Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

 

Louis de Groot, ex-joods-onderduiker blijft Friese helpers dankbaar.



Onderwerpen die op deze pagina staan

 

 
 

Ex-onderduiker Louis de Groot blijft Friese helpers dankbaar.

'With goodwill toward all men'

Louis de Groot.

Foto 1995: J.v.d. Werf. Lemmer Schoolstraat 19 en 20 no. 19; fam. D. Onderweegs, no. 20; fam. H. Dijkstra. Toevluchtsoord in Lemmer voor onderduikers.

 

Verslag van Louis de Groot, thans woonachtig in de V. S., van zijn onderduikperiode (als joodse jongen) in Friesland gedurende de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog. Louis de Groot werd in Amersfoort op 28 juni 1929 geboren. Hij bracht zijn jeugd in Arnhem door waar zijn ouders een zaak in elektriciteitsartikelen en radiobenodigdheden hadden. Op 16 november 1942 dook de hele familie onder, maar hij was de enige van het gezin die aan de gaskamers van Auschwitz ontsnapte. In maart 1948 vertrok hij naar Palestina als vrijwilliger voor de Hag(g)anah om voor de oprichting van de staat Israël te vechten. In 1949 keerde hij terug naar Nederland, waar hij zijn onderbroken studie aan de derde klas van de Joodse HBS in Amsterdam afmaakte, en het volgende jaar emigreerde hij naar de V.S. waar hij economie ging studeren. Later woonde hij in Berkeley, California met zijn vrouw Barbara en hun twee zonen Marc en David. Hij houdt zich bezig met vrijwilligerswerk; verder is hij President van het Holocaust Center of Northem California in San Francisco.

Louis de Groot, ... Haganah

WITH GOODWILL TOWARD ALL MEN.

Gerustgesteld.

Na 13 maanden verborgen te zijn geweest en tenminste dertien keer te zijn verplaatst van de ene naar de andere plek in het westelijke deel van Nederland, kwam uiteindelijk de dag, vlak voor Kerstmis 1943, dat ik naar Friesland werd gebracht. Via de bemiddeling van de organisatie van Corrie ten Boom in Haarlem, kwam ik onder de hoede van een rechercheur van de Amsterdamse politie Frans Postma, als 14-jarige "arrestant", aan in Joure bij de weduwnaar Uilke Boonstra, waar ik Kerst en Oud en Nieuw doorbracht. Uilke Boonstra wilde dat ik samen met zijn gezin de Kerstdienst zou bijwonen.

Het was de eerste keer dat ik naar een christelijke kerk ging en ik had geen idee wat ik moest verwachten. Het was een onbeschrijflijke ervaring toen ik Dominee Voerman de kerkgangers hoorde vermanen dat zij de Joden moesten beschermen, dat een duivelsknecht aan het hoofd van de Jodenvervolging stond en dat hij klachten had gekregen van de verzetsorganisatie dat er mensen waren die niet bereid waren hun huizen voor de Joden open te stellen. Deze vermaning stelde mij gerust, ik voelde me veilig en beschermd tussen deze mensen. Wel had ik de indruk dat er een groot aantal Joodse kinderen in de kerk zat.

Uilke Boonstra: Foto van S. Boonstra, Drachten, zoon van Uilke. Hij herinnert zich van Louis (Leo) de Groot, dat hij op 9 januari lopend van Lemmer kwam om zijn vaders verjaardag in Joure mee te vieren.

 

Uilke Boonstra, geboren op 9 januari 1899 in Huizum. Was bouwkundig opzichter en makelaar in Joure. Was lid van de Landelijke leiding van de LO en zelf KP-er. Zijn eerste arrestatie had plaats op 1 februari 1944, maar na een half jaar werd hij weer vrijgelaten, waarna hij doorging met zijn verzetswerk. Op de terugweg van West Nederland in verband met het organiseren van een vluchtroute voor Geallieerde piloten via Delfzijl, werd Boonstra op 8 augustus 1944 op het station in Heerenveen opnieuw gearresteerd. Vermoedelijk is hij na zijn eerste vrijlating geschaduwd en nu werd hij gegrepen op beschuldiging van spionage en sabotage. Hij werd op 18 augustus 1944 in Vught gefusilleerd, samen met de ter dood veroordeelde leden van de Evenhuisgroep. Hij behoorde tot de grote figuren van het Nationaal Steunfonds en van de LO. Joure.

 

Naar Lemmer.

Laat in de middag van 3 Januari 1944 bracht één van Boonstra's koeriers mij naar de familie Onderweegs aan de Schoolstraat 19 in Lemmer. Ik kwam omstreeks het avondeten aan. De familie verwachtte mij en de tafel was ook voor mij gedekt. Bonnette, de dochter, toen 4 jaar oud, vertelde mij over de "boterham met plicht" en informeerde naar mijn bekwaamheid om tegen bedtijd verhaaltjes te vertellen. Die avond ging ik vroeg naar bed. Ik was emotioneel uitgeput. Daar was ik dan weer op een tijdelijk adres. Ik kende dat zo langzamerhand wel, een paar dagen hier, een paar dagen daar. Je moest je maar heel netjes gedragen want je wist niet of je later nog eens van dit zelfde adres gebruik zou moeten maken. Maar toch voelde ik me hier veilig.

Mijn nieuwe gastvrouw en gastheer gaven mij een gevoel van bescherming. Misschien wel omdat zij niet geaarzeld hadden om Bonnette te vertellen, dat ik een Joodse jongen was en dat het maar beter was dat zij niet over de nieuwe loge op de kleuterschool zou spreken. Het was de bedoeling dat ik bij een boer in de omgeving van Lemmer zou worden ondergebracht. Maar kort na mijn aankomst had mevrouw Onderweegs haar man er van weten te overtuigen dat hij mij niet op een boerderij kon plaatsen. Ik was een tengere en enigszins ondervoede stadsjongen, ongeschikt voor boerenwerk. Ik had al begrepen dat ik niet de eerste onderduiker bij de familie was, en naar later bleek ook niet de laatste.

Mevr. Onderweegs, met op haar arm Robbie en rechts Bonnette.

 

Stroom onderduikers.

Enige dagen later werd de ca. vier maanden oude Joodse baby Robbie in een schoenendoos bij de familie Onderweegs afgeleverd. In deze samenstelling ging de familie de laatste oorlogsjaren in. Het leven bij de familie Onderweegs was niet saai. Uilke Boonstra en zijn medewerker Sjoerd Wiersma stuurden een stroom Joodse onderduikers, jong en oud, naar Lemmer waarvoor mijnheer Onderweegs dan al onderduikadressen geregeld had. De routine was dat deze onderduikers eerst enige dagen bij de familie Onderweegs doorbrachten om tot rust te komen, voordat zij naar hun uiteindelijke bestemming werden gebracht. Ook onze kleine Schoolstraat begon al aardig vol te raken: naast ons zaten Karel en Jannie bij de familie Dijkstra, tegenover ons zat tante Gerda bij de heer Haveman, dan waren er nog oom Piet en zijn vrouw bij de familie Van Asma en Doortje bij meester Homan.

Onderduikercartotheek verzet teruggevonden.

Uniek overzicht in bruikleen bij Herinneringscentrum Kamp Westerbork.

In de oorlog was het levensgevaarlijk voor iedereen die er in stond. Maar nu is de cartotheek van het verzet in Zuid-West Friesland een unieke bron van informatie over de joden die in het gebied ondergedoken waren. Deze bijzondere kaartenbak uit de Tweede Wereldoorlog is teruggevonden op de zolder van een verzetsfamilie en door kleinzoon Sjoerd Wiersma in bruikleen gegeven aan het Herinneringcentrum Kamp Westerbork.

De cartotheek bevat vierhonderd vijftig kaartjes met zo'n tachtig pasfoto's van joodse onderduikers. Op elk kaartje een naam, plaats van herkomst, onderduikadres en een aantekening over de financiële ondersteuning. De kaartenbak vertelt het verhaal van de Jodenvervolging, maar ook van de moed van mensen die daartegen in wilden gaan.

Een van hen was Sjoerd Wiersma, eigenaar van een wasserijbedrijf in Joure. Vanaf 1942 ging hij twee tot drie keer per week met zijn vrachtwagen naar Amsterdam. Iedere rit nam Wiersma joden mee naar Friesland. Samen met zijn vriend Uilke Boonstra bracht hij ze dan onder op tal van onderduikadressen. Een hele organisatie, die werd vastgelegd in een cartotheek. Het gaat goed tot februari 1944: Boonstra wordt opgepakt en Wiersma weet maar net te ontkomen. Vanuit de onderduik weet Sjoerd Wiersma zijn werk voort te zetten, Uilke Boonstra wordt uiteindelijk gefusilleerd in Vught.

Na de oorlog komt de cartotheek in handen van Gerlof Wiersma, de broer van Sjoerd. Met een aantal andere mensen vult hij de informatie in de kaartenbak aan: wie zijn er vertrokken, wie overleden, wat is er nog van hen? Maar al spoedig is het materiaal niet meer nodig en verhuist de bak naar de zolder.

Na het overlijden van Gerlof erft zijn zoon de cartotheek en ook hij zet de kaarten ergens op zolder. Daar zou het zijn blijven staan, als niet de kleinzoon van Sjoerd Wiersma het materiaal bij toeval ontdekt. De jonge Sjoerd Wiersma is verrast en verbijsterd over de schat aan informatie en weet dat de kaartenbak té bijzonder is om weg te gooien.

Daarom geeft hij de cartotheek in bruikleen aan het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Een bewuste keuze, omdat het Herinneringscentrum de gegevens wil gaan gebruiken voor de database "Een Naam en een Gezicht".

Helpers.

Mijnheer Onderweegs was hoofdcommies van de gemeente Lemsterland; zijn ondergrondse activiteiten kwamen naast zijn dagelijkse kantoorbezigheden. Al spoedig werd het teveel voor één man en kwamen er drie medewerkers bij die ik alleen onder hun schuilnaam kende: Kareltje uit Sondel (Jacobus Johannes Boomsma) Wim uit Meppel, (Wim Reinders/Roelof Knol) en Arie die uit de omgeving van Zwartsluis, (Arie van der Pol/Henk Akse) kwam (deze 3 dappere mannen zijn later gefusilleerd en hun foto' s hangen in het Verzetsmuseum te Leeuwarden).

Jacobus Johannes Boomsma.

 

Jacobus Johannes Boomsma, geboren op 6 juli 1910 in Sondel. Was kruidenier in zijn geboorteplaats. Deed veel aan Jodenhulp. Bracht zelf ook veel Joden onder op onderduikplaatsen. Verzetsnaam: 'Karel I'.

Op zekere dag werd hij bijna gearresteerd toen er een Duitser in zijn winkel kwam die hem wilde arresteren omdat hij zich niet als krijgsgevangene gemeld had. De Duitser werd verwezen naar een niet bestaand huis, enkele honderden meters verder en toen hij woedend terugkwam, was Boomsma al verdwenen. Sindsdien was hij ondergedoken.

Later werd hij districtleider van de LO in Sneek. Hij was een goede organisator en een uitstekende leider. Op maandagmorgen 6 november 1944 vervoegde hij zich aan het huis van J. Volkers in Sneek, dat door de SD bezet was. Een van de Duitsers deed open en zei: 'Kommen Sie mal herein'. 'Dat nooit', riep Boomsma en sloeg op de vlucht. De kogels waren echter sneller. De eerste schampte hem langs de hals, de tweede trof hem in de rugwervel. Hij was meteen dood.

De Duitsers bepaalden dat zijn lichaam zonder kist in de grond moest worden gestopt. Hij werd echter toch in een noodkist begraven. Enkele dagen later werd het lichaam door vrienden opgegraven en in aanwezigheid van zijn vrouw in een normale kist gelegd. Op 12 juli 1945 werd deze kist onder zeer grote belangstelling herbegraven op het kerkhof in Sondel. Zijn zoontje, dat enkele dagen na de bevrijding geboren werd, kreeg de namen Jacobus Johannes Karel.

(P. Wijbenga: 'Bezettingstijd in Friesland' deel 3)
Bolsward, Sondel

In Lemmer was slager De Jong, zijn belangrijkste medewerker. Wim en Arie kwamen vaak 's avonds om een uur of negen hun activiteiten bespreken en dan ging mevrouw Onderweegs de keuken in, om nog gauw een maaltijd voor deze twee hardwerkende jonge mannen klaar te maken. Niet alleen zij, maar ook nieuwe onderduikers die 's avonds laat in het donker aankwamen kregen nog een warme maaltijd. Inmiddels voelde ik mij thuis bij deze fijne familie: mijnheer Onderweegs werd voor mij oom Dick, mevrouw Onderweegs Mams en ik kreeg de naam Leo toegewezen. Robbie werd in het trouwboekje bijgeschreven en heette voortaan Robbie Onderweegs.

Ter bevestiging van mijn opname in de familie kreeg ik van oom Dick een formulier, uitgegeven door het Centraal Evacuatie Bureau, afdeling Kinderuitzending, waarin de leider van het bureau verklaarde 'dat het kind Leonardus de Groot, geboren 28 juni 1929, wonende Pelikaanstraat 29 te Amsterdam voor den duur van den oorlog is uitgezonden naar Lemmer, Schoolstraat 19 te Lemsterland'. Het formulier was klaarblijkelijk door oom Dick ondertekend met de onleesbare naam van de leider van dit bureau die alleen maar in de gedachten van oom Dick en de drukker in Lemmer, die dit formulier opmaakte, bestond.

Wat onderscheidde deze familie van de andere adressen waar ik ondergedoken ben geweest? Zij zagen mij als een opgejaagd kind dat op wrede wijze van zijn ouders gescheiden was en dat dag en nacht met de angst voor de dood leefde en volkomen van de "goodwill" van vreemde mensen afhankelijk was geworden. Zij begrepen hoe moeilijk het was voor een jong kind om van de bescherming van de ouders verstoken te zijn.

Ook nodigden Mams en oom Dick echtparen of jonge mensen, aan wie zij een onderduikadres verschaft hadden, uit om op basis van roulatie een weekend als hun gasten met hen door te brengen met de bedoeling ze sociale contacten te laten hebben. De kinderen kregen speciale aandacht. Mams en oom Dick voorzagen ze van kleding en schoenen wanneer dat maar nodig was en ze zagen er op toe dat de jongelui goed werden verzorgd door de families waar ze ondergedoken zaten. De kosten die deze extraatjes met zich meebrachten, werden door hen zelf, indien nodig, uit eigen zak betaald.

Ook werd er een beroep gedaan op winkeliers, doktoren en tandartsen om goederen en diensten voor deze kinderen te leveren zonder betaling. Zij trokken zich ook de persoonlijke problemen van andere onderduikers aan en reisden door het land met toenemend gevaar voor eigen leven om herhalingsrecepten te verkrijgen bij die apotheken die aan de mensen, die nu ondergedoken zaten, vroeger ook recepten verstrekt hadden. Zij deden er alles aan om contacten tussen de leden van een familie, die op verschillende plaatsen ondergedoken waren, tot stand te brengen.

Kinderen werden ingeschreven op de protestantse Lagere School en diegenen die in aanmerking kwamen voor voortgezet onderwijs ontvingen privé onderwijs in hun schuilplaatsen. De kracht en moed om al deze activiteiten te ontplooien, kwamen voort uit een diepgewortelde godsdienstige overtuiging. In de hal van het huis van de familie Onderweegs hing een Bijbelse tekst: "Verberg diegenen die verbannen zijn en openbaar niet hun schuilplaatsen".

Valse vrijstelling, ingevuld en ondertekend door 'oom Dick'. Deze vrijstelling werd door de ondergrondse gedrukt.

 

Meester Fokkema kwam mij privélessen geven, maar mijn hoofd stond er niet naar om te studeren. Al spoedig ging ik in plaats van leren in de keuken helpen, vooral met de maaltijden die op alle uren van de dag bereid werden. Overdag was er hulp in de huishouding, Janke, zij sloeg alles gade wat in huize Onderweegs plaats vond. Zij sprak er nooit met andere mensen over.

Er waren nog andere stille medewerkers: kapper de "Vliegende Hond", die behalve wat hij voor andere onderduikers deed mijn haar regelmatig rood verfde en Schirm die op aandringen van oom Dick ondergoed en kleding zonder textielpunten voor de joodse kinderen in Lemmer beschikbaar stelde. Mijnheer Van Asma hielp met zuivelprodukten en slager De Jong hielp met het vleesrantsoen voor zover zijn voorraad dat toe liet.

Mee helpen.

Het huis aan de Schoolstraat was het distributiepunt voor de bezorgers van illegale bladen. Daarom was ik steeds bijna de eerste in Lemmer die deze blaadjes las als zij bij ons werden afgeleverd, zoals Trouw, Het Parool en Vrij Nederland. Vanwege zijn positie op het gemeentehuis was oom Dick ook een van de centrale punten van de ondergrondse voor valse persoonsbewijzen en al spoedig mocht ik mee helpen met het klaar maken en vervalsen van legitimatiebewijzen.

Bijna iedere week kwamen er nieuwe onderduikers in Lemmer aan die ik soms beter bij hun schuilnaam kende dan bij hun eigen naam zoals: tante Vonk, Ali Meyers, familie de Wit, dhr. en mevr. L. Polak, Flipje, dhr. De Groot, Jaap, Sal Wagenaar en nog vele anderen, Sommigen kwamen met de nachtboot uit Amsterdam en waren in het bezit van de vereiste papieren waarmee zij bij aankomst door de Duitse controle konden komen; de meesten kwamen echter 's avonds via allerlei sluipwegen bij ons.

Soms waren er problemen die het noodzakelijk maakten dat ik tijdelijk ergens anders werd ondergebracht. Bijvoorbeeld toen Boonstra op het station in Heerenveen werd gearresteerd. Wiersma die vlak achter hem liep wist te ontkomen en kwam rechtstreeks naar Lemmer voor hij onderdook. Hij protesteerde tegen mijn verblijf bij de familie Onderweegs.

Wiersma had veel begrip voor mijn situatie, maar hij smeekte Mams mij elders onder te brengen omdat hij het onverantwoord vond het risico voor zijn medewerkers op deze wijze te vergroten. Maar Mams was niet te bewegen om mij ergens anders onder te brengen. Ik hoor haar nog zeggen in het Fries "Dizze. earme jongen die by syn mem wei jage is, bliwt hjir. Hy wurdt net foar 'n twadde kear fan een mem schieden". (Deze arme jongen die van zijn Moeder is weggejaagd, blijft hier. Hij wordt niet voor de tweede keer van een Moeder gescheiden) Voor mijn eigen veiligheid bracht oom Dick mij echter naar "de dames" (de dames Tulners), twee oudere onderwijzeressen. Na een verblijf van ongeveer tien dagen keerde ik terug.

Na de arrestatie van Boonstra, had oom Dick de contacten met de familie Ten Boom overgenomen. Op zijn eerste reis naar Haarlem begin februari stapte oom Dick in Amsterdam uit om met mijn ouders kennis te maken en een brief van mij af te geven. Mijn ouders en mijn zusje verbleven op een schuiladres aan de Prinsengracht 825 in Amsterdam. Hij wilde mijn ouders, die niet wisten waar ik was behalve dan dat ik in Friesland verbleef, geruststellen door zichzelf te introduceren als de persoon bij wie ik in huis verbleef.

Tijdens dit bezoek besprak hij ook de mogelijkheid om voor mijn zusje bij mij in de buurt een onderduikadres te vinden. Er werd afgesproken dat hij haar de dinsdag na Pasen zou komen afhalen. Tevens verzekerde hij mijn ouders dat hij geen vergoeding voor mijn verblijf wilde hebben en dat, indien zij dat toch wilden, zij de ondergrondse organisatie in Amsterdam een bijdrage konden geven. Hij beloofde mijn ouders dat als er iets met hen zou gebeuren, hij voor mij zou zorgen en dat zij zich daar nooit zorgen over behoefden te maken.

Hij kwam als een engel een boodschap brengen die niet veel later buitengewoon belangrijk zou blijken te zijn. Inmiddels werden enkele directe medewerkers van oom Dick door de Duitsers opgepakt en werd er besloten dat Mams, Bonnette, Robbie en ik met de trein naar oom Geert in Holten zouden gaan. Het probleem echter was dat wij in Deventer moesten overstappen. Deventer was een zeer gevaarlijk station waar altijd streng gecontroleerd werd door de Duitsers. Oom Dick belde zijn broer Arie in Enschede op en vroeg hem ons op het station in Deventer te ontmoeten en mij vandaar naar Holten te brengen.

Zelfvertrouwen.

Oom Arie werkte bij de Nederlandse Douane aan de Duitse grens en was een zeer stoutmoedig man; hij werkte o.a. voor de Nederlandse spionagedienst. Hij beschikte over Duitse papieren die hij voor zijn positie aan de grens nodig had. Oom Arie stond ons op te wachten op het station te Deventer toen onze trein vanuit Heerenveen aankwam. Hij nam mij bij de arm en ging met mij in een Wehrmacht coupé van de trein naar Holten zitten.

Alle Duitse militairen die in deze trein zaten moesten verlof of orders hebben om naar Duitsland te reizen, vandaar de scherpe controle. Toen de Feldgendarmerie bij onze coupé kwam, liet oom Arie met een brede glimlach op zijn gezicht zijn papieren zien, wees op mij en zei "Er ist eine Jude welche ich gefangen habe, er geht ins Lager". En terwijl hij dat zei sloeg hij zichzelf op zijn knie om aan te geven hoe veel plezier hij daarom had. De Duitser knikte dat hij dat heel goed vond en liep door. Ik was erg bang, maar diep onder de indruk van het zelfvertrouwen van deze man. Oom Arie werd voor zijn verzetsactiviteiten na de oorlog onderscheiden door zowel Minister-president Churchill, Generaal Eisenhower als Generaal De Gaulle.

Alhoewel oom Geert en tante Jo absoluut geen illegaal werk deden, ontvingen zij mij met hartelijkheid en mededogen. Ik was weer eens op een tijdelijk adres maar nu was ik niet alleen maar met mijn nieuwe familie. Zo'n voorrecht had ik tijdens mijn rondzwervingen nog niet meegemaakt. Na veertien dagen keerden we terug naar Lemmer. Korte tijd daarna kwam tante Ge, een zuster van Mams bij ons wonen. Ze moest kuren vanwege een slechte gezondheid.

Voor Pasen 1944 kreeg ik een nieuw kostuum dat Schirm speciaal voor mij gemaakt had. Dames-kapper de "Vliegende Hond" was heel druk in die tijd en was niet in de gelegenheid mijn haar te verven, waarop oom Dick meende dat hij mijn haar wel even kon fatsoeneren. Met Pasen mocht ik voor het eerst mijn nieuwe kostuum aan en buiten in de achtertuin werd ik gefotografeerd en op de film gezet. Toen ik op mijn 15de verjaardag mijn valse - persoonsbewijs van oom Dick kreeg, bleek dat hij deze foto's daarvoor gebruikt had. Het was een belangrijk verjaardagscadeau waar ik heel trots op was vooral omdat het nu op naam van Leo Lemstra gesteld was, onze nieuw aangenomen familienaam. Oom Dick werkte nu in het verzet onder de schuilnaam Paul Lemstra. Officieel was ik nu familie van deze heldhaftige illegale werker die niet bevreesd was voor de Duitsers.

Apart.

Tijdens deze Paasdagen bezocht dominee Wessels, voorganger in de Gereformeerde kerk, elke joodse onderduiker in Lemmer apart om hem of haar het verhaal van de Exodus uit Egypte te vertellen, ter vervanging voor het Joodse Pesach. Zoals was afgesproken ging oom Dick op de dinsdag na Pasen naar mijn ouders om mijn zuster op te halen en haar naar een nieuwe schuilplaats te brengen. Toen hij die dag op de Prinsengracht aankwam, vertelde een buurvrouw hem dat mijn ouders en zuster op de vrijdag ervoor, 7 april 1944, waren opgepakt door de politie.

Oom Dick heeft onmiddellijk pogingen in het werk gesteld om mijn ouders en zuster op te sporen en vrij te krijgen. Hij vond ze, via gevangenissen in Den Haag en Amsterdam, in het kamp Westerbork waar hij met eigen geld, drank en tabak verkregen op de zwarte-markt, trachtte hen vrij te kopen. Maar de marechaussees die Westerbork bewaakten, wilden niet aan een ontsnapping van mijn ouders en zusje meewerken ook al had oom Dick ze van een onderduikadres, zowel voor hen als hun gezin, verzekerd. Mijn Ouders en zusje zijn op transport naar Auschwitz gesteld waar ze vergast zijn.

De onderduikers in Lemmer zorgden voor een onverwacht probleem. Tante Johanna en haar zoon waren bij dominee Keuzenkamp ondergedoken. De zoon was ernstig ziek. Dr. Knufman die de ondergedoken mensen in Lemmer behandelde, had oom Dick verteld dat de situatie met tante Johanna's zoon hopeloos was.

Nadat hij was overleden moest oom Dick bedenken wat er met het lijk gebeuren moest. Het bleek niet mogelijk hem op de begraafplaats te begraven omdat er geen officiële stukken waren waaruit bleek dat hij in Lemmer ingeschreven stond. Ten einde raad overtuigde oom Dick dominee Keuzekamp ervan om het stoffelijk overschot 's avonds in de tuin van de pastorie te begraven. Dijkstra, de buurman, werd in de arm genomen om een doodkist te maken en samen met zijn zoon groeven ze een graf en in aanwezigheid van oom Dick werd hij begraven. Na de oorlog werd hij op de begraafplaats in Lemmer op plechtige wijze herbegraven.

Overvallen.

Toen het aantal onderduikers toenam, niet alleen Joden maar ook mannen van onder de 45 jaar, werd het steeds moeilijker om iedereen van bonkaarten te voorzien. Op initiatief van Johannes Post werd besloten distributie- kantoren te overvallen en in overleg met oom Bertus, een broer van oom Dick, werd het kantoor in Langweer als eerste doelwit uitgekozen. De overval was bijzonder goed geslaagd en diende later als voorbeeld voor talloze andere overvallen. Oom Dick was verantwoordelijk voor het verdelen van de buit over de verschillende rayons van de ondergrondse; tevens was het zijn taak om onderduikadressen achter de hand te hebben voor het geval er iets fout dreigde te lopen. De Duitsers probeerden namelijk van hun gevangenen informatie los te krijgen over deze verzetsorganisatie en over de namen van de medewerkers ervan.

Met Uilke Boonstra hadden ze weinig succes. Tijdens zijn verhoor vertelde hij hen dat hij zijn opdrachten van God kreeg en dat hij volgens de wetten van zijn geloof handelde; dat hij de Duitsers niet haatte want het was hem geboden zijn naaste lief te hebben als zichzelf. Boonstra werd vrijgelaten door de Duitsers in de hoop dat hij hen naar zijn contacten in de illegaliteit zou leiden.

Laat op een avond verscheen een zekere Spits uit Echten aan de achterdeur in de Schoolstraat. Hij informeerde of wij alleen waren en toen oom Dick dat bevestigde, kwamen Boonstra en Wiersma uit het donker te voorschijn. Het was een ongelooflijke gebeurtenis, die avond vertelde Boonstra ons over zijn ervaringen in de gevangenis en over zijn grote vertrouwen in God. Hij was er van overtuigd dat het God's hand was geweest die hem voor ergere martelingen behoed had en die hem nu weer zijn vrijheid had teruggegeven. Maar toch viel hij opnieuw in Duitse handen en deze Friese held is uiteindelijk in Vught omgekomen. Zijn naam staat nu op het gedenkteken van de kerk in Joure waarin ik mijn eerste kerkdienst in Friesland bijwoonde.

De Nederlandse Hervormde kerk Joure.

 

Gedenksteen in de toren Ned. Herv. kerk te Joure, onthuld 3 mei 1952 door P. Kuindersma en S. Wiersma.

HWANT MEI GOD EN
MEI MINSKEN HASTE
STRIDEN EN DOU HAST
OERMASTERE
1940 _ 1945

Het monument is bevestigd op de noord-muur van de N.H. kerk, gevestigd aan de Midstraat in Joure.

Wat nu zo'n beetje routine voor de hele familie was geworden, werd begin juli plotseling onderbroken door verraad. Iemand in Lemmer had de Gestapo in Leeuwarden opgebeld om te rapporteren dat de hoofdcommies van de gemeente Lemsterland, zich bezig hield met het helpen van Joden. Een waakzame telefoniste onderschepte het telefoongesprek en liet oom Dick meteen waarschuwen.

Wij zaten net aan tafel voor het avondmaal toen wij deze boodschap kregen. Zonder aarzeling besloot oom Dick dat wij direct moesten opstappen. Tante Ge werd ondergebracht bij de buren, Bonnette ging bij oom Dick achter op de fiets, Robbie bij Mams in het mandje. Ik had mijn eigen fiets. We gingen er vandoor naar de Echtenerpolder, naar een neef van oom Dick die een boerderij aan de Ringvaart had. Daar aangekomen vond de neef voor Bonnette en mij een onderkomen bij één van zijn buren. Mams, oom Dick en Robbie werden elders ondergebracht. Binnen een paar dagen kwam oom Dick bij ons langs om ons te laten weten dat hij naar een onderduikplaats voor ons vijven op zoek was; zodra hij iets gevonden had, zou hij ons komen halen.

Telefonistes als luisterpost.

Dank zij de oplettendheid en de betrouwbaarheid van deze telefonistes is voorkomen dat er opnieuw slachtoffers zijn gevallen in Lemmer. Ambtenaren van de telefoondienst te Lemmer waren mej. A. Molenberg, P. van Brug en Z.J. Smeding. Mej. Aagje Molenberg, geb. 19 januari 1913 te Lemmer was in de tweede wereldoorlog werkzaam op het PTT -kantoor te Lemmer, o.a. als telefoniste en lokettiste. Zij bezorgde illegale blaadjes en zette zich in voor het Rode Kruis. In haar functie als telefoniste luisterde zij tijdens de stakingsdagen in mei 1943 o.a. ook het gesprek af waarin burgemeester Krijger aan de SD te Leeuwarden de hulp inriep voor ongeregeldheden bij de brug in Echtenerbrug.

Dit betrof namelijk onenigheid tussen bevolking en Duitsers. Op 16 oktober 1943 om 19.30 uur werd abonnee 73, woonhuis burgemeester Krijger voor de 2e maal opgebeld door de Sicherheitsdienst te Den Haag, met het bevel om huiszoeking te doen bij de schoonmoeder van Ds. Fokkema (wed. Slump) waar vermoedelijk joden verborgen waren. Daar op dat ogenblik aan de ambtenaren niet bekend was, wie hiermede bedoeld werd en ook de directeur van het postkantoor te Lemmer geen opheldering kon geven, konden deze slachtoffers niet gewaarschuwd worden.

Na de oorlog werd op 5 juni 1945 mej. A. Molenberg opgeroepen om gehoord te worden door de zuiveringscommissie voor burgemeesters in het gemeentehuis te Lemmer. Op 13 juli 1945 werd een aanklacht ingediend aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandse Zaken te 's-Gravenhage en op 25 januari 1946 aan een Kamerlid van de Tweede Kamer aangaande bovengenoemde zaken. Deze aanklachten waren ondertekend door 2 telefonistes en door F. Garvelink, destijds directeur van het Arbeidsbureau. Het was Aagje Molenberg die als getuige werd gehoord voor de Rechtbank tegen de burgemeester.

Vriendenkring.

Ik heb daar een buitengewone tijd doorgebracht. Bonnette en ik konden vrij buiten spelen. 's Morgens hielp ik de boer koeien melken en deed, ik karweitjes op de boerderij. Binnen niet al te lange tijd hadden Mams en oom Dick bij dominee Oskamp in Bolsward een nieuw onderduikadres voor hen zelf en Bonnette en Robbie gevonden; ik zelf werd bij de familie Bosma ondergebracht. In dit gezin werd ik door de dochter in haar vriendenkring opgenomen. Ik genoot van mijn vrijheid en de kameraadschap van mijn nieuwe vrienden, die beloofden voor mij te vechten als dat nodig was.

Roelof en Douwe Wiersma en 'Leo' (Louis de Groot)

 

Helaas, na korte tijd begon de rauwe melk die ik op de boerderij had gedronken, op te spelen en werd ik ziek. Ik kreeg hoge koorts en Mams stond erop dat ik bij haar en oom Dick zou intrekken om door haar verzorgd te worden. In deze voor hem vreemde stad ging oom Dick erop uit om een dokter te zoeken. Niemand kon hem vertellen welke arts betrouwbaar was, men wist het gewoon niet. Oom Dick besloot toen maar om de arts, dr. ten Cate, te vragen naar de pastorie te komen en mij te onderzoeken.

Gespannen wachtten we af hoe de dokter zou reageren wanneer hij ontdekte dat ik een ondergedoken Jood was. Ik zal nooit vergeten hoe omstreeks één uur 's middags dr. ten Cate mijn ziekenkamer binnenkwam. Hij was een grote, ernstig kijkende man. Mams zat bij mij aan bed en hij vroeg naar mijn temperatuur, keek mij aan en zei: "Ik zal je maar Jan noemen, doe je mond eens open Jan en zeg eens A". Wij wisten meteen dat deze arts geen vragen zou stellen en dat hij de situatie begrepen had. Dr. ten Cate stelde vast dat ik difteritis had als gevolg van de rauwe melk die ik gedronken had. Het antibioticum, dat ik zo hard nodig had, wist hij uit het ziekenhuis in Sneek te verkrijgen zonder deze besmettelijke ziekte officieel te rapporteren. Diezelfde avond nog bracht hij ons het medicijn en van een financiële vergoeding wilde hij niets weten. Mams verzorgde mij dag en nacht en na enige dagen begon de koorts te zakken. In de tijd dat ik op bed lag vond de luchtlanding in Arnhem plaats; we hoopten binnen enige dagen bevrijd te worden.

Maar er stond ons nog een lange en donkere winter te wachten voor de oorlog ten einde zou zijn. Ook Mams en mevrouw Oskamp werden ziek en de situatie in de pastorie werd onhoudbaar. Gelukkig had de verzetsorganisatie eindelijk succes gehad en een heel huis voor ons gevonden op de Nieuwe Turfkade 39.

Bedsteden.

Deze woning behoorde toe aan een jong echtpaar, genaamd Elzinga. Zij gingen zolang op de boerderij van zijn vader wonen net even buiten Bolsward zodat de ondergrondse een regionale centrale in hun huis kon vestigen. Gelukkig en blij dat wij allemaal weer hersteld waren, betrokken wij in oktober 1944 de woning. In de huiskamer waren twee bedsteden. Hieronder bevond zich een kelder en het eerste wat oom Dick deed was een muurtje in de kelder metselen dat de ruimte onder de tweede bedstee van de rest van de kelder afscheidde.

Als camouflage werden er brandstoffen tegen het muurtje gelegd. Dit werd onze schuilplaats op de begane grond. We konden er in door de planken van de bedstee op te lichten. Op de eerste verdieping waren twee slaapkamers en een zolder. We maakten een paar planken van de zoldervloer los zodat we ook een schuilplaats op deze verdieping hadden. We kochten een fikse hoeveelheid uien die we op de losse planken legden. In deze schuilplaats, die tussen de zolder en het plafond van de huiskamer zat, werden de vanuit Engeland ontvangen - in containers per parachute - militaire radio's opgeborgen terwijl wij ook onze eigen radio daar verborgen hielden.

Oom Dick was zo langzamerhand meer bezig met het illegale- en paramilitaire werk dan met het verzorgen van onderduikers. Hij was ook heel nauw betrokken bij de wapendroppings. Als er via de BBC het bericht kwam "De kat ligt op de loer", wisten we dat er een wapendropping zou plaats vinden. Oom Dick was verantwoordelijk voor het verbergen van de containers met wapens en radio's in de boerderij van Elzinga en voor het begraven van de parachutes. Ook regelde hij het opzetten van de dropzones.

Deze karweitjes, die onder dekking van de duisternis uitgevoerd moesten worden, stonden onder bescherming van bewapende uitkijkposten. Na het speruur kwam oom Dick dan 's morgens vermoeid thuis. Eenmaal bracht hij voor mij een stukje zijde van een parachute mee ter grootte van een zakdoek. Dat vertegenwoordigde een stukje vrijheid en hoe vreemd het ook mag klinken, het gaf moed.

Een andere zeer belangrijke taak waar oom Dick in gespecialiseerd was, was het vervalsen van persoonsbewijzen, stamkaarten en speciale papieren zoals een Ausweis. De organisatie was nu zo opgezet dat wij verzoeken voor speciale papieren per koerier ontvingen. Die post werd bij een tandarts die tegenover het gemeentehuis in Bolsward zijn praktijk had, gebracht en opgehaald. Deze post kwam in de roze enveloppen van de girodienst en op de enveloppen voor oom Dick stond de letter F op de voorkant. Ik haalde die post iedere dag op. Ik stond dan in het kleine portiekje, onder de trap, van het gemeentehuis op de koerier te wachten. Zodra de koerier weg was, ging ik de post halen. Het gebruik van het adres van een tandarts was belangrijk omdat het normaal is dat daar geregeld mensen in- en uitlopen.

Kinderwagens.

Thuis hadden we voor het eerst een revolver ter bescherming. Als oom Dick werkte aan legitimatiebewijzen lag de geladen revolver naast hem op tafel. Hij werkte meestal in het zijkamertje. De papieren, zegels, stempels en natuurlijk ook de foto' s en gegevens van degenen die identiteitskaarten nodig hadden, werden samen met de revolver in de bergruimte op de bodem van Robbie zijn kinderwagen verborgen. Kwam er huiszoeking overdag dan kon Mams of Ruurtje, onze hulp, met Robbie in de kinderwagen het huis uitlopen.

De familie Bosma had een andere onderduiker in mijn plaats in huis genomen. Ik kende hem alleen als Dolf, een politieagent uit de stad Groningen die de benen had moeten nemen. Deze Dolf, nog in het bezit van zijn politie-uniform, werd door oom Dick belast met allerlei speciale karweitjes zoals het begeleiden van gedropte Engelse agenten en het mede opzetten van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Oom Dick verzorgde dan de nodige legitimatiebewijzen, nadat de foto' s waren gemaakt. Ik ging wel met oom Dick mee om de persoonsbewijzen af te leveren en als ik dan de hand schudde van deze mensen dan was het alsof ik een stukje bevrijding vasthield. Ik leerde van oom Dick om "Jolly Good Fellow" te zeggen en dat vonden zij prachtig.

De Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, die in de buurt van Bolsward georganiseerd werden, stonden onder leiding van een zekere De Groot. Hij was een officier uit het voormalig Nederlandse leger en was sindsdien ondergedoken. Hij had zijn rode haar zwart laten verven. Wij hebben er wel even om gelachen dat ik mijn naam van de Groot in Lemstra veranderde en mijn donkerbruine haar rood verfde terwijl hij het net andersom deed. Deze De Groot kwam naar Bolsward om de Duitse militaire posten te bespioneren. Hij nam mij dan mee en terwijl zijn verrekijker op een van mijn schouders rustte, nam hij de situatie in ogenschouw. Ik vond het geweldig om een militair, die de Duitsers bespioneerde, te mogen helpen.

De winter van 1944-1945 was zeer streng en er was een groot tekort aan alles wat men voor het dagelijkse leven nodig had, vooral voedsel en brandstof. Elke dag ging ik naar een boerderij om melk te halen, waar we vervolgens boter van maakten. Ook ging ik dagelijks naar de gaarkeuken om eten te halen, stamppot of erwtensoep. Robbie had grote problemen met dat eten. Vanaf de dag dat hij in Lemmer aankwam, had hij maag en darmklachten gehad. Mams en oom Dick liepen met hem van de ene specialist naar de andere.

Zij reisden naar Sexbierum, omdat zij gehoord hadden dat daar een specialist zou zijn die Robbie kon helpen. Robbie lag zelfs een tijdje ter observatie in het ziekenhuis, een gevaarlijke situatie met een kind dat verborgen moest blijven. Gas en elektriciteit voor particulier gebruik werden door de Duitsers afgesloten. De enige verlichting in huis bestond uit een carbidlamp. Rinke, een medewerker van oom Dick, was vroeger elektricien geweest. Hij leerde ons hoe wij de leiding van de straatverlichting, die nog in gebruik was door het Duitse Hoofdkwartier, konden aftappen. We hadden genoeg stroom om naar de radio te kunnen luisteren en zelfs om een klein straalkacheltje op halve kracht te laten werken wanneer in het Duitse Hoofdkwartier de lichten nog niet aan waren. Na de oorlog bleek Rinke eigenlijk Luc van Gelder te heten en een Joodse onderduiker te zijn die aan het verzet deelnam.

Diefstal.

Wegens de schaarste aan brandstof bedacht oom Dick een plan om kolen van de Duitsers te stelen die opgeslagen lagen in een schuurtje bij Hotel de Wijnberg, het hoofdkwartier van de Duitsers. Hij wist de sleutel van deze, gevorderde, schuur te bemachtigen van de vroegere eigenaresse, door zich voor te doen als inspecteur van het woningbureau en tijdens zijn inventarisatie de sleutel te ontvreemden. Die avond gingen we op pad om de kolen te halen. Ik moest op de uitkijk staan en oom Dick en zijn medewerker waarschuwen als de schildwachten, die rondjes om het hotel en het schuurtje liepen, er aankwamen.

Bij de vierde keer werd ik aangehouden door de schildwachten maar ik zei dat ik op mijn meisje wachtte. Terwijl ik dat zei hoorde ik achter me in het schuurtje de veiligheidspal van een revolver verschuiven, maar de schildwachten gaven me een trap tegen mijn achterste en zeiden dat ik ergens anders moest gaan staan. Nu moest ik vanaf mijn nieuwe standplaats elke keer op kousenvoeten hard naar het schuurtje lopen, kloppen en wegrennen voor de Duitsers de hoek omkwamen. Je kon ze met hun spijkerzolen gelukkig goed horen aankomen. De twee gestolen zakken met kolen vervoerden we op de fiets van de Duitse commandant, die we ook gestolen hadden. De fiets gooiden we in de gracht op het ijs, maar niet nadat we de rubberbanden er af hadden gehaald.

Honger.

Foto van: nl.wikipedia.org/wiki/Hongerwinter

In het westen van het land werd nu echt honger geleden; steeds meer mensen kwamen over de afsluitdijk lopen om in Friesland voedsel te vinden, waaronder veel onderduikers en Joodse kinderen, die op straat waren gezet. De Duitsers hadden een controlepost opgezet in de buurt van Franeker. Een aantal van deze kinderen werd opgepakt en in de verschillende politie bureaus in de omgeving opgesloten. De Duitsers hadden nu bijna iedere Nederlander tot hun vijand gemaakt en oom Dick ging van het ene naar het andere politiebureau om de agenten er van te overtuigen de Joodse gevangenen aan hem mee te geven. Een aantal van deze kinderen werd door hem op deze wijze gered. In Bolsward was het zelfs zo dat de politie ons kwam waarschuwen op welk tijdstip zij de gevangenen door het wc-raampje zouden laten ontsnappen.

Voor de Duitsers werd het zo langzamerhand een obsessie om Paul Lemstra te vinden, hij werd vogelvrij verklaard. De Duitsers hadden er echter geen idee van hoe Paul eruit zag en konden geen foto van hem publiceren. Op een zondagmorgen in februari 1945 hoorde de afluisterpost, die in boekhandel Wielenga in de Nieuwe Oosterstraat te Leeuwarden gevestigd was, dat de SD over Paul's adres beschikte en dat een contingent SD-ers werd verzameld om Paul te arresteren. Diezelfde morgen werden we gewaarschuwd en hals over kop kleedden we ons aan en gingen we het huis uit. Weer werd ik op een tijdelijk adres ondergebracht, maar het zou niet al te lang meer duren. In de eerste dagen van April 1945 begon het erop te lijken dat de Duitsers Bolsward zouden verlaten.

Canadezen.

Op een avond kwam oom Dick bij mij langs om mij naar het stadhuis mee te nemen waar de eerste Canadezen waren aangekomen. In zijn beste Engels introduceerde oom Dick mij bij de Canadese Majoor die deze groep leidde. Dit moment in dat prachtige historische stadhuis in Bolsward zal ik nooit vergeten, toen kreeg ik mijn vrijheid en mijn menswaardigheid terug en kreeg oom Dick de beloning waar hij en Mams zo hard voor hadden gevochten: zij hadden Robbie's en mijn leven gered. De volgende dag gingen wij allen terug naar het huis op de Nieuwe Turfkade en begonnen we plannen te maken om naar Lemmer terug te keren.

In Lemmer aangekomen werden ze als helden begroet en bleek dat alle onderduikers, door hen ondergebracht, veilig de oorlog waren doorgekomen. Dit laatste was het allerbelangrijkste voor oom Dick en Mams.

Foto van Hessie Eizema, Tresoar: Canadese militairen op de hoek van de Turfkade en de Snekerpoort te Bolsward. Opname gemaakt aan het einde van de tweede wereldoorlog.

 

Foto van Hessie Eizema, Tresoar: Aftocht van Duitse militairen met paarden en wagens over de Turfkade te Bolsward. Opname gemaakt aan het einde van de tweede wereldoorlog.

 

Canadezen in Bolsward t.o. het historische stadhuis. Foto genomen op de dag dat Louis de Groot, met oom Dick kennis maakten met de Canadese Majoor. Deze foto, maar dan vergroot, hangt in het stadhuis in Bolsward.

 

Slotwoord.

Allereerst vind ik het betreurenswaardig dat de Nederlandse regering deze buitengewone mensen die hun leven hebben geriskeerd om het leven van joodse medeburgers te redden, nooit heeft geëerd. In Jeruzalem daarentegen worden hun namen op de Avenue of the Righteous Among the Nations bij het Yad Vashem gebouw geëerd. (Yad Vashem, het holocaustmuseum van Israël. Met dit 'Monument van de Herinnering' herdenken de Israëli's het drama van de holocaust waarin 6 miljoen joden om het leven zijn gebracht door de Duitsers. Over de Avenue of the Righteous loopt men het park in. Langs deze Laan der Rechtschapenen zijn bomen gepland ter herinnering aan mensen uit diverse landen die hun leven hebben gewaagd om joden in veiligheid te brengen. Bordjes onder de bomen vermelden de namen van de redders, waaronder opvallend veel Nederlanders).

●●●

 

Ook in Washington O.C. worden zij geëerd in het nieuwe Holocaust Memorial Museum waar men hun namen kan vinden tussen de opsomming van mensenredders uit de gehele wereld. www.yadvashem.org

In de tweede plaats geloof ik dat het voor de jongere generatie van grote waarde is om te leren hoe ver men kan gaan om voor andere mensen in de bres te springen. De buitengewone daden van oom Dick en Mams kunnen daartoe als voorbeeld dienen.

De derde en belangrijkste reden waarom ik over Dick en Anne Onderweegs , Frans Postma, Uilke Boonstra, Sjoerd Wiersrna, Corrie ten Boom en vele anderen schreef is, dat mijn Ouders poging om mijn leven te redden door onder te duiken, nooit geslaagd zou zijn als zij er niet waren geweest om hen de helpende hand toe te steken. Want zonder deze mensen was ook ik een van de velen geweest voor wie jaarlijks herdenkingsceremonies worden gehouden en zou ik één van diegenen geweest zijn voor wie de 102.000 naamloze steentjes op de appèlplaats in het voormalig Kamp Westerbork geplaatst zijn.

De heer D. Onderweegs hoofdcommies ter secretarie van Lemsterland, is in maart 1947 benoemd tot secretaris van de gemeente Genemuiden. Op 15 maart 1979 is hij op 7l-jarige leeftijd overleden. Mevr. Onderweegs is overleden op 28 januari 1992, oud 81 jaar.

Ds. A. Keuzenkamp, in de bezettingsjaren.

Door: Bram Keuzenkamp Leeuwarden.

 

Ds. A. Keuzenkamp.

 

Louis de Groot vertelde, hoe een lijk van een onderduiker in de Lemster pastorietuin werd begraven. De oudste zoon van dominee Keuzenkamp vertelt, over wie dominee Keuzenkamp werkelijk was.

Zoals de ouderen zich nog goed zullen herinneren, stond er tijdens de bezettingsjaren 1940 - 1945 afweergeschut in Lemmer. Wanneer de Engelse vliegtuigen overtrokken, was het schitteren van de zon op de aluminiumvleugels van deze bommenwerpers een machtig mooi gezicht. Het ronken van die motoren klonk ons als muziek in de oren. Dan stonden we achter huis en staarden we ze na, tot ze niet meer te zien waren. Deze muziek werd dikwijls drastisch verstoord door het knallen van het Duitse afweergeschut.

En wij maar hopen, dat er geen geraakt werd. De Engelse vliegers waren helden, die hun leven waagden om onder andere ook Nederland bevrijd van de Moffen te krijgen. Niet alle vliegtuigen kwamen behouden op Engelse bodem terug. Menig toestel werd neergehaald en verdween in het IJsselmeer. De bemanningsleden spoelden dan dikwijls in de omgeving van Lemmer aan. En dan was het Ds. Keuzenkamp, die opdracht kreeg deze stoere helden op het kerkhof in De Lemmer te begraven. Bij dit soort begrafenissen waren altijd Duitse militairen aanwezig.

Ds. Keuzenkamp trok zich daar echter weinig van aan. Hij informeerde eerst altijd uit welk land deze piloot of mecanicien afkomstig was en had de vaste gewoonte, het Onze Vader te bidden in de taal, welke de man naar alle waarschijnlijkheid had gesproken. Was hij Grieks-Orthodox, dan werd het Onze Vader in het Grieks gebeden. Was het een Pool, dan was het Duitse Onze Vader aan de beurt. Was het een Jood, dan werd het Hebreeuwse Onze Vader gebeden. Gelukkig waren er nooit Spanjaarden bij, want die taal kende Ds. Keuzenkamp niet. Maar was het een Italiaan, dan redde hij zich met het Latijn. Tientallen heeft hij zo helaas moeten begraven, maar de grafrede sprak hij daarna altijd in het Duits, dan hadden de aanwezige Duitse militairen ook nog iets, wat ze konden verstaan.

Ds. Keuzenkamp was echt niet bang in die jaren. In 1941 heeft ondergetekende hem op een zondag naar Joure gereden. De Ned. Hervormde Kerk in Joure was toen uitgebrand. De koster had bepaald wat te hard gestookt. Het dak was eraf en daardoor werd de ene keer de Hervormde preek in de Gereformeerde Kerk aan de Harddraversweg gehouden, een andere keer in de Lutherse Kerk vooraan in de Midstraat Ds. Keuzenkamp moest die zondagmiddag in de Lutherse kerk preken.

Als tussenzang gaf Ds. Keuzenkamp op gezang 302 vers 8 en nog een ander nummer. In ieder geval vers 8. 'Mijn schild en de betrouwen, zijt Gij, 0 God, mijn Heer'. U gelooft het misschien niet, maar ik heb nog nooit de kerkgangers zo luid en hard horen zingen. Geen melkknecht sliep nog die keer, iedereen zong zo hard hij kon mee. Na afloop zei een ouderling: 'Dominee, pas toch op, er zat een Duitse Officier in de kerk' Wat antwoordde Ds Keuzenkamp? 'Het staat in het psalm- en Gezangenboek en dat boek hebben de Duitsers nog niet verboden.' Zo was deze dominee.

In die jaren stierf een vrouw uit Follega. Ds. Keuzenkamp werd gevraagd deze begrafenis te leiden. De zoon van de overleden vrouw wou deze begrafenis geleid hebben in café Hofstra bij de Follegabrug. Ds. Keuzenkamp nam deze begrafenis voor zijn rekening, maar wou deze alleen leiden in het oude schoolgebouw 'Irene', aan de andere zijde van de straatweg. Dit gebouw werd door hem ook gebezigd als catechisatielokaal. De boer kwam hiertegen in het geweer. 't Was altijd gewoonte in café Hofstra. Maar Ds. Keuzenkamp hield voet bij stuk 'Ik spreek niet achter een bordje 'Verboden voor Joden'. Dus werd de begrafenis in het oude schoolgebouw gehouden. Daar was de man zeer consequent in.

Nou hadden we in De Lemmer in die tijd een politiecommandant, die dominee Keuzenkamp niet erg gunstig gezind was. Dat vond zijn oorzaak in het feit, dat er in de consistorie van de Hervormde kerk een oude afgedankte, niet meer gebruikte collectebus hing. Dat ding was zo'n 70 cm. hoog, 50 cm. breed en een 20 cm. diep. Liepen de jongens uit de catechisatie er langs, dan deponeerde de één er wat sigarettenas in, de ander een zinken cent. Altijd onder het motto 'voor de armen'. Maar gebruikt werd die houten kast niet meer.

De bezetters stonden in die tijd niet toe, dat zo'n ding in een openbare gelegenheid hing. Hoe deze politiecommandant er achter kwam, dat dat ding daar hing, is mij een raadsel. Maar op een gegeven moment belde hij aan de pastorie aan en haalde de sleutel met veel bombarie op en de kast onder de arm mee naar het politiebureau. Ds. Keuzenkamp nam dit niet. Je moet uiteindelijk zuinig zijn op je antiek. Hij ging naar burgemeester Krijger, die Hoofd van de Politie is, legde deze de zaak uit en kort daarna belde de politiecommandant opnieuw aan bij de pastorie op de Nieuw-Buren en met het apparaat onder zijn arm ging de optocht naar de Hervormde kerk, waar de Commandant zelve deze bak weer op zijn plaats hing.

Deze politiecommandant hoorde, dat dominee Keuzenkamp geweigerd had te spreken achter een bordje 'Verboden voor Joden' en wat deed hij? Hij bracht Ds. Keuzenkamp aan bij de Sicherheitsdienst in Leeuwarden. Politieman Verbrug moest dominee Keuzenkamp naar Leeuwarden transporteren. Afgesproken werd dat beide, afzonderlijk, in dezelfde bus eerst met de ZWH en later met de LAB naar Leeuwarden zouden reizen en in Leeuwarden zouden ze als ze elkaar zagen gezamenlijk naar het Paleis van Justitie wandelen.

De ZWH-bus trok reeds op van de Gedempte Gracht, reed de Nieuw-Buren in, maar Ds. Keuzenkamp was er (nog) niet. Politieman Verbrug zat op het voorste bankje en begon al zenuwachtig te draaien. Zelf zat ondergetekende op de tweede bank van de bus en zei tegen de buschauffeur: 'Bangma, us heit moat ek noch mei'. Verbrug ging weer recht zitten, Bangma stopte weer voor de pastorie en dominee Keuzenkamp stapte voor z'n huis in.

In Leeuwarden kwam hij voor de Rechter. Dit bleek een 'Hollandse' NSB-advocaat te zijn. Hier zij even opgemerkt, dat dominee K. niet wist, waarvoor hij op het matje moest verschijnen. Het kon zijn, dat hij iemand geholpen had te ontsnappen over het IJsselmeer of iets dergelijks. De Rechter begon met blaffen: Uw naam. Ds. K. blafte keihard terug. 'KEUZENKAMP!' Na een paar antwoorden zo teruggeschreeuwd te hebben, zei de Rechteradvocaat: 'U behoeft niet zo te schreeuwen'. Ds. Keuzenkamp antwoordde hem: 'Wanneer u mij correct ondervraagt, zal ik u ook correct antwoorden'. Beide hadden een titel, dus was de rechter niet meer dan de dominee. Na een half uurtje kreeg Ds. K. in de gaten, dat het ging om het niet spreken achter een bordje 'Verboden voor Joden'.

Hem werd o.a. gevraagd, wat hij op Mussert tegen had. Antwoord: 'Als Mussert ook niet achter een bordje 'Verboden voor Joden' wil spreken, zou ik niet weten wat ik op hem tegen heb.' Zo ging het twee volle uren achter elkaar. Politieman Verbrug kwam ondertussen binnen om te informeren of hij Ds. K. weer mee kon nemen. Maar Verbrug werd ook afgesnauwd. Na twee uur kon Ds. K. weer vertrekken. Politieman Verbrug stond nog op hem te wachten. Dat behoefde hij niet, maar dat oprechte medeleven deed Ds. K. erg goed. Enige tijd later spoelde weer een neergekomen Engelse piloot aan. Ds. Keuzenkamp mocht deze niet meer begraven. 'So'n Pfarrer brauchen wir nicht'. De Gereformeerde predikant werd ingeschakeld. Met lood in zijn schoenen vroeg hij Ds. Keuzenkamp hoe hij dat aan moest pakken. In die jaren hielp de één de ander. We hadden een gezamenlijke vijand, de Duitsers.

In die tijd, het was begin november 1942, vertrok iedereen die een oproep kreeg, naar Duitsland. Ook ondergetekende kreeg persoonlijk van de Directeur van de Intercommunale Waterleiding in Spannenburg bericht, dat hij gevorderd was door de Duitsers. Ouwe Bram zei tegen jonge Bram: 'Zou je maar niet gaan?'. Ik had al een maand in het concentratiekamp gezeten, omdat wij als militairen in Zeeland drie dagen te lang stand hadden gehouden. 'Ik ga niet, ik duik wel onder.' Mijn moeder was voorzitster van de vrouwenvereniging en daar hoorde zij de volgende avond zeggen: 'Heb je 't al gehoord. Jennie Knol is niet naar Duitsland gegaan.' Mijn moeder zuchtte eens diep en dacht: 'Zo dat zijn tenminste twee onderduikers in Lemmer.' Wij waren de eerste twee onderduikers in De Lemmer. Onze naam werd zes maal bij de grens afgeroepen, maar geen van beide gaf antwoord.

Vaak kwam een onderduiker aan de pastorie aanbellen. Deze werd dan zo lang geherbergd tot een of andere schipper langs kwam, die ze vervoer naar Amsterdam. In de Noord-Oost-Polder werden veel razzia's gehouden. Ik herinner me nog, dat we een achterblijver binnenhaalden. Wim Reinders bracht hem naar een ander adres. De jongeman overleefde het. Wim Reinders haalde helaas het einde van de oorlog niet. Ook werden twee jongens bij een razzia in Rotterdam gepakt en op een transport naar Duitsland gezet.

 

Alle spoorlijnen naar Duitsland waren kapot gebombardeerd. Alleen Nieuwe Schans was nog berijdbaar. In die tijd maakte de trein bij Zuidbroek een flinke slag in de rails, waardoor de trein ter plekke nooit harder dan 35 km. per uur reed. Beide knapen sprongen uit de trein en lieten zich de sloot inrollen. Direct liepen ze zo snel mogelijk naar Lemmer. Ze hadden hun aardrijkskunde vroeger blijkbaar goed geleerd. Tegenwoordig moet je het maar opzoeken. Maar in die tijd kwam het vaak goed van pas om zonder kaart toch de juiste weg te vinden. Ze verbleven een dag of tien in onze pastorie en ja, onze schipper belde aan en vroeg dominee Keuzenkamp of hij nog vracht voor hem had. Een week later kregen we een ansicht: Groeten Joop en Jan. Dan is er vreugde, ze hadden het weer gered.

50 jaar geleden begroef dominee A. Keuzenkamp een jood in de pastorietuin van Lemmer.

Het was 1 februari 1944. Er was toen een uitgaansverbod. Niemand mocht zich na 8 uur 's avonds meer op straat bevinden. Om half twaalf, dus 3½ uur later, stopte een ambulanceauto voor de Hervormde pastorie in Lemmer. Deze pastorie stond in de Nieuw-Buren en werd later het verenigingsgebouw 'Us haven'. De voordeur bestond uit twee smalle deuren. Daarvoor was een bordes wat voorzien was van een ijzeren hek. Dit bordes met hekwerk is thans nog in tact. Uit deze ambulance kwam mevr. Gerstner en op de brancard lag haar zoon Ernst. De situatie was die nacht zo, dat de brancard met geen mogelijkheid door de rechter voordeur kon. De rechter voordeur ging tientallen keren per dag open, maar de linker voordeur of met Professor Diepenhorst het correct uit te drukken: de deur aan Uw linkerhand, als U naar binnen wilt treden, was in diverse jaren niet geopend, waardoor de grendels zonder gereedschap onwrikbaar vast zaten.

In normale omstandigheden was dit geen bezwaar, maar op 1 februari 1944 en 3½ uur in de spertijd met een draaiende ambulancemotor en de brancard niet door de deur willende, was toen niet bepaald een aangename situatie. Nu zat in die jaren aan deze pastorie een schuurtje gebouwd met daarvoor een omheind gedeelte, dat aan de voorkant met een houten deur was afgesloten. Door deze deur, via de schuur, door de bijkeuken en de gang kwam de brancard voor de trap. Deze bestond toen en bestaat nog uit twee delen, met in het midden een vlak gedeelte. Het eerste trapdeel was geen punt Toen moest de brancard een haakse hoek naar links maken, daarna weer een haakse hoek naar links gedraaid en tegelijk schuin het tweede trapdeel op.

 

Nieuwburen Geheel links de Ned. Herv. Pastorie die werd bewoond door gezin Ds. A. Keuzenkamp. Later 'Us haven' het vergader- en verenigingsgebouw van de Ned. Herv. Kerk.

 

De kamer waar mevr. Gerstner en haar zoon Ernst ondergebracht werden, was de slaapkamer van de twee zonen van dominee Keuzenkamp en lag aan de achterzijde van de pastorie. Het een bij het ander duurde ongeveer twintig minuten. De ambulanceauto was inmiddels doorgereden naar de naast staande Gereformeerde kerk om de aandacht van dit transport af te leiden. U moet niet vergeten, het vervoer werd verricht door de ondergrondse.

Moeder en zoon bereikten veilig hun nieuw woonvertrek en ook de ambulance ondervond gelukkig geen last van de Duitsers. Naast de pastorie woonde dr. Olivier. Door een smal deurtje van 45 cm. breedte kwam dr. Olivier regelmatig in de pastorietuin en behandelde deze patiënt. Zijn lichamelijke gesteldheid was echter van dien aard, dat hij niet meer kon genezen. Op 5 mei 1944 overleed hij in de pastorie.

Dominee Keuzenkamp, die reeds tientallen aangespoelde piloten onder toezicht van de Duitse bezetters op het kerkhof in Lemmer begraven had, wou ook deze jood op dat kerkhof begraven. Als oudste zoon heb ik hem van dat plan afgebracht. Geen onnodige risico's nemen, we begraven hem in de tuin en niemand merkt wat. Men kon in die jaren niet voorzichtig genoeg zijn. Hoe minder men wist, des te minder men had te verantwoorden. Albert Visser timmerde een kist en bracht deze in planken door de weilanden achter de Gereformeerde kerk langs, in de tuin van de Hervormde pastorie en timmerde deze in elkaar in de studeerkamer van ds. Keuzenkamp.

Toen kwam het probleem van die trap naar voren. Albert Visser nam dit voor zijn rekening. Hij wist het lichaam van Ernst Gerstner van de bovenetage langs de twee trappen naar de studeerkamer te brengen en in de kist te leggen. 's Avonds groeven de twee zonen van ds. Keuzenkamp een groot gat in de tuin. Eerst kwam mevr. Gerstner 's avonds in het donker afscheid nemen van haar zoon en werd daarna bij familie Haye Dijkstra aan de Schoolstraat ondergebracht.

 

Om half twaalf 's avonds lieten dokter Olivier, dhr. Onderweegs van de Ondergrondse, Bram en Wim Keuzenkamp de kist in de groeve zakken. Het dichtgooien van de groeve moest zeer langzaam gebeuren, want de grond maakte veel lawaai op de kist, terwijl de Duitsers voor de pastorie langs liepen. Toen een dun laagje grond op de kist lag, werden er drie verroeste fietsframes dwars overgelegd en daar weer aarde op. 's Morgensvroeg pootte de jongste zoon er koolplanten op, zodat alles goed gecamoufleerd was. Een paar dagen later gaf dominee Keuzenkamp zondagsschool voorbereiding aan de leiders en leidsters.

 

Mevr. Gerstner (de moeder van Ernst).

Een buurman van Haye Dijkstra was er ook bij en keek af en toe de tuin eens in, maar de koolplanten stonden er mooi bij, ze waren extra goed besproeid. Hij zal wel iets begrepen hebben. Op 17 april 1945 was Lemmer gezuiverd van de Duitse bezetters. Op 18 april 's morgens werd met zeer veel moeite de kist uit de pastorietuin opgegraven en 's middags weer herbegraven op het kerkhof van Lemmer. De belangstelling voor deze begrafenis was enorm groot. Honderden, ja duizenden mensen stonden langs de weg en het kerkhof.

Dezelfde personen, die de kist 's avonds 5 mei 1944 in de pastorie tuin hadden laten zakken, dokter Olivier, dhr. Onderweegs en B. en W. Keuzenkamp - lieten ook op het kerkhof dezelfde kist weer in de groeve zakken. Er waren echter maar zeer weinigen, die wisten, dat er een jood in de pastorietuin begraven lag. Vandaar die enorme belangstelling.

Heel opmerkelijk was, dat nog geen twee weken later, nadat de slaapkamer op 6 mei 1944 weer vrijkwam, er op een zaterdagnacht op de vier grote ramen aan de voorkant van de Hervormde pastorie op de Nieuw-Buren, vier grote aanplakbiljetten waren geplakt, waarop stond: Hier heerst de Engelse ziekte. Dit was in de bezettingsjaren weliswaar een gezonde ziekte, maar als de Duitsers dit lezen, was deze ziekte voor de bewoners nu bepaald niet gezond. Dominee Keuzenkamp ging, zonder zich er iets van aan te trekken, om 10 uur vrolijk preken en kwam doodgemoedereerd om half 12 thuis koffie drinken. Politieman Verbrug vroeg hem smekend die papieren te verwijderen, maar dominee Keuzenkamp weigerde dat. Verbrug vroeg toen een trap en heeft deze aanplakbiljetten er toen maar zelf afgehaald.

Toch wil ik hier even memoreren, dat niet alle Duitsers verkeerd waren. In december 1944 kwam een Duitse officier bij dominee Keuzenkamp vragen om wat Kerstboomversiering, want ze wilden in de barakken aan de Platte Dijk in Lemmer Weihnacht vieren. Ikzelf was in de kelder gekropen, die gedeeltelijk onder de voorkamer lag. Er werd zelfs een geestelijk gesprek gevoerd, waarna dominee Keuzenkamp hem enige stukken meegaf. We hadden stuk voor stuk een hekel aan die Moffen en terecht. Maar er waren er bij, die graag ook wel anders wilden, maar de werden ook gestuurd.

Weer enige tijd later werd de fiets van dominee Keuzenkamp opgehaald. De banden waren er afgehaald en men reed op de velgen naar de Hafenüberwachung. Dat nam Ouwe Bram niet. Hij er achter aan. Bij de commandant zei dominee Keuzenkamp: 'Es ist ein Pahrrad eines Pfarrers, das können Sie nicht machten'. De commandant antwoordde: 'Das Pahrrad is sichergestellt'. Ds. Keuzenkamp: 'Bis wie lange?' De commandant die zei, dat de drie dagen nog niet om waren. Maar dominee Keuzenkamp liet niet met zich spotten en zei: 'Wenn ich mein Pahrrad nicht mit bekomme, gehe ich nach den OrtsKommandant in Leeuwarden.' De commandant vloekte, maar ds. Keuzenkamp had de slag gewonnen. Deze fiets heeft ondergetekende nog tot 1986 bereden.

Het gezin Ds. A. Keuzenkamp van links naar rechts: Dini, moeder, Wim, Miep, vader, Bram (de schrijver van dit artikel). Foto ± 1930 toen wonend in Uithuizermeeden, hier heeft Ds. A. Keuzenkamp als predikant gestaan van 1923 - 1932 en vandaar het beroep naar Lemmer aangenomen.

 

In februari 1947 heeft Ds. A. Keuzenkamp de benoeming als hulpprediker naar de Ned. Herv. gemeente van Apeldoorn en het Loo aangenomen. Op de foto druk in de verhuizing door fa. Aukema-de Vries Lemmer.

 

Ds. A. Keuzenkamp, geboren 5 sept. 1881 is overleden te Apeldoorn 1 november 1972, oud 91 jaar.

 

Leeuwarder courant: 7 november 1972.

Evert de Jong vertelt:

Mijn ouders hebben in de oorlog ook een joods meisje onderdak verleend. Na een correspondentie met mevr. Woudstra-Onderweegs en mr. L. de Groot, (USA) Zijn zij er in geslaagd om het Joodse onderduikstertje "Betty Melkman" op te sporen.

Hier volgt één passage uit deze correspondentie.

Louis de Groot.

Berkeley, California.

Want wij zullen nooit vergeten hoe beste brave mensen zoals Uw Ouders en de familie Onderweegs hun eigen leven gewaagd hebben om het onze te redden. Ik zelf kan mij geen-beter karakter indenken dan dat van de mensen die ons uit menslievendheid en niet uit geldzucht of ander persoonlijk voordeel beschermd hebben en met grote liefde onderdak en veiligheid verschaften. Het waren toch vreselijke jaren toen wij als kinderen opgejaagd werden en van ouderlijke liefde en bescherming verstoken waren. En als wij nu op die tijd terug kijken dan moeten we helaas -wel toegeven dat slechts een heel klein' deel van de 8 miljoen inwoners die Nederland in de jaren 40 telde haar hart en deuren voor ons openden en ons met liefde gelijk hun eigen kinderen verzorgden.
Friesland heeft zich daarin onderscheiden en het gaf mij grote voldoening dat mij de gelegenheid werd geboden om daarover in de lokale pers te mogen schrijven.

Ik stel het ook op prijs dat U mij een foto van Uw Ouders en alle kinderen gedurende de oorlogsjaren stuurde. Als U er geen
bezwaar tegen heeft dan zal ik deze foto aan het foto archief van het United States Holocaust Museum in Washington De overdragen met vermelding van de namen van de familie de Jong en Betty Melkman.
Ik vind de brochure die U samen gesteld heeft ook bijzonder mooi en ik heb haar aan een kennis in San Francisco laten zien. Deze Hollandse man dacht er over om de verhalen in het Engéls te vertalen zodat ook zijn,vrouw die Amerikaanse is over
de lotgevallen in Lemmer en Bolsward kan lezen. Ik hoop ook dat de jongere generatie het zal lezen en er een les uit zal trekken hoe ver men kan gaan om zijn medemens te helpen.

Louis de Groot.

Nathan MELKMAN, 1925-1926 handelsreiziger, geboren op 06-05-1900 te Korte Keizerstraat 8, zoon van Mozes MELKMAN en Saartje REENS.
Gehuwd op 25-jarige leeftijd op 04-06-1925 te Amsterdam (getuige(n): Michel Melkman, broeder, handelsreiziger, 36 + Meijer Worms, zwager de echtgenoots, koopman, 35) met Rachel GROEN, 23 jaar oud, geboren op 04-12-1901 te Amsterdam, overleden op 23-07-1943 te Sobibor op 41-jarige leeftijd.

Uit dit huwelijk:

1. Siska MELKMAN, geboren te Amsterdam.

2. Betty MELKMAN, geboren te Amsterdam.

De familie A. A. de Jong-Braaksma. Holwerd 1942-1945.

 

Op deze gezinsfoto zien wij: Betty , Douwe 8 jaar (bovenste rij), Klaas 7 jaar, Joukje 2 jaar, Hait 36 jaar, Fedde 3 jaar, Baukje (op schoot) ± ½ jaar, Mem 34 jaar, Evert 4 jaar en Wietze 6 jaar (onderste rij van links naar rechts) Hier was Betty één van ons, zoals de familiefoto toont!

 

In dit kleine arbeidershuisje van boer B. Reitsma, woonden wij van 1942 tot 1949.
Hier zijn geboren: Baukje 4 febr. 1943, Anna 21 mei 1944, Ibeltje 8 okt. 1946, Jacob 18 okt. 1947. Joukje is wel te Medwerd geboren op 14 maart 1941. Zij kwam ter wereld in het arbeidershuisje van boer U.F. Hiddema. Hier woonden wij van mei 1940 - mei 1942
.

AFSCHEID DER JODEN VAN NEDERLAND.

Wij zien de volgeladen wolken-luchten boven een strakke rood-en-grijze stad, een rechte vaart, een bongerd zwaar van vruchten ... Nooit hebben wij dit land zo lief gehad.

Vaarwel, vaarwel, gij lieve lage landen, waar ons geluk gewoond heeft en ons leed; waar wij de golfslag hoorden aan de stranden, en 't karretje, dat langs een zandweg reed.

 

 

Vaarwel, goed land, het denken geeft ons sterkte aan d' oude havens van ons voorgeslacht,
de stoere stad, waar Rembrandt's vrienden werkten,
en 't stille dorp, waar eens Spinoza dacht

Wij trekken zwijgend door de duist're straten. Wij zijn ontworteld. En bij elke stap
kwelt ons de pijn om wat wij achterlaten op deze harde weg der ballingschap.

 

 

Hier schilderde Israëls zijn vissersmensen Mendes da Costa hieuw er Chris de Wet, o land van veIer daden, veler wensen,
ook ons klein stempel is op u gezet.

Wij staren om ons heen, bepakt met zorgen. Op een perron wuift vaag een vrienden hand.
Zacht loeit een boot door deze grauwe morgen. Het is het afscheid van ons vaderland.

 

 

De trein raast in de nacht, door vele heiden; hoe sleurt ons zijn geweld over een brug. Wij zien de donk're bossen langs ons glijden. Een slapend dorp ... Keren wij ooit terug?

Vaarwel, vaarwel dan ... Door een mist van tranen zien wij weer alles, wat ons dierbaar was,
ons lichte huis, bebloemde duinen-banen en 't wuivend riet langs de Westeinder-plas.

 

 

De grens. Een laatste blik naar onz' landouwen. - en niemand staat ons bij in deze nood -
Vaarwel, vaarwel, het vaderland getrouwe, zijn wij tot in de dood.

 

 

Toegeschreven aan

SEM DAVIDS.

Sem Davids was journalist bij De Groene Amsterdammer; hij overleed op 31 oktober 1969.

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.