ontvangen zou worden en hoe het tenslotte zou aflopen. Even over 5 uur meerden we af. Er was geen onraad te bespeuren. Ik besloot nog even aan boord te blijven, aangezien men moeilijk om die tijd bij de familie op de stoep kon gaan staan. Temeer daar ik ze in het geheel niet kende. Ik wist ook niet waar ze woonden, alleen de namen Bijlsma, De Vries en Schotsman waren mij bekend. Maar ach, Lemmer was toen niet zo groot en ik twijfelde er niet aan of ik zou de familie wel vinden. Om 7 uur verliet ik de Jan Nieveen en bij enige navraag bij enkele vissers bleek in de Parkstraat een gedeelte van de familie te wonen. Ik er heen.

Lemmer was een vissersplaatsje, dus het was reeds vrij druk met mensen die ter visvangst gingen. Regelmatig vroeg ik aan voorbijgangers naar inlichtingen over de familie. Eindelijk was ik zo goed ingelicht dat blindelings het huis gevonden kon worden. Op een gegeven moment stond op een deur in de Parkstraat de naam Bijlsma, dat moet een lid van de familie zijn. Na te hebben aangebeld, bleek het echter niet de gewenst tak te zijn. Toen bleek ook, dat deze naam ontzettend veel voorkomt in Friesland, net zoals in Holland de naam Jansen. De man, die ik uit bed belde, kon mij, nadat ik verteld had naar wie gezocht werd, precies vertellen, waar ik zijn moest. Enkele deuren verderop woonde een weduwe Minke de Vries-Schotsman. Dat was de bewuste tante die ik zocht. Ik belde aan en ook zij moest nog uit bed komen.

Toen ik mij bekend maakte en een heerlijk kopje thee had gedronken, kwamen de verhalen los. Die tante kende ons gezin enigszins, ze had vroeger toen haar man nog leefde. in Den Haag gewoond. Ze is echter na zijn dood weer naar Friesland teruggekeerd. Aangezien zij een nicht van mijn moeder was en geruime tijd in Den Haag had gewoond, was er tussen die twee vriendschap ontstaan. Zij kwamen destijds veel bij elkaar. Na haar terugkeer naar Friesland is alles een beetje geluwd. Ach, zij had kinderen en mijn ouders hadden tenslotte ook een groot gezin, men weet hoe het dan gaat. Na de koffie kwam brood en schapekaas op tafel, want zo zij ze, je zult wel honger hebben na zo'n reis. En dat had ik. Erg veel gegeten had ik de laatste 24 uur niet. Ik deed goed mijn best en ondertussen vertelde ik, wat voor bedoelingen ik had. Ik probeer vandaag nog naar het Noorden te reizen en dacht in de omgeving van Makkum mijn bivak op te slaan. Ze wachtte even en liep naar de overkant om haar ouders te vertellen met wie ze koffie zat te drinken.

De oude Pieter Schotsman, een echte Friese visser, kwam even later binnenstappen. Zo, zei hij, ben jij nou een kleinzoon van mijn zuster en wat heb ik gehoord, heb je snode plannen, weet je dat je gevaarlijk terrein betreedt; dat overal verraders op de loer liggen en dat de SD hier een schrikbewind uitoefent.

Ruim 40 jaar later in de Urkerstraat, Cees Pijl op bezoek bij tante Minke de Vries-Schotsman in Lemmer 1987. Tante werd op 4 oktober 1987 90 jaar, ze is geboren in 1897 en overleden in 1992.

 

Al deze vragen heb ik mezelf al gesteld, ik probeer tussen de mazen door te glippen. Ik heb gehoord, dat je naar Makkum wilt, maar man, zo sprak hij, dat is levensgevaarlijk. Makkum ligt zeker wel 100 km. hier vandaan en om Lemmer heelhuids uit te komen is al een kunststuk op zich. Overal is politie. Wees voorzichtig man, het kan hooguit nog weken duren, misschien nog een maand en dan zijn de Duitsers weer terug naar hun Heimat ..... Misschien weten wij een oplossing, zei hij tegen zijn dochter. Kom maar eens mee naar moeder. Na verloop van een kwartier kwamen ze terug met hun drietjes, tante Minke en haar ouders.

Oom Piet zal ik hem in het vervolg noemen, begon: 'We hebben er even over nagedacht, als je wilt mag je hier blijven. Tante Minke heeft hier wel een plaatsje voor je en waar vijf eten, daar eten er ook zes.' Nou daar zag ik wel brood in, ik verontschuldigde me door te zeggen, dat ik daar niet voor was gekomen .... Ze wilden nergens van weten en tante Minke liep naar boven. Ze ging direct een kamertje voor me in gereedheid brengen. Toen alles in orde was, riep ze me om even te komen kijken. Het was een klein, maar fris geval. Ik ben me even gaan verfrissen en toen ik weer beneden kwam stond Kees daar aan het begin van periode welke langer zou duren en welke spannender zou zijn dan men had durven veronderstellen. Men dacht aanvankelijk dat de geallieerden in september of oktober 1944 de oorlog wel zouden hebben gewonnen, in werkelijkheid duurde het nog tot 17 april 1945, voordat wij de eerste Canadees voorbij zagen rennen.

De eerste weken in Lemmer verliepen rustig. Ik wandelde wat, ging de buurt verkennen, ging bij andere familieleden kennismaken, ik hielp tante Minke met allerlei klusjes enz. Met de 'andere familie' werd bedoeld tante Pietje Bijlsma, een oude vrouw, altijd gekleed in Friese dracht. Ze woonde in een klein huisje achter een kerk op het Turfland, en bakker Schirm deze woonde in het centrum van Lemmer, ook bij deze mensen kwam ik graag even op bezoek.

 

Tante Pietje Bijlsma-Schotsman. Een zuster van Pietje was eerder getrouwd met Bijlsma. Na haar overlijden trouwde Bijlsma met de zuster van zijn overleden vrouw, de eerste vrouw was de overgrootmoeder van Joh. de Vries, Nieuwburen (bakker en raadslid). In haar huisje dat tegen de kerk was aangebouwd kwam de meisjesvereniging van de Ger. Gemeente bijeen en had Pietje Schotsman de leiding.

 

 

De bakkerswinkel van Schirm, op de Nieuwburen, nu in beter tijden: vlag en versiering feest.

 

 

Turfland, rechts het zogenaamde Ein-tsjerkje, het kerkgebouw van de Ger. Gemeente (genstitueerd: 28 juni 1879), naast de kerk in haar eenvoudige Friese klederdracht Pietje Schotsman.

 

Het werd september 1944, de geallieerden zaten muurvast onder de grote rivieren. 'Weliswaar was alles daar in hun handen, doch de oversteek naar Holland en Gelderland kon niet plaatsvinden in verband met hardnekkige tegenstand, welke ze van de Duitsers ondervonden. De toestand in de Duitse gebieden werd voor de bewoners steeds hachelijker. Razzia's vonden elke dag plaats. Woningen werden doorzocht etc.

Bij ons aan de overkant in de Parkstraat werden twee zonen op een nacht uit huis gehaald om pas na de oorlog weer terug te keren. Ook voor mij werd het steeds meer uitkijken. Naar buiten ging ik niet veel meer. Het werd op het laatst zo gevaarlijk, dat ik de Parkstraat vaarwel moest zeggen. Drie weken lang heb ik toen bij bakker Schirm doorgebracht, zeg maar opgesloten gezeten.

Niemand, behalve mijn familie, wist meer dat ik in Lemmer was. Als er maar even gevaar dreigde at en sliep ik in een klein tussenkamertje. 's Avonds laat mocht ik wel eens door de ramen naar buiten kijken, maar alleen dan als de vitrage gesloten was en dan nog alleen maar van achteruit de kamer. De toestand werd nog steeds slechter, huiszoekingen waren aan de orde van de dag. Het zou beter zijn als ik op een boerderij zou kunnen worden geplaatst. Toen men met dit idee op de proppen kwam had ik daar wel oren naar. Ik ging bijna dood in dat kamertje. Kreeg mijn familie bezoek, dan moest ik weer naar dat kamertje met alleen een stoel en een bed. Te lezen was er niets. Het waren hardwerkende mensen die geen tijd hadden voor boeken.

Op een gegeven moment kwam tante Minke binnen met de boodschap, dat men even buiten Lemmer een boer wist die een 'faam' zocht. Het was een jong gezin, ze hadden vier kinderen en ik zou de vrouw van de boer assisteren met alles wat er maar te doen was voor een dienstmeisje op een boerderij. Gelukkig was ik bij mijn ouders thuis wel een beetje gewend geraakt aan huishoudelijke klusjes. Ik was tenslotte de oudste van zes jongens en was wel een en ander gewend.

Ik hoefde er niet over na te denken en vroeg meteen wanneer ik kon beginnen. Ik moest die baan nemen, al was het alleen maar om uit het tussenkamertje te komen. Nu was het probleem om veilig op de boerderij te komen. Deze lag toch zeker 30 minuten fietsen van de plaats waar ik verbleef. Op deze tocht kon je veel overkomen, voornamelijk op het eerste deel van de weg welke vol bochten en onvoorziene obstakels zat. De rest van de tocht ging door wijds Fries landschap, dus van verre zag men eventueel onraad duidelijk aankomen.

Op een zondagmiddag zou de 'operatie' plaatsvinden. Volgens insiders was dit tijdstip het minst gevaarlijk, want dan was de SD meestal aan het borrelen. Zo gezegd, zo gedaan, enkele Friese familieleden van het vrouwelijke geslacht - mannen was te gevaarlijk - waren eveneens onderweg om elk onraad snel te kunnen melden. Alles ging goed, geen SD te zien en binnen een uur zat ik bij de familie De Haan aan tafel. De Haan woonde aan het Westend in Oosterzee. Na enig gebabbel, o.a. wat ik zou moeten gaan doen, kwamen we overeen dat ik zou blijven. Er was tenslotte ook weinig keus, doch ik moet er bij vertellen dat het boer zijn mij wel aantrok. In het begin hielp ik mevrouw De Haan met de was, dat gebeurde destijds nog met de hand. Weliswaar was een machine aanwezig, echter een apparaat waarbij je met de hand de zwengel heen en weer haalde.

Boerderij van de fam. Thijs de Haan.

 

Gezin De Haan met Kees in 't midden bovenaan.

 

 

Boer De Haan had zo'n 30 melkkoeien en voor het melken moesten de bussen worden gereinigd. Wee je gebeente als dat niet goed was gedaan, dan kon De Haan je dat wel vertellen. Het was niet kwaad bedoeld, hij wilde alleen dat het zorgvuldig gebeurde; er hing tenslotte veel vanaf; door een klein vuiltje kon de melk bedorven raken en daarmee zou een belangrijke bron van inkomsten teniet worden gedaan.
Zoals gezegd moest ik ook de kinderen een beetje in de gaten houden. Persoonlijk geloof ik, dat ik daar goed in ben geslaagd, gezien het plezier dat ze hadden als ik met ze stoeide of het land introk.

Tot mijn taak, het was eigenlijk ook het werk van de 'faam' behoorde het melken van de schapen en het spinnen van schapenwol. Deze twee taken verdienden echt wel enige bekwaamheid en was niet zomaar van de ene op de andere dag te leren. Maar ik kreeg beide taken redelijk snel onder de knie en molk en spon tot genoegen van het boerenechtpaar. Op een dag moesten De Haan en zijn vrouw bij familie op visite. Ik zou op de kinderen letten en voor het geval dat ik me zou vervelen kon ik de sloot voor het huis schoonmaken, d.w.z. met een soort grote hark het riet en andere spullen welke er niet thuis hoorden, verwijderen en op het land verspreiden. Toen De Haan 's avonds thuis kwam en zag wat er allemaal gedaan was hoorde ik hem tegen zijn vrouw zeggen: 'Morgen ben je Kees kwijt, de 'faam' gaat met mij het land in'.

De vrouw sputterde nog wat tegen, doch De Haan beloofde serieus naar een echte faam te zullen uitkijken. Voorlopig ging ik met hem het land in en zo af en toe mocht ik toch de vrouw nog even terzijde staan. Het was herfst 1944, dus op het land was veel te doen op het gebied van 'klaar leggen voor de winter'. Sloten reinigen, distels trekken enz. Ik deed het met plezier, tenslotte was dat meisje, spelen niets voor een vent. Het was een noodoplossing.

Maar nu begon het pas echt. Ook het melken van de koeien, welke inmiddels op stal waren gezet ging tot mijn werkzaamheden behoren. Begrijpelijk dat het in het begin niet zo vlotte, ik tuimelde dan van mijn krukje als de koe haar staart naar de vliegen uitzwaaide, dan weer was ik net te laat om de melk die ik met veel moeite uit de uier van de koe had afgetapt, te redden, wanneer de koe haar poot even oplichtte.

En toch bleef ik inzien, dat op de duur elke koe door mij moest kunnen worden gemolken. Als er een emmer melk door een koe tussen mijn benen werd weggetrapt kon De Haan wel eens lelijk kijken en dan zeggen dat melk geld kostte. Hij meende dit echter niet zo kwaad, hij probeerde je alleen tot grotere voorzichtigheid aan te sporen. Het ging echter steeds beter en tegen het eind van 1944 molk ik bijna even goed als de boer zelf.

Ik kan me nog heel goed herinneren, dat alvorens het zover was, ik enkele weken veel pijn in de onderarmen had, voornamelijk trad deze pijn 's nachts op als de spieren tot rust kwamen. Vanwege de pijn sliep ik dan weinig, doch tenslotte waren de spieren aan het melken gewend geraakt en werd de pijn ook minder. Het gebeurde ook wel eens een keer, dat De Haan mij in de drachtige tijd het melken alleen liet doen. Samen met zijn vrouw ging hij dan een dagje uit. Wel een bewijs dat ik het melken en het andere werk behoorlijk onder de knie had.

Het was half september 1944, dat men mij op een zonnige zondag tijdens het melken van de schapen kwam vertellen dat een geweldige vloot van zweefvliegtuigen Arnhem en de daar aanwezige bruggen trachtte te veroveren. Op dat moment dachten wij dat de oorlog wel snel voorbij zou zijn. We weten, dat alles verkeerd is afgelopen. Veel soldaten, aan beide zijden, zijn gesneuveld, veel burgers omgekomen. De bevrijders waren even ver en de Nederlanders een illusie armer.

We zouden in Friesland nog een HETE winter krijgen voor we naar huis konden. Weliswaar hebben we in het Noorden geen honger gekend en bij De Haan was alles behoorlijk voorradig. Mensen uit Holland, voornamelijk Amsterdammers, gingen in Friesland de boer op om voedsel te halen. Ook bij De Haan kwamen de Hollanders langs: Hij had niet veel, melk was eigenlijk het enige, dat hij zo af en toe kon verkopen. Niet alleen burgers kwamen langs om melk, ook Duitse militairen, de mannen van de FLAK en zij die op het IJsselmeer een oogje in het zeil hielden, de mannen van de Kriegsmarine dus. Deze lieden kwamen nooit alleen, doch steeds met twee of drie tegelijk. Begrijpelijk, het was een veiligheidsmaatregel.

Ik had de opdracht van De Haan om de Duitse militairen te woord te staan en eventueel melk aan hen te verkopen. Niet dat ik zo goed Duits praatte, maar in het land der blinden is eenoog koning. In het Duitse leger vochten min of meer gedwongen ook Polen mee. Toen er weer eens militairen melk kwamen halen en even moesten wachten, omdat ik juist zat te melken, maakte ik in de loop van het gesprek de opmerking - het waren mensen die regelmatig kwamen 'Milch is nicht gut fr Deutsche leute' waarop n gekscherend antwoordde: 'Fr Deutsche nicht aber fr Polen'. Hieruit bleek wel, dat het tussen Duitsers en Polen niet alles koek en ei was.

Ook gebeurde het eens - wij waren juist bezig met het verlossen van een kalf - dat twee mannen van de Wasserschutzpolizei op de staldeur klopten en om melk vroegen. Het was 's avonds al laat en de melk was reeds naar de fabriek afgevoerd, er was dus niets in huis. Dat geloofden die twee niet en ze dreigden met huiszoeking, brand en nog meer van dat moois als ze niet werden geholpen. Na veel geschreeuw konden wij ze naar ons gevoel toch overtuigen dat er niets te koop was en dat ook andere boeren langs het Westend niets zouden hebben.

Ze dropen af, doch bij het passeren van het laatste hek, hebben ze dat open laten staan. Alle schapen van De Haan, die daar in het land liepen, hebben ze er doorheen gejaagd en zich toen nergens meer om bekommerd. Voor het naar bed gaan controleerden de boer en ik nog even de buitenkant van de boerderij en zagen op die bewuste avond in de verte de hekken openstaan en geen schaap meer in het land. Het had geen zin te gaan zoeken of de hekken te sluiten.

We namen ons voor de andere morgen vroeg op te staan en een speurtocht naar de schapen op touw te zetten. Het heeft die andere dag uren geduurd voordat het spul weer in ons land terug was. De schapen hadden zich voor het grootste deel vermengd met die van de buren, terwijl een gedeelte bijna in Oosterzee liep. Maar uiteindelijk kwam de hele ploeg weer kompleet terug. Mijn bed (bedstee) stond de eerste tijd op de zolder van het woongedeelte van de boerderij. Vanuit mijn bedstee kon ik de deur beneden goed in het oog houden.

Op een nacht in november 1944, het moest zo ongeveer 3 4 uur zijn geweest, werd ik wakker van gestommel en gepraat beneden in de gang. Ik dacht in eerste instantie, dat het kooplui waren, die wellicht vee kwamen halen voor de markt of het slachthuis. Ik hoorde echter Duits praten, er werd naar boter, onderduikers en radio's gevraagd. Ik was meteen klaar wakker en zag twee Duitse militairen met het geweer in aanslag beneden staan. Het hart bonsde in mijn keel. Ik kon geen kant meer op. Ze maakten aanstalten de trap op te gaan. Ze stonden nog geen 4 meter bij mij vandaan. Ik had geluk, er was geen licht op zolder en de lantaarn waar ze om vroegen was natuurlijk niet te vinden. Ze geloofden het verder wel. Ze zochten nog wat in de kamer en de kelder, maar vonden niets waar ze enig belang in stelden.

Door al dat gedoe was ik de bedstee uitgekomen, misschien ook wel van de zenuwen en wachtte totdat zij de boerderij zouden hebben verlaten. Ik durfde toen ik eenmaal uit bed was er ook niet weer in te stappen, aangezien ik merkte dat de houten vloer nogal onder mijn voeten kraakte. De Duitsers hadden het gekraak ook gehoord en vroegen prompt aan De Haan was dat was. Hij antwoordde, dat het zijn katten waren. De boer begreep heel goed dat ik het was, want hij had helemaal geen katten. Hij hoopte maar, dat ik mij verder rustig zou houden, want de gevolgen waren niet te overzien als die twee inderdaad toch naar boven zouden gaan. Ik zou in ieder geval meegenomen zijn. Waar ik tenslotte zou zijn beland, was snel te raden... het concentratiekamp of tenminste een arbeidskamp zou het einddoel zijn, maar hoe zou het met De Haan zijn gegaan. Hadden ze hem ongemoeid gelaten? Ik moet er niet aan denken dat ze hem ook mee zouden hebben genomen.

Afijn ik had geluk. Uit het vervolg van dit verhaal zal blijken, dat het geluk mij bleef vervolgen, ik moet wel een beschermengel hebben gehad. Na verloop van enige tijd vertrokken de Duitsers naar de volgende boerderij. Bij ons waren ze niets wijzer geworden. Ik ging naar beneden om even een praatje te maken met de twee geschrokken bewoners. Niet alleen hadden ze mij op zolder verborgen, maar in de kelder stond een radio, waar we elke dag naar luisterden. Deze stond gewoon onder een doek. Gelukkig hadden de Duitsers niets ontdekt. In het vervolg zou alles beter worden opgeborgen. Er stond tenslotte een zware straf op het in bezit hebben van een radio en naar het luisteren van een Engelse zender. We hebben die morgen vroeg eerst koffie gedronken en zijn toen de stal ingegaan om het vee te verzorgen.

Na zo'n nacht zou er van slapen toch niets meer komen. In diezelfde periode stonden boer De Haan en ik eens aan de dijk van het Westend de sloot schoon te maken, toen we ineens vier SD-ers, ook wel Groenen genoemd, op fietsen en met honden, op nog geen paar meter van ons af zagen. Hoe het mogelijk was, weten we niet. We speurden regelmatig de dijk af naar eventueel onraad. Het leek wel of ze uit de grond waren gekomen.

We schrokken allebei geweldig, doch raakten gelukkig niet in paniek en lieten naar buiten toe niets van onze emoties merken. We bleven gewoon met ons werk doorgaan, elk ogenblik verwachtend dat de mannen van hun fiets zouden springen en vragen zouden gaan stellen. Met een schuin oog keken we naar het fietsende gevaar. Ze bekeken ons wel, ik zie nog die blikken op ons gevestigd, maar ze reden gewoon door. Onbegrijpelijk zou die beschermengel weer een rol hebben gespeeld? Waarschijnlijk, en dat is wel zeker, was ik in paniek weggelopen of zenuwachtig gaan doen, dan zou de affaire heel anders zijn uitgepakt. Doordat we echter gewoon door bleven ploeteren, was je voor de SD niet belangrijk.

In Friesland ging in die tijd het verhaal, dat als je bij een eventuele controle door de Duitse of Nederlandse politie, werkte, je meestal niets te duchten had. Ze hadden het voornamelijk voorzien op jonge mannen die niets uitvoerden en dat deden de meeste onderduikers. Dit soort mensen liep meestal behoorlijk gekleed. Ik liep altijd op klompen in echte boerenkleding, een oude pet schuin op het hoofd.

Daardoor werd de schijn gewekt, dat ik tot de rasechte boerenbevolking behoorde. Aangezien mijn pet te klein was, het jasje te groot, de broek te kort en klompen aan de voeten, hebben de SD-ers ook kunnen denken met een labiele vent van doen te hebben, dat mijn verstand misschien evenveel te kort was als mijn kleding en daardoor dachten 'laat hem maar lopen'. Temeer daar ik geen enkele aanstalten maakte om het hazepad te kiezen. Was ik gevlucht, dan hadden de honden van de Groenen mij zeker te pakken genomen en was het gebeurd geweest met het boerenbedrijf. Toen ze voorbij waren gaven De Haan en ik elkaar een knipoogje en we zuchten van verlichting en dachten daarbij, zo, dat hebben we ook weer gehad.

Waar hadden we dat aan verdiend? Alleen door onze nijvere arbeid, dat stond voor ons vast. De winter 1944-1945 was lang en streng. Overal werd er door de Friese bevolking geschaatst. We maakten lange tochten over sloten, grachten, meren en kanalen, bezochten familieleden van de familie De Haan en keken steeds goed uit of er zich ergens verdachte personen ophielden. Voornamelijk bij bruggen waar opsporingsambtenaren vaak patrouilleerden, waren we uitermate voorzichtig.

Vergeleken bij De Haan was ik bij het schaatsen maar een kleine jongen. Weliswaar had ik in Holland veel geschaatst, doch wat de Friezen presteerden was heel wat anders. De Haan werd nooit moe. Ik geloofde dat hij wel door kon blijven schaatsen. Ik was na zo'n tocht met hem weer blij, dat ik op mijn schoenen verder kon. Ook ging ik wel met de boerenzonen en dochters van het Westend achter de boerderij schaatsen. We trokken dan van daaruit het Tjeukemeer op.

Het gebeurde eens overdag, dat mevrouw De Haan de stal in kwam. De Haan en ik waren juist bezig om hooi voor de koeien klaar te leggen voor het 'avond eten'. Ze riep nerveus 'Kees, Duitsers op het pad', daar bedoelde ze mee, dat er Duitser op het weggetje naar de boerderij waren en dat deze wellicht plannen koesterden om een controle uit te voeren. Wat zou ik doen, goede raad was duur. Weglopen? Als ze je dan grepen ging je onherroepelijk mee. Gewoon doorgaan was de beste oplossing, tenslotte hadden we destijds ervaring opgedaan toen de SD met 4 man langs kwam en ons niets deden.

Het duurde niet lang of de Duitsers kwamen de stal binnen, het geweer in aanslag en op alles voorbereid. Twee van hen bleven bij de schuurdeur staan, terwijl de andere twee op ons afkwamen. Ik stond met de vork in de hand het hooi los te maken, hetgeen voor het voederen moest gebeuren. De Duitsers sommeerden mij naar beneden te komen en vroegen om het persoonsbewijs. Dat had ik natuurlijk niet in mijn zak, en ik zei, dat ik het even moest halen. Prompt kreeg een van de mannen een seintje van de 'leider' dat hij met mij mee moest, ze dachten wellicht, dat ik er tussen uit zou knijpen. Toen we na enkele minuten weer in de stal kwamen, werd het persoonsbewijs goed bekeken, nog eens omgedraaid en tenslotte terug gegeven.

Nadat er nog een wandeling door de boerderij was gemaakt, vertrok het gezelschap weer. Ik begeleidde de mannen, ze zeiden niets, alleen bij het afscheid zei de jongste van het stel 'Heil Hitler', sloeg de hakken tegen elkaar en weg waren ze. We waren blij dat het weer met een sisser was afgelopen. Mijn persoonsbewijs was door het Friese verzet lichtelijk vervalst. Het was de zojuist vertrokken SD-ers niet opgevallen. Even later zagen we ze naar de volgende boerderij gaan. Ze hadden echter pech, want alle onderduikers uit de buurt hadden inmiddels gezien wat er zich bij de boerderij van De Haan had afgespeeld en waren het weidse Friese land ingevlucht en ze keerden pas terug toen ze de SD-ers weer richting Lemmer zagen fietsen.

Mevrouw De Haan, die het stel weer zag aankomen, waarschuwde ons, ze hadden twee jongens bij zich, de handen boven het hoofd, ze hadden waarschijnlijk getracht te vluchten. Hoe ze gepakt zijn hebben we nooit gehoord, daarom vermoedden we, dat het jongens waren, die langs de weg liepen op zoek naar onderdak. In ieder geval werden ze naar Lemmer gebracht en zoals je wist stond het dan voor 99% vast, dat je op transport werd gesteld, na eerst intensief te zijn ondervraagd.

Er werd altijd gepoogd op deze manier achter adressen van verzetsmensen te komen. Vaak werden er mensen uit het verzet gearresteerd, nadat onderduikers waren opgepakt. Deze hadden hun mond voorbij gepraat, nadat de SD met mishandeling had gedreigd. De onderduiker zelf ging, zoals ik reeds eerder schreef, naar een concentratiekamp of iets dergelijks, bijvoorbeeld een wapenfabriek in Duitsland. Daar was je je leven lang niet zeker, want de bommenwerpers van de geallieerden wisten deze bedrijven wel te vinden en daarna was er meestal niet veel meer van over.

Op een zekere dag, ik dacht dat het januari 1945 moet zijn geweest, zat ik met de inmiddels voor vrouw De Haan aangenomen hulp in de woonkamer thee te drinken. De boer was met zijn vrouw op familiebezoek. Toen we naar buiten keken zagen we een jongeman het pad van de boerderij op komen lopen. We dachten in eerste instantie aan iemand die om voedsel kwam, maar toen hij de boerderij op een tiental meters was genaderd zag ik, dat hij veel op mijn broer Arie leek. Dat kon bijna niet bestaan. Arie zou nooit zover gekomen zijn. Overal stond bewaking en werd er gecontroleerd. Maar plotseling zag ik, dat het inderdaad Arie was.

Gedreven door de honger was hij naar mij op zoek gegaan. Hij kon meerijden met een transport kinderen naar Friesland. Onderweg had hij het transport verlaten en was richting Lemmer gegaan. Daar had hij op dezelfde manier als ik destijds had gedaan, de familie ontdekt. De familie had hem de weg gewezen, naar de plek waar ik mijn bivak had opgeslagen. Het was een leuk weerzien, midden in de oorlog, midden in de sneeuw en midden in dat mooie sympathieke land met die mooie vergezichten, waarvan juist in de winter zo'n onbegrijpelijke schoonheid uitgaat. Maar ook midden in de problemen van uitkijken en je goed schuil houden.

Dat mijn broer zonder kleerscheuren over de weg de boerderij van De Haan had gevonden is een wonder. Nu was het wel zo, dat tijdens sneeuw en bar winterweer de SD niet erg actief was, omdat ze dan liever binnen bleven. Alleen als ze zeker waren van buit wilden ze wel eens de deur uit. Hun echte strijdlust kwam echter weer opzetten toen de wegen weer vrij waren van sneeuw en ijs.

Ook De Haan en zijn vrouw vonden het leuk een broer van mij te ontmoeten en nodigden hem uit voorlopig bij hen op de boerderij te blijven, totdat hij een ander onderkomen had gevonden. Na veel gevraag her en der was de familie Hoekstra genegen mijn broer Arie onderdak te verschaffen. Hoekstra had meerdere van die knapen lopen en zo zei hij, als hij zich een beetje aan kon passen en wat werk wilde verzetten, kon hij daar kost en onderdak krijgen, Boer Hoekstra, waarmee ik op heel vriendschappelijke voet stond en waar ik bovendien veel kwam, had een leuk gezin met jongelui van 15 16 jaar. Boer De Haan had kleine kinderen en ik vond het zeer begrijpelijk dat hij op den duur met Arie geen raad wist. Tenslotte als je iemand in huis nam moest ook alles voor hem worden gedaan, ook de bewassing. Bij de familie Hoekstra hielpen grote dochters mee in het gezin, dus daar liep dat wat soepeler.

Alvorens Arie over ging naar boer Hoekstra brachten we op een middag nog even een bezoek aan Lemmer. Het was zo als u wel zult kunnen begrijpen, een niet ongevaarlijke onderneming. Wij gingen er dan ook maar vanuit dat de SD door het slechte weer niet op straat zou zijn en dat de manschappen binnen zaten te genieten van bier en schnaps, hoewel je daar natuurlijk niet op kon vertrouwen. Over de weg naar Lemmer was daarom niet mogelijk, de enige oplossing was over de besneeuwde landerijen en dichtgevroren vaarten. We slopen min of meer richting Lemmer om tenslotte ter hoogte van de woning van tante Minke in de 4e Parkstraat uit te komen.

 

Begin van de Parkstraat te Lemmer.

 

Ter verduidelijking, de Parkstraat lag destijds aan de rand van Lemmer en vanaf Oosterzee komende behoefde men dus niet een stuk door Lemmer zelf. Men stapte eigenlijk vanuit het land de woning van onze familie binnen. Dat is nu heel anders, zoals dat meer gaat met dorpen die uitgroeien tot steden. Achteraf begrijp ik niet, waarom wij deze onderneming op touw hadden gezet, waarschijnlijk was het de bedoeling, om het koffertje dat Arie bij tante Minke had achter gelaten op te halen. Ik geloof echter, dat het meer een avontuurlijke onderneming was, ik wilde gewoon iets spannends ondernemen. Men zal begrijpen dat de weg, zo ik reeds schreef, een gevaarlijke route was, maar het pad door de landerijen was niet minder gevaarlijk. Over die wijde, wijde vlakte waren twee mannen toch duidelijk te herkennen.

Natuurlijk zochten wij zo veel mogelijk de luwte, dat wil zeggen beschutting van de begraafplaats, de dijk langs de vaart met riet en de trambaan. Speciaal de trambaan was een object om voorzichtig te benaderen, gezien de bewaking hiervan na de grote spoorwegstaking van september 1944, welke tot het eind van de oorlog duurde. We kwamen inderdaad Duitse militairen tegen, maar konden argwaan voorkomen door voldoende afstand te houden en ons zo gewoon mogelijk te gedragen.

De Duitse militairen behoorden ook niet tot een opsporingsorganisatie, ze bemoeiden zich niet met onderduikers enz. Hadden wij ons echter op de spoorbaan begeven, dan waren ze wel in actie gekomen, want de bewaking hiervan behoorde wel tot hun taak. In ieder geval kwamen we veilig in de Parkstraat aan en in de loop van de middag gingen we langs dezelfde weg terug. Het begon inmiddels te schemeren en het was reeds donker toen we de boerderij weer bereikten. Na het eten bracht ik Arie met zijn spullen naar de Hoekstra's.

Er gebeurden geen bijzondere dingen, totdat de sneeuw en het ijs weer waren verdwenen, toen ontwaakte de SD uit hun winterslaap en werden ze opeens bijzonder actief. Arie, die deze mannen nog nooit vergezeld van hun honden over de dijk had zien gaan, keek elke dag vol verwachting naar dit verschijnsel uit. Eindelijk kwam er een dag dat ik in de verte de SD aan zag komen en toen ik naar de boerderij keek waar Arie zat, begreep ik dat hij het stel ook had opgemerkt.

Ik zag echter ook dat Arie zich nogal onvoorzichtig opstelde en hoopte maar dat hij vooral geen gekke dingen zou doen. De afstand was echter te ver om nog een waarschuwing te geven. Intussen bleef hij echter, met een oude politiepet op zijn hoofd, onvoorzichtig handelen. Hij gluurde om de hoek van de boerderij naar de weg, waar elk moment de SD kon verschijnen. Ik kreeg het vermoeden dat hij uit was op een moedwillige confrontatie met de mannen van de SD, hij sprong dan weer terug en dan weer te voorschijn, juist toen de SD-ers de boerderij in ogenschouw namen.

Hij vroeg om moeilijkheden. Wij, De Haan en ik zagen het allemaal gebeuren. Wij begrepen ook, dat de SD dit niet zou nemen en wel eens wilden kijken wat voor rare snuiter daar van die capriolen uithaalde. De mannen keerden hun fietsen en reden rustig naar de boerderij van Hoekstra. Ze roken buit, althans begrepen ze dat er iets niet in orde was op het boerenerf. Arie, die in de gaten kreeg, dat de SD belangstelling voor hem had, veranderde van gedachten en verdween in een deuropening. Zoals wij later hoorden, dook hij in het hooi en trachtte op die manier het vege lijf te redden. Hij had daarbij echter niet gerekend op de speurzin van het viertal.

Toen men Arie niet aantrof op de plaats waar hij had staan springen, verdwenen enkele SD-ers in de boerderij, terwijl de andere twee de deuren buiten in de gaten hielden. Na verloop van enige tijd kwam Arie met de handen boven het hoofd naar buiten gerend, gevolgd door een SD-er. Arie had zich, zoals later bleek, goed in het hooi weten te verbergen, doch de politieman had gedreigd in het hooi te zullen schieten, als hij niet te voorschijn zou komen. Arie koos daarna eieren voor zijn geld en kwam te voorschijn.

Wij waren ondertussen reuze benieuwd of het de SD menens was, we dachten dat ze hem misschien nog wel zouden laten lopen als ze zijn leeftijd hadden vernomen. Onze hoop ging in rook op, want hij werd meegenomen naar het hoofdkwartier van de SD in Lemmer en werd daar aan een verhoor onderworpen. Daarna werd hij op transport gesteld naar Crackstate in Heerenveen - in die tijd een soort gevangenis - en daarna werd hij verder getransporteerd naar het vliegveld Havelte, dat door de Duitsers was aangelegd.

Door zijn onvoorzichtige gedragingen had hij zich zelf de das omgedaan, terwijl hij in feite vrijuit had kunnen gaan, aangezien zijn leeftijd niet of nauwelijks toereikend was om echt bang te moeten zijn. Maar, zoals ik reeds eerder schreef, als de SD begreep, dat je niets of niet veel presteerde en je liep in hun handen, dan was het lot snel beslist. Een jaar jonger werd dan niet zo nauw genomen. Door dit geval werd echter ook de positie van de andere onderduikers aan het Westend niet beter. Je wist maar nooit of de SD nu alle boerderijen daar ging uitkammen, terwijl men ook in het ongewisse was over wat Arie in het hol van de leeuw had verteld. Hij zou niet de eerste zijn, die na strenge verhoren van de Duitsers aan het babbelen zou zijn geslagen.

Achteraf bleek er niet veel aan de hand te zijn geweest. Ik ging echter diezelfde dag nog voor een poosje bij De Haan vandaan. Men had familie ergens midden in de landerijen, waar je alleen met een wagen of een boot kon komen. Op die boerderij woonden de ouders van mevr. De Haan en een broer van haar. Daar in dat weggestopte stukje Friesland kon niemand iets overkomen. althans dat dachten wij. In de toekomst zou ook deze hoek van Lemsterland geen veilige schuilplaats meer zijn. Er stonden aan de polderdijk, zoals de bewoners deze hoek noemden, enkele boerderijen. De meeste boeren waren familie van elkaar, dus ook van De Haan en overal zaten onderduikers.

Aangezien het aantal onderduikers in die omgeving, waar iedereen zich veilig waande, eigenlijk met de dag groeide, ontging dit niet aan de speurende ogen van de felle SD-mannen. Het voorjaar kondigde zich aan en een of andere handige SD-er, misschien wel opmerkzaam gemaakt door verraad, heeft wellicht gedacht dat die boerderijen daar aan de horizon een nest van verzet of wat dies meer zij zou kunnen zijn.

En zo gebeurde het dat op een zonnige morgen in februari 1945 een zwaar bewapende SD-patrouille met machinepistolen de boerderijen naderden. Of verraad inderdaad een rol heeft gespeeld is nooit duidelijk geworden. Ze liepen echter wel rechtstreeks op een zanderige heuvel midden in het land af, waar een hol in de grond was gemaakt, waar onderduikers zich schuil hielden.

We zagen ze aankomen. Iedereen die aan de polderdijk woonde, ver van de weg en het dorp, keek steeds als hij buiten kwam om zich heen of er onraad te bespeuren viel. Dit had niet altijd iets te maken met Duitsers, maar met voorgevoelens van de bewoners. Als je zo ver van de bewoonde wereld af woonde kon er immers van alles gebeuren en voor criminelen was het een ideaal oord om te roven en te plunderen. Niet dat dit vaak voorkwam, maar men was er door de loop der jaren op voorbereid. Er waren boeren, die wapens in huis hadden om zich te kunnen verdedigen.

Uit de verte zagen we dus de mannen van de SD aankomen. Het ging langzaam, ze waren niet meer van de jongsten en het land was drassig en er waren veel slootjes; terwijl ook de hekken waren gesloten. De mensen die door de SD-ers werden opgejaagd kenden het land gelukkig heel goed en hadden tijd genoeg om een goed heenkomen te zoeken: Allen waren gewaarschuwd en een grote groep liep naar de boerderij.

Persoonlijk keurde ik deze tactiek af, want ze hadden zich beter kunnen verspreiden om zodoende geen doelwit voor een salvo uit een machinepistool te vormen. Stel je eens voor dat een van hen zijn geweer zou richten op een groep vluchtende jongens, elk schot was raak geweest. Doch het risico was voor hen zeker te groot om iemand anders op een van de boerderijen te raken, ofschoon men in die jaren de ervaring had dat de SD het niet zo nauw nam met een dode meer of minder.

Tot geluk van de onderduikers waren het oudere manschappen, de jongere garde had er waarschijnlijk reeds lang op los gebrand. Zelf was ik niet bij de vluchtende groep gebleven, omdat ik me daar te kwetsbaar bij voelde. De groep onderduikers liep dus richting onze boerderij, het waren er zeker 20. Het was kennelijk hun bedoeling om via het erf naar de vaart te gaan om daar te trachten een oversteek te krijgen, dat hadden de Duitsers ook in de gaten en die dachten waarschijnlijk: 'Jullie ontkomen ons niet, daar zit je vast en over zwemmen in die tijd van het jaar hoefde je niet te denken.' Maar als een kat in het nauw zit .....

Waar wellicht geen van beide partijen op had gerekend was het feit dat er ten behoeve van de bewoners een schuit voor de wal lag om in geval van ziekte en dergelijke elkaar te hulp te kunnen komen. Ook werd de schuit gebruikt om melk van de polderdijk naar de fabriek te transporteren. Tot hun geluk bereikte de kudde onderduikers het eerste het vaartuig en 'scheepten' zich terstond in en voeren bliksemsnel naar de overkant en trokken daar de schuit zo ver mogelijk het land op.

Toen de Duitsers na verloop van een kwartier bij de vaart kwamen, waren de vogels gevlogen en reeds ver verwijderd en het enige wat ze nog konden doen was een salvo op de groep afvuren. Er werd niemand geraakt, men was te ver weg. De volgende dag vonden we op deze plek tientallen hulzen. De Duitsers keerden langs dezelfde weg terug als ze gekomen waren, het was nog een lange reis, want inmiddels begon de duisternis in te vallen en ze zullen waarschijnlijk nog veel moeilijkheden hebben ondervonden, alvorens zij de verharde weg weer hadden bereikt.

Door deze onverwachte actie van de SD moest ik opnieuw de veilige boerderij verlaten en mij voorlopig in het land schuil houden. Ik voer in een roeibootje over de vaart en verborg me in een greppel, vanwaar ik het 'oorlogsgebied' goed kon overzien. Tenslotte kwamen er nog twee onderduikers mij gezelschap houden. Het werd avond en koud, we hadden zo pas de hele actie gade geslagen en durfden niet terug te keren, omdat we door de invallende duisternis niet hadden gezien of de Duitsers inderdaad terug waren gegaan of zich nog in een of andere boerderij ophielden.

Onze hoop was gevestigd op onze 'pleegouders', die zouden wel naar ons gaan zoeken als de kust veilig was. En dat gebeurde. Hoe laat het was weet ik niet meer naar mijn idee was het erg laat, want het was al uren donker. Achteraf viel de tijd nog mee, maar de kou en de ontbering (zenuwen) hadden de uren lang gemaakt. Opeens, het was als een bevrijding hoorden we in de verte mijn naam roepen. Het was mijn boer, die het land was ingetrokken om te zien waar zijn onderduikers zich hadden verscholen.

Wij riepen terug en begrepen van de 'redders' dat alles veilig was. De SD-ers hadden niemand gearresteerd tijdens hun tocht naar de straatweg terug. Ze hadden globaal nog wel een paar boerderijen doorzocht, maar gelukkig niets gevonden. Verkleumd van de kou, maar erg blij dat alles zo goed was afgelopen zaten we 's avonds laat nog wat na te praten met een kop hete soep in de hand.

Ik vroeg me nog steeds af, wanneer het een keer mis zou gaan, want het kon tocht niet altijd zo gelukkig aflopen. Hoeveel weken ik daar aan de polderdijk heb doorgebracht weet ik niet meer, maar ik denk van zeker 4 5 weken. Ook daar zaten we niet stil. Ik hielp met melken ofschoon daar voldoende mankracht aanwezig was. Verder had ik nu voldoende tijd om het spinnen goed onder de knie te krijgen. Ook werd er met de andere boeren aan de polderdijk veel contact onderhouden. Het praten met andere onderduikers die voornamelijk uit Holland kwamen was een dagelijkse bezigheid.

Ik heb daar gesproken met mensen die op de avond van de 'overval' uit angst voor de SD-ers in een grote groep het land waren ingetrokken en tot aan de volgende ochtend in de buitenlucht hebben vertoefd. Pas de volgende morgen, vroeg hebben ze zich bij een boer gemeld, aangezien ze bang waren dat ze door een actie van de Duitsers weer moeilijkheden zouden kunnen krijgen. Ver gezocht vond ik, ze hadden bijvoorbeeld ook een boerderij een poosje kunnen observeren, dat hadden ze niet gedaan.

Bij de groep heerste in de loop van de nacht een zenuwachtige stemming, dat al was begonnen op het moment dat de SD een salvo uit een machinepistool op hen had gelost tijdens hun vlucht over de vaart. Er was niemand geraakt, maar de kogels hadden om hun oren gefloten. Aan het Westend was in tussentijd niets gebeurd en daardoor zat mijn tijd aan de polderdijk er weer op, want De Haan zat om mijn hulp te springen. Het ging een beetje voorjaar worden en zo konden we af en toe de landerijen weer in.

Alvorens de terugreis werd aanvaard werd de route verschillende keren goed in de gaten gehouden, we moesten onder andere op de fiets door Oosterzee, daar had men weinig uitzicht en kon zodoende gemakkelijk in handen van de vijand vallen. Het bleek echter dat er tot aan Lemmer geen onraad te bespeuren viel en de terugreis werd aanvaard. Voor de zekerheid fietste er iemand een stuk voor ons uit, die bij eventueel onraad z'n fiets kon keren en alarm kon slaan. Er was echter niets te bespeuren en ik kwam veilig in mijn onafscheidelijke boerenplunje op de boerderij aan. Goed en wel was ik bij de familie De Haan terug of buurman Hoekstra kwam even aanwippen en vertelde, dat mijn broer Arie die nacht weer bij hem terug was gekomen.

Het werd een leuk weerzien en zowel hij als ik hadden uiteraard veel te vertellen. Hij was, zoals uit zijn verhaal bleek, niet verder gekomen dan het door de Duitsers aangelegde vliegveld in Havelte, waar hij geen specifiek gevangenisbaantje had. Op een gegeven moment had hij zijn kans schoon gezien en had van een Duitser een fiets voorzien van antiplof banden gepikt en was daarop richting Westend gegaan. Het bleek een hele rit.

Boer Hoekstra bleek bereid hem weer in het gezin op te nemen en Arie heeft zich daar tot het eind van de oorlog rustig gehouden. Duitsers die melk bij Hoekstra kwamen halen en tot de vaste klanten werden gerekend feliciteerden Arie met zijn ontsnapping. Uiteraard wist niet elke Duitser iets van Arie's verleden, maar men had snel door wie wel en niet te vertrouwen was. Hieruit mag blijken, dat niet iedere Duitser achter zijn Fhrer stond, alhoewel wij in die tijd die mening wel waren toegedaan.

Het was maart 1945 toen ik van de polderdijk weer bij De Haan terugkwam. De Duitsers kregen er op alle fronten behoorlijk van langs, doch bleven, alhoewel ze wel moesten inzien dat de Krieg geen Sieg werd, hardnekkig doorvechten. De geallieerden trokken langs de oostgrens van Nederland snel naar het noorden op. De grote rivieren waren een struikelblok geworden, maar nadat de brug over de Rijn bij Remagen in hun handen was gevallen, was het lot van de Duitsers beslist.

 

Foto van Wikipedia: De brug over de Rijn bij Remagen in 1945.

 

Wij hingen in die periode bijna de hele dag aan de radio en luisterden gespannen naar de Engelse zender en waren daardoor goed op de hoogte hoe de Duitsers er voor stonden. Aan alles was te zien dat het niet lang meer zou kunnen duren. In Holland werd honger geleden en de bezetters, die hier in Friesland zaten voelden zich steeds meer ingesloten raken. Dat werd nog duidelijker toen de geallieerden Kiel hadden bereikt.

De Duitsers konden toen hun Heimat niet meer bereiken en trokken steeds meer westwaarts, dus richting Holland en Overijssel. En hoop was alleen nog maar gevestigd op een oplossing door de Kriegsmarine. De meeste van de ingesloten Duitse troepen trokken langs de oude Zeedijk richting Zwolle en bereikten zo de vesting Holland. Door het westwaarts trekken van de vluchtende Duitse troepen kregen wij hier aan de rand van het IJsselmeer steeds meer te maken met Duitsers die geen onderdak hadden. De boeren kregen verplicht inkwartiering. Dit gebeurde ook bij De Haan, op een gegeven moment stond het hele erf vol met Duitse voertuigen.

De soldaten bivakkeerden in hun wagens of bij ons in de stal, maar de officieren eisten echter een onderkomen in het huis zelf. Boer De Haan moest voor onderkomen en eten zorg dragen. Mevrouw De Haan stond hele potten met aardappelen en dergelijke te koken en ik moest de potten en pannen binnen brengen. Boer De Haan liep van het kastje naar de muur en was dolblij dat ik het eten naar binnen bracht. Het ergste voor de familie De Haan was dat men ook de pronkkamer had gevorderd. Zelf kwam men bijna nooit in een dergelijk vertrek, maar de Duitse officieren zaten er prinsheerlijk te snabbelen.

Omdat ik het eten binnen moest brengen spraken we wel eens enkele woorden met elkaar. Ze lieten daarbij blijken, dat ze niet geloofden dat ik uit deze omgeving kwam. Ze hadden daar gelukkig geen moeilijkheden over gemaakt, ook zij geloofden niet meer in de Sieg. Als ze maar te eten kregen, dan was het hen wel goed. De inkwartiering van een bepaalde groep duurde meestal een of twee dagen, dan trokken ze weer verder, maar er volgde dan weer een andere groep, want de gehele Wehrmacht was op de vlucht, tenminste de troepen die ingesloten waren. Ook gebeurde het wel dat er Nederlanders tussen de Duitse militairen zaten.

Het waren mensen die in Duitse dienst waren getreden. Ook zij dachten het hunne van mijn aanwezigheid op de boerderij. Ik zei dan meestal niet veel, maakte af en toe een opmerking, maar verder niet. Ook zij dachten dat de oorlog voor hen verloren was, ofschoon velen van hen nog hoopten op het geheime wapen waar Hitler steeds over sprak. Ze gingen naar Holland en daar zou men de strijd voortzetten, zo redeneerden de jongeren, de ouderen zaten meestal te piekeren en wilden naar huis .... Ze hadden maling aan het geheime wapen. Zo zei een oudere Duitser eens tegen mij: 'Als het geheime wapen voor het eind van de Krieg nog wordt gebruikt, dan zijn we voorlopig nog niet thuis'. Zo redeneerden verscheidenen.

Na verloop van enkele weken, het zal begin april zijn geweest, was het gros van de Duitsers gevlucht en zaten ze in de vesting Holland en liepen er alleen nog wat ongeregelde groepjes rond. Je voelde de bevrijding naderen, maar voorzichtigheid bleef geboden. De Duitsers die hier nog bij ons rondliepen of fietsten waren zwaar bewapend. Op het moment dat wij dachten, dat er zich geen strubbelingen meer zouden voordoen, deed er zich op de boerderij toch nog een incident voor.

Een Duitse onderofficier, zwaar bewapend en op de fiets, kwam de boerderij binnen. Mevr. De Haan en ik begrepen onmiddellijk dat er iets ging gebeuren en we wachten in spanning af. We behoefden niet lang te wachten, want luid schreeuwend en druk gebarend schreeuwde hij, dat er direct spek op tafel moest worden gelegd. Het leek wel of hij de Tommy's al had gezien en dat ze hem op de hielen zaten, zo zenuwachtig was hij. Aangezien de boer zelf nog achter het huis met de varkens bezig was, liet Mevr. De Haan mij maar met hem begaan.

Ik maakte hem duidelijk, dat zijn kameraden alles al hadden 'mitgenommem' en dat we niet meer hadden. Aan zijn ogen was te zien dat het menens begon te worden. Vervaarlijk trok hij een revolver en zwaaide er angstaanjagend mee. De boerin, die er bij was blijven staan, zag ik steeds witter worden, ze hield zich aan een stoel beet. De Duitser schreeuwde intussen nog steeds om een en ander en ik hield vol dat er kein Speck mehr' was. 'Kein Speck mehr?' bralde de man, 'ach du Bauer, jetzt kommst du mit Speck oder ich gehe suchen'. 'Suchen Sie bitte, ich gehe mit', zei ik.

Op dat moment kwam De Haan niets vermoedend binnen en de Duitser stortte zich met veel kabaal op hem. De Haan, geheel onthutst bij het zien van de zwaarbewapende man, het machinepistool hing nog om zijn nek en een pistool had hij in de hand, nam de man mee naar de zolder en even later keerde hij terug met de armen vol spek en worst. Alles werd op de fiets geladen en de boer moest nog helpen ook!

De Haan zei op de zolder niet veel, de Duitser was maar aan het schelden. Op een gegeven moment hoorden we hem brullen.. 'Und der Arbeiter erzhlt es gibt kein Speck da und hier liegt viel, das muss bestraft werden'. De boerin en ik dachten dat ik er van langs zou krijgen. Naderhand bleek, dat hij meer spek had meegenomen dan de bedoeling was en hij zou nog een keer terug komen. Dat heeft hij voorzichtigheidshalve echter niet gedaan, want de Canadezen waren reeds vlakbij en we konden hun geschut horen bulderen op een afstand van ongeveer 20 km.

Ze hadden zich in de buurt van Heerenveen vast ingenesteld. Steeds meer Duitse militairen komende uit de richting Heerenveen en Sneek trokken naar Lemmer, het was een ware vlucht. Het waren ongeregelde troepen, afgesloten van de hoofdmacht. Ze vervoerden op hun veelal gestolen voertuigen, o.a. paard en wagen, kaas en boter en dergelijke dat ze in zuivelfabrieken en bij boeren onderweg hadden gestolen. Ze zouden dat straks in Holland goed kunnen gebruiken, want daar was bijna niets meer en er werd daar behoorlijk honger geleden. Velen trokken langs de oude Zeedijk, terwijl een ander deel probeerde met een of andere boot of oorlogsvaartuig Amsterdam te bereiken, doch veel gelegenheid daartoe was er niet.

Zelfs op 16 april 1945 trokken nog vluchtende Duitsers met hele pakken gestolen etenswaar richting Zwolle. Of die lieden de rit nog hebben gehaald valt te betwijfelen, want tijdens die nacht van 16 op 17 april vond er een beangstigende beschieting van Lemmer plaats, waarbij de geallieerden het voornamelijk op de haven en het IJsselmeer hadden gemunt. De granaten, welke vanuit de richting Heerenveen werden afgeschoten, gierden over de boerderijen aan het Westend, om dan met een doffe knal ergens in Lemmer te ontploffen.

Het was echt angstaanjagend. Vanuit de verte hoorden we de granaten aankomen. Elke keer als zo'n projectiel over kwam, dachten we dat het wel eens bij ons in de buurt neer kon vallen. Eindelijk hield het 'gedonder' op en brak de morgen aan. De koeien werden gemolken en opeens viel het op dat er geen Duitser op de weg te bekennen was. Opeens zien we een paar mensen van de ondergrondse voorbij gaan. Met banden om de arm en de oude Nederlandse helm op het hoofd, bewapend met door Engelsen afgeworpen stenguns, fietsen ze richting Lemmer. Zou de oorlog inderdaad voorbij zijn? Wij waren op de boerderij niet meer te houden en zouden en moesten naar Lemmer. Het leek wel of Lemmer bezet was door de Binnenlandse Strijdkrachten, de voormalige ondergrondse dus.

De bezetters waren verdwenen of gevangen genomen. Hier en daar lag dood vee in de weilanden, getroffen door scherven van projectielen die 's nachts waren afgeschoten. De granaten hadden ook verschillende woningen getroffen en hadden flinke schade aangericht. Gezien het aantal projectielen wat 's nachts was overgekomen viel de schade nog mee. Het was dus 17 april 1945 geworden en we waren bevrijd, dat was een vreemd gevoel. Je hoefde je nu niet meer schuil te houden of om je heen te kijken als je naar buiten wilde gaan.

We gingen plannen maken voor de terugkeer naar Holland, maar moesten dit nog een tijdje uitstellen, omdat Holland nog niet was bevrijd. In juni gingen we dan uiteindelijk toch op reis. Onze pleegouders zwaaiden ons uit, ze hadden ons in verband met het hooien liever nog even gehouden, doch ze begrepen ook, dat hun onderduikers thuis wilden gaan kijken. Er was zoveel gebeurd....

Na de oorlog op visite bij fam. De Haan, bovenste rij v.l.n.r. Frits de Haan, moeder en vader Haan, zoon Jan. Onderste rij Johanne de Haan, Lucie vriendin van Kees Pijl, Lucas de Haan en Geertje de Haan.

 

Dit is de oude Zeedijkplaats te Bantega. In deze boerderij, destijds bewoond door de familie Andries Bosscha, hadden vlak voor de bevrijding Duitse soldaten hun intrek genomen. Ook waren hier Mussert en Seys Inquart. Vlak voor de bevrijding op 17 april hebben ze het bruggetje over de dijksloot de lucht in laten vliegen. Op 24 april 1945 's avonds onder melkers-tijd werd de boerderij door brand verwoest, naar men vermoed door achtergebleven oorlogsmateriaal van de Duitsers. Er vielen geen slachtoffers, maar wel vonden enkele koeien hier de dood.

 

Na de oorlog: Weer een dagje te gast bij de familie De Haan. Boer Thijs de Haan houd het paard vast en Lucie en dochtertje Geertje zitten op het paard.

 

Na de oorlog: Kees op de trekker met Jan de Haan.

 

Na de oorlog door Kees gekiekt: Jan, Lucie, moeder De Haan en Johanna.

 

Kees en Lucie in de echt verbonden 19 maart 1952.

Dagboekpassage uit de jaren 1940-'45.

Door H. de Vries, Lemmer.

Dagboek __ Het leven op en om de boerderij van 1936 tot 1963.

Jelle en Jan de Vries met het paard Boudewijn (Boud) bezig met hooi-inhalen.

 

Dagboekpassage uit de jaren 1940-'45.

en dat....een maand voor de bevrijding.

De voormalig veehouder Hans de Vries, destijds wonend op Follega (Straatweg?) 4 schreef in 1987 twee dagboeken over deze periode. Nu volgt een passage uit dit dagboek uit de jaren 1940-'45.

Follega 16 maart 1945.

Schreeuwende Duitsers.

In die tijd, op een namiddag, stond ik bij de weg, want ik zag vanaf Follega een kudde koeien (een heel beslag vee van n boer) aankomen. De koeien kwamen van stal, de pinken waren nog in het land. Een boer had een aantal pinken vlakbij de weg lopen, nu als ze zoiets zien, komen ze aanstormen vlak voor het landhek. De razende en schreeuwende Duitsers, meteen het hek open, deze konden ook nog wel mee! Tussen de tierende Duitsers liepen ook mensen, boeren uit Doniaga, gedwongen mee (zo ook mijn oom). Bij het passeren kon hij mij nog net een paar woorden toeroepen: Ga naar onze boerderij! ! Meteen liep hij verder, want hij had een soldaat achter zich die hem bars beval door te lopen. (Het vee zou ingescheept worden en vervoerd naar Amsterdam).

Maar wat was nu de oorzaak hiervan; direct had ik de wenk van mijn oom Joh. de Jong begrepen, want een heleboel deugde hier niet. Thuis lieten ze mij node gaan, want je wist niet waarin je terecht zou komen. Met de wachtposten (Polen) bij Follegabrug heb ik nooit geen moeite gehad, ze waren op onze hand, maar gevorderd! Onze verontruste tante op de boerderij vertelde mij het verhaal. Twee mariniers uit Lemmer kregen denkelijk te weinig eten en gingen op rooftocht uit. Op de boerderij naast hen was net (stiekem) een koe geslacht, zij ontdekten dit en vroegen een stuk vlees. Je gunde het hen niet, maar de gevolgen waren verschrikkelijk toen ze niks kregen (Ze waren dan direct teruggegaan naar Lemmer).

 

Terwijl ze al verder liepen ging in zo'n dorp het gerucht van 'hun zijn hier', snel rond. Wat gebeurde nu. Leden, vermoedelijk van de ondergrondse, knuppelden ze beide dood in het land waarin ze gevlucht waren (ik meende te weten dat ze geen wapens droegen). Zeer onverstandig en ondoordacht handelen, want ook in Lemmer waren ze gauw wakker. Soldaten werden gecommandeerd, joegen het vee bij de boer uit de stal, staken de boerderij in brand en namen het vee en de mensen mee naar Lemmer. Dat was het droeve gevolg van dit handelen en dat ik gezien had op de weg voor ons huis.

 

Weg naar Doniaga: Vanuit deze weg werden inwoners van Doniaga, met hun vee de straatweg opgedreven naar Lemmer. De inwoners bleven daar een tijdlang gevangen; het vee werd in schepen geladen en vervoerd naar Amsterdam.

 

Naar tante.

Ik ging, na mijn tante wat gerust gesteld te hebben (meer kun je niet, ze was blij met mijn komst), direct naar de stal waar een loeiend gebrul mij tegemoet kwam, het was allang over voeder en melkerstijd heen, de melk plaagde hun, geen hooi, krachtvoer, geen drinkwater ook. Het was een heel beslag vee 40 koeien, de andere dieren nog niet meegerekend. Het hooi lag netjes klaar op de hooizolder, zodat het spoedig rustiger werd. (Melkbussen en het boerengerei werden gereinigd op het Z.g. 'stap' (een houten werkruimte in de sloot voor het huis). Dat kon destijds; het slootwater was schoon en geheel helder en dat was in de gehele Lemsterpolder het geval. Als je een vergelijking maakt tussen toen en nu zie je een wereld van verschil, tegenwoordig voor menigeen onbegrijpelijk).

Of ik water gegeven heb weet ik niet precies meer, wel dat ik er als een berg tegenop zag al de koeien (met de hand) te moeten melken. Als je normaal alleen 13 koeien per keer melkt, voel je de spierpijn 's nachts en de armen zijn doof en gevoelloos vooral als het productiekoeien zijn. Natuurlijk kon ik ze lang niet allemaal volledig uitmelken, dat was onmogelijk. Als de eerste druk maar voorbij was. Ik zal heus wel eens een emmer melk omgekiept hebben om een eind lopen naar de melkbussen te besparen. Ik heb het (alleen) kunnen redden, hoe of het ook ging.

Twee neven van mij, zaten verscholen onder 't hooi, bang omgepakt te worden. Ze waren goed verstopt. Voordat in de zomer hooi in het hooi vak geborgen werd, had men 2 lagen pakken stro, onderin gelegd, een afgedekte ruimte in het midden latend, die verbonden was met eens heel smalle 'gang' naar de staldeur. Dreigde er gevaar voor hen, dan vulden ze die gang op met losse pakken stro, die ze met draad vastzetten. Je moest er niet aan denken als zo'n boerderij in de fik gestoken werd! De andere morgen vroeg op en weer hetzelfde werk.

Huiszoeking.

Maar terwijl ik nog zat te melken, je had vreselijk lang werk natuurlijk, kwam mijn familie mij gehaast waarschuwen, dat ik moest verdwijnen: de Groenen (dat waren geen mensen meer), zelfs de Duitsers waren er gewoon bang voor, de beulen van Hitler waren gearriveerd en doorzochten de boerderij. Ik had wel niks met de zaak te maken, maar denk maar niet dat ze mij dat zouden vragen, laat staan geloven. In n moment moetje beslissen, anders kan het te laat zijn en je hebt je vrouw en kind (toen nog alleen Gretha) ook nog. Ik dook die bewuste gang in, rukkend en trekkend aan de pakken stro om ruimte te krijgen.

Toen ik bijna bij die 'grote' ruimte was aangekomen, kon ik met geen mogelijkheid die pakken naar me toe trekken. Binnenin hadden die twee gehoord dat er iemand aankwam, wie dat wisten ze niet en ze hielden met alle kracht die beide laatste pakken vast. Ik aan de ene, zij aan de andere kant. Gedempt roepen haalt nauwelijks wat uit. Ik denk dat ik een pak gewoon kapot gebroken heb en toen hoorden ze mijn stem en lieten los. Benauwd daar onder, dat wel, maar voor het ogenblik zat je er veilig.

In het woonhuis presten ze mijn tante om eten, nadat ze de boerderij doorzocht hadden en niets vonden. Ze vraten hun buik vol. Mijn vrouw (moeder) was er ook al, ongerust over mijn wegblijven en was getuige van dit misselijk gedoe. Ze kon haar mond niet houden en kreeg ruzie met dat zootje (Ik geloof niet dat zij hen ooit een korst brood had gegeven). Het liep hoog op, ik denk dat mijn nu rustige tante er tussen kwam om erger te voorkomen. Toen de beulen vertrokken waren kon ik doorwerken.

In deze boerderij woonden de schoonouders van H. de Vries, het kleine meisje is Klaske de Jong, zij werd de vrouw van Hans de Vries en woont met zoon Jelle in de Wiepke Hofstraat. Links op de foto, de moeder van Klaske, Margaretha Arnolda van de Siepkamp, zij was de vrouw van Jan Wiebes de Jong en rechts op de foto Klaske Samplonius de vrouw van Constant Arnoldus v.d. Siepkamp.

 

Vreselijk schouwspel.

Mijn vrouw bleef. Ze werd getuige van een vreselijk schouwspel; het vermoorden (een ander woord is er niet) van een zevental gevangen genomen verzetsmensen. Sommigen waren al op weg naar de concentratiekampen, maar ze kwamen uit deze omgeving en moesten als represaille dienen. Daarvoor waren die beesten gekomen. Staande voor de afgebrande boerderij heeft mijn vrouw ze daar zien vallen, allemaal. Ze kon dit vanaf de boerderij van mijn oom waarnemen. Walgelijk schouwspel.

De veewagen waarmee ze gekomen waren ging leeg terug, de lichamen bleven op het voorerf liggen onder de wacht van een Nederlandse politieman. Als ik er nu voorbij fiets zie ik voor de drie lindebomen van de inmiddels weer opgebouwde boerderij nog hun lichamen liggen. Een echt heel dappere Groene? had hun ook nog door het hoofd geschoten, ze moesten eens nog niet dood zijn door die regen van kogels uit de machinegeweren. Twee van hun kan ik nog heel duidelijk voor me krijgen; een al een oude man, blonde lokken om zijn gezicht, uit Echtenerbrug en een uit Meppel (Wim Reinders, zijn schuilnaam) die ik van gezicht al kende, toen hij nog vrij zijnde zijn verzetswerk deed met Luitjen Mulder. Reinders was vaak bij buurman Winia. Ik weet niet wat ik toen dacht, dit aanschouwende, maar veel goeds beslist niet ten aanzien van de vijand.

De herbouwde boerderij van de familie Schotanus in Doniaga, naast de voordeur is in de muur een gedenksteen ingemetseld. Ieder jaar op 17 maart worden bloemen gelegd op de plaats waar de mensen werden neergeschoten. Foto Fr. Hemkes 17-03-1995 direct na de krans- en bloemlegging.

 

De ingemetselde gedenksteen.

 

Mijn prachtige blauw appelschimmel met veulen die ik destijds had.

 

Melkerstijd. Met emmer in de hand is Hans de Vries, in bijzijn van zijn schoonouders, Jan W. de Jong en M. A. de Jong-v.d. Siepkamp.

 

Veehouder Hans de Vries - sneeuwruimen.

 

Het dagboek eindigt als volgt:

Moeder (vrouw) en ik, we kwamen - hoe moeilijk ook - er door. We bleven God zij dank gezond. Maar 't laat wel sporen na.

In 1963 werd de boerderij van de hand gedaan en woonde de fam. H. de Vries in Lemmer, de voormalig veehouder ging toen als verzekeringsagent werken om in zijn levensonderhoud te voorzien. Na zijn pensionering in de hij de contributie voor de begrafenisvereniging in Lemmer. In het gezin H. en K. de Vries-de Jong, werden 3 kinderen geboren, dochter Gretha en de zonen Jelle en Jan. Hans de Vries overleed op 18 augustus 1994 op 82-jarige leeftijd.

Laatste oorlogsnacht Lemmer 16 april 1945.

Willem van Slageren.

 

Willem van Slageren.

Geboren op 3 juni 1932, overleden 17 april 1945 om 11.30 uur. Een neefje van Willem logeerde bij pake en beppe T. Bondietti-Jongsma in de Schans. Zij dreven een kruidenierswinkeltje (n van de vele kleine winkels in Lemmer t.o. de verfwinkel). Dit neefje drong er op aan dat Willem die nacht bij pake en beppe ging slapen, daar was een kelder onder het huis en veilig. Reeds om 10 uur in de avond werd de woning getroffen door granaatvuur van de Engelsen, die de haven van Lemmer bombardeerden.

De granaat sloeg door het dak naar binnen. Pake Bondietti was boven en bleef gespaard, maar beppe en Willen van Slageren werden getroffen. Beppe haar arm was weg geslagen, zij is alleen en lopend bij dokter Knufman, gekomen die haar eerste hulp verleende. Zij bleef in leven en droeg later een prothese. Willem bleef die nacht in leven, maar vanwege het gevaar op straat is hij pas de volgende morgen naar de oude Bewaarschool op de Lijnbaan vervoerd waar een noodziekenhuis was ingericht.

Toen de Engelsen Lemmer binnenreden en bevrijden en er grote vreugde heerste stierf om 11.30 uur Willem van Slageren oud 12 jaar, een vader, moeder, zuster en grootouders in diepe rouw en droefheid achterlatend. De moeder van Pieter Terpstra (bekende Friese schrijver) mevr. L. Terpstra-Grilk, oud 54 jaar wonende in de Schans werd ook ernstig getroffen, zij overleed een maand later aan een infectie.

 

De voormalige sjoel (synagoge) in de Schans. Verbouwd tot woning met verf en behangwinkel van Chris van Slageren.

De Joodse gemeenschap in Lemmer.

Jozef Blok. Gestorven op 10 oktober 1878 te Auschwitz.

 

Een zwarte bladzijde uit Lemsterlands historie. Niet...door gaar begeerd, nog gewild. De Joden zelf: "Wij zijn arme Joden en niet rijk dus..." Zij wilden en konden het niet geloven en doken niet onder.

In Lemmer woonde voor 1741 ten minste n joodse familie, die Turksma heette. Vanaf 1770 leverde een niet-joodse herberg (Herbergh. De Wyldeman) koosjer voedsel aan joden die gebruik maakten van het veer Amsterdam- Lemmer. Aan een muur van de herberg hing een bordje met het opschrift 'koosjer'. De synagoge aan de Schans, in gebruik sinds 1820, werd in 1866 met hulp van het stadsbestuur opgeknapt en ingewijd op 27 juli van dat jaar. De joodse begraafplaats werd in 1801 gekocht en lag aan de voet van de Zeedijk.

De oudste grafsteen is van 1817. Vanwege overstromingen werd besloten de doden elders te begraven en in 1876 schonk de burgemeester van het nabijgelegen dorp Tacozijl, jonkheer Jacob van Swinderen, een stuk land in Tacozijl voor dit doel. De enige joodse vereniging in Lemmer was Tov we-Chesed,(God is liefde/goedheid) opgericht in 1906 voor bestudering van de Tora en verzorging van de overledenen. In 1924 werd Lemmer bij het gebied van de joodse gemeente te Sneek getrokken. De synagoge is tot 1920 gebruikt en daarna verbouwd tot een woonhuis.

Drie joden die in 1941 nog in Lemmer woonden, zijn door de Duitsers gedeporteerd en vermoord. Hun namen staan vermeld op een gedenksteen die op 4 mei 1990 is onthuld op de joodse begraafplaats in Tacozijl. In 1989 werd deze begraafplaats door de Stichting Joodse Begraafplaats Tacozijl geheel gerestaureerd. Het onderhoud wordt verzorgd door 'It Fryske Gea'. Lees verder...

Op deze site kunt U ook de achtergronden, gezin, familieleden en gebeurtenissen van onderstaande personen vinden. www.joodsmonument.nl

O A R L O C H S W I N T E R.

It wier yn '44, 't skriklik jier
Det s sa lang wy libje heuge scil,
De fronten skouden op fen East en West
En dreauwen 't Poepehear nei 't eigen nest.
Do sloegen ek de flammen fen'e kriich
Mei fle gloede oer Nederlanske groun;
Limboarch yn pn, en Sln nder wetter,
En yn 'e Betuwe, oan 'e Wael- en Rijnstream
In kampslach sa forbitter en forheftich
As nea yn hiel s skiednis striden weard.
Do sammele de Poep syn lste kreften
En loek syn legermacht op Holln gear.
Hwet scoe it lot der fen s broerren wirde?
Scoen hja forswolge wirde troch is wiet
As strak de wrede fijn oer de s
Frij bd joech oer de lege polderlnnen,
Ef makken hja fen 't goede Amsterdam
In roverstins, in twadde Stalingrad
Dr 't hja hjar skildich libben djr forkoften,
In leste striid, in bloedich Ragnarok
Hjar eigen ndergong, jawis, mar ek
Dy fen s freonen, fen us folk en sibben?

Do dage, twisken 't spil fen fjr en wetter
De tredde fijn op: syn each stie hol,
Syn tosken gniisden yn 'e ntfleiske kaken,
Hy sei: Ik bin jim man. Myn namme is hnger
Hy foel de manljue yn hjar arbeid oan,
Hy liet de frouljue yn 'e winkelrige
Wankelje en falle. Lytse berntsjes, warleas
Kniipte er de strt wol yn 'e widze ta.
Tsjin dizze nije meat fen Adolf Hitler
Lei elts is f. Hja flechten t 'e stedden
Yn drve optocht nei it fruchb're ln.
Sa kaem de Hollanske hngerynvaesje
Op Frysln ta. Mar Fryslns folk stie r.
Hoe koe is oars, ef Lemmer, de lde haven
Poarte fen Amsterdam, hie de earste flecht?
En alle doarren, oars sims for de fremdling
Erchtinkend sletten, iepenen hjar wiid.
En ek de skrutenen en ynfierren herten
Hja waerden waerm en great fen minsklik fielen.
It lijen fen de neiste die in wnder:
It tilde s heech boppe eigen soargen ut.
En elts die hwat oars nea mglik wier.
De frjemdste swalkers kamen binnen doarren
en founen sklplak oan in Lemster hird.

Ken jim him noch, dy nuvere Amsterdammer
Dy 't as in skime oer s brgen dwaelde,
En dy 't den hjir, den der syn komst wer hie?
Hy wier gjin gentleman en gjin salonhelt,
In rudich mantsje, swier yn ls en plus
En mei in kreftich nforsnien Jordaensk.
Mar hy hie hnger en hy skeukte 'm noflik
Toplak opnbiwende pluchen stoellen.
Wol trijeris brochten wy him foart, mar lykwols
Stie hy dochs jimmer foar us, Ahasveros,
De nntkomb're wanneljende Joad.
'Meheir, ik bin der weir; mot u es hore....

Mar meast joech 't hiele klibers tagelyk.
Siz, hwa hie tocht, det er ea joun op joun
Mei krampen yn syn fingers fen it fykjen
En smarren, oer safolle broggen gear moast?

Yet krimp s hert, as wy oan hjarren tinke,
De lytse stimpers, snder heit ef mem,
Dy 't yn bitrouwen 't meag're hantsje leinen
Yn frjemde hn. En ek de hirdste mannen
Hja waerden hjirby weak. j' Sjoch Pyt de Blau
De rge knaep, de nforfearde keardel
Noch by de lytse famkes teltsjes dwaen
Mei sa'n lyts ld, om se net bang to meitsjen,
En ljeaf yn 't frjemde hs yn sliep to krijen.
En 't slagge; ja, gjin mem hie 't better dien!

Hwa strst der troch de joun, in bern op 't skouder,
Raeklings nder de leechste wolken troch?
Us greate man, de kriigle Sjoerd van Kammen!
Hy is de soargen en 't gefaer wol treast,
En 't net to ntkommen libben ngemak
Siikje de froulje wol wer fen syn jas;
Hy hldt de moed der yn, as alle oaren.
Jaj rounom wier gefaer- De fijn wekke,
En ienris sleat er trije frjeonen op
Yn 't brgehs. By de earste stap der bten
Scoe hjar in kugel nei 't Walhalla stjure.
Mar kjeld noch nacht, fijn noch ngeriif
Hold 't wirk fen ljeafde tsjin. It lyts begjin,
It wirk fen losse en inkelde persoanen
Waerd gearboun en fordield en skerper rjuchte.
Hjir wier de fakman nedich. Dokter Knufman
Organisearre en wrotte nacht en dei.
Al kaem it wirk nea dien, men skripte fierder
Hwent der wier need, illinde en yetris need.
Elts die syn plicht. Neamde ik hjir inkeld mannen,
Jim fiele wol,det is biskiedenheit.

Do 't lang om let it tong'ren fen 't kenon
Dy bange nacht, dy 't nimmen ea forjit,
It daegjen fen de bliide oerwinning kind'ge
Stoppe de stream. Mar hwet der wier, det bleau
En easke soarch - - Do kaem de fiifde Maeije,
En alle flaggen flapten yn 'e loft;
Holln wier frij, it naesje wier forslein,
De oarloch t - -Men kin 't yen noch net tinke,
Mar eltse dei opnij wirdt it mear wier.

Gjin nacht ef 't wirdt wer moarn, gjin lijen
Sa djip, ef 't lok riist der wer great t op
Mar wy forjitte net. Dy tiid, sa dunker,
Wier ek in tiid fen greate en nije kreften.
Hy hat s leard bten ssels to sjen.
Scil yn de nije tiid dy 't nou s wachtet
Hwet nijs en greats oer minsk en mienskip gean,
Den bouwe wy op dizze stille kreften
Dy 't s yn 't jier fen '44 droegen;
Op neisteljeafde en op barmhertigheit.

En njunken alle flaggen dy 't der waeije
Hysje wy, mei in bliid en tankber hert
It findel heech fen Florence Nightingale:
Flagge fen 't READE KRS, wy groetsje dy!

sept. 1944

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.