Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

Lemsterland in verzet.

Door Frank Hemkes.

Opkomst van het verzet: hulp aan onderduikers.

De Koeriersters.

Johannes Kraak.

Verdere Acties.

Het Ambtenarenverzet - Fokelinus van der Wal.

Arrestatie op 3 januari 1945.

Echtenerbrug als basis der Ondergrondse.

Nachtmerrie in Crack-State.

Pier Cuiper.

De tweede arrestatiegolf.

Sijmon Cuiper.

Executie te Doniaga.

Fedde Kalsbeek.

Verraden, relaas van een joodse onderduikster.

Henk Akse, alias Arie van der Pol.

Onderstaand stuk is geschreven in 1946.

Verzetsman Luitjen Mulder.

Uit: 'De Zwerver', weekblad van de Stichting.

Het gewapend verzet.

Ontvoering van den heer Huls.

De KP-Echtenerbrug.

Interview: Ph. Spits te Leeuwarden op 12 Februari 1949.

De illegaliteit te Lemmer.

Voetnoten:

Willem Beijering.

 

 

 
 

Opkomst van het verzet: hulp aan onderduikers.

De eerste oorlogsjaren verliepen betrekkelijk rustig in Lemsterland. Bij de Duitse inval was er geen schade geleden, de boeren hadden het goed en van onaangename maatregelen tegen joden merkte men niet veel aangezien de gemeente slechts drie joodse inwoners telde. Wel was er enig moreel verzet er waren de illegale bladen: in 1941 werd deels in verband met zijn medewerking aan het verboden 'Het Noorderlicht' de populaire Lemster communist Jacob de Rook opgepakt.

Het leven ging door, maar stilaan groeide de haat - nog versterkt door het toenemend aantal van door de bezetter uitgevaardigde verboden. Het verzet in Lemsterland begon werkelijk vorm aan te nemen in het najaar van 1942 met de komst van de eerste groepen onderduikers.

Dit waren mensen die aan Arbeidsdienst (verplichte dienst, waarbinnen arbeid verricht moest worden, aan de Duitse overheid met als doel jongeren te doordringen van het nationaalsocialistische gedachtegoed), Arbeitseinsatz (tewerkstelling van Nederlandse jongemannen in Duitsland) en natuurlijk de Jodenvervolging wilden ontkomen.

Er werd naar wegen gezocht om al deze voortvluchtigen uit handen van de Duitsers te houden, door voor betrouwbare schuiladressen en de noodzakelijke levensbehoeften te zorgen. Degenen die zich hier in een vroeg stadium mee bezighielden waren in Echtenerbrug Johannes Kraak, Pier Cuiper en Philippus Spits. In Lemmer werd dit gedaan door Fokelinus van der Wal en Willem Beijering, bijgestaan door Ynze de Jong.

Belangrijke contacten waren in Joure, waar Sjoerd Wiersma en Uilke Boonstra heel veel joden uit Holland haalden om hen in de Friese Zuidwesthoek te laten onderduiken. Lemsterland was uitermate geschikt voor het onderbrengen van onderduikers. Met name de Echtenerpolder, globaal het gebied tussen Lemmer, Echtenerbrug en Schoterzijl, leende zich daar door zijn onherbergzaamheid uitstekend voor. Mede door de onmiddellijke nabijheid van dit gebied kwam het brandpunt van de verzetsactiviteiten al gauw in het kleine dorp Echtenerbrug te liggen.
Door de vele joodse onderduikers kreeg Lemsterland benamingen als 'It Fryske Jeruzalim' en werd Echtenerbrug 'Klein Palestina' genoemd.

De onderduikers kwamen met de Lemmerboot; de 'Jan Nieveen', aan of werden van het station in Heerenveen of Wolvega gehaald. Meestal in het donker werden zij naar hun adressen gebracht. Aangezien de onderduikers in huis moesten blijven, gingen zij als tijdverdrijf garen spinnen of koffie malen. De kosten voor hun verblijf werden door de verzetsmensen en de gastgezinnen aanvankelijk uit eigen zak betaald. De benodigde bonkaarten - veel levensmiddelen waren op rantsoen en door middel van bonnen verkrijgbaar - werden in het geheim gedistribueerd.

Gaandeweg werden complete illegale netwerken opgezet en kreeg het verzet een steeds meer georganiseerd karakter. De LO (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers) werd opgericht, alsmede het NSF (Nationaal Steunfonds, voor de bekostiging van de onderduikerhulp ) en de PB-centrale (voor het vervalsen van persoonsbewijzen; hoofd van district Sneek werd de Lemster Dirk Onderweegs).

Veel dorpelingen waren op de hoogte van de illegale activiteiten van hun plaatsgenoten en noemden hen 'De Geheime Dienst', maar zwegen tegenover de Duitse autoriteiten. 'Het was één grote familie in die tijd', aldus Johannes Kraak.

Dat er aan het illegale werk grote risico's verbonden waren, zal duidelijk zijn. Er werd meestal onder een schuilnaam gewerkt om bij eventueel verhoor medestanders niet in gevaar te hoeven brengen. Ook was het verzetswerk geen vrijblijvende aangelegenheid. 'Als je er één keer aan begint, dan kun je niet ophouden', stelde voormalig koerierster Willy van der Gaast, die naast het overbrengen van berichten ook dikwijls onderduikers naar hun adressen begeleidde.

De verantwoordelijkheid voor de onderduikers drukte zwaar op de verzetsmensen.
Hun beschermelingen wilden wel eens roekeloos zijn: Willy kon zich nog een voorval herinneren uit de winter van 1944, toen de onderduikers zich ter hoogte van de Otterweg bij tientallen op het ijs waagden om te schaatsen. 'Luit (Mulder) vond dat heel erg.

Als de Duitsers daar lucht van gekregen hadden, dan hadden ze er heel veel tegelijk kunnen pakken'. Maar over het algemeen behoorden deze dingen tot de incidenten en kan Lemsterland bogen op het feit één van de hoogste aantallen onderduikers per vierkante kilometer gehuisvest te hebben; volgens sommigen meer dan duizend op het totale grondgebied.

In de zogeheten ondergrondse werden uiteindelijk zo'n vijfentwintig mensen actief. Het was niet zozeer een kwestie van 'in het verzet gaan', alswel iets waarbij men geleidelijk steeds nauwer betrokken raakte. Of, zoals Ynze de Jong dit uitdrukte:"Wij vinden onszelf geen helden. Je rolde er eigenlijk vanzelf in. Iemand vroeg of je een adres voor een onderduiker wist. Daarna ging je zelf op pad en zo ging het verder."

Johannes Kraak.

Het LO-legitimatiebewijs van Johannes Kraak. Zijn schuilnamen waren 'Johannes van der Veen' en 'Jan Bosman'.

Eén van de verzetspioniers in Lemsterland was de op 16 maart 1906 geboren veehouder Johannes Kraak. Voor hem begon het allemaal in het voorjaar van 1942, toen hij een brief kreeg van een zwager uit Harderwijk. Daarin vertelde de zwager dat een neef van hem een oproep had gekregen voor werk in Duitsland en dringend een onderduikadres nodig had. 'Laat hem maar komen', schreef Johannes terug en zo gebeurde het. Er werd een spinnewiel aangeschaft en voor schapenwol gezorgd. In juli kreeg Johannes Kraak bezoek van twee mannen. Zij stelden zich voor als Libbe Smit, ingenieur bij Philips in Eindhoven en Herman Kiefit de Jonge, zoon van een notaris in Heerenveen en eveneens bij Philips werkzaam.

De mannen deelden Kraak mee, dat zij via een bevriende veehandelaar gehoord hadden van de onderduiker. Ze namen Kraak in vertrouwen en informeerden of hij nog meer onderduikers herbergen en verzorgen kon. Johannes Kraak verklaarde zich volmondig akkoord, en vanaf toen werd een grote stroom onderduikers vanuit het zuiden, des lands naar Echtenerbrug gedirigeerd, voor een al of niet tijdelijk verblijf op de boerderij, 'As ien de minste is, der hâld ik it mei', verwoordde Johannes Kraak zijn beweegredenen om zich om de onderduikers te bekommeren. 'En dan die verrekte rotmoffen, wat diene se hjirre'.

Met veekoopman Pier Cuiper, die vaak op de boerderij kwam, begon Kraak een duurzame samenwerking om de onderduikers ook op andere adressen in de omgeving onder te brengen. De beide mannen vonden enige tijd later een machtige bondgenoot in Sjoerd Wiersma uit Joure, die zich samen met zijn broer Gerlof en diens vriend Jaap Hilverda ook bezighield met onderduikershulp in Echtenerbrug. Libbe Smit bleef op de boerderij om mensen naar Engeland te helpen ontsnappen.

Sjoerd Wiersma, directeur van een wasserij te Joure en topman van het verzet in de Zuidwesthoek. Zijn schuilnaam was Sjouke van der Zee. Na februari 1944 kwam Wiersma zelf als onderduiker in Echtenerbrug terecht.

 

De onderduikers, onder wie veel joden, kwamen meestal van het station in Heerenveen en arriveerden 's avonds op de boerderij.
Onder hen was ooit een joodse professor, bij wie gezegd was dat er goed op hem gelet moest worden: hij stond namelijk op het punt een belangrijke uitvinding voor Philips te doen. Het echtpaar kon zich zijn voormalige gast nog goed voor de geest halen. 'Het was een leuke man', vertelde mevrouw Kraak. 'Maar hij 'wilde eigenlijk niet zo graag onderduiken. Hij meende dat als hij zich zou laten castreren, hij wel vrij kon rondlopen. Hij is later toch gepakt natuurlijk'. Buiten veilig onderkomen voor onderduikers, werd de boerderij illegaal distributiepunt voor de benodigde bonkaarten.

Ook werden er regelmatig vergaderingen van de ondergrondse belegd. In de stal was een vernuftige schuilplaats gecreëerd: in het hooivak was een ruimte uitgespaard, die via een luik in de schutting toegankelijk gemaakt was. Het luik was door middel van een balk af te sluiten en alleen van binnenuit te openen. Precies voor de ingang had men een grote stier neergezet. De schuilplaats diende ook tot bergplaats voor kisten met bonkaarten en met wapens en munitie.

De onderduikersstroom ging nog steeds onverminderd door. Johannes was vaak samen met Sjoerd Wiersma op weg naar het zuiden om de zaken met betrekking tot de onderduikers te regelen. In Echtenerbrug was Johannes druk doende om geld in te zamelen voor het NSF; ook het verspreiden van de illegale bladen 'Trouw', 'Vrij Nederland' en 'Je Maintiendrai' nam veel tijd in beslag. Zijn vrouw Sietske had haar handen vol aan de verzorging van de onderduikers. Soms verbleven er wel 15 tegelijk op de boerderij; er werd in het wagenhok geslapen, in de paardenstal en op het zoldertje boven de varkenshokken.

 

Op een gegeven moment werd het zo vol met onderduikers, dat het teveel werd voor het zenuwgestel van mevrouw Kraak. Er moest op korte termijn raad geschaft worden. Eén van Kraaks arbeiders bewoonde een huisje aan de Heksloot, gelegen temidden van de weilanden in de buurt van het huidige Bantega. Johannes stelde voor, dit huisje van diens vader te kopen en het wagenhok van de boerderij te vertimmeren en geschikt te maken voor bewoning. De arbeider zou dan zijn intrek kunnen nemen in het wagenhok, terwijl in het huisje aan de Heksloot 4 joodse echtparen ongestoord konden verblijven.


Men vond het een prima idee en het plan werd uitgevoerd. Alles ging goed, tot in de nacht van de 14e mei 1944 het noodlot toesloeg. In de nanacht werd het gezin Kraak plotseling gewekt doordat er hard op het raam getikt werd. Het was veekoopman Jan de Vries, die niet ver van het huisje aan de Heksloot woonde. Buiten adem kwam hij vertellen dat de 8 joden zojuist door de Duitsers opgehaald waren.

 

Een in het land achter het huisje wonende man had de joden aan een NSB'er verraden, die op zijn beurt de Duitsers verwittigd had. 'Ik zou maar gauw vertrekken', waarschuwde De Vries, 'want jullie naam is genoemd!' De familie verliet hals over kop de boerderij en zocht haar toevlucht bij de vader van Johannes in Echten. Tegen de verwachting in bleef alles de volgende dagen rustig, zodat het gezin weer op de boerderij terugkeerde. De weduwe De Jong, bewoonster van een naburige boerderij, stond er wel op dat het gezin de eerste tijd bij haar overnachten zou.

 

Johannes Kraak, voor zijn boerderij aan het Krompad te Echtenerbrug. De foto is enkele jaren voor de oorlog gemaakt.

 

Op een ochtend kort daarop kwam een man uit Echtenerbrug op de boerderij van Kraak, en vertelde dat er bij iemand die dominee was in Groningen een onderduiker was gepakt. Men was bang dat er gezegd zou worden dat er in Lemmer ook onderduikers zaten bij de familie, zodat er snel bericht heen moest. Nu moest Johannes toch die richting uit, dus hij bood aan dit op zich te nemen.

 

Johannes was al op de terugweg toen bij Oosterzee, Kerst Koopmans, opzichter van de Veenpolder, hem tegemoet kwam. Deze riep hem in paniek toe: 'De moffen zijn op je boerderij!' Geschrokken haastte Johannes zich naar de boerderij van weduwe De Jong. Hij stond duizend angsten uit, want hij wist dat zijn vrouw en dochtertje nog op zijn boerderij waren.
Maar Annie Oord, de oudste dochter van Pier Cuiper, had al vernomen dat de Duitsers onderweg waren en had mevrouw Kraak gewaarschuwd. Deze slaagde er nog wel in dochtertje Janneke de weg over te sturen naar buurvrouw Diever, maar om zelf te vluchten was het te laat: de Duitsers smeten hun fietsen al langs de kant van de weg neer. Zij verborg zich snel in de schuilplaats, waar ook een motor stond die voor koeriersdiensten gebruikt werd.


Mevrouw Kraak nam plaats op de buddyseat en wachtte trillend van angst de gebeurtenissen af. De Duitsers doorzochten de boerderij grondig, waarbij ze de schutting om de schuilplaats op eventuele oneffenheden aftastten en met vorken in het hooi staken.
Inmiddels was de Knokploeg paraat en verzamelde zich bij de boerderij van De Jong.

 

Er hadden zich ook wat andere verzetsmensen bij gevoegd en er werd druk beraadslaagd. Wiepke Hof, een man die een winkeltje in klompen en landbouwgereedschappen had, bood aan om poolshoogte te gaan nemen. Onder het voorwendsel dat hij een hark kwam brengen, keek hij op de boerderij rond en constateerde dat de Duitsers mevrouw Kraak niet gevonden hadden. Hij meldde de mannen bij weduwe De Jong dat alles voorlopig in orde was. Er zat toen niet anders op dan af te wachten totdat de Duitsers de huiszoeking zouden staken.

 

In de schuilplaats was mevrouw Kraak haar zenuwen nagenoeg de baas geworden. De uren verstreken en zij zat nu al tweeënhalf uur in de schuilplaats. Vanuit de boerderij van weduwe De Jong, volgden de mannen nog steeds met spanning wat er zich op de boerderij van Kraak afspeelde. Op zeker ogenblik zagen zij de knecht met paard en wagen naar buiten komen.

 

In zijn gezelschap waren enkele Duitsers, die iets op de wagen laadden. 'Als de vrouw erbij is, Kraak, dan schieten we die Duitsers erachter weg!'. - 'Wacht even! Je past toch wel een beetje op mijn vrouw, hè?' Maar toen de kar passeerde, bleek dat het alleen de radio van de boerderij was die van de Duitsers naar Lemmer gebracht moest worden. Johannes slaakte een zucht van verlichting en nadat de laatste Duitsers vertrokken waren, spoedden de mannen zich naar de boerderij.

 

Mevrouw Kraak kwam geradbraakt uit de schuilplaats en Johannes nam de beslissing om ditmaal definitief naar zijn vader te verhuizen. Men bleef echter op alles bedacht. Toen na een nieuwe huiszoeking de knecht kwam vertellen dat de Duitsers geïnformeerd hadden naar zoontje Geert, hield Johannes deze voor de zekerheid een week van school thuis.


In augustus kroop de familie nog eenmaal door het oog van de naald. Op de 14e toog het hele gezin op de fiets naar Zwartsluis, naar de verjaardag van Johannes schoonvader. Ter hoogte van Schoterzijl, kwam men de vrouw van een NSB'er tegen, een vroegere vriendin van een zuster van mevrouw Kraak. Men sloeg er verder geen acht op en vervolgde zijn weg. 's Avonds na de visite vroeg mevrouw Kraaks zuster uit Harderwijk of het gezin met haar mee wilde gaan naar haar woonplaats.

 

Een verstandig besluit, want die nacht deden de Duitsers een inval in het huis van de schoonvader. Een zwager die er nog was, Botte de Boer, werd met een ketting aan een boom gebonden en de Duitsers zetten hem een pistool op de borst.

 

De Duitsers bekeken de foto, die zij bij de eerste huiszoeking hadden meegenomen en zagen dat Johannes Kraak er niet bij was. De Boer gaf uiteraard voor van niets te weten maar had het wel even benauwd. De Duitsers lieten De Boer nog een poosje zo vastgebonden staan en verdwenen toen weer. Het gezin Kraak was na Harderwijk doorgefietst naar Lichtmis, later kreeg men een strooibiljet onder ogen met een foto van Johannes Kraak.

De familie realiseerde zich dat zij aan een groot gevaar ontsnapt was.
Toen in januari 1945 de boerderij nogmaals doorzocht was, vond men het te riskant worden om langer bij Johannes' vader te blijven. Het gezin vond eerst onderdak bij Bernardus Holtrop boven Bantega, daarna bij de familie De Haan aan de Otterweg.

 

Er volgde een reeks van onderduikadressen, waarbij men zelfs in Langweer en Woudsend terechtkwam. Een periode die door mevrouw Kraak omschreven werd als 'een vreselijke tijd'. Het echtpaar kwam gelukkig de oorlog heelhuids door en ontving in 1982 de Yad Vashem-medaille.

Het Ambtenarenverzet - Fokelinus van der Wal.

 
De Friese belastingambtenaren waren al vroeg betrokken bij het verzet. Zij gingen bovendien een voorname rol spelen bij de financiering ervan. Hun aanwezigheid in het verzet werd pas massaal, nadat één van hen de dood had gevonden in kamp Vught. Zijn naam was Fokelinus van der Wal uit Lemmer.
 
Om van voren af aan te beginnen: deze Van der Wal was in 1899 in het Groningse Stedum geboren. Hij werkte aanvankelijk als boerenknecht, doch haalde in 1922 zijn examen tot kommies: dit was een ambtenaar van de belastingen voor de buitendienst. Hij verhuisde naar Gennep en daarna naar Vlagtwedde, waar hij in het huwelijk trad met Alke van Steenwijk. Het echtpaar vestigde zich in 1925 aan de Parkstraat in Lemmer. Fokelinus werd kommies-dienstgeleider en was een druk bezet man in het Lemmer van die dagen.
 
De Duitse inval van 1940 was voor de rechtlijnige Van der Wal een onrechtmatigheid die hij maar moeilijk accepteren kon. Als lid van het schoolbestuur drong hij aan op een compromisloze houding jegens de bezetter, toen deze het onderwijs onder zijn invloed trachtte te brengen. In de loop van 1942 begon hij samen met zijn assistent Willem Beijering met het zoeken naar veilige adressen in de gemeente voor onderduikers; tevens voorzagen de beide mannen hen van voedsel en kleding.
 
Toen begin 1943 ambtenaren van de belastingdienst personeelsleden moesten aanwijzen voor tewerkstelling in Duitsland, was Van der Wal furieus. In Leeuwarden en Heerenveen was reeds bij wijze van protest een handtekeningenactie op touw gezet en Fokelinus belastte zich in Lemmer hiermee. Op een avond kort daarna, het was 10 februari, kwam Van der Wal net voor spertijd thuis. Er werd aangebeld. De familie hoorde op hetzelfde moment mensen rennen aan de zijkant van het huis. 'Dit is mis', zei Fokelinus en boven, in de slaapkamer aangekomen zag hij dat het huis omsingeld was. Zijn vrouw wierp snel bezwarende papieren in de schoorsteen.
 
Toen de Duitsers binnen waren, doorzochten zij een uur lang het huis. De hele familie moest met de handen tegen de muur gaan staan. Van der Wal werd meegenomen naar het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD) te Leeuwarden. SD-handlanger Frans Lammers verzekerde de achtergeblevenen, dat hun man en vader binnen veertien dagen weer terug zou zijn. Maar Fokelinus werd via Groningen naar kamp Vught gevoerd. Inspecteur Olsman in Heerenveen ondernam verwoede pogingen om zijn ondergeschikte vrij te krijgen, maar zonder resultaat. Na verscheidene weken kwam er pas opnieuw bericht. 'Ik kan nu weer schrijven ....,' stond er intrigerend in Fokelinus' brief.
 
Op 22 april ontving de familie via ds. Wessels de tijding van het overlijden van Van der Wal. 'Longontsteking', luidde' de officiële verklaring. De nabestaanden twijfelden aan deze lezing - was het niet allemaal wat al te snel gegaan met Van der Wal? Pogingen om de juiste toedracht te achterhalen leverden niets op. Fokelinus van der Wal liet een vrouw en tien kinderen achter. Zijn collega's zorgden ervoor dat er in Friesland een eigen fonds voor verzetsfinanciering tot stand kwam, dat spoedig werd opgenomen in het Nationaal Steunfonds (NSF).

Echtenerbrug als basis der Ondergrondse.

Philippus Spits, In november 1939 gefotografeerd met zijn bruid IJtje.

 

De vrijgevochten Spits was sinds het najaar 1942 actief. Toen hij zijn verzetsloopbaan begon, verbaasden zijn familieleden zich over zijn nieuwe hobby: het houden van konijntjes, waarmee hij zelfs naar tentoonstellingen toog. Wat zij niet wisten, was dat Philippus de konijnenhokken gebruikte om in de dubbele bodem bonkaarten, wapens e.d. te smokkelen.

 

Spits hield zich in hoofdzaak bezig met het onderduikerswerk; als groenteman had hij vele contacten in de omgeving om onderduikers onder te brengen. Ook deed hij af en toe mee aan KP-acties. Dit alles nam zoveel tijd in beslag, dat zijn knecht de groentezaak dreef. Als Philippus de onderduikers op ging halen, vermomde de ras-toneelspeler zich vaak en liep hij bijvoorbeeld mank.


In het najaar van 1943 vonden drie joden, die in Lekkum hadden moeten uitwijken voor de verrader Vergonet, een veilig onderdak in huize Spits; na vijf weken wist hij hen in Langelille te plaatsen. Binnen het onderduikerswerk ging hij zich toeleggen op pilotenhulp; hij werd daarbij van tijd tot tijd geassisteerd door zijn vrouw IJtje, die de piloten naar de trein in Heerenveen bracht.

 

Deze deden zich dan voor als doofstommen. Verdere hulp verleenden vader Spits, die als postbode bonkaarten tussen de brieven vervoerde en Leen Koeman, een bij de familie Koopman ondergedoken student oude talen, die vakkundig persoonsbewijzen, Ausweise etc. vervalste. Spits' illegale contacten buiten de gemeente waren Uilke Boonstra en Sjoerd Wiersma; in Echtenerbrug waren dit vooral Fedde Kalsbeek en Harm Bootsma. Toen Philippus na de rampzalige gebeurtenissen van januari 1945 onderduiken moest, schreef hij op zijn deur: 'Volgens plan ontruimd'.

Pier Cuiper.

Pier Cuiper en zijn vrouw Koba.

 

Zijn huisje aan de Hoofdweg fungeerde meestal als doorgangshuis voor onderduikers. 's Avonds was Pier dikwijls met de fiets op pad om de onderduikers in de Echtenerpolder onder te brengen. Hij werd hierbij geholpen door zijn dochter Annie; soms stak ook dochter Gelske een handje toe door koeriersdiensten te verrichten. Van zijn vrouw Koba kreeg Pier grote morele steun. Zoon Sijmon was gedurende de oorlog lid van verschillende Knokploegen, die vaak in huize Cuiper vergaderden. Zijn pistool had Sijmon in een holle balk in de slaapkamer verborgen. In het varkenshok achter het huis bevond zich een turfbult, waarin een schuilplaats was gemaakt voor onderduikers.

Een ruimte onder de vloer van de gang diende ook voor dat doel. Als de onderduikers in het Tjeukemeer gingen zwemmen, hing moeder Cuiper bij wijze van waarschuwing in het geval van een razzia een witte doek op bij het schuurtje. Voorts konden de onderduikers zich verbergen in een schuilhut in het hooi bij de tegenoverliggende boerderij van Visser. Wanneer het er teveel waren voor het huis van Cuiper, vonden ook de bonkaarten voor onderduikers in deze schuilhut een plaats. Bij onraad stopte mevrouw Cuiper de bonkaarten in de vakken van haar schort.

In februari 1945 werd Pier Cuiper gevangengezet in Crack-State te Heerenveen. Zijn familie behield nog contact met hem door briefjes in een gebakken ei naar binnen te smokkelen. Waarschijnlijk dankzij het feit dat hij niet betrokken was geweest bij wapenvervoer, ontkwam hij aan de fusillade op 17 maart 1945. Pier Cuiper hield niet van opsmuk en behoorde tot diegenen, die zich na de oorlog niet op de borst sloegen. Hij had gewoon zijn plicht gedaan, vond hij.

Sijmon Cuiper.

Sijmon Cuiper. Vals persoonsbewijs op naam van 'Libbe Marten van Es'. Zijn andere schuilnamen waren 'Marten' en 'Willem Boomsma'.

 

Sijmon was de zoon van Pier Cuiper en had zijn werkterrein hoofdzakelijk buiten de gemeente. Hij was sinds 1943 actief in diverse Knokploegen; met de ploeg van Uilke Boonstra overviel hij op 10 september 1943 het distributiekantoor in St.Jansklooster. Op 7 juli 1944 deed hij ditzelfde in Workum voor de KP van Sneek. Grootste wapenfeit was zijn deelname aan de fameuze gevangeniskraak in Leeuwarden, 8 december 1944. Sijmon Cuiper speelde ook nog een rol als BS-commandant bij de bezetting van de brug in Scharsterbrug aan het einde van de oorlog.

Verder waren in Echtenerbrug werkzaam Wiepke Hof en diens zwager, meubelmaker Albert Koopman.
In de omgeving van Langelille opereerde nog de te Delfstrahuizen woonachtige Hendrik Wind op het gebied van de onderduikershulp; de bij diens ouders in de kost zijnde Apeldoornse waterpolitieman Gerrit Jan Niesing ('Chris') was actief als KP'er en was zowel aanwezig bij de overval op het distributiekantoor van Workum als bij die op de gevangenis te Leeuwarden.

Fedde Kalsbeek.

Fedde Kalsbeek.

 

Fedde Kalsbeek werkte in de kruidenierszaak van zijn ouders in Delfstrahuizen. In 1943 werd hij door Sjoerd Wiersma en Uilke Boonstra uit Joure benaderd om verzetswerk te gaan doen. Boonstra bezorgde hem een legitimatiebewijs van de luchtbeschermingsdienst, opdat hij ook na spertijd op pad kon. Fedde ging zich niet alleen bezighouden met de plaatsing van onderduikers, maar ook met de distributie van bonkaarten en de verspreiding van illegale bladen (Vrij Nederland').
 

Het plaatsen deed hij meestal met de fiets: overdag was hij alleen, in de nachtelijke uren werd hij regelmatig geholpen door zijn zwager Harm Bootsma. Soms verleende ook ene Hoogeveen assistentie, die een auto met gasgenerator had. De joden werden soms in een bootje in de Tjonger verborgen. Fedde kreeg de onderduikers vaak via Joure; een enkele maal arriveerden zij zelfs per ziekenwagen. Zijn contact in Lemmer was Dirk Onderweegs. Als zijn ouders hun zoon wilden waarschuwen voor onraad, plaatsten zij een bepaalde plant in een pot voor het raam.

Henk Akse, alias Arie van der Pol.

Henk Akse, alias Arie van der Pol.
 
Deze Meppeler bakkersknecht geboren op 2 juli 1919 te Kolderveen, speelde een jaar lang een belangrijke rol in het Lemsterlandse verzet. Hij werd op 20 maart 1944 te Steenwijk gearresteerd, omdat controlerende landwachters zijn papieren niet in orde bevonden. De dag daarop werd hij aan de SD te Arnhem overgedragen, waarna op 31 augustus te Utrecht zijn veroordeling tot 2 jaar tuchthuisstraf volgde.

Hij werd weggevoerd naar Duitsland en kwam in de strafinrichting van Ziegenhain terecht. Door de slechte omstandigheden daar liep hij pleuritis op. Van der Pol overleed op 10 april 1945 in een ziekenhuis te Marburg.  
Twee mannen uit Meppel gingen ook deelnemen aan het verzet in Echtenerbrug. Lemsterland kende hen onder de namen Wim Reinders en Arie van der Pol. Zij heetten in werkelijkheid respectievelijk Roelof Knol en Henk Akse: Roelof had enige tijd de boekhouding gedaan in de textielzaak van zijn ouders; na zijn tewerkstelling in een vliegtuigfabriek in Duitsland was hij gevraagd voor het Meppeler verzet. In maart 1943 was hij samen met zijn oude schoolvriend Henk Akse naar Lemsterland gekomen.

De beide mannen zaten eerst ondergedoken bij de familie Bakker; in het najaar van 1943 verhuisden zij naar Wiepke Hof. Deze had zijn winkel aan de Duimstraat, waar ook zijn ouders verbleven. Elke dag liep Wiepke het korte stukje dat hem van zijn woning aan de Marwei in Delfstrahuizen scheidde. Het najaar van 1943 was ook het tijdstip waarop het verzet in Echtenerbrug op aandringen van Sjoerd Wiersma besloot om de krachten te bundelen. De rustige, bedachtzame Reinders werd samen met Van der Pol hoofd van het rayon Lemsterland van de LO. Helaas werd op 20 maart 1944 Arie van der Pol op het station van Steenwijk gearresteerd. Zijn plaats werd ingenomen door Luitjen Mulder uit de Brekkenpolder.

Verzetsman Luitjen Mulder.

Het uit Gaasterland afkomstige echtpaar Mulder vestigde zich in 1910 aan de Doraweg in de Brekkenpolder. Pachtheer was baron Van Welderen Rengers. Als derde zoon werd op 25 juli 1918 Luitjen geboren. De jonge Luitjen bleek een leergierige knaap te zijn.

In zijn vrije tijd las hij veel en was een fervent schaker. Hij stond bekend als een vredelievende jongen die op zijn tijd wel plezier kon maken (hij was lid van de jongerenvereniging te Eesterga), maar zeer gesloten was van aard. Luitjen bezocht na de MULO de kweekschool in Sneek, alwaar hij de onderwijzersakte behaalde. Tijdens de vervulling van zijn dienstplicht werd hij geselecteerd voor een administratieve functie, op de school voor onderofficieren te Middelburg.

Enige tijd later was hij weer terug in Lemsterland en aangezien het in de crisistijd niet gemakkelijk was om als leraar aan de slag te komen (hij stond slechts veertien dagen voor de klas), besloot hij een cursus boekhouden te gaan volgen. In deze hoedanigheid werd hij aangenomen op de werf van Arie de Boer. Daar de Brekkenpolder toentertijd nog moeilijk bereikbaar was, verbleef hij 's winters in de kost bij zijn oudste broer Igge in Lemmer. Luitjen kon uitstekend overweg met De Boer, die in hem al een toekomstige compagnon zag. Als er tenminste niet de oorlog geweest was.

Toen in 1943 de Arbeitseinsatz een veelomvattend karakter kreeg, moest ook Luitjen Mulder zich melden in Amersfoort. Hij weigerde en dook onder bij zijn oudere broer Hendrik, die inmiddels zelf een boerderij had, naast die van zijn vader. Dirk Onderweegs, hoofdcommies op het gemeentehuis en actief in de illegaliteit, kwam wel eens melk halen op de boerderij. Via Onderweegs legde Luitjen de eerste contacten met het verzet. Wat waren, daarbij zijn motieven? Zijn broer Hendrik verklaarde: 'Er waren in die tijd nog meer onderduikers in de Brekkenpolder en Luut trok zich hun lot aan.

Hij zag het als zijn christenplicht ze te helpen. Bovendien, had hij nog geen gezin en vond daarom dat er voor hem weinig te verliezen was. Maar ik heb het hem afgeraden. Hij had bij mij kunnen blijven, hij had kunnen doorleren. Ik wilde hem sparen. Maar hij was wel een jongen die wist wat hij wilde. De neef van Luitjen, Benjamin Steegenga, zat al bij de ondergrondse in Gaasterland. Door diens bemiddeling kon Luitjen zich bij de LO-afdeling in Echtenerbrug voegen. Zijn schuilnaam werd Louis Molenaar.

Het gezin Mulder voor de boerderij, ± 1929. Uiterst links staat Luitjen.

Het gewapend verzet.

Door de aanzwellende onderduikerstroom steeg ook het aantal benodigde bonkaarten. Toen de aanvoer via medewerkende ambtenaren niet meer toereikend was, ging het verzet gewapende overvallen plegen op de distributiekantoren.

Dit was het werk van de Knokploeg (KP), die verder tot taak had verraders het zwijgen op te leggen. Hierbij handelde men met groot verantwoordelijkheidsgevoel: de verraders werden gevonnist door het zogenaamde Veemgericht, dat alleen in Friesland bestond en samengesteld was uit drie leden van de rechterlijke macht. Op deze manier was een waarborg gevormd tegen eigenrichting en willekeur.

Het uiterste vonnis dat uitgesproken kon worden was liquidatie; soms werd ook volstaan met een waarschuwing. Hier is een geval van bekend: een bakkersknecht, die eerst in Echtenerbrug werkzaam was en daarna in Kuinre, was na een verbroken verloving zichzelf niet meer. Blind van woede en verdriet wilde hij mensen gaan verraden, om te beginnen de onderduikers bij de ouders van het meisje.

Daar kwam nog bij, dat hij al een tijdje ondergedoken zat en zich uit verveling wilde aanmelden bij de NSKK, de Duitse transportorganisatie. De bakkersknecht werd zodoende de belangrijkste informant in een zaak die in het volgende hoofdstuk aan de orde zal komen. Hij kreeg een dusdanig ernstige waarschuwing, dat hij afzag van verder verraad. Naar de oorlog is de man geëmigreerd.

Gezien het aantal onderduikers kwamen gevallen van verraad in onze gemeente niet vaak voor. De voornaamste bezigheid van de Lemsterlandse Knokploeg was het vervoer en de opslag van wapens. Deze werden in containers aan parachutes uit Engelse vliegtuigen geworpen.

Dit gebeurde vanaf oktober 1944: de voor Lemsterland belangrijke afwerpterreinen lagen onder Haskerhorne en in het Katlijker Schar. De Knokploeg heeft ook wel eens een partij wapens met een bootje opgehaald uit Eernewoude, waarbij men zich voordeed als vissers. 's Middags kwam eerst via de radio een slagzin in code door: voor Haskerhome luidde deze 'Wie de schoen past, trekke hem aan'; voor Katlijk was die 'Hoe gaat het met Sjaak en zijn vrienden'. Werd de slagzin 's avonds herhaald, dan ging de dropping die nacht door.

Op het afwerpterrein verscheen de KP samen met andere ploegen en seinde met sterke witte en rode lantaarns naar de piloot. Na de dropping werden de parachutes begraven en de containers op boerenwagens geladen. Onder het hooi verborgen bracht de KP van Lemsterland ze naar de boerderij van Jan Toering te Echtenerbrug.  Bij deze zwager van Philippus Spits werden de containers geopend en de dik in het vet zittende wapenonderdelen schoongemaakt.

Van daaruit volgde verdere verdeling: men verborg ze bij andere boeren in het hooi of in droge gierkelders. De wapens vonden zelfs een plaats in kerken, onder de preekstoel. Wapeninstructie werd ook gegeven aan de KP. Tegelijk met een dropping sprong eens een instructeur af, een zekere De Koning. Nadat hij lesgegeven had in Sondel, brachten Wim Reinders en Luitjen Mulder hem naar Echten. De instructie vond plaats in het gemaal van de Veenpolder. De dag erna begeleidde koerierster Willy van der Gaast de wapeninstructeur naar een volgend adres.

De KP-Echtenerbrug.

De Knokploeg van Lemsterland was, in het voorjaar van 1944 door Haitse Wiersma ('Wytse'), neef van Sjoerd en hoofd van district Sneek) opgericht, te Echtenerbrug. De leden waren gerekruteerd uit de plaatselijke verzetsbeweging, aangevuld met wat KP'ers van buiten de gemeente als 'Lange Jan' Hoornstra en Jan Sustring. De leiding viel toe aan Wim Reinders.

De eerste gelegenheid om in actie te komen diende zich al snel aan. Tegen het einde van april kreeg kassier Waardemateriaal van distributiekantoor Langweer, Jan de Jong, te horen dat hij niet was vrijgesteld voor de Arbeitseinsatz. Maar Luitjen Mulder, die hij goed kende, regelde vlug een onderduikadres voor hem.

Daar De Jong uit hoofde van zijn functie gemakkelijk bij de kluis kon komen, werd een plan beraamd. In de ochtend van de 29e april begaf Jan zich als gewoonlijk naar de kluis. Onder de ogen van de nietsvermoedende bewakers van het gemeentehuis haalde hij de kluis leeg en deed de inhoud in postzakken.

Op de afgesproken plaats wachtte de KP met een auto. De buit bleek indrukwekkend: maar liefst 6583 bonkaarten, 1325 tabaksbonnen en talloze coupures. Deze kwamen onderduikers en verzet goed van pas. Jan de Jong dook onder in het noorden van Overijssel en beleefde de bevrijding.

Meer spectaculair was de overval op het distributiekantoor in Kuinre op 13 juli 1944. Men had politieman Frans Hylkema bereid gevonden tot medewerking. Hij verstrekte inlichtingen omtrent het kantoor en met zijn hulp kon Wim Reinders zich op de zolder, achter een stapel ingeleverde radio's verbergen. Toen de duisternis inviel, sloop Reinders de trap af en liet de rest van de ploeg binnen. De twee bewakers werden in een handomdraai gekneveld en omdat geschikt gereedschap ontbrak, werd de gehele brandkast op een bakfiets geladen.

Men nam tevens een gedeelte van de radio's mee, want dat ging toch in één moeite door. Wiepke Hof stelde nog voor de, deur in te trappen, opdat het zou lijken of de overval van buitenaf had plaatsgevonden. Vervolgens nam Hof achter het stuur van de bakfiets plaats. Het transportmiddel werd achter de personenauto gebonden en zo reed men naar Echtenerbrug. Op het erf van Jan Toering aan de Kempenaersweg opende men de brandkast.

Half augustus kwam er een nieuwe opdracht van Wiersma: de distributieleider van datzelfde kantoor in Kuinre, ene Harm Jan Huls, moest zo spoedig mogelijk overgebracht worden naar een plaats waar men hem kon verhoren. Wat was er namelijk aan de hand? Naar verluidt had het Gelders verzet in de bossen bij Apeldoorn, een verrader opgewacht en geliquideerd. Toen men het lijk fouilleerde was een lijst gevonden, welke bestemd was voor de SD te Arnhem. De lijst bevatte namen en adressen van mensen die in Lemsterland en de kop van Overijssel in het verzet werkzaam waren of onderduikers herbergden.

Onderaan de lijst was onvoorzichtig geschreven: 'Bovenstaande gegevens zijn afkomstig van de heer Huls te Kuinre', maar er was wel aan toegevoegd dat deze Huls tegenover derden onbekend wenste te blijven. De lijst was in allerijl bezorgd aan de in Kuinre wonende dokter Bouman, wiens naam als tweede op de lijst voorkwam. Deze had de lijst ook anderen die er op vermeld stonden onder ogen gebracht en men besefte dat er ingegrepen moest worden.

De KP nam opnieuw contact op met politieman Hylkema, maar deze weigerde ditmaal medewerking: Huls sympathieën waren bekend, maar desondanks stond hij in Kuinre zeker niet als onbetrouwbaar te boek. Wat stond de Knokploeg nu te doen? Als de distributieleider zijn plan alsnog ten uitvoer bracht, zouden niet alleen vele verzetsmensen, maar ook talloze onderduikers in groot gevaar komen te verkeren. Gelukkig kreeg de KP van Dubbeld Postma, gelegenheid om vanuit diens boerderij de situatie op te nemen en hun auto daar onder te brengen.

Na rijp beraad werd beslist om Huls op klaarlichte dag te ontvoeren. Op 17 augustus rond kwart over één sleurden de KP'ers Huls tijdens zijn wandeling tussen het distributiekantoor en zijn kostadres in de auto. De distributieleider werd geblinddoekt en buiten het dorp aangekomen vernielde de KP eerst de telefoondraden. Men zette vervolgens koers naar de boerderij van de ondergedoken Johannes Kraak, waar de distributieleider aan een lang touw werd vastgelegd. Bij het verhoor bracht Philippus Spits hem aan het touw op.

De aanvankelijk ontkennende Huls werd daar geconfronteerd met de harde bewijzen van zijn schuld. Buiten een lijst met telefoonnummers van de SD, vonden de KP'ers nog onder andere een briefje op hem met de naam D.J. Hoekstra: deze bleek een politieman uit Ede, die in Friesland gewerkt had. Huls bekende dat Hoekstra drie weken geleden bij hem was geweest om te praten over de overval. Huls had toen een aantal mensen genoemd die hij van medeplichtigheid verdacht. In samenwerking met twee landwachters te Kuinre hadden Huls en Hoekstra toen een complot gesmeed om op grote schaal zaken betreffende de illegaliteit te gaan verraden.

Hiertoe had men een fors aantal informanten geraadpleegd, onder wie de eerder genoemde bakkersknecht, een paar NSB'ers uit Lemsterland en de waarnemend burgemeester van Kuinre. Uiteindelijk legde Huls een volledige bekentenis af, waarbij hij tevens zijn lidmaatschap van de landwacht en zijn deelname aan razzia's toegaf.

Om vergeldingsmaatregelen op de bevolking van Kuinre te voorkomen, werd Huls gedwongen een brief te schrijven waarin stond dat hij in goede gezondheid verkeerde. Als resultaat werden de meeste mensen die in verband met de ontvoering waren opgepakt weer vrijgelaten. Huls werd vanwege de veiligheid steeds verder van Kuinre gebracht en kwam op de boerderij van Jan Toering terecht. Intussen had de Knokploeg het proces-verbaal getypt en wachtte de uitspraak van het Veemgericht af.

Op 20 augustus werd over Huls het doodvonnis uitgesproken; de KP'ers brachten hem die nacht hiervan op de hoogte. Huls mocht nog kiezen op welke manier hij ter dood gebracht wilde worden. Uiterlijk onbewogen koos de distributieleider voor de kogel: 'Doe maar in de nek'. Geestelijke bijstand werd door hem geweigerd. Op de vraag of hij berouw had, antwoordde Huls zonder aarzeling: 'Neen'. Ongeveer een uur nadien, om half twee, werd het vonnis door Toon met een enkel schot voltrokken. Het lijk van Huls werd naast de lege brandkast achter de boerderij begraven.

Het gebouw waarin het distributiekantoor van Kuinre gevestigd was.
 
 

De illegaliteit te Lemmer.

Ynze de Jong.

 

Ynze de Jong, alias Jan de Vries. De bescheiden en diep gelovige De Jong had een slagerij aan de Langestreek; de latere dierenwinkel. Het pand werd ontmoetingsplaats voor verzetslieden en ook werden er KP-acties voorbereid. Vooral Wim Reinders en Luitjen Mulder waren er vaak te gast. Aangezien er in de winkel nogal eens controles werden gehouden, kwam men door het steegje naast het pand onopvallend binnen. Men belandde dan achter op de slachtplaats, waar ook een enkele maal schietinstructie werd gegeven. Omdat het daar te veel opviel, werd dit niet herhaald. Men moest voortdurend op zijn hoede blijven, want schuin tegenover de slagerij bevond zich het waterschapsgebouw, waar de Feldgendarmerie zetelde.

Ynze de Jong was eenmaal aanwezig bij een wapendropping. De wapens werden door het echtpaar in een kinderwagen vervoerd; in huis verborg men de brenguns tussen de hammen in de schoorsteen en de pistolen onder de dakpannen. Bemachtigde bonkaarten vonden eveneens een plaats onder de pannen; tevens werden zij onder het vloerkleed verstopt. De Jong hield zich ook bezig met het plaatsen van onderduikers - het vervoer geschiedde zelfs eens per lijkwagen. De Jong fungeerde vaak als schakel tussen Onderweegs (daarvoor Van der Wal) en het uiteindelijke adres.

Zelf had het echtpaar sinds begin 1944 een joods meisje in huis. Zij hielp mee in de winkel en was behulpzaam bij het bereiden van maaltijden, die niet alleen voor de KP'ers bestemd waren maar ook voor voedselhalers die in de Hongerwinter van de Lemmerboot kwamen. In februari 1945 kwam de naam van Ynze de Jong bij de SD in Heerenveen ter sprake. Gelukkig werd het gezin via Philippus Spits net op tijd gewaarschuwd en toen de Duitsers op de 8e arriveerden, vonden zij het pand verlaten. In Lemmer was tot juli 1944 nog actief hoofdcommies van de gemeente Dirk Onderweegs.

Ynze de Jong en echtgenote met vier kinderen in 1944. Ynze de Jong (schuilnamen: Frits Lemstra en Jan de Vries) werd werkelijk actief in mei 1943. Naast de reeds genoemde werkzaamheden verspreidde De Jong het illegale blad 'Trouw', zamelde hij geld in voor zowel de illegale pers als het NSF en werkte hij voor de inlichtingendienst van het verzet. Op zijn zolder luisterde de KP naar Radio Oranje en wachtte codeberichten over o.a, wapendroppings af. Tenslotte hield De Jong zich nog bezig met de werving Van leden voor de BS.

 

Janny Meijers, de zuster van Ali. Zij was ondergedoken bij Jan Toering te Echtenerbrug. De foto is kort na de oorlog genomen.

 

Het gezin van Ynze de Jong met de joodse onderduikster Ali Meijers (middenachter). Gedurende haar onderduiktijd was Ali's haar rood geverfd door kapper Vliegendehond. Foto uit 1945.

 

 

Interview: D.R. Onderweegs ("Paul van Staal") Gem.Secr. te Genemuiden op 30-03-'49.

In Lemsterland waren 2 verzetscentra, die aanvankelijk weinig contact met elkaar hadden, n.l. Lemmer en Echten.

Eén van de eersten, die met lectuurverspreiding begon was Fokkelinus van der Wal. Aan zijn activiteit kwam een abrupt einde in verband met zijn actie betreffende het adres aan de Secretaris-Generaal van Binnenlandse Zaken Frederiks.
De verspreiding van de illegale lectuur werd toen overgenomen door Luitjen Mulder. Dit was V.N. en kwam uit Gaasterland via Steginga.

Luit Mulder kwam toen ook met de vraag bij Onderweegs of hij bereid was aan de lectuurverspreiding deel te nemen, wat deze accepteerde.
Het was nog in '42 dat er een overval plaats vond op de secretarie tegen sluitingstijd ca. 5 uur door Schmidt en Sleyffer. Zij moesten het bureau van Blaauw, één der jongste ambtenaren zien en zochten daarin naar illegale lectuur. Zij hadden bewijzen dat hier in Lemmer illegale lectuur verspreid werd, zeiden ze en verdachten de mensen op de secretarie ervan. Onderweegs als eerste ambtenaar zei: "Daar is geen sprake van, want dat duld ik niet op het Bureau".

Blaauw werd onder druk gezet en bekende per slot. Toen werd Onderweegs weer aan de tand gevoeld, ontkende niet, dat hem op straat wel eens blaadjes in de zak waren gestopt, die hij direct in de prullenmand had gedeponeerd, maar bekende verder niet, dat hij zich bezig hield met de verspreiding.
Een paar dagen daarna moesten Onderweegs, Blaauw, zijn Vader en Oom naar Leeuwarden komen. Daar werd een uitbrander gegeven en men moest een stuk tekenen, dat men bekende. Dit weigerde Onderweegs in zoverre, dat hij niet wilde geacht worden bekend te hebben en dat vond men goed. De lectuurverspreiding ging door.

Hierna kreeg men bezoek van Boonstra en Wiersma, die vroegen of de mogelijkheid bestond om 6 Joden te bevrijden, die in Lemmer zaten ingesloten. Zij waren eerst bij de Burgemeester geweest, maar deze had gezegd, dat hij van zijn plaats niets kon doen en noemde de naam van Onderweegs, die dit arrangeerde met de politiemannen.

Alles was klaar, maar onderluitenant Hafma scheen daar lucht van te hebben gekregen, doordat misschien de auto van Boonstra en Wiersma was gesignaleerd. Het politiebureau werd door ± 19 man in het oog gehouden.

Onderweegs is nog samen met Wiersma met Hafma gaan praten: Als hij er twee man voor bewaking neerzette, dan was de verantwoordelijkheid van hem af, dan zouden Wiersma, Onderweegs c.s. wel voor de rest zorgen.

Maar Hafma, was niet te overreden en zei maar: "Uiteindelijk ben ik de verantwoordelijke man en worden ze bevrijd, dan ben ik er bij". Hij eindigde met de woorden: "Ik kan niet anders", welke woorden nog dikwijls aangehaald zijn.

De K.P. van Joure, die ca. half elf 's avonds op pad ging om de operatie te verichtten, werd opgevangen. Japie* Hilverda, van Scharnegoutum was er ook bij, was briesend, dat het niet door mocht gaan.

Men heeft Hafma nog gevraagd "Waar gaan ze heen?", maar dat wilde hij ook niet zeggen.

Vanaf deze tijd kwam het contact met Wiersma en Boonstra tot stand en ging O. zich interesseren voor hulp aan Joden. Kort daarvoor hoorde O. dat Beijering ook illegale lectuur verspreidde. Toen ontstond samenwerking tussen Onderweegs en beijering. Onderweegs werkte samen met Abe Verbeek en Ynze de Jong, als contactmannen en B. had ook zijn contactpunten.

In Echten had Onderweegs voeling met Flip Spits. Dit was alles vóór de Meistaking. Men wisselde wel onderduikers uit ,maar bleef toch verder gescheiden werken. Spits ontving zijn instructies van Joure en werd zo'n beetje als rayonleider beschouwd.
Toen kwamen uit Meppel Wim Reinders en Arie van der Pol. Zij werkten aanvankelijk nog voor Meppel en hadden weinig contact met Spits.
Geleidelijk weg gingen Wim en Arie zich losmaken van Meppel en zich oriënteren op Joure.

Toen Arie van der Pol uitviel (is in Steenwijk gearresteerd) ging Luit Mulder zijn plaats innemen. In Echten zat een hecht groepje, Joh's Kraak, een veekoopman, wiens naam Onderweegs zich niet meer herinnert, Flip Spits en a.

In Lemmer, was een Hafen-Überwachungsstelle, met aanvankelijk comm. Strohkirch een fijne vent, helemaal geen nazist. Later kwamen er anderen. Van deze mensen nooit veel last gehad. Als zij gewild hadden, hadden zij veel meer kwaad kunnen doen, want zij kregen herhaaldelijk verraadbrieven, waarop zij niet ingingen. Veel steun had men van Ds. Wessels, die later overleden is.

In Juni 1944 nam O. de benen, men kreeg bericht via de Postdirecteur dat de Hafenüberwachung in Lemmer met S.D. in Leeuwarden belde, waaruit bleek, dat men op de hoogte was van O. ondergrondse activiteit.

Het werk werd overgenomen door Verbeek, de Jong en Beijering. O. ging toen naar Bolsward en blies daar een week uit bij Ds. Vink.

Na een week kreeg O. bezoek van Karel I en vroeg of O. de P.B.-centrale wou overnemen. Deze werd eerst waargenomen door Karel II. O. accepteerde dit. Na een week dus reisde O. al weer de gehele provincie door. Dit ging tot aan de spoorwegstaking per trein; hierna beperkt tot rayon Sneek. 't Was toen ook niet zo gevaarlijk meer, omdat de verbindingen verbroken waren. O. heeft praktisch tot de bevrijding doorgewerkt. In 't laatst heeft O. nog in Gaast gezeten bij een boer als evacué "van Staal". Die boer was een rotvent; de vrouw goed. "Ik val toch niemand lastig, waarom vallen ze mij lastig?", daarmee doelend op de evacuatie. Eens verkocht hij een pond boter aan de Duitsers. Toen O. hem er op opmerkzaam maakte, dat hij de boter liever aan Nederlanders kon geven, zei hij: "Ik kan ze toch niet allemaal helpen?".

Het Joden onderbrengen viel in Lemmer niet mee. In Lemsterland ging dat wel beter. Met de Joden niet veel last gehad. Zij konden zich wat moeilijker aanpassen, dan de andere onderduikers, omdat zij vaak uit een nog veel meer afwijkend milieu kwamen, dan de andere onderduikers, terwijl zij zich nog veel meer gedekt moesten houden.

O. acht de lectuurverspreiding een zéér belangrijke factor bij het verzetswerk. Deze lectuur scherpte de mensen telkens weer op: verzet is en blijft geboden! men werd behoed voor het gevaar af te glijden in een soort sleur tengevolge van de lange duur van de bezetting. Het was een feit, dat men juist van die mensen, waar men geregeld lectuur bracht, ook de meeste medewerking ontving.

Een enkele keer heeft O. in Lemmer ook nog wel contact gehad met een N.C. man uit L'warden, vermoedelijk S. Rienks. De upper-ten is er in Lemmer volkomen buiten gebleven. Het viel iemand uit Heemstede op, dat het juist bij hem thuis de meer goegoeden waren, die in het verzet zaten, terwijl het in de Lemmer, zoals hij het uitdrukte - Jan Boezeroen was, die in het verzet zat volgens zijn indruk.  Toonaangevende kringen in Lemmer, waren ontzettend bang.

De verzetsgroep uit Echten bestond voor 't grootste deel uit buitenkerkelijken. Toch werd 80% van de onderduikers bij Kerkelijken geplaatst.

Aize Wind uit Oosterzee, was Cmdt.O.D. en werd later ook Geco.

Van de Katholieken in Lemmer niet veel gemerkt, daar de Pastoor bang was uitgevallen in tegenstelling tot Sint Nicolaasga, waar onder de katholieken ook flink wat activiteit werd ontplooid. Haitze Wiersma uit Nijmegen, werd de opvolger van Jacobus Boomsma, als leider L.O. in district Sneek. Hij is later ook een goed organisator gebleken.

Friesland heeft volgens O. een gedisciplineerde en goedgeorganiseerde verzetsbeweging gehad, door streng doorgevoerde splitsing in rayons. Geregeld werden contactvergaderingen belegd.

De L.O.-centrale heeft gezeten:

1. Bij watergemaaltje aan de Lemmerweg, bezuiden Sneek.

2. Tussen IJlst en Sneek.

3. Aan de Noordkant van Sneek.

4. 't Laatst in de buurt van Bolsward (bij Burgwerd?)

Alles maakte een zeer legale indruk. Als men op de L.O.-centrale kwam, dacht men te zijn op het Bureau van de Voedselcommissaris. Koeriersdiensten werkten perfect, weer of geen weer.

* Schuilnaam met vermelding van echte naam, plaats van afkomst, beroep, verzetsorganisatie en/of -functie, bijzonderheden en bronnen

Auke = Jaap Hilverda 1. KP Scharnegoutum 3. Lijst Ypma; Mededeling G. Oppewal

 

Het interview eindigt met..onleesbare handgeschreven tekst.

Willem Beijering.

Willem Beijering.

 

Willem Beijering, alias Willem ten Berge, alias Roelof van Slageren. De sociaal-democraat Beijering was een op de voorgrond tredend, opvliegend maar joviaal man. Via de belastingdienst (Krijn van den Helm, Olsman) was hij samen met Van der Wal in het verzet geraakt.
Beijering was medewerker van de LO en hield zich als zodanig bezig met het onderbrengen van onderduikers in Lemmer. In zijn hal hing de toepasselijke spreuk: 'Herbergt de verdrevenen, en meldt de omzwervenden niet!' Verder was Beijering belast met de distributie van bonkaarten voor onderduikers en de inzameling van gelden voor het NSF. Daarenboven verspreidde hij de illegale bladen 'Het Parool' en 'Ons Volk'.

Als onderdeel van het morele verzet werden ten huize van Beijering politieke huiskamerbijeenkomsten gehouden, met gastsprekers als J.H. Scheps en E. Vermeer. Beijering stond in verbinding met de ondergrondse in Echtenerbrug; in Lemmer was een belangrijk contact Homme de Bruin. Bij het onderbrengen van onderduikers werd hij geholpen door Koos Mebius, een schaakvriend van Luitjen Mulder uit de tijd dat beiden in de Brekkenpolder ondergedoken zaten. Na de wegvoering van Fokelinus van der Wal was Beijering dienstgeleider geworden. Om te voorkomen dat de opengevallen plaats zou worden ingenomen door een NSB'er, had hij voor overplaatsing gezorgd van grenscommies en oud-Lemster Harm Douma. Na januari 1945 moest ook Willem Beijering onderduiken. Hij deed dit bij Wiebren Kraak, een broer van Johannes.

 

Begin september 1944 leek even de bevrijding dichtbij. De Binnenlandse Strijdkrachten (BS) werden gevormd, die een ondersteunende rol bij de geallieerde invasie moesten gaan spelen. In het kader hiervan kwam ook te Lemmer een gevechtsgroep tot stand, opgericht door Willem Beijering. Leden waren Harm Douma, zijn vrienden Klaas Zwarthoed en Max Koole, Jetse de Haan en anderen. Na training werden de mannen naar huis gestuurd totdat zij werkelijk in actie moesten komen.
Een drietal leden van de groep, Douma en zijn beide vrienden, dook onder in de Brekkenpolder.

Zij werden overdag verzorgd door boer Popke Bakker en overnachtten in een kajuitbootje, dat tussen het riet in natuurgebied Banco lag. Op een gegeven ogenblik kregen de mannen vanuit Echtenerbrug bericht, de KP af en toe te assisteren bij het wapenvervoer. Zij gingen de transporten begeleiden vanaf het afwerpterrein bij Haskerhorne naar de eerste opslag, de boerderij van Toering. Na de verdeling staken de drie BS'ers met een roeibootje het Tjeukemeer over en konden dan meteen Oosterzee van wapens voorzien. De partij die voor Lemmer bestemd was verborgen zij in het kajuitbootje, dat met visnetten gecamoufleerd werd.


Toen door brandstofgebrek de gemalen niet meer functioneerden en de waterstand snel steeg, moest er een andere bergplaats gezocht worden. Men nam twee kisten van huis mee en liet bij de firma Bijlholt een grote, van binnen met zink beklede, kist maken. De wapens werden in de kisten gedaan en deze werden ingegraven in een van de polderdijken. Na enige tijd brachten de mannen de kisten over naar Lemmer, waar ze met medewerking van Ds. Wessels en conciërge Haye Dijkstra op de zolder van de christelijke school werden verborgen.
In de laatste maanden van de oorlog kregen de leden van de gevechtsgroep nog schietinstructie achter in het land van boer Akkerman aan de Grietenijdijk. De BS van Lemsterland speelde echter geen rol van betekenis bij de bevrijding.

 

Een door Willem Beijering, zelf geschreven relaas over zijn verzetsactiviteiten. Dit is afkomstig uit de archieven van de stichting 'Friesland 40-45'

Verslag verzetsactiviteiten van Willem Beijering, 1945.

                                                                      Lemmer 21-11-1945

Hierbij doe ik U het volgende rapport toekomen.

Drukke ambtelijke werkzaamheden beletten mij uitvoerig te zijn. Over verschillende personen, onderduikers en Joden, zou ik wel aardige anecdotes kunnen vertellen, maar de tijd ontbreekt me. Met de samenstelling van de groepen voor de N.O-polder hebben we, Wim en ik, veel werk gehad. De moffen maakten gaten in de dijk. Het lag in hun bedoeling de dijk te laten springen als de geallieerden legers naderden. Doordat ik als ambtenaar veel op de terreinen kwam was ik in de gelegenheid de zaak goed op te nemen. Met Ir. v.d. Bout, van de dienst Z.Z.-werken, had ik toen regelmatig contact. Aan de N.B.S. heb ik ook wel een rapport ingezonden, maar ik heb dat zeer beknopt gedaan.

Ik hoop, dat u voor de Documentatie aan dit rapport iets zult hebben.

Tot nadere inlichtingen ben ik gaarne bereid.

 

Met vr. groeten,

      w.g. W. Beijering.

 

Beijering Willem, geb. 6-11-1901. Wonende Langestraat 76, Lemmer. Beroep: Assistent dienstgeleider der Belastingen. Godsdienst: gene. Gehuwd. 4 kinderen. Houding echtgenoot: niet terughoudend, doch aansporend tot voorzichtigheid. Familie woont in Drente en was er vrijwel onkundig van, althans de eerste jaren. Aanleiding: toen de Duitsers hier kwamen, stond het voor mij vast, dat ze ons een overtuiging (nat.Soc.) wilden opdringen. Een bedreiging derhalve van onze hoogste geestelijke goederen (vrijheid). Motief: principieel verzet.

Ik was lid van de S.D.A.P. Toen in Juli 1940 de S.D.A.P. opgeheven werd en de partij-voorzitter Vorrink en secr. Woudenberg weigerde onder het juk van Rost van Tonningen door te gaan, met hen nog vele anderen, moest op andere wijze in het levensonderhoud van hen worden voorzien. Een toen medewerker geworden voor geldinzameling, verspreiding ill.partij-lectuur en bezoeken geheime vergaderingen. Partij-contacten: Woudenberg, Amsterdam; J.K. Brouwer, Wolvega en S. Westra, Heerenveen, thans Leeuwarden. Later algemene verzetslectuur verspreid en contactpunt voor ill. ambtenarenorganisatie, financiën. Vanaf 1943 onderduikers ondergebracht en later ook Joden. Hoeveel, dat kan ik niet meer mededelen, het zijn er heel wat geweest. Op dit punt contact met S. Westra, Harri en Flip Spits, Echten. Later ook met Wim Reinders en Ari, beiden overleden. De eerste in Doniaga doodgeschoten; de andere in Duitsland overleden. Vanaf dien tijd ook ingeschakeld bij het N.S.F. hoofdcontact in de gemeente! Veel geld ingezameld. In 1944 60 bonkaarten per maand bezorgd. In L.O. plaatselijk contactpunt, hoofd, Na Sept. 1944 uitsluitend gewerkt voor de illegaliteit. Na spoorwegstaking contact tot stand gebracht per boot voor post uit friesland naar Amsterdam, samen met Wietse Wiersma. In Aug. 1944 groepen gevormd voor de verdediging van de N.O.-polder. Samengewerkt met Kampen. Later, Sept. groepen gevormd voor O.D. Maakte vanaf dien tijd deel uit van de staf O.D. In Dec. 1944 hoofd geworden van sectie XI N.B.S. tevens waarnemend commandant. In 1943 tekeningen gemaakt van Noordelijk deel N.O.-polder en haven Lemmer, het terrein, waarop de verdedigingen van de moffen voorkwamen.

Met Wim, K.P.-leider van Echten, dikwijls op stap geweest voor het charteren van schepen om deze in vaarwaters tot zinken te brengen. Eind 1944 laatste hand gelegd voor de door de K.P.'s te Scharsterbrug in beslag genomen 60 ton suiker, bevrachtingsboekje in order gebracht. De onderduikers kwamen uit Friesland, maar ook wel uit Drente, Overijsel en Holland. Voor N.S.F. contact met den heer J. Evenhuis te Leeuwarden. Geen piloten verzorgd. In Febr. 1945 ondergedoken. Kosteloos onderdak gehad te Wolvega, Langelille en Echten.

Vrouw en kinderen in Drente. Leefde toen onder de naam van Ome Roel, Roelof van Slageren. Niet gearresteerd; wel gezocht. Volgens de commandant van de S.D. in Lemmer, deze is hier eind Oct. 1945 geweest, had men mij doodgeschoten, als ik in handen van de S.D. te Heerenveen was gevallen. Ben in Wolvega, bij een fabr.arbeider, in Echten bij een opzichter en in Langelille bij een onderwijzer geweest, Kosteloos. Mijn loon heb ik steeds ontvangen. Ben niet ontslagen. Nu terug in mijn oorspronkelijke werk, vanaf Aug. Niet gedupeerd. Heb me opgegeven voor de recherche bij mijn dienstvak. Nooit iets opgehoord.

Gearresteerde vrienden; Roelof Knol, Meppel. K.P.-leider Echten. Schitterend werk verricht. Medegewerkt aan verschillende kraken, sabotages en arrestaties. o.a. Hulst, Kuinre. Doodgeschoten met 9 anderen in Doniaga: W. Hof, Echten; Alb. Koopman, Echten; beiden doodgeschoten in Doniaga. P. Cuiper, Echten, in Crackstate gezeten, op 14/4 1945 vrij. W. v.d. Gaast, Eesterga, koerierster, gevangen, op 14/4 1945 vrij. Henk Aksen, Meppel, in Duitsland overleden.

J. Evenhuis, Leeuwarden, in Vucht gefusilleerd. F. v.d. Wal, Lemmer, collega, in Vught overleden April 1943. Met hem samen wel eens wat illegaal lectuur gemaakt.

De familie van R. Knol leeft in kommervolle omstandigheden. Wordt echter aangewerkt. Heb van Knol maar één foto, die ik graag wil behouden.

W.G. Beijering.

De Koeriersters.

Koerierster Willy van der Gaast, op bevrijdingsdag in Lemmer, 17 april 1945.
Zij is gefotografeerd voor het gemeentehuis en was toen net drie dagen op vrije voeten. Om haar arm de BS-band waarop 'Koerierster Oranje' te lezen is. Aardig detail: achter haar staat de fiets van Willem Beijering
.

 

Toen vooral na de spoorwegstaking van september 1944 de bewegingsvrijheid van mannen steeds  beperkter werd, gingen de illegale organisaties ertoe over een beroep te doen op vrouwen en meisjes. Zij kregen tot taak de contacten tussen de verschillende verzetsorganisaties te onderhouden en mensen te waarschuwen om onder te duiken. Deze koeriersters moesten hiervoor vaak tientallen kilometers in weer en wind fietsen.

Koerierster van de KP-Echtenerbrug was Willemtje (Wim) van der Gaast, een boerendochter uit Eesterga. Ze was door Wim Reinders en Homme de Bruin voor dit werk gevraagd en had de verzetsnaam 'Willy' gekregen. 's Morgens haalde ze de geheime post op bij Beijering en slager De Jong en keek of er nog een boodschap was bij Wander Koopmans in Oosterzee.

Ze bracht de brieven naar Wiepke Hof in Echtenerbrug, 'De Centrale', waar alle post verzameld en gesorteerd werd. Van daaruit reed ze 's middags naar adressen in Joure, Heerenveen of Wolvega en één keer per maand met brieven van onderduikers naar Meppel. Soms vervoerde zij zelfs wapens, die door de vrouw van Ynze de Jong onder haar kleren op de rug werden verborgen.

Overdag was Willy meestal in de kost bij Wiepke Hof; 's nachts verbleef ze bij haar zuster die bij bakker Haveman aan de Markt woonde. Toen de bakker difterie kreeg, vond zij onderdak bij buschauffeur Rintje de Jong (de schoonzoon van de in 1943 weggevoerde Gerben Bootsma) die zelf ook koeriersdiensten verrichtte in Gaasterland. Tenslotte werd zij gearresteerd en kwam in Crackstate terecht. Na de arrestatie van Willy van der Gaast werd haar werk overgenomen door haar nicht Lena Koopmans.

Koerierster Lena Koopmans.

 

 

Een door Burgemeester Krijger, opgemaakte verklaring, die ervoor zorgde dat Wim van der Gaast, haar fiets mocht houden, door net te doen of zij met de 'levensmiddelen distributie' was belast. De Burgemeester was dus volledig op de hoogte van haar koerierswerk. Krijger overhandigde dit document aan Luitjen Mulder, die het aan Wim van der Gaast bezorgde.

 

Wim van der Gaast, werd toegestaan zogenaamd op 'ziekenbezoek' te gaan, maar bezorgde daar natuurlijk in werkelijkheid de illegale post van het verzet of voor onderduikers.

 

Nog een doorlaatbewijs. Het handgeschreven gedeelte van de tekst, is van Mevr. W. Schuilstra-van der Gaast.

 

Verklaring dat Wim van der Gaast tot de Binnenlandse Strijdkrachten behoorde. Het handgeschreven gedeelte is weer van Mevr. Schuilstra zelf. 'A. Wind' is Aize Wind, uit Oosterzee, gemeentelijke commandant van de BS.

 

Nu volgt het relaas/rapport van Rintje de Jong.

RAPPORT:

de Jong. Rintje. Geb. 23 Juni 1908.

Het adres was Gedemptegracht 2 te Lemmer.

Thans is het adres bij de N.B.S. te Balk District IV

Het beroep was Autobus chauffeur Balk-Lemmer.

Godsdienst: Gereformeerd.

Bovengenoemde komt uit een klein gezin.

De familie was enthousiast en vlak voor illegaal werk.

Sinds 27 Juni 1944 lid van de O.D. Later N.B.S.

 

-Ik ben bij de ondergrondse gegaan omdat de moffen mijn schoonvader den heer G.G. Bootsma*, uit Lemmer, kapitein op de Stanfriesboot Leeuwarden-Rotterdam opgepakt hebben, en omdat ik het als mijn plicht beschouwde.

 

Op een van de reizen, die mijn schoonvader maakte van Leeuwarden naar Rotterdam, kwamen ze op het IJsselmeer ter hoogte van Enkhuizen een rubberboot tegen met 7 Engelsche en 1 Hollandsche vliegeniers. De 7 Engelschen werden aan de moffen over gegeven, omdat er teveel waren die het wisten. De Hollander heeft hij geholpen om weg te komen en onder te duiken, want dat was een spion, dus het was zijn plicht om die man te helpen.

 

Dit was een Vaderlandslievende daad. Maar door praterij van het publiek is het toch uitgekomen, want een week later werd hij opgepakt 3 April 1943. Hij werd als de grootste misdadiger opgebracht. Sindsdien ben ik voor de beweging gaan werken, want ik voelde mij gedwongen om het te doen en zoodoende een steentje bij te dragen om de mof te vernietigen.

 

Ondergedoken ben ik niet geweest.

Ik leefde steeds onder eigen naam, alleen mijn beroep heb ik verandert van chauffeur in veehouder.

Twee P.B. 's heb ik gehad.

 

Bij de districts commandant IV was ik koerier. Van September af moest ik haast alle dagen 125 km op de fiets afleggen. De route was in de regel Lemmer-Sneek-Bolsward-Workum-Koudum-Balk-St. Nic-Lemmer. Ondanks het slechte weer, vaak moesten steeds de verschillende contacten bezocht worden en de berichten er gebracht op een fiets waar auto binnenband om de buitenband zat.

 

De volgende personen trof ik haast altijd en werkte ik mee. S.J. de Jong, B.H. Steegenga, S. Praamsma (Dick) J.S. de Boer, A. Tuinier, Post, Tissot, Koopmans, Wind en Beijering.

In de bevrijdingsweek was ik bij de verbindingen van het District IV, onder commando van de heer S. Praamsma. Ook nadien ben ik bij deze sectie gebleven. Steeds hebben wij in de bevrijdingsweek de orders naar de verschillende commandanten gebracht, vaak onder moeilijke omstandigheden.

 

Wij waren bij twee boeren ingekwartierd en wij hadden een bewapening van twee stens en 3 revolvers voor 15 man.

Toen de bevrijding een feit was, wilde een van onze jongens zijn revolver -waarmee hij ook al verschillende kraakjes had gepleegd maar nooit gebruikt- eens proberen. Een doel werd uitgezocht en aan de trekker getrokken, maar géén kogel kwam uit de loop. Hij probeerde het nog een paar maal, maar steeds kwam er niets uit.

 

Het wapen werd onderzocht en wat bleek nu, dat de slagpin te kort was, dus steeds had hij op een wapen vertrouwd, wat waardeloos bleek te wezen.

De kameraadschap onderling was uitstekend en is het altijd geweest.

 

De volgende vrienden ben ik verloren: Roelof Knol, Meppel. Louis Mulder, Brekkenpolder. J. Hornstra, Wijckel. Zij werden doodgeschoten als represailles te Doniaga.

Het waren eerste klas illegale werkers.

De familie weet waarvoor zij hun leven gegeven hebben. De familie wordt verzorgd.

Gaarne blijf ik mij geven voor de opbouw van ons vaderland.

 

                                                      R. de Jong.

●●●

 

Na het bundelen van de verschillende verzetorganisaties in de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten werd Nederland in gewesten verdeeld. Gewest 1 was Friesland met de heer Arie Meyer als commandant. De provincie werd weer opgedeeld in districten. De Zuidwesthoek was district vier, dat de gemeenten Workum, Hindelopen, Stavoren, Hemelumer, Oldeferd, Sloten. Doniasterstal, Gaasterland, en Lemsterland omvatte. Het Districtsbureau bevond zich in Balk. Op de foto de districtsstaf van de NBS.  De eerste vlnr.: J.J. de Koning. Commandant S. de Jong, en H.L. Tissot. Tweede rij vlnr.: P.  Epema, B.H. Steegenga, Tuinier, S. Praamsma, B. Steegenga en J.Th. Poot.

* (zie ook www.oranjehotel.org/bootsma.pdf)

Verdere Acties.

Jan Feenstra in zijn marechaussee-uniform, januari 1941.

 

We zijn in de BS-tijd aanbeland en de ploeg hield zich in hoofdzaak bezig met sabotageactiviteiten. Er werden dorsmachines vernield om stroleveranties aan de Wehrmacht te voorkomen.
Stro was belangrijk als verpakkingsmateriaal voor granaten en als grondstof voor cellulose, dat weer voor tal van doeleinden gebruikt werd, van plastics tot springstoffen. In het najaar van 1944 werd de KP-Echtenerbrug versterkt met Jan Feenstra (Piet) en Martin Olivier (Harry). In oktober werd de spoorlijn ter hoogte van Nijeholtwolde gesaboteerd. Men verwachtte een munitietrein.
 

Maar de Duitsers ontdekten de sabotage en hun wraak was verschrikkelijk: op 12 oktober schoten zij als represaille op de plaats van de sabotage, drie onschuldige burgers neer. Bij de nachtelijke acties fietsten meestal de beide marechaussees Feenstra en Olivier in hun uniform voorop, om de Duitse controle te misleiden. Als er onraad was, waarschuwden zij de rest van de ploeg door met de achterlichten te knipperen. Ook een Duits uniform, dat buitgemaakt was toen er een SS-officier in het ziekenhuis van Heerenveen lag, bewees de KP goede diensten.
 

Voorts was de KP- Echtenerbrug samen met een andere ploeg belast met de zorg voor twee vanuit Engeland gedropte officieren. Dit waren de marconisten Tazelaar en Faber, die een radioverbinding met Engeland tot stand moesten brengen. Zij installeerden zich later met de zendapparatuur in een bootje in de rietkraag van het Nannewijd, niet ver van het afwerpterrein bij Haskerhorne.
De wapendroppings zelf gingen onverminderd door. De transporten leverden nogal eens moeilijkheden op, doordat paard en wagen herhaaldelijk in de modder bleven vastzitten. Ook moest men constant bedacht zijn op Duitse patrouilles.

 

Tijdens één van de droppings namen Feenstra en Olivier in strijd met de voorschriften een parachute van het afwerpterrein mee. Textiel was schaars in die dagen, en de beide mannen wilden hiervan een trouwjurk laten maken voor Feenstra's aanstaande bruid. De leiding nam het hen niet bepaald in dank af en zette beide mannen uit de ploeg.

 

Rond de persoon van Jan Feenstra zijn altijd misverstanden blijven bestaan. Niettemin was de Lemster enkele maanden lid van de Knokploeg in Echtenerbrug. Hij had toen al een bewogen leven achter de rug.


Jan Feenstra werd op 2 november 1918 geboren als zoon van huisschilder Eelke Feenstra (in Lemmer beter bekend als De Moskjeferver). Jan was eerst schildersknecht, maar ging aan het begin van de oorlog op aanraden van één van zijn ooms bij de marechaussee. Toen tijdens de meistaking van 1943 de politie van de Duitsers hard moest optreden tegen stakende arbeiders en boeren, besloot hij de politiedienst vaarwel te zeggen. Enige tijd later dook hij onder, met zijn uniform en dienstwapen nog in bezit. Nu had Rauter kort tevoren de maatregel afgekondigd dat wanneer een politieman onderdook, diens familieleden geïnterneerd zouden worden in kamp Vught.


Begin augustus werden de ouders Feenstra dan ook als gijzelaars naar kamp Vught getransporteerd, de zorg voor de rest van het gezin aan een tante overlatend. Kort daarop werd Jan zelf gearresteerd, toen hij bij een oom in Amsterdam persoonsbewijzen aan het vervalsen was. Hij werd opgesloten in het beruchte 'Oranje Hotel' in Scheveningen. Daarna kwam hij in kamp Amersfoort terecht, waar hij zware arbeid moest verrichten op vliegveld Soesterberg. Dit was voor hem niet vol te houden, zodat hij bij het aardappelschilcommando kwam. Een Benedictijner pater, met wie hij goed bevriend was geraakt, zorgde ervoor dat hij dit werk bleef doen en op diens advies voegde Jan zich bij een transport naar Riga (Letland), waar hij werken moest als frontarbeider. Inmiddels waren Jans ouders in december 1943 weer vrijgelaten.

 

Dat de wereld klein was, ervoer Jan in Riga: Jan liep in het kamp een oud-schilderscollega tegen het lijf, die destijds in één van de buitendorpen woonde. Met hem hernieuwde Jan de vriendschap en voortaan waren de mannen onafscheidelijk. De verassingen waren nog niet ten einde, want later bleek de de commandant van het kamp een Lemster, een vroegere vriend van zijn Jans vader. Deze man was natuurlijk wel in Duitse dienst, maar hij behandelde Jan goed en gaf hem licht werk.


Na een verblijf van enkele maanden in het kamp kreeg Jan van de commandant valse papieren en werd hem gelegenheid tot ontvluchten gegeven. Er volgde een lange treinreis dwars door Europa, tijdens welke Jan een jockeypet droeg om zijn kaalgeschoren hoofd te verbergen en eventuele herkenning te voorkomen. Hij belandde bij zijn oom Ynte in Amsterdam, maar bleef daar niet lang: via zijn verloofde in Wolvega, die koerierster was, vond Jan een onderduikadres bij de familie Slump in Echtenerbrug.

 

Een diepe, droge regenbak onder de vloer werd zijn schuilplaats. In Echtenerbrug ontmoette hij de aldaar woonachtige Martin Olivier, net als hij een ondergedoken marechaussee. Samen kwamen zij in contact met het verzet in deze plaats en sloten zich aan bij de Knokploeg. Na zijn huwelijk op 28 december 1944 trok Jan in gezelschap van Olivier naar Wagenborgen in Groningen.

Arrestatie op 3 januari 1945.

Eind december 1944 kreeg de SD door verraad een aantal verzetslieden uit Noordwolde in handen. Na zware verhoren noemden zij namen van medestanders, waaronder die van hun contactman in Echtenerbrug: Wiepke Hof.

Destijds was Wim Reinders als onderduiker in huis bij Hof; Luitjen Mulder was rond de jaarwisseling nog even thuis, waar hij tegenover zijn vader zijn vermoedens van verraad uitsprak. Ondanks waarschuwingen vertrok hij Weer naar Echtenerbrug. Hij was gewoonlijk ondergebracht bij Albert Koopman, die tegenover de pastorie van de gereformeerde kerk woonde. Het ongelukkige toeval wilde echter dat de vrouw van Koopman enkele dagen daarvoor bevallen was, zodat Luitjen de nacht eveneens bij Wiepke Hof moest doorbrengen. Wim en hij gingen laat naar bed die 2e januari: ze hadden meegeholpen een voor de Duitsers varend roggeschip leeg te halen en de lading opgeslagen voor het verzet.

De mannen waren de volgende morgen net uit bed toen om 10 uur de SD het dorp binnenreed. Het drama voltrok zich bliksemsnel: nadat een arrestant uit Noordwolde Wiepkes huisje aangewezen had, stormde de SD naar binnen. Gelegenheid tot ontkomen was er voor de twee KP'ers en hun gastheer niet meer: de verraste mannen werden meteen onder schot genomen door de zwaar bewapende SD'ers. Deze begrepen al snel dat zij een goede vangst hadden gedaan. Wim en Luitjen werden direct verhoord, waarbij de SD'ers Wim in huis al mishandelden en zijn bril kapot trapten.

In nabijgelegen woningen werden eveneens invallen en huiszoekingen gedaan. De Duitsers waren ook in de bakkerswinkel van Harm Bootsma. Fedde Kalsbeek, BS'er Willem de Jong en hij namen de vlucht door de achterdeur en doken door het raam de christelijke school binnen. Via een betonnen stortkoker voor kolen klommen zij naar boven en konden door een raampje het gebeuren gadeslaan. Zij waren er onder meer getuige van dat ook het huis van buurman De Vries doorzocht werd en dat de Duitsers diens hond doodschoten. Wim Reinders, Luitjen Mulder en Wiepke Hof werden naar de overvalwagen gebracht. Zij werden afgevoerd naar Heerenveen, waar zich achter gemeentehuis Crack-State de beruchte gevangenis van de SD bevond.

De arrestatie door de Sicherheitsdienst van Wim Reinders, Luitjen Mulder en Wiepke Hof. De mannen werden geboeid naar de overvalwagen gevoerd en naar Crack-State gebracht.

 

Het huisje van Wiepke Hof in Delfstrahuizen werd geplunderd en diverse malen op wapens doorzocht. De wapens waren in de nacht na de arrestatie door mevrouw Hof en een andere vrouw al weggehaald. Na de laatste huiszoeking wierpen de SD'ers enkele handgranaten naar binnen. Het huisje van Hof is later opgenomen in kledingcentrum Roest.

 

Het leeghalen van het roggeschip. Buiten de KP waren onder andere nog aanwezig Pier Cuiper, Johannes Kraak en Fedde Kalsbeek. Het graan werd naar de zolder van de christelijke school gebracht, de latere meubelzaak Bruin. De tekeningen zijn kort na de oorlog gemaakt door Hendrik Bangma, een schoonzoon van Pier Cuiper (hij was getrouwd met Gelske) en lid van de BS van Lemsterland.

Nachtmerrie in Crack-State.

De Belg Emiel Steijlaerts, één van de wreedste beulen van Crack-State.
Ook de SD'ers Nauhein en Paarmann misdroegen zich ernstig en zijn waarschijnlijk de hoofdverantwoordelijken voor de dood van Luitjen Mulder
.

 

Sinds 14 oktober 1944 was in de gevangenis te Heerenveen het Kommando Kronberger van de Sicherheitspolizei en SD gevestigd. Het gebouw had de reputatie gekregen van verschrikkingoord, waar Vlamingen als Emiel Steijlaerts en Gerard Verbrugghe de Duitsers soms nog in barbaarsheid overtroffen als het ging om arrestanten tot spreken te dwingen.

 

Onder leiding van de Duitser Hermann Rosenthal werd de waarheid er letterlijk uitgeslagen: men gebruikte een karwats met knopen erin, waarmee men zo tekeerging dat de bloedspetters op de muur zaten. Verder sloeg men met een stok, de kolf van een revolver en een zware sleutelbos. Tot slot van het verhoor werd de arrestant op een gloeiend hete kachel gelegd.


De gevangenen uit Echtenerbrug werden die nacht duchtig aan de tand gevoeld. Toen Luitjen Mulder hierbij niets wilde loslaten, besloot de SD tot een tweede, nog zwaarder verhoor. Dit duurde de volgende nacht van 7 tot 2 uur en doordat hij bleef zwijgen, werd Luitjen gruwelijk mishandeld. Zijn door merg en been gaand geschreeuw was ook in andere cellen te horen en dreef zelfs een medegevangene tot zelfmoord.

 

Luitjen werd nadat hij met ontbloot achterwerk over een ijzeren krib had moeten gaan liggen van zijn rug tot aan zijn knieholten helemaal blauw geslagen.
Voorts schopten de beulen hem met hun zware laarzen in de lendenen en drukten hem tegen de kachel tot er bijna geen vel meer op zijn rug zat. Maar geen naam kwam over zijn lippen. Terug in de cel bleek dat de beulen hun verwoestende werk grondig gedaan hadden: Luitjens nieren functioneerden niet meer.

 

Zijn lijdensweg duurde nog drie dagen en toen stierf hij, zonder medische hulp ontvangen te hebben. Kronberger gaf opdracht het zwaar mishandelde lichaam weg te werken door het in de buurt van Langweer met een auto-as verzwaard onder het ijs te laten zakken.

 

Ook Wim Reinders werd het vuur na aan de schenen gelegd. Maar deze koos een andere tactiek: hij liet voorzichtig enkele namen vallen van mensen die al ondergedoken waren. Zo noemde hij de naam van Johannes Kraak. De volgende morgen in alle vroegte moest hij mee om diens boerderij aan te wijzen. Maar toen gebeurde er iets waarop Wim niet gerekend had.

 

Op de boerderij trof de SD Johannes broer Jouke, die samen met zijn gezin en enkele anderen daar ondergedoken was. De SD'ers zagen Jouke eerst voor een Amerikaan aan en vroegen wie hij was. Jouke antwoordde dat hij Van Kessel heette en evacué was. Zijn beide zoontjes dreunden ook braaf hun lesje op: 'Wij zijn Arnout en Roeland van Kessel. 'Wij komen uit Nijmegen. Hoe het daar uitziet? Nou, allemaal water, net als hier!' De SD nam daar echter geen genoegen mee.

 

Zij sloegen Jouke Kraak en de andere onderduikers in de boeien en dwongen hen tegen de muur te gaan zitten. Wim Reinders werd bij hen gebracht, maar deze haastte zich de SD'ers ervan te overtuigen dat Jouke nergens mee te maken had. Om Jouke te redden, zag Wim tenslotte geen andere uitweg dan te verklaren dat hij de SD'ers maar wat op de mouw gespeld had.


De Duitsers ontstaken in toorn en sloegen Wim ongenadig met een stok op het hoofd. Jouke Kraak en de onderduikers werden in de overvalwagen geladen en men reed naar het huisje van Wiepke Hof, waar men aan het plunderen sloeg. Nadat de SD'ers alles wat van hun gading was hadden meegenomen, keerde men met de gevangenen op de boerderij terug.

 

Daar waren de overige SD'ers Wim Reinders nog aan het afranselen. Jouke Kraak moest samen met de arbeiders van de boerderij de hele mesthoop overhoop halen om te kijken of er ook wapens in zaten. Maar gevonden werd er niets. De Duitsers waren zo kwaad op Reinders, dat zij Jouke Kraak en de andere onderduikers lieten gaan.

 

Terug in Crack-State ontlaadde de woede van de SD zich pas goed. Wim werd zo geslagen en getrapt dat hij nauwelijks meer staan of zitten kon. Na afloop werd hij in een cel met allerlei houtrommel gegooid. Omdat hij stug bleef zwijgen, kreeg hij de eerste vijf dagen vrijwel geen eten en drinken. Naderhand werd hij naar een andere cel gebracht. Daar kreeg hij na een tijdje gezelschap van Jan Tuut ('Joop van Wijk'), die van de ziekenzaal kwam.


In de cel was als bodembedekking alleen een dun laagje stro. Tuut zei wel een stukje op te willen schuiven, zodat Wim ook op de brits uit de ziekenzaal kon. Maar 's avonds sloop Steijlaerts altijd op sportschoenen langs de celdeuren en toen hij Wim op de brits zag, joeg hij hem eraf en zei dat hij op de grond moest liggen. 'De volgende keer schiet ik!' De treiterpraktijken van de SD vonden voortgang: Wims eten werd af en toe zonder bestek om de hoek gegooid en als de gevangenen eens een kopje thee kregen mocht hij niet meedrinken.


Ook het fysieke geweld tegen Wim werd voortgezet. Jan Tuut vertelde over de mishandelingen: 'Hij kreeg zoveel slaag dat hij zijn ontlasting liet lopen. Zijn linkeroog zat dicht, zijn neus was kapot en je kon zien dat ze hem met de sleutelbos op zijn hoofd hadden geslagen. Ook waren er rottende wonden onder zijn knie en aan zijn kuiten: zo erg zelfs, dat Kronberger zei dat er een dokter bij moest komen. Namen heeft Wim nauwelijks genoemd, maar soms deden anderen dat wel. Dan was het 'Kommen Sie mit! Schnell bitte!' en als hij dan wist dat hij huizen moest aanwijzen, trok hij helemaal wit weg. Dat vond hij verschrikkelijk'.

 

De enige versoepeling in het beleid was dat de beide gevangenen eens een boek mochten lezen. Zij vroegen om 'Hollands Glorie' van Jan de Hartog, maar moesten voor ze dit kregen eerst verschillende Duitse boeken doorworstelen, te beginnen met 'Mein Kampf'. Al met al trachtte Wim het hoofd koel te houden en zon op manieren om mensen te waarschuwen. Hij maakte briefjes, die hij tussen het vuile wasgoed probeerde weg te smokkelen. Een medegevangene, die in Drenthe tewerkgesteld werd, gaf hij een boodschap mee voor Philippus Spits.


Intussen was ook Wiepke Hofs beurt gekomen voor een 'behandeling'. Hij had tijdens de martelingen van zijn makkers de hele tijd hun gegil gehoord en verstijfd van angst werd hij uit zijn cel gehaald. Deze zachtaardige man, wiens deur voor iedereen uit het verzet altijd openstond en bij wie 'alles kon', was nu geestelijk volkomen murw gemaakt. 'Sla me alsjeblieft niet', smeekte hij zijn ondervragers. Hij zei dat hij bereid was het een en ander te vertellen als hij maar niet mishandeld zou worden. Toch bleef ook Wiepke op zijn hoede en zag eveneens kans enkele namen naar buiten te smokkelen.


De inspanningen van de mannen werden tenietgedaan op 3 februari: die nacht arresteerden de Duitsers te Tjerkwerd Gewestelijk Operatieleider van de BS kapitein Pander en zijn adjudant Wierda. Dit was een zware slag voor het verzet, want hiermee viel een enorme hoeveelheid informatie over wapenopslag in Duitse handen. Toen deze onheilstijding de volgende dag Lemsterland bereikte, stuurde Willem Beijering onverwijld de koeriersters Willy van der Gaast en Lena Koopmans op weg om mensen in de omgeving te waarschuwen om onder te duiken.

 

De SD liet de hele mesthoop op het erf van Johannes Kraak overhoop halen op zoek naar wapens.

De tweede arrestatiegolf.

Gewapend met nieuwe adressen en gegevens trok de SD er op 8 februari op uit om een volgende reeks arrestaties te verrichten. In twee groepen stroopten zij het grondgebied van Lemsterland af.

In Echtenerbrug was hun eerste slachtoffer Pier Cuiper. Hij was toevallig net even thuis om zijn kleinzoontje, op wie hij erg gesteld was, te zien toen omstreeks 9 uur de overvalwagen voor zijn deur stopte. Voor de wagen stilstond, sprongen de Duitsers er al af en omsingelden de woning. Pier werd achter het huis gebracht, waar men ook schoonzoon Jan Oord uit het WC-hokje haalde. 'Wie is het, de oude of de jonge?' snauwden de SD'ers en voor de zekerheid besloot men allebei de mannen mee te nemen.

Dochter Annie wilde haar vader nog om wat geld vragen, maar een Belgische SD'er in een lange leren jas joeg haar weg: 'Donder op!' Pier Cuiper en zijn schoonzoon werden in de overvalwagen geduwd, maar bij het huis van de afwezige Albert Koopman liet men Oord weer gaan. De SD ging vervolgens op zoek naar BS-groepscommandant Vrieling. Deze was in huis bij iemand met een vrijwel gelijkluidende naam, caféhouder Berend Vrielink. Bij ontstentenis van zijn kostganger werd de caféhouder meegenomen.

In Oosterzee wachtte Sybren Bangma hetzelfde lot. Hij deed zelf geen illegaal werk, maar de avond tevoren had zoon Jelle zonder zijn vaders medeweten wapens en munitie in de schuur begraven. De SD had de wapens snel gevonden en arresteerde vader Bangma.
Diezelfde dag was de beurt aan koerierster Willy van der Gaast. Zij was de dag daarvoor kletsnat geregend en toen ze even thuis was om een droge jas te halen, zag ze plotseling een luxe auto het erf oprijden.

Op de spatborden stonden Duitsers met geweren in de aanslag. Willy vluchtte naar de stal en wist nog een tas met spullen in de koeiengoot te verbergen. Maar de Duitsers waren al achter bij de deur en hadden haar vader te pakken. Zij moest toen wel tevoorschijn komen. 'Er zit iemand in de auto die je heel goed kent,' grijnsde de Nederlandse SD'er Post. 'Kijk maar, het lijkt sinterklaas wel': Tot haar schrik zag Willy Wim Reinders zitten; hij had een wit gezicht en een baard van enkele weken. Zij moest naast hem plaatsnemen en de auto zette koers richting Follega.

Bij het tolhuis van Samplonius ving de SD bot, want illegaal werker Koos Mebius was al dagen afwezig. De auto keerde om en reed naar de Langestreek in Lemmer, naar slagerij De Jong. Het pand werd omsingeld, maar Ynze de Jong was al gewaarschuwd en ondergedoken bij meester De Boer in Wyckel, De gevangenen werden naar het gebouw van de Feldgendarmerie aan de Kortestreek gebracht.

Daar kregen zij gezelschap van Jelke van der Pal van het distributiekantoor: hij was gearresteerd omdat hij de ondergrondse regelmatig van bonkaarten had voorzien. Na enkele uren wachten verscheen de overvalwagen, met daarin onder meer Pier Cuiper en de vastgeketende Wiepke Hof. Gezamenlijk ging het naar Crack-State. Onderweg moest men nog onder een boom schuilen omdat er ter hoogte van Haskerhome Engelse vliegtuigen rondcirkelden.

Op 19 februari werd ook nog de eerder ontkomen Albert Koopman gepakt. Naast het LO-werk had Albert zich als lid van het zogenoemde 'Duif-detachement' beziggehouden met het geven van onderricht in het hanteren van stenguns. Kennelijk had men het in Echtenerbrug te gevaarlijk gevonden om hem als onderduiker in huis te nemen, want hij had in het dorp geen deugdelijk schuiladres kunnen vinden.

Half februari was de vrouw van een gewezen onderduiker van hem nog even in Echtenerbrug en had vertwijfeld geprobeerd hem te bewegen om met haar mee te gaan, maar Albert had geweigerd: 'Myn plak is hjirre'. In de vroege ochtend kwam de SD en doorzocht het huis, maar men kon Albert niet vinden.

De Duitsers liepen om de woning heen en één van hen stootte met zijn geweerkolf tegen de wand van een kleine houten uitbouw aan de achterzijde van het huisje. Er klonk een hol geluid en de SD'ers begrepen dat erachter een ruimte moest zijn.

Binnen vond men Albert Koopman op de WC. De Nederlandse SD'er Wamelink sommeerde hem zich aan te kleden en mee te gaan naar de gereformeerde kerk, waarvan Alberts vader Jelte koster was. Maar de wapens die de SD daar hoopte aan te treffen, waren al ver van tevoren door de overige verzetslieden weggehaald. Als zesde gevangene uit het Lemsterlandse verzet werd Albert Koopman naar Crack-State gebracht.

Pier Cuiper, werd op de tweede dag van zijn gevangenschap, toen hij tijdens het wassen even opkeek om een medegevangene te begroeten, hevig door Steijlaerts, met de sleutelbos op de blote rug geslagen. Bovendien diende Steijlaerts, hem twee harde stompen in het gezicht toe. Maar het geluk van Pier Cuiper, was dat de SD niet veel over hem wist. Toen bovendien bleek dat hij bruikbaar was als slachter, lieten de Duitsers hem verder met rust.

Willy van der Gaast zat de eerste 11 dagen van haar gevangenschap moederziel alleen in cel 8, slechts één cel verwijderd van het verhoorkamertje. Duidelijk kon zij het gekerm en geschreeuw van de gemartelden horen, hetgeen soms de hele nacht voortduurde. Ook Willy werd diverse malen verhoord, maar niet mishandeld: Rosenthal zat achter de typemachine en Post fungeerde als tolk. Steijlaerts zat met een pistool te spelen, waarmee hij keer op keer dreigend in Willy's richting wees. 'Ik zou het maar vertellen Willy, want anders .....' Willy werd eveneens mikpunt van de pesterijen van Steijlaerts. 'Hoeveel paarden heeft je vader? Twee? Nu heeft hij er niet een meer, want we hebben de hele boerderij platgebrand!' loog hij bijvoorbeeld.

Na de nieuwe razzia op 19 februari werd Willy naar boven gebracht, waar in cel 19 meer vrouwen opgesloten waren. Tijdens één van de verhoren werd zij nog geconfronteerd met Wim Reinders: hij zag bleker dan ooit en trilde over zijn hele lichaam. Voor Reinders volgde op 8 maart nog een laatste beproeving. Toen de SD aan de weet was gekomen dat zowel de distributieleider als de brandkast achter de boerderij van Toering begraven waren, moest hij mee om de juiste plaats aan te wijzen. Wim werd aan het graven gezet tot het lijk zichtbaar was. Hij werd toen gedwongen om met zijn blote handen het in verregaande staat van ontbinding verkerende lijk verder op te graven en het met een borstel schoon te maken.

Tijdens een nieuwe razzia op 19 februari werd de boerderij van Jan Toering te Echtenerbrug in brand gestoken. Dit was ook al gebeurd op de 8e, maar ditmaal brandde de hoeve geheel uit. Toering zelf wist beide keren te ontkomen, maar een gedeelte van de wapens werd wel gevonden.

 

Foto's, die in opdracht van de SD zijn gemaakt als bewijsmateriaal. Hierboven de door de Duitsers ongeldig verklaarde bonnen, die met de brandkast mee werden begraven. Er werden ook twee foto's van het lijk van Huls gemaakt, daaronder was ook een close-up van zijn gezicht. De foto's werden de gevangenen onder de neus gewreven: 'Das hast du gemacht, du Terrorist!'

 

Eén van de gaten waarin het lijk of de brandkast was begraven, op het erf van Jan Toering.

 

De familie Postma, waar de KP indertijd een nacht onderdak gekregen had, was er ook bij en moest de kluis uit de drassige grond opgraven. Er werd een fotograaf opgetrommeld om de bewijsstukken van de 'terroristische daden' vast te leggen (zie boven).
Op de terugweg bij het passeren van de kerk van Delfstrahuizen zei een van de SD'ers tegen Wim Reinders: 'Kijk maar eens goed, het zal de laatste keer zijn dat je dit ziet.'

Voor de gevangenen in Crack-State kropen de weken voorbij. Buiten de mishandelingen had men te maken met erbarmelijke hygiënische omstandigheden, zoals lekke kiepeltonnen. Toen de SD eens een oefening met traangas hield, voelden de gevangenen hun ogen hevig branden en moesten zij naar adem happen.

 

Om de moed er in te houden, werd soms gezongen. Via een ruimte tussen de verwarmingsbuizen en de muur was nog enige communicatie met elkaar mogelijk. De geallieerde opmars vorderde intussen gestaag. Toen de Canadezen Heerenveen naderden, dreigde de SD Crack-State in de lucht te laten vliegen. 'Ze krijgen jullie niet, over mijn lijk!' aldus cipier Steijlaerts.

Op de avond van de 13e april vertelde hij de gevangenen dat de lonten beneden al klaar lagen. De hele nacht hoorden de gevangenen schieten en het opblazen van bruggen rond Heerenveen. Toen de volgende morgen om 11 uur een oudere Belgische cipier de deur van de vrouwencel opende en zei: 'Jullie moeten alles meenemen wat je hebt', dacht Willy van der Gaast dat haar laatste uur geslagen had.

 

Met kloppend hart pakten zij en de andere vrouwen hun spullen bij elkaar. Maar tot ieders verbazing vervolgde de cipier: 'Jullie gaan naar huis.' Hij ontsloot de gevangenisdeur en zei dat er met niemand gesproken mocht worden. De vrouwen werden vrijgelaten en de Duitsers maakten zich klaar om te vluchten. Ook Pier Cuiper overleefde zijn verblijf in Crack-State. Hij behoorde tot degenen die na de aftocht van de Duitsers door bakker De Wolf en zijn knecht bevrijd werden. Over de andere drie gevangenen uit het Lemsterlandse verzet had het lot anders beslist.

 

Crackstate te Heerenveen, gevangenis.

 

In de Prinsentuin/Noorderplantage in Leeuwarden staat sinds 4 mei 1981 een beeldje opgesteld dat een vrouw op voedseltocht symboliseert. Het werd op de nationale herdenkingsdag overgedragen aan de gemeente Leeuwarden door een voormalige onderduiker die onbekend wenst te blijven.
Het in brons gegoten beeldje van kunstenaar Tineke Bot is geschonken uit dankbaarheid aan alle vrouwen en meisjes die onderduikers in de oorlog van voedsel voorzagen.

Het monumentje is ook een eerbewijs aan mevrouw Haanstra-Twijnstra, die onderduikers in haar huis had opgenomen. Het werd onthuld door haar drie dochters, die vooral tijdens de Hongerwinter van 1944/'45 voedsel haalden uit de provincie voor onderduikers in Leeuwarden.

Beeld van een een fietsende vrouw. Dit beeld is gemaakt ter herinnering aan de voedseltransporten in de Hongerwinter van 1944-1945.

Als de dag is verdronken in donkere nacht,
De loodgrauwe wolken in flarden verwaaid
Langs de regenlucht drijven in vliegende jacht,
Wordt langs eenzame wegen de boodschap gebracht.
Ze trapt en ze zwoegt, diep gebogen op 't stuur,
Langs de eind'looze straat, door het troost'looze land.
Ze staart voor zich uit. Ondoordringbaar en guur
Is de nacht om haar heen en zoo dicht als een muur.
De striemende vlagen slaan fel in 't gezicht
Van het meisje, dat vecht tegen regen en wind.
Haar oogen zijn star op de boomen gericht,
Die als schimmen verglijden langs glimpen van licht.

Zoo doet ze haar plicht in de strijd voor haar land,
Voor haar volk, dat verdrukt wordt door duivelsche macht,
Door Nazi-gespuis, dat met wurgende hand
Al het leven verstikt en de huizen verbrandt.
De strijd van het licht tegen duister geweld,
Tegen onrecht en wreedheid en loerend verraad,
De strijd voor haar volk, dat in banden gekneld,
Wordt verguisd en vertrapt en door honger gekweld.
Zoo vecht ze als vrouw, in haar zwakheid toch groot,
In het vaste vertrouwen op Hem, die haar leidt.
Zoo doet ze in eenvoud wat God haar gebood
In de strijd om de vrijheid op leven en dood.
Ze gaat vol vertrouwen door donkere nacht,
Het is Tiny, of Rigtje, of Aly of Jo.
En al is de verrader voortdurend op jacht
Toch wordt door het Meisje de boodschap gebracht.

P. van Loo.

 

Dit gedicht is ontvangen van Mevr. W. Schilstra-v.d. Gaast.

Executie te Doniaga.

Tijdens de laatste oorlogsmaanden was aan beide zijden het voedseltekort nijpend geworden. In verband hiermee vond net over de gemeentegrens van Lemsterland een voorval plaats dat ernstige gevolgen zou hebben.

Rond de buurtschap Doniaga verbleven vele onderduikers. Om hen en het dorp van vlees te voorzien, liet de BS van Doniawerstal wel eens een koe slachten. Commandant Pier Koopmans, die veearts te St. Nicolaasga was, regelde de vergunning dan achteraf. De boer werd schadeloos gesteld door middel van een bon. Op zekere dag had men de beschikking over een koe van boer Landman te Doniaga. Deze durfde het dier niet op zijn eigen erf te laten slachten, zodat men Michiel Schotanus vroeg of dit in zijn schuur mocht gebeuren.

De boer gaf toestemming, en ging vervolgens aan het werk op het land. Zijn vrouw was op dat moment in St. Nicolaasga op zoek naar een nieuw dienstmeisje. Het was 15 maart, één maand voor de bevrijding. Slagersknecht Frans Spijkerman had wel vaker voor de illegaliteit geslacht en nam het karwei op zich, geholpen door twee onderduikers.

Eén hiervan was Rienk Cloo, een wat hardvochtige ex-politieman die op de boerderij van de familie verbleef; de ander BS'er Jan Dijkstra, die bij een buurman onderdak had gevonden. Toen men klaar was, werd het vlees aan haken opgehangen. Op dat ogenblik wierpen twee mannen op voedseltocht begerige blikken naar binnen. Het waren leden van de Wasserschutzpolizei, wier boot in Lemmer afgemeerd lag: de Duitser Friedrich Platt en de Nederlander in Duitse dienst Foppe Kootstra.

Zij hadden niet in de gaten dat ze met onderduikers te maken hadden en stapten naar binnen. Met als argument: 'Dit is gestolen vlees van de Wehrmacht' eisten zij een deel van het vlees. Tijdens de discussie die ontstond verschenen nog twee andere BS'ers ten tonele. Zij boden aan om een slachtvergunning in St. Nicolaasga te gaan halen.

De waterpolitiemannen kregen argwaan en toen de twee vertrokken waren, gaven zij opdracht een gedeelte van het vlees in zakken te doen. Spijkerman werd als gijzelaar meegenomen naar Lemmer. De achtergebleven Cloo en Dijkstra overlegden koortsachtig: als Spijkerman verhoord werd, zou hij alles over het illegale werk kunnen vertellen. Ze besloten op de fiets te springen en gewapend met pistolen reden zij richting Follega. Toen de matrozen hun achtervolgers opmerkten, lieten zij het vlees en Spijkerman in de steek en vluchtten in paniek. Kootstra rende het land voorbij dat van Schotanus in, achternagezeten door Cloo. Deze schoot op zijn tegenstander en raakte hem in de buik.

Toen Kootstra zich toch nog trachtte te verdedigen, sloeg Cloo hem halverwege de tramdijk met een hekpaal de hersens in. Onderwijl hield Dijkstra zich met Platt bezig. Na een schotenwisseling snelde de laatste met een buitgemaakte fiets richting St.Nicolaasga. Ter hoogte van het haakse gedeelte van de Wielwei reed hij in de armen van de twee onverrichterzake uit St.Nyk teruggekeerde BS'ers. Zij maanden hem tot stoppen. Platt luisterde niet en rende het drassige weiland in. Jan Dijkstra was inmiddels ter plaatse en vuurde in de richting van de Duitser. Het geluksschot trof deze in de nek. De BS'ers verstopten de beide lijken en maakten dat zij wegkwamen. Een boer uit de omgeving verborg de zakken vlees nog in zijn mesthoop.

Toen diezelfde dag het lijk van Kootstra gevonden werd, stak de SD uit wraak de boerderij van Schotanus in brand. De familie was gelukkig net op tijd ondergedoken. De Duitsers waren helemaal door het dolle heen, toen men de volgende dag het tweede lijk vond: een aantal boeren rond Doniaga, onder wie de broer van mevrouw Schotanus, werd opgepakt. Zij moesten het vee van Schotanus naar Lemmer drijven en werden daar meteen opgesloten.

De hele nacht van de 16e op de 17e werden zij verhoord. De Duitsers wensten represailles en in eerste instantie was het de bedoeling dat de boeren daarvan het slachtoffer zouden worden. Maar de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD bepaalde, dat Kronberger twintig gevangenen uit Crack-State moest halen voor de fusillade. Het werden er uiteindelijk tien: daaronder waren ook Wim Reinders, Wiepke Hof en Albert Koopman.

Op de morgen van de 17e maart werden de gevangenen met een vrachtauto overgebracht naar Doniaga. Vlak voor de verbrande boerderij van Schotanus werden zij opgesteld in twee rijen van vijf. Aanwezig waren twintig man van de Wasserschutzpolizei, alsmede een aantal toezichthoudende SD'ers onder leiding van Untersturmführer Scherneck. De gevangenen weigerden unaniem blinddoeken. Wim Reinders riep nog: 'Leve de Koningin!'

Wat er daarna gebeurde werd door een overbuurman als volgt beschreven: 'Mijn vrouw zag dat er vijf man klaar stonden om doodgeschoten te worden en is toen in het hok gaan zitten om het niet te zien. Zij had wel gehoord dat er verscheidene schoten gelost zijn als moesten er honderd dood. Toen ik thuis kwam heb ik de mannen zien liggen, de een voorover gevallen, de ander achterover en boven over elkaar heen, het was een vreselijk gezicht'. In 1948 is de boerderij van Schotanus weer opgebouwd.

Namens de gemeente Skarsterlân legden loco-burgemeester F. Ringnalda en vertegenwoordiger (ster) van de Bevrijdingscommissie en Plaatselijk Belangen van Doniaga en St.Nicolaasga, zeer fraaie bloemstukken aan de voet van de boom op de plaatst waar de slachtoffers zijn gevallen.

 

Zoon Marten Schotanus, plantte op de plaats van de gevallenen een treurboompje, omdat deze niet groeien wilde, plantte hij later een boompje, dat in 50 jaar uitgroeide tot de boom op de foto.

 

17 maart 1995: Op de afdruk, Mevr. J. Volkers-Knol, uit Hoogeveen, de zuster van Roelof Knol (Wim Reinders) op de plaats waar haar enige broer zo jammerlijk met zijn negen lotgenoten het leven werd afgesneden.

 

Boerderij Doniaga, 17 maart 1995.

 

Gedenksteen 'De Nederlandse Leeuw herrijst uit de vlammen' in de noordgevel van de nieuwe boerderij.

 

De Duitse overval op het huisje aan de Heksloot, in de nacht van 14 op 15 mei 1944. Het huisje lag eenzaam temidden van de weilanden. Tijdens de overval werden de ruiten ingeslagen en werd er door de woning heen geschoten. De 8 daar verblijvende joden werden weggevoerd; alleen mevrouw Reindorp keerde levend terug.

Verraden, relaas van een joodse onderduikster.

Wij woonden in Mei 1944, met 4 echtparen, in een huisje diep in een polder van Echtenerbrug (Friesland). Eerst hadden mijn man en ik 3 maanden alleen bij een boer gewoond, doch dit werd te gevaarlijk geacht, daar deze boer veel ondergronds werk verrichtte. In deze streek van Friesland waren heel weinig joodse onderduikers, doch iedere boer was gedwongen een niet-joodse onderduiker in zijn huis te hebben, meest jongens, die boerenarbeid konden doen. De ondergrondse organisatie verwachtte echter meer joodse mensen om te verbergen, speciaal uit Amsterdam.

Na deze 3 maanden stelde de organisatie ons voor reclame te maken voor joden. Wij zouden dan elk etmaal bij een ander boerengezin doorbrengen en men raakte op deze manier aan ons ras gewend. (Dit laatste was niet hun, doch ons commentaar). Dit voorstel lokte ons wel aan; een tijdelijke onderbreking van ons sleurleven en wij verwachtten overal een goed onthaal. Hierin zijn wij niet teleurgesteld en wij maakten met verschillende mensen kennis in die 10 dagen. De opzet was dat wij in dat huisje in de polder met nog een echtpaar zouden wonen, maar het derde echtpaar had diverse kinderen in Friesland ondergedoken, en was uit Amsterdam gekomen om dicht bij hen te kunnen zijn. Er was nog ruimte in ons huisje en wij konden het goed vinden met ons zessen. Wij leefden een betrekkelijk gezellig en vrij leven.

Om het huisje lag een grote weide, waar wij mochten wandelen en heerlijk konden zonnen, na een verblijf van 1½ jaar binnen. Met het vierde echtpaar zat de organisatie zwaar in de zorg. Zij waren in de buurt al van verschillende adressen verwisseld en bedierven deze adressen voor anderen. Wij hoorden geregeld over hen en na gezamenlijk overleg, boden wij aan dat dit echtpaar ook nog bij ons zou komen. Het leek ons beter dat wij het moeilijk met hen hadden, dan de Friesche boeren. Zij kwamen en inderdaad was dit echtpaar geen aanwinst in ons huisje.

Vele ruzies werden gemaakt en weer bijgelegd, maar het was een prachtig voorjaar en wij konden veel buiten zijn. De 4 mannen hadden zelfs een stuk land omgespit en diverse groenten gezaaid. Veel verstand hadden zij er echter niet van en toen dan ook op een middag van de 13e Mei een boer op krukken langs kwam en geïnteresseerd vroeg hoe het gewas er voor stond, neerknielde en alles bekeek en instructies gaf, werden deze graag aangenomen.

'Jullie wonen hier met vier vrouwen, he?' vroeg hij. Dit werd beaamd, want zoals bijna overal in Friesland, werkte het hele dorp samen om alle joodse en niet-joodse onderduikers van bonnen en voedsel te voorzien. Het dorpje Echten wist dan ook van ons bestaan af en zorgde buitengewoon goed voor ons. 'Mijn vrouw ligt in Leeuwarden in het ziekenhuis en ik ben dringend om hulp verlegen. Kan een van jullie vrouwen mij niet 's morgens komen helpen in de huishouding?' Hierop werd een afwijzend antwoord gegeven, daar wij niet verder mochten komen dan ons weilandje.
'Ik woon daar, je kunt mijn boerderij zien' en hij wees met zijn hand in een richting waar wij inderdaad een dak van een huis zagen. Het verzoek moest echter weer worden afgewezen. Het gezicht van de boer betrok en zijn ogen gluurden naar ons, vrouwen, die in het voorjaarszonnetje lagen. 'Zoveel vrouwen en niemand wil mij helpen' met deze woorden draaide hij zich om en hinkte weg.

De nacht daarop, 14 Mei, wij waren laat naar bed gegaan en hadden nog niet geslapen, viel er een helle lichtschijn in onze kamer, waar wij en nog een echtpaar ieder in een bedstee sliepen. Direct daarop klonk het: 'Tür öffnen', Meteen klonk er een gerinkel van glas en werden de ramen ingeslagen. Op het zoldertje sliepen de andere 2 echtparen en wij kwamen in het keukentje samen. Er werd hard op de deur gebonsd en weer klonk het bevel Tür öffnen'.

Een der vier mannen liep naar het zoldertje om te zien of wij uit het zolderraam konden ontvluchten. Hij opende dit, en was zo verstandig geweest voor hij zijn hoofd er door stak, een hoed op te zetten. Meteen knalde er een schot en de hoed rolde op het dak. Wij gluurden voorzichtig door de keukenramen en merkten dat ons huisje geheel omsingeld was. Nee, hier was geen ontkomen aan. Nu werd men buiten zeker ongeduldig, want er klonken van alle zijden schoten en de kogels vlogen door het huis. Wij stonden in een hoek gedrukt en besloten, om erger te voorkomen, de deur te openen.

Het schieten hield op en met de geweren in de aanslag kwamen er 6 Duitse soldaten binnen. 'Hände hoch', klonk het en wij gehoorzaamden. Toen werd ons huisje, bij het licht van de Buta-lamp, grondig doorzocht. De wapens, die zij bij ons verwacht hadden, werden natuurlijk niet gevonden en toen mochten wij onze armen laten zakken. Hun dreigende houding verdween ook gedeeltelijk en wij hoorden, dat wij mee moesten. Wij konden brood en kleren meenemen en terwijl wij het nodige inpakten, inspecteerden zij onze kasten. 'Kuck mal, 3 Käse, Zucker, Mehl, Butter, Kuchen'

Zij waren stom verbaasd over onze voorraad, die juist die dag aangevuld was. Er was een figuur, gekleed in een donkere jas, die steeds op de achtergrond bleef. Hij heeft die nacht geen woord gezegd, doch hij benam ons, mocht deze er al geweest zijn, elke kans tot ontvluchten. (Deze man; een N.S.B.-er, werd door de hinkende boer over ons verblijf ingelicht en hij bracht dit bericht aan de Duitsers. Na de oorlog is hij gepakt en voor het gerecht te Leeuwarden gedaagd. Daar ontmoette ik hem weer; hij zag zich 8 jaar gevangenisstraf toegewezen).

Om 4 uur waren wij zover. Wie van ons had de goede gedachte gehad degelijke kleren mee te nemen? Alles was ons immers onverschillig? Wij voelden ons ten dode opgeschreven en met ons bundeltje in een deken gerold, verlieten wij ons huisje waarin wij enige maanden veilig hadden gewoond. De 'Gendarmerie' had een kwartier verder de fietsen liggen, waarop zij van Lemmer waren gekomen en dit zou voor ons een wandeling van ± 1½ uur worden. Wij sjokten naast de fietsen, maar zij bemerkten ook, dat wij niet hard konden opschieten. Onderwijl was het licht geworden en er werd een boer opgeroepen, die een wagen moest inspannen, waarop wij met ons achten konden zitten. (In Lemmer moesten wij met deze boer afrekenen, die ons voor dit tochtje f 10,- liet betalen).

Omringd door de Duitsers reden wij Lemmer binnen, waar wij in een politiepost werden binnen gebracht. Tot 's middags bleven wij daar, bewaakt door Duitse matrozen. Toen kwam er een autobus, wij moesten instappen en reden naar Leeuwarden. Halfweg knalde er een band en er werd hevig gevloekt (in het Duits). 'Wieder Sabotage', hoorden wij. De geweren kwamen weer in de aanslag en er werd ergens om een andere bus gebeld. Deze kwam en het ging weer verder. Bij de gevangenis in Leeuwarden moesten wij uitstappen, onze bezittingen werden ons afgenomen, en de mannen gingen links en wij rechts. Dit was de eerste maal dat wij gescheiden werden in deze ellendige oorlog.

'Liefste, moed houden,' hoorde ik mijn man zeggen en mijn blik volgde hem zo lang mogelijk. Vijf dagen bleven wij daar, wij vrouwen in een cel. Onze bewaakster, Mevrouw Van Andel, was zeer goed voor ons. Zij gaf o.a. boodschappen door aan onze mannen, die twee aan twee in hun cellen zaten. Op de hotsende wagen, die ons naar Lemmer bracht, hadden wij een verhaal bedacht, dat onze boer en de organisatie de kans gaven, te kunnen vluchten. Wij noemde slechts een naam en beschreven slechts een persoon, die ons allen ontmoet had, om onderdak bedelend bij de boeren. Hij had ons in dit huisje gebracht en van alles voorzien.

Wij noemden hem Willem en beschreven hem als groot, dik, blond en met een bril. Aan deze beschrijving moesten wij ons, bij een eventueel verhoor, stipt houden. Vier van ons werden verhoord, waaronder ook ik, en wij hebben Willem genoemd, onze redder en hem zo beschreven, als wij hadden afgesproken. Na dit verhoor, vertelde onze bewaakster ons, dat wij een groot geluk hadden gehad, dat de S.S.-er, die ons ondervroeg, die dag niet dronken was. De lange karwats was in de bureaulade gebleven.

's Avonds deed de bewaakster de cellen van de vrouwenafdeling open en wij ontmoetten andere gevangenen. De meeste waren politieke gevangenen en de verhalen, die wij elkaar deden, waren niet erg opwekkend. Na 5 dagen zagen wij onze mannen weer en reisden, onder strenge bewaking van landwachters en marechaussee, naar Assen. Daar weer naar het politiebureau en per vrachtauto verder naar Westerbork, de verzamelplaats van alle Hollandse joden. Wij kwamen hier in de zogenaamde 'strafbarak', liepen in overalls met verschillende gekleurde lappen er in genaaid, moesten op klompen lopen en het hoofd van de mannen werd kaal geschoren, dit alles om het ontvluchten onmogelijk te maken. Natuurlijk waren daarvoor al verscheidene pogingen hiertoe ondernomen, al en niet geslaagd, daarom deze maatregelen.

Na een bepaalde tijd kwamen wij uit deze strafbarak en liepen in het vrije kamp rond. Dit kamp was een dorpje geworden met huisjes, barakken en barakjes. Er was zelfs een grote concertzaal, waar regelmatig voorstellingen moesten worden gegeven. Dit op bevel van de Duitse commandant van dit kamp. De treinen met grote transporten naar de onbekende bestemming Polen, hebben wij gelukkig niet meer meegemaakt. Wij hadden dan ook de hoop, dat wij hier het einde van de oorlog konden afwachten.

Er waren verschillende bedrijven in het leven geroepen o.a. gebouwen, waar batterijen uit elkaar werden gehaald, een andere waar men dit met schoenen deed. Weer een andere, een zogenaamd confectiebedrijf waar lappen oude stof werden gesorteerd en gestreken. Ikzelf heb daar enige weken steeds maar met een heet strijkijzer over de lappen heen en weer zitten strijken, maar werkte later als verpleegster in het ziekenhuis, waaraan de beste joodse Duitse doktoren waren verbonden. Er was ook een modeloperatiekamer met de kostbaarste instrumenten. Mijn man werkte in de 'schoenen', doch daar hij steeds klachten over zijn maag had, werd hij in het ziekenhuis opgenomen, waar een maagzweer werd geconstateerd.

Nu kwam hij in de mannenbarak van het ziekenhuis te liggen. Dit zou echter niet van lange duur zijn, want op 1 Augustus 1944 vertrokken vier van ons, bewoners van het huisje in Friesland, naar Bergen-Belsen (D.), een zogenaamd Vorzugslager. Wij vertrokken in personentreinen en bagagewagens, men kon kiezen, welke men prefereerde. Wij kozen de bagage-wagen, want konden daar tenminste onze leden strekken. Van deze ongewenste reis ben ik de enigste die teruggekomen is en van de andere 4 bewoners is er niemand terug gekeerd.

Naschrift van 'Verraden'

Inderdaad is het ons gelukt de boer aan wie ons huisje behoorde en de verschillende leden der organisatie die bij ons betrokken waren, te laten ontvluchten. Toen zijn boerderij door 30 man omsingeld werd, was het hele gezin al gevlogen. Zijn oudste knecht heeft toen de boerderij verzorgd.

De schrijfster van dit verhaal, 'Tante Leen' Reindorp, op een foto van enkele jaren voor de oorlog. Zij behoorde tot de 8 onderduikers in het huisje aan de Heksloot van Johannes Kraak (door hem 'Joadenhûske' genoemd). Zij overleefde kamp Bergen-Belsen, dat net op tijd bevrijd werd. Van de andere joden keerde niemand terug. Tante Leen overleed in 1959. Documentatie en foto zijn opgestuurd door haar zoon Leo, woonachtig in Israël. Leo was ten tijde van de arrestatie van zijn ouders in Nijmegen ondergebracht.

 

Onderstaand stuk is geschreven in 1946. 'Paul' is Dirk Onderweegs, wiens schuilnaam in de oorlog 'Paul Lemstra' was.

Den 3den Januari jl. des voormiddags 10 uur is het één jaar geleden dat een overvalauto voor de woning van Wiepke Hof te Echtenerbrug stilhield en 7 SD-ers eruit sprongen en deze woning binnendrongen. Wim en Louis waren dien nacht weer in actie geweest en waren dientengevolge laat opgestaan. Louis was even bij Wim aangelopen voor een korte nabetrachting.

Niets vermoedend werden zij in hun besprekingen ruw gestoord door het openrukken van de kamerdeur, waardoor een drietal SD-ers met hun handmachinegeweer in den aanslag binnenvielen. Verweer was onmogelijk. Hoewel het eigenlijk om Wim te doen was, werd ook Louis meegenomen, in de auto gesleurd en naar het beruchte Crack-State in Heerenveen gebracht. Ook Wiepke Hof, de moedige kwartiergever van Wim, wiens huis voor de verzetsgroep steeds openstond en waar menige vergadering is gehouden, onderging hetzelfde lot.

De illegale werkzaamheden dezer verzetsmenschen hadden een einde. Na twee zeer zware 'verhooren' te hebben ondergaan, welke hij manmoedig heeft doorstaan en doorleden en waarin men hem geen bekentenis heeft kunnen ontpersen, bezweek Louis aan de bekomen verwondingen op den vijfden dag na zijn arrestatie.

De sadisten durfden zijn lijk niet vrijgeven, noch begraven, doch hebben het, verzwaard met een ijzeren staaf, onder het ijs geschoven, waar het een maand of vier na de bevrijding, toevalligerwijze werd gevonden.

Ook Wim werd herhaalde malen geducht aan den tand gevoeld, temeer omdat de SD-ers zeer bezwarend materiaal in de schuilplaats op zijn duikadres hadden gevonden o.a. een uniform van een SS-officier, spoorwegmateriaal e.d. Hij trachtte zijn proces te rekken, door telkens iets los te laten wat niet direct kwaad kon. Hij wist, dat zijn vrienden alle pogingen in het werk zouden stellen om hem te bevrijden. Daar was zijn hoop op gevestigd.

De mogelijkheid van een overval op Crack-State is ook ernstig overwogen, doch bij de aldaar toegepaste bewaking was het risico zeer groot en de kans van slagen gering. Hoe moeilijk het ook viel, men moest dit denkbeeld laten varen. Op 17 Maart 1945 werd hij met 9 medegevangenen, waaronder Wiepke Hof en Albert Koopman, jonge mannen die in den verzetsstrijd ook een werkzaam aandeel hebben gehad, vervoerd naar Doniaga en op het erf van een door de moffen in brand gestoken boerderij, als represaille op den moord op twee Duitse militairen, gefusilleerd.

Voordat de schoten knalden, knielde Wim met zijn makkers neer en beval hunne zielen aan Hem, die uiteindelijk het recht zal doen zegevieren over het onrecht en het aan hunne jonge levens gepleegde geweld zal wreken. Leve het vaderland, leve de NBS. Met deze uitroep op hun lippen als uiting van hun geloof in de overwinning en rechtvaardigheid hunner zaak, eindigden zij hun jonge leven op het altaar van het vaderland .....

In April 1943 kwamen twee jonge menschen met mij kennis maken. Ze stelden zich voor als Arie van der Pol en Wim Reinders, beiden afkomstig uit Meppel. Ze waren ondergedoken en door de organisatie in Meppel naar de Z.W. hoek van Friesland gezonden om plaatsen te zoeken voor onderduikers. Ze hadden reeds in Echten duikadressen gevonden en maakten nu kennis met de plaatselijke contacten in de omgeving. Uit deze kennismaking is een hartelijke vriendschap ontstaan.

Ik leerde deze beide jonge menschen kennen als een paar onverschrokken, principiële kerels, die het illegale werk niet als een avontuur beschouwden, doch het zagen als een heilig moeten. Ze wisten, dat de strijd tegen den bezetter ging om bewaring van de hoogste goederen: recht en vrijheid. Ze wisten ook dat ze hoog spel speelden, met hun jonge leven als inzet. Doch ze kenden bovenal hun plicht als christen en als vaderlander. Doch geen gevaren konden hen weerhouden den weg van het verzet van stap tot stap verder te bewandelen, want wie eenmaal op dien weg uit overtuiging een stap heeft gedaan, kan niet meer terug zonder zichzelf een lafaard, een deserteur te vinden.

Zoo is ook de weg geweest van Arie en Wim. Zeer vele jongens zijn door hen gevrijwaard van den slavengang naar het derde rijk. Vele gezinnen, wier kostwinner onderdook, werden door het NSF via hen gesteund. Door weer en wind volbrachten zij hun taak, als een onmisbare schakel in de machtige, door de moffen zoo gevreesde verzetsbeweging. Aan deze samenwerking kwam op 20 Maart 1944 een einde, toen Arie, door Steenwijk fietsende, werd aangehouden door eenige landwachters, waarvan één, afkomstig uit Meppel, hem herkende. Eerst gebracht naar Arnhem, daarna naar Utrecht, vervolgens met een 2 jaren tuchthuisstraf naar Duitschland.

Eenige weken na de bevrijding vernamen wij voor het eerst weer van hem. Hij had het grootste offer gebracht. De bevrijding heeft hij nog mogen beleven, doch slechts enkele dagen. Toen de Amerikanen zijn kamp kwamen bevrijden, was hij reeds ernstig ziek. Operatief ingrijpen mocht niet meer baten. De bevrijding, waarnaar hij zoo vurig verlangde en waarvoor hij zich geheel had ingezet, heeft hij, naar menschelijk inzicht, te spoedig moeten verwisselen met de eeuwige bevrijding van zonde en dood.

Kort voor de arrestatie van Arie, werd Louis in de ploeg opgenomen. Nog maar nauwelijks ingewerkt, moest hij reeds de plaats van Arie innemen. Het verzet kostte geregeld offers, doch het kende geen open plaatsen. Hij werd de waardige opvolger van Arie.

Van denzelfden verzetsgeest bezield, gedragen door hetzelfde beginsel, werd Louis thans de medewerker van Wim. De tijd van de gewapende actie begon. Het KP-werk begon Wim te trekken. Na een paar maal met de rayonploeg te hebben samengewerkt, moest deze een nieuwe leider hebben. Wim werd daartoe aangezocht en kon niet anders dan aanvaarden.

Onder zijn leiding hebben verschillende overvallen plaatsgevonden o.a. de kraak van het distributiekantoor van Kuinre, de ontvoering van den leider van dezen dienst, die zijn land en volk meende te moeten dienen met het opsporen van ondergedokenen en het doorgeven van de adressen aan de SD. Met medewerking van hem, van Louis, werden de distributie bescheiden van Langweer andermaal in handen van de organisatie gespeeld.

De NBS werd opgericht. Wim werd leider van de sabotageafdeeling en Louis werd, als oud-onderofficier, belast met de leiding van sectie operatien. In deze functies werd hun slechts tijd gegund. De SD stak zijn begeerige, van bloed druipende handen naar deze beide jonge menschen uit en de morgen van den 3en Januari 1945 brak aan .....

Arie, Wim en Louis, in één adem mag ik hen noemen en in één lijst heb ik hun foto's gezet. Zij hooren bij elkaar en zij zijn bij elkaar. Wij blijven hen gedenken en wij zullen trachten, en dat zijn wij aan hen verplicht, den strijd voor het heilig ideaal van een vrij, beter en eensgezind vaderland, waarvoor zij hebben gestreden en hun leven hebben gegeven, voort te zetten. Arie, Wim en Louis, zij hebben den goeden strijd gestreden, den loop voleindigd en hun is gegeven den kroon der overwinning.

Paul.

Uit: 'De Zwerver', weekblad van de Stichting LO-LKP, Januari 1946. 'Cor' is Cornelis Blijleven, voormalig lid van de KP-Echtenerbrug.

Roelof Knol. (Wim Reinders)

Roelof Knol, ofwel Wim Reinders, werd 21 Oktober 1922 te Meppel geboren. Sinds Maart 1943 was hij als LO-er werkzaam in Friesland, District IV. De hoeveelheid werk, door Wim toen verzet, is geweldig groot.

We noemen slechts het plaatsen en verzorgen van onderduikers. Het eigenlijke grote werk voor hem, begon in Mei 1944, toen hij met enige anderen een KP oprichtte. Het KP-werk was een kolfje naar zijn hand, geboren leider als hij was. Geen gevaar duchtte hij voor zichzelf, maar angstvallig waakte hij, dat er niet te veel risico voor de jongens aan verbonden was. De gevaarlijkste karweitjes knapte hij zelf op.

Bij het eerste kraakje van een Distributiekantoor liet Wim zich insluiten, bracht toen 7 uur aan een stuk door in een klein kamertje, om 's nachts om 1 uur met een gelukkige glimlach ons de deur te ontsluiten. Stonden we op een afwerpterrein, dan kwam Wim langs om te informeren hoe of het ging, of er eten moest komen, of we het ook koud hadden, etc. Altijd voor ons in de bres springend. Een zorgzame vader voor ons, ondanks zijn jeugdige leeftijd. Een prachtkerel.

Wim was de leider van overvallen op Distributiekantoren, spoorwegsabotage, dorsmachinesabotage, 'droppings'. Verder waren er nog verschillende werkzaamheden en operaties die hij persoonlijk ondernam, maar waar nooit over gesproken werd. 2 Januari 1945 was de fatale dag. 's Nachts hadden we nog een schip met rogge gelost voor de mensen in Holland. We waren zodoende laat te bed gekomen: circa 5 uur. De volgende morgen om 10 uur was Wim net aan tafel met zijn vriend Louis Molenaar en zijn kostbaas Wiepke Hof, toen de SD totaal onverwachts bij hen binnenstormde, hem gevangen nam en naar Heerenveen vervoerde.

We waren totaal verslagen. Alles werd in het werk gesteld om ze te verlossen, maar zonder resultaat. We behielden contact met hem en hadden nog enige hoop, dat we hem nog eens terug zouden zien. Maar het mocht niet zo zijn. Op 17 Maart 1945 werd hij met negen anderen lafhartig vermoord, als represaillemaatregel te Doniaga (Fr.). Wederom was een held gevallen met het gezicht in de loop van de mitrailleur, waar hij om gevraagd had, en het Wilhelmus op de lippen.

COR.

Ontvoering van den heer Huls, leider van den distributiedienst te Kuinre, op 14 Aug. 1944.

Op 13 Augustus 1944 kwam arts Bouwma uit Kuinre bij Phlip met de ontstellende mededeeling, dat des morgens iemand bij hem was gekomen, die hem vertelde, dat als hij dokter Bouwma was, hij moest maken dadelijk weg te komen omdat de S.D. hem op de korrel had. De onbekende vertelde dat hij een lijst met namen uit de aktetasch van een Gestapoagent had gestolen, waar onder meer ook de naam van dr. Bouwma op voorkwam. Dr. B. had de lijst meegenomen en liet deze aan Flip lezen.

Tot diens ontsteltenis kwamen daarop ook de namen van eenige menschen uit Echten voor, terwijl aan het slot stond, dat de heer Huls uit Kuinre verder alle inlichtingen kon geven, die gewenscht waren. Dat alles gaf veel te denken. Er moest direct gehandeld worden. De leider van de K.P. te Echten (Wim) werd met deze zaak op de hoogte gesteld. Besloten werd Huls zoo spoedig mogelijk te arresteeren, vóór hij de gelegenheid zou hebben nadere inlichtingen aan de S.D. te verschaffen. Wim ging op informaties uit en kwam terug met het bericht, dat Huls gearresteerd moest worden tijdens zijn gang van het distributiebureau naar zijn huis en wel des middags om 12 uur. Dien avond trok de K.P. in haar auto naar een boerderij even buiten Kuinre.

Aldaar werd het bivak opgeslagen. Instructies werden uitgedeeld en de aanval voorbereid en repetitie gehouden. Ieder kreeg een bepaalde taak. Na een paar malen gerepeteerd te hebben, ging men ter kooi, d.w.z, in het hooi, na zich te goed gedaan te hebben aan een flinke maaltijd, welke de boerin hen voorgezet had. De volgende morgen om 5 uur werd de K.P. door Wim gewekt met de mededeeling, dat de oefening nog niet vlot genoeg gegaan was en men moest opnieuw aan het repeteeren.

Nadat met een en ander de voormiddags was verstreken, werd tegen 12 uur de auto uit de schuur gehaald en reed men naar Kuinre. Voor Kuinre stapten ze uit en slechts met een tweetal ging de auto langzaam verder. De anderen liepen langzaam, schijnbaar doelloos in de richting van het distributiekantoor. Even over 12 uur kwam Huls uit het bureau en liep naar zijn huis. Doch slechts enkele seconden of Ger en Cor waren vlak achter hem; de auto schoot hen op zij: een klap met de gummiestok op zijn hoofd en Huls zakte door zijn knieën.

Op hetzelfde moment werd hij door een twee paar handen opgenomen, de deur van de auto zwaaide open en het lichaam van Huls zeilde naar binnen. De jongens erin, het portier klapte dicht en met een flinke vaart schoot de auto door het nauwe straatje van Kuinre richting Lemmer.

Binnen een paar minuten was alles gebeurd en voordat de verbaasde inwoners van Kuinre het zich konden realiseeren of van hun verbazing bekomen waren, was de auto met hun distributieleider uit het gezicht verdwenen. Onder het zingen van: 'zoo gaat het goed, heel goed, mijnheer de leider' ging het in snelle vaart naar Echten, waar de boerderij van Joh. Kraak haar deuren opende.

Aangezien deze boerderij vlak aan den openbaren weg lag, werd het veiliger gevonden de arrestant over te brengen naar de boerderij van Jan Toering. Op deze boerderij heeft zich het drama voltrokken met den verrader van zijn volk, Huls uit Kuinre.
Anoniem stuk (uit 1948?) over de ontvoering van Harm Jan Huls door de KP-Echtenerbrug op 17 augustus 1944.

Interview: Ph. Spits te Leeuwarden op 12 Februari 1949.

Het allereerste begin van Spits was het optreden om geld te verzamelen voor het Nationaal Steunfonds. Dit geld werd naar bakker Van der Veer in Joure gebracht. Dit was voor de zg. zeemanspot. Daarna was het werk eigenlijk met krantjes. Misschien Parool.

Uit Eindhoven kwam een groep t.w. Kievit de Jonge, Smid en Van der Zwaag, die bij Philips werkten en daar kwamen wel bonkaarten vandaan. Kievit de Jonge was een zoon van notaris Kievit de Jonge uit Heerenveen. Toen de meistaking begon ging alles veel gemakkelijker. De bovengenoemde groep uit Eindhoven had overal contact, o.a. ook met Van der Waals (?). Zij werkten o.a. in Amsterdam en Eindhoven. Als zij soms krap zaten kregen zij later ook wel bonkaarten in Eindhoven. Verbindingsman in Echten was Kraak, die Spits in contact bracht met deze groep. Kraak woonde aan het Krompad te Echten en was boer-veehouder.

Later begon Spits samen te werken met Fedde Kalsbeek in Echten. Ook met Kees Mebius uit Follega, nu in Delft. Via Kalsbeek weer contact met Sjoerd Wiersma. Toen Spits met de KP-Sneek in aanraking kwam kreeg hij de wapenen van Sjoerd de Boer. Daarvoor al van Simon Kuipers in Oosterzee. De KP-Sneek kraakte Vollenhove. Eerst met Houwing gesproken, die het best vond, dat in Echten een KP kwam. Daarvoor aangezocht lange Jan, Rob. Wietze kwam en die bracht de KP over naar Sneek. Wietze heeft het toen overgenomen met Wim Reinders. Pen, een boer uit Echten heeft heel wat kraken onder gebracht. Eenmaal stopte de auto van Crack-State daar en toen zeiden de mensen, nu zie je waar de verrader zit. Spits zorgde dat de jongens een plaats kregen en verzorgde ze.

De eerste kraak in Workum is vanuit Sneek gedaan (politie De Jong). Drie weken voor de liquidatie van Huls, een kraak in Kuinre. Heel wat gekraakt: o.a. brandkast en bevolkingsregister meegenomen.

Bij Wolvega (Sonnega) eens 3 dorsmachines in brand gestoken. Bij een SS'er in Heerenveen de wapens weggehaald. In Sneek nog het Distributie-bureau van Wymbritseradeel weggehaald. In de Barteljorisstraat te Haarlem liep Spits bijna in de val. Hier werd o.a. Ds. Ten Boom gevangen genomen. Kraak bracht wel koeien in Echten, vette koeien.

Onderweg kregen deze 'blindedarmontsteking' en dan direct naar het abattoir en ingeblikt; waarschijnlijk bij Van der Berg in Makkum. De wikkels die er op moesten waren een heel probleem. Dit was Boonstra uit Joure zijn werk. Deze koeien kregen een gewicht aan de 'bealich' om aan 't gewicht te komen. Er was een keurmeester in Sneek, die er zijn medewerking bij verleende. Deze blikken gingen naar Amersfoort. Er is een Thijs Menger in Noordwolde gearresteerd. 3 Jan. 1945. Deze heeft gesproken. Om kwart voor tien Wim Reinders gearresteerd. Spits zag de auto wegrijden.

Voetnoten:

De heer Hemkes is het gedeeltelijk niet eens, met hoe een en ander beschreven staat. Met name het verhaal over de rol van de Polen. En verwijst in deze naar het artikel van de heer Dr. Pieter Korver, in de Noordoostpolder. www.denoordoostpolder.nl

Andere onjuistheden, die volgens de heer Hemkes aanwezig zouden zijn, kunnen eventueel aangepast worden met kopieën uit dossiers.

Het boekgedeelte is overgenomen zoals beschreven door de verschillende auteurs, waaronder ook de heer Hemkes. Het zou te ver gaan om nu alles aan veranderingen onderhevig te maken. Een optie zou kunnen zijn, om een aansluitende pagina te maken met ingezonden meningen over hoe het een en ander ook geweest zou kunnen zijn. Deze kunnen per mail toegezonden worden naar de site www.spanvis.nl.

-De volgende personen en families verleenden medewerking door foto's en/of informatie: Fam. Cuiper, mevr. W. Schilstra-Van der Gaast, fam. Kraak, mevr. J. Volkers-Knol, H. Mulder en echtgenote, fam. Y. de Jong en mevr. A. Denneboom-Meijers, F. Kalsbeek, fam. Schotanus, J. Tuut, mevr. A. van der Wal-Van Steenwijk en mevr. A. Luimes-Van der Wal, fam. Spits, H. Douma, mevr. A. Sterk-Feenstra en mevr. H. Feenstra-Huisman, H. Postma, G. Bakker, J. Beijering, J. de Lange, S. Westra, J. Westerink, S. Wiersrna, mevr. A. Brands- Wierdsma.

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.