Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

Oorlogsherinneringen 1940-1945 van Wiebe Feenstra.

Dagboek van een Lemster jongen in oorlogstijd.

Dit dagboek verscheen als deel V in het Herdenk-Gedenkboek:

Wiebe Feenstra, geboren 2 november 1928 te Lemmer (Lemsterland) samengesteld uit door hem in deze periode gemaakte aantekeningen.

-Hierbij willen wij Wiebe hartelijk bedanken, dat hij zijn dagboek beschikbaar heeft gesteld voor spanvis.

 

Onderwerpen die op deze pagina staan

Oorlogsherinneringen 1940-1945 van Wiebe Feenstra.
Toelichting op het Dagboek.
De Tramboten in oorlogstijd.
War Memories 1

 

 
 

De Eerste Parkstraat (het was hier ook echt de eerste),
In deze straat woonde de samensteller van het dagboek in oorlogstijd
.

 

Wiebe Feenstra in 1943 (15 jaar)

 

Beknopte levensbeschrijving van Wiebe Feenstra.

Geboren op 2 november 1928 te Lemmer. Zoon van Wiebe Feenstra en Grietje Berentje Zandstra, beide geboren en overleden te Lemmer.

Hij bezocht de openbare lagere school te Lemmer van 1 april 1935 tot 2 augustus 1941 en de Mulo-school aan de Korte Streek te Lemmer van 1 september 1941 tot juli 1945.
Na zijn schooljaren werkte hij tot 15 maart 1948 op een kantoor in de Noord-Oost-Polder.
Als dienstplichtig Sergeant-majoor Administrateur was hij van 15 maart 1948 tot 1 oktober 1950 in dienst bij de Koninklijke Landmacht.

Op 1 oktober 1950 trad hij als beroepsmilitair in dienst bij de Koninklijke Luchtmacht. Als zodanig werd hij achtereenvolgens geplaatst bij een Navigatiestation te Den Helder, op de Vliegbasis Twente bij Enschede, op de Vliegbasis Deelen bij Arnhem, bij de Supreme Allied Command Europe te Parijs vanwaar hij als Liaison officier werd uitgezonden naar het Strategic Air Command van de US Airforce te Omaha Nebraska USA.

Na terugkeer uit de USA werd hij geplaatst bij de elementaire vliegeropleiding van de KLu detachement, ondergebracht bij de Rijks Luchtvaart School op het vliegveld Eelde. In verband met de plaatsing te Eelde vestigde hij zich met zijn gezin te Heerenveen.
Op 1 december 1983 werd hem op 55-jarige leeftijd eervol ontslag verleend.

Dat de aantekeningen op 19 april 1945 zo abrupt eindigden was het gevolg van het feit dat hij in zijn jeugdige onvoorzichtigheid probeerde een 2cm luchtdoelgranaat te demonteren, tijdens de demontagepoging explodeerde de inmiddels verwijderde voorontsteking van de granaat, waarbij hij aan beide handen verwond raakte en opgenomen moest worden in het St. Antoniusziekenhuis te Sneek.

OORLOGSHERINNERINGEN 1940-1945.

Vrijdag 10 mei 1940.

Mijn moeder riep mij vanmorgen al vroeg het bed uit. Ze vertelde dat Duitse militairen ons land waren binnen gevallen en dat we nu met Duitsland in oorlog waren.
De hele nacht waren er vliegtuigen in de lucht geweest. Ik zelf heb daar niets van gehoord. Toen ik gewassen en aangekleed was ging ik vlug naar buiten.

Bij ons in de straat stonden overal groepjes mensen te praten. Vader praatte met buurman Prins, buurman De Vries en buurman Hielke. Het leek allemaal erg indrukwekkend. Het mocht wel niet van moeder, maar ik ben toch stiekem even Lemmer ingegaan. Nederlandse soldaten waren bezig de sluisdeuren op te blazen. 'Friesland moet onder water worden gezet zodat de Duitsers er niet door kunnen komen' werd onder de Hoek verteld. Ook onder de Hoek stonden al heel wat mannen te praten. Onze soldaten lieten schepen voor de haven ingangen zinken.

 

Panorama Lemmer.

Vanaf de trambrug kon ik zien dat er minstens vijf schepen al gezonken waren. We (inmiddels had ik mijn vriendjes Willem Gaasbeek en Jan Tenk ontmoet) mochten niet naar de vuurtoren lopen. We mochten niet verder gaan dan tot aan de trambrug, toen ik weer thuis kwam, was moeder bezig de restanten van de wijn en andere dranken, die waren overgebleven van de 12½ jarige bruiloft van mijn ouders op 20 april jongstleden, leeg te gieten in het gootje naar de sloot achter ons huis.

Moeder zei dat ze bang was, dat als de Duitsers ooit in Lemmer kwamen, ze in de huizen naar drank zouden zoeken en als ze dan dronken werden, alles kort en klein zouden slaan of misschien nog wel erger.

In de loop van de dag kwamen er veel joodse mensen naar de buitenhaven van Lemmer. Ze kwamen uit Sneek en Leeuwarden. Sommigen kwamen zelfs helemaal uit Groningen. Zij vroegen Lemster vissers of die ze naar de overkant van het IJsselmeer (Amsterdam of Enkhuizen) wilden brengen, zodat ze de Duitsers konden ontvluchten. Ze boden volgens zeggen hele bedragen aan geld, zelfs hun auto als betaling aan. Ik weet niet of er Lemster vissers zijn die het bod hebben aangenomen.

Ik hoorde bij ons in de Parkstraat dat er Franse militairen in Lemmer zouden zijn aangekomen. De Fransen gaan ons helpen de Duitsers in de pan te hakken. Om elf uur ging ik vlug Lemmer in om naar Franse militairen te kijken.

Toen ik bij het gemeentehuis kwam, zag ik een motorfiets met zijspan staan. Naast de motorfiets stond een militair. Hij had een leren jas aan en een helm op die heel anders was dan de helm van onze eigen militairen. Hij had een stalen wapen scheef voor de borst hangen.
Het is een heel ander wapen dan de geweren die onze militairen droegen. Waar onze militairen zijn gebleven weet ik niet. Er werd verteld dat ze vanmorgen vroeg per auto richting Sondel waren vertrokken.

Al spoedig hoorde ik van Lemsters die op de Gedempte gracht stonden te praten dat de militair voor het gemeentehuis een Duitser was. Het waren dus geen Fransen zoals er bij ons in de Parkstraat werd verteld. Hoe kunnen die Duitsers zo vlug in Lemmer zijn? Konden onze soldaten die paar Duitsers dan niet tegenhouden?

Ik begrijp er niets van. Voor de radioberichten hoorde ik vanmorgen nog dat onze troepen zich overal goed weerden en nu zijn de Duitsers toch al in Lemmer. Allemaal vragen waar ik geen antwoord op heb. Zou neef Sake (Haagsman) die als sergeant bij het 8e Regiment Infanterie aan de Grebbelinie bij Rhenen ligt, ook al door de Duitsers op de vlucht zijn gejaagd? Nee dat bestaat niet Sake is voor de duivel nog niet bang.

In de loop van de middag werd het duidelijk dat de Duitsers in Lemmer zijn. Er kwamen er steeds meer bij. Ze kwamen in een soort open auto met aan de voorkant twee wielen en daarachter rupsbanden. Achter aan deze voertuigen zijn kanonnen vastgemaakt. De meeste Duitsers kwamen echter te paard en daar zijn er ook bij die een wagen of kanon trekken.

We weten nu wel zeker dat het Duitsers zijn want ze hebben het mij zelf verteld.
Ze gaven ons handen vol frambozen zuurtjes. Toen ik er mee thuis kwam moest ik ze van moeder weggooien omdat ze volgens moeder best giftig kunnen zijn.

Tegen de avond zat Lemmer vol met Duitse militairen. De roomse school zit ook vol en in de Parkstraten staan allerlei militaire wagens en pantserwagens. De militairen in de open auto' s met een kanon er achter aan vast, zien er angstwekkend en woest uit. Ze hebben takken met bladeren aan hun helm vastgemaakt en op hun gezicht hebben ze zwarte en groene strepen getrokken.
Bij de roomse school staat een keukenwagen. Duitse militaire koks koken daar eten in voor de andere militairen. Die militaire koks zien er niet woest of angstwekkend uit. Alhoewel wij veel liever Nederlandse en Franse militairen hadden gezien is het al met al toch wel spannend voor mij en mijn vrienden.

Inmiddels zijn Lemster timmerlieden bezig de sluizen zo goed mogelijk te herstellen waardoor het reeds enigszins gestegen water in de kanalen en sloten niet verder kan stijgen.
Duitse matrozen zijn met behulp van een Nederlandse sleepboot bezig de gezonken schepen voor de haveningang weg te slepen. Ze hebben eerst de gaten gedicht en de schepen zoveel mogelijk leeggepompt.

Haveningang.

Bij dit werk zijn ook een paar Duitsers verdronken. Ome Leeuwke (Zandstra) moest ook helpen bij het dreggen naar de verdronken moffen. Waar die Duitse matrozen zo snel vandaan zijn gekomen is ook voor mij een raadsel.

De Duitsers zijn bezig om van aken en botters, die voorzien zijn van een motor, de mast te verwijderen. Men zegt dat het de bedoeling van de Duitsers is om met de aken en botters het IJsselmeer over te steken naar Noord-Holland omdat ze niet over de Afsluitdijk en door de Grebbelinie kunnen komen. Ik heb gehoord dat sommige Duitsers denken dat aan de overkant van het IJsselmeer Engeland ligt. Deze Duitsers hebben op school weinig of niets aan aardrijkskunde gedaan.

Zondag 12 mei 1940

Het is vandaag 1e Pinksterdag. Er kwamen de hele dag nog drommen Duitsers door Lemmer. Ze kwamen vooral via de Straatweg vanuit de richting Follega. De Duitsers die vandaag nog kwamen waren bijna allemaal te paard. Ik heb nog nooit zoveel paarden gezien, ook niet toen vorig jaar bij het begin van de mobilisatie de boeren uit de omtrek hun paarden in Lemmer moesten inleveren.

Truitje Zijlbrug, de brug naar de Schans die sneuvelde onder het Duitse gewicht.

Vanaf de kant van Oosterzee kunnen geen Duitsers te paard of met auto's meer komen omdat in de loop van de dag de brug over de Rien naar de Schans het heeft begeven. De brug ligt er scheef bij. Alleen voetgangers en fietsers mogen nog gebruik van de brug maken.

Er wordt beweerd dat de Duitsers bij de Afsluitdijk zware verliezen lijden en dat de Nederlandse militairen de Duitsers nu weer terug drijven. Het kan best waar zijn, want de Duitsers brengen op diverse plaatsen kanonnen in stelling. Ook naast de gereformeerde kerk aan de Nieuwburen, staat een kanon opgesteld. Het kanon is met takken gecamoufleerd en de loop van het kanon wist in de richting van de Schoolstraat. Ik mag nu niet meer op straat want moeder heeft gehoord dat er spoedig om- en in Lemmer zal worden gevochten.

Oom Pieter (Feenstra) heeft het zekere voor het onzekere genomen en ligt met kleren aan in de kamerbedstee een dutje te doen. Vader heeft late dienst op de gasfabriek, dus die is voorlopig nog niet thuis waardoor moeder en mijn zusje Aaltje erg bang zijn. Ik vind het alleen maar spannend, maar durf dat niet te zeggen.

Maandag 13 mei 1940.

Van gevechten in- en om Lemmer is gelukkig niets gekomen. Wel reden er vrachtwagens vanaf Sondel door Lemmer richting Follega. Men zegt dat deze auto's vol gesneuvelde Duitsers lagen. Ik kon daar echter niets van zien omdat ook aan de achterkant van de auto's het zeildoek naar beneden was gedaan en vastgemaakt. Het waren grote wagens van het merk Mercedes-Benz.
Het kanon naast de gereformeerde kerk is weer weggehaald. Vader heeft wel gelachen toen wij hem vertelden dat oom Pieter gekleed naar bed was gegaan toen hij hoorde dat er bij Lemmer gevochten zou worden. Wij overdreven trouwens wel een beetje door te zeggen dat hij zijn hoed en overjas aan had en ook de schoenen had aangehouden.

Er kwam vandaag nog steeds militair ruitervolk vanaf de Straatweg door Lemmer. Willem Gaasbeek, Cor Kossen, Jan Tenk en ik lagen vanmorgen in de bosjes van de melkjister van boer Agricola, naar de ruiters die voorbij trokken te kijken. Wij vonden in de bosjes een groot pak tussen de struiken. Toen wij het pak open maakten bleek er een spiksplinternieuwe beige regenjas in te zitten. Wij snapten niet hoe die jas daar terecht was gekomen en besloten het pak met de jas naar politie Gerardus Wiersma, te brengen die bij ons in de 1e Parkstraat woont. Toen we het pak afleverden moesten we aan Wiersma vertellen waar we het pak gevonden hadden en wat wij daar deden. Toen we Wiersma alles verteld hadden beloofde hij ons dat hij wel zou zorgen dat het in orde kwam en dat we er maar met niemand over moesten praten.

Dinsdag 14 mei 1940.

Vandaag waren er nog veel Duitsers in Lemmer. Het naarste nieuws van vandaag was dat Rotterdam door de Duitse luchtmacht is plat gebombardeerd. Nederland heeft gecapituleerd omdat de Duitsers ook Amsterdam en Utrecht zullen bombarderen als Nederland zich niet zou overgeven. Wij hebben dus helaas de oorlog verloren.

Donderdag 6 juni 1940.

Vandaag zijn koffie en thee op de bon gegaan. Gelukkig heeft moeder kans gezien om stiekem een paar pakjes thee en koffie te hamsteren. Hamsteren is overigens ten strengste verboden.

Zondag 9 juni 1940.

Nederlandse militairen die door de Duitsers krijgsgevangene zijn gemaakt komen weer naar huis. Er zijn al enige Lemster militairen thuis gekomen voordat deze maatregel door de Duitsers is genomen.
Deze militairen zijn vast niet door de Duitsers als krijgsgevangene afgevoerd geweest. Neef Sake, die voor zover ik weet aan de Grebbelinie heeft gevochten, is nog steeds niet terug.

Zondag 23 juni 1940.

Vader en Betsie de Groot, de verloofde van Sake, zijn op reis gegaan naar Nijmegen om bij de ouders van Sake te informeren of die al wat van Sake hebben gehoord. De posterijen werken nog niet goed, zodat Vader en Betsie, maar voor deze oplossing hebben gekozen.

Donderdag 4 juli 1940.

De Duitsers hebben ons verboden om naar de Engelse radio te luisteren. Bij ons thuis konden we dat toch al niet omdat we radiodistributie hebben en die staat geheel onder Duitse controle. Voor mensen die een eigen ontvangsttoestel hebben wordt het nu wel uitkijken als ze toch naar de BBC of zo zitten te luisteren.

Zaterdag 6 juli 1940.

Vader en Betsie de Groot, zijn vandaag weer in Lemmer terug gekomen.
Ze hebben erg veel geluk gehad. Toen ze via een soort noodbrug de Rijn bij Arnhem overstaken, werden ze aangesproken door een verpleegster die Vader en Betsie, Fries hoorde praten en zelf ook een Friezin was. Toen vader aan de verpleegster het doel van hun tocht vertelde, had ze de handen in de lucht gestoken en gezegd: "Hebben jullie even geluk. Ik ben verpleegster in het militair hospitaal hier in Arnhem en op mijn afdeling lag een sergeant Sake Haagsman, die mij vertelde dat zijn ouders in Nijmegen woonden en zijn verloofde in Lemmer, waar hij als chauffeur bij een busmaatschappij werkte, woonde".

Hij had tijdens de gevechten om de Grebbeberg een schot door zijn arm gehad en was als gewonde naar het militair hospitaal in Arnhem afgevoerd. Toen bleek dat zijn verwonding niet al te erg was, hebben de Duitsers hem met nog enkele lichtgewonden verder getransporteerd naar Duitsland waar zij verder behandeld zouden worden.
Vader en Betsie waren erg blij geweest met dit nieuws en doorgereisd naar Nijmegen, waar ze ome Rijk en tante Roelofje, die ook nog van niets wisten van dit heuglijk nieuws op de hoogte konden stellen.

Op de afdruk zien we links, Jan Zandstra en rechts Sake Haagsman.

 

 

Identificatie van gesneuvelden op de Grebbeberg.

Donderdag 25 juli 1940.

Vandaag zijn de schoenen op de bon gegaan.

Zaterdag 27 juli 1940.

We hebben nog geen schoolvakantie en lummelden wat met ons vieren rond op het zandveldje achter de Lijnbaan naast de bewaarschool. De lucht was bewolkt maar het regende gelukkig niet. Plots hoorden we vliegtuiggeronk dat steeds sterker werd. Toen ineens zagen we een tweemotorig vliegtuig uit de wolken komen dat in duikvlucht richting haven vloog. Er volgden een paar scherpe knallen en toen was het weer stil. Later op de middag hoorden we dat er bommen ontploft zijn, niet ver van de huizen die gebouwd zijn bij het nieuwe gemaal in de N.O.P.

Het vliegtuig dat we eerder op de middag hadden gezien, had bommen op de werkhaven gegooid. Eén bom was niet ontploft en had de waterleiding in de buurt van de gemaalhuizen beschadigd. Terwijl personeel van de waterleiding bezig was met graven om de schade te herstellen, was deze bom ontploft, waardoor acht mensen zijn gedood. Onder andere zijn de volgende Lemsters om het leven gekomen. Mhr. Koole, bakker Koopmans, Mhr. Leijenaar en agent Dirksen. Misschien was het wel een tijdbom of heeft men met een schop tegen de bom gestoten. Het is vreselijk wat daar bij de werkhaven is gebeurd en heel wat families zijn nu in de rouw.

Wij jongens rouwen echter niet om agent Dirksen. (Wiebe schreef dit als 11½ jongen, toen ik hem sprak zei hij "nu zou ik dat nooit denken of zeggen") Deze man zat ons altijd achterna. Vorig jaar november toen we bezig waren met het uithollen van voederbieten precies onder een brandende lantarenpaal in de Schoolstraat bij de openbare school, werden we door agent Dirksen en nog een paar agenten opgepakt en in een cel op het politiebureau opgesloten. We waren wel met tien jongens bezig om van de voederbieten doodskoppen te maken om die later met St. Maarten, met een kaarsje erin in bomen op te hangen.

We moesten op het politiebureau één voor één de cel uitkomen en werden dan verhoord door Doede Kok en Gerardus Wiersma. Onze namen werden ingeschreven in een boek dat volgens politie Wiersma het boeven boek was. Als we niet direct antwoord gaven op de vragen die ons werden gesteld, kregen we een optater van agent Dirksen, voor ons een echte sadist. Degenen die nog in de cel zaten om verhoord te worden, hoorden de pijnkreten van de maten die er eerder uit gehaald waren. Ook ik kreeg mijn portie en toen ik thuis kwam had ik nog rode striemen van de klappen op mijn gezicht staan. Thuis kreeg ik ook nog een geweldige uitbrander omdat ik als een boef op het politiebureau had vast gezeten.

Ook had Dirksen kennelijk de pest in op Willem Gaasbeek, die net als zijn broer Douwe rossig haar heeft. Als Douwe wat had uitgespookt, werd Willem prompt als de dader door Dirksen in de kraag gegrepen. Willem had dit al snel in de gaten en iedere keer als Dirksen hem voor het één of ander greep, gaf Willem, Douwe de schuld ook als hij zelf de schuldige was. Deze methode heeft Willem al heel wat pakken rammel bespaard.

Zaterdag 3 augustus 1940.

Neef Sake is weer in Lemmer aangekomen. Hij was al even bij zijn ouders in Nijmegen geweest. Hij heeft een groot litteken op zijn rechter arm, vooral op de plaats waar de kogel of de granaatscherf weer uit de arm is gekomen. Iedereen is blij met zijn terugkomst.
Voor zover mij bekend is er helaas toch een Lemster soldaat gesneuveld.
Vandaag is de textiel op de bon gegaan.

Maandag 26 augustus 1940.

Na alles wat reeds op de bon is, gaan nu ook vet en boter op de bon. Moeder klaagt steen en been over deze alweer nare maatregel door onze bezetters.
Er komen de laatste tijd veel Duitse oorlogsschepen door de Rien die via de Lemmer het IJsselmeer op gaan. Er zijn mooie slanke boten bij. Van een Duitse matroos hoorde ik dat het Schnellbote waren.

Wat dat betekent weet ik van een oud Lemster matroos, die me vertelde dat het zogenaamde motortorpedoboten waren. Ook zijn er veel grijs geschilderde vissersscheepjes bij. Op de voorplecht van deze kotters staat een soort kanonnetje (luchtafweergeschut?). De grote schepen kunnen amper de bocht in de Rien nemen vlak voor de brug naar de Schans. Het gevolg is dat deze brug soms uren lang open staat.

De Rien. De bocht waar Duitse Schnell-boten veel moeite mee hadden. Het gebouw links is nu de Friesland-bank en de kruidenierswinkel rechts nu het nieuwe gemeentekantoor.

 

Zaterdag 31 augustus 1940.

De hele maand augustus zijn er schepen 'De Rien' afgekomen, met alle gevolgen van dien voor de brug naar de Schans. Ter gelegenheid van Koninginnedag liepen er vandaag heel wat mensen met een goudsbloem of met de strijkkant van een lucifer door het knoopsgat van hun jas.
Men moet wel voorzichtig zijn want als een verkeerde het zou zien kun je goed fout zitten.

De Rien. Nu van de andere zijde. Het grote huis rechts, was van Jan Steensma en gebouwd door de Fa. Gebr. Frankema. Geheel rechts woonde de melkboer Oppedijk.

 

Maandag 23 september 1940.

Het passeren van Duitse oorlogsschepen door de Rien gaat nog steeds door. Een enkele keer varen ze ook wel via de Zijlroede.
Op diverse plaatsen in en bij Lemmer is luchtafweergeschut geplaatst.
Ook staan er twee zoeklichten. Op het torentje van het tramstation staat luchtafweergeschut. Op de polderdijk van de N.O.P. tussen de kantine en het N.O.P. -gemaal staat luchtafweergeschut, terwijl onder aan de dijk aan de kant van de werkhaven twee groen geschilderde keten zijn geplaatst. In deze keten wonen de Duitsers die het luchtafweer op de polderdijk bedienen. Ook op de dam tussen het voetbalveld en de N.O.P. staat het één en ander, onder andere twee grote bunkers van beton.

Helaas kunnen we daar niet dicht bij komen zodat ik niet weet wat het is. Naar men zegt zijn het twee of drie zware luchtdoelkanonnen, maar dat de Duitsers ze niet kunnen gebruiken, omdat als er mee geschoten wordt de kanonnen scheef zakken, omdat de grond ter plaatse nogal zacht is. Verder staat er een kanon op het gemaaltje bij het sluisje naar het voetbalveld wat in ieder geval zwaarder is dan de luchtdoelkanonnen op het tramstation en de N.O.P. -dijk. De zoeklichten staan respectievelijk opgesteld op de N.O.P.-dijk richting N.O.P-gemaal en bij het hek aan het einde van het Schapedijkje en het begin van de Plattedijk.

Bij het zoeklicht aan het begin van de Plattedijk staat ook een luisterapparaat.
Haast iedere avond vliegen er de laatste tijd Duitse vliegtuigen over. Ze vliegen van Oost naar West. Men beweert dat de vliegtuigen afkomstig zijn van het vliegveld bij Leeuwarden en dat ze op weg zijn naar Engeland.

JUNKERS JU 87 R -Duik -bommenwerpers.

 

Dinsdag 15 oktober 1940.

Vanmorgen stonden op de hoek van de de Parkstraat en de Straatweg Duitse auto's met afweergeschut en zoeklichten er achter. Na wat gevraag kwam ik er achter dat er op het Tjeukemeer vannacht een Engels watervliegtuig is geland om mensen op te pikken. Ik vraag me af hoe de Duitsers hier dan zo vlug konden zijn. Zou er soms verraad gepleegd zijn? Niemand wist er het ware van te vertellen.

Meergezicht nabij Tjeukemeer.

 

Dinsdag 19 november 1940.

Vader die nachtdienst heeft gehad kwam vanmorgen thuis met zakken vol snoep.
Op de doosjes staan versjes, die op Sinterklaas liedjes lijken. De tekst van de versjes is gericht tegen de Duitsers. Je kunt de versjes zingen op de wijs van: "Zie ginds komt de stoomboot en de maan schijnt door de bomen". Later op de dag hoorde ik dat de snoepjes uitgestrooid zijn door een Engels vliegtuig. Zeker een St. Nicolaas surprise voor ons. De snoepjes (toffees) smaken voortreffelijk.

De tekst van de versjes luidt:

Zie de maan schijnt door de bomen
Makkers hoort het wild geraas
De R.A.F. is weer gekomen
Die is in de lucht de baas
Vol verwachting klopt ons hart
Wie de koek krijgt wie de gard
Hitler heeft de strijd gestart
Maar aan 't eind krijgt hij de gard

Zie ginds komt het vliegtuig uit Engeland weer aan
Het brengt heel wat bommen die naar Duitsland gaan
Hoe vallen die dadelijk op mofrika neer
Als dat nog lang doorgaat dan is er niets meer

R.A.F. kapoentje
Gooi wat in mijn schoentje
Bij de moffen gooien
Maar in Holland strooien.

Oudejaarsavond 31 december 1940.

Het eerste oorlogsjaar zit er op en het lijkt er veel op dat de Duitsers niet meer zijn te verslaan.
We hebben in Lemmer nu een zogenaamde Hafenüberwachungsstelle (Haven Toezichthoudende). De baas daarvan is een hoge Duitse marineman. Het is maar een klein formaat kerel maar hij loopt als een echte mof door ons dorp. De Hafenüberwachungsstelle zetelt in het pand Emmakade 8.
Ook hebben we in Lemmer zogenaamde Grüne Polizei gekregen. Dat geboefte heeft het huis van het Waterschap aan de Korte Streek in bezit genomen.

Dit jaar zijn op de bon gekomen: boter, brood, eieren, koek, koffie, meel, textiel, thee, schoeisel, vet, vlees, vleeswaren en zeep.
Iedereen die 15 jaar of ouder is, is verplicht een persoonsbewijs bij zich te dragen.
Mijn vrienden en ik hebben de laatste tijd veel gekeken naar het oefenen van het afweergeschut op de N.O.P.-dijk. Eénmaal in de maand, meestal op woensdag komt er een éénmotorig Duits vliegtuig van het type Junkers, met een grote zak aan een lange kabel er achter langs de geschutsopstelling vliegen, waar de bediening van het afweergeschut dan op gaat schieten. Ik heb nog maar twee keer gezien dat de zak achter het vliegtuig werd weggeschoten.

Lemmer sluis: Geheel rechts op de Emmakade, was het huis van de Hafenüberwachungsstelle gevestigd.

Nieuwjaarsdag 1 januari 1941.

Het zoeklicht dat de Duitsers vorig jaar hebben geplaatst, naast het veehek bij de trambaan ter hoogte van het eind van het Schapedijkje en het begin van de Plattedijk, is naar men zegt vannacht door een Engels vliegtuig in puin geschoten.
Er zouden ook een paar Duitsers bij gesneuveld zijn, iets wat best mogelijk is, want het zoeklicht werd van zeer nabij bediend. Ik weet niet of het allemaal waar is, maar toen ik na het horen van dit nieuws ter plaatse Polshoogte ging nemen, stond er geen zoeklicht meer.

Het Schapedijkje.

Donderdag 3 april 1941.

De zoon van stationschef C.L. Grolleman (een echte N.S.B.'er), C.L. Grolleman die naar mijn schatting zo'n 20 of 24 jaar oud is, wordt nu op deze leeftijd al hoofd van het arbeidsbureau te Heerenveen. Het zal wel zijn om zoveel mogelijk arbeiders te werven voor uitzending naar Duitsland. Een typische taak voor die moffenvriend.

Donderdag 10 april 1941.

Afgelopen nacht heb ik veel vliegtuigen gehoord. Die waren zeker op weg naar Duitsland, om de moffen een koekje van eigen deeg te laten proeven. Toen ik uit het dakraam keek, zag ik in noordoostelijke richting een stuk of vier grote lichtkogels in de lucht hangen.

Vrijdag 9 mei 1941.

Vannacht waren er weer massa' s vliegtuigen in de lucht. Er kwam ook op geringe hoogte een vliegtuig over. De Duitsers kregen het vliegtuig in hun zoeklicht en begonnen er op te schieten. Het vliegtuig gooide drie rode en twee gele lichtkogels uit en direct hield het afweergeschut op met schieten en ging het zoeklicht uit.

Woensdag 18 juni 1941.

Alles van koper, lood, nikkel en tin moet worden ingeleverd. Het geeft niet hoe mooi en waardevol de dingen zijn die er van zijn gemaakt. Het moet worden ingeleverd want uitzonderingen worden niet gemaakt.
Als men zijn spullen niet inlevert, loopt men het risico een zware straf te krijgen.
De Duitsers hebben vast en zeker nog meer behoefte aan grondstoffen voor hun oorlogsvoering. Het beste is maar om de voorwerpen die van deze metalen zijn gemaakt, en die men niet kwijt wil goed waterdicht in te pakken en dan ergens te begraven of op een andere manier onvindbaar te verstoppen.

Zondag 22 juni 1941.

Vandaag hebben de Duitsers de oorlog weer verder uitgebreid. Ze zijn namelijk Rusland binnen gevallen. Ik moet toegeven dat ze wel veel lef en zelfvertrouwen hebben. Ik hoop maar dat Hitler net als Napoleon in zijn tijd, zich tegen de Russische beer te pletter loopt.

Donderdag 17 juli 1941.

Vannacht heb ik weer veel vliegtuigen gehoord. Er werd ook hoog in de lucht geschoten. Er was vast een luchtgevecht tussen Engelse en Duitse vliegtuigen.
Vanmorgen om even over zevenen ging ik vader koffie en brood brengen op de gasfabriek. Toen ik in de derde Parkstraat liep, zag ik twee mannen in een voor mij onbekend soort uniform en met grote van bont of iets dergelijks gemaakte laarzen aan op één van de lange stoepen zitten. Ze zaten een sigaret te roken.
Ze zeiden niets maar lachten wel tegen me. Toen ik nog eens omkeek stak één van de twee zijn hand op. Wat dit voor figuren waren zal altijd wel een raadsel blijven. Het waren volgens mij geen Duitsers en in ieder geval geen Lemsters.

Maandag 21 juli 1941.

Vandaag ben ik met oom Pieter naar de ansjovisloods geweest om in de Kolk te vissen. Toen ik genoeg van het vissen had ging ik wat om de loods heen scharrelen. Terwijl ik zo aan het sneupen was vond ik een partijtje boeken, netjes in een stuk zeildoek gewikkeld en met touw er omheen. Ik ging er mee naar oom Pieter om hem mijn vondst te tonen. Oom Pieter raakte er nogal van overstuur en bezwoer mij er nooit ofte nimmer met niemand over te praten.
Ook bij ons thuis niet. Toen ik hem vroeg: "Waarom niet?", vertelde hij me na enige aarzeling en naar hij zei in het volste vertrouwen dat de boeken daar verstopt waren door Jacob de Rook, voordat hij enige weken geleden door de moffen was opgepakt. Jacob de Rook is een bekende Lemster en hij werkte net als oom Pieter voor de Fa. de Rook in de ansjovis. Ik vind het heel geheimzinnig en zal er dan ook beslist met niemand over praten.

Donderdag 24 juli 1941.

Vandaag is er een hoge Piet van de Engelse luchtmacht in Lemmer begraven. Hij is niet de eerste gesneuvelde Engelse piloot die op het nieuwe kerkhof van Lemmer begraven is. Zijn rang is volgens buurman de Jong, die samen met mijnheer Gaal altijd bij dit soort zaakjes betrokken is. "Wing Commander".
Volgens het door mij aangeschafte rangen boekje komt de rang van Wing Commander, overeen met de Nederlandse rang van "Luitenant Kolonel".

Dinsdag 19 augustus 1941.

De Engelsen zijn geland bij Dieppe in Frankrijk. Zou dit de zo zeer verlangde invasie zijn, waar zoveel over gesproken wordt?
De Duitsers beweren dat ze de Engelsen zware verliezen toe brengen, maar wie gelooft de moffen.

Maandag 1 september 1941.

Onze grote vakantie zit er weer op en vanaf vandaag zit ik op de MULO-school aan de Korte Streek.

 

Lemmer binnenhaven.

Dinsdag 12 oktober 1941.

Vanmiddag zijn er Engelse vliegtuigen boven Lemmer geweest. Volgens mij waren het spitfires. Ik heb ook de boekjes over vliegtuigherkenning gekocht, zodat ik al heel wat vliegtuigtypes kan thuisbrengen. De Duitsers namen de spitfires flink onder vuur maar gelukkig hebben ze er niet één geraakt. Ik stond in de steeg naast de winkel van Noppert en had daarom een goed uitzicht op het afweergeschut op het torentje van het tramstation.

Zaterdag 1 november 1941.

Het was gisteravond al vroeg raak. Rond 7.00 uur was de lucht vol vliegtuigen en er werd danig geschoten. Ik hoorde ook een paar extra harde knallen waar ons huis van trilde. Het geluid van de knallen kwam uit de richting Follega.

Follega, met op de achtergrond de trambrug met woning.

Vandaag bleek dat ik de richting van waaruit het geluid van de knallen kwam, goed had vastgesteld, want er zouden bommen gevallen zijn in de buurt van het tweede brugje, ongeveer twee kilometer de Straatweg uit. Mijn vrienden en ik zijn vanmiddag poolshoogte gaan nemen. Eerst vonden we niets, maar toen we in de "Wielen, die we als onze broekzak kennen, gingen zoeken, vonden we niet ver van de Straatweg verwijderd dus dicht bij het 2e brugje, vijf grote kraters tussen de bomen. Heel wat elzeboompjes hadden het loodje gelegd en overal lagen scherven. Er waren ook enige gaten met een doorsnee van 1 tot 1 1/2 meter in het weke (moerassige) gedeelte vlak bij de Straatweg waar geen bomen staan.
Het is best mogelijk dat in deze gaten niet ontplofte bommen liggen.

Maandag 8 december 1941.

De Japanners hebben gisteren een onverwachte aanval gedaan op een Amerikaanse marinebasis op één van de Hawaii-eilanden. Het gevolg is dat Amerika aan Japan de oorlog heeft verklaard. Vandaag heeft Amerika ook aan Duitsland de oorlog verklaard. We hebben er dus een machtige bondgenoot bij gekregen en de Duitsers zullen daarom zeker de oorlog verliezen.

Woensdag 31 december 1941.

Het is oudejaarsavond en het tweede oorlogsjaar zit er bijna op.
De V-teken actie begon dit jaar, maar werd door de Duitse propaganda prompt overgenomen met de leuze: V is victorie want Duitsland wint op alle fronten. In februari is er een grote staking geweest die begon in Amsterdam en die bedoeld was als protest tegen het wegvoeren van de joden naar Duitse werkkampen, waarin het heel slecht moet zijn.
Aardappelen en melk(producten) kwamen op de bon. Op enkele adressen in Lemmer, onder andere op de Schulpen naast bakker de Haan, werden voor vast Duitsers ingekwartierd. Duitse troepen staan voor Moskou de Japanners hebben de Amerikaanse vloot grotendeels vernietigd, zodat het er al met al maar somber en hopeloos uitziet.

Vrijdag 13 maart 1942.

In Sondel is een Duits kamp gekomen waar allerlei vreemde apparatuur staat opgesteld. Wat het is en waar het voor dient weet ik niet. Toen ik gistermiddag in de Oude Sondeler Polder achter de Sonderlerleien aan het eier-zoeken was kon ik één en ander duidelijk waarnemen. Er staat één apparaat bij dat mijns inziens wel 15 meter hoog is.

Sondel, kamp: Na de Tweede Wereldoorlog werden NSB-ers en andere collaborateurs gevangen gezet in kamp Sondel in afwachting van hun straf.

Woensdag 29 april 1942.

Het wordt steeds beroerder voor onze joodse medeburgers. Alle joden moeten een gele Davidster zichtbaar op hun kleding dragen. Politie Doede Kok, die als hij al geen N.S.B.'er is, toch sterke Duitse sympathieën heeft, heeft de arme Sara en Joseph Blok van huis gehaald. Niemand weet waar de oude stakkers naar toe zijn gebracht.

Vrijdag 26 juni 1942.

Vannacht wakker geworden van de vele vliegtuigen die over vlogen.
Het dreunde aan één stuk door. Je kon het gewoon in je borst horen trillen.
Natuurlijk zijn het Engelse vliegtuigen geweest, maar toen ik uit het dakraam keek was er niets te zien.

Zaterdag 4 juli 1942.

Vannacht en ook gisternacht is het weer goed raak geweest. Er werd hoog in de lucht door vliegtuigen geschoten. Gisternacht heb ik een brandend vliegtuig gezien omstreeks een uur of 1 ergens boven Gaasterland althans die kant uit.

Dinsdag 4 augustus 1942.

Vanaf vandaag mogen er geen duiven meer worden gehouden. Deze maatregel zal wel slaan op het houden van postduiven die immers berichten kunnen overbrengen.

Woensdag 14 oktober 1942.

De tramboot "Holland" is vanmiddag na het uitvaren door (Engelse?) vliegtuigen op het IJsselmeer beschoten. Bij aankomst in Lemmer zijn er vijf doden en tien gewonden van boord gehaald. Onder de doden is ook de kapitein van de boot.
De tramboot is beschoten door vier Mustangs P-51's, die vandaag boven Lemmer vlogen en waar de Duitsers hevig met het afweergeschut op geschoten hebben.

Hieronder volgen enkele foto's van Piet Kamminga, over de beschieting van de tramboot "Holland" De zwart/wit afbeeldingen zijn van W. B. van der Bles. Waarvan ook de volgende tekst is:

De tweede wereldoorlog heb ik beleefd van 9-14 jaar. Sinds 17 april 1945 ben ik in het bezit van een 20 tal foto's, genomen na de beschieting van de tramboot "Holland" Hierbij werden twee bemanningsleden gedood, nl. kapitein T. de Wit en matroos A. J. Verheij. Onder de passagiers vielen drie doden: Keimpe Tromp, verloofde H. Roodenburg en Pieter Messemaker.

Drie bemanningsleden raakten gewond nl. C. den Hertog, J. Kamminga en H. Meynen. Onder de passagiers telde men zeven gewonden: A. Tromp, Jan Beekman, Gerrit Tromp en verloofde T. van Essen, Keimpe Tromp neef van overleden Tromp, Alie Bethlehem en Hermanus v.d Zwart.

Toen een week later ook de "Friesland" en de "Groningen IV" werden getroffen, voeren de boten vanaf die tijd niet meer overdag.

De beschieting van de "Holland" vond plaats op 14 oktober 1942 's middags om plm. 2 uur. De tramboot voer toen tussen de Rotterdammer-hoek en Urk. Na de aanval scheerden de Engelse Mustangs laag over Lemmer, waar bij ze hevig werden beschoten. Maar zo goed ik mij kan herinneren werd er niet één geraakt. Na het afmeren van de "Holland" in de tramhaven van Lemmer, ging de droeve mare al snel door Lemmer en was men diep geschokt over de tragische afloop van deze beschieting. dat de consternatie groot was blijkt ook overduidelijk uit bijgaande foto's. Deze foto's zijn zo goed als zeker door een Duitser gemaakt. Slechts enkele wisten dat ik deze foto's in mijn bezit had.

 

F. de Jong, de machinist van 'De Friesland' december 1939.

 

 

Holland-Friesland lijn: Een van de twee eerste tramboten Amsterdam - Lemmer.

 

 

De "Holland" voor de Overkapping. Op de kade staan de auto's van de Lemster doktoren en een ziekenwagen uit Sneek. De auto met kenteken B-20500 was toen van Dokter Jannes Haveman, uit St. Nicolaasga. (broer van bakker Haveman, uit Lemmer)

 

 

Ziekentransport met behulp van de lier van de heer G. Tromp op 14 oktober 1942 vanaf 'De Holland'

 

 

Gewonde wordt weggevoerd na de beschieting van de "Holland".

 

 

 

 

Aankomst op de haven in Lemmer, Links op de voorgrond staat burgemeester M. Krijger, de 3e van rechts is Jan Kamminga, de vader van Pieter Kamminga, die deze foto heeft geschonken. Verder herkennen we nog, Andries de Vries, Uilke de Jong, Bertus Lemstra (half zichtbaar) en Hidde (de koeper)

 

Geheel rechts, staat een Duitse matroos en op de achtergrond twee manschappen van de Wehrmacht. Op de achtergrond het tram emplacement van Lemmer. Opvallend de verschrikte zorgelijke blikken van de mensen met die Duitsers in de buurt.

 

 

Enkele van de bezetters, waarvan er één driftig staat te fotograferen.

 

 

De passagiers verlaten de boot na de beschieting.

 

 

Een overzicht van de hulpverlening. Links ontwaren we een groepje Duitse officieren. De ziekenauto van Sneek, staat klaar om gewonden naar het ziekenhuis te brengen.

 

Woensdag 21 oktober 1942.

Weer zijn er twee schepen tussen Lemmer en Amsterdam door (Engelse?) vliegtuigen beschoten. De tramboot "Friesland" keerde terug met drie doden en drie gewonden. Onder de doden waren Jacob Thijseling en Gerke Bootsma en bij de gewonden was oom Feite de Jong, de man van vaders zuster Geesje. Ook de "Groningen IV" werd beschoten. Op deze boot werd stuurman Stienstra gedood.

Op 21 oktober 1942 voerde de Royal Air Force, dag aanvallen uit met door R.A.F piloten gevlogen Mustangs op diverse doelen in Duitsland, België en Nederland. Ook de 'Friesland' van rederij Koppe, werd aangevallen. Het schip was uit Lemmer vertrokken, met als reisdoel Amsterdam. Net voorbij de Rotterdammerhoek wipten twee Mustangs over de dijk van de Noordoost­polder om vervolgens laag vliegend de 'Friesland' te bestoken. De passagiers waren op het dek beneden, waardoor zij niet werden geraakt. Van de bemanning werden gedood, kapitein Jelle Hendriksma, stoker Jacob Thijseling, geboren op 16 februari 1904, overleden op 21 oktober 1942 te Lemmer. Matroos Gerke Bootsma, (geboren op 23 Mei 1903 te Lemmer, overleden op 21 oktober 1942 te Lemmer, gehuwd met Jacoba Verf), en lichtmatroos Emylius de Hoop, (geboren op 8 januari 1924 in Woudsend).

Tramboot "Friesland"

 

 

Tramboot "Friesland" De winter van 1940....De "Friesland" is gekraakt door het kruiende ijs.

 

 

Dinsdag 24 november 1942.

De Duitsers willen dat alle kerkklokken worden ingeleverd. Ze maken daar natuurlijk wapens van. Ook de klokken uit de toren van de Nederlands Hervormde kerk moeten er aan geloven. Ik hoop dat ik geen getuige ben van deze diefstal. De Nederlands Hervormde kerk is niet zo ver weg van onze school en als de weghalers dan bezig zijn in één van onze schoolpauzes is de kans vrijgroot dat we wel getuige zijn van de klokkenroof .

Donderdag 17 december 1942.

Het is nu 's avonds 10.00 uur en ik heb de hele avond zitten leren en te schrijven nadat het weer rustig in de lucht is geworden. Na alles wat zich vanavond heeft afgespeeld kun je inderdaad van rustig spreken. Zo rond 6.00 uur vanavond waren er talrijke luchtgevechten.
Toen ik buiten een kijkje ging nemen, zag ik duidelijk de vurige streepjes van de lichtspoormunitie door de lucht klieven. Ik weet inmiddels al heel wat af van wat er zoal om ons heen en boven onze hoofden gebeurt. In de richting Balk althans in Zuid Westelijke richting, zag ik een grote vuurgloed. Hoogstwaarschijnlijk lag daar een neergeschoten vliegtuig te branden.

Oudejaarsavond 31 december 1942.

Moeder, tante Anna, tante Els, mijn twee nichtjes en mijn zus waren naar de kerk.
Vader, oom Pieter, mijn neven Cor en Minne en ik zaten gezellig te éénentwintigen toen Poppe de Rook, de kamer binnenkwam. Nadat hij een tijdje mee gekaart had, kwam hij op de proppen met de ware bedoeling van zijn bezoek. Hij had drie grote schijven magnesium en een zakje kruit uit kogelhulzen bij zich. Poppe is namelijk ook al een beetje lid van onze club die door ingewijden wel de dynamietclub wordt genoemd. Hij is zeer actief op dat gebied.

Poppe had de schijven afgezaagd van een door ons gevonden lichtkogel aan een parachute. De lichtkogel was niet afgegaan en lag punt gaaf in de Brekkenpolder.
De schijven waren ongeveer 4 centimeter dik en hadden een doorsnee van 12 1/2 centimeter. In het midden van de schijven had hij een klein kuiltje gemaakt.

Poppe zei dat als we in het kuiltje een beetje van het door hem ook meegebrachte kruit deden en dit kruit zouden aansteken, we een prachtig oudejaarsavond vuurwerk zouden hebben. Hij had het al uitgetest met een klein stukje magnesium bij zijn vader in één van de hangen. (Poppes vader is een bekende visroker in Lemmer). Wij voelden niet veel voor zijn voorstel, maar toen Poppe bleef aandringen, wist hij ons toch zover te krijgen dat Cor en ik meegingen. In de Schoolstraat vlakbij de parkjes tussen de 1e en 2e Parkstraat ging het gebeuren.

Toen Poppe zo'n ding had aangestoken, schrokken wij ons rot. Het brandende magnesium gaf zo'n fel licht, dat we overal grote slagschaduwen zagen. Dit was verschrikkelijk daar de Duitsers geen straaltje licht wensen te zien als het buiten donker is. Als ze het licht door de gordijnen naar buiten zien schijnen zijn ze in staat zo door de ramen te schieten. De kreet "Licht aus" is maar al te bekend.

We zetten het alle drie tegelijk op een lopen. Ik draafde rechtstreeks naar huis wat gelukkig niet zo ver is. Doodsbenauwd dat ze me te pakken zouden krijgen zat ik thuis aan tafel te trillen. Toen ik na thuiskomst eerst nog even door de gordijnen naar buiten keek, zag ik nog het felle licht boven de huizen van de Parkstraat uitkomen. Als dat maar goed zou komen.

Waar Cor en Poppe waren gebleven wist ik niet, maar wel verwachtte ik ieder moment de Duitsers of 'de hondekop' (een beruchte Schalkhaar politieagent in Lemmer) aan de deur of minstens in de straat. Er gebeurde echter niets. Waarschijnlijk waren de Duitsers met veel Schnapps aan het oudejaarsavond vieren. Ik kreeg van vader flink op mijn falie. Hij had niet geweten dat het zo erg zou zijn, anders was ik beslist de deur niet uitgekomen. Toen moeder en tante Els vlak voor spertijd thuis kwamen (het was toen ongeveer half negen) zeiden ze dat ze op straat niets bijzonders hadden gezien of gehoord en dat er geen mof op straat te bekennen was. Is dat even goed afgelopen?

Het derde oorlogsjaar is nu voorbij. De onoverwinnelijkheid van de Duitsers waar het eind 1940 en eind 1941 nog zo op leek, lijkt aardig te tanen. In Rusland en Noord Afrika krijgen de moffen flinke klappen. Als nu volgend jaar de invasie maar komt, dan zal het uiteindelijk allemaal wel weer in orde komen.
Ik heb het afgelopen jaar niet al de nachten vermeld, waarin het dreunde van de overvliegende vliegtuigen. Dat waren er heel wat.

Een paar extreme nachten moeten echter nog wel vermeld worden. Dat waren de nachten van 20 en 21 januari, 12 juni, 30 juni, 5 september en 14 september.
Op het nieuwe kerkhof liggen inmiddels zeven piloten begraven. Ere wie ere toekomt, de Duitsers begraven hun vijanden tot nu toe met alle eer. Ze lossen een geweersalvo zodra de kist waarin de piloot is gekist in het graf ligt.

Dit jaar is de snoep en de tabak op de bon gekomen. Alles wat op de bon kan is onderhand op de bon en datgene wat nog niet op de bon is, is toch niet meer te koop. Het koper en zilvergeld is ongeldig geworden en moest worden ingeleverd. Hiervoor in de plaats hebben we nu zinken- en papiergeld.

Het was vanmorgen half twaalf, toen we door een oorverdovend lawaai van explosies werden opgeschrikt. We hadden juist les in aardrijkskunde van mijnheer De Vries en verlangden naar het einde van de les. Door de zware explosies trilden de muren van onze school, die zeker 40 centimeter dik zijn, als blaadjes aan een boom. Alles in onze klas stond te trillen en het schoolbord viel naar beneden. Mijnheer De Vries trok wit weg en zei dat we vlug in de gang plat op de grond moesten gaan liggen. We lagen nog maar net op de grond toen alles weer stil werd. Naar mijn gevoel heeft alles hoogstens vijfminuten geduurd. Een paar meisjes bij ons in de gang waren helemaal overstuur en huilden om hun mem. Toen het een poosje rustig was ging mijnheer De Vries naar buiten om te kijken wat er was gebeurd.

Intussen moesten wij op de grond blijven liggen. Toen mijnheer De Vries terug kwam zei hij dat er veel vliegtuigen in de lucht waren en dat er vast bommen waren gevallen. Aan de aardrijkskundeles kwamen we niet meer toe en mijnheer De Vries gaf ons opdracht onmiddellijk naar huis te gaan. We hoefden 's middags niet terug te komen. Roelie Visser en ik liepen langs de Schoolstraat op een drafje naar huis. Het was half bewolkt en we zagen dan ook geen vliegtuigen. Wel hoorden we het brommen van de vliegtuigen en er werd ook geschoten hoog in de lucht. Thuis waren moeder en mijn zusje ook helemaal in paniek. Moeder zei dat vader nog op de gasfabriek was en dat die kant uit een heleboel bommen waren gevallen.

Moeder was erg ongerust maar durfde niet naar de gasfabriek omdat ze bang was dat de vliegtuigen terug zouden komen. Gelukkig kwam vader even later gezond en wel thuis om ons even te vertellen, dat er niets met hem aan de hand was. Wel waren er vlak bij de fabriek ongeveer 15 meter van de gashouders af enige bommen terecht gekomen. Deze waren in de zachte veengrond gelukkig niet ontploft en zijn met strobalen afgedekt. Verderop achter de tramdijk waar de meeste bommen zijn neergekomen lijkt het wel of alle weilanden zijn omgeploegd.
Later op de dag hoorde ik dat een boerenarbeider die achter de tramdijk aan het werk was, omgekomen zou zijn. Het is een wonder dat er verder geen slachtoffers zijn gevallen.

Vrijdag 5 februari 1943.

Vanmiddag cirkelden enige vliegtuigen boven Lemmer. Volgens mij waren het Amerikaanse Mustangs. De Duitsers namen ze heftig onder vuur, maar hebben gelukkig niets geraakt.

Vandaag hoorde ik dat de moffen de vader van Franke Bootsma, van huis hebben gehaald. De vader van Franke Bootsma, is kapitein op de Friesland IV. Misschien werkt de vader van Franke wel voor de ondergrondse.

Woensdag 14 april 1943.

Afgelopen nacht is een Duits vliegtuig in de Brekkenpolder, neergekomen. Het is te ver om er heen te gaan en omdat het een Duits vliegtuig is zullen we er toch wel niet bij mogen komen.

Maandag 3 mei 1943.

Er wordt momenteel overal gestaakt. Ik weet niet waar het begonnen is maar intussen ligt heel Friesland en ook elders in Nederland de zaak plat. Zelfs de boeren staken mee en gooien de melk voor zover die niet door particulieren is opgehaald in de sloot. Als boeren zelfs staken, dan is het volgens vader wel een heel complete staking. De reden van de staking is dat de moffen onze militairen weer in krijgsgevangenschap willen voeren. Neef Sake die bij de Grebbeberg heeft gevochten, is reeds ondergedoken. Vanwege de staking is het verboden om met meer dan twee mensen op straat bij elkaar te staan. De moffen noemen dat samenscholingen.

Dinsdag 4 mei 1943.

De Grüne polizei of de SD heeft Jouke Bootsma, die met nog een paar mensen voor de open brug naar de Schans stond te wachten, zonder enige aanleiding of waarschuwing doodgeschoten. Jouke is een Lemster visserman, die nog geen vlieg kwaad kan doen. De vuillakken kwamen in een militaire vrachtauto, waarvan het zeil aan weerskanten omhoog was gerold, Lemmer binnen rijden en schoten vanuit die auto op de onschuldige mensen die voor de brug stonden te wachten.
We weten nu allemaal wel dat er geen groter geboefte bestaat dan SD'ers en Grüne Polizei.

(Jouke Bootsma, geboren op 21 augustus 1903 te Lemmer, overleden op 4 mei 1943 te Lemmer. Jouke kwam in de oorlog tijdens de meistaking van zee. Er kwam een groep Duitsers, Lemmer inrijden. Zij begonnen in het wilde weg te schieten. Bij de brug werd Jouke tussen zijn broers geraakt en door de Duitse beulen zo uit het leven gehaald. Dat was hun wraak, die iemand trof van een familie die nog nooit een mens kwaad had gedaan).

Donderdag 13 mei 1943.

Alle radio's met uitzondering van toestellen van de radiodistributie moeten worden ingeleverd. Via de radiodistributie horen we alleen maar Duitse propaganda.
De moffen zijn doodsbenauwd dat de Nederlanders ook de waarheid horen via radio Oranje of de BBC. Mijn ouders hebben zich nooit een eigen ontvangsttoestel kunnen veroorloven en behoeven dus ook niets in te leveren.
Ik ken heel wat mensen die wel een eigen ontvangsttoestel bezitten. Ik hoop dat niet iedereen zijn toestel inlevert, zodat we af en toe via via toch nog wat van de werkelijke toestand aan de weet komen.

Vrijdag 14 mei 1943

Vannacht rond 12 uur was het weer goed raak in de lucht. Tussen 11 en 12 uur was het één en al vuur in de lucht.
Toen ik om 12 uur via mijn uitkijkpost, het dakraam aan de achterkant van ons huis, naar buiten keek, zag ik in de richting van de Brekken een grote brand. Dat was vast een neergeschoten vliegtuig.
Ook in de richting Balk/Sloten zag ik een vurige gloed, dat daar zal ook wel een brandend vliegtuig zijn neergekomen.
Vandaag hoorde ik dat er achter de tramdijk ter hoogte van Eesterga een Engels vliegtuig is neergekomen. De gehele bemanning zou dood zijn. Mijn vermoeden van vannacht was dus wel juist. Zodra de kust ter plaatse een beetje veilig is gaan mijn vrienden en ik er een kijkje nemen.

Zondag 23 mei 1943.

We waren vandaag achter de tramdijk aan het zwerven om uit te zoeken, waar het vliegtuig dat onlangs is neergeschoten precies terecht gekomen is. We durfden nog niet al te dicht in de buurt van het wrak te komen, maar van een afstand zou ik zeggen dat het tegen de polderdijk van bûtenlanden is terecht gekomen.
We vonden tijdens onze omzwerving een hele partij tijdschriften.
Met grote letters stond er "Vliegende Hollander" op. Deze tijdschriften zijn vast in één van de afgelopen nachten uitgestrooid door een Engels of Amerikaans vliegtuig. Cor, Jan, Willem en ik hebben elk een exemplaar mee naar huis genomen en de rest langs de tramdijk en de Straatweg verspreid.

 

Aanhef van door ons gevonden "Vliegende Hollander"

VERSPREID DOOR DE GEALLIEERDE LUCHTMACHT.

 

Zaterdag 12 juni 1943.

Het was vandaag bijna een maand geleden, dat er in het land achter Eesterga een Engels vliegtuig is neergekomen. De vliegers zijn inmiddels begraven op het nieuwe kerkhof en de Duitsers hebben alles wat van hun gading was weggehaald.

Er was nu geen bewaking meer, zodat wij een kijkje konden nemen. We zijn via de reed aan de zuidkant van de Wiele, het land ingegaan. Toen een eindje langs de tramdijk gelopen en daarna via de reed achter de Wiele naar de polderdijk van de bûtenlanden rond de Brekken gelopen. Toen we op de polderdijk waren zijn we richting Follegasloot gelopen. We hadden nog maar een goede 100 meter op de polderdijk afgelegd toen we een groot gat in de wal van de polderdijk vonden. Het stonk er erg naar olie en benzine. De Duitsers hadden kennelijk getracht iets uit het gat te halen maar zo te zien was dat niet gelukt. Misschien zit er wel een vliegtuigmotor diep in de veengrond. Aan de overkant van de sloot zagen we een nog veel groter gat met duidelijke brandsporen.

Omdat we ter plaatse niet over de poldersloot konden, moesten we eerst weer een eind teruglopen, tot we over de houten batting konden gaan. Aan de andere kant van de sloot zijn we weer terug gelopen naar de plaats waar we moesten zijn. We vonden er nog van alles. Mooie grote stukken plexiglas om ringetjes van te maken.

Snoepjes die we maar niet hebben opgegeten en zakjes met een poeder er in dat als we het nat maakten alle kleuren van de regenboog vertoonde. Als het op onze kleren kwam konden we het er niet meer afkrijgen, ook niet met water. Onze kleren kregen dan wel alle kleuren van de regenboog. Er lagen ook veel klokjes en andere dingetjes met voor ons onbegrijpelijke lettertjes en cijfertjes. We wisten niet wat we er mee moesten doen en lieten die maar liggen. Verder vonden we kogels die met een soort schakel aan elkaar vast zaten.

Toen we dwars door het hoge gras weer terug naar de tramdijk liepen, kwamen we voor een grote plexiglas koepel te staan. Er staken twee mitrailleurlopen uit de koepel. De koepel lag ongeveer halfweg het gat bij de polderdijk en de tramdijk, dus zeker 500 meter verwijderd van de plaats waar het vliegtuig was uitgebrand. De koepel zat een eind de grond in en muurvast. Het lukte ons niet om het ding uit de grond te trekken. We konden niet door het plexiglas in de koepel kijken omdat het glas ook aan de binnenkant helemaal besmeurt was met olie of iets dergelijks. Wij dachten dat er nog best een lijk in de koepel zou kunnen zitten. We denken er over om onze vondst door te geven aan Anne Rottine (Anne Rot) die het dan wellicht weer verder door zal geven.

Toen we vandaag door de landerijen achter de tramdijk dwaalden, vonden we grote bossen zilverpapier. Het waren strookjes van ongeveer 50 centimeter en 2 centimeter breed. Aan de ene kant waren de strookjes zwart en aan de andere kant zilverachtig. We weten niet wat de bedoeling is van deze strookjes. We hebben wel wat strookjes mee naar huis genomen, want je kunt er misschien leuke kerstversieringen van maken.

Zondag 8 augustus 1943.

Anne (Alberda) en zijn vrouw Rina, waren vandaag bij ons op visite. Anne die met paard en wagen allerlei vrachtklusjes voor boer Heutema, die aan het einde van de Schans woont, verricht, vertelde ons een trieste maar toch ook wel komische anekdote. Een paar weken geleden moest hij het aangespoelde lijk van een geallieerde vlieger ophalen van de N.O.P.-dijk. Hierbij heeft hij altijd hulp van buurman De Jong en Mijnheer Gaal. Toen ze het lijk op de wagen hadden gelegd, deden ze er een dekzeil overheen. Op de terugweg haalden ze ome Leeuwke (Zandstra) in. Ome Leeuwke vroeg Anne of hij mee naar de Lemmer mocht rijden. "Natuurlijk Leeuwke" had Anne gezegd, "Ga maar op het dekzeil zitten, hier vooraan is geen plaats meer".

Zo gezegd zo gedaan. Ome Leeuwke klom op de wagen en ging op het dekzeil zitten. Na een tijdje werd ome Leeuwke nieuwsgierig en vroeg wat er onder het dekzeil lag. "Het voelde zo zacht aan" zei hij. Anne antwoordde: "O niks bijzonders Leeuwke, kijk zelf maar". Ome Leeuwke keek en zag het niet meer zo fraaie uiterlijk van de enige weken in het water gelegen hebbende dode vlieger. Ome Leeuwke die normaliter altijd meehelpt als er naar een drenkeling gedregd moet worden, heeft kennelijk toch een heel klein hartje.
Met een kreet van afschuw sprong hij van de rijdende wagen en ging scheldend te voet verder richting Lemmer. De drie lachende mannen op de wagen lieten hem scheldend achter zich.

Dinsdag 26 oktober 1943.

Vanavond om ongeveer 6 uur was het weer goed raak in onze omgeving.
Het luchtalarm loeide en er werd mirakels geschoten, door zowel het Duitse afweergeschut rond Lemmer als door de vliegtuigen onderling hoog in de lucht.
We hoorden enige zware explosies, waarschijnlijk van vallende bommen. Het was één en al paniek bij ons in huis.
Vader had late dienst op de gasfabriek en tante Els en buurvrouw De Vries met dochter Annie, waren uit angst bij ons in huis gekomen.
Moeder kroop op handen en voeten door de kamer om alles wat door het trillen van de explosies omviel, weer op zijn plaats te zetten en te hangen.

Dinsdag 2 november 1943.

Vandaag ben ik 15 jaar geworden en moet dus voortaan ook een persoonsbewijs bij me dragen.

Zaterdag 13 november 1943.

Het was vandaag een sombere koude dag met weer een nieuwe oorlogservaring.
Ik had geen vliegtuigen gehoord, maar toch werd er om even over twaalf geschoten met het afweergeschut dat op het gemaaltje bij het sluisje naar het voetbalveld staat. Ik herkende dit geschut aan de knallen, die heel anders klinken dan van het 2 centimeter geschut op het tramstation en de N.O.P.-dijk. Iets later op de middag kwam Cor bij me om te vragen of ik mee ging naar het Lemster Hop.

Daar had een groot vliegtuig een noodlanding gemaakt, natuurlijk ging ik mee. De afstand viel trouwens tegen, het was een heel eind de kant van Schoterzijl uit. Toen we bij het vliegtuig kwamen, herkenden we het als een vier motorige Amerikaanse Liberator. Het vliegtuig was behoorlijk gehavend maar we hoorden van omstanders dat de gehele bemanning er heelhuids was afgekomen.

De bemanning is gevangen genomen door de Duitsers van de luchtwachtdienst op de voormalige Zuiderzeepolderdijk. Zonder dat de Duitsers die ook bij het vliegtuig stonden er iets van zeiden, konden we in het vliegtuig kijken. Binnen is het afgezien van allerlei draden, maar een kale bedoening. Even later werden we toch door een andere mof die ook naar het vliegtuig kwam kijken, weggejaagd.

Woensdag 17 november 1943.

Vandaag kon ik op de gemeentesecretarie mijn persoonsbewijs in ontvangst nemen. Het is PB nr. L21-005992. Ik hoop dat ik het nooit nodig zal hebben.

Vrijdag 26 november 1943.
 
Vanaf 11.30 uur vanmorgen was de lucht weer vol Amerikaanse vliegtuigen.
Overal aan de hemel kon ik de condensstrepen zien van Vliegende Forten, Liberators, Lightnings en Thunderbolts. Van Duitse vliegtuigen was geen sprake, althans ik heb ze niet gezien. Toen de laatste vliegtuigen in Oostelijke richting verdwenen, kwamen de eersten alweer terug richting home.

Even over één hoorde ik in de richting Follega/Doniaga, het geratel van mitrailleurs en boordkanonnen. We hadden vrij van school om de één of andere duistere reden en ik stond met nog enige buren bij het parkje tussen de 1e en 2e Parkstraat in de richting van het schieten te kijken. En ja hoor daar had je het al. Een kennelijk aangeschoten Vliegend Ford (Flying Fortress) vloog op niet al te grote hoogte in Noord-Westelijke richting.

Het kreupele vliegtuig werd aangevallen door zeker drie Duitse nachtjagers van het type Messerschmitt ME-110. De Amerikaan verdedigde zich tot het uiterste en gaf behoorlijk vuur af. Aangezien ik geen horloge heb, weet ik niet hoe lang het luchtgevecht duurde, maar voor mijn gevoel een hele tijd. Opeens zag ik vier parachutes in de lucht hangen, waarschijnlijk een deel van de bemanning van het Amerikaanse vliegtuig. Dat het Amerikanen waren leidde ik af uit het feit, dat toen deze weerloze jongens aan hun parachutes nog in de lucht hingen, deze werden beschoten door twee van de Duitse jagers.

Een 'Flying Fortress' B17, zoals bij St.Nicolaasga door de Duitsers werd neergeschoten.

Het grote fort dwarrelde intussen als een blad naar beneden. De moeder van Willem Gaasbeek, die ook naar het drama stond te kijken, schreeuwde: "Vieze vuile moordenaars" tegen de Duitse piloten die dit uiteraard niet konden horen.
Wel liep Mw. Gaasbeek, het risico dat een "verkeerde" haar hoorde schreeuwen en dit door zou geven aan de moffen.
Later in de middag hoorde ik dat het vliegtuig was neergekomen tussen St. Nicolaasga en Doniaga. Ik had willen zweren, dat het veel meer in de richting Follega aan de grond was gekomen.
Het komt de laatste tijd geregeld voor dat er ballonnen overdrijven.
De Duitsers schieten er op met hun luchtdoelgeschut en ook heb ik al een keer gezien dat Duitse jachtvliegtuigen er op schoten. Wat het voorstelt?, geen idee.

Boven en onder: Een veteraan-Lightning. Lockheed P-38L-5-1O, serial no. 328430, KI-N "Jeanne" van 20th FG, 55th FS, Ist Air Division, 8th U.S. Air Force, gebaseerd op Kingscliffe, Northampshire, Engeland. Een Lightning van ditzelfde squadron, bestuurd door Lr. R. H. Dettre, stortte op 9 april 1944 vlakbij Hindeloopen in het IJsselmeer.

 

 
Het was vanavond erg druk in de lucht en er werd nogal geschoten ook. Vader en ik stonden net voor brood eten even achter huis de lucht af te zoeken of er ook wat te zien was. Plots zagen we in de richting Spannenburg, hoog in de lucht de streepjes van lichtspoormunitie. Vlak daarop zagen we een vuurbolletje dat rap groter werd.
 
Het leek net of het onze richting uitkwam en we wilden net naar binnen gaan, toen zich een vreselijke explosie voordeed. Ik had de grendel van de achterdeur nog in mijn hand, maar werd net als vader door de sterke luchtdruk tegen de keukenmuur gegooid. Toen we verschrikt omkeken zagen we een enorme vuurbal, die naar het leek recht op ons afkwam, maar eensklaps viel de enorme vuurbal in stukken uiteen naar beneden. Vast weer een slachtoffer van de oorlog.
Als het nu maar een Mof is, maar dat betwijfelen we.
 
Vrijdag 17 december 1943.
 
Het was gisteravond inderdaad een exploderend vliegtuig en helaas ééntje van onze Engelse vrienden. De brokstukken zijn terecht gekomen achter de tramdijk tussen de Follegasloot en de rietkragen ten Zuiden daarvan.
 
Dinsdag 28 december 1943.
 
Het is kerstvakantie en mijn vrienden Cor, Jan, Willem en ik hebben een bezoek gebracht aan de plaats waar 12 dagen geleden een totaal uit elkaar geslagen Engels vliegtuig is neergekomen. Het was mistig weer. We liepen langs de tramdijk tot we op de hoogte kwamen waar het vliegtuigwrak ergens moest zijn neergekomen. We gingen het land achter de tramdijk in en vonden al gauw stukjes vliegtuigmateriaal. Ook vonden we brokjes vlees zo groot als een schoenzool.
Deze vleesbrokken zijn vast afkomstig van omgekomen bemanningsleden.
Het is vreselijk. De Duitsers hebben de stoffelijke overschotten althans wat er van over was begraven op het nieuwe kerkhof van Lemmer. Dit kerkhof begint al aardig op een militaire begraafplaats te lijken. De mist begon op te trekken en plots hoorden we een geweerschot. We keken in de richting waar het geluid vandaan kwam en zagen in de buurt van de rietkragen twee Duitse soldaten staan.
 
Ze hadden ons waarschijnlijk pas gezien toen de mist optrok en om onze aandacht te trekken een schot gelost. Wij dachten nog wel dat alles reeds door de Duitsers was weggehaald en dat er geen bewaking meer zou zijn. Ze gaven te kennen dat we bij hen moesten komen.
We gaven direct gevolg aan hun verzoek. Tussen de Duitsers en ons was echter een brede sloot waar noch wij noch zij overheen konden komen. Ze vroegen ons" "Was macht euch dort?". Wij antwoordden dat we neugierig sind. Waarop zij zeiden: "Viel zu gefarlich schert euch weg". Wij maakten ons direct uit de voeten, wat we niet eens erg vonden met hier en daar stukjes mensenvlees op het land liggend.
 
Oudejaarsavond 31 december 1943
 
Weer is een jaar oorlog aan ons voorbij gegaan. Een oorlog die steeds grimmiger wordt. Wij hebben hier hoofdzakelijk met luchtgevechten en neerkomende vliegtuigen te maken, maar aan de fronten moet het ook verschrikkelijk zijn. Dit jaar is het aantal bombardementen op Duitsland zeker sterk opgevoerd, want er komen nu dag en nacht geallieerde vliegtuigen over. Ondanks het gevaar dat er aan vast zit, klinkt het gebrom ons als muziek in de oren.
 
Ten opzichte van vorig jaar is er veel aan de fronten veranderd. Ik houdt de frontlijn met potlood bij op een oude kaart van Europa. De Russen rukken in redelijk tempo op in de richting van Duitsland. De Duitsers trekken zich steeds volgens plan terug. De Engelsen en Amerikanen zijn geland in Italië, dus er is al een soort 2e front, alleen zo ver bij ons weg. Al met al gaat het echter de goede kant uit.
 
We hebben dit jaar een nieuwe methode gevonden om aan een extra brood (Duitse kuch) te komen. Neef Anne (Alberda) rijdt voor boer Heutema, geregeld tussen Lemmer en Sondel. Hij moet dan in opdracht van de Duitsers eten van Lemmer naar Sondel brengen. De Duitsers hebben in het gymlokaal van onze school aan de Korte Streek een soort kruidenierswinkel. Soms kunnen we wel eens naar binnen kijken en dan komt mij het water in de mond van al die lekkere spullen die daar zijn opgeslagen.
 
Wel om op ons extra brood terug te komen.
Anne geeft ons een seintje als hij naar Sondel moet. Hij maakt de rit onder begeleiding van een Duits militair. Het is een niet al te kwade Duitser, die ook wel eens bij Anne en Rina thuis op visite komt. Volgens Anne is deze Duitser de Krieg meer dan zat en hoopt maar dat hij nooit naar het Oostfront moet. Als wij een seintje van Anne hebben gehad, gaan Vader of ik naar ons volkstuintje aan de Plattedijk, waar Anne langs moet komen. Als er in de buurt verder niemand te bekennen is gooit Anne ter hoogte van onze volkstuin twee broden van de wagen, die wij dan zo vlug mogelijk oprapen. De Duitser ziet het nooit of wil het nooit zien. 's Avonds wordt dan een brood naar Anne en Rina gebracht.
 
Vrijdag 7 januari 1944.
 
Mijn vader die tegenwoordig ook af en toe dienst doet als stoker op het stoomgemaal, had vanmorgen een hachelijk avontuur. Op de zeedijk langs de Plattedijk staan sedert vorig jaar vier luchtdoelkanonnen (kaliber 4 centimeter) opgesteld. Ik had dit nog niet eerder vermeld. De bediening van de kanonnen is in handen van de Duitse Luftwaffe, militairen met een blauw gekleurd uniform aan. Onder aan de landkant van de Plattedijk hebben de luftwaffe-soldaten per kanon een soort hut gemaakt. Ze hebben deze hutten ingegraven in de dijk en gebruiken de hutten als onderkomen voor de soldaten die niet bij een kanon op wacht staan.
 
Vanaf de stellingen loopt een draad naar de onderkomens. Ze hebben een gleufje in het wegdek gehakt, waar de draad doorheen loopt. Als er (voor hen) vijandige vliegtuigen aankomen worden de militairen door de op wacht staande soldaat gealarmeerd door aan de draad te trekken, waardoor er in de onderkomens een bel of iets dergelijks in werking wordt gesteld. De gealarmeerde militairen komen dan zo snel mogelijk naar boven gerend.
Vanmorgen had vader in een zak op een sleetje wat brandstof meegenomen. Wat er nu precies fout ging weet vader niet, maar hij vermoedt dat hij de alarmdraad heeft meegetrokken. Door sneeuw en ijs ligt de alarmdraad meer op straat dan in de gleuf.
 
De gealarmeerde Duitsers kwamen naar boven stuiven en vader werd toen de Duitsers zagen dat het loos alarm was op de bekende Duitse wijze uitgescholden. Ze moesten zijn ausweis zien. Toen dit document in orde bleek te zijn mocht hij doorlopen. Van de zak kolen op het sleetje werd niets gezegd.

De luftwaffe militairen die deze kanonnen bedienen zijn merendeels ondergebracht in de RK-school. De officieren zijn bij burgers ingekwartierd. Ze gebruiken ook een deel van de oude boerderij van boer Schaap aan de Nieuwburen als herstelwerkplaats voor hun voertuigen en het onderhoud van de kanonnen. Er staat altijd een soldaat op wacht bij de inrit naar de boerderij aan de Nieuwburen.
Er staat af en toe een Oostenrijker op wacht. Als hij wachtdienst heeft en ik kom langs, dan probeert hij wel eens een praatje met me te maken. Hij vertelde mij dat hij een zoon heeft van 18 jaar die aan het Oostfront zit en waarvan hij al een hele tijd niets heeft gehoord. Hij woont met zijn vrouw en nog twee meisjes in een plaatsje dat Leibnitz heet. Hij heet Alfred Rheinhart. Ik heb steeds medelijden met de man. Tenslotte is niet iedere Oostenrijker pro Duits. Ik mag hem van thuis niet uitnodigen om eens bij ons te komen koffiedrinken.
 
Dinsdag 25 januari 1944.
 
Vandaag vlogen er tientallen Thunderbolts op geringe hoogte over ons dorp. Het was ongeveer 1 uur in de middag en ze vlogen pal noord. Er werd niet door de Duitsers op geschoten. Ik denk dat de Duitsers de overmacht te groot vonden.
Vandaag heb ik voor het eerst een V-I over zien vliegen. Het ding maakt een vreemd plofferig geluid. Waarschijnlijk was het een uit de koers geraakt exemplaar want hij vloog van Zuidoost naar Noordwest.
Woensdag 15 maart 1944.
 
Vandaag veel Thunderbolts boven het IJsselmeer gezien. Waarschijnlijk zochten de vliegers naar Duitse schepen op het IJsselmeer, want een stuk of vier doken naar beneden en losten salvo's op een doel even voorbij de vier Km van de N.O.P.-dijk. Waar ze op schoten konden we vanaf de trambrug niet zien. We klommen daarom in de vuurtoren om een beter uitzicht te hebben. Met we bedoel ik Cor, Jan, Willem en ik.
 
Ook van die hoge plaats in de vuurtoren konden we niet zien waar de vliegtuigen op geschoten hadden. Toen we weer beneden waren, wachtte ons een onaangename verrassing. Beneden stond de Hafenüberwachungscommandant ons op te wachten. We moesten meekomen aan boord van een Duitse FLAK-boot.

Deze FLAK-boten zie je de laatste tijd veel in de buitenhaven. Ze liggen meestal op de plaats waar een hele tijd terug een boot van beton was afgemeerd. FLAK-boten zijn schepen met veel en zwaar luchtdoelgeschut en worden gebruikt voor het begeleiden van konvooien over het IJsselmeer. Beneden in het ruim van de FLAK boot, werden we voor alles en nog wat, in het Duits uiteraard, uitgescholden en hij sloeg ons ook.

Neef Cor vocht zelfs een beetje terug door een afwerende houding aan te nemen. Een Duitse matroos had kennelijk medelijden met ons en begon tegen de Hafenüberwachungscommandant te praten terwijl hij ons onderwijl een seintje gaf hem te smeren. We maakten dat we weg kwamen en voelden ons pas weer wat veiliger ter hoogte van het tramstation.

 

Op de foto Uilkje Koopmans. Opname en afdruk door vader Jan Rintjes Koopmans.

Dinsdag 6 juni 1944.

Vanmorgen vertelde Wiepie van der Bijl me dat de invasie eindelijk was begonnen. Ze hebben bij van der Bijl dus toch hun radio niet ingeleverd. Hij vertelde dat Amerikanen, Engelsen en Canadezen geland waren in Normandië.
Verder had hij nog geen bijzonderheden. Hopelijk lukt deze invasie beter dan indertijd bij Dieppe waar de geallieerden onder zware verliezen werden teruggedreven.

Donderdag 8 juni 1944.

Langs de Straatweg worden om de tien meter aan beide kanten van de weg gaten gegraven. Er wordt beweerd dat deze gaten worden gemaakt om de Duitsers gelegenheid te geven om dekking in te zoeken als ze hier moeten vechten of wanneer ze beschoten worden door vliegtuigen. De gaten zijn zo groot dat er één persoon in kan liggen. Er wordt dan ook al verteld dat t.z.t. in elk gat een dode mof begraven kan worden. Hier en daar zijn ook grotere uitgravingen gemaakt.
In die grotere uitgravingen kan gemakkelijk een auto of een kanon staan. Cor van tante Anne is ook opgepakt om deze gaten te graven. Gelukkig ben ik nog te jong.

Straatweg te Lemmer.

Zaterdag 5 augustus 1944.

Even voor drie uur vanmiddag is tussen Follega en Lemmer, de tram door Engelse of Amerikaanse vliegtuigen beschoten. Er was 1 dode en er waren 2 gewonden.
Het dode slachtoffer is de NSB'er H.V. Kranen (Hij was conducteur, met als standplaats Lemmer) dat kan dus niet zoveel kwaad. De lichtgewonden zijn mijnheer Groes en buurman Prins. Gelukkig maar dat buurman Prins en mijnheer Groes, er zo goed vanaf zijn gekomen. Toen buurman Prins na behandeld te zijn weer thuis kwam, vertelde hij dat de vliegtuigen eerst nog om de tram heen cirkelden, zodat er genoeg tijd was om de tram te stoppen en eruit te gaan. Kranen verbood echter om te stoppen en gaf opdracht door te rijden. Uiteindelijk heeft hij dus zelfmoord gepleegd.

Boven en onder: De Lemmer-tram hier in het Friese landschap foto: Archief FRAM v.h. N.T.M.

 

 

De tram in Lemmer De middelste persoon op de foto is Hendrik Langenberg machinist op de tram. Hij heeft tijdens de WOII toen ‘zijn’ tram onder vuur is genomen, vanuit vliegtuigen, een hele poos onder de tram in dekking moeten liggen.

 

Dinsdag 29 augustus 1944.

We waren aan het zwemmen bij het witte hekje op de dijk naar het stoomgemaal, toen plotseling een paar Spitfires neerdoken op een konvooi vrachtschepen begeleid door Duitse FLAK-boten, parallel aan de N.O. P.-dijk. De jachtvliegtuigen schoten fel, maar ook de Duitse FLAK-boten schoten als duivels terug. Eén van de Jabo' s werd helaas geraakt en kwam achter de NOP-dijk in de polder terecht.

Direct steeg een grote zwarte rookwolk op. We hebben niemand uit het vliegtuig zien springen, dus de arme piloot moet wel op slag dood zijn geweest. Als hij nu eerst maar een paar moffen heeft geraakt. Het is best mogelijk dat de vliegtuigen ook slachtoffers hebben gemaakt, want één FLAK-boot voer terug richting Lemmer.
De andere vliegtuigen vlogen nog even hoog in de lucht rond en verdwenen toen in Westelijke richting. Het gebeurde allemaal zo vlug, dat we te verbouwereerd waren om uit het water te gaan om dekking te zoeken achter de dijk.

Maandag 4 september 1944.

Vanaf vandaag moeten we 's-avonds om 8 uur binnen zijn en binnen blijven tot de volgende ochtend 6 uur. Wij kunnen gelukkig achterom nog wel bij tante Els en oom Pieter komen. Vlug even de straat oversteken naar tante Anna is ook niet zo riskant. Ik heb het steeds over tante Anna en nooit over haar man Oom Arie. Dat komt omdat oom Arie kort voordat de Duitsers ons land binnen vielen, naar Amerika was gegaan. Tante Anna, mijn neef Cor en mijn nichtje Aaltje zouden volgen zodra oom Arie een huis had geregeld. Helaas was nareizen niet meer mogelijk door het uitbreken van de oorlog. Sedert 8 december 1941 toen Amerika aan Duitsland de oorlog verklaarde, heeft de Gestapo al twee keer een inval bij tante Anna gedaan en het hele huis ondersteboven gehaald. Waar ze naar zochten hebben ze niet gezegd maar het waren voor tante Anna en mijn neef en nicht toch angstige dagen.

Woensdag 6 september 1944.

Wat er gaande is weet ik niet, maar het lijkt wel of dat pro Duitse mensen en NSB' ers uit het westen van het land op de vlucht zijn richting Duitsland. Dat zou een reden kunnen zijn van deze uittocht, nu onze geallieerde vrienden zo snel door België oprukken in de richting van ons land. De Lemmerboot was afgeladen met bepakte en gezakte reizigers. Op het tramstation stond een tram onder stoom met wel 10 wagons erachter. De reizigers of wat het ook waren, vertrokken met de tram richting Joure. Wij mochten niet dichter bij het station en de boot komen dan bij de kleine visrokerijtjes aan het begin van de gording aan de buitenhaven. Zelfs daar werden we even later nog weggejaagd door een Hollandse SS'er die zijn geweer op ons richtte.

Vrijdag 8 september 1944

Zo te oordelen beginnen de Duitsers hier in Lemmer ook angstig te worden dat het binnenkort voor hen ook menens wordt. In de parkjes tussen de Parkstraten en wel aan de weilandzijde worden een soort kazematten gebouwd. Ze worden gemaakt van grote betonnen rioolbuizen die voor driekwart worden ingegraven en daarna afgedekt met betonen palen en afgewerkt met aarde en graszoden.
Het is niet te hopen dat die kazematten ooit gebruikt zullen worden, want dan staat het er niet te best voor met de huizen en de bewoners aan onze kant van de Parkstraat. Ook worden er kazematten gemaakt in de N.O.P.-dijk bij de werkhaven en in de oude zeedijk naar het Breedschar. Tussen de oude zeedijk en het weggetje naar het voetbalveld hebben de Duitsers landmijnen gelegd want daar staan midden in het land twee bordjes met een doodskop en de woorden "ACHTUNG MINEN" er op.

(Oorspronkelijk is de kazemat een militair gebouw, dat als actief verdedigingswerk in gebruik is. Later worden alle overdekte ruimtes kazematten genoemd. De overdekking kan bestaan uit slechts balken of een gemetseld of betonnen gewelf onder een aarden wal. Ook kan een kazemat een vrijstaand bomvrij stenen of betonnen gebouw zijn. Kazematten worden zowel voor verdediging gebruikt als voor het bewaren van voorraden munitie en eten. In oorlogstijd dienen ze tevens als woonruimte voor de militairen).

Zondag 17 september 1944.

Vanmiddag kwam Wiepie van der Bijl, opgewonden bij ons thuis vertellen dat de Engelsen luchtlandingen uitvoerden in de buurt van Arnhem. Bij Nijmegen en Eindhoven zijn Amerikaanse parachutisten geland. Duizenden militairen zijn inmiddels aan de grond gezet ook met grote zweefvliegtuigen en de aanvoer gaat nog steeds door. Neef Jan en diens verloofde Grada, zijn net vorige week woensdag weer terug gegaan naar Nijmegen. Ze waren een paar dagen bij ons te logeren geweest. Die zijn dus net op tijd teruggegaan en misschien nu al bevrijd. Het wordt nu echt menens met onze a.s. bevrijding. Drie maanden geleden geland in Normandië. Frankrijk en België bevrijd en nu zijn ze al in Arnhem nog maar 120 Km hiervandaan. Nog even en bijltjesdag kan beginnen.

Zondag 24 september 1944.

Het gaat helaas niet goed bij Arnhem en Oosterbeek. Het lijkt er op dat de Duitsers hier de slag toch nog een keer gaan winnen.
Grote delen van Zuid Nederland zijn reeds bevrijd, maar de Rijn is nog een te zware opgave voor onze bevrijders.

Maandag 25 september 1944.

Vanavond om ongeveer kwart voor zes zijn we vreselijk geschrokken. Vanuit de richting Sondel klonk een oorverdovend lawaai. Het leek wel of de wereld zou vergaan. Niemand kon vertellen wat er aan de hand was. Ik denk dat misschien het RADAR-station in Sondel gebombardeerd is, alhoewel ik hier geen enkel vliegtuig om deze tijd heb gehoord. Morgen zal ik wellicht aan de weet komen wat het geweest is.

Woensdag 27 september 1944.

Ik weet inmiddels wat voor lawaai we maandagavond hebben gehoord. Het is een nieuw Duits wapen, genaamd de V-2. De Duitsers schieten de V-2's af vanuit de bossen bij Rijs.

(De V2 was een ± 14 meter lange raket. De startmotor werkte op vloeibare zuurstof en alcohol. Na de start volgde het wapen een ballistische baan. Vanaf september 1944 werden in meer dan 3000 V2's gelanceerd naar doelen in Engeland en België. Meer dan de helft is op of nabij het doel neergekomen).

Zaterdag 7 oktober 1944.

Vader, Oom Pieter en ik zijn vandaag naar Gaasterland geweest om graan zoals tarwe en rogge en aardappelen op te scharrelen. We hebben als ruilmiddel zout, waar vele boeren groot gebrek aan hebben. Het zout heeft oom Pieter van 'De Rook', die nog een flinke voorraad van dit spul heeft liggen. Het zout was feitelijk bestemd om ansjovis in te leggen. Ansjovis wordt niet meer aangevoerd zodat het zout de eerste tijd toch geen doel meer heeft.

We klopten aan bij een boer in Oude Mirdum die wel graag wilde ruilen. De ruil werd dan ook vlot gesloten. We kregen zelfs nog een stuk schapenvlees. Bij de boer waar we mee ruilden rook het verrukkelijk naar gebakken aardappelen met spek. Toen mijn vader zei: "What rûkt it hjir lekker" vertelde de boer dat ze net gegeten hadden. Vader zei in strijd met de waarheid dat we sedert vanmorgen niets meer gegeten hadden. We hadden echter elk twee meegenomen boterhammen gehad. De boer zei toen dat er nog wat over was en dat wij, als we trek hadden, dat eten wel konden krijgen.

Aangezien de heerlijke geur ons hongerig had gemaakt, sloegen we dit aanbod niet af. We waren echter wel gemeen, want toen de boer het eten even later bracht zei oom Pieter die helemaal niet kerks is: "Lit us earst efkes bidde". De boer zette zijn pet af en toen wij aan het smullen waren van de gebakken aardappelen, gebakken uien en spekvet, ging hij weg om even later terug te komen met voor ieder van ons een lekkere gebakken karbonade. Zou het door het bidden van oom Pieter zijn gekomen?

Op de terugweg hebben we nog wat hout op de handkar geladen. Waarschijnlijk was het klompenhout dat door het hoge water naar de Sondelerdijk was gespoeld. Ter hoogte van het bruggetje op de Sondelerdijk bij de Leijen, werden we aangehouden door de Grüne Polizei.
Het geboefte vroeg het eerst naar mijn PB. Toen dit in orde was vroegen ze wat er in de handkar lag. Ik vertelde de Grünen in mijn beste Duits dat we hout hadden gezocht en een beetje tarwe en rogge hadden vergaard. Ze waren zeker tevreden met mijn antwoord want er werden geen verdere vragen gesteld en we konden onze weg naar Lemmer vervolgen.

Woensdag 11 oktober 1944.

Sedert 25 september j.1.heb ik zeker 25 V-2's horen afschieten.
Als een V-2 wordt afgeschoten kun je overdag duidelijk een condens- of rooksliert waarnemen zoals je die ook ziet bij hoog overvliegende vliegtuigen. Bij de V-2 gaat de condensstreep echter vanaf de grond vertikaal omhoog. Als er Engelse of Amerikaanse jachtvliegtuigen in de buurt zijn als er een V-2 wordt afgeschoten, duiken de jachtvliegtuigen er als roofvogels op af. Voor zover ik weet is het de Jabo's nog nooit gelukt de Duitsers in het Rijsterbos te snappen.

Vanavond toen ik terugkwam van melk halen bij boer Bergsma even voorbij het tweede brugje, werd er weer een V-2 afgeschoten. Het was duidelijk zichtbaar tegen de heldere lucht in het Westen. Ik kon de condensstreep heel goed volgen. De V-2 ging door de wolkenbank die die richting uit hing omhoog. Toen het monster een eind boven de wolken was, keerde het plots terug richting aarde. Kennelijk was er iets mis gegaan. Even later hoorde ik een doffe knal. Waar de V-2 terecht gekomen is weet ik niet, maar hopelijk niet in de buurt van onze eigen Gaasterlanders.

Zaterdag 28 oktober 1944.

Met vader, oom Leeuwke en Marten de Huizer, ben ik vandaag naar Gaasterland geweest om eten en vooral om tabaksbladeren. Zoals gewoonlijk hadden we zout bij ons als ruilmiddel. De opbrengst was redelijk en vooral oom Leeuwke en Marten de Huizer, die liever een pruimpje achter de wang hebben dan dat ze een sigaar of sigaret roken, waren erg in hun nopjes met de mooie droge tabaksbladeren.

Op de terugweg haalden we bij Tacozijl drie meisjes in. Nadat we ze aangesproken hadden, kwamen we aan de weet dat ze uit Amsterdam kwamen. Ze waren met de Jan Nieveen naar Lemmer gekomen en via Follega, Spannenburg en Wijckel naar Balk geweest om te proberen eten op te halen. Ze hadden geluk gehad en heel wat eten bijeen vergaard. Wij boden ze aan om de nogal zware tassen te dragen. Ze vertelden dat ze de eerste nacht na aankomst in Lemmer bij de familie IJkema, die vlak bij de brug in Follega wonen, hadden geslapen.

Follega-brug.

 

In Balk hadden ze geslapen bij een Agent Wagenaar. Bij slager Sonsma ook in Balk hadden ze tegen normale prijzen heel wat vlees kunnen kopen. Ze hoopten vandaag nog met de boot terug naar Amsterdam te kunnen. Ook vertelden ze ons na een tijdje dat ze eerst wel bang waren geweest toen er vier van die grote kerels achter hen aankwamen. In Lemmer aangekomen bleek de boot niet voor passagiers te varen. Omdat het inmiddels begon te schemeren heeft vader ze bij boer de Jong ondergebracht.

Zondag 29 oktober 1944.

Moeder heeft de drie meisjes die vader gisteravond naar boer de Jong heeft gebracht, door mijn zuster Aaltje op laten halen om bij ons koffie (surrogaat uiteraard) te drinken en ook om te eten. De meisjes, er waren twee Geertjes en één Nellie, vertelden dat ze bij boer de Jong in het hooi hadden geslapen. Ze hadden het zonder dekens verschrikkelijk koud gehad. Als ontbijt hadden ze een kannetje koude melk gekregen. Ze konden zich bij ons weer opwarmen en nadat ze een beker warme melk en een paar boterhammen hadden gehad, voelden ze zich weer een stuk beter.

Het oudste meisje, een Geertje, vertelde dat ze vandaag jarig was. Ze was 17 jaar geworden.
's-Avonds konden ze weer niet met de boot, omdat die door de Duitsers gevorderd was voor aardappelrooiers. Vader en moeder hebben toen een andere oplossing gezocht. Het oudste meisje (ze heet Geertje Boon) blijft bij ons slapen. De andere Geertje (Herrebout) slaapt bij ome Jan en tante Albertje, terwijl Nellie (v-d Bunt) bij tante Anna kan slapen.
Sedert vrijdag 20 oktober j.l. heb ik geen V-2's meer gehoord of gezien. Sedert het afschieten van de eerste V-2's op 25 september, heb ik minstens 45 van die monsters genoteerd.

Vrijdag 10 november 1944.

Geregeld haal ik melk bij boer Hoekstra. Hoekstra woont samen met een broer en zuster vlak tegen het Tjeukemeer aan, halfweg Follega en Doniaga. Om bij de boerderij te komen moet ik over een lange reed dwars door het land fietsen.

Onder normale omstandigheden is dat geen enkel bezwaar maar nu het weiland onder water staat wordt het steeds moeilijker om bij de boerderij te komen. Alleen de weg Follega-Doniaga-St. Nicolaasga, is droog maar verder is het water, zo ver het oog reikt. Zo ook de reed naar de boerderij. Er staat minstens 20 centimeter water op. Tot nu toe ben ik steeds droog door het water naar de boerderij gefietst.
Op de heenweg richt ik me dan op de linkervoorkant van de deel en op de terugweg houd ik het hek aan de weg Doniaga-Follega als richtpunt aan.

Vandaag had ik pech. Ik kwam met mijn voorwiel tegen de rails van het karrespoor waarlangs Hoekstra de melkbussen aan de weg brengt, terecht. Ik viel prompt en was gelijk kletsnat. Geluk bij een ongeluk was dat ik op weg was naar de boerderij en dus nog geen volle melkflessen bij met had. Bij de kachel op de boerderij heb ik mijn kleren enigszins kunnen drogen en ben een uurtje later weer goed over de reed naar de grote weg gereden.

Tjeukemeer.

Zaterdag 11 november 1944

Rond het middaguur vlogen er minstens 24 Typhoons over Lemmer van Zuid naar Noord. Het afweergeschut deed zijn uiterste best maar raakte gelukkig niets.
Op de scheepshelling van de Boer lag een Duits schip ter reparatie. Het schip had ook afweergeschut waar de knakkers van die boot ook mee gingen schieten.
Ze stopten vrijwel direct, omdat de boot die met houtblokken op de hellingwagentjes was gestut, aanmerkelijk begon te schudden. Van achter ons huis had ik een goede kijk op de Duitse boot die op de helling stond. Even later hoorde ik in noordelijke richting hevige ontploffingen. Ik denk dat de Jabo's (Typhoons zijn ook jachtbommenwerpers) ergens iets ten noorden van ons gebombardeerd hebben.

Zondag 12 november 1944.

Vandaag heb ik gehoord dat één van de Typhoons toch pech heeft gehad en in de buurt van Follega is neergekomen. Zouden de moffen van het luchtdoelgeschut bij Lemmer dan toch een slachtoffer hebben gemaakt? Ik ben ook aan de weet gekomen wat onze geallieerde vrienden gisteren hebben gebombardeerd. Ze hebben een aanval gedaan op de sluizen bij Terhorne. De moffen kunnen voorlopig geen gebruik van de sluizen maken.

Vrijdag 17 november 1944

Vanmorgen om 10 uur stonden Jan Tenk, Willem Gaasbeek en ik onder de hoek te kijken naar een 10-tal SS-ers die bij de brug naar de Schans twee zware mitrailleurs in stelling hadden gebracht. Toen we daar een tijdje stonden te kijken kwam Jan Grolleman, zoon van de chef van het tramstation bij ons staan. Jan Grolleman, wiens vader een bekende NSB-er is, vroeg ons wat er aan de hand was. Wij wisten het ook niet, maar Jan Tenk vertelde hem een mooi gefantaseerd verhaal. Jan zei: 'Weet je dat nog niet? Er zijn tussen Vollenhove en Kuinre duizenden Engelse en Amerikaanse parachutisten geland en die rukken nu op in de richting Lemmer. Wij staan hier al een tijdje te wachten'. Jan schrok behoorlijk en zette het op een lopen naar huis. Wij hebben hem die ochtend niet meer teruggezien.

Onder de Hoek -brug naar de Schans.

Woensdag 22 november 1944.

Vandaag waren er weer hoopjes Engelse/Amerikaanse jachtvliegtuigen in de buurt. Een sleepboot of coaster die even voorbij het stoomgemaal aan de grond zit werd voor de zoveelste keer beschoten en doorzeefd. Ook een boot op de Brekken hebben ze te pakken genomen.

Zaterdag 25 november 1944.

Vanmiddag zijn we met de roeiboot van Jilling Kingma zijn vader naar de Spitfire geweest die op 29 augustus j.l. is neergekomen achter de N.O.P.-dijk ter hoogte van de 4 Km. Toen we van huis gingen was het prachtig weer. Tevens gingen we hout zoeken langs de N.O.P. -dijk. Aangekomen op de plaats waar de Spitfire was uitgebrand, zagen we dat er niet veel van waarde voor ons was achter gebleven. De Duitsers hadden de boel grondig opgeruimd. We konden nog wel zien dat het een flinke brand moet zijn geweest.

Alles wat we vonden waren een paar stukjes aluminium, een paar bruikbare stukjes plexiglas van 10 mm dik en 20 mitrailleurkogels van 20 mm. Nadat we het plexiglas en de kogels in de roeiboot hadden gelegd, gingen we langs de dijk hout zoeken. Met het bijeenvergaarde hout bedekten we de andere gevonden buit. Hierna begonnen we aan de terugtocht naar Lemmer. Toen we een poosje op een afstand van ca. 200 meter langs de dijk hadden geroeid, kwam als uit het niets een dikke mist opzetten, die ons als een grote deken toedekte. Mist op water betekent dat je alle gevoel voor richting kwijtraakt omdat er geen enkel oriëntatiepunt overblijft.

Uiteraard wisten we dat we alleen als we in westelijke richting zouden roeien, we helemaal fout zouden zijn. Aangezien de wind de hele middag al oostelijk was geweest, roeiden we op hoop van zegen tegen de loop van de kleine golfjes in, omdat dat richting Lemsterhaven moest zijn. Toen we ongeveer een half uurtje geroeid hadden en het inmiddels ook al wat ging schemeren, hoorden we het geluid van een zware motor nader komen. Wij vermoeden dat er een boot in de buurt was en begonnen uit alle macht te roepen: "Ahoy, ahoy". Ons geschreeuw werd gelukkig opgemerkt en we hoorden het ritme van de zware motor wijzigen.

Plots dook een grote grijze Duitse marineboot uit de mist voor ons op. Toen ze aan boord ons zagen, werd de motor helemaal op langzaam gezet en konden wij naar de boot toe roeien. Er werd ons een touw toegeworpen en toen onze roeiboot achter de marineboot was vastgemaakt, werden we één voor één aan boord gehesen. Ze vroegen ons wat wij hier op zee deden (was macht ihr hier aufs Mehr?).

We vertelden dat we langs de dijk kachelhout voor onze ouders hadden gezocht en dat we toen we naar huis terug roeiden door de mist überascht worden waren. Ze zeiden: "Ihr Jungs haben glück gehabt, das wir gerade vorbei kamen". Ze vroegen of één van ons hier goed bekend was en tevens kompas kon lezen. De Duitsers voeren voor de eerste keer van Amsterdam naar Lemmer en hadden geen loods aan boord. Jilling Kingma, die af en toe wel eens met zijn vader gaat vissen en daardoor wel iets van kompas lezen afweet en bovendien de vaarroute goed kent, bood aan om als een amateur loods op te treden.

Helaas heeft Jilling de afstand naar de haven verkeerd ingeschat want voor iemand er erg in had, zat de boot vast in de modder voor de strekdam die vanaf de N.O. P. dijk tegenover de Westdam (de dam met de vuurtoren) het water in steekt. Door op volle kracht achteruit te geven, kwam de boot weer vrij. Pas toen zagen we wat een ravage Jilling veroorzaakt had. Achter ons kwamen nog veel meer boten opzetten. Een geluk dat er, althans niet in onze buurt, geen aanvaringen waren.

Door de mist hadden wij nooit gezien dat we de voorste boot van een heel konvooi schepen waren. Gelukkig werden de Duitsers niet kwaad. Toen de boot na veel geharrewar eindelijk in de buitenhaven van Lemmer lag afgemeerd, kregen we nog wat extra hout van de matrozen mee. Onze ouders stonden op de haven ongerust op ons te wachten maar waren overgelukkig dat alles zo goed was afgelopen.

IJsselmeer.

Donderdag 14 december 1944.

Vanmorgen riep moeder me al vroeg het bed uit want de Amsterdamse meisjes waren er weer. De twee Geertjes en Nellie, die we eind oktober onderweg van Sondel naar Lemmer hadden ontmoet en waarvan het oudste meisje een nachtje bij ons geslapen had. Ze gingen weer naar Gaasterland om te proberen wat eetbaars voor de Kerstdagen op te scharrelen. De voedselsituatie in Amsterdam is heel slecht. Het is te hopen dat de meisjes wat bij elkaar kunnen krijgen. Voor ze weer naar Amsterdam terug gaan, zullen ze weer langs komen.

Vrijdag 22 december 1944

Sedert ongeveer een half jaar zijn Cor, Jan, Willem en ik stropers. Op diverse plaatsten in de Wiele en in de weilanden achter de tramdijk, hebben we strikken staan waar we af en toe een haas in vangen. Wij verkopen die (het zijn er tot nu toe nog maar drie geweest) voor f 20,00 aan vader; de man vijf gulden. Vader weet weer een adresje waar hij voor een haas een halve liter zelf gestookte jenever kan krijgen. De jenever ruilt hij dan weer voor vlees bij iemand aan de Straatweg, die graag een borrel lust en af en toe clandestien een varken of een pink slacht. Op deze wijze houden wij redelijk goed eten op tafel, want van het loon dat vader verdient kunnen we ons niet veroorloven iets op de zwarte markt te kopen.

Nu het tamelijk wintert en er veel sneeuw ligt, gaan Cor, Jan, Willem en ik om de beurt op controle langs de strikken. Vandaag was het mijn beurt om dit klusje op te knappen. Het was bitter koud en er hing een dikke wintermist met een zicht van minder dan 100 meter. Toen ik in de Wiele klaar was, toog ik op naar de tramdijk om de strikken in de weilanden achter de tramdijk te controleren.

Terwijl ik op de tramdijk afliep, zag ik plots een patrouille van 3 Grünen met een Doberman Pincher op de tramdijk uit de mist opduiken. Ik schrok me rot maar gelukkig zag ik ze in de rug zodat zij mij niet zagen. Het was bladstil wat de wind betreft, zodat ook de hond mijn lucht niet kreeg. Ze liepen richting Lemmer. Veel tijd om na te denken over wat die heren op de tramdijk uitspookten om 10 uur in de morgen had ik niet en ik keerde onmiddellijk op mijn schreden terug door het dikke pak sneeuw dat er lag. Toen ik ze door de dikke mist niet meer kon zien en zij mij dus ook niet, liep ik zo hard als ik kon richting Straatweg, de strikken achter de tramdijk voor vandaag maar ongecontroleerd achter latend. Af en toe keek ik even om of ze me toch niet achterna kwamen.

De stijf bevroren haas die ik in één van de strikken in de Wiele had gevonden had ik over de schouder gehangen. Ik stak voorzichtig de Straatweg over en liep door de weilanden naar de Rien. Langs de bevroren Rien liep ik in de richting van de Lemmer. Ter hoogte van het 1e brugje in de Straatweg wat ik kon bepalen door de bredere sloot die loopt van de Straatweg naar de poldersloot langs de Rien, liep ik weer terug naar de Straatweg en bereikte die bij het oude Kerkhof.

Achter de boerderij van de Jong en het oude varkenshok van v/d Bijl langs, bereikte ik veilig ons huis. Als de Grünen me hadden gezien was ik zelf het haasje geweest. De Duitsers hebben een grote hekel aan stropen, alhoewel ik al een paar maal heb gezien dat ze zelf op jacht waren en natuurlijk zonder jachtakte of vergunning van de landeigenaar. Als ze me gesnapt hadden, had ik vast tankgrachten moeten graven in Drente.

De vriendengroep van Wiebe, 1947: Boven van links naar rechts, Willem Gaasbeek, Cornelis Kossen en Gerrit Schaaf. Onder van links naar rechts, Willem de Jong, Jan Visser en Wiebe Feenstra.

 

 

Straatweg, in de eerste woning woont de voormalige veearts Luitjens en een 100 m. hiervoor bevind zich het z.g. 1e bruggetje naast ingang kerkhof.

"Via de sloot die onder het bruggetje doorloopt bereikte ik wederom de Straatweg"

Zaterdag 23 december 1944.

Vader heeft sedert een paar maanden een nieuwe gewoonte, waar moeder niet al te gelukkig mee is. Alvorens uit te leggen wat deze gewoonte inhoudt eerst wat anders. In de centrale bakkerij, waar niet zo veel meer gebakken wordt, is een zogenaamde gaarkeuken gevestigd. In deze gaarkeuken kan de bevolking van Lemmer tegen inlevering van speciale bonnen een warme maaltijd van redelijk goede kwaliteit verkrijgen. De maaltijd bestaat gewoonlijk uit stamppot gemaakt van aardappelen met koolraap of wortelen of rode- en wittekool enz.

Er zit steeds behoorlijk vlees in de maaltijden verwerkt. Het vlees is afkomstig van noodslachtingen.
Er zijn in onze omgeving nog nooit zoveel paarden, koeien en schapen geweest die een poot hebben gebroken of een ander ongemak opgelopen hebben, waardoor ze afgemaakt moeten worden. In ieder geval blijft op deze wijze veel vlees uit de klauwen van de bezetter en komt ten goede aan de Lemster bevolking en ook wel aan stakkers, die door de honger gedreven met de boot van Amsterdam naar Lemmer komen om in Friesland wat eten te vergaren.

Nu de nieuwe gewoonte van vader. Omdat wij er geregeld op uit gaan om etenswaar op te scharrelen maken wij lang niet altijd gebruik van het eten uit de gaarkeuken.
We gebruiken daarom lang niet alle bonnen die we ter beschikking hebben. Als vader nacht- of late dienst heeft, gaat hij 's-morgens vroeg naar de aankomst van de boot uit Amsterdam.

Hij zoekt daar dan naar personen die er volgens vader het belabberdst uitzien. Degene die hij de meest zielige vindt neemt hij mee naar huis voor een gaarkeukenmaaltijd van de vorige dag die moeder natuurlijk eerst weer op de kachel opwarmt. Moeder kan de gewoonte van vader niet altijd waarderen, want soms zijn er stakkers bij, die volgens moeder althans, onder de luizen zitten of schurft hebben. Vader trekt zich echter niets van moeders klachten aan en blijft thuis komen met wat hij noemt de stumper van de dag.

Eerste Kerstdag 25 december 1944.

Vorige week donderdag is vader na zijn nachtdienst, 's-morgens vroeg op de fiets met massieve banden naar Gaasterland gereden. Het was geen gemakkelijke rit voor vader want het vroor dat het kraakte en het sneeuwde behoorlijk. Hij heeft in de bossen van Gaasterland op illegale wijze een sparreboompje weten te bemachtigen en dit achter op de fiets mee naar huis genomen. Van een oude hoepel en de onderste takken van het sparreboompje, hebben mijn zus en ik een kerstkrans gemaakt. Ter versiering hadden we hier en daar om de kerstkrans strikken gebonden, gemaakt van rood crêpepapier overgebleven uit betere tijden. De kerstkrans hebben we opgehangen aan een balk tegen het plafond.

Tussen onze kerstversierselen vonden we nog een stuk of wat half afgebrande kerstkaarsjes. Met de kerstversierselen en de kaarsstompjes hebben we van het sparreboompje een redelijk lijkend kerstboompje gemaakt. Ondanks de ellende die alom heerst, hebben wij bij ons thuis toch een gezellige sfeer weten te scheppen, waardoor de vijfde oorlogskerst nu voor onze familie niet zo triest leek, als het in werkelijkheid is.

Oudejaarsavond 31 december 1944.

Oorlogsjaar nummer vijf loopt ten einde. Het is buiten bitter koud. In het Westen van ons land wordt vreselijke honger geleden. Hier in Friesland kunnen de mensen zich aardig redden. Degenen die er zelf niet op uit kunnen gaan, worden wel geholpen door familie of buren. Het brood dat nog op de bon te krijgen is, is maar weinig en nauwelijks te eten. Het zijn net stukken zachte klei. Wij hebben van een oude theetrommel een bakoventje gemaakt dat op de kachel kan staan.
Moeder bakt regelmatig een heerlijk tarwebrood van tarwemeel en zuurdesem.
Het tarwemeel maken we zelf door tarwe te malen in een grote ouderwetse koffiemolen. De koffiemolen komt uit het winkeltje van Scheffer in de Schans.

Na de oorlog moeten we de molen weer teruggeven. Het brood waar alle zemelen nog inzitten, smaakt ons als de fijnste cake. Vader heeft vandaag zelfs oliebollen kunnen bakken. Hij had van Bartele Kelderhuis, via de laatste door ons gestrikte haas (haas geruild voor jenever, jenever geruild voor olie) een liter raapolie op de kop getikt. Als vulling zaten er stukjes appel in. De appels hadden we deze herfst geruild voor zout bij een boer in Gaasterland. De oliebollen smaakten heerlijk zolang ze nog warm waren. Zodra ze afkoelden waren ze niet meer te genieten. De olie was vast vermengd met paraffineolie en dat vormde een vreemd wit glanzend laagje op de oliebollen zodra deze iets waren afgekoeld.
We hebben dus alleen warme oliebollen kunnen eten.

Mijn moeder heeft waarschijnlijk wel gelijk gehad als ze beweerde dat sommige van vaders eetgasten schurft hadden, want onze hele familie heeft het ook gehad. Het jeukte verschrikkelijk in alle huidplooien op je lichaam. Met een soort zwavelpoeder dat we van dokter Olivier hebben gehad, waren we er met een dag of tien weer af.
Moeder heeft het niemand durven vertellen want zij schaamde zich verschrikkelijk.
Zij kon het toch ook niet helpen. Ze moet de was uitkoken op de kachel en heeft alleen maar soda.

Aan de fronten gaat het bijzonder goed. Het zuiden van ons land is geheel bevrijd.
Het Duitse Ardennenoffensief is op niets uitgelopen. De Russen en de Amerikanen staan respectievelijk aan de Oost- en Westgrens van het derde rijk. Het jaar 1945 zal zeker het einde betekenen voor het in 1939 zo machtige Duitsland. In het weiland langs het weggetje naar het voetbalveld, staan nog steeds dreigend de twee borden met een doodskop en de woorden "Achtung Minen" erop. Ons dorp kan met de aanstaande bevrijding nog wel het één en ander verwachten; maar komt tijd komt raad.

Dinsdag 9 januari 1945.

Vannacht is op het IJsselmeer iets verschrikkelijks gebeurd. De Groningen IV, afgeladen met mensen en vracht is onderweg van Lemmer naar Amsterdam gezonken. De Jan Nieveen die gelukkig in de buurt was heeft veel mensen kunnen redden. Helaas zijn ook opvarenden verdronken en in de kajuit zaten ook nog mensen opgesloten die niet meer gered konden worden.

Zaterdag 13 januari 1945.

Vader is vandaag naar de Echtenerpolder geweest, om te proberen voor zout wat boter en kaas te ruilen. Ergens in de omgeving van de Bandsloot kwam hij bij een boer die wel wilde ruilen want hij had het zout bitter hard nodig voor een geslacht varken. Toen vader blij met de goede ruil wilde vertrekken, vroeg de boer aan vader of hij voor een flink stuk spek wel een boodschap wilde doen. Voor een stuk spek had vader heel wat over. De boodschap was twee gerookte hammen afleveren bij Wiero Sterk in Lemmer.

Vader kent Wiero toevallig vrij goed, zodat hij, ondanks het risico onderweg te worden aangehouden met twee gerookte hammen en dan voor zwarthandelaar te worden aangezien, het aanbod toch maar aannam. Toen hij veilig en wel bij Wiero aan de deur kwam om de hammen af te leveren, zei Wiero nergens van af te weten en dat hij ook niets met de hammen te maken wilde hebben. Goede raad was duur. Vader wist niet meer waar de hammen boer precies woonde en ook zag hij op tegen het risico om weer met twee gerookte hammen op pad te gaan. Vader heeft dan ook maar besloten het lot niet te tarten en de hammen als een gift van hogerhand voor ons zelf en nog enige familieleden te houden.

Echtenerbrug.

Zondag 18 februari 1945.

We kregen vandaag bezoek van Geertje Boon, het meisje uit Amsterdam dat vorig jaar oktober bij ons geslapen heeft. Ze is op een fiets zonder banden via de afsluitdijk van Amsterdam naar Follega gegaan, waar ze nu bij boer Hettinga werkt. IJkema die naast de Follegabrug woont, heeft dit allemaal voor haar geregeld. Het was in Amsterdam niet langer uit te houden. Haar ouders hebben nu wat extra bonnen want die hoefde ze niet mee te nemen. Ze heeft beloofd, dat als ze zondags vrijheeft, nog wel vaker bij ons zal komen. Ik vind het een heel aardig meisje.

Zaterdag 17 maart 1945.

Vlak bij boer Hoekstra in Doniaga, waar wij twee maal per week melk halen, zijn vandaag twee matrozen van de Wasserschutzpolizei door de ondergrondse doodgeschoten. Hoe en wat er precies gebeurd is weet ik niet, maar er zullen wel de nodige represailles op volgen.

Zondag 18 maart 1945

In Doniaga tussen Follega en St. Nicolaasga, zijn als represaille op het doodschieten van twee leden van de Wasserschutzpolizei uit Lemmer, 10 mensen doodgeschoten door de SD. De onschuldige slachtoffers moesten van de schoften 24 uur in de berm langs de weg blijven liggen. De boerderij waarop e.e.a. zich heeft afgespeeld is door de SD in brand gestoken. De boer en zijn gezin zijn gelukkig op tijd gevlucht.

17 maart 1945 - 10 man geëxecuteerd in Doniaga als represaille voor een toevallig vuurgevecht met leden van de N.B.S. waarbij 2 Duitse marinemensen gedood werden.

Jelle Boersma werd geboren op 17 februari 1910 in Oosterzee. Hij was veehouder in Katlijk. Zijn boerderij lag in de buurt van het afwerpterrein van geallieerde wapens en munitie in het Katlijker Schar. Boersma hoorde bij de ontvangstploeg, die na de dropping de wapens distribueerde. Verschillende containers gingen naar de Knokploeg Echtenerbrug, waar op 3 januari 1945 arrestaties volgden. Op 23 januari arresteerde de Sicherheitsdienst Boersma in Katlijk. De gevangenen werden naar Crackstate in Heerenveen gebracht, waar ze werden verhoord. Op 17 maart 1945 werd Boersma samen met negen andere gevangenen in Doniaga gefusilleerd. Hij werd begraven op de Algemene begraafplaats in Nieuwehorne.

Maandag 19 maart 1945.

Toen we vanmiddag rond vijf uur met z'n allen in de keuken een bakje surrogaat koffie zaten te drinken zei moeder ineens: "Stil eens even, ik hoor iemand in de kamer". Vader ging kijken maar kwam terug zonder iets of iemand gezien te hebben. Net zat vader weer bij ons aan tafel, toen we allemaal wat hoorden, weer ging vader kijken en kwam gelijk weer terug met een angstige vreemde man.

Deze man zei in gebrekkig Duits: "Ich Polak, ich habe angst für Deutsche". Mijn vader ging weer naar de kamer om door de vitrage de straat in te kijken. Daar zag hij een paar Grünen lopen met het geweer in de aanslag. Wat moesten we doen? De Pool verbergen onder de vloer in de kamer kon wel eens teveel tijd in beslag nemen, dus moest hij maar achter de huizen langs in de richting van de 2e Parkstraat geloodst worden. In het Duits vertelde ik de man hoe hij lopen moest en waar hij zich verschuilen kon, om aan de moffen te ontkomen. Door het weiland kon niet, omdat hij dan gezien kon worden door de Duitsers van het zoeklicht op het Roomse Kerkhof. Ik was nog maar net in huis terug toen de Grünen ons huis binnen stormden.

Op typisch Duitse wijze vroegen ze: "Wo ist der Polak?" Wij zeiden geen Polak gezien te hebben, maar ze geloofden ons blijkbaar niet, want ze doorzochten het hele huis. Ze keken echter niet onder het vloerkleed, waar het luik is om onder de vloer te komen, zodat, als we tijd genoeg hadden gehad om de Pool te verbergen, hij daar betrekkelijk veilig was geweest.
Bovendien kun je onder de vloer nog een heel eind weg komen omdat er poortjes zitten in de funderingen onder de huizen.

Nadat de Grünen ons huis grondig doorzocht hadden, gingen ze bij oom Pieter en tante Els naar binnen. Oom Pieter en tante Els wonen vlak naast ons en we delen hetzelfde portiekje, zodat je van de straat uit niet kunt zien waar iemand naar binnen is gegaan als hij het portiekje inloopt. Oom Pieter en tante Els wisten echter nog van niets en waren dan ook tamelijk overstuur toen die smeerlappen zo bij hen in huis te keer gingen. Toen ze ook bij oom Pieter en tante Els niets konden vinden, gingen ze door de steeg naast het huis van oom Pieter en tante Els achter de huizen zoeken. Gelukkig was de Pool toen al in geen velden of wegen meer te zien.

Ik geloof ook niet dat ze de Pool te pakken hebben gekregen want toen ik later in de parkjes tussen de 1e en de 2e Parkstraat op verkenning ging kon ik niets ontdekken. Waar de Pool gebleven is weet ik niet. Waarschijnlijk hebben andere mensen zich over hem ontfermd. Over dit soort dingen wordt verder weinig of niet gesproken.

Toen we kort na het voorval, het was inmiddels zes uur geworden weer rustig bij elkaar zaten, kwam een man aan de voordeur die zich voorstelde als Jan Boon, vader van Geertje Boon, die bij boer Hettinga werkt. Hij vertelde dat hij op de fiets van Amsterdam via Zwolle naar Follega was gekomen om te zien hoe het zijn dochter verging. Hij wilde tevens van de gelegenheid gebruik maken om ons te bedanken voor de opvang van zijn dochter. Helaas wist hij niet hoe hij weer terug naar Amsterdam moest omdat de IJsselbrug bij Zwolle, naar hij gehoord had, afgesloten was voor alle mannelijke personen boven de zestien jaar die niet in het bezit waren van een speciale ausweis.

Mijnheer Boon vertelde ook dat hij gezien had dat in de straat voor de Parkstraat, hij bedoelde waarschijnlijk de Nieuwburen, een paar Duitsers op een man geschoten hadden die de Parkstraat invluchtte. Hij durfde daarom eerst niet verder te gaan. Het was vast en zeker de Pool die bij ons in huis gevlucht was geweest waar de Duitsers op geschoten hadden.

Onderstaande gegevens zijn versterkt op 19 maart 1945 door de Hr. J. Boon.

Rantsoen in Amsterdam. Per persoon voor zover verkrijgbaar !!

Per dag    
     
5 gram Olie
6 gram Groente
7 gram Kaas
57 gram Brood Roode Kruis
86 gram Brood
143 gram Aardappelen

 

Zwarte prijzen 1945  
   
Een fiets f 1000,-
Een radio f 700,-
Een paar schoenen f 200,-
Een pond boter f 140,-
Een pond vleesch f 35,-
Een liter melk f 10,-
Een kilo hout f 1,25
Een kilo aardappelen f 12,50
Bon voor een brood f 35,-
Engelsche en Amerkaanse sigaretten f 5,-
Inlandsche sigaretten f 2,50

Dinsdag 20 maart 1945.

Mijnheer Boon heeft vannacht bij ons geslapen en vader heeft vanmorgen een kaartje voor de Jan Nieveen weten te bemachtigen. De boot vertrekt vanavond nog naar Amsterdam. Mijnheer Boon heeft een zakje aardappelen, wat rogge en wat tarwe van ons gekregen, waar hij heel erg mee in zijn nopjes was. Van Ykema had hij ook al wat etenswaar meegekregen zodat als de moffen het onderweg niet afpakken ze bij de familie Boon weer een paar dagen verder kunnen leven. Als de fiets niet aan boord mag laat mijnheer boon hem hier achter. Uit de verhalen van mijnheer Boon hebben we begrepen dat de voedselsituatie in Amsterdam hopeloos is. Het is dus wel zeer belangrijk dat mijnheer Boon veilig en wel met zijn eten in Amsterdam thuis komt.

Zaterdag 24 maart 1945.

Er zit weer beweging in onze a.s. bevrijding. Engelse en Canadese troepen zijn iets ten zuid-oosten van Nijmegen de Rijn overgestoken, terwijl luchtlandingstroepen zijn geland aan de Noordelijke kant van de Rijn tussen Wesel en Bocholt, wat niet zo ver van de Nederlandse grens af is. Het is nu heel gevaarlijk langs de weg. Er zijn veel geallieerde vliegtuigen in de lucht. Om de Duitsers zo veel mogelijk te hinderen schieten ze op alles wat beweegt. Alleen een enkele voetganger kan zich nog een beetje redelijk langs de weg bewegen.

Ook de Straatweg Lemmer-Sneek, wordt door de vliegers goed in de gaten gehouden. Voor zover de Duitsers nog over een auto beschikken, hebben ze een soldaat op één van de voorspatborden zitten, die het luchtruim afzoekt naar Z.g. Tiefflieger. Zodra ze een vliegtuig zien of horen, laten ze de auto voor wat het is en duiken in dekkingsgaten langs de weg. Ook hebben de Duitsers voor de wielen van de auto's een bezempje vastgemaakt. Dit doen ze om lekke banden te voorkomen want de ondergrondse heeft her en der kraaienpoten uitgestrooid.

Woensdag 4 april 1945.

Geertje Boon, kwam uit Follega bij ons om te vragen of ik mee wilde gaan naar de Christelijke ULO-school. Iemand was haar bij de boer komen vertellen dat haar broertje Jan met nog meer kinderen uit Amsterdam, in de school waren ondergebracht in afwachting van verder vervoer, naar een gezin waar ze de rest van de oorlog mogen blijven. Toen we bij de school achter aan de Langestreek aankwamen, stond Jan al naar zijn zuster uit te kijken. Jan vertelde dat ze vier dagen vanwege het slechte weer (van Goede Vrijdag tot dinsdag na Pasen) in de Oranje Sluizen bij Amsterdam hadden gelegen voor de schepen naar Lemmer konden vertrekken. Vlak voor Lemmer doken er vliegtuigen op de schepen af.

De begeleiders en begeleidsters hadden wild met Rodekruis-vlaggen staan zwaaien waarop de vliegtuigen verdwenen zonder geschoten te hebben. Waar Jan uiteindelijk naar toe ging wist hij niet. Zodra hij ergens was ondergebracht zou hij zijn zuster schrijven. De Amsterdamse kinderen hadden de laatste twee dagen bijna niet meer te eten gehad, omdat het eten aan boord van de schepen op was.
Ze rammelden van de honger. Bij aankomst in de school te Lemmer hadden ze melk, pap en boterhammen gekregen zodat Jan nu geen honger meer had.

Uitdeling van melk door het Rode Kruis te Lemmer.

 

 

De oude Flevobrug met links de Langestreek, het grote gebouw achter de vier personen was de Chr. MULO. Het Lemster Skûtsje ligt afgemeerd bij K. Gaastra en de bakkerswinkel van Breimer.

 

Vrijdag 6 april 1945.

Voorlopig hebben wij een logé bij ons thuis. Geertje Boon, die tot nu toe bij boer Hettinga in Follega werkte, kon het daar niet langer uithouden. Boer Hettinga is een aardige vriendelijke man, maar zijn vrouw is anders en daar heeft Geertje het meest mee te maken.
Geertje had een brief die ze aan haar ouders aan het schrijven was open op tafel laten liggen en toen Geertje nadat ze even de kamer verlaten had terugkwam zat de boerin haar brief te lezen. Hierdoor had ze ruzie met de boerin gekregen en nu wilde Geertje proberen om met een Duitse boot van Lemmer naar Amsterdam te komen.

Bij de Hettinga's komt af en toe een vrouw uit Amsterdam die tegen Geertje had gezegd, dat zij dit wel voor Geertje kon regelen. Geertje kwam daarom afscheid nemen. Mijn moeder wilde beslist niet hebben dat een meisje van 17 jaar alleen met een stel moffen op een boot naar Amsterdam voer.

Moeder besloot daarom dat Geertje tot het einde van de oorlog bij ons moest blijven. Heel lang kon de oorlog toch niet meer duren en waar eten was voor vier konden vijf het ook wel redden. Moeder gaf mijn zuster opdracht om samen met Geert je diens spullen bij boer Hettinga op te halen en aldus geschiedde.

Dinsdag 10 april 1945

Het valt op dat de laatste tijd veel Duitse militairen vanuit de richtingen Sneek, Heerenveen en Kuinre door Lemmer naar Sondel trekken. Het is geen ordelijke doortocht. Het lijkt meer op een wanordelijke vlucht. In plaats van met auto' s en paarden zoals ze in 1940 ons dorp binnen kwamen, komen de Duitsers nu op oude fietsen, met boerenkarren en ook wel te voet met handkarretjes. De boerenkarren die ze natuurlijk ergens gestolen hebben, zijn afgeladen met allerlei spullen. Kazen, tonnetjes boter enz.

Ik heb ook een kar gezien met een varken erop en ééntje met een koe er achter gebonden. Ook de spullen zijn natuurlijk bij boeren enz. gestolen. Zou het eens zo machtige Duitse leger voorgoed de aftocht blazen? Maar waar gaan ze dan heen? Sondel is nu niet direct richting Heimat. Er gaan geruchten dat in het oosten van Friesland parachutisten zijn geland en dat zou wel eens een reden voor de Duitsers kunnen zijn om een omweg te maken. Of dat van die parachutisten waar is weet ik niet.

Vrijdag 13 april 1945.

Honderden, misschien wel duizenden Duitsers trekken door Lemmer. Wat een verschil met de militairen van het Duitse leger dat ons hier op 11 mei 1940, nu bijna 5 jaar geleden zijn schijnbare onoverwinnelijkheid toonde. Rondom Lemmer worden bruggen door de Duitsers opgeblazen. De brug bij Follega is nog intact.

Zaterdag 14 april 1945.

Vader en ik waren vanmiddag op ons volkstuintje langs de Plattedijk bezig met voorjaarswerkzaamheden, toen oom Pieter opgewonden bij ons kwam met de mededeling dat we direct thuis moesten komen. De Engelsen waren al bij Schoterzijl en daar in gevecht met de Duitsers. Wolvega was al bevrijd en ook zouden de Engelsen al in Heerenveen zijn. We konden het nauwelijks geloven, maar waren zeer verheugd en gingen vlug met oom Pieter mee terug naar de Parkstraat.

Zondag 't 5 april 1945.

Toen Cor Kossen, Jan Tenk en ik vanmiddag een wandelingetje over het nieuwe kerkhof maakten, hoorden we in de richting St. Nicolaasga-Spannenbrug, het gedreun van zware motoren. Wij vermoedden dat het tanks waren van onze a.s. bevrijders. Het was een geluid dat ik nog nooit eerder heb gehoord. Wij raakten er alle drie opgewonden van. Naar verluidt wordt er op drie verschillende plaatsen rond Lemmer gevochten. Ergens tussen Sneek, wat dus waarschijnlijk ook al bevrijd is en Spannenburg; tussen Joure, dus vast al bevrijd en St. Nicolaasga en bij Schoterzijl. We hoorden vandaag af en toe het geluid van ontploffingen.

Dat kan natuurlijk van alles zijn. De Duitsers zijn nog steeds bezig bruggen op te blazen, zodat het ontploffende granaten kunnen zijn en explosies van het opblazen der bruggen. Onze bevrijding zal wel niet lang meer op zich laten wachten. Je voelt de bevrijding in de lucht hangen en er heerst een gespannen sfeer. Terug in het dorp, zagen we de resten van het Herrenvolk. De Parkstraat staat vol met allerlei boerenkarretjes. Nee, het leger van dit Herrenvolk kan onze bevrijding niet meer tegenhouden daar zijn we wel van overtuigd.

Rond zes uur vanavond kwam een oude Duitser bij ons aan de achterdeur. Ik schatte zijn leeftijd op ongeveer 65 jaar. Hij vroeg of wij iets voor hem te drinken hadden. Hij zei dat hij de hele dag nog niets te eten en te drinken had gehad. De oude Duitser droeg een uniformjasje, een donkere burgerbroek en militaire laarzen. Moeder had medelijden met hem en vroeg of hij binnen wilde komen, dan zou ze wat aardappelen voor hem opbakken. Ze gaf hem alvast een beker melk.

Binnen vertelde de man dat hij drie weken geleden nog in een fabriek in Duitsland werkte, maar dat hij daar uit was gehaald en dat ze hem zum zweiten mal ins Militär gezogen hatten (voor de tweede keer dat het leger zich had teruggetrokken). Hij was erg bang en wist niet waar hij heen ging. Eén ding wist hij wel, "Der krieg ist bald zu ende, die Tommy ist ganz nahe, etwa 10 bis 15 kilometer von hier" (De oorlog zal snel een einde te naderen, die Tommy is heel dichtbij, ongeveer 10 tot 15 km van hier). Eerst had ik de pest in dat moeder een rot mof te eten en te drinken gaf, maar nadat de oude baas verteld had dat onze bevrijders zo dichtbij waren, vond ik de hulp aan onze vijand niet meer zo erg.

Maandag 16 april 1945

Lemmer zit vol met Duitse militairen en er zijn ook Nederlandse SS' ers bij. In onze straat staan boerenwagens; op sommige plaatsen wel twee naast elkaar. Je kunt er haast niet langs komen. Vanmiddag om een uur of vier ben ik langs de tramdijk melk gaan halen bij boer Bergsma, die vanwege het mooie weer zijn koeien al in de weide achter de Wiele heeft. Mijn vaders zuster, tante Afke was ook bij boer Bergsma om melk te halen. Toen onze flessen gevuld waren, liepen we samen over de tramdijk weer terug naar de Lemmer. Onder het lopen hoorden we in de richting Follega onophoudelijk gedreun van ontploffingen. Dit gedreun was al vroeg in de middag begonnen, werd ons door andere melkhalers verteld. Het gedreun kon nog steeds van alles zijn. Het door de Duitsers opblazen van bruggen enz., maar volgens mij zijn het ontploffende granaten.

Vanmorgen hoorde ik nog vertellen dat er bij de Wellebrug in de Straatweg Lemmer-Sneek ter hoogte van Woudsend sedert gister hevig gevochten wordt. Ook zou er gevochten worden om de brug over de Scharsterrien in het plaatsje Scharsterbrug. Alles wijst er dus op dat onze bevrijders richting Lemmer trekken, maar ook dat de moffen zich nog niet direct gewonnen geven. Tante Afke werd bang van de ontploffingen in de verte en wilde ondanks dat ze al tegen de zestig loopt, wat sneller opschieten om thuis te komen. Thuis gekomen hoorde ik van vader dat er ook weer bij Schoterzijl gevochten is en dat daar iemand van de ondergrondse is gesneuveld.

Om half zes' s-avonds werd er hard bij ons op de deur gebonsd. Vader deed open en gelijk werd hem door een jonge mof toegesnauwd: "Er soll soford das Pferd besser einspannen". Vader die nog nimmer een paard voor de wagen heeft gespannen, zat wat met de riemen te prutsen en bond alles maar zo goed mogelijk vast. Wij hoopten dat vader het maar goed deed, want als het mis zou gaan kon die jonge mof ons wel van sabotage beschuldigen en men weet maar nooit wat een kat (mof) in het nauw zou doen. We gluurden door de vitrage en waren behoorlijk opgelucht toen de mof even later met paard en wagen richting 2e Parkstraat verdween.

Vader heeft vandaag planken op de keldervloer gelegd, want hij denkt dat de strijd om Lemmer vannacht of anders morgen overdag gaat beginnen. We hebben afgesproken dat mocht het vannacht beginnen, we een paar matrassen op de planken zullen leggen, zodat we dan toch nog een beetje comfortabel kunnen liggen of zitten.

Omdat we geen licht meer hebben gingen we zoals we de laatste tijd wel meer hebben gedaan, maar vroeg onder de wol. We lagen nog maar net in bed, het was ongeveer 9 uur, toen we een gierend geluid hoorden, gevolgd door een paar scherpe knallen. Ons huis trilde weer eens op zijn grondvesten. Mijn moeder en mijn zuster vlogen naar beneden. Vader, Geertje en ik volgden op een wat rustiger wijze. Beneden gekomen liepen vader en ik even naar buiten om te zien wat er loos was. Onze straat was volkomen leeg en we hoorden wel verderop de kant van de Nieuwburen uit geschreeuw van Duitsers. Aangezien er geen vliegtuigen in de lucht waren en ik ook eerder op de avond geen vliegtuigen had gehoord, kwam ik met vader tot de conclusie dat er een paar granaten op Lemmer waren afgevuurd.

De Polderdijk, in het tweede gebouw was gevestigd zeilmakerij M.F. de Vries, ook hier een voltreffer van granaatvuur. Getroffen werd de heer Bouwe de Vries, die een dag later in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleed, oud 28 jaar. (Bouwe de Vries, overleden te Lemmer op 18 april 1945 te Lemmer. Was gehuwd op op 14 oktober 1938 met Ysia van der Neut, dochter van Dirk van der Neut).
Aan de overkant (nu BP-station Slump) woonde Harm v.d.Wolf, smid, olie en rijwielhandelaar. Ook hij werd getroffen, maar bleef in leven en hoewel aan één been invalide, heeft deze nijvere man zijn bedrijf kunnen en mogen voortzetten
.

 

Terwijl we nog even in het voorportiekje met oom Pieter die ook naar buiten was gekomen stonden te praten, kwam iemand vanaf de Nieuwburen de Parkstraat inlopen. Het bleek mijnheer Vlig te zijn die verderop in de 2e Parkstraat woont. Hij vertelde dat er een kettingbom in de buurt van de haven was gevallen. Ik geloofde er niets van, maar hield dat voor mezelf.
Aangezien het, afgezien van het geschreeuw van Duitsers, verderop in het dorp na dit voorval weer rustig was, zijn we maar weer naar bed gegaan.

Weer lagen we nog maar net in bed of daar was weer het gegier van overvliegende granaten gevolgd door meerdere harde knallen. Ons huis schudde er weer van. Gelijk gingen vader, moeder en mijn zuster naar beneden. Geertje en ik keken eerst even door het dakraam aan de achterkant van ons huis. Daar was echter niets te zien. We keken toen door het slaapkamerraam aan de voorkant van het huis en zagen in de richting Schans/N.O.P. een felle rode gloed hangen. Het leek wel of half Lemmer die kant uit in brand stond.

Moeder riep ons dringend om naar beneden te komen. Omdat we nogal geschrokken waren van wat we gezien hadden, gaven we hieraan direct gevolg. Beneden in de voorkamer zagen we dat de halve voorruit er uit lag. De overgordijnen wapperden in en uit. In de verte hoorde ik roepen: "Muti, muti", vast een jonge Duitser die het in zijn broek deed of misschien wel gewond was geraakt. Inmiddels waren oom Pieter, tante Els, hun dochter en hun schoonzoon achterom bij ons in huis gekomen.

Vader en ik haalden een paar matrassen van boven en legden die neer op de planken in de kelder. Opnieuw kwamen er granaten over die ergens de kant van de haven uit ontploften. We gingen met z'n allen de kelder in en hoopten daar een beetje veilig te zijn voor het losgebarsten oorlogsgeweld. Na een tijdje hadden we vastgesteld dat de granaten met tussenpozes van ongeveer 15 tot 20 minuten over kwamen gieren. Als we goed opletten konden we in de verte het afschieten horen. Het moest ergens de kant van Schasterbrug/Joure uit zijn. Als we na het afschieten van de granaten geen gegier hoorden, explodeerden de granaten vlakbij. Waar wisten we niet.

Steeds als de granaten dichtbij ontploften kwam er een grote hoeveelheid kalk van het plafond naar beneden. Omstreeks middernacht kwam Cor van tante Anna die schuin tegenover ons in de Parkstraat woont, vragen of we mee gingen naar de weilanden achter de tramdijk. Hij had van achterburen gehoord dat het daar veilig was. Als we meegingen moest het tussen twee salvo's in gebeuren. Mijn ouders voelden er echter niets voor en daarom bleven we maar zitten waar we zaten.

 

We raakten meer en meer op de situatie ingesteld en hadden zelfs in de gaten dat tussen het afschieten en het overkomen en ontploffen een tijdsverschil lag van ongeveer vijf seconden. Tussen de salvo's door moesten sommige van de aanwezige dames, waarschijnlijk uit angst, een plas doen. Aangezien het tonnetje in onze WC niet berekend is op zoveel vloeistof, waren de nooddruftigen gedwongen hun overtollige zenuwsappen in een wasteil te lozen. Zodra de teil vol was, werd deze tijdens een vuurpauze geledigd in de sloot achter ons huis. Het schieten ging de hele nacht door.

 

Nieuwedijk, ook hier een voltreffer links beneden aan de Nieuwedijk,
dodelijk getroffen werd de heer Pieter v.d. Bijl oud 26 jaar.

 

Dinsdag 17 april 1945

Vanochtend om 4 uur hield de beschieting op en werd het doodstil buiten. Ik ben even daarna in slaap gevallen. Om zeven uur vanmorgen werd ik weer wakker.
Ik was behoorlijk stijf geworden van het slapen op zo'n beperkte ruimte.
Tenslotte hadden we met negen personen de nacht doorgebracht in een keldertje van amper 2.30 bij 1.40 meter. Ik ben maar vlug de kelder uitgegaan om me wat op te frissen. Moeder vertelde dat zij haast geen oog had dicht gedaan en daarom maar veel te vroeg was opgestaan. Ze had een grote pot koffiesurrogaat gezet.

Met de surrogaatkoffie en een paar plakken zelfgebakken tarwebrood knapte ik weer helemaal op. Vader was al vroeg in de ochtend opgestaan om te zien hoe het met zijn moeder en zuster die aan de Spinhuispôlle wonen was afgelopen.
Toen hij terug kwam, vertelde hij dat in de Rienwal vlak voor het huis van zijn moeder en zuster een granaat was ontploft. Alle ramen en de voordeur van het huis waren vernield. Het hofje waar ik tot mijn zesde jaar heb gewoond, was ook flink getroffen. De meeste huizen aan het hofje lagen in puin. Mijn grootmoeder en mijn tante maakten het na de afschuwelijke nacht die ze hadden gehad nu weer redelijk goed. In de steeg naar de Schans, was Bijkersma dodelijk getroffen toen hij in de deuropening stond te kijken. Er moeten nog meer doden zijn maar vader wist nog geen namen.

(Jan Bijkersma, geboren op 22 april1895, 17 april 1945 ook bekend als lange Jan, werd binnenschipper. Jan kreeg acht kinderen, waarvan vier zoons. Zoon Dirk Jan en Johannes vertrokken na de oorlog beiden naar Australië.
Jan Bijkersma werd in de bevrijdingsnacht in Lemmer gedood door een granaatscherf).

Schans: Hier verschillende voltreffers. De heer Jan Bijkersma werd dodelijk getroffen vijf dagen voor zijn 50ste verjaardag. Het winkeltje voor het witte uithangbord 3e huis links werd bewoond door de familie T. Bondiëtti, ook hier een voltreffer. Kleinzoon Willem van Slageren werd zwaar gewond en overleed op de Bevrijdingsdag, oud 12 jaar. In de Schans werd ook getroffen mevr. G. Terpstra, zij is later aan haar verwondingen overleden, oud 54 jaar.

 

Toen Willem van Slageren (zoon van Christ van Slageren) zwaar gewond was. Werd hij even later naar de als noodziekenhuis ingerichte bewaarschool overgebracht. Zijn vader liep als een gebroken man achter de brancard, hij leefde toen nog. Willem is op de dag van de Bevrijding gestorven aan de verwondingen, die hij bij het gooien van een Pantzerfaust door de Duitsers had opgelopen.-

Wel had hij gehoord dat bij 'Bondiette' in de Schans gewonden waren gevallen. Ook ome Leeuwke, had een scherf in zijn rug gekregen. Het was gelukkig maar een schamper geweest zodat hij na door de dokter geholpen te zijn weer in orde was. Vader had in de Lemmer geen enkele Duitser meer gezien. Wel liepen er nu leden van de ondergrondse in Lemmer op straat. De leden van de ondergrondse hebben als uniform een blauwe overall aan met een oranje band om de arm met de letters "NBS" erop. De ondergrondse mannen droegen allen een stalen wapen bij zich.

Het werd nu hoog tijd om zelf eens poolshoogte te nemen. Aan de achterkant van ons huis had ik reeds twee scherfgaten in de muur ontdekt. De regenpijp was ook door een scherf doorboord en in het kozijn boven de keukendeur zat ook een flinke scherf. Verder had ik gezien dat op het oude kerkhof verschillende toppen van de hoge eikenbomen waren afgeslagen. Hoogst waarschijnlijk hebben de hoge bomen op het oude kerkhof ons beschermd tegen granaatinslagen dichter bij huis.

In Lemmer zelf was het een grote chaos. Bij het tram station lag een autobus met de neus voorover in de binnenhaven. Her en der stonden boerenkarren. Ik heb ze zelf niet gezien, maar ik hoorde dat er vroeg in de morgen paarden en koeien los door de Lemmer liepen. Die zijn natuurlijk door de ondergrondse bij een boer ondergebracht. Langs de buitenhaven was het ook raak. Daar stond zelfs nog een stuk door de Duitsers achtergelaten luchtdoelgeschut van 2 centimeter. Ik vond er een mooie grote nachtkijker van het merk Zeiss, die ik maar mee naar huis heb genomen. Wat zal er niet allemaal door de moffen in het water zijn gegooid?

Overal liepen mannen van de NBS (zo heet nu de ondergrondse). Ik zag o.a. Schelte de Vries, Hans Jaalsma, Jetse de Haan, Max Koole, Henk v/d Berg, Willem Beijerink en de zoon van Klaas Zwarthoed. Men zegt dat de Lemsters die zich deze morgen na het schieten het eerst op straat waagden, hele kazen en tonnetjes boter hadden gevonden. Ik weet nu ook de oorzaak van de brand die ik gisteravond heb gezien.

Er was een granaat in de N.O.P.-kantine, waar de Duitsers nogal wat munitie in op hadden geslagen, terecht gekomen. Toch viel me de schade aan de huizen nog wel mee als ik denk aan het aantal granaatinslagen van de afgelopen nacht.
De meeste schade aan woningen e.d. heb ik gezien in en om de Schans en het Achterom. Het zoontje van schilder van Slageren die in de Schans woont is ook getroffen en overleden. Verder zijn nog omgekomen Pieter van der Bijl en Bouwe de Vries. In totaal zouden er acht doden zijn.

Er zijn een paar moffen in de Lemmer gepakt, die zich kennelijk ergens verborgen hebben gehouden en de krieg dus meer dan beu waren. Er lopen ook drie Duitsers vrij in Lemmer rond met een NBS-armband om. Het zijn Polen in gedwongen Duitse dienst, die op tijd de hen opgedrongen vrienden de rug hadden toegekeerd en zich aangesloten hadden bij onze ondergrondse. In de afgelopen nacht hebben ze er voor gezorgd dat de Duitsers de N.O.P.-dijk niet konden opblazen. Ik weet niet precies hoe één en ander in elkaar zit, maar het is toch een mooi verhaal.

De Duitsers hebben net als onze eigen militairen op 10 mei 1940 bij het invallen van de moffen hadden gedaan, voor de haveningang rijnaken tot zinken gebracht.
In de loop van de ochtend werden overal de vlaggen uitgestoken en er heerste al een enorme feestvreugde ondanks het verlies van acht Lemsters. Er waren eerst nog geen Engelsen in de Lemmer, maar er werd al vlug rondverteld dat die in aantocht waren vanaf de Straatweg. De Engelse genie was al vroeg bezig met het voorlopig herstellen van de Follegabrug, die gisteravond nog door de moffen is opgeblazen.

Mijn vrienden en ik gingen ook nog een kijkje nemen op het nieuwe kerkhof waar de Duitsers een zoeklicht hadden staan op het roomse gedeelte. Het zoeklicht was verdwenen. Dat zullen de Duitsers wel hebben meegenomen. Er waren ook een paar graven beschadigd door inslaande granaten. Na het bezoek aan het kerkhof zijn we de Straatweg uitgegaan om onze bevrijders tegemoet te lopen. Ter hoogte van het Hof van Holland, even voorbij het 2e brugje, zagen we militairen aankomen.

De militairen liepen aan beide kanten van de weg in groepjes van 10 man. Ze liepen als ganzen achter elkaar aan. De militairen dragen bruingroene uniformen van een heel ander model dan het uniform van de Duitsers. Ze hebben platte helmen met een rand erom. Deze helmen lijken wel op hoeden die rooms-katholieke geestelijken wel dragen. Om de helm hebben ze een netje met onder het netje een pakje met verband.

De meeste soldaten dragen een geweer, maar er zijn ook die een soort mitrailleur met pootjes en onder over de schouder dragen. Ze lachten vriendelijk tegen ons en de andere Lemsters, die de Straatweg zijn uitgelopen. We kregen plakjes kauwgum van de soldaten. Ook waren er soldaten bij die een radiootje op de rug droegen. Toen we met ze opliepen, raakten we met ze aan het praten. Gelukkig is mijn Engels redelijk goed na 4 jaar MULO-school.

Ze vertelden dat ze Franse Canadezen waren en onderling spraken ze dan ook hoofdzakelijk Frans. Helaas gaat het Frans mij minder goed af, maar Jan Tenk kan zich aardig redden. Hoe dichter we bij de Lemmer kwamen, hoe meer mensen ons juichend tegemoet kwamen. Er werden door de Canadezen sigaretten uitgedeeld en de kinderen kregen kauwgum. De meeste kleintjes wisten niet eens wat kauwgum was, maar ze kregen al vlug de smaak te pakken.

Toen we bij de eerste huizen van Lemmer aankwamen, hoorde ik een soldaat in de microfoon van zijn radiootje zeggen: "Here Xray-Pappa One, here Xray-Pappa One, over". Toen zei hij even niets en vervolgde toen met: "We are in the outskirts of a town called Limmer. People say there are no more cherries here, but what I see, is a lot of beautiful young girls. Over and out". De soldaten hadden ons inmiddels verteld dat de radiootjes die ze op hun rug dragen Walky-Talky genoemd worden. Ook vertelden ze dat ze tot het "Le Regiment de la Chaudière" behoren. Zij waren verkenningspatrouilles, de rest zou later komen als de brug beter gerepareerd zou zijn.

De ‘Chaudières’ wilden vanuit Sneek proberen om Lemmer te bereiken, maar moesten onverrichterzake terugkeren om via Joure en Sint Nicolaasga hun doel te bereiken. Bij Woudsend konden leden van de BS niet verhinderen dat de brug werd opgeblazen.

De Scharsterbrug tussen Joure en Sint Nicolaasga bleef gelukkig behouden nadat het bataljon met steun van de artillerie, de vijand in de late avond van 16 april met succes in de richting van Lemmer kon verdrijven.

 

Op 17 april werd Lemmer ingenomen en waren de Duitsers al over de Zuiderzee vertrokken. Even nog dreigde een noodsituatie te ontstaan vanwege mogelijke dijkdoorbraken in de Noord-oostpolder. Maar een drietal Polen in Duitse dienst verborg de ontstekingsmiddelen, nodig om de geplaatste springstof hun werk te laten doen, en namen ‘eigen’ soldaten onder vuur. Op 17 april was ook de Noordoostpolder vrij dankzij drie Polen en een bataljon Canadezen.

 

In de loop van de middag kwamen er steeds meer Canadezen Lemmer vanaf de Straatweg binnen. Er reden kleine leuke wagens bij op rupsbanden, die naar de Canadezen mij vertelden carriers worden genoemd. Er zijn bren-carriers, flamethrower-carriers, guntug-carriers en personel-carriers. Oom Pieter en tante Els kregen inkwartiering van twee Canadezen. Ons huis is met reeds vijf bewoners te klein om ook nog inkwartiering erbij te hebben.

Het is opmerkelijk hoe verschillend het gedrag is van de Canadese ingekwartierden en de Duitse ingekwartierden in mei 1940. De Canadezen laten hun wapens gewoon op hun kamer achter terwijl de Duitsers indertijd hun wapens geen moment loslieten.
Ergens is het wel logisch. Tenslotte zijn de Canadezen onze vrienden en dat waren de Duitsers nu bepaald niet.

De Canadezen gaan zelfs het dorp in achter de meisjes aan en laten rustig hun wapens thuis. De Canadezen zijn gek op eieren en mijn vrienden en ik hebben dan ook al besloten om morgen eendeneieren in de Wiele te gaan zoeken. Die liggen daar nu genoeg. De eieren kunnen we dan ruilen voor sigaretten. De Canadezen hebben verschillende soorten bij zich, zoals: Captain, Woodbine, Players, Three Castles en Sweet Corpora!. Wel iets ander dan Consi en Belgische tabak. Het brood dat de Canadezen bij zich hebben is spierwit. Het zijn mooie grote broden en het smaakt heerlijk. Ze hebben ook poeder bij zich gemaakt van eieren. Ze mengen het met een beetje melk en bakken er dan kleine eierkoekjes van die ze op brood leggen.

Verder hebben ze grote blikken met koekjes die naar pinda's smaken. De smaak van pinda's was ik bijna vergeten. Voor onze MULO-school, ligt een tot zinken gebracht schip vol met koperen en nikkelen munten. Het zijn geen Nederlandse munten zodat we er niets aan hebben.

Woensdag 18 april 1945.

Wat een heerlijk gevoel om weer als vrijmens rond te kunnen lopen. In ons dorp is het één grote feestroes, het weer werkt daar ook nog aan mee. We hebben in geen jaren zulk mooi voorjaarsweer gehad. Er valt van alles in het dorp te beleven.
Ik heb dingen gezien die ik nooit eerder ben tegengekomen. Er was vandaag nog wel een beetje spanning onder de mensen in de Lemmer, omdat het gerucht ging dat de moffen met boten vanuit Holland een aanval op Lemmer zouden doen.

Gelukkig is het bij een gerucht gebleven, alhoewel er vandaag wel extra geschut door de Canadezen in Lemmer werd gebracht. Op grote open auto's stonden kanonnen met lange lopen. De auto's stonden opgesteld op de Bakkershoek en op de Schulpen.
Vanmorgen hebben we eerst een flinke hoeveelheid eendeneieren gezocht. De eendeneieren hebben we met de Canadezen geruild voor sigaretten. Ds. Keuzekamp, die in de pastorie aan de Nieuwburen woont, heeft in de tuin het lijk van een gestorven joodse onderduiker begraven. Onvoorstelbaar wat de dominee heeft moeten meemaken. Er waren nog meer joden in Lemmer ondergedoken o.a. bij een familie aan de Schoolstraat. Al deze joodse mensen kunnen nu weer opgelucht en vrij rondlopen.

(Het was al ruim spertijd op die avond van 1 februari 1944. Met een ambulance van de ondergrondse wordt de joodse mevrouw Gerstner en haar zieke zoon Ernst, bij dominee Keuzenkamp gebracht.
Gelukkig bereiken ze veilig hun nieuw woonvertrek. Naast de pastorie woonde dokter Olivier, die in het geheim de zieke man behandelde. Zijn lichamelijke gesteldheid was echter van dien aard, dat de man op 5 mei 1944 overleed. Albert Visser, timmerde een kist en bracht deze in planken door de weilanden achter de Gereformeerde kerk langs, in de tuin van de Hervormde pastorie en timmerde deze in elkaar in de studeerkamer van ds. Keuzenkamp. Toen moest het stoffelijk overschot nog van de hoogste etage naar de studeerkamer gebracht worden. Albert Visser nam dit voor zijn rekening. Hij wist het lichaam van Ernst van de bovenetage langs 2 trappen naar de studeerkamer te brengen en in de kist te leggen.´s Avonds hebben dr. Olivier, ds. Keuzenkamps zonen en de heer Onderweegs van de ondergrondse Ernst in de pastorietuin begraven. Na de oorlog is onder grote publieke belangstelling Ernst Gerstner in Lemmer herbegraven).

Kade van de Holland-Frieslandlijn. Het tramstation bevond zich links, de smalle brug was voor voetgangers en fietsers. Hier werd door de jongelui tot in de vijftiger jaren op zaterdag- en zondagavond gewandeld, vanaf het oude kerkhof tot aan het einde van de dam en terug (en menig afspraakje is er gemaakt).

 

Gemeentehuis van Lemmer.

 

Op het bordes van het gemeentehuis werden NSB'ers en moffenmeiden door de NBS'ers kaalgeschoren. Toen het hoofd van onze school, mijnheer de Vries die ook NSB'er was, aan de beurt was, ben ik weggelopen want dat deed me toch wel zeer. Ik heb tenslotte bijna vier jaar les van hem gehad en toen ik geen klompen en schoenen meer had om aan te trekken en mijn vader hierover bij mijnheer de Vries zijn beklag deed, kreeg ik een paar schoenen, die waarschijnlijk van zijn zoon zijn geweest, die bij de SS is gegaan en ergens in Rusland moet zitten.

 

Ook zag ik vandaag een flamethrowercarrier tegenover het tramstation die een demonstratie gaf. De carrier kwam met grote snelheid op het water aanrijden, stopte op nog geen meter van de kade en spoot toen een zee van vlammen over de haven uit. De Canadezen gooien wel handgranaten in het water, waardoor ze de vis voor het opscheppen hebben, die ze dan gaan bakken.

 

De capitulatie op 5 mei 1945 in hotel 'De Wereld' te Wageningen. Links generaal Blaskowitz, bevelhebber van de Duitse troepen in de 'Vesting Holland', tegenover hem de Canadese generaal Foulkes. Geheel rechts, schuin op de rug gezien, Prins Bernhard.

Toelichting op het Dagboek.

W. Feenstra.

 

Toelichting op het Dagboek.

Omdat ik als jongen de achtergronden van wat ik opschreef door de gebrekkige communicatie in die jaren niet kende, ben ik naarstig gaan speuren naar het hoe en waarom van al die gebeurtenissen.
Hieronder volgt derhalve een toelichting op mijn aantekeningen 1940- 1945. Ik ben een ieder die mij in welke vorm dan ook daarbij van dienst is geweest zeer dankbaar.

W. Feenstra.

Heerenveen 1994


Lemmer werd op deze dag zonder slag of stoot bezet door onderdelen van het 22e cavalerieregiment onder commando van kolonel Freiherr von Thüringen.
Het 22e cavalerie-regiment was een onderdeel van de 1
e cavaleriedivisie onder commando van Generaal-majoor Kurt Feldt.
De matrozen die in Lemmer al dezelfde dag bezig waren met het verwijderen van de door de Nederlandse militairen tot zinken gebrachte schepen voor de haveningang, behoorden tot een eenheid van een Z.g. Sonderkommando. De commandant van dit commando was korvettenkapitän Stein.
 

Het Duitse kanon stond opgesteld op de hoek van wat nu heet de Wiepke Hofstraat en de Nieuwburen. In de jaren '40-'45 was de huidige Wiepke Hofstraat nog weiland.
Wiepke Hof uit Echten, werd op 17 maart 1945 samen met 9 andere gevangenen door de SD uit Heerenveen gefusilleerd op het erf van de boerderij van de familie Schotanus aan de Wielwei 21 te Doniaga.
 

Het vliegtuig dat deze dag enige bommen afwierp, behoorde hoogstwaarschijnlijk toe tot de nr. 4 Group van de RAF. Dit onderdeel bestond hoofdzakelijk uit tweemotorige Blenheims. De Engelse luchtmacht was in de zomer van 1940 doende om schepen in de havens langs de Noordzee en het IJsselmeer door bombardementen te vernietigen.
 

Er zijn in de meidagen 1940 door oorlogshandelingen zeker twee Lemsters gedood.
In de vroege ochtend van 10 mei 1940 viel een bataljon van de Duitse 22e cavalerieregiment het grensplaatsje Veenebrugge aan. Dit bataljon schoot met een kanon het grensdouanekantoor in puin.
De kommies H. Visser, die in het douanekantoor dienst had kwam hierbij om het leven. Zijn stoffelijk overschot ligt te Lemmer begraven.
Op 12 mei 1940 sneuvelde te Achterveld bij Utrecht de huzaar C. de Vries, in gevechten met aanvallende Duitsers. Ook de heer De Vries rust op het kerkhof van Lemmer.

 
De vele Duitse boten en bootjes die de bruggen van Lemmer zo lang open hielden, waren naar mag worden aangenomen bestemd om deel te nemen aan operatie 'Seelöwe' het Duitse invasieplan voor Engeland.
 

Een Heinkel HE III bommenwerper, boven Polen sept. 1939. De Duitse luchtaanvallen op Polen gingen dag en nacht door.

 


De Heinkels HE-111 die meestal in de vooravond laag over Lemmer vlogen, behoorden tot een op de vliegbasis Leeuwarden gestationeerd Kampfgeschwader, dat deel nam aan de vanaf augustus 1940 tot eind 1940 gevoerde slag om Engeland.
Het voetbalveld van VV-Lemmer, lag in die jaren even voorbij een sluisje aan het eind van het nu doodlopende weggetje 't Hop achter de Oostdam tussen het Lemsterhop en de voormalige Zuiderzee, daar waar nu het verkeer over de A 6 raast. Het weggetje 't Hop was destijds een aardig straatje van Friese gele steentjes.


De Duitse activiteit had te maken met het in de nacht van 14 op 15 oktober op het Tjeukemeer landen van een Nederlands marinevliegtuig (een Fokker T8/W) tussen Oosterzee en Echtenerbrug.
De vlieger had als taak twee Nederlandse geheimagenten op te pikken. Door verraad van een politieagent uit Echten/Oosterzee, kwam de Duitse contraspionage in kennis van de operatie, waardoor deze volledig mislukte. Het vliegtuig werd gevlogen door de latere commandant van de Koninklijke Luchtmacht H. Schaper, die afkomstig was uit Joure en daarom ter plaatse redelijk goed bekend was. Schaper kon met zijn watervliegtuig ternauwernood ontkomen. De twee geheimagenten werden gevangen genomen en vonden uiteindelijk de dood in een Duits concentratiekamp.
 

Het watervliegtuig Fokker T. 8-W. Een tweemotorig torpedo- en bomvliegtuig op drijvers.
Bemanning drie personen. Met dit type vliegtuig werd de missie naar het Tjeukemeer uitgevoerd. De foto komt uit het archief van K. Schippers te Delfstrahuizen.

Uitvoerig beschreven in: "Bezettingstijd in Friesland"door P. Wijbenga, nieuwste uitgave 1995 in 3 delen. "Drama op het Tjeukemeer, deel 2 hoofdstuk 11.

 

9 mei 1941.

Nadien heb ik nog meerdere malen waargenomen dat Duitse zoeklichten, opgesteld bij Lemmer, een vliegtuig in hun stralenbundel hadden en dat vliegtuig dan een serie lichtkogels afwierp. Het gebeurde zelfs wel dat het afweergeschut al op het vliegtuig vuurde, alvorens dit vliegtuig de lichtkogels afwierp. Het ging altijd om Duitse nachtjagers die in de voor die nacht afgesproken kleurencombinatie de lichtkogels afwierpen. De bediening van de zoeklichten en het afweergeschut wisten dat het een Duits vliegtuig betrof en staakten onmiddellijk hun actie. De Duitse nachtjagers waren voornamelijk afkomstig van de Vliegbasis (Fliegerhorst) Leeuwarden en werden gedirigeerd door de radarstation Eisbär te Sondel.

21 juli 1941.

De ansjovisloods van de heer L. de Rook, met de daar aangrenzende kolk was ongeveer gesitueerd op de plaats, waar nu het trafostation even ten oosten van de A 6 is te vinden. In de kolk lagen altijd hele uit boomstammen samengestelde vlotten, die eigendom waren van blokmakerij v.d. Neut, aan de Vissersburen. De heer Jacob de Rook, heeft helaas het concentratiekamp van de Duitsers niet overleefd.

24 juli 1941.

De naam van de op de begraafplaats van Lemmer rustende Wingcommander, luidt Vivian Q. Blacden. Hij was 34 jaar oud, toen hij in de nacht van 9 op 10 april 1941 met zijn vliegtuig werd neergeschoten en in het IJsselmeer terecht kwam. Zijn lijk spoelde pas in juli 1941 aan tegen de dijk van de Noord-Oost-Polder. De heren De Jong en Gaal, waren beide in dienst van de gemeente Lemsterland.

1 september 1941.

De openbare MULO stond aan de Korte Streek, op de plaats waar nu (later) het gebouw 'De Helling' staat (stond).

13 maart 1942.

De iets ten westen van Sondel opgestelde apparatuur, behoorde tot het Duitse radarstation 'Eisbär'. Op aanwijzing van de gevechtsleiders van dit radarstation hebben Duitse nachtjagerpiloten (hoofdzakelijk in tweemotorige Messerschitts ME-11O) menig Engels bommenwerper zowel in het IJsselmeer als op het land rondom Lemmer doen neerkomen. Een gevechtsleider geeft aan de hand van het beeld dat hij op zijn radarscherm ziet, aanwijzingen aan een piloot van een jachtvliegtuig door hoe hij het doel kan benaderen.

29 april 1942.

Sara en Joseph Blok, zijn zoals duizenden andere Nederlanders en andere Joden, door de Duitsers vergast. Een zeer ergerniswekkend voorval heeft zich in Lemmer nog voorgedaan toen een poging van de ondergrondse uit Joure, die reeds een onderduikadres voor de Joden die op het Lemster politiebureau waren opgesloten hadden geregeld, mislukte. Het hoofd van de politie van Lemmer was tevoren door de ondergrondse over de op handen zijnde bevrijdingsoperatie ingelicht. Toen de ondergrondse Knokploeg ter plaatse aankwam, had het hoofd van de politie de bewaking juist extra versterkt. De bevrijdingspoging van de Joodse slachtoffers mislukte daardoor volledig. Dit gedrag van een foute Nederlander heb ik vernomen van de zoon van de leider van de KP Joure.

27 januari 1943.

De bommen die net iets ten noorden van Lemmer neerkwamen, werden afgeworpen door een uit de koers geraakte formatie Amerikaanse bommenwerpers (4-motorige Liberators) en waren bestemd voor de havens van Lemmer. De havens van Lemmer waren hun alternatieve doel, toen ze door een navigatiefout hun 'main target' niet konden vinden. Tot groot geluk van de Lemster bevolking waren het onervaren vliegers en bommenrichters, die hun doel volledig misten.

Wat was er nu precies gebeurd?

Volgens Gerrit J. Zwanenburg, waren 27 B-24's op 27 januari 1943 voor de eerste keer op weg naar een doel in Duitsland t.w. Wilhelmshaven. Door onbekendheid en slechter wordend zicht deed geen van de B-24's een aanval op het doel. De bommen werden afgeworpen in of bij het IJsselmeer. Wiebe H. de Vries, schreef hierover in oktober 1982 o.a. het volgende: De formatie B-24's die bijna Lemmer in een puinhoop veranderde, stond onder commando van kolonel Leon W. Johnson, van wat destijds nog USAAF (United States Army Air Force) heette (thans SAC US Air Force. Toen Kol. Johnson constateerde dat de Liberators helemaal fout zaten moest hij snel een beslissing nemen wat hen nu te doenstond.

Maar als je een afleidingsmanoeuvre vliegt, moet je er op rekenen jagers tegen te komen en in een luchtgevecht moet je eigen machine dan zo licht mogelijk zijn, zodat je beter kunt manoeuvreren. En dat zou betekenen dat je je bommen moest zien kwijt te raken. Want daar zijn bommen uiteindelijk voor. Wat was een vrij belangrijke plaats voor het Duitse verkeer van de noordelijke provincies over het IJsselmeer naar Amsterdam? Precies: Lemmer.

Dus zou de haven van Lemmer een goed doel zijn. Op dat moment werd het doel van de Liberators gewijzigd. In plaats van Wilhelmshaven werd het officieel Lemsterland, hoewel men dit niet in de geschiedenisboeken vindt. Het blijkt uit Amerikaanse rapporten, die op deze vlucht zijn uitgebracht. Johnson gaf zijn opdracht per radio door aan 22 andere machines, de koers werd naar het noorden verlegd en de bomrichters begonnen hun vizieren in te stellen: hoogte, soort, bom windrichting, snelheid, temperatuur, barometerstand enz. En Lemmer wist van niets. Intussen kwamen de Duitse jagers van Schiphol, laag over het water van het IJsselmeer aangeraasd en klommen even voor de Lemster haven, zowat verticaal naar 7.000 meter. Ze vielen onmiddellijk aan en wisten hoe het moest.

Door het oog van de naald.

De Amerikanen hadden hun eigen manier van bombarderen. Vlieg in een zo dicht mogelijk gesloten formatie. Laat de groeps-bomrichter de juiste "bomb run", (waarbij de toestellen zich moeten oplijnen voor het lossen van hun bommen) maken naar het doel en volg hem in een formatie, die zo compact is als maar mogelijk is. Zodra de groeps-bomrichter zijn bommen loslaat laat de hele formatie haar bommen los en als die groeps-bomrichter zijn werk goed heeft gedaan zullen alle bommen op het doel komen in hetzelfde patroon als de samenstelling van de formatie. Alles hing dus af van de nauwkeurigheid en de ervaring van de hoofd-bommenrichter.

Wat gebeurde er in Lemmer? Een ding is zeker, alle 23 bomrichters drukten hun "release"-knop in en 92 bommen van 459 kg begonnen aan hun lange reis omlaag, die rond de 45 seconden zou duren. We zullen U hier niet lastig gaan vallen met aanvalsnelheden, valtijden enz, maar een feit is dat volgens later genomen verkenningsfoto's 14 bominslagen werden geteld in de Noordoostpolder vlak ten zuiden van de haven, terwijl nog veertien anderen werden gesignaleerd ten noordoosten van Lemmer. De meest zuidelijke inslagen, drie stuks in totaal, lagen aan weerskanten van het eind van een rij gebouwen.

En al die andere bommen? De inslagen lagen in een lange rij ten westen van de trambaan bij Eesterga en Follega. De laatste bommen kwamen zelfs in de buurt van Sloten terecht. De schade in Lemmer bleef beperkt tot glasschade, hoewel in Follega ongerustheid bestond over de landarbeider Jan Huitema, die om twaalf uur niet van zijn werk uit de weilanden terugkeerde.

De bommen waren om kwart voor twaalf gevallen. Men ging op zoek en vond Huitema's stoffelijk overschot. Geen verwondingen -hij was door de luchtdruk gedood-. Een boer, die ten noorden van Lemmer bezig was met hekkelen, had de tijd languit in het weiland te gaan liggen -er was nergens anders dekking-. Toen het helse gegil en geknal eindelijk over was en de ontploffingswolken wegdreven kwam hij overeind. Hem mankeerde niets. De "gripe" en de "snijseine" waren er ook nog steeds, maar de "greppelline" was verdwenen. Er wordt gemeld dat een andere boer een bom in een kuilhoop kreeg. Alles zat onder de kuil, maar niemand mankeerde iets. Lemmer was door het oog van de naald gekropen.

Men zou kunnen veronderstellen dat de aankomst van de Duitse jagers de Amerikanen in verwarring moet hebben gebracht. In zo'n geval zou de Liberator-formatie door de Duitsers uit elkaar zijn geslagen. Dat moet echter niet het geval zijn geweest, want even later verschenen de B-24's boven het hemelsbreed op 15 kilometer afstand gelegen Elahuizen en daar telde men niet alleen 23 toestellen, maar zag men ook dat die machines in een zeer dichte formatie bijeen vlogen.

Een B-24-liberator.

 

4 april 1943.

De heer Gerben Bootsma, werd op 3 april 1943 te Lemmer door de SD-er v.d. Waals gearresteerd.
De SD was te weet gekomen dat Bootsma als kapitein van de Friesland IV een Nederlandse geheimagent aan land had gebracht. Bootsma had deze agent samen met nog enkele bemanningsleden van het op het IJsselmeer gecrashte vliegtuig, dat de agent boven Nederland zou droppen, opgepikt uit een opblaasbare rubberboot. De heer Bootsma, heeft zijn moedige daad helaas met de dood moeten bekopen. Voor zover ik aan de weet ben gekomen is hij kort voor of kort na zijn bevrijding door geallieerde troepen, aan uitputting en mishandeling door de Duitsers overleden. Hij zou ergens in Duitsland begraven zijn. Anton van der Waals

14 mei 1943.

In de nacht van 13 op 14 mei 1943 werd bij Lemmer een viermotorige Lancaster van nr. 83 Squadron RAF neergeschoten door Feldwebel Heinz Vinke van N./NDG 1. De 6 bemanningsleden liggen allen begraven te Lemmer.

12 juni 1943.

In de door ons gevonden koepel, heeft waarschijnlijk toch nog het lijk van een boordschutter gelegen, omdat diezelfde dag nog het stoffelijk overschot van sergeant W.J. Drake, 23 jaar oud werd geborgen. Op zijn graf te Lemmer staat vermeld 'Air-gunner'. Dit is de Engelse benaming van een boordschutter.

Drake; W.J. Sergeant, wireless operator/air gunner, Royal Air Force.

Gesneuveld op 12 juni 1943, 23 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

26 juli 1943.

De strookjes aluminium die wij vonden, werden afgeworpen door de 's nachts overvliegende Engelse bommenwerpers op weg naar hun doelen in Duitsland. Zij verstoorden daarmee het Duitse radarsysteem. De Engelsen gaven het afwerpen de codenaam 'Window'.

16 december 1943.

's Avonds om ± 6 uur werd bij Follega, een 4-motorige Lancaster van nr. 7 Squadron RAF neergeschoten door Oberleutnant Heinz W. Schnaufer, 12-N-INJG 1. De stoffelijke overschotten van de volledig verminkte bemanningsleden liggen begraven te Lemmer. Diezelfde avond stortte nog een vliegtuig neer in de Bankopolder iets ten noorden van de Langesloot. Het was eveneens een 4-motorige Lancaster. Dit vliegtuig behoorde tot nr. 101 Squadron RAF. Ook hiervan ligt de bemanning begraven te Lemmer.

16.12.1943

18:01

Lancaster

12./NJG 1

Near Follega

Lancaster III (JA853) “MG-L” of 7 Sqn, RAF flown by W/O WA Watson, 7 killed

16.12.1943

18:12

Lancaster

12./NJG 1

3 km NW Lemmer

Lancaster I (DV300) “SR-W” of 101 Sqn, RAF flown by F/Lt R MacFarlane, 8 killed

 

31 december 1943.

De Duitser die met A. Alberda, als bewaker mee naar Sondel reed, is na de oorlog samen met zijn echtgenote bij de familie Alberda, op bezoek geweest. Hij was destijds terdege op de hoogte geweest van broden-afworp. Het was dus een goede Duitser.

6 september 1944.

De grote trek van NSB-ers en van andere Duitsgezinde lieden met de boot van Amsterdam naar Lemmer en verder per tram naar het oosten, had te maken met 'Dolle dinsdag' 5 september 1944.

8 september 1944.

De Parkstraat was in zijn oorspronkelijke vorm samengesteld uit een eerste t/m vijfde Parkstraat.
Tussen twee Parkstraten in was een klein omheind parkje van bomen en struiken gesitueerd. Op de plaats waar de landmijnen zouden zijn gelegd staan nu vier fraaie woningen.

11 november 1944.

De scheepshelling van De Boer staat nu op naam van J. Poppen. Lemmer BV.

17 november 1944.

De opstelling van mitrailleurs bij de brug naar de Schans, zal wel te maken hebben gehad met de op die dag door de Duitsers groots opgezette razzia naar onderduikers in de Noord-Oost-Polder. De NOP huisvestte in de oorlog veel Nederlanders die het vertikten om in Duitsland te gaan werken.
De NOP moest nog voor een groot gedeelte in cultuur worden gebracht. Het gedeelte dat nog niet in cultuur was gebracht was een ondoordringbaar moerassig rietveld.

22 december 1944.

Met het 'Oude kerkhof' wordt bedoeld, het lagere gedeelte van het kerkhof gelegen vlak langs de straatweg tussen het politiebureau en de stoplichten aan de rondweg, tegenover de S.G. 'De Rien'.
Hier was destijds tevens het z.g. eerste brugje. Het oude varkenshok van de heer v/d Bijl, stond ongeveer op de plaats waar nu de brandweerkazerne aan de Pampusstraat staat.

18 maart 1945.

Mevrouw Schotanus, die was ondergedoken bij een familie in de dubbele woning aan de ander kant van de Wielwei (nr. 8-10) tegenover haar boerderij, heeft het drama met eigen ogen kunnen aanschouwen. De moord en brandstichting geschiedde in opdracht van de beruchte Oostenrijkse SD-er Hauptsturmführer Erich Kronberger.

Na de oorlog werd Kronberger, door een speciaal gerechtshof veroordeeld tot 14 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Vrij kort daarna werd hem gratie verleend, zodat hij nog lang en gelukkig van zijn daad kon genieten.
De boerderij die in 1948 is herbouwd heeft in de gevel naast de voordeur een kleine herinneringsplaquette.
In de tuin op de plaats waar de 10 slachtoffers 24 uur moesten blijven liggen is een herinneringsboom geplant.

10 april 1945.

In de nacht van 7 op 8 april zijn in een lijn die ongeveer loopt van Makkinga naar Appelscha, 100 Franse parachutisten afgesprongen. De opdracht van deze Franse militairen was om in samenwerking met de plaatselijke NBS, bruggen en andere belangrijke punten te bezetten en de Duitsers zoveel mogelijk te hinderen in hun bewegingen. Ten oosten van de Norgervaart aan de Koelenweg, staat tegen de voorgevel van een boerderij een eenvoudig wit geschilderd houten kruis, waarop de namen staan vermeld van aldaar gesneuvelde Franse para's. Oorlogsmonument.

16 april 1945.

Op deze dag zijn behalve circa 50 Duitsers ook 3 Nederlanders, plus 1 Canadees voor onze bevrijding rond Lemmer gesneuveld, n.l. Lance Corporal Licien Poivin. Bij Schoterzijl sneuvelde op 16 april de opperwachtmeester van de Rijkspolitie Harmen Visser. Iets ten zuiden van Schoterzijl staat aan de Zeedijk een eenvoudig marmeren kruisje waarop zijn naam en de datum van sneuvelen staat vermeld.

Harmen Visser.

 

 

Bij de Wellebrug in de straatweg Lemmer-Sneek, sneuvelde de NBS-er C. Nagelhout, op 15 april.
Hij vierde deze dag zijn 28e verjaardag. Zijn naam staat vermeld op een monument aan de weg Ypecolsga-Harich, even ten zuidwesten van Waterloo.

Bij Scharsterbrug sneuvelde op 15 april de NBS-er R. Jung, geboren 27 januari 1911 (van Tsjechische afkomst). Een monument te zijner nagedachtenis is te vinden op het kerkhof aan de Kerkhoflaan te Sintjohannesga.

 

R. Jung.

 

17 april 1945.

De kanonnen waarmee de Canadezen in de nacht van 16 op 17 april 1945 Lemmer beschoten, stonden opgesteld op een weilandje bij de Haulsterbosschen, tegenover de huizen aan de Haulsterweg, tussen Ouwsterhaule en Haskerhorne. Het kaliber is mij niet bekend, maar waarschijnlijk waren het de veelvuldig door de Canadezen en Engelsen gebruikte 25 ponders. Zeker is dat zij schoten met brisant-granaten, die bij de minste aanraking na het afschiten exploderen. De plaats van afvuren ben ik na veel speuren aan de weet gekomen van iemand die daar indertijd woonachtig was en het afschieten der granaten zelf heeft waargenomen.

Wiebe Feenstra en zijn vrouw Geertje Boon, Ja het meisje wat eten haalde vanuit Amsterdam en zo in Lemmer bij de familie Feenstra onderdak kreeg.

 

Willem Gaasbeek (1946), vriend van Wiebe Feenstra.

 

 

Deze huisjes staan Z.O. van Joure de weg van Ouwsterhaule naar Haskerhorne. Ze staan tegenover het veld van waaraf de Canadese artillerie in de nacht van 16 op 17 april 1945 de Lemmer beschoot.

 

 

Op dit veld stond de Canadese artillerie die in de nacht van 16 op 17 april 1945 Lemmer beschoot (vanaf 's avonds 21.30 tot de volgende ochtend 04.00).

 

 

Oorlogsgraven van het Gemenebest Lemmer.

 

Op de Algemene Begraafplaats van Lemmer zijn de graven van 44 vliegeniers uit het Gemenebest. Hierbij zijn acht onbekenden: zeven uit het Verenigd Koninkrijk en één uit Canada. Het vak met de geallieerde graven ligt in het noordwestelijk deel van de begraafplaats. Bij het betreden van de begraafplaats via de hoofdingang ligt aan de linkerzijde het graf van een Friese verzetsstrijder. Op zijn graf staat een monument dat typerend is voor de grafmonumenten van Friese verzetstrijders.

Anderson; W.J.

Sergeant, wireless operator/air gunner, Royal New Zealand Air Force.

Gesneuveld op 17 september 1942, 23 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Bell; J.W.

Sergeant, pilot, Royal Air Force.

Gesneuveld op 8 november 1941, 21 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Blackden; V.Q.

Wing commander, Royal Air Force.

Gesneuveld op 10 april 1941, 34 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Broughton; J. Du. V.

Flying officer, observer, Royal Air Force.

Gesneuveld op 10 april 1941, 33 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Clarke; J.E.

Sergeant, flight engineer, Royal Air Force.

Gesneuveld op 16 december 1943, 21 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Cook; F.R.M.

Flying officer, Royal Australian Air Force.

Gesneuveld op 29 augustus 1944, 21 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Crabtree; R.H.

Sergeant, air gunner, Royal New Zealand Air Force.

Gesneuveld op 17 september 1942, 24 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Curtis; J.R.

Sergeant, air gunner, Royal Air Force.

Gesneuveld op 12 juni 1943, 22 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Dallenger; B.

Pilot officer, pilot, Royal New Zealand Air Force.

Gesneuveld op 17 september 1942, 23 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Drake; W.J.

Sergeant, wireless operator/air gunner, Royal Air Force.

Gesneuveld op 12 juni 1943, 23 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Goddard; H.O.

Sergeant, air gunner, Royal New Zealand Air Force.

Gesneuveld op 17 september 1942, 27 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Hargreaves; J.M.

Sergeant, air gunner, Royal Air Force.

Gesneuveld op 13 mei 1943, 32 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Hastings; A.B.

Pilot officer, observer, Royal Air Force.

Gesneuveld op 5 september 1942.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Hedges; R.E.

Flight sergeant, flight engineer, Royal Air Force.

Gesneuveld op 16 december 1943, 35 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Hurst; J.

Sergeant, air gunner, Royal Air Force.

Gesneuveld op 16 december 1943.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Jordan; E.R.E.

Sergeant, air gunner, Royal Air Force.

Gesneuveld op 16 december 1943, 21 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Krasnodebski; H.

Por. 301 sqdn., Polish Forces.

Gesneuveld op 3 juli 1942, 39 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Lamb; D.T.

Flight sergeant, observer, Royal New Zealand Air Force.

Gesneuveld op 17 september 1942, 20 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Lecomber; J.E.

Sergeant, navigator, Royal Air Force.

Gesneuveld op 14 mei 1943.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Lozinski; M.J.

Kpl. 301 sqdn., Polish Forces.

Gesneuveld op 3 juli 1942, 29 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Lugowski; S.

Kpl. 301 sqdn., Polish Forces.

Gesneuveld op 3 juli 1942, 27 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Macadam; J.S.

Sergeant, navigator, Royal Air Force.

Gesneuveld op 14 mei 1943, 20 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

MacFarlane; R.E.

Flight lieutenant, pilot, Royal Canadian Air Force.

Gesneuveld op 16 december 1943, 21 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Mares; J.

Sergeant, Royal Air Force.

Gesneuveld op 17 juli 1941, 25 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

McWha; R.D.

Flight sergeant, Royal Australian Air Force.

Gesneuveld op 16 december 1943, 23 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Moynihan; F.H.

Flying officer, navigator, Royal Air Force.

Gesneuveld op 22 november 1943, 23 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Pockney; E.D.

Pilot officer, air gunner, Royal Air Force.

Gesneuveld op 19 augustus 1941, 35 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Renshaw; A.S.

Sergeant, pilot, Royal Air Force.

Gesneuveld op 14 mei 1943.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Robinson; C.L.

Flight sergeant, Royal Australian Air Force.

Gesneuveld op 16 december 1943, 26 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Ronson; E.G.

Sergeant, wireless operator/air gunner.

Gesneuveld op 3 juni 1942.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Stone; J.R.

Sergeant, air gunner Royal Air Force.

Gesneuveld op 14 mei 1943, 20 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Unknown Airman RAF

Unknown Airman RAF

Unknown Airman RAF

Unknown Airman RAF

Unknown Airman RAF

Unknown Airman RAF

Unknown Airman RAF

Unknown Airman RCAF

Waterman; W.M.

Warrant officer, Royal Australian Air Force.

Gesneuveld op 16 december 1943, 21 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Westall; F.R.

Sergeant, air bomber, Royal Air Force.

Gesneuveld op 16 december 1943, 21 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Williamson; H.R.

Sergeant, air bomber, Royal Air Force.

Gesneuveld op 14 mei 1943, 23 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Wilson; L.D.

Sergeant, navigator, Royal Air Force.

Gesneuveld op 16 december 1943, 20 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

Worsnop; F.A.

Sergeant, flight engineer, Royal Air Force.

Gesneuveld op 14 mei 1943, 29 jaar.

Algemene begraafplaats Lemmer.

 

 

Over de gebeurtenissen met de tramboten schreef Johan W. de Jong "De tramboten in oorlogstijd" na veel speurwerk het volgende verslag naar Wiebe Feenstra.

14 en 21 oktober 1942

De Tramboten in oorlogstijd.

Na in de winter van 1939/1940 door kruiend ijs te zijn onder gegaan, kwam de gerepareerde 'Friesland' mei 1940 weer in de vaart tussen Lemmer en Amsterdam in kombinatie met het zusterschip 'Holland'. Vertrektijden 'Holland': 's morgens 9.00 uur van Amsterdam en 's avonds 23.00 uur van Lemmer. 'De Friesland' vertrok 's morgens 11.00 uur van Lemmer en 23.00 uur 's avonds van Amsterdam, met uitzondering van zondag, dan werd niet gevaren. De bemanning van 'De Friesland' bestond uit:

Kapitein: Jan Bolhuis.

Stuurman: Evert de Roos.

Matroos: Gerke Bootsma.

Machinist: Feite de Jong.

Stoker: Douwe Thijseling.

Hofmeester: Durk Wedman met de hulp van zijn vrouw Trijntje Wedman-Prins en kelner Hendrik Dijkstra.

Het personeel van de "Friesland". Van links naar rechts: Johannes de Jong, Gerke Bootsma (beide matroos) Evert de Roos, stuurman, J. Bolhuis, kapitein, D. Wedman, hofmeester, Jan Kamminga, mevr. Wedman, R. Dijkstra en geheel rechts met witte pet is Hendrik Dijkstra. De overigen zijn niet bekend.

Het waren onzekere tijden die meidagen van 1940, want de Tweede Wereldoorlog brak uit. Door het laten zinken van schepen werd de haven van Lemmer geblokkeerd en 'De Friesland' van Amsterdam komende, ging voor de haven ten anker. Hendrik Dijkstra hield de wacht aan boord en de rest van de bemanning ging met de sloep van "De Friesland' naar de wal.

Toen het schip kort hierna weer naar Amsterdam vertrok, liet men de familie der bemanning in onzekerheid achter, want niemand kon zeggen wanneer men terug zou komen. In Amsterdam aangekomen bleek schutten in de Oranjesluizen niet mogelijk, daar op militair gezag de olie opslagplaatsen in de petroleumhaven in brand waren gestoken. Een dikke, zwarte rook hing over Amsterdam.

Pas na de capitulatie van Nederland kwamen de tramboten weer tot hun geregelde diensten. Zo keerde ook Jacob Thijseling, terug uit militaire dienst en werd weer stoker op 'De Friesland', welke funktie zijn broer Douwe voor hem had waargenomen.

De winter van 1940/1941 was wederom een strenge met zware ijsgang, waardoor drie schepen van de rederij Koppe in de haven van Urk lagen ingevroren, te weten 'De IJssel', 'De Meppel II' en 'De Friesland'. Doordat een baken door het kruiende ijs was verplaatst, had 'De Meppel II vastgezeten op het Enkhuizerzand en hiervan vlot getrokken door 'De Friesland' en 'De IJssel', nadat men over het ijs lopende, de trossen had overgebracht, De overwintering op Urk zou dertien weken duren.

Tijdens deze overwintering ging een deel der bemanning van de Friesland per auto van Urk over het ijs van de droogvallende Noord-oostpolder naar Lemmer. Een hachelijke onderneming want ter hoogte van de Rotterdammerhoek zakten de voorwielen van de auto door het ijs en was verder doorrijden onmogelijk. Hofmeester Wedman, Hendrik Dijkstra en machinist De Jong o.a, moesten toen lopen naar Lemmer, waar men door en door koud aankwam.

Op 16 maart 1941 vertrok men weer per fiets uit Lemmer over de dijk naar Urk, na eerst naar radio Oranje geluisterd te hebben ten huize van hofmeester Wedman. Deze 16e maart was een zondag en met veel kommentaar van de Urkers werd men op het christelijke Urk ontvangen.

's Maandags vertrokken de drie schepen uit Urk om via de IJssel en Vreeswijk, Amsterdam te bereiken. Tijdens een extra reis van Amsterdam naar Kampen, kon door het hoge water en stormachtige wind de Friesland onmogelijk op koers gehouden worden. Men stond voor de keus een brug te rammen of het ondergelopen land op te varen, kapitein Bolhuis koos voor het laatste. De volgende dag bij het vallen van het water stond 'De Friesland' praktisch droog.

Een stomverbaasde boer kwam eens polshoogte nemen en stelde de onder deze omstandigheden begrijpelijke vraag: "Wat komen jullie doen?" Waarop een bemanningslid antwoordde: "Hooi laden!". Toen het s.s. IJssel van de Zwolse dienst in Kampen aankwam, lagen vijf sleepboten 'De Friesland' te trekken, maar het schip kwam niet, vlot Chef technische dienst Arie de Jong van de rederij Koppe gaf toen de IJssel opdracht het eens te proberen, hetgeen lukte.

Tijdens de zomerdienst van 1942 had hofmeester Wedman buiten zijn vrouw Trijntje en Hendrik Dijkstra, ook nog de hulp van Tiemen Bouhuis, terwijl de bemanning werd versterkt met lierjongen Emylius de Hoop uit Woudsend. Het varen tijdens de nacht was minder prettig in die tijd, want op last van de Duitse bezetters moesten kustverlichting en bakens worden gedoofd en de boordverlichting afgeschermd. Dus extra uitkijken was het parool, als was de dekbemanning wel wat gewend, want bij mist werd altijd met volle kracht gevaren.

En dit op een druk bevaren en bevist wordende Zuiderzee c.q. IJsselmeer. Maar ongelukken zijn niet voorgekomen hierdoor. En zo gingen deze eerste oorlogsjaren voorbij zonder noemenswaardige incidenten, al kwam het toen al voor, dat de tramboot 's nachts voor de haven op en neer moest koersen i.v.m. luchtgevechten boven Lemmer.

Wat men aan boord van vliegtuigen waarnam, waren geallieerde bommenwerpers die op weg waren naar Duitsland of daar vandaan kwamen. Engelse jachtvliegtuigen zag men toen nog niet, want de beroemde Spitfire had maar een beperkt vliegbereik en kon bijv. vanuit Oost-Engeland niet verder komen dan tot ongeveer Amsterdam en moest dan weer nodig terug, anders was de brandstof op. Maar sinds 1941 werden in Amerika voor de RAF jagers gebouwd, de zg. Mustangs, die wat later zou blijken, de beste jachtvliegtuigen van de Tweede Wereldoorlog te zijn.

Met hun grote vliegbereik, snelheid en wendbaarheid, begeleiden en beschermden de Mustangs o.a. de kwetsbare bommenwerpers van de Amerikanen op hun dagvluchten naar Duitsland. Het waren eenpersoons vliegtuigen met een maximum snelheid in de latere uitvoering van 703 km/uur. De bewapening bestond uit zes 127 mm mitrailleurs, terwijl men ook raketten kon afvuren.

Door de Engelsen werden ze ondergebracht bij Army Co-Operation Command, het RAF commando dat speciaal in het leven was geroepen voor samenwerking met het landleger als ontwrichters van transporten ter land en ter zee in vijandelijk gebied. Dat aanvallen van de Mustangs ook zouden plaatsvinden in Nederland, bleek uit de waarschuwing uitgesproken door Koningin Wilhelmina via radio Oranje: "Men moest er rekening mee houden, dat er geschoten zou worden op treinen, schepen enz. en voor het openbaar vervoer!"

Dus ook niet-militaire vervoermiddelen werden het doelwit in door Duitsland bezette gebieden. Dit alles mede ter ondersteuning van de Russen, die de opmars van het Duitse leger in Rusland tot staan hadden gebracht en derhalve eventuele troepen- en materiaalverplaatsingen tegengegaan moesten worden. Machinist Feite de Jong van 'De Friesland' werd gewaarschuwd door zijn broer Jan, die de boodschap uit Engeland had gehoord. Maar er werd niets gedaan aan enige bescherming op de tramboten voor de passagiers en bemanning.

Beschieting s.s. Holland.

Op woensdag 14 oktober 1942 stegen om 12.15 uur (Engelse tijd) in Duxford vier Mustangs op voor aanvallen op gronddoelen in Nederland. De formatie behoorde tot squardon 268 en bestond uit:

De Mustang AG-529, gevlogen door Wing Commander A.F. Anderson.

De Mustang AG-474, gevlogen door Flight luitenant J.M. MacDonald.

De Mustang AP-243, gevlogen door Pilot.....? (is niet leesbaar)

Wing Comamander Anderson, was onderscheiden met het DFC (Distinguished Flying Cross). Men verliet de Engelse kust om 12.30 uur bij Southwold en vloog Nederland binnen om 13.16 uur en wel 6 mijl ten noorden van Bergen aan Zee. Hier deed de formatie een aanval op een Duits barakkenkamp zonder waarneembaar resultaat. Wel werd een geschutsstelling ontdekt in dit gebied. De vier vliegtuigen gingen over op een oostelijke koers tot aan het Noord Hollands Kanaal, waarop geen schepen werden gezien en volgden het kanaal tot Alkmaar. Ze zagen hier drie locomotieven en ongeveer honderd twintig goederenwagons. Volgens waarneming werden twee locomotieven flink beschadigd na de aanval met de boordwapens.

Vanaf Alkmaar ging het over de spoorlijn in oostelijke richting. Een goederentrein werd beschoten en tot stoppen gedwongen, na de aanval zag men stoomwolken opstijgen uit de locomotief. Verderop was weer een trein het doelwit. Resultaat: treffers in de stoomketel van de locomotief. Men vloog richting Enkhuizen, waar in de haven schepen werden beschoten. Op de rede voeren twee schepen, gesleept door een sleepboot.

Na de beschieting waren treffers te zien op de sleepboot en het voorste gesleepte schip, maar niet de opvang van de schade. Verder oostelijk zagen ze een voor anker liggend schip en een baggermolen, welke ook werden beschadigd, waarbij de stoomketel van de baggermolen schade opliep. De vliegtuigen zetten nu koers naar Lemmer. Onderweg deed men aanvallen op vijftien tot twintig schepen zonder zichtbaar resultaat. Lichtvijandelijk afweervuur werd ondervonden vanuit Lemmer. Noordwest van Workum, zag de formatie een groot schip met een geschatte tonnage van 500 ton. (Dit was 'De Holland')

Na de beschieting die volgde, claimde men vanuit de lucht treffers in de bovenbouw; alsmede een beginnende brand, waarschijnlijk in de bovenbouw aan bakboord. Op noordwestelijke koersligging ging het vervolgens richting Vlieland en vandaar terug naar Engeland. Om 13.00 uur had men ook twee mijl zuidwest van de Kooi een uit zeven schepen bestaand konvooi ontdekt, stomende in zuidelijke richting maar niet aangevallen. De vier Mustangs bereikten om 14.05 de Engelse kust en landden om 14.30 in Snailwell. Gedurende deze operatie werden geen Duitse vliegtuigen ontmoet 'De Holland' was deze woensdagochtend om negen uur van de Ruyterkade in Amsterdam vertrokken naar Lemmer met als bemanning:

Kapitein: Teun de Wit.

Stuurman: Herman Meynen.

Matroos: Arie Verwey.

Lierjongen: Cornelis den Hartog.

Machinist: Piet Kamminga.

Stoker: Zijn zoon Jan Kamminga.

Hofmeester: Algera.

Kelner: v.m. Johan Atsma.

Foto van dochter Karin Kamminga: Hier is Jan Kamminga op de boot te zien.

 

Het was redelijk goed weer en buiten een behoorlijke lading had het schip veel passagiers aan boord. Onder deze passagiers tien leden van de familie Tromp uit Lisse. Hun reisdoel was Akkrum, waar de oudste zoon Govert Cornelis Tromp, zou trouwen met mej. van Woerden. Op verzoek van mej. van Essen, reisde men vanwege het beschieting's gevaar niet met de trein, maar met de boot naar Lemmer en van hieruit verder met het trammetje naar Akkrum.

Tijdens de reis bevond de familie zich in de salon onderdeks, maar ter hoogte van Urk stelde zoon Gerrit Tromp, voor naar promenadedek te gaan om het voorbijvaren van Urk te aanschouwen. Hier aangekomen stond en zat men naast de stuurhut met uitzonderding van de 61 -jarige weduwe Tromp-Slottje, deze was beneden in de salon gebleven. Om circa 1 uur zagen ze twee aan twee, vier vliegtuigen aankomen. Eerste gedachte Duitse vliegtuigen, maar al gauw zag men dat het Engelsen waren, die naar beneden kwamen duiken en zonder een waarschuwing vooraf 'De Holland' onder vuur namen.

Na de aanval (de vliegtuigen kwamen één keer over) bleek de uitwerking verschrikkelijk. De op de bank zittende 25-jarige Keimpe Tromp en zijn 21-jarige verloofde Hennie Roodenburg, uit Abbenes, waren dodelijk in het hoofd geraakt. Mej. A. Tromp 27 jaar had een kogel in de blaas gekregen, haar 25 jarige vriend Jan Beekman, een schot in de schouder en borstbeen.

De 25 -jarige mejuffrouw T. van Essen, had een verbrijzeld been en een slagaderlijke bloeding. Haar 21 -jarige verloofde Gerrit Tromp, voelde dat zijn rug nat werd: toen zijn colbertje werd opgelicht, zag men allemaal bloed. Dat hij geraakt was had hij niet gemerkt. De kogel had gelukkig geen vitale delen geraakt en zit heden ten dage nog in zijn lichaam. De oudste dochter der familie, de 31-jarige weduwe Niewenhuis-Tromp en haar vijfjarig dochtertje werden niet geraakt, wel had een 40-jarige neef, genaamd Keimpe Tromp, een scherf in zijn been.

Kleinzoon Thomas ten Hagen vertelt: Het verhaal gaat verder na het 'ongeluk'; Mijn oma beland in het ziekenhuis in Heerenveen, waar ze een aantal maanden 6 a 7 moet blijven en uiteindelijk haar been afgezet wordt. Ze ligt daar alleen en de familie zit nog in Lisse en kan haar niet bezoeken, en blijkbaar kon ze ook niet verplaatst worden. Ze wordt in het ziekenhuis (dagelijks?) bezocht door een man die aangegrepen was door het gebeuren en ze ondersteund in deze periode in het ziekenhuis; Dhr Franke Scheper, op de foto te zien met zijn zoon Jisse (beide inmiddels overleden) Maar mijn moeder heeft nog wel jaarlijks contact met de weduwe van Jisse.
In oktober 1944 trouwen mijn opa en oma, in december 1945 wordt mijn moeder geboren. Daarna krijgen ze nog twee zoons
.

Gerrit Tromp en Trijntje van Essen: foto van verloving (voor het ongeluk) Gehuwd in 1944.

Gerrit Tromp en Trijntje van Essen, met de moeder van Thomas.

Mevr. Guus ten Hagen-Tromp, de moeder van Thomas en de dochter van Gerrit Tromp en Trijntje van Essen, vertelt verder: Mijn moeder heeft 9 maanden in het ziekenhuis in Heerenveen gelegen en is toen 's nachts met een ambulance over de afsluitdijk naar Leiden vervoerd. In Leiden is haar been geamputeerd.
De heer Franke Scheper, kende de familie Tromp doordat hij in 1939 tijdens de mobilisatie als soldaat ingekwartierd was bij mijn oma (de wed G. Tromp-Slottje) op "Trompenburg"in Lisse.
Tijdens de Kerstdagen liet mijn oma zijn vrouw, voor de gezelligheid, ook overkomen. Er is altijd grote vriendschap blijven bestaan tussen de familie Scheper en mijn familie.
Ik heb heel wat zomervakanties op de Leeuwardestraatweg in Heerenveen bij hen gelogeerd. De familie Scheper kwam ook regelmatig naar Lisse, in de zomer of met de bloembollen tijd
.

Het gezin Tromp-Januari 1955

Gerrit Tromp en bovengenoemde heer Franke Scheper.

Jisse Scheper.

Maar nog groter was de verschrikking op het promenadedek, want in de stuurhut was de 42-jarige kapitein Teun de Wit, uit Zwolle en een 42-jarige passagier uit 's -Gravenhage, genaamd Pieter Messemaker omgekomen. In het gangboord op het hoofddek viel de 51-jarige matroos Adriaan Johan Verheij, uit Amsterdam dodelijk getroffen over de in dekking liggende 22 -jarige stoker Jan Kamminga heen, wiens rug nog door dezelfde kogel werd verwond.

 

Lierjongen Hermanus den Hartog, was in z'n achterwerk geraakt en stuurman Herman Meyen's, lip was door een scherf beschadigd. Ongelofelijk veel geluk had de 44-jarige machinist Piet Kamminga, die zich in de machinekamer bevond tijdens de aanval. Een kogel vloog dwars door de machinekamertelegraaf waar Kamminga pal naast stond. Ook de koffiepot op de stoomketel werd doorboord. Van de passagiers behoorden verder Aly Bethlehem, een circa 15-jarig meisje uit Wolvega, dat in haar arm was geraakt, alsmede Hermanus van der Zwart, uit Amsterdam tot de gewonden.

Het was een nare en chaotische toestand aan boord van de beschieting. De niet meer gestuurd wordende 'Holland' voer met volle kracht in de richting van de Noordoostpolderdijk. In de 2e klasse kajuit in het voorschip, had een binnenschipper liggen slapen die wakker was geworden van het schieten. Na de aanval op het dek gekomen, zag hij dat men recht op de dijk aanvoer, een blik op de stuurhut deed hem beseffen dat het schip niet meer werd gestuurd. Snel begaf deze onbekende schipper zich naar de stuurhut en bracht 'De Holland' op een veiliger koers en voorkwam zo een tweede ramp.

Toen de deur van de stuurhut werd geopend, zag mej. van Essen, de stoffelijke overschotten van kapitein de Wit en de heer Messemaker, uit de stuurhut vallen. De machine werd gestopt en met een stilliggend schip werd provisorisch begonnen met het verbinden der gewonden. En dan te bedenken dat er geen verbandtrommel aan boord was!. Door het afbinden van haar been werd de slagaderlijke bloeding van mej. van Essen gestopt en haar been in de normale stand teruggedraaid. Ze was volledig bij kennis en verwonderde zich erover dat de mensen gewoon door plassen liepen gevormd door water uit de lek geschoten watertank achter de schoorsteen en bloed, zonder dat men hier erg in had.

Nadat dit nare werk zo goed mogelijk was gedaan ging 'De Holland' weer op weg naar Lemmer met stuurman Meynen aan het roer. Bij het ronden van "Het eindje van de dam" stelde men de daar aanwezigen van het gebeurde op de hoogte en verzocht te zorgen voor doktoren en ziekenauto's.

Opvallend was het zeer snelle aanwezig zijn van ziekenauto's uit Sneek en Heerenveen. Hadden mensen die aan de Noordoostpolderdijk werkten, Lemmer gewaarschuwd of was het gebeurde gezien door leden van de Lemster luchtbescherming, die een uitkijkpost had op de Lemstertoren? Leden van deze luchtbescherming waren o.a.: Geert Kooiman, Hidde Visser, Andries de Vries en niet te vergeten wijkverpleegster Klein.

Toen 'De Holland' was afgemeerd, werd de tramhaven voor het publiek afgezet door de Duitsters. Aanwezig was o.a. burgemeester Krijger van Lemsterland. De doktoren Olivier en Knufman Ansing, verleenden met assistentie van zuster Klein de eerste hulp. De gewonden kregen een kalmerende injectie, welke door Gerrit Tromp werd geweigerd en vervolgens naar Sneek en Heerenveen vervoerd.

Bij het van boord dragen der gewonden hielpen o.a. ?. de Jong, Hidde Visser, Andries de Vries, Bertus Lemstra en Linze van der Tuin, het transport der zwaargewonden ging middels het handgerei van 'De Holland'. Mej. T. van Essen (sinds 1944 mevr. Tromp) zou aanvankelijk alleen de reis naar het ziekenhuis van Heerenveen maken. Een inwoonster uit Lemmer vond dit erg zielig en is toen met haar meegereisd in de ziekenauto. Mevr. Tromp, wiens been enige maanden na de beschieting werd geamputeerd, wilde later graag in contact komen met deze onbekende inwoonster (of dit gelukt is...is niet bekend)

De BBC Home and Forcess Programma meldde in een nieuwsuitzending op 15 oktober 1942, dat Mustangs van Army Co-Operation Command, aanvallen hadden gedaan op schepen en gronddoelen in Holland. Het trouwen in Akkrum van G. C. Tromp met mej. van Woerden, werd uitgesteld en een paar dagen later in alle stilte voltrokken. In Lisse rouwden de inwoners van de slachtoffers uit hun gemeente.

Het voorval met 'De Holland' was niet alleen vreselijk voor de nabestaanden van de slachtoffers, maar liet ook een diepe indruk achter bij de bemanning van de Friesland. Toen het schip in Lemmer aankwam, zei mevr. D. Seldenthuis-Loen, tegen machinist Feite de Jong en stoker Jaap Thijseling: "Jullie zijn er maar weer, gezond en wel" waarop Jaap antwoordde: "Ja, maar volgende week zijn wij aan de beurt".

De Holland werd voor reparatie naar het dok in Amsterdam gebracht, zodat 'De Friesland' enige weken alleen de trambootdienst tussen Lemmer en Amsterdam zou moeten onderhouden. Op het schip werd niets gedaan aan enige bescherming tegen luchtaanvallen, alleen was het promenadedek verboden gebied voor de passagiers. Men kan zich de gemoedstoestand indenken van de bemanning overdag, met steeds het schrikbeeldvoor ogen beschoten te kunnen worden.

Beschieting s.s. Friesland.

En zo breekt een donkere dag aan uit de geschiedenis der tramboten en wel woensdag 21 oktober 1942. Het was vliegend stormweer uit het noordwesten, toen 'De Friesland' om 11.00 uur 's morgens vertrok naar Amsterdam. Vanwege de storm was 'De Groningen IV' van de  'Groningen-Lemmer-Stoomboot Maatschappij', reeds eerder van Lemmer vertrokken om via Enkhuizen de reis naar Amsterdam te maken. De bemanning van 'De Friesland' bestond uit de gepensioneerde kapitein Jolle Hendriksma, vervanger van Bolhuis, wiens moeder deze dag begraven werd, stuurman Evert de Roos, matroos Gerke Bootsma, lierjongen Emylius de Hoop, machinist Feite de Jong, stoker Jacob Thijseling, hofmeester Durk Wedman en kelner Hendrik Dijkstra.

Voor het vertrek hadden zich al typische dingen voorgedaan. Zo was het deze dag de zestigste verjaardag van stuurman de Roos. Toen zijn zoon hem feliciteerde en daarbij schertsend opmerkte "Vader nu moet je eigenlijk een koek op je arm hebben", antwoordde de Roos: "Als het maar geen kogels door mijn arm worden". Later per fiets op weg naar de tramhaven keerde hij halverwege terug en vroeg aan zijn zoon, die voer op de grote vaart maar door de oorlog noodgedwongen thuis was: "Als ik gewonden aan boord heb, hoeveel maal moet ik dan blazen met de stoomfluit ?".

Mevr. T. Wedman-Prins, zou deze reis wegens ziekte niet meemaken, toen ze afscheid nam van haar man, begon ze plotseling te huilen, op het waarom kan ze heden ten dage geen antwoord geven. Ter bescherming van de bemanning aan dek had Gerke Bootsma, op het voorschip van lege houten biervaten een schuilplaats gemaakt en voorts liep Emylius de Hoop, overdag vliegtuigwacht. Maar men had de stellige overtuiging dat vliegtuigen met dit weer niet zouden vliegen. Helaas om 9.30 (Engelse tijd) waren vier Mustangs van Snailwell naar Coltishall vertrokken, waar om 9.50 werd geland. Na te zijn bijgetankt werd om 10.00 opgestegen voor aanvallen op gronddoelen in Nederland en West-Duitsland. Deze formatie bestond uit:

De AG-529.gevlogen door Wing Command, A F. Anderson;
De AG-433, gevlogen door Flight Lieutenant, B. P. W. Clapin;
De AM-137, gevlogen door Pilot Officer, O. R Chapman;
De AP-313, gevlogen door Pilot Officer, W. T. Hawkins.

268 mustang.

Anderson en Chapman hadden ook de vlucht van 14 oktober jl. meegemaakt, waarbij 'De Holland' was beschoten. De koers was 78 graden en de vliegsnelheid bedroeg 370 km/uur. Ter hoogte van Texel kwamen ze in een zware storm terecht. Men volgde de Waddeneilanden tot Oost- Terschelling en vloog op een zuidelijke koers tussen Terschelling en Ameland door naar het vast land.

Het regende hevig en het zicht bedroeg 450 meter. Ze bleven de noordkust van Nederland volgen en na passage van de Lauwerszee werd de koers 155 graden. Na circa 5 minuten was de spoorlijn Groningen-Winschoten bereikt, waar een koerswijziging volgde in 1.25 graden richting Duitsland. In Duitsland, vier mijl zuidwest van Heede, volgde een aanval op een barakken kamp, waarbij brand uitbrak in een rij barakken.

Op dezelfde koers bereikte men het Dortmund Emskanaal, waar in de buurt van Lathen een gashouder en een fabriek werden beschoten waarbij de treffers waren te zien. Middels een zuidelijke koers ging het naar Meppen, waar geen spoorwegverkeer werd waargenomen op de lijn Aschendorf - Meppen.

In de schutsluis van Meppen was een klein schip het doelwit, deze aanval ging wel gepaard met afweervuur vanaf de grond vanaf Meppen op een koers van 270 graden richting Nederland, waar schepen op diverse kanalen het mikpunt waren. Het IJsselmeer werd aangevlogen nabij Urk, waarna men overging op een noordwestelijke koers. En toen begon de ellende voor 'De Friesland' en 'De Groningen IV', want, ca. 15 mijl noordwest van Urk, volgde volgens het vliegrapport de beschieting van deze schepen. Men claimde treffers aan bakboord van de Friesland.

Na de passage van de Afsluitdijk, hielden de vliegtuigen een noordelijke koers aan en op 15 mijl zuidwest van Harlingen, volgde nog een beschieting van een schip. De formatie vloog tussen Texel en Vlieland door en zette op 260 graden koers naar hun basis in Snailwell, waar ze om 12.40 landden. Ook tijdens deze operatie vond geen ontmoeting plaats met Duitse vliegtuigen. De vliegsnelheid boven vijandelijk gebied bedroeg 465 km/uur en daarbuiten 370 km/uur.

Stuurman de Roos, had 'De Friesland' de Tramhaven uitgebracht en gaf kort voor men de Rotterdammerhoek dwars had, het roer over aan Hendriksma en ging naar beneden om in de kombuis het middagmaal klaar te maken. De dek- en machinekamermensen namen groenten en vlees kant en klaar mee van huis. De aardappelen werden aan boord gekookt, waar stuurman de Roos zich mee bezig zou houden. Trouw aan de Lemster gewoonte: "Twaalf uur warm eten", werd de maaltijd dan gebruikt in de tweede klas kajuit in het voorschip. De familie Wedman en Hendrik Dijkstra, aten meestal na de aankomst in Amsterdam. Machinist de Jong, had deze reis groente mee waar hij de meeste hekel aan had, namelijk worteltjes, maar van eten zou deze dag niks komen.

Stuurman Evert de Roos.

 

Toen stuurman de Roos naar beneden kwam, zei Gerke Bootsma, dat hij boven wel een oogje in het zeil zou houden en verdween in de stuurhut. De rest van de bemanning bevond zich op dat moment in het gangboord aan bakboord. De weinige passagiers zaten in de salon op het hoofddek vanwege het stormachtige weer. Het was toen circa half twaalf.

 

Op dat tijdstip zag Emylius de Hoop, twee van de vier Mustangs over de Noordoostpolderdijk en schreeuwde naar achteren: "Vliegtuigen"; waarop de 32-jarige Hendrik Dijkstra, vanuit het gangboord door de (gelukkig) openstaande deur van de kajuit sprong en daar tegen de aanwezige passagiers riep, dat ze in dekking moesten gaan. Jacb Thijseling, Durk Wedman en Feite de Jong, verlieten het gangboord en gingen op weg naar de schuilplaats die Gerke Bootsma, op het voorschip had gemaakt.

 

Maar ter hoogte van het luik van het ruim, werden de drie vluchtenden reeds getroffen door de inslaande kogels. De 38-jarige Jacob Thijseling vond hier de dood en de ?-jarige hofmeester Wedman, werd in de rug geraakt. Ook de 42-jarige Feite de Jong was getroffen, hetgeen toen nog niet werd gemerkt. Maar nog groter was de tragiek, want de arme mensen in de stuurhut hadden geen enkele kans gehad in de ruimte, die van hout en glas was opgebouwd. De 69-jarige Jelke Hendriksma en de 39-jarige Gerke Bootsma, waren hier dodelijk getroffen.

 

Foto kapitein J. Hendriksma.

 

 

Emylius de Hoop, werd geboren op 8 januari 1924 in Woudsend.

 

Gerke Bootsma, behoorde vanaf het in de vaart komen van 'De Friesland'. dat was in mei 1925 tot de vaste bemanning. Lierjongen Emylius de Hoop, die de vliegtuigen het eerst had waargenomen was op het voorschip getroffen. Hendrik Dijkstra, mankeerde niets en ook onder de passagiers vielen er geen slachtoffers, daar ze zich in de kajuit bevonden vanwege het slechte weer. Net als bij 'De Holland' waren ook nu de vliegtuigen maar één keer overgekomen voor de aanval. Na de beschieting is de zwaargewonde hofmeester Wedman, vanaf het dek naar zijn hut in het achterschip gestrompeld.

Gelukkig was er onder de passagiers een oud-verpleegster, die hem heeft verzorgd en verbonden. Ze was bang dat zijn nieren waren geraakt, want zijn rug zat vol splinters. Als verband werd een beddenlaken gebruikt, dat door Hendrik Dijkstra, op haar verzoek in repen werd gescheurd. Op het voorschip lag de arme Emylius de Hoop, met een vreselijke wond beneden in zijn rug. Van zitkussens uit de kajuit maakte Hendrik ter plaatse een bed en gaf hem iets te drinken. Stuurman de Roos in de kombuis was niet geraakt, al zat er wel een scherf in zijn klomp.

Vanuit de kombuis ging hij naar de stuurhut en trok daar zeven maal aan de stoomfluit, ten teken dat er gewonden aan boord waren. Weer beneden gekomen liet hij, daar inmiddels de machine was gestopt het anker vallen, hetgeen nog ontraden werd door Feite de Jong. Deze vond dat men niet op zee kon blijven wachten op hulp van de wal met de zwaargewonden aan boord. De voor anker liggende Friesland ging nu zwaar liggen stampen op de hoge zee. Het fluitsignaal van 'De Friesland' werd gehoord door de zoon van de Roos, die aan de Noordoost-polderdijk werkte. Deze begreep hieruit, dat het in ieder geval goed was met zijn vader en ging terstond op weg om Lemmer in kennis te stellen van het gebeurde.

Aan boord van 'De Friesland' besloot men om terug te keren naar Lemmer, zijnde de dichtst bijgelegen haven. Hendrik Dijkstra, draaide met behulp van een passagier het zware anker omhoog en Feite de Jong, stond aan het roer in de stuurhut. Opnieuw een tegenslag, want buiten het feit dat het grote houten stuurwiel voor de helft was weggeschoten, zat ook het stuurgerei vast. Na inspectie bleek een kogel tussen de tandwielen van de stuurmachine te zitten. In het schip zaten meer dan tweehonderd kogelgaten.

En zo werd de droeve terugvaart aangevangen waar 'meester' Feite, tot aan zijn dood last van heeft gehad. Staande in de stuurhut met hierin de stoffelijke overschotten van Hendriksma en Gerke, bij het ruim zijn stoker Jaap wiens uitspraak van een week geleden zo akelig precies was uitgekomen en op het voorschip de zwaargewonde Emylius, die maar riep "Meester, meester, help me toch", is hem altijd bijgebleven. Het gebeurde nadien regelmatig, dat hij in zijn slaap lag te gillen, wanneer deze verschrikking weer boven kwam. Later op de terugtocht nam stuurman de Roos, die wel een bijzonder slechte verjaardag had en erg aangedaan was door het gebeurde het roer over en gingen Feite de Jong en Hendrik Dijkstra, naar de machinekamer.

Hier aangekomen klaagde De Jong, over pijn aan z'n been. Hij dacht dat hij gestruikeld was bij het vluchten, maar toen zijn broekspijp werd opgerold, zagen ze dat er door zijn been was geschoten. Tijdens de race tegen de klok van 'De Friesland' verzorgde Hendrik ook éénmaal de vuren van de stoomketel en verstrekte tevens de passagiers een kop koffie, om wat op verhaal te komen van deze droeve gebeurtenissen en de zeeziekte.

Bij het voorbijvaren van de strekdam, werd wederom zeven maal met de stoomfluit geblazen om Lemmer te waarschuwen dat er gewonden aan boord waren. Maar het zou niet meer mogen baten voor de zwaargewonde Emylius de Hoop. Deze achttienjarige lierjongen uit Woudsend, sinds een half jaar aan boord van 'De Friesland' bezweek in het zicht van de haven aan zijn verwondingen. Het was deze dag weer zijn eerste reis na een afwezigheid wegens ziekte. Zijn moeder overleed een jaar later van verdriet. Ze liggen naast elkaar begraven op het kleine kerkhofje bij Woudsend. Bij aankomst voer 'De Friesland' direct de Tramhaven in en niet zoals gebruikelijk eerst draaien bij de sluis en dan achteruit de haven in. Na het afmeren kwamen Duitse marinemensen aan boord en de Lemster doktoren Olivier en Knufman met zuster Klein, verleemden eerste hulp. Hofmeester Wedman en machinist de Jong werden naar het ziekenhuis van Heerenveen vervoerd.

Er brak paniek uit bij de tramhaven toen er vliegtuigen overkwamen. De passagiers van 'De Friesland' die net waren overgestapt op het trammetje, verlieten deze weer snel en gingen met de aanwezige Lemsters in dekking, maar er werd gelukkig niet geschoten.
Dat 'De Friesland' beschoten was, werd al gauw bekend en maakte diepe indruk in heel de Lemmer, al werd het gebeurde wel erg ongelukkig doorverteld. Er werd namelijk gezegd, dat de "tramboot" was beschoten, daarom teruggekomen was en dat ze (de bemanning) allemaal dood waren. Al was het al erg genoeg, dat was gelukkig niet waar, dokter Knufman kwam persoonlijk vertellen, hoe het met Feite de Jong, was gesteld en dat hij naar het ziekenhuis moest.

Later in de middag weer een noodkreet middels de stoomfluit. Dit maal waren het de 'Jan Nieveen' met 'De Groningen IV', beide van de Groningen - Lemmer Stoomboot Maatschappij, op sleeptouw, die de haven van Lemmer binnenkwamen. Zoals bekend was de 'Groningen IV' eerder dan 'De Friesland' deze morgen van Lemmer naar Amsterdam, vertrokken en door dezelfde formatie Mustangs beschoten, Hierbij werd stuurman Jaap Stienstra getroffen. Ook de stoomketel werd geraakt waardoor deze leeg liep en niet verder gevaren kon worden. Met de noodvlag in top ging 'De Groningen IV' voor anker. Daar het schip via Enkhuizen naar Amsterdam, had willen varen en derhalve buiten de normale vaarroute lag, werd het pas laat ontdekt door de Jan Nieveen.

Toen 'De Groningen IV' werd binnengebracht kwam hulp te laat voor de 49-jarige stuurman Stienstra. Hij overleed tijdens het vervoer van de boot, die in de sluis lag, naar de gereedstaande ziekenauto. Op 22 oktober 1942, meldde de BBC via het Home and Forces Programma, dat Mustangs van Army Co-Operation Command, aanvallen hadden gedaan op het Dortmund- Emskanaal, op een schip op het IJsselmeer, het vliegveld bij Laeken in België, plus militaire kampen en vliegvelden in Nederland.

De Nederlandse pers kreeg van de Duitsers het volgende perscommuniqué, dat op 26 oktober in de toenmalige kranten werd gepubliceerd: Britsche Terreur Aanvallen op Nederlands gebied: "Bij willekeurige vluchten overdag van Britse vliegers op Nederlandsch gebied, werden op overvallen gelijkende aanvallen met de boordwapens gedaan voornamelijk op burgerlijke doelen welke aanvallen duidelijk een terroristisch karakter droegen. Aan boord van een schip werden drie leden van het scheepspersoneel gedood en drie anderen zwaar gewond. Van de bemanning van een ander schip werd de stuurman gedood. Voorts werden van de burgerbevolking vier personen gedood, vijf zwaar en verscheidenen licht gewond. De aangerichte materiële schade is gering. De poging om een militair doel aan te vallen, mislukte door den krachtigen afweer"

De voorvallen met de boten was ook koren op de molen van Duits gezinde lieden, want zo kreeg mej. T. van Essen uit Lisse te horen, dat ze haar prothese maar mooi had te danken aan haar Engelse vriendjes. Het toenmalige hoofd van de Mulo in Lemmer vertelde in de klas, dat de Engelsen de oorlog niet konden winnen en daarom die kleine bootjes maar gingen beschieten. De pro-Duitse vertegenwoordiger van boten en tram in Lemmer, had ook een aardigheidje, dat erg leuk was voor de familie der gewonden, Er was op de Friesland een kogel door een vat boter gevlogen en de boter was groen uitgeslagen. Zijn conclusie: "De Engelsen schoten met vergiftigde kogels".

'De Friesland' ging voor reparatie naar Amsterdam. Van te voren hadden mevr. Wedman en Hendrik Dijkstra, de spullen der familie Wedman van boord gehaald en thuis opgeslagen, ze woonden toen op de Nieuwedijk in Lemmer. Machinist De Jong, heeft tien dagen in het ziekenhuis van Heerenveen gelegen, hofmeester Wedman, acht weken en is daarna nog maanden thuis verpleegd. Door het gebeurde had hij erge last van zijn zenuwen en was niet tot werken in staat.

Ook mevr. Wedman, bleef thuis gedurende de herstelperiode van haar man. Toen na reparatie de "tramboten" weer in de vaart kwamen werden stuurhut en dekhuis t.pl.v. de stoomketel omgeven met zandzakken, en pakken stro ter bescherming van de opvarenden en tevens werd alleen gevaren tijdens de nacht. Een zeer wijs besluit, want de Mustangs waren nog regelmatig aanwezig overdag. Ze werden vaak gezien door de heer L. Zandstra, uit Lemmer, die in die oorlogsjaren toezicht hield op een ploeg stenenzetters, werkzaam aan de dijk van de Noordoostpolder.

De Noordoostpolder in september 1942 drooggevallen, was toen woest, leeg en bedekt met meer dan twee meter hoog riet. De Mustangs vlogen hier laag overheen, waren praktisch ongezien en werden niet gehinderd door Duits afweervuur, als ze over de dijk wipten en op zoek gingen naar schepen. Dit gold voor alle schepen, zoals uit de vliegrapporten blijkt en niet alleen de "tram of Lemmerboten". Uitspraken al zouden de tramboten Duitse troepen en legermateriaal hebben vervoerd en daarom zijn beschoten, berusten op onwaarheid.

Buiten het normale passagiers vervoer, bestonden de vrachten uit goederen die al jarenlang waren verscheept, dat er een vat bier, ton boter, zak meel of een kaas in Duitse handen viel was met te vermijden. Wat nu ging gebeuren moet men niet zien in tegenstelling met het voorgaande, want 'De Friesland' kreeg namelijk bescherming van een Duits begeleidingsvaartuig. Hoe deze service tot stand kwam is niet bekend. Misschien door rederij Koppe zelf. Koppe Sr. was namelijk trouw aanhanger van Duitsland. In wezen een trieste zaak want zijn zoon spioneerde voor de geallieerden en werd hiervoor omgebracht door de Duitsers.

De bemanning van 'De Friesland' bestond toen uit o.a. Kapitein Jan Bolhuis, stuurman Evert Roos, een matroos met als bijnaam "het vuistje" machinist Feite de Jong, stoker Jan Kamminga, terwijl de heer Bosma uit Lemmer met zijn dochter Anne de familie Wedman verving in pantry en Hendrik Dijkstra.

De Friesland tijdens ijsgang aan lagerwal. V.l.n.r: J. Thijseling, D. Wedman, F. de Jong en G. Bootsma. (Winter 1940-1941)

 

 

Aan boord van 'De Friesland' v.l.n.r: Tijme Bouwhuis, stuurman Evert de Roos, Emylius de Hoop, Trijntje Wedman-Prins, Janke Visser en Hendrik Dijkstra. (Zomer 1942)

 

Men verrichte de werkzaamheden onder grote spanning en de schrik zat er zo in, dat het vallen van metalen voorwerpen of het plotseling gaan rollen van steenkool in de bunkers de bemanning al dekking deed zoeken. Begrijpelijk na tien doden en twaalf gewonden in een week tijd. Zo was er in een nacht op weg naar Amsterdam plotseling hevig geschiet. De Jong en Kamminga, zochten onmiddellijk dekking in de machinekamer het ergste vrezende. Toen het schieten zo'n vijf minuten had geduurd en geen inslagen werden gehoord, besloot Jan Kamminga eens polshoogte te nemen. Door de patrijspoort kijkende zag hij dat de Duitsers aan het oefenen waren zonder enige waarschuwing vooraf. Machinist De Jong, werd toen vreselijk kwaad en aan dek gekomen schold hij de Duitsers de huid vol.

Hetzelfde begeleidingsvaartuig kon een paar dagen later bij stormweer 'De Friesland' niet bijhouden. De Duitse bemanning vond het slingeren van hun schip prachtig en gooide er nog een schepje bovenop door in de hekgolf van 'De Friesland' te gaan varen. Het slingeren werd nu steeds heviger met als gevolg dat het scheepje kapseisde en de Duitsers in zee terecht kwamen. Aan boord van 'De Friesland' had men vol verbazing het gevaarlijke spelletje gevolgd en zich al afgevraagd hoelang dit goed zou gaan.

De eerlijkheid gebied te zeggen, dat er toen stemmen opgingen om de in zee spartelende Duitsers te laten zwemmen, maar angst gearresteerd te worden wegens sabotage weerhield hen, zodat de Duitsers aan boord werden genomen. Gelukkig heeft er nooit een ontmoeting plaats gehad met de Mustangs, want wat dat had moeten worden. Het was dan ook al gauw afgelopen met de Duitse bescherming.

Het 's nachts varen in de aardedonkere nachten was ook geen pretje, want zoals reeds eerder gezegd was op land en zee alles verduisterd op last van de Duitsers, uitkijken bleef dus het parool. Op een van die donkere nachten vertrok 'De Friesland' om elf uur' s avonds van Lemmer. Het waaide nogal hard en de machine stond vol aan. Plotseling een harde klap gevolgd door een schok door het hele schip.

Machinist Feite de Jong, kon hierdoor niet op de been blijven en schoof van de bedieningsstand tot voor de stoomketel, waar een vallende koffiepot hem op een haar na miste. De oorzaak van dat alles was een motorvrachtschip, dat in de avond aan de gording was afgemeerd en te ver van de kant lag. Door de intense duisternis had men het schip niet opgemerkt en was er bovenop gevaren. Gelukkig bleef de schade beperkt en kon men verder varen naar Amsterdam.

Tijdens weer zo'n aardedonkere nacht voer 'De Friesland' om circa half drie bovenop een Duits vaartuig, dat in de vaarroute voor anker lag. Machinist De Jong en stoker Jan Kamminga, zaten op dat moment naast elkaar te knikkebollen in de machinekamer. Door de schok vlogen ze met stoel en al van stuur- naar bakboord. Het Duitse vaartuig werd ter plaatse van het volksverblijf geraakt, waar gewonden vielen. De Duitse commandant lichtte prompt het anker na het voorval en voer naar Lemmer. De voor die reis voor kapitein Bolhuis invallende Berends van de Zwolse dienst, bracht na aankomst in Lemmer verslag uit bij de plaatselijke commandant, die nogal te keer ging, want hij had niets vernomen van de commandant van het Duitse vaartuig. Deze was nog dezelfde ochtend vertrokken naar Emden.

Zulke voorvallen en de veelvuldige luchtgevechten boven Lemmer, waarbij brandende vliegtuigen soms over de boten scheerden, gaven uren vertraging. En was de bemanning eindelijk aan wal, dan werd men regelmatig onderweg naar huis aangehouden door een Duitse patrouille, die al hun papieren in moest zien, hetgeen gebeurde bij het licht van een verblindende zaklantaarn. Speciaal machinist De Jong zag dan helemaal niets meer, daar hij last had van nachtblindheid en na de controle op de tast thuis moest zien te komen. De avond van 27 januari 1943 hoefde de Friesland om onbekende reden niet te vertrekken naar Amsterdam.

In de nacht van 3 op 4 april 1943, voer 'De Friesland met volle kracht op de strekdam van Noord-Oostpolderdijk', bij Lemmer. Dit voorval werd in eerste instantie veroorzaakt door de harde noordwester storm die er waaide en ten tweede door de algehele verduistering, men voer toen namelijk op een bepaald tijdschema. Als men ter hoogte van de N.O. polderdijk kwam, was het vanaf de Rotterdammerhoek tot de strekdam vijftien minuten varen.

Maar door de storm en voor de wind varend was 'De Friesland' vijf minuten ingelopen op het schema. Dat men nabij de strekdam kwam, werd reeds gemerkt in de machinekamer aan de loop van de machine. Door de hoge achterop komende zeeën sloeg 'De Friesland' dwarszees tegen de strekdam aan en al liet kapitein Bolhuis onmiddellijk volle kracht achteruit slaan, dit mocht niet baten, het schip zat muurvast. Persoonlijke ongelukken deden zich niet voor. Dagen later werd 'De Friesland' met behulp van twee drijvende bokken van 'Goedkoop' uit Amsterdam van de strekdam gelicht. Tot ieders verbazing had het schip geen noemenswaardige schade opgelopen.

Zaterdag 3 april 1943 was de dag geweest dat Gerben Bootsma, de oudere broer van de bij de beschieting omgekomen Gerke Bootsma, werd gearresteerd. Gerben Bootsma, was kapitein op de Holland-Friesland IV van de Stânfriesboten en gepakt voor het volgende misdrijf: In de laatste week van maart 1943 werd bij helder maanlicht een laagvliegende Halifax van de RAF boven Amersfoort getroffen door de Duiste Flak.

Het toestel kon naar het noordwesten afzwenken, maar verloor snel hoogte. Kwam boven het IJsselmeer, maar kon de kust van Noord-Holland niet halen. Het niet brandende toestel streek neer op het rustige water van het IJsselmeer tussen Enkhuizen en de Friese kust. Er waren negen man aan boord, zeven bemanningsleden en twee Nederlandse geheime agenten. Een van de agenten was geraakt tijdens de beschieting en bleek na de noodlanding niet meer in leven te zijn. De vermoedelijk positie van het wrak werd doorgegeven door Duitse waarnemers aan de Abwehr...waarop Patrouilleboten zich er heen spoedden. De zeven geallieerde Engelsen en geheim agent Pier Gerbrands, schuilnaam Kees Verhoef, zaten op een rubbervlot.

VERHOEF, Pleun: 19191130 Vianen – 19440706 IJsselmeer; SOE agent; RVV; 19440705/06 (near Makkum, Friesland); Hudson FK790 of 161 Special Duties Squadron was shot down and Verhoef was killed: @ code name operation FIVES I; code name RACQUETS; L. VORSTMAN.

BOCKMA, Jan: 19210831 IJlst – 19440706 IJsselmeer; SOE agent; wireless operator to P. Verhoef; 19440705/06 (near Makkum, Friesland); Hudson FK790 of 161 Special Squadron was shot down and Bockma was killed: @ training name Jan BOREL; code name mission FIVES I; code name HALMA; field name Jan BOERSMA. Dutch agents 1940 – 1945

Ze hadden de andere dode agent in het vliegtuigwrak moeten achterlaten, helaas zonder de papieren uit zijn kleding te halen. Het vlot werd opgemerkt door de Holland-Friesland IV. Agent Gerbrands vertelde Bootsma, dat hij boven de Veluwe met zijn marconist had willen afspringen. kapitein Bootsma, had echter goede hoop de mensen veilig in Enkhuizen te krijgen. Maar de Duitse Patrouilleboten waren sneller, want toen stuurman Dirk Buma het schip afmeerde, stonden er gewapende Duitse politiemensen te wachten. Hoe Gerben Bootsma, het voor elkaar heeft gekregen is niet bekend, maar bij het tellen van de koppen was geheim agent Gerbrands verdwenen. De Duitsers waren niet op de hoogte van het juiste aantal waardoor Gerbrands dankzij Bootsma en hulpvaardige Enkhuizers kon verdwijnen.

Helaas was een palingvisser getuige geweest, toen de mensen uit het wrak op het rubbervlot stapten en gaf het aantal mensen op aan de Duisters van een patrouilleboot. Dit aantal was één meer dan er in Enkhuizen, waren gearresteerd. Het vliegtuigwrak jammer genoeg nog drijvende, werd nu nauwkeurig onderzocht en alle papieren van de dode doorgezonden naar de S.D. in Den Haag. De Engelse vliegers werden dagenlang verhoord en de captain kon niet ontkennen, dat er twee agenten waren geweest, want men had negen parachutes in het wrak gevonden.

Op 3 april reden de S.D.'ers Joseph Schreieder, Karl Grimm, Nico Johannsen en de grote landverrader Anton van der Waals naar Lemmer, er vanuit gaande dat Bootsma de geheim agent had verborgen. Schreider wist dat Bootsma die dag thuis zou komen van een reis uit Rotterdam. Na arrestatie werd hij naar Leeuwarden gebracht, vandaar naar Scheveningen en vervolgens naar Utrecht, waar hij na vreselijke verhoren uiteindelijk aldaar door een Duitse rechtbank tot levenslange tuchthuisstraf werd veroordeeld, wegens hulpverlening aan de vijand. Ook de rest van de bemanning werd gearresteerd, maar reeds tijdens de bezetting in vrijheid gesteld. Buurman Gerben Bootsma, verbleef in verschillende tuchthuizen in Duitsland en overleed vijf dagen na zijn bevrijding in Butzbach tengevolge van verzwakking.

De 'Rederij Koppe NV' te Amsterdam waartoe de Tramboten behoorden, ging op 8 juli 1943 een verbintenis aan met de Nederlandse Spoorwegen. Koppe had op 13 februari 1942 al Verschure en Co's Algemene Stoomvaart Maatschappij, waarvan hij in de directie zat overgenomen. Deze nieuwe verbintenis hield ook een naamverandering in voor de schepen, die allemaal een riviernaam kregen met daarachter de uitgaande "stroom". Zo werd o.a. Holland _ Rijnstroom; Friesland _ Waalstroom; IJssel _ IJsselstroom. De Duitse bezetters riepen in dat jaar oud-militairen op zich te melden. Ze zouden te werk worden gesteld in Duitsland, met alle voordelen van dien. Maar dit was niet het grote ideaal wat kelner Hendrik Dijkstra voor ogen had, hij dook onder.

De bemanning van 'De Waalstroom' bestond toen uit kapitein Jan Bolhuis, stuurman Evert de Roos, matroos en stuurman Klaas Bolhuis, zoon van de kapitein en machinist Feite de Jong, stoker Jan Kamminga, hofmeester Wedman, kelner Tiemen Bouwhuis, die ook als stoker dienst deed, dit alles om tewerkstelling in Duitsland te ontlopen. Niet alleen voor de passagiers en vracht was de bootverbinding van belang, mede omdat motorbrandstof steeds schaarser werd, maar ook voor onderduikers die naar Friesland uitweken en als verbinding met de illegaliteit. Soms was de bemanning op de hoogte, als een belangrijk persoon uit het verzet de overtocht moest maken en buiten de controle van der Duitsers moest blijven.

Maar het ging ook wel eens anders, want toen machinist Feite de Jong op een avond bij de tramhaven kwam, bleek deze te zijn afgezet door Duitse soldaten. Men zocht een verzetsman die betrokken was geweest bij de overval op het distributiekantoor van Langweer en de Duitsers vermoeden dat deze zich aan boord van 'De Waalstroom' zou bevinden. Het gehele schip werd doorzocht en de bemanning verhoord, maar er werd niemand gevonden. Uiteindelijk mocht 'De Waalstroom' vertrekken, al bleven er wel Duitse soldaten aan boord.

Toen stoker Jan Kamminga, de vuren wou gaan verzorgen, kwam de gezochte met getrokken revolver uit de kolenbunker gestapt en zei tegen de hevig geschrokken De Jong en Kamminga: "Als jullie mij aangeven schiet ik ter afscheid wel een paar moffen overhoop". Men stelde hem echter gauw gerust en later bracht Kamminga, de roetzwarte verzetsman naar het voorschip, waar hij zich kon wassen. Hoe de man van boord is gekomen, is nooit duidelijk geworden, men vermoedde dat hij voor de Oranjesluizen overboord is gesprongen. Na de bevrijding bracht deze door de oorlog invalide geworden man samen met zijn vrouw een bezoek aan 'De Waalstroom' en wilde haar met alle geweld laten zien, waar hij zicht had weten schuil te houden voor de Duitsers. Hij moest de machinekamer ingedragen worden door de bemanning.

Motorvrachtschepen die het IJsselmeer bevoeren waren in de laatste oorlogsjaren tot werkloosheid gedoemd, daar brandstofolie alleen op vergunning van de Duitsers werd verstrekt. De stoomschepen van de Trambootdienst en de Groningen-Lemmer-Stoombootmaatschappij, gingen nu deze motorboten slepen. Vanwege het grote vrachtaanbod had men hier soms wel vier van die schepen achterhangen.

 

Een en ander ging natuurlijk wel ten koste van de snelheid en de manoeuvreerbaarheid. 's Nachts passeerden de 'Jan Nieveen' van de G.L.S.M. en 'De Waalstroom' elkaar op vaste tijden. Op een nacht bij helder weer werd het motorschip 'Zuiderzee', waarop kapitein Jelle Werkhoven met zijn zoon die in het voorschip lag te slapen, gesleept door de 'Jan Nieveen'. Stoker Kamminga, lag te kooi op 'De Waalstroom', maar werd wakker omdat er geblazen werd met de stoomfluit en vond dat maar vreemd, want dat gebeurde nooit 's nachts. Aan dek gekomen zag hij wat er ging gebeuren. Want tot verwondering van kapitein Bolhuis ging de 'Jan Nieveen' zijn koers veranderen en kwam met zijn sleep voor 'De Waalstroom' langs, tengevolge waarvan hij met met volle kracht in de sleeptros voer.

 

De gesleepte 'Zuiderzee' sloeg met een klap tegen de huid van 'De Waalstroom'. Ter plaatse van de machinekamer ontstond een gat, waardoor machinist De Jong, Urk kon zien liggen. Het gat zat boven de waterlijn zodat het schip geen water maakte. Kapitein Jelle Werkhoven van 'De Zuiderzee' had de aanvaring zien aankomen en bijtijds zijn zoon gewaarschuwd. De schepen konden na het voorval hun reis vervolgen.

 

Foto van: Zuiderzee. coll. Piet de Greef, Delfzijl.

 

 

Vaart in Zeeland.

Begin 1944 werden een aantal schepen van de rederij Koppe, ingezet in de provincie Zeeland om te gaan varen tussen Zijppe en Dordrecht met als doel Zeeuwen over te brengen, daar een gedeelte van Zeeland onder water gezet zou worden door de Duitsers. Deze evacuatie werd uitgevoerd door de Waalstroom, Rijnstroom, IJsselstroom en de Houtestroom, waarop men eerst masten en schoorsteen strijkklaar had moeten maken in verband met de passage van vaste bruggen. Volgens een oorkonde gedateerd 6 maart 1944 werden 3032 evacués overgebracht, die aan boord ook een warme maaltijd verstrekt kregen, waartoe grote ketels aan boord waren.

Op zekere dag was er een ketel pap aan boord van 'De Waalstroom' gekomen, waarvan de inhoud volgens machinist de Jong, niet helemaal zuiver was. Maar kapitein Bolhuis die behept was met een gezonde eetlust, ging er smakelijk van zitten eten met als gevolg 's avonds hevige darmstoornissen. Tijdens deze reizen waren ook Duitse militairen aan boord, die voor hun eigen kostje zorgden. Toen ze bezig waren met aardappelen te schillen, werd het stuurman de Roos in de stuurhut te gortig, toen hij zag dat men er vierkante blokjes van maakte. De Roos kwam naar beneden, schoof de Duitsers die op het luik van het ruim zaten opzij, knipte zijn zakmes open en schilde een aardappel zeer dun. De dunne schil omhoog houdend zei hij: "Zo moet dat" en zich verbazend over zoveel verkwisting ging hij hoofdschuddend de brug weer op.

De machinist van de Houtestroom, zat op een dag pannenkoeken te bakken. Toen hij een aardige stapel klaar had, werd hij geroepen door Jan Kamminga, van 'De Waalstroom' met de mededeling dat er iets aan de hand was in de machinekamer. Toen de goede man de kombuis haastig had verlaten, werd de stapel pannenkoeken weggegrist door Kamminga en meegenomen naar 'De Waalstroom' die op vertrek lag! Stoker Kamminga, had voor deze Zeeuwse periode zijn fiets meegenomen aan boord.

Op een morgen vroeg hij aan Feite de Jong, of deze ook wist wie er op zijn fiets vandoor was. Dit bleek kapitein Bolhuis te zijn. Een paar uur later riep machinist de Jong vanaf het dek naar Kamminga, die in de machinekamer de vuren aan het schoonmaken was, dat Bolhuis eraan kwam. Tot hun stomme verbazing zagen ze Bolhuis de fiets voortduwen met hierop een hoeveelheid proviand, waar 'De Waalstroom' een knappe lading aan had. De fiets was afgeladen met zakken meel, erwten en bonen, plus een paar stukken spek, terwijl de fietstassen waren gevuld met boter, suiker en koffie en over dit alles hing een levende bok. Het bokje zou door kapitein Bolhuis, persoonlijk wel even geslacht worden in het ruim. Maar dat werd geen succes, waarop stoker Kamminga, die in zijn jongensjaren een paar weken bij slager Wiersma in Lemmer had gewerkt, dat werk maar over nam.

Na de vaart in Zeeland werden de tramboten Waalstroom en Rijnstroom weer ingezet tussen Lemmer en Amsterdam, al voer 'De Rijnstroom' ook wel af en toe op Kampen en Zwolle, waar het schip later voorgoed op bleef varen. Voedsel ging steeds schaarser worden en was alleen op bonnen te verkrijgen of anders tegen woekerprijzen op de zwarte markt. Toen men vaten boter naar Amsterdam ging vervoeren bestemd voor de Duisters, kwam men tot dingen waar men vroeger niet aan durfde denken, want de lading was altijd heilig geweest, speciaal kapitein Bolhuis was daar zeer streng in. In de winter 1942/42 had stoker Jan Kamminga, hier al eens tegen gezondigd op een reis van 'De Holland' van Amsterdam naar de D.E. fabriek in Utrecht, met als bemanning kapitein Doornspleet, stuurman en matroos vader en zoon Van der Horst, machinist en stoker vader en zoon Kamminga.

Men moest ijsbrekend door het Merwedekanaal, tot grote woede van de schaatsenrijders die om 'De Holland' heen schaatsen en stenen door de ramen van de bovenbouw gooiden. Kort na Amsterdam was het roergerei ontzet geraakt door het zware ijs en moest eerst gerepareerd worden, voor men verder kon varen. In Utrecht werd bij D.E. balen met tabaksbladeren geladen, die bestemd waren voor de Duitsers. Maar Jan Kamminga, vond dat de bemanning hiervan ook wel wat mocht hebben en zette een aantal balen naast de ketel in de machinekamer. Dit tot grote schrik van zijn vader, die zoonlief al gearresteerd zag worden door de Duisters. Weer in Amsterdam aangekomen werd deze tabak eerlijk verdeeld onder de opvarenden van diverse schepen der rederij Koppe.

En nu in 1944 had men dus roomboter aan boord van 'De Waalstroom', wederom bestemd voor de Edelgermanen. Derhalve vroeg Jan Kamminga, aan machinist De Jong even een lichtje te maken in het ruim. Hierin afgedaald, haalde hij twee vaten boter weg en bracht deze naar de 2e klas kajuit in het vooschip. Voorzichtig werden deksel en papier verwijderd, terwijl hofmeester Wedman, de opdracht kreeg twee strijkbouten warm te maken.

 

Nadat ieder bemanningslid een pan vol boter had gekregen, waren inmiddels de strijkbouten warm geworden. Om een egaal oppervlak te verkrijgen streek Kamminga, met de warme bouten over de boter, deed vervolgens het papier er over, maakte de vaten weer keurig netjes dicht en bracht ze terug naar het ruim. Deze methode werd nadien meer toegepast, maar ontdekt door de controle op de Rijnstroom, waar de vader van Kamminga, de machinist op was. Volgens stoker Jan, was het hun eigen schuld, omdat ze geen strijkbouten hadden gebruikt!.

Van steeds groter belang werd de bootverbinding Amsterdam-Lemmer, voor de hongerende bevolking in het westen van ons land, want niet alleen werd de voedseldistributie steeds schaarser, ook treinen en bussen gingen minder en onregelmatiger rijden. Vaak stond men uren in de rij om een kaartje te bemachtigen voor de overtocht naar Lemmer. Wat in Friesland werd verkregen aan voedsel, wilde men ook weer meenemen naar Holland en dan te bedenken dat de Duitse controle, steeds scherper werd.

Groot was dan ook de woede der bemanningsleden als de gehate Groenjassen het onontbeerlijke voedsel voor het vertrek in beslag namen. Al probeerde men nog zoveel mogelijk de passagiers behulpzaam te zijn bij het ontlopen van de controle door de etenswaren tijdelijk te verstoppen. Zo boden de machinekamers vele onvindbare bergplaatsen. Voedsel wat door bepaalde lieden in Amsterdam ter verkoop werd aangeboden, bracht veel geld op.

Op zekere avond vroeg een zogenaamde handelaar aan stoker Kamminga, of deze even een zijdje gerookt spek kon verstoppen tot na de controle. Dit was geen probleem voor Kamminga, die het spek meenam naar de machinekamer, er daar vakkundig een flinke reep af sneed en de rest achter het schakelbord verstopte. Toen de man na controle der Duitsers het spek weer op kwam halen, vroeg Kamminga aan deze heer of de machinist en hij ook een stukje spek op het brood konden krijgen, waarop deze twee dunne plakjes afsneed. Stoker Jan bedankte de man hiervoor hartelijk en zei tegen machinist de Jong: "Zie je nou meester, dat je die gasten wel moet bestelen".

Ook vis werd duur betaald in Amsterdam, zo was gerookte paling uiteraard een gewild en kostbaar artikel. Een vishandelaar uit Lemmer verstopte om buiten de controle te blijven voor het vertrek, 40 pond paling in de kolenbunker van 'De Waalstroom' zonder de bemanning hiervan in kennis te stellen Toen stoker Kamminga, 's nachts kolen op de vuren gooide, kwam op een gegeven moment als brood uit de hemel, gerookte aal uit de bunker naar beneden wat hem deed uitroepen: "Meester moet je nou eens kijken, ik heb gerookte aal op de schop". Dat werd smullen die nacht voor de bemanning, want men had een paar pond achtergehouden, voor men de rest terugzette in de kolenbunker.

Dezelfde handelaar had een paar reizen later zijn vis goed kunnen verkopen en ter welkom thuis een mocca- en een slagroomtaart gekocht in Amsterdam en deze koud gezet in de ijskist van hofmeester Wedman, hetgeen kelner stoker Tiemen Bouhuis had gezien. Deze waarschuwde Jan Kamminga, dat er twee taarten in de ijskast van Wedman stonden. In die tijd een bijna nergens meer te verkrijgen delicatesse. Kamminga haalde de doos met de slagroomtaart uit de kist, sneed de taart in punten en verdeelde deze onder de watertandende bemanning, die geen idee had waar dit heerlijks vandaan kwam.

Na afloop van deze smulpartij verwijderde Kamminga zich met de lege doos, deed er een grote boodschap in, versierde één en ander met stukjes steenkool en schijfjes wortel en zette de gesloten doos weer in de ijskist terug. Groot was de consternatie ten huize van de vishandelaar, toen 's morgens de doos werd geopend.

In het voorjaar van 1944 verliet machinist Feite de Jong, op doktersadvies wegens maagklachten 'De Waalstroom'. Zijn plaats aan boord werd ingenomen door Jaap Wijnstra. De oorlogssituatie ging veranderen, want de Duisters werden steeds meer teruggedrongen. Het personeel der rederij Koppe gaf als onderdeel der Nederlands Spoorwegen gehoor aan de oproep uit Engeland om in staking te gaan na de luchtlandingen bij Arnhem in september 1944.

'De Waalstroom' en 'Rijnstroom' werden hierop gevorderd door de Duitsers, om dienst te gaan doen als hospitaalschepen. Ze werden hiertoe wit geschilderd en voorzien van rode kruistekens. Een deel der stakende bemanning werd gearresteerd en gedwongen te varen voor het transport van gewonde Duitsers, want de Canadezen waren na de barre winter van 1944/45 in opmars vanuit Oost Nederland.

Op 17 april 1945 volgde de bevrijding van Lemmer. In chaotische toestand waren de Duitsers met schepen 's nachts naar Holland vertrokken, terwijl Lemmer onder vuur lag van de Canadezen. Tijdens hun tocht naar de haven gooiden ze nog handgranaten in enkele huizen, waar bewoners zich in de kelder schuil hielden voor de Canadese beschieting. Zo vielen er op de laatste dag van de oorlog nog slachtoffers onder de Lemster bevolking.

De laatste terugtrekkende Duitsers blokkeerden door het laten zinken van schepen sluis en haven, zodat scheepvaart niet meer mogelijk was naar het noodlijdende Holland. Maar gelukkig kwam op 5 mei 1945 het einde van de Tweede Wereldoorlog. De tramboten hadden in de laatste oorlogsjaren geen schade opgelopen. Stropakken en zandzakken werden verwijderd en al gauw werden ze weer in hun oude vertrouwde kleuren geschilderd. Machinist Feite de Jong, kwam na een maagoperatie terug op 'De Waalstroom' en ook Hendrik Dijkstra, kwam na zijn onderduikperiode weer boven water. Herman Meynen, werd kapitein en Arnold Drent stoker.

Een ongekend passagiersvervoer barstte los tijdens de zomerdiensten na de bevrijding. De boten voeren letterlijk af en aan. Voedsel bleef nog schaars de eerste tijd. Tijdens de zomerdienst op het eind van de week schoot 'De Waalstroom' vaak langszij van een aan de kuilliggende visserman. Men ruilde dan steenkool tegen verse aal, die door de bemanning werd meegenomen naar huis, waar steevast op zondag gestoofde aal werd gegeten.

Tijdens de drukke zaterdagen voeren ook de Staverse boten tussen Lemmer en Amsterdam, zodat we de 'Van Hasselt' en 'De Bosman' in de haven van Lemmer konden bewonderen. En zo komen we aan het einde van vijf bewogen jaren uit de geschiedenis der tramboten, waarin veel leed werd geleden. Dit als dure prijs voor het in stand houden der verbinding tussen Friesland en Holland in samenwerking met de boten der Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij.

J. W. de Jong, Alkmaar.

 

Home

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.