|
Beschreven door Frank
Hemkes.
◊ Opkomst van het verzet:
hulp aan onderduikers.
De eerste oorlogsjaren
verliepen betrekkelijk rustig in Lemsterland. Bij de
Duitse inval was er geen schade geleden, de boeren
hadden het goed en van onaangename maatregelen tegen
joden merkte men niet veel aangezien de gemeente slechts
drie joodse inwoners telde. Wel was er enig moreel
verzet: in Lemmer namen politieman 'Lange Gradus'
Wierdsma en enkele collega's ontslag omdat zij het niet
eens waren met het Duitse beleid. Er waren de illegale
bladen: in 1941 werd deels in verband met zijn
medewerking aan het verboden 'Het Noorderlicht' de
populaire Lemster communist Jacob de Rook opgepakt. Het
leven ging door, maar stilaan groeide de haat - nog
versterkt door het toenemend aantal van door de bezetter
uitgevaardigde verboden.
Het verzet in Lemsterland begon werkelijk vorm aan te
nemen in het najaar van 1942 met de komst van de eerste
groepen onderduikers. Dit waren mensen die aan
Arbeidsdienst (verplichte dienst, waarbinnen arbeid
verricht moest worden; aan de Duitse overheid met als
doel jongeren te doordringen van het
nationaal-socialistische gedachtegoed Arbeitseinsatz
(tewerkstelling van Nederlandse jongemannen in
Duitsland) en natuurlijk de jodenvervolging wilden
ontkomen. Er werd naar wegen gezocht om al deze
voortvluchtigen uit handen van de Duitsers te houden,
door voor betrouwbare schuiladressen en de noodzakelijke
levensbehoeften te zorgen.
Degenen die zich hier in een vroeg stadium mee
bezighielden waren in Echtenerbrug Johannes Kraak, Pier Cuiper en Philippus Spits. In Lemmer werd dit gedaan
door Fokelinus van der Wal en Willem Beijering,
bijgestaan door Ynze de Jong.
Belangrijke contacten waren in Joure, waar Sjoerd
Wiersma en Uilke Boonstra heel veel joden uit Holland
haalden om hen in de Friese
Zuidwesthoek te laten onderduiken.
Lemsterland was uitermate geschikt voor het onderbrengen
van onderduikers. Met name de Echtenerpolder, globaal
het gebied tussen
Lemmer, Echtenerbrug en Schoterzijl, leende zich daar
door zijn onherbergzaamheid uitstekend voor. Mede door
de onmiddellijke nabijheid van dit gebied kwam het
brandpunt van de verzetsactiviteiten al gauw In het
kleine dorp Echtenerbrug te liggen. Door de vele joodse
onderduikers kreeg Lemsterland benamingen als 'It Fryske
Jeruzalim' en werd Echtenerbrug 'Klein Palestina'
genoemd.
De onderduikers kwamen met de Lemmerboot; de 'Jan
Nieveen', aan of werden van het station in Heerenveen of
Wolvega gehaald. Meestal
in het donker werden zij naar hun adressen gebracht.
Aangezien de onderduikers in huis moesten blijven,
gingen zij als tijdverdrijf garen
spinnen of koffie malen. De kosten voor hun verblijf
werden door de verzetsmensen en de gastgezinnen aanvankelijk uit eigen zak betaald.
De benodigde bonkaarten - veel levensmiddelen waren op
rantsoen en door middel van bonnen verkrijgbaar - werden
in het geheim gedistribueerd.
Gaandeweg werden complete
illegale netwerken opgezet en kreeg het verzet een
steeds meer georganiseerd karakter. De LO (Landelijke
Organisatie voor hulp aan onderduikers) werd opgericht,
alsmede het NSF (Nationaal Steunfonds, voor de
bekostiging van de onderduikerhulp ) en de PB-centrale
(voor het vervalsen van persoonsbewijzen; hoofd van
district Sneek werd de Lemster Dirk Onderweegs).
Veel dorpelingen waren op de hoogte van de illegale
activiteiten van hun plaatsgenoten en noemden hen 'De
Geheime Dienst', maar zwegen tegenover de Duitse
autoriteiten. 'Het was één grote familie in die tijd',
aldus Johannes Kraak.
Dat er aan het illegale werk grote risico's verbonden
waren, zal duidelijk zijn. Er werd meestal onder een
schuilnaam gewerkt om bij eventueel verhoor medestanders
niet in gevaar te hoeven brengen. Ook was het
verzetswerk geen vrijblijvende aangelegenheid. 'Als je
er één keer aan begint, dan kun je niet ophouden',
stelde voormalig koerierster Willy van der Gaast, die
naast het overbrengen van berichten ook dikwijls
onderduikers naar hun adressen begeleidde. De
verantwoordelijkheid voor de onderduikers drukte zwaar
op de verzetsmensen.
Hun beschermelingen wilden wel eens roekeloos zijn:
Willy kon zich nog een voorval herinneren uit de winter
van 1944, toen de onderduikers zich ter hoogte van de
Otterweg bij tientallen op het ijs waagden om te
schaatsen. 'Luit (Mulder) vond dat heel erg. Als de Duitsers daar lucht van gekregen hadden, dan hadden ze
er heel veel tegelijk kunnen pakken'. Maar over het
algemeen behoorden deze dingen tot de incidenten en kan Lemsterland bogen op het feit één van de hoogste
aantallen onderduikers per vierkante kilometer
gehuisvest te hebben; volgens sommigen meer dan duizend
op het totale grondgebied.
In de zogeheten ondergrondse werden uiteindelijk zo'n
vijfentwintig mensen actief. Het was niet zozeer een
kwestie van 'in het verzet gaan', als wel iets waarbij
men geleidelijk steeds nauwer betrokken raakte. Of,
zoals Ynze de Jong dit uitdrukte: 'Wij vinden onszelf
geen helden. Je rolde er eigenlijk vanzelf in. Iemand
vroeg of je een adres voor een onderduiker wist. Daarna
ging je zelf op pad en zo ging het verder.'
Sjoerd Wiersma,
directeur van een wasserij te Joure en topman van het
verzet in de Zuidwesthoek. Zijn schuilnaam was Sjouke
van der Zee. Na februari 1944 kwam Wiersma zelf als
onderduiker in Echtenerbrug terecht.

Eén van de verzetspioniers
in Lemsterland was de op 16 maart 1906 geboren veehouder
Johannes Kraak. Voor hem begon het allemaal in het
voorjaar van 1942, toen hij een brief kreeg van een
zwager uit Harderwijk. Daarin vertelde de zwager dat een
neef van hem een oproep had gekregen voor werk in
Duitsland en dringend een onderduikadres nodig had.
"Laat hem maar komen', schreef Johannes terug en zo
gebeurde het' Er werd een spinnewiel aangeschaft en voor
schapenwol gezorgd.
In juli kreeg Johannes Kraak bezoek van twee mannen, Zij
stelden zich voor als Libbe Smit, ingenieur bij Philips
in Eindhoven en Herman Kiefit de Jonge, zoon van een
notaris in Heerenveen en eveneens bij Philips werkzaam,
De mannen deelden Kraak mee dat zij via een bevriende
veehandelaar gehoord hadden van de onderduiker: Ze namen
Kraak in vertrouwen en informeerden of hij nog meer
onderduikers herbergen en verzorgen kon, Johannes Kraak
verklaarde zich volmondig akkoord, en vanaf toen werd
een grote stroom onderduikers vanuit het zuiden, des
Iands naar Echtenerbrug gedirigeerd, voor een al of niet
tijdelijk verblijf op de boerderij, 'As ien de minste
is, der háld ik it mei', verwoordde Johannes Kraak zijn,
beweegredenen om zich om de onderduikers te bekommeren.
'En
dan die verrekte rotmoffen, wat diene se hjirre'. Met
veekoopman
Pier Cuiper, die vaak op de boerderij kwam, begon Kraak
een duurzame samenwerking om de onderduikers ook op
andere
adressen in de omgeving onder te brengen. De beide
mannen
vonden enige tijd later 'een machtige bondgenoot in
Sjoerd
Wiersma uit Joure, die zich samen met zijn broer Gerlof
en diens vriend Jaap Hilverda ook bezighield met
onderduikershulp
in Echtenerbrug. Libbe Smit bleef op de boerderij om
mensen
naar Engeland te helpen ontsnappen.
De onderduikers, waaronder veel joden, kwamen meestal
van het
station in Heerenveen en arriveerden 's avonds op de
boerderij.
Onder hen was ooit een joodse professor, bij wie gezegd
was dat
er goed op hem gelet moest worden: hij stond namelijk op
het punt een belangrijke uitvinding voor
Philips te doen. Het echtpaar kon zich zijn voormalige
gast nog goed voor de geest halen. 'Het was een
leuke man', vertelde mevrouw Kraak. 'Maar hij 'wilde
eigenlijk niet zo graag onderduiken. Hij meende
dat als hij zich zou laten castreren, hij wel vrij kon
rondlopen. Hij is later toch gepakt natuurlijk'.
Buiten veilig onderkomen' voor onderduikers, werd de
boerderij illegaal distributiepunt voor de
benodigde bonkaarten. Ook werden er regelmatig
vergaderingen van de ondergrondse belegd. In de stal
was een vernuftige schuilplaats gecreëerd: in het hooi
vak was een ruimte uitgespaard, die via een luik
in de schutting toegankelijk gemaakt was. Het luik was
door middel van een balk af te sluiten en alleen
van binnenuit te openen. Precies voor de ingang had men
een grote stier neergezet. De schuilplaats
diende ook tot bergplaats voor kisten met bonkaarten en
met wapens en munitie.
De onderduikersstroom ging nog steeds onverminderd door.
Johannes was vaak samen met Sjoerd
Wiersma op weg naar het zuiden om de zaken met
betrekking tot de onderduikers te regelen. In
Echtenerbrug was Johannes druk doende om geld in te
zamelen voor het NSF; ook het verspreiden van
de illegale bladen 'Trouw', 'Vrij Nederland' en 'Je
Maintiendrai' nam veel tijd in beslag. Zijn vrouw
Sietske had haar handen vol aan de verzorging van de
onderduikers. Soms verbleven er wel 15 tegelijk
op de boerderij; er werd in het wagenhok geslapen, in de
paardenstal en op het zoldertje boven de
varkenshokken. Op een gegeven moment werd het zo vol met
onderduikers, dat het teveel werd voor
het zenuwgestel van mevrouw Kraak: Er moest op korte
termijn raad geschaft worden. Eén van Kraaks
arbeiders bewoonde een huisje aan de Heksloot, gelegen
temidden van de weilanden in de buurt van
het huidige Bantega. Johannes stelde voor, dit huisje
van diens vader te kopen en het wagenhok van
de boerderij 'te vertimmeren en geschikt te maken voor
bewoning. De arbeider zou dan zijn intrek
kunnen nemen in het wagenhok, terwijl in het huisje aan
de Heksloot 4 joodse echtparen ongestoord konden
verblijven.
Men vond het een prima idee en het plan werd uitgevoerd,
Alles ging goed, tot in de nacht van de 14e
mei 1944 het noodlot toesloeg. In de nanacht werd het
gezin Kraak plotseling gewekt doordat er hard
op het raam getikt werd. Het was veekoopman Jan de
Vries, die niet ver van het huisje aan de Heksloot
woonde. Buiten adem kwam hij vertellen dat de 8 joden
zojuist door de Duitsers opgehaald waren. Een
in het land achter het huisje wonende man had de joden
aan een NSB'er verraden, die op zijn beurt de Duitsers verwittigd
had. 'Ik zou maar gauw vertrekken', waarschuwde
De Vries, 'want jullie naam is genoemd!' De familie
verliet hals over kop de boerderij en zocht haar
toevlucht bij de vader van Johannes in Echten. Tegen de
verwachting in bleef alles de volgende dagen rustig,
zodat het gezin weer op de boerderij terugkeerde. De
weduwe De Jong, bewoonster van een naburige boerderij,
stond er wel op dat het gezin de eerste tijd bij haar
overnachten zou.
Johannes Kraak, voor
zijn boerderij aan het Krompad te Echtenerbrug. De foto
is enkele jaren voor de oorlog gemaakt.
Op een ochtend kort daarop
kwam een man uit Echtenerbrug op de boerderij van Kraak,
en vertelde dat er bij iemand die dominee was in
Groningen een onderduiker was gepakt. Men was bang dat
er gezegd zou worden dat er in Lemmer ook onderduikers
zaten bij de dominee, zodat er snel bericht heen moest.
Nu moest Johannes toch die richting uit, dus hij bood
aan dit op zich te nemen.
Johannes was al op de terugweg toen bij Oosterzee Kerst
Koopmans, opzichter van de Veenpolder, hem tegemoet
kwam. Deze riep hem in paniek toe: 'De moffen zijn op je
boerderij!' Geschrokken haastte Johannes zich naar de
boerderij van weduwe De Jong. Hij stond duizend angsten
uit, want hij wist dat zijn vrouw en dochtertje nog op
zijn boerderij waren. Maar Annie Oord, de oudste dochter
van Pier Cuiper, had al vernomen dat de Duitsers
onderweg waren en had mevrouw Kraak gewaarschuwd. Deze
slaagde er nog wel in dochtertje Janneke de weg over te
sturen naar buurvrouw Diever, maar om zelf te vluchten
was het te laat: de Duitsers smeten hun fietsen al langs
de kant van de weg neer. Zij verborg zich snel in de
schuilplaats, waar ook een motor stond die voor
koeriersdiensten gebruikt werd.
Mevrouw Kraak nam plaats
op de buddyseat en wachtte trillend van angst de
gebeurtenissen af. De Duitsers doorzochten de boerderij
grondig, waarbij ze de schutting om de schuilplaats op
eventuele oneffenheden aftastten en met vorken in het
hooi staken.
Inmiddels was de Knokploeg paraat en verzamelde zich bij
de boerderij van De Jong. Er hadden zich ook wat andere
verzetsmensen bij gevoegd en er werd druk beraadslaagd.
Wiepke Hof, een man die een winkeltje in klompen en
landbouwgereedschappen had, bood aan om poolshoogte te
gaan nemen.
Onder het voorwendsel dat hij een hark kwam brengen,
keek hij op de boerderij rond en constateerde dat de
Duitsers mevrouw Kraak niet gevonden hadden. Hij meldde
de mannen bij weduwe De Jong dat alles voorlopig in orde
was. Er zat toen niet anders op dan af te wachten totdat
de Duitsers de huiszoeking zouden staken.
In de schuilplaats was
mevrouw Kraak haar zenuwen nagenoeg de baas geworden. De
uren verstreken en zij zat nu al tweeënhalf uur in de
schuilplaats. Vanuit de boerderij van weduwe De Jong
volgden de mannen nog steeds met spanning wat er zich op
de boerderij van Kraak afspeelde. Op zeker ogenblik
zagen zij de knecht met paard en wagen naar buiten
komen. In zijn gezelschap waren enkele Duitsers, die
iets op de wagen laadden. 'Als de vrouw erbij is, Kraak,
dan schieten we die Duitsers erachter weg!'.
- 'Wacht even! Je past toch wel een beetje op mijn
vrouw, hè?' Maar toen de kar passeerde, bleek dat het
alleen de radio van de boerderij was die van de Duitsers
naar Lemmer gebracht moest worden.
Johannes slaakte een zucht van verlichting en nadat de
laatste Duitsers vertrokken waren, spoedden de mannen
zich naar de boerderij. Mevrouw Kraak kwam geradbraakt
uit de schuilplaats en Johannes nam de beslissing om
ditmaal definitief naar zijn vader te verhuizen. Men
bleef echter op alles bedacht. Toen na een nieuwe
huiszoeking de knecht kwam vertellen dat de Duitsers
geïnformeerd hadden naar zoontje Geert, hield Johannes
deze voor de zekerheid een week van school thuis.
In augustus kroop de
familie nog eenmaal door het oog van de naald. Op de 14e
toog het hele gezin op de fiets naar Zwartsluis, naar de
verjaardag van Johannes' schoonvader. Ter hoogte van
Schoterzijl kwam men de vrouw van een NSB'er tegen, een
vroegere vriendin van een zuster van mevrouw Kraak.
Men sloeg er verder geen acht op en vervolgde zijn weg.
's Avonds na de visite vroeg mevrouw Kraaks zuster uit
Harderwijk of het gezin met haar mee wilde gaan naar
haar woonplaats. Een verstandig besluit, want die nacht
deden de Duitsers een inval in het huis van de
schoonvader. Een zwager die er nog was, Botte de Boer,
werd met een ketting aan een boom gebonden en de
Duitsers zetten hem een pistool op de borst. De Duitsers
bekeken de foto, die zij bij de eerste huiszoeking
hadden meegenomen en zagen dat Johannes Kraak er niet
bij was. De Boer gaf uiteraard voor van niets te weten
maar had het wel even benauwd. De Duitsers lieten De
Boer nog een poosje zo vastgebonden staan en verdwenen
toen weer. Het gezin Kraak was na Harderwijk
doorgefietst naar Lichtmis; later kregen zij het
politieblad van Harderwijk onder ogen, waarin een foto
van Johannes gepubliceerd stond.
De familie realiseerde zich dat zij aan een groot gevaar
ontsnapt was.
Toen in januari 1945 de
boerderij nogmaals doorzocht was, vond men het te
riskant worden om langer bij Johannes' vader te blijven.
Het gezin vond eerst onderdak bij Bernardus Holtrop
boven Bantega, daarna bij de familie De Haan aan de
Otterweg. Er volgde een reeks van onderduikadressen,
waarbij men zelfs in Langweer en Woudsend terechtkwam.
Een periode die door mevrouw Kraak omschreven werd als
'een vreselijke tijd'. Het echtpaar kwam gelukkig de
oorlog heelhuids door.
◊ Het Ambtenarenverzet
- Fokelinus van der Wal.
De Friese belastingambtenaren, waren al vroeg betrokken
bij het verzet. Zij gingen bovendien een voorname rol
spelen bij de financiering ervan, Hun aanwezigheid in
het verzet werd pas massaal, nadat één van hen de dood
had gevonden in kamp Vught. Zijn naam was Fokelinus van
der Wal uit Lemmer.
Om van voren af aan te
beginnen: deze Van der Wal was in 1899 in het Groningse
Stedum geboren, Hij werkte aanvankelijk als
boerenknecht, doch haalde in 1922 zijn examen tot
kommies: dit was een ambtenaar van de belastingen voor
de buitendienst. Hij verhuisde naar Gennep en daarna
naar Vlagtwedde, waar hij in het huwelijk trad met Alke
van Steenwijk Het echtpaar vestigde zich in 1925 aan de
Parkstraat in Lemmer. Fokelinus werd
kommies-dienstgeleider en was een druk bezet man in het
Lemmer van die dagen.
De Duitse inval van 1940 was voor de rechtlijnige Van
der Wal een onrechtmatigheid die hij maar moeilijk
accepteren kon, Als lid van het schoolbestuur drong hij
aan op een compromisloze houding jegens de bezetter,
toen deze het onderwijs onder zijn invloed trachtte te
brengen. In de loop van 1942 begon hij samen met zijn
assistent Willem Beijering met het zoeken naar veilige
adressen in de gemeente voor onderduikers; tevens
voorzagen de beide mannen hen van voedsel en kleding.
Toen begin 1943 ambtenaren
van de belastingdienst personeelsleden moesten aanwijzen
voor tewerkstelling in Duitsland, was Van der Wal
furieus, In Leeuwarden en Heerenveen was reeds bij wijze
van protest een handtekeningenactie op touw gezet en
Fokelinus belastte zich in Lemmer hiermee, Op een avond
kort daarna, het was 10 februari, kwam Van der Wal net
voor spertijd thuis.
Er werd aangebeld. De familie hoorde op hetzelfde moment
mensen rennen aan de zijkant van het huis, 'Dit is mis',
zei Fokelinus en boven, in de slaapkamer aangekomen zag
hij dat het huis omsingeld was, Zijn vrouw wierp snel
bezwarende papieren in de schoorsteen.
Toen de Duitsers binnen waren, doorzochten zij een uur
lang het huis, De hele familie moest met de handen tegen
de muur gaan staan. Van der Wal werd meegenomen naar het
hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD) te
Leeuwarden.
SD-handlanger Frans Lammers verzekerde de
achtergeblevenen, dat hun man en vader binnen veertien
dagen weer terug zou zijn. Maar Fokelinus werd via
Groningen naar kamp Vught gevoerd.
Inspecteur Olsman in Heerenveen ondernam verwoede
pogingen om zijn ondergeschikte vrij te krijgen, maar
zonder resultaat. Na verscheidene weken kwam er pas
opnieuw bericht. 'Ik kan nu weer schrijven ....,' stond
er intrigerend in Fokelinus' brief.
Op 22 april ontving de
familie via ds. Wessels de tijding van het overlijden
van Van der Wal.
'Longontsteking', luidde' de officiële verklaring. De
nabestaanden twijfelden aan deze lezing - was het niet
allemaal wat al te snel gegaan met Van der Wal? Pogingen
om de juiste toedracht te achterhalen leverden niets op.
Fokelinus van der Wal liet een vrouw en tien kinderen
achter, Zijn collega's zorgden ervoor dat er in
Friesland een eigen fonds voor verzetsfinanciering tot
stand kwam, dat spoedig werd opgenomen in het Nationaal
Steunfonds (NSF).
◊ Echtenerbrug als
basis der Ondergrondse.
Philippus Spits, In
november 1939 gefotografeerd met zijn bruid IJtje.
De
vrijgevochten Spits was sinds najaar 1942 actief. Toen
hij. zijn verzetsloopbaan begon, verbaasden zijn
familieleden zich over zijn nieuwe hobby: het houden van
konijntjes, waarmee hij zelfs naar tentoonstellingen
toog. Wat zij niet wisten, was dat Philippus de
konijnenhokken gebruikte om in de dubbele bodem
bonkaarten, wapens e.d. te smokkelen.
Spits hield zich in hoofdzaak bezig met het
onderduikerswerk; als groenteman had hij vele contacten
in de omgeving om onderduikers onder te brengen. Ook
deed hij af en toe mee aan KP-acties. Dit alles nam
zoveel tijd in beslag, dat zijn knecht de groentezaak
dreef.
Als Philippus de onderduikers op ging halen, vermomde de
ras-toneelspeler zich vaak en liep hij bijvoorbeeld
mank. In het najaar van 1943 vonden drie joden, die in
Lekkum hadden moeten uitwijken voor de verrader Vergonet,
een veilig onderdak in huize Spits; na vijf weken wist
hij hen in Langelille te plaatsen.
Binnen het onderduikerswerk ging hij zich toeleggen op
pilotenhulp; hij werd daarbij van tijd tot tijd
geassisteerd door zijn vrouw IJtje, die de piloten naar
de trein in Heerenveen bracht. Deze deden zich dan voor
als doofstommen. Verdere hulp verleenden vader Spits,
die als postbode bonkaarten tussen de brieven vervoerde
en Leen Koeman, een bij de familie Koopman ondergedoken
student oude talen, die vakkundig persoonsbewijzen,
Ausweise etc. vervalste.
Spits' illegale contacten buiten de gemeente waren Uilke
Boonstra en Sjoerd Wiersma; in Echtenerbrug waren dit
vooral Fedde Kalsbeek en Harm Bootsma.
Toen Philippus na de rampzalige gebeurtenissen van
januari 1945 onderduiken moest, schreef hij op zijn
deur: 'Volgens plan ontruimd'.
Interview: Ph. Spits
te Leeuwarden op 12 Februari 1949
Het allereerste begin van
Spits was het optreden om geld te verzamelen voor het
Nationaal Steunfonds. Dit geld werd naar bakker Van der
Veer in Joure gebracht. Dit was voor de zg. zeemanspot.
Daarna was het werk eigenlijk met krantjes. Misschien
Parool. Uit Eindhoven kwam een groep t.w. Kievit de
Jonge, Smid en Van der Zwaag, die bij Philips werkten en
daar kwamen wel bonkaarten vandaan. Kievit de Jonge was
een zoon van notaris Kievit de Jonge uit Heerenveen.
Toen de meistaking begon ging alles veel gemakkelijker.
De bovengenoemde groep uit Eindhoven had overal contact,
o.a. ook met Van der Waals (?). Zij werkten o.a. in
Amsterdam en Eindhoven.
Als zij soms krap zaten kregen zij later ook wel
bonkaarten in Eindhoven. Verbindingsman in Echten was
Kraak, die Spits in contact bracht met deze groep. Kraak
woonde aan het Krompad te Echten en was boer-veehouder.
Later begon Spits samen te werken met Fedde Kalsbeek in
Echten. Ook met Kees Mebius uit Follega, nu in Delft.
Via Kalsbeek weer contact met Sjoerd Wiersma.
Toen Spits met de KP-Sneek in aanraking kwam kreeg hij
de wapenen van Sjoerd de Boer. Daarvoor al van Simon
Kuipers in Oosterzee. De KP-Sneek kraakte Vollenhove.
Eerst met Houwing gesproken, die het best vond, dat in
Echten een KP kwam. Daarvoor aangezocht lange Jan, Rob.
Wietze kwam en die bracht de KP over naar Sneek. Wietze
heeft het toen overgenomen met Wim Reinders.
Pen, een boer uit Echten heeft heel wat kraken onder
gebracht. Eenmaal stopte de auto van Crack-State daar en
toen zeiden de mensen, nu zie je waar de verrader zit.
Spits zorgde dat de jongens een plaats kregen en
verzorgde ze.
De eerste kraak in Workum is vanuit Sneek gedaan
(politie De Jong).
Drie weken voor de liquidatie van Huls, een kraak in
Kuinre. Heel wat gekraakt: o.a. brandkast en
bevolkingsregister meegenomen.
Bij Wolvega (Sonnega) eens
3 dorsmachines in brand gestoken. Bij een SS'er in
Heerenveen de wapens weggehaald.
In Sneek nog het Distributie-bureau van Wymbritseradeel
weggehaald.
In de Barteljorisstraat te Haarlem liep Spits bijna in
de val. Hier werd o.a. Ds. Ten Boom gevangen genomen.
Kraak bracht wel koeien in Echten, vette koeien.
Onderweg kregen deze 'blindedarmontsteking' en dan
direct naar het abattoir en ingeblikt; waarschijnlijk
bij Van der Berg in Makkum. De wikkels die er op moesten
waren een heel probleem. Dit was Boonstra uit Joure zijn
werk. Deze koeien kregen een gewicht aan de 'bealich' om
aan 't gewicht te komen. Er was een keurmeester in Sneek,
die er zijn medewerking bij verleende. Deze blikken
gingen naar Amersfoort.
Er is een Thijs Menger in Noordwolde gearresteerd. 3
Jan. 1945. Deze heeft gesproken. Om kwart voor tien Wim
Reinders gearresteerd. Spits zag de auto wegrijden.
Pier Cuiper en zijn
vrouw Koba.
Zijn huisje aan de
Hoofdweg fungeerde meestal als doorgangshuis voor
onderduikers. 's Avonds was Pier dikwijls met de fiets
op pad om de onderduikers in de Echtenerpolder onder te
brengen. Hij werd hierbij geholpen door zijn dochter
Annie; soms stak ook dochter Gelske een handje toe door
koeriersdiensten te verrichten. Van zijn vrouw Koba
kreeg Pier grote morele steun. Zoon Sijmon was gedurende
de oorlog
lid van verschillende Knokploegen, die vaak in huize
Cuiper vergaderden. Zijn pistool had Sijmon in een holle
balk in de slaapkamer verborgen.
In het varkenshok achter het huis bevond zich een
turfbult, waarin een schuilplaats was gemaakt voor
onderduikers. Een ruimte onder de vloer van de gang
diende ook voor dat doel. Als de onderduikers in het
Tjeukemeer gingen zwemmen, hing moeder Cuiper bij wijze
van waarschuwing in het geval van een razzia een witte
doek op bij het schuurtje.
Voorts konden de onderduikers zich verbergen in een
schuilhut in het hooi bij de tegenoverliggende boerderij
van Visser. Wanneer het er teveel waren voor het huis
van Cuiper, vonden ook de bonkaarten voor onderduikers
in deze schuilhut een plaats. Bij onraad stopte mevrouw Cuiper de bonkaarten in de vakken van haar schort.
In februari 1945 werd Pier
Cuiper gevangengezet in Crack-State te Heerenveen. Zijn
familie behield nog contact met hem door briefjes in een
gebakken ei naar binnen te smokkelen. Waarschijnlijk
dankzij het feit dat hij niet betrokken was geweest bij
wapenvervoer, ontkwam hij aan de fusillade op 17 maart
1945.
Pier Cuiper hield niet van opsmuk en behoorde tot
diegenen, die zich na de oorlog niet op de borst
sloegen. Hij had gewoon zijn plicht gedaan, vond hij.
Sijmon Cuiper. Vals
persoonsbewijs op naam van 'Libbe Marten van Es'. Zijn
andere schuilnamen waren 'Marten' en 'Willem Boomsma'.
Sijmon was de zoon van Pier Cuiper en had zijn
werkterrein hoofdzakelijk buiten de gemeente. Hij was
sinds 1943 actief in diverse Knokploegen; met de ploeg
van Uilke Boonstra overviel hij op 10 september 1943 het
distributiekantoor in St.Jansklooster. Op 7 juli 1944
deed hij ditzelfde in Workum voor de KP van Sneek.
Grootste wapenfeit was zijn deelname aan de fameuze
gevangeniskraak in Leeuwarden, 8 december 1944.
Sijmon Cuiper speelde ook
nog een rol als BS-commandant bij de bezetting van de
brug in Scharsterbrug aan het einde van de oorlog.
Verder waren in Echtenerbrug werkzaam Wiepke Hof en
diens zwager, meubelmaker Albert Koopman.
In de omgeving van Langelille opereerde nog de te
Delfstrahuizen woonachtige Hendrik Wind op het gebied
van de onderduikershulp; de bij diens ouders in de kost
zijnde Apeldoornse waterpolitieman Gerrit Jan Niesing
('Chris') was actief als KP'er en was zowel aanwezig bij
de
overval op het distributiekantoor van Workum als bij die
op de gevangenis te Leeuwarden.
Fedde Kalsbeek werkte in
de kruidenierszaak van zijn ouders in Delfstrahuizen. In
1943 werd hij door Sjoerd Wiersma en Uilke Boonstra uit
Joure benaderd om verzetswerk te gaan doen. Boonstra
bezorgde hem een legitimatiebewijs van de
luchtbeschermingsdienst, opdat hij ook na spertijd op
pad kon. Fedde ging zich niet alleen bezighouden met de
plaatsing van onderduikers, maar ook met de distributie
van bonkaarten en de verspreiding van illegale bladen
(Vrij Nederland').
Het plaatsen deed hij meestal met de fiets: overdag was
hij alleen, in de nachtelijke uren werd hij regelmatig
geholpen door zijn zwager Harm Bootsma. Soms verleende
ook ene Hoogeveen assistentie, die een auto met
gasgenerator had. De joden werden soms in een bootje in
de Tjonger verborgen.
Fedde kreeg de onderduikers vaak via Joure; een enkele
maal arriveerden zij zelfs per ziekenwagen.
Zijn contact in Lemmer was Dirk Onderweegs.
Als zijn ouders hun zoon wilden waarschuwen voor onraad,
plaatsten zij een bepaalde plant in een pot voor het
raam.
• Henk Akse, alias Arie van der Pol.
Deze Meppeler
bakkersknecht geboren op 2 juli 1919 te Kolderveen,
speelde een jaar lang een belangrijke rol in het
Lemsterlandse verzet. Hij werd op 20 maart 1944 te
Steenwijk gearresteerd, omdat controlerende landwachters
zijn papieren niet in orde bevonden. De dag daarop werd
hij aan de SD te Arnhem overgedragen, waarna op 31
augustus te Utrecht zijn veroordeling tot 2 jaar
tuchthuisstraf volgde.
Hij werd weggevoerd naar Duitsland en kwam in de
strafinrichting van Ziegenhain terecht. Door de slechte
omstandigheden daar liep hij pleuritis op. Van der Pol
overleed op 10 april 1945 in een ziekenhuis te Marburg.
Begraven op de algemene
begraafplaats te Meppel, monument vak M, nummer 37.
Twee mannen uit Meppel
gingen ook deelnemen aan het verzet in Echtenerbrug.
Lemsterland kende hen onder de namen Wim Reinders en
Arie van der Pol. Zij heetten in werkelijkheid
respectievelijk Roelof Knol en Henk Akse: Roelof had
enige tijd de boekhouding gedaan in de textielzaak van
zijn ouders; na zijn tewerkstelling in een
vliegtuigfabriek in Duitsland was hij gevraagd voor het
Meppeler verzet. In maart 1943 was hij samen met zijn
oude schoolvriend Henk Akse naar Lemsterland gekomen.
De beide mannen zaten eerst ondergedoken bij de familie
Bakker; in het najaar.van 1943 verhuisden zij naar
Wiepke Hof. Deze had zijn winkel aan de Duimstraat, waar
ook zijn ouders verbleven. Elke dag liep Wiepke het
korte stukje dat hem van zijn woning aan de Marwei in
Delfstrahuizen scheidde.
Het najaar van 1943 was ook het tijdstip waarop het
verzet in Echtenerbrug op aandringen van Sjoerd Wiersma
besloot om de krachten te bundelen. De rustige,
bedachtzame Reinders werd samen met Van der Pol hoofd
van het rayon Lemsterland van de LO.
Helaas werd op 20 maart 1944 Arie van der Pol op het
station van Steenwijk gearresteerd. Zijn plaats werd
ingenomen door Luitjen Mulder uit de Brekkenpolder.
Henk Akse.
(Arie v.d.Pol)
geb. 02-07-1919
overl. 10-04-1945 |
Roelof Knol.
(Wim Reinders)
geb. 21-10-1922
overl. 17-03-1945 |
Luitjen Mulder.
(Louis Molenaar)
geb. 25-07-1918
overl. 08-01-1945 |
• Verzetsman Luitjen
Mulder.
Het gezin Mulder voor
de boerderij, ± 1929. Uiterst links staat Luitjen.
Het uit Gaasterland
afkomstige echtpaar Mulder vestigde zich in 1910 aan de
Doraweg in de Brekkenpolder. Pachtheer was baron Van
Welderen Rengers. Als derde zoon werd op 25 juli 1918
Luitjen geboren. De jonge Luitjen bleek een
leergierige knaap te zijn: In zijn vrije tijd las hij
veel en was een fervent schaker. Hij stond bekend als
een vredelievende jongen die op zijn tijd wel plezier
kon maken (hij was lid van de jongerenvereniging te Eesterga), maar zeer gesloten was van
aard.
Luitjen bezocht na de MULO de kweekschool in Sneek,
alwaar hij de onderwijzersakte behaalde, Tijdens de
vervulling van zijn dienstplicht werd hij geselecteerd
voor een administratieve functie, op de school voor
onderofficieren te Middelburg, Enige tijd later was hij
weer terug in Lemsterland en aangezien het in de
crisistijd niet gemakkelijk was om als leraar aan de
slag te komen (hij stond slechts veertien dagen voor de
klas), besloot hij een cursus boekhouden te gaan volgen.
In deze hoedanigheid werd hij aangenomen op de werf van
Arie de Boer, Daar de Brekkenpolder toentertijd nog
moeilijk bereikbaar was, verbleef hij 's winters in de
kost bij zijn oudste broer Igge in Lemmer. Luitjen kon
uitstekend overweg met De Boer, die in hem al een
toekomstige compagnon zag, Als er tenminste niet de
oorlog geweest was.
Toen in 1943 de
Arbeitseinsatz een veelomvattend karakter kreeg, moest
ook Luitjen Mulder zich melden in Amersfoort, Hij
weigerde en dook onder bij zijn oudere broer Hendrik,
die inmiddels zelf een boerderij had, naast die van zijn
vader. Dirk Onderweegs, hoofdcommies op het gemeentehuis
en actief in de illegaliteit, kwam wel eens melk halen
op de boerderij. Via Onderweegs legde Luitjen de eerste
contacten met het verzet.
Wat waren, daarbij zijn motieven? Zijn broer Hendrik
verklaarde: 'Er waren in die tijd nog meer onderduikers
in de Brekkenpolder en Luut trok zich hun lot aan. Hij
zag het als zijn christenplicht ze te helpen. Bovendien,
had hij nog geen gezin en vond daarom dat er voor
hem weinig te verliezen was. Maar ik heb het hem
afgeraden. Hij had bij mij kunnen blijven, hij had
kunnen doorleren. Ik wilde hem sparen. Maar hij was wel
een jongen die wist wat hij wilde.'
De neef van Luitjen, Benjamin Steegenga, zat al bij de
ondergrondse in Gaasterland. Door diens bemiddeling kon
Luitjen zich. bij de LO-afdeling in Echtenerbrug
voegen. Zijn schuilnaam werd Louis Molenaar.
Door de aanzwellende
onderduikersstroom steeg ook het aantal benodigde
bonkaarten. Toen de aanvoer via medewerkende ambtenaren
niet meer toereikend was, ging het verzet gewapende
overvallen plegen op de distributiekantoren.
Dit was het werk van de
Knokploeg (KP), die verder tot taak had verraders het
zwijgen op te leggen. Hierbij handelde men met groot
verantwoordelijkheidsgevoel: de verraders werden
gevonnist door het zogenaamde Veemgericht, dat alleen in
Friesland bestond en samengesteld was uit drie leden van
de rechterlijke macht. Op deze manier was een waarborg
gevormd tegen eigenrichting en willekeur.
Het uiterste vonnis dat uitgesproken kon worden was
liquidatie; soms werd ook volstaan met een waarschuwing.
Er is tevens een geval bekend van een bijna-liquidatie:
een bakkersknecht, die eerst in Echtenerbrug werkzaam
was en daarna in Kuinre, was na een verbroken verloving
zichzelf niet meer. Blind van woede en verdriet wilde
hij mensen gaan verraden, om te beginnen de onderduikers
bij de ouders van het meisje. Daar kwam nog bij, dat hij
al een tijdje ondergedoken zat en zich uit verveling
wilde aanmelden bij de NSKK, de Duitse
transportorganisatie.
De bakkersknecht werd zodoende de belangrijkste
informant in een zaak die in het volgende hoofdstuk aan
de orde zal komen. Hij werd door het verzet opgesloten,
maar zijn liquidatie is verhinderd.
Gezien het aantal
onderduikers kwamen gevallen van verraad in onze
gemeente niet vaak voor.
De voornaamste bezigheid van de Lemsterlandse Knokploeg
was het vervoer en de opslag van wapens. Deze werden in
containers aan parachutes uit Engelse vliegtuigen
geworpen. Dit gebeurde vanaf oktober 1944: de voor
Lemsterland belangrijke afwerpterreinen lagen onder
Haskerhorne en in het Katlijker Schar. De Knokploeg
heeft ook wel eens een partij wapens met een bootje
opgehaald uit Eernewoude, waarbij men zich voordeed als
vissers.
's Middags kwam eerst via de radio een slagzin in code
door: voor Haskerhome luidde deze 'Wie de schoen past,
trekke hem aan'; voor Katlijk was die 'Hoe gaat het met
Sjaak en zijn vrienden'.
Werd de slagzin 's avonds herhaald, dan ging de dropping
die nacht door. Op het afwerpterrein verscheen de KP
samen met andere ploegen en seinde met sterke witte en
rode zaklantaarns naar de piloot. Na de dropping werden
de parachutes begraven en de containers op boerenwagens
geladen. Onder het hooi verborgen bracht de KP van
Lemsterland ze naar de boerderij van Jan Toering te
Echtenerbrug.
Bij deze zwager van
Philippus Spits werden de containers geopend en de dik
in het vet zittende wapenonderdelen schoongemaakt.
Van daaruit volgde verdere verdeling: men verborg ze bij
andere boeren in het hooi of in droge gierkelders. De
wapens vonden zelfs een plaats in kerken, onder de
preekstoel.
Wapeninstructie werd ook gegeven aan de KP. Tegelijk met
een dropping sprong eens een instructeur af, een zekere
De Koning. Nadat hij lesgegeven had in Sondel, brachten
Wim Reinders en Luitjen Mulder hem naar Echten. De
instructie vond plaats in het gemaal van de
Veenpolder. De dag erna begeleidde koerierster Willy van
der Gaast de wapeninstructeur naar een volgend adres.
Het gebouw waarin het
distributiekantoor van Kuinre gevestigd was.
De Knokploeg van Lemsterland was, in het
voorjaar van 1944 door Haitse Wiersma ('Wytse'), neef
van Sjoerd en hoofd van district Sneek) opgericht, te Echtenerbrug. De leden waren gerekruteerd uit de
plaatselijke verzetsbeweging, aangevuld met wat KP'ers
van buiten de
gemeente als 'Lange Jan' Hoornstra en Jan Sustring. De
leiding viel toe aan Wim Reinders.
De eerste gelegenheid om in actie te
komen diende zich al snel aan.
Tegen het einde van april kreeg kassier Waardemateriaal
van distributiekantoor Langweer Jan de Jong te horen dat
hij niet was vrijgesteld voor de Arbeitseinsatz. Maar
Luitjen Mulder, die hij goed kende, regelde vlug een
onderduikadres voor hem. Daar De Jong uit hoofde van
zijn functie gemakkelijk bij de kluis kon komen, werd
een plan beraamd.
In de ochtend van de 29e april begaf Jan zich als
gewoonlijk naar de kluis. Onder de ogen van de
nietsvermoedende bewakers van het gemeentehuis haalde
hij de kluis leeg en deed de inhoud in postzakken. Op de
afgesproken plaats wachtte de KP met een auto. De buit
bleek indrukwekkend: maar liefst, 6583 bonkaarten, 1325
tabaksbonnen en talloze coupures. Deze kwamen
onderduikers en verzet goed van pas. Jan de Jong dook
onder in het noorden van Overijssel en beleefde de
bevrijding.
Meer spectaculair was de overval op het
distributiekantoor in Kuinre op 13 juli 1944. Men had
politieman Frans Hylkema bereid gevonden tot
medewerking.
Hij verstrekte inlichtingen omtrent het kantoor en met
zijn hulp kon Wim Reinders zich op de zolder, achter een
stapel ingeleverde radio's verbergen. Toen de duisternis
inviel, sloop Reinders de trap af en liet de rest van de
ploeg binnen. De twee bewakers werden in een handomdraai
gekneveld en omdat geschikt gereedschap ontbrak, werd de
gehele brandkast op een bakfiets geladen.
Men nam tevens een gedeelte van de radio's mee, want dat
ging toch in één moeite door. Wiepke Hof stelde nog voor
de, deur in te trappen, opdat het zou lijken of de
overval van buitenaf had plaatsgevonden. Vervolgens nam
Hof achter het stuur van de bakfiets plaats. Het
transportmiddel werd achter de personenauto gebonden en
zo reed men naar Echtenerbrug. Op het erf van Jan
Toering aan de Kempenaersweg opende men de brandkast.
Half augustus kwam er een nieuwe opdracht
van Wiersma: de distributieleider van datzelfde kantoor
in Kuinre, ene Harm Jan Huls, moest zo spoedig mogelijk
overgebracht worden naar een plaats waar men hem kon
verhoren. Wat was er namelijk aan de hand? Bij Woeste
Hoeve had het verzet een verrader opgewacht en
geliquideerd. Toen men het lijk fouilleerde was een
lijst gevonden, welke bestemd was voor de SD te Arnhem.
De lijst bevatte namen Het gebouw waarin het
distributiekantoor van Kuinre gevestigd was en adressen
van mensen die in Lemsterland en de kop van Overijssel
in het verzet werkzaam waren of onderduikers herbergden.
Onderaan de lijst was onvoorzichtig geschreven:
'Bovenstaande gegevens zijn afkomstig van de heer Huls
te Kuinre', maar er was wel aan toegevoegd dat deze Huls
tegenover derden onbekend wenste te blijven. De lijst
was in allerijl bezorgd aan de in Kuinre wonende dokter
Bouman, wiens naam als tweede op de lijst voorkwam. Deze
had de lijst ook anderen die er op vermeld stonden onder
ogen gebracht en men besefte dat er ingegrepen moest
worden.
De KP nam opnieuw contact op met
politieman Hylkema, maar deze weigerde ditmaal
medewerking: Huls' NSB-sympathieën waren bekend, maar
desondanks stond hij in Kuinre zeker niet als
onbetrouwbaar te boek.
Wat stond de Knokploeg nu te doen? Als de
distributieleider zijn plan alsnog ten uitvoer bracht,
zouden niet alleen vele verzetsmensen, maar ook talloze
onderduikers in groot gevaar komen te verkeren. Gelukkig
kreeg de KP van Dubbeld Postma gelegenheid om vanuit
diens
boerderij de situatie op te nemen en hun auto daar onder
te brengen. Na rijp beraad werd beslist om Huls op
klaarlichte dag te ontvoeren.
Op 17 augustus rond kwart over één sleurden de KP'ers
Huls tijdens zijn wandeling tussen het
distributiekantoor en zijn kostadres in de auto. De
distributieleider werd geblinddoekt en buiten het dorp
aangekomen vernielde de KP eerst de telefoondraden. Men
zette vervolgens
koers naar de boerderij van de ondergedoken Johannes
Kraak, waar de distributieleider aan een lang touw werd
vastgelegd. Bij het verhoor bracht Philippus Spits hem
aan het touw op.
De aanvankelijk ontkennende Huls werd
daar geconfronteerd met de harde bewijzen van zijn
schuld. Buiten een lijst met telefoonnummers van de SD,
vonden de KP'ers nog onder andere een briefje op hem met
de naam DJ. Hoekstra: deze bleek een politieman uit Ede,
die in
Friesland gewerkt had. Huls bekende dat Hoekstra drie
weken geleden bij hem was geweest om te praten over de
overval. Huls had toen een aantal mensen genoemd die hij
van medeplichtigheid verdacht. In samenwerking met twee
landwachters te Kuinre hadden Huls en Hoekstra toen een
complot gesmeed om op grote schaal zaken betreffende de
illegaliteit te gaan verraden. Hiertoe had men een fors
aantal informanten geraadpleegd, onder wie de eerder
genoemde bakkersknecht, een paar NSB'ers uit Lemsterland
en de waarnemend
burgemeester van Kuinre. Uiteindelijk legde Huls een
volledige bekentenis af, waarbij hij tevens zijn
lidmaatscha p van de landwacht en zijn deelname aan
razzia's toegaf.
Om vergeldingsmaatregelen op de bevolking van Kuinre te
voorkomen, werd Huls gedwongen een brief te schrijven
waarin stond dat hij in goede gezondheid verkeerde. Als
resultaat werden de meeste mensen die in verband met de
ontvoering waren opgepakt weer vrijgelaten.
Huls werd vanwege de veiligheid steeds verder van Kuinre
gebracht en kwam op de boerderij van Jan Toering
terecht. Intussen had de Knokploeg het proces-verbaal
getypt en wachtte de uitspraak van het Veemgericht af.
Op 20 augustus werd over Huls het doodvonnis
uitgesproken; de KP'ers brachten hem die nacht hiervan
op de hoogte. Huls mocht nog kiezen op welke manier hij
ter dood gebracht wilde worden. Uiterlijk onbewogen koos
de distributieleider voor de kogel: 'Doe maar in de
nek'.
Geestelijke bijstand werd door hem geweigerd. Op de
vraag of hij berouw had, antwoordde Huls zonder
aarzeling: 'Neen'. Ongeveer een uur nadien, om half
twee, werd het vonnis door Toon met een enkel schot
voltrokken. Het lijk van Huls werd naast de lege
brandkast achter
de boerderij begraven.
|
Ontvoering
van den heer Huls, leider van den
distributiedienst te Kuinre, op 14 Aug.
1944.
Op 13 Augustus 1944 kwam arts Bouwma uit
Kuinre bij Phlip met de ontstellende
mededeeling, dat des morgens iemand bij hem
was gekomen, die hem vertelde, dat als hij
dokter Bouwma was, hij moest maken dadelijk
weg te komen omdat de S.D. hem op de korrel
had. De onbekende vertelde dat hij een lijst
met namen uit de aktetasch van een
Gestapoagent had gestolen, waar onder meer
ook de naam van dr. Bouwma op voorkwam. Dr.
B. had de lijst meegenomen en liet deze aan
Flip lezen. Tot diens ontsteltenis kwamen
daarop ook de namen van eenige menschen uit
Echten voor, terwijl aan het slot stond, dat
de heer Huls uit Kuinre verder alle
inlichtingen kon geven, die gewenscht waren.
Dat alles gaf veel te denken. Er moest
direct gehandeld worden. De leider van de
K.P. te Echten (Wim) werd met deze zaak op
de hoogte gesteld. Besloten werd Huls zoo
spoedig mogelijk te arresteeren, vóór hij
de gelegenheid zou hebben nadere
inlichtingen aan de S.D. te verschaffen. Wim
ging op informaties uit en kwam terug met
het bericht, dat Huls gearresteerd moest
worden tijdens zijn gang van het
distributiebureau naar zijn huis en wel des
middags om 12 uur. Dien avond trok de K.P.
in haar auto naar een boerderij even buiten
Kuinre. Aldaar werd het bivak opgeslagen.
Instructies werden uitgedeeld en de aanval
voorbereid en repetitie gehouden. Ieder
kreeg een bepaalde taak. Na een paar malen
gerepeteerd te hebben, ging men ter kooi,
d.w.z, in het hooi, na zich te goed gedaan
te hebben aan een flinke maaltijd, welke de
boerin hen voorgezet had. De volgende morgen
om 5 uur werd de K.P. door Wim gewekt met de
mededeeling, dat de oefening nog niet vlot
genoeg gegaan was en men moest opnieuw aan
het repeteeren. Nadat met een en ander de
voormiddags was verstreken, werd tegen 12
uur de auto. uit de schuur gehaald en reed
men naar Kuinre. Voor Kuinre stapten ze uit
en slechts met een tweetal ging de auto
langzaam verder. De anderen liepen langzaam,
schijnbaar doelloos in de richting van het
distributiekantoor. Even over 12 uur kwam
Huls uit het bureau en liep naar zijn huis.
Doch slechts enkele seconden of Ger en Cor
waren vlak achter hem; de auto schoot hen op
zij: een klap met de gummiestok op zijn
hoofd en Huls zakte door zijn knieën. Op
hetzelfde moment werd hij door een twee paar
handen opgenomen, de deur van de auto
zwaaide open en het lichaam van Huls zeilde
naar binnen. De jongens erin, het portier
klapte dicht en met een flinke vaart schoot
de auto door het nauwe straatje van Kuinre
richting Lemmer. Binnen een paar minuten was
alles gebeurd en voordat de verbaasde
inwoners van Kuinre het zich konden
realiseeren of van hun verbazing bekomen
waren, was de auto met hun distributieleider
uil het gezicht verdwenen. Onder het zingen
van: 'zoo gaat het goed, heel goed, mijnheer
de leider' ging het in snelle vaart naar
Echten, waar de boerderij van Joh. Kraak
haar deuren opende. Aangezien deze boerderij
vlak aan den openbaren weg lag, werd het
veiliger gevonden de arrestant over te
brengen naar de boerderij van Jan Toering.
Op deze boerderij heeft zich het drama
voltrokken met den verrader van zijn volk,
Huls uit Kuinre.
Anoniem stuk (uit .1948?)
over de ontvoering van Harm Jan Huls door de
KP-Echtenerbrug op 17 augustus 1944.
|
◊ De illegaliteit te
Lemmer.
Ynze de Jong, alias Jan de
Vries. De bescheiden en diep gelovige De Jong had een
slagerij aan de Langestreek; de latere dierenwinkel. Het
pand werd ontmoetingsplaats voor verzetslieden en ook
werden er KP-acties voorbereid. Vooral Wim Reinders en
Luitjen Mulder waren er vaak te gast. Aangezien er in de
winkel nogal eens controles werden gehouden, kwam men
door het steegje naast het pand onopvallend binnen. Men
belandde dan achter op de slachtplaats, waar ook een
enkele maal schietinstructie werd gegeven. Omdat het
daar te veel opviel, werd dit niet herhaald. Men moest
voortdurend op zijn hoede blijven, want schuin tegenover
de slagerij bevond zich het waterschapsgebouw, waar de
Feldgendarmerie zetelde.
Ynze de Jong was eenmaal
aanwezig bij een wapendropping. De wapens werden door
het echtpaar in een kinderwagen vervoerd; in huis
verborg men de brenguns tussen de hammen in de
schoorsteen en de pistolen onder de dakpannen.
Bemachtigde bonkaarten vonden eveneens een plaats onder
de pannen; tevens werden zij onder het vloerkleed
verstopt.
De Jong hield zich ook bezig met het plaatsen van
onderduikers - het vervoer geschiedde zelfs eens per
lijkwagen. De Jong fungeerde vaak als schakel tussen
Onderweegs (daarvoor Van der Wal) en het uiteindelijke
adres. Zelf had het echtpaar sinds begin 1944 een joods
meisje in huis. Zij hielp mee in de winkel en was behulpzaam bij het bereiden van maaltijden, die niet
alleen voor de KP'ers bestemd waren maar ook voor
voedselhalers die in de hongerwinter van de Lemmerboot
kwamen.
In februari 1945 kwam de naam van Ynze de Jong bij de SD
in Heerenveen ter sprake. Gelukkig werd het gezin via
Philippus Spits net op tijd gewaarschuwd en toen de
Duitsers op de 8e arriveerden, vonden zij het pand
verlaten. In Lemmer was tot juli 1944 nog actief
hoofdcommies van de gemeente Dirk Onderweegs.
|
Het gezin van
Ynze de Jong met de joodse onderduikster Ali
Meijers (middenachter). Gedurende haar
onderduiktijd was Ali's haar rood geverfd
door kapper 'De Vliegende Hond'. Foto
uit 1945. |
Janny Meijers,
de zuster van Ali. Zij was ondergedoken bij
Jan Toering te Echtenerbrug. De foto is kort
na de oorlog genomen. |
Ynze de Jong en
echtgenote met vier kinderen in 1944. Ynze de Jong
(schuilnamen: Frits Lemstra en Jan de Vries) werd
werkelijk actief in mei 1943. Naast de reeds
genoemde werkzaamheden verspreidde De Jong het
illegale blad 'Trouw', zamelde hij geld in voor
zowel de illegale pers als het NSF en werkte hij
voor de inlichtingendienst van het verzet. Op zijn
zolder luisterde de KP naar de BBC en wachtte
codeberichten over o.a, wapendroppings af.
Tenslotte hield De Jong zich nog bezig met de
werving Val) leden voor de BS.
Willem Beijering, alias
Willem ten Berge, alias Roelof van Slageren. De
sociaal-democraat Beijering was een op de voorgrond
tredend, opvliegend maar joviaal man. Via de
belastingdienst (Krijn van den Helm, Olsman) was hij
samen met Van der Wal in het verzet geraakt.
Beijering was medewerker
van de LO en hield zich als zodanig bezig met het
onderbrengen van onderduikers in Lemmer. In zijn hal
hing de
toepasselijke spreuk: 'Herbergt de verdrevenen, en meldt
de omzwervenden niet!'
Verder was Beijering belast met de distributie van
bonkaarten voor onderduikers en de inzameling van gelden
voor het NSF. Daarenboven
verspreidde hij de illegale bladen 'Het Parool' en 'Ons
Volk'. Als onderdeel van het morele verzet werden ten
huize van Beijering politieke huiskamerbijeenkomsten
gehouden, met gastsprekers als J.H. Scheps en E.
Vermeer.
Beijering stond in verbinding met de ondergrondse in
Echtenerbrug; in Lemmer was een belangrijk contact Homme
de Bruin. Bij het onderbrengen van onderduikers werd hij
geholpen door Koos Mebius, een schaakvriend van Luitjen
Mulder uit de tijd dat beiden in de
Brekkenpolder ondergedoken zaten.
Na de wegvoering van Fokelinus van der Wal was Beijering
dienstgeleider geworden. Om te voorkomen dat de
opengevallen plaats zou worden ingenomen door een
NSB'er, had hij voor overplaatsing gezorgd van
grenscommies en oud-Lemster Harm Douma.
Na januari 1945 moest ook Willem Beijering onderduiken.
Hij deed dit bij Wiebren Kraak, een broer van Johannes.
BANTEGA –
Sjoerd de Haan (72)
uit Bantega was tien
jaar oud toen
Lemsterland bevrijd
werd. Hij woonde op
de boerderij bij de
dubbele slinger in
de Otterweg 24. Zijn
ouders, Jan Martens
de Haan en Berbertje
de Vries, vingen er
verschillende
onderduikers op. In
het poëziealbum van
zijn zus Martha (80)
is een gedicht met
tekening bewaard
gebleven van
onderduiker Piet
Vlietstra uit
Amsterdam. ,,Als ik
dit schrijf zijn de
moffen nog heden,
maar de Tommies
nadren met rasse
schreden’’, schrijft
hij op 9 april 1945,
acht dagen voor de
bevrijding van
Lemsterland.
Daarnaast is een
tekening van een
duiker met in de
vier hoeken on – der
– dui – ker. Een
uniek document uit
de bezettingstijd.
Sjoerd de Haan:
,,Mijn zwager Wiebren Kraak,
zat in het verzet.
Zo kwam het
waarschijnlijk dat
regelmatig
onderduikers bij ons
terecht kwamen. Piet
Vlietstra uit de
Jordaan en dan was
er nog een
Amsterdammer uit
Tuindorp Oostzaan.
Die twee hielpen
gewoon mee op de
boerderij. Onraad
zag je van verre al
aankomen. We hadden
een schuilkelder in
het hooivak, die ze
van binnenuit konden
afsluiten. Maar de
schuilkelder
gebruikten we alleen
bij gevaar. Verder
woonden ze gewoon in
huis.
Piet Vlietstra kon
heel goed accordeon
spelen. Soms leende
meester Bosma, het
hoofd van de
openbare school,
Piet zijn accordeon.
Die hebben we een
paar keer thuis
gehad.
Tjerk Stolte kwam
uit het tuindorp Oostzaan. Hij werkte
bij Fokker, is daar
aangehouden en op
transport gezet met
de Lemsterboot. Toen
er in Lemmer niemand
hem kwam ophalen,
hebben Lemsters hem
geholpen onder te
duiken. Zelf ben ik
na de oorlog nog een
paar keer bij zijn
ouders in Oostzaan
op vakantie geweest.
|
Begin september 1944 leek
even de bevrijding dichtbij. De Binnenlandse
Strijdkrachten (BS) werden gevormd, die een
ondersteunende rol bij de geallieerde invasie moesten
gaan spelen. In het kader hiervan kwam ook te Lemmer een
gevechtsgroep tot stand, opgericht door Willem Beijering.
Leden waren Harm Douma, zijn vrienden Klaas Zwarthoed en
Max Koole, Jetse de Haan en anderen. Na training werden
de mannen naar huis gestuurd totdat zij werkelijk in
actie moesten komen.
Een drietal leden van de
groep, Douma en zijn beide vrienden, dook onder in de
Brekkenpolder. Zij werden overdag verzorgd door boer
Popke Bakker en overnachtten in een kajuitbootje, dat
tussen het riet in natuurgebied Banco lag: Op een
gegeven ogenblik kregen de mannen vanuit Echtenerbrug
bericht, de KP af en toe te assisteren bij het
wapenvervoer. Zij gingen de transporten begeleiden vanaf
het afwerpterrein bij Haskerhorne naar de eerste opslag,
de boerderij van Toering. Na de verdeling staken de drie
BS'ers met een roeibootje het Tjeukemeer over en konden
dan meteen Oosterzee van wapens voorzien. De partij die
voor Lemmer bestemd was verborgen zij in het
kajuitbootje. dat met visnetten gecamoufleerd werd.
Toen door brandstofgebrek
de gemalen niet meer functioneerden en de waterstand
snel steeg, moest er een andere bergplaats gezocht
worden. Men nam twee kisten van huis mee en liet bij de
firma Bijlholt een grote, van binnen met zink beklede,
kist maken. De wapens werden in de kisten gedaan en deze
werden ingegraven in een van de polderdijken. Na enige
tijd brachten de mannen de kisten over naar Lemmer, waar
ze met medewerking van Ds. Wessels en conciërge Haye
Dijkstra op de zolder van de christelijke school werden
verborgen.
In de laatste maanden van de oorlog kregen de leden van
de gevechtsgroep nog schietinstructie achter in het land
van boer Akkerman aan de Grietenijdijk. De BS van
Lemsterland speelde echter geen rol van betekenis bij de
bevrijding.
◊ De Koeriersters.
• Willy van
der Gaast.
Koerierster Willy van
der Gaast, op bevrijdingsdag in Lemmer, 17 april
1945.
Zij is gefotografeerd voor het gemeentehuis en was
toen net drie dagen op vrije voeten. Om haar arm de
BS-band waarop 'Koerierster Oranje' te lezen is.
Aardig detail: achter haar staat de fiets van Willem
Beijering.
Toen vooral na de
spoorwegstaking van september 1944 de
bewegingsvrijheid van mannen steeds beperkter
werd, gingen de illegale organisaties ertoe over een
beroep te doen op vrouwen en meisjes. Zij kregen tot
taak de contacten tussen de verschillende
verzetsorganisaties te onderhouden en mensen te
waarschuwen om onder te duiken. Deze koeriersters
moesten hiervoor vaak tientallen
kilometers in weer en wind fietsen.
Koerierster van de
KP-Echtenerbrug was Willemtje (Wim) van der Gaast,
(Geboren op woensdag 21 december 1921 te Easterga.
Wonende te Follega, Lemmer. Overleden op vrijdag 28
november 2008 te Heerenveen 86 jaar oud. Begraven op
dinsdag 2 december 2008 te Lemmer. Willy huwde in
1948 met Albert Schilstra, Geboren op donderdag 19
september 1918 te Koudum. Wonende te Follega als
veehouder. Overleden op vrijdag 21 september 2007 te
Sint Nicolaasga 89 jaar oud. Begraven op dinsdag 25
september 2007 te Lemmer)
een boerendochter uit
Eesterga. Ze was door Wim Reinders en Homme de Bruin
voor dit werk gevraagd en had de verzetsnaam 'Willy'
gekregen. 's Morgens haalde ze de geheime post op
bij Beijering en slager De Jong en keek of er nog
een boodschap was bij Wander Koopmans in Oosterzee.
Ze bracht de brieven naar Wiepke Hof in Echtenerbrug,
'De Centrale', waar alle post verzameld en
gesorteerd werd. Van daaruit reed ze 's middags naar
adressen in Joure, Heerenveen of Wolvega en één keer
per maand met brieven van onderduikers naar Meppel.
Soms vervoerde zij zelfs wapens, die door de vrouw
van Ynze de Jong onder haar kleren op de rug werden
verborgen.
Overdag was Willy meestal in de kost bij Wiepke Hof;
's nachts verbleef ze bij haar zuster die bij bakker
Haveman aan de Markt woonde. Toen de bakker difterie
kreeg, vond zij onderdak bij buschauffeur Rintje de
Jong (de schoonzoon van de in 1943 weggevoerde
Gerben Bootsma) die zelf ook koeriersdiensten
verrichtte in Gaasterland.
Tenslotte werd zij gearresteerd en kwam in
Crackstate terecht.
Na de arrestatie van Willy van der Gaast werd haar
werk overgenomen door haar nicht Lena Koopmans.
Na de
Bevrijding bivakkeerden zij samen een
tijdje in een kamerwoninkje in de steeg
bij hotel Boersma.
Koerierster Lena
Koopmans.
| Koerierster.
Als de dag is verdronken
in donkere nacht,
De loodgrauwe wolken in flarden verwaaid
Langs de regenlucht drijven in vliegende
jacht,
Wordt langs eenzame wegen de boodschap
gebracht.
Ze trapt en ze zwoegt, diep gebogen op
't stuur,
Langs de eind'looze straat, door het
troost'looze land.
Ze staart voor zich uit. Ondoordringbaar
en guur
Is de nacht om haar heen en zoo dicht
als een muur.
De striemende vlagen slaan fel in 't
gezicht
Van het meisje, dat vecht tegen regen en
wind.
Haar oogen zijn star op de boomen
gericht,
Die als schimmen verglijden langs
glimpen van licht.
Zoo doet
ze haar plicht in de strijd voor haar
land,
Voor haar volk, dat verdrukt wordt door
duivelsche macht,
Door Nazi-gespuis, dat met wurgende hand
Al het leven verstikt en de huizen
verbrandt.
De strijd van het licht tegen duister
geweld,
Tegen onrecht en wreedheid en loerend
verraad,
De strijd voor haar volk, dat in banden
gekneld,
Wordt verguisd en vertrapt en door
honger gekweld.
Zoo vecht ze als vrouw, in haar zwakheid
toch groot,
In het vaste vertrouwen op Hem, die haar
leidt.
Zoo doet ze in eenvoud wat God haar
gebood
In de strijd om de vrijheid op leven en
dood.
Ze gaat vol vertrouwen door donkere
nacht,
Het is Tiny, of Rigtje, of Aly of Jo .
En al is de verrader voortdurend op
jacht
Toch wordt door het Meisje de boodschap
gebracht.
P. van
Loo |
Beeld van de 'Koerierster'
te Leeuwarden.
Door Frank Hemkes.
◊ Verdere Acties.
• Jan Feenstra.
Jan Feenstra in zijn
marechaussee-uniform, januari 1941.
In het najaar van 1944
werd de KP-Echtenerbrug versterkt met Jan Feenstra
(Piet) en Martin Olivier (Harry). We zijn, dan in de
BS-tijd aanbeland en de ploeg hield zich in
hoofdzaak bezig met sabotageactiviteiten. Er werden
dorsmachines vernield om stroleveranties aan de
Wehrmacht te voorkomen.
Stro was belangrijk
als verpakkingsmateriaal voor granaten en als
grondstof voor cellulose, dat weer voor tal van
doeleinden gebruikt werd, van plastics tot
springstoffen. In oktober werd de spoorlijn ter
hoogte van Nijeholtwolde gesaboteerd. Men verwachtte
een munitietrein. Maar de Duitsers ontdekten de
sabotage en hun wraak was verschrikkelijk: op 12
oktober schoten zij als represaille drie onschuldige
burgers neer.
Bij de nachtelijke acties fietsten meestal de beide
marechaussees Feenstra en Olivier in hun uniform
voorop, om de Duitse controle te misleiden. Als er
onraad was, waarschuwden zij de rest van de ploeg
door met de achterlichten te knipperen. Ook een
Duits uniform, dat buitgemaakt was toen er een SS-officier in het ziekenhuis van Heerenveen lag,
bewees de KP goede diensten.
Voorts was de KP-
Echtenerbrug samen met een andere ploeg belast met
de zorg voor twee vanuit Engeland gedropte
officieren. Dit waren de marconisten Tazelaar en
Faber, die een radioverbinding met Engeland tot
stand moesten brengen. Zij installeerden zich later
met de zendapparatuur in een bootje in de rietkraag
van het Nannewijd, niet ver van het afwerpterrein
bij Haskerhorne. (In
november 1944 werd Tazelaar samen met Lykele Faber
gedropt in Friesland, in opdracht van het Bureau
Bijzondere Opdrachten. Een half jaar lang verzorgden zij het radiocontact met Engeland).
De wapendroppings zelf
gingen onverminderd door. De transporten leverden
nogal eens moeilijkheden op, doordat paard en wagen herhaaldelijk in de modder bleven vastzitten. Ook
moest men constant bedacht zijn op Duitse
patrouilles. Tijdens één van de droppings namen Feenstra en Olivier in strijd met de voorschriften
een parachute van het afwerpterrein mee. Textiel was
schaars in die dagen, en de
beide mannen wilden hiervan een trouwjurk laten
maken voor Feenstra's aanstaande bruid. De leiding
nam het hen niet bepaald in dank af.
Jan Feenstra werd op 2
november 1918 geboren als zoon van huisschilder
Eelke Feenstra (in Lemmer beter bekend als 'De
Moskjeferver'). Jan was eerst schildersknecht, maar
ging aan het begin van de oorlog op aanraden van één
van zijn ooms bij de marechaussee. Toen tijdens de
meistaking van 1943 de politie van de Duitsers hard
moest optreden tegen stakende arbeiders en boeren,
besloot hij de politiedienst vaarwel te zeggen.
Enige tijd later dook hij onder, met zijn uniform en
dienstwapen nog in bezit.
Nu had Rauter kort tevoren de maatregel afgekondigd
dat wanneer een politieman onderdook, diens
familieleden geïnterneerd zouden worden in kamp Vught.
Begin augustus werden
de ouders Feenstra dan ook als gijzelaars naar kamp
Vught getransporteerd, de zorg voor de rest van het
gezin aan een tante overlatend.
Kort daarop werd Jan zelf gearresteerd, toen hij bij
een oom in Amsterdam persoonsbewijzen aan het
vervalsen was. Hij werd opgesloten in het beruchte
'Oranje Hotel' in Scheveningen. Daarna kwam hij in
kamp Amersfoort terecht, waar hij zware arbeid moest
verrichten op vliegveld Soesterberg. Dit was voor
hem niet vol te houden, zodat hij bij het
aardappelschilcommando kwam. Een Benedictijner
pater, met wie hij goed bevriend was geraakt, zorgde
ervoor dat hij dit werk bleef doen en op diens
advies voegde Jan zich bij een transport naar Riga
(Letland), waar hij werken moest als frontarbeider.
Inmiddels waren Jans ouders in december 1943 weer vrijgelaten.
Dat de wereld klein
was, ervoer Jan in Riga: de kampcommandant bleek een
Lemster, een vroegere vriend van zijn vader. Deze
man was natuurlijk wel in Duitse dienst, maar hij
behandelde Jan goed en gaf hem licht werk.
De verrassingen waren nog niet ten einde, want later liep Jan in het kamp een oud schilderscollega tegen
het lijf, die destijds in één van de buitendorpen
woonde. Met hem hernieuwde Jan de vriendschap en
voortaan waren de twee mannen onafscheidelijk.
Na een verblijf van
enkele maanden in het kamp kreeg Jan van de
commandant valse papieren en werd hem gelegenheid
tot ontvluchten gegeven. Er volgde een lange
treinreis dwars door Europa, tijdens welke Jan een
jockeypet droeg om zijn kaalgeschoren hoofd te verbergen en eventuele herkenning te voorkomen. Hij
belandde bij zijn oom Ynte in Amsterdam, maar bleef
daar niet lang: via zijn verloofde in Wolvega, die
koerierster was, vond Jan een onderduikadres bij de
familie Slump in Echtenerbrug. Een diepe, droge
regenbak onder de vloer werd zijn schuilplaats. In Echtenerbrug ontmoette hij de aldaar woonachtige
Martin Olivier, net als hij een ondergedoken marechaussee. Samen kwamen zij in contact met het
verzet in deze plaats en sloten zich aan bij de
Knokploeg. Na zijn huwelijk op 28 december 1944 trok
Jan in gezelschap van Olivier naar Wagenborgen in
Groningen.
• Arrestatie op 3
januari 1945.
Eind december 1944
kreeg de SD door verraad een aantal verzetslieden
uit Noordwolde in handen.
Na zware verhoren noemden zij namen van
medestanders, waaronder die van hun contactman in
Echtenerbrug: Wiepke Hof.
Destijds was Wim
Reinders als onderduiker in huis bij Hof; Luitjen
Mulder was rond de jaarwisseling nog even thuis,
waar hij tegenover zijn vader zijn vermoedens van
verraad uitsprak. Ondanks waarschuwingen vertrok hij
Weer naar Echtenerbrug. Hij was gewoonlijk
ondergebracht bij Albert Koopman, die tegenover de
pastorie van de gereformeerde kerk woonde. Het
ongelukkige toeval wilde echter dat de vrouw van
Koopman enkele dagen daarvoor bevallen was, zodat
Luitjen de nacht eveneens bij Wiepke Hof moest
doorbrengen. Wim en hij gingen laat naar bed die 2e
januari: ze hadden meegeholpen een voor de Duitsers
varend roggeschip leeg te halen en de lading
opgeslagen voor het verzet.
De mannen waren de volgende morgen net uit bed toen
om 10 uur de SD het dorp binnenreed. Het drama
voltrok zich bliksemsnel: nadat een arrestant uit
Noordwolde Wiepkes huisje aangewezen had, stormde de
SD naar binnen. Gelegenheid tot ontkomen was er voor
de twee KP'ers en hun gastheer niet. meer: de
verraste mannen werden meteen onder schot genomen
door de zwaar bewapende SD'ers. Deze begrepen al
snel dat zij een goede vangst hadden gedaan. Wim en
Luitjen werden direct verhoord, waarbij de SD'ers
Wim in huis al mishandelden en zijn bril kapot
trapten.
In nabijgelegen
woningen werden eveneens invallen en huiszoekingen
gedaan. De Duitsers waren ook in de bakkerswinkel
van Harm Bootsma. Fedde Kalsbeek, BS'er Willem de
Jong en hij namen de vlucht door de achterdeur en
doken door het raam de christelijke school binnen.
Via een betonnen stortkoker voor kolen klommen zij
naar boven en konden door een raampje het gebeuren
gadeslaan. Zij waren er onder meer getuige van dat
ook het huis van buurman De Vries doorzocht werd en
dat de Duitsers diens hond doodschoten.
Wim Reinders, Luitjen Mulder en Wiepke Hof werden
naar de overvalwagen gebracht. Zij werden afgevoerd
naar Heerenveen, waar zich achter gemeentehuis
Crack-State de beruchte gevangenis van de SD bevond.

De arrestatie door de
Sicherheitsdienst van Wim Reinders, Luitjen Mulder
en Wiepke Hof. De mannen werden geboeid naar de
overvalwagen gevoerd en naar Crack-State gebracht.
• Nachtmerrie in
Crack-State.
De Belg Emiel Steijlaerts, één van de
wreedste beulen van Crack-State.
Ook de SD'ers Nauheim en Paarmann misdroegen zich
ernstig en zijn waarschijnlijk de
hoofdverantwoordelijken voor de dood van Luitjen
Mulder.
Sinds 14 oktober 1944 was in de
gevangenis te Heerenveen het Kommando Kronberger van
de Sicherheitspolizei enSD gevestigd. Het gebouw had
de reputatie gekregen van verschrikkingoord, waar
Vlamingen als Emiel Steijlaerts en Gerard Verbrugghe
de Duitsers soms nog in barbaarsheid overtroffen als
het ging om arrestanten tot spreken te dwingen.
Onder leiding van de Duitser Hermann Rosenthal werd
de waarheid er letterlijk uitgeslagen: men gebruikte
een karwats met knopen erin, waarmee men zo
tekeerging dat de bloedspetters op de muur zaten.
Verder sloeg men met een stok, de kolf van een
revolver en een zware sleutelbos. Tot slot van het
verhoor werd de arrestant op een gloeiend hete
kachel gelegd.
De gevangenen uit Echtenerbrug werden die nacht
duchtig aan de tand gevoeld. Toen Luitjen Mulder
hierbij niets wilde loslaten, besloot de SD tot een
tweede, nog zwaarder verhoor. Dit duurde de volgende
nacht van 7 tot 2 uur en doordat hij bleef zwijgen,
werd Luitjen gruwelijk mishandeld. Zijn door merg en
been gaand geschreeuw was ook in andere cellen te
horen en dreef zelfs een medegevangene tot
zelfmoord. Luitjen werd nadat hij met ontbloot
achterwerk over een ijzeren krib had moeten gaan
liggen van zijn rug tot aan zijn knieholten helemaal
blauw geslagen. Vooral zijn geslachtsdelen kregen
het hierbij zwaar te verduren. Voorts schopten de
beulen hem met hun zware laarzen in de lendenen en
drukten hem tegen de kachel tot er bijna geen vel
meer op zijn rug zat. Maar geen naam kwam over zijn
lippen. Terug in de cel bleek dat de beulen
hun verwoestende werk grondig gedaan hadden:
Luitjens nieren functioneerden niet meer. Zijn
lijdensweg duurde nog drie dagen en toen stierf hij,
zonder medische hulp ontvangen te hebben. Kronberger
gaf opdracht het zwaar mishandelde lichaam weg te
werken door het in de buurt van Langweer met een
auto-as verzwaard onder het ijs te laten zakken.
Ook Wim Reinders werd het vuur na aan
de schenen gelegd. Maar deze koos een andere
tactiek: hij liet voorzichtig enkele namen vallen
van mensen die al ondergedoken waren. Zo noemde hij
de naam van Johannes Kraak. De volgende morgen in
alle vroegte moest hij mee om diens boerderij aan te
wijzen. Maar toen gebeurde er iets waarop Wim niet
gerekend had. Op de boerderij trof de SD Johannes
broer Jouke, die samen met zijn gezin en enkele
anderen daar ondergedoken was. De SD'ers zagen Jouke
eerst voor een Amerikaan aan en vroegen wie hij was.
Jouke antwoordde dat hij Van Kessel heette en evacué
was. Zijn beide zoontjes dreunden ook braaf hun
lesje op: 'Wij zijn Amout en Roeland van Kessel. Wij
komen uit Nijmegen. Hoe het daar uitziet? Nou,
allemaal water, net als hier!'
De SD nam daar echter geen genoegen mee. Zij sloegen
Jouke Kraak en de andere onderduikers in de boeien
en dwongen hen tegen de muur te gaan zitten. Wim
Reinders werd bij hen gebracht, maar deze haastte
zich de SD'ers ervan te overtuigen dat Jouke nergens
mee te maken had. Om Jouke te redden, zag Wim
tenslotte geen andere uitweg dan te verklaren dat
hij de SD'ers maar wat op de mouw gespeld had.
De Duitsers ontstaken in toom en
sloegen Wim ongenadig met een stok op het hoofd.
Jouke Kraak en de onderduikers werden in de
overvalwagen geladen en men reed naar het huisje van
Wiepke Hof, waar men aan het plunderen sloeg. Nadat
de SD'ers alles wat van hun gading was hadden
meegenomen, keerde men met de gevangenen op de
boerderij terug. Daar waren de overige SD'ers Wim
Reinders nog aan het afranselen. Jouke Kraak moest
samen met de arbeiders van de boerderij de hele
mesthoop overhoop halen om te kijken of er ook
wapens in zaten. Maar gevonden werd er niets. De
Duitsers waren zo kwaad op Reinders, dat zij Jouke
Kraak en de andere onderduikers lieten gaan.

De SD liet de hele mesthoop op het
erf van Johannes Kraak overhoop halen op zoek naar
wapens.
Terug in Crack-State ontlaadde de
woede van de SD zich pas goed. Wim werd zo geslagen
en getrapt dat hij nauwelijks meer staan of zitten
kon. Na afloop' werd hij in een cel met allerlei
houtrommel gegooid. Omdat hij stug bleef zwijgen,
kreeg hij de eerste vijf dagen vrijwel geen eten en
drinken. Naderhand werd hij naar een andere cel
gebracht. Daar kreeg hij na een tijdje gezelschap
van Jan Tuut ('Joop van Wijk'), die van de
ziekenzaal kwam. In de cel was als bodembedekking
alleen een dun laagje stro. Tuut zei wel een stukje
op te willen schuiven, zodat Wim ook op de brits uit
de ziekenzaal kon. Maar 's avonds sloop Steijlaerts
altijd op sportschoenen langs de celdeuren en toen
hij Wim op de brits zag, joeg hij hem eraf en zei
dat hij op de grond moest liggen. 'De volgende keer
schiet ik!' De treiterpraktijken van de SD vonden
voortgang: Wims eten werd af en toe zonder bestek om
de hoek gegooid en als de gevangenen eens een kopje
thee kregen mocht hij niet meedrinken.
Ook het fysieke geweld tegen Wim werd
voortgezet. Jan Tuut vertelde over de
mishandelingen: 'Hij kreeg zoveel slaag dat hij zijn
ontlasting liet lopen. Zijn linkeroog zat dicht,
zijn neus was kapot en je kon zien dat ze hem met de
sleutelbos op zijn hoofd hadden geslagen. Ook waren
er rottende wonden onder zijn knie en aan zijn
kuiten: zo erg zelfs, dat Kronberger zei dat er een
dokter bij moest komen. Namen heeft Wim nauwelijks
genoemd, maar soms deden anderen dat wel. Dan was
het 'Kommen Sie mit! Schnell bitte!' en als hij dan
wist dat hij huizen moest aanwijzen, trok hij
helemaal wit weg. Dat vond hij verschrikkelijk'. De
enige versoepeling in het beleid was dat de beide
gevangenen eens een boek mochten lezen.
Zij vroegen om 'Hollands Glorie' van Jan de Hartog,
maar moesten voor ze dit kregen eerst verschillende
Duitse boeken doorworstelen, te beginnen met 'Mein
Kampf'.
Al met al trachtte Wim het hoofd koel te houden en
zon op manieren om mensen te waarschuwen. Hij maakte
briefjes, die hij tussen het vuile wasgoed probeerde
weg te smokkelen.
Een medegevangene, die in Drenthe tewerkgesteld
werd, gaf hij een boodschap mee voor Philippus
Spits.
Intussen was ook Wiepke Hofs beurt
gekomen voor een 'behandeling'. Hij had tijdens de
martelingen van zijn makkers de hele tijd hun gegil
gehoord en verstijfd van angst werd hij uit zijn cel
gehaald. Deze zachtaardige man, wiens deur voor
iedereen uit het verzet altijd openstond en bij wie
'alles kon', was nu geestelijk volkomen murw
gemaakt. 'Sla me alsjeblieft niet', smeekte hij zijn
ondervragers. Hij zei dat hij bereid was het een en
ander te vertellen als hij maar niet mishandeld zou
worden. Toch bleef ook Wiepke op zijn hoede en zag
eveneens kans enkele namen naar buiten te smokkelen.
De inspanningen van de mannen werden tenietgedaan op
3 februari: die nacht arresteerden de Duitsers te
Tjerkwerd Gewestelijk Operatieleider van de BS
kapitein Pander en zijn adjudant Wierda. Dit was een
zware slag voor het verzet, want hiermee viel een
enorme hoeveelheid informatie over wapenopslag in
Duitse handen.
Toen deze onheilstijding de volgende dag Lemsterland
bereikte, stuurde Willem Beijering onverwijld de
koeriersters Willy van der Gaast en Lena Koopmans op
weg om mensen in de omgeving te waarschuwen om onder
te duiken.

Het huisje van Wiepke
Hof in Delfstrahuizen werd geplunderd en diverse malen
op wapens doorzocht. De wapens waren in de nacht na de
arrestatie door de rest van de KP al weggehaald. Na de
laatste huiszoeking wierpen de SD'ers enkele
handgranaten naar binnen. Het huisje van Hof is later
opgenomen in kledingcentrum Roest.
• De tweede arrestatiegolf.
Gewapend met nieuwe adressen en
gegevens trok de SD er op 8 februari op uit om een
volgende reeks arrestaties te verrichten. In twee
groepen stroopten zij het grondgebied van
Lemsterland af.
In Echtenerbrug was hun eerste
slachtoffer Pier Cuiper. Hij was toevallig net even
thuis om zijn kleinzoontje, op wie hij erg gesteld
was, te zien toen omstreeks 9 uur de overvalwagen
voor zijn deur stopte. Voor de wagen stilstond,
sprongen de Duitsers er al af en omsingelden de
woning.
Pier werd achter het huis gebracht, waar men ook
schoonzoon Jan Oord uit het WC-hokje haalde.
'Wie is het, de oude of de jonge?' snauwden de
SD'ers en voor de zekerheid besloot men allebei de
mannen mee te nemen. Dochter Annie wilde haar vader
nog om wat geld vragen, maar een Belgische SD'er in
een lange leren jas joeg haar weg: 'Donder op!' Pier
Cuiper en zijn
schoonzoon werden in de overvalwagen geduwd, maar
bij het huis van de afwezige Albert Koopman liet men
Oord weer gaan. De SD ging vervolgens op zoek naar
BS-groepscommandant Vrieling. Deze was in huis bij
iemand met een vrijwel gelijkluidende naam,
caféhouder Berend Vrielink. Bij ontstentenis van
zijn kostganger werd de caféhouder meegenomen.
In Oosterzee wachtte Sybren Bangma
hetzelfde lot. Hij deed zelf geen illegaal werk,
maar de avond tevoren had zoon Jelle zonder zijn
vaders medeweten wapens en munitie in de schuur
begraven. De SD had de wapens snel gevonden en
arresteerde vader Bangrna.
Diezelfde dag was de beurt aan koerierster Willy van
der Gaast. Zij was de dag daarvoor kletsnat geregend
en toen ze even thuis was om een droge jas te halen,
zag ze plotseling een luxe auto het erf oprijden. Op
de spatborden stonden Duitsers met geweren in de
aanslag. Willy vluchtte naar de stal en wist nog een
tas met spullen in de goot voor de koeien te
verbergen. Maar de Duitsers waren al achter bij de
deur en hadden haar vader te pakken. Zij moest toen
wel tevoorschijn komen. 'Er zit iemand in de auto
die je heel goed kent,' grijnsde de Nederlandse
SD'er Post. 'Kijk maar, het lijkt sinterklaas wel':
Tot haar schrik zag Willy Wim Reinders zitten; hij
had een wit gezicht en een baard van enkele weken.
Zij moest naast hem plaatsnemen en de auto zette
koers richting Follega.
Bij het tolhuis van Samplonius ving
de SD bot, want illegaal werker Koos Mebius was al
dagen afwezig. De auto keerde om en reed naar de
Langestreek in Lemmer, naar slagerij De Jong. Het
pand werd omsingeld, maar Ynze de Jong was al
gewaarschuwd en ondergedoken bij meester De Boer in
Wyckel, De gevangenen werden naar het gebouw van de
Feldgendarmerie aan de Kortestreek gebracht.
Daar kregen zij gezelschap van Jelke van der Pal van
het distributiekantoor: hij was gearresteerd omdat
hij de ondergrondse regelmatig van bonkaarten had
voorzien. Na enkele uren wachten verscheen de
overvalwagen, met daarin onder meer Pier Cuiper en
de vastgeketende Wiepke Hof.
Gezamenlijk ging het naar Crack-State. Onderweg
moest men nog onder een boom schuilen omdat er ter
hoogte van Haskerhome Engelse vliegtuigen
rondcirkelden.

Tijdens een nieuwe razzia op 19
februari werd de boerderij van Jan Toering te
Echtenerbrug in brand gestoken. Dit was ook al
gebeurd op de 8e, maar ditmaal brandde de hoeve
geheel uit. Toering zelf wist beide keren te
ontkomen en de wapens werden niet gevonden.
Op 19 februari werd ook nog de eerder
ontkomen Albert Koopman gepakt.
Naast het LO-werk had Albert zich als lid van het
zogenoemde 'Duif-detachement beziggehouden met het
geven van onderricht in het hanteren van stenguns.
Kennelijk had men het in Echtenerbrug te gevaarlijk
gevonden om hem als onderduiker in huis te nemen;
want hij had in het dorp geen deugdelijk schuiladres
kunnen vinden. Half februari was de vrouw van een
gewezen onderduiker van hem nog even in Echtenerbrug
en had vertwijfeld geprobeerd hem te bewegen om met
haar mee te gaan, maar Albert had geweigerd: 'Myn
plak is hjirre'.
In de vroege ochtend kwam de SD en doorzocht het
huis, maar men kon Albert niet vinden. De Duitsers
liepen om de woning heen en één van hen stootte met
zijn geweerkolf tegen de wand van een kleine houten
uitbouw aan de achterzijde van het huisje. Er klonk
een hol geluid en de SD'ers begrepen dat erachter
een ruimte moest zijn. Binnen vond men Albert
Koopman op de Wc. De Nederlandse SD'er Wamelink
sommeerde hem zich aan te kleden en mee te gaan naar
de gereformeerde kerk, waarvan Alberts vader Jelte
koster was. Maar de wapens die de SD daar hoopte aan
te treffen, waren al ver van tevoren door de overige
verzetslieden weggehaald. Als zesde gevangene uit
het Lemsterlandse verzet werd Albert Koopman naar
Crack-State gebracht.
Pier Cuiper werd de eerste tijd hevig
met de sleutelbos op zijn rug geslagen, maar zijn
geluk was dat de SD niet veel over hem wist. Toen
bovendien bleek dat hij bruikbaar was als slachter,
lieten de Duitsers hem verder met rust.
Willy van der Gaast zat de eerste 11
dagen van haar gevangenschap moederziel alleen in
cel 8, slechts één cel verwijderd van het
verhoorkamertje. Duidelijk kon zij het gekerm en
geschreeuw van de gemartelden horen, hetgeen soms de
hele nacht voortduurde. Ook Willy werd diverse malen
verhoord, maar niet mishandeld: Rosenthal zat achter
de typemachine en Post fungeerde als tolk.
Steijlaerts zat met een pistool te spelen, waarmee
hij keer op keer dreigend in Willy's richting wees.
'Ik zou het maar vertellen Willy, want anders .....'
Willy werd eveneens mikpunt van de pesterijen van
Steijlaerts. 'Hoeveel paarden heeft je vader? Twee?
Nu heeft hij er niet een
meer, want we hebben de hele boerderij platgebrand!'
loog hij bijvoorbeeld. Na de nieuwe razzia op 19
februari werd Willy naar boven gebracht, waar in cel
19 meer vrouwen opgesloten waren.
Tijdens één van de verhoren werd zij nog
geconfronteerd met Wim Reinders: hij zag bleker dan
ooit en trilde over zijn hele lichaam. Voor Reinders
volgde op 8 maart nog een laatste beproeving. Toen
de SD aan de weet was gekomen dat zowel de
distributieleider als de brandkast achter de
boerderij van Toering begraven waren, moest hij mee
om de juiste plaats aan te wijzen. Wim werd aan het
graven gezet tot het lijk zichtbaar was. Hij werd
toen gedwongen om met zijn blote handen het in
verregaande staat van ontbinding verkerende lijk
verder op te graven en het met een borstel schoon te
maken.
Foto's, die in opdracht van de SD zijn
gemaakt als bewijsmateriaal.
Hierboven de door de Duitsers ongeldig
verklaarde
bonnen, die met de brandkast mee werden
begraven.
Er werden ook twee foto's van het lijk
van Huls gemaakt;
daaronder was ook een close-up van zijn
gezicht. De foto's werden de gevangenen
onder de neus gewreven: 'Das hast du
gemacht, du Terrorist!' |
Eén
van de gaten waarin het lijk of de
brandkast was begraven, op het erf van
Jan Toering. |
De familie Postma, waar de
KP indertijd een nacht onderdak gekregen had, was er ook
bij en moest de kluis uit de drassige grond opgraven. Er
werd een fotograaf opgetrommeld om de bewijsstukken van
de 'terroristische daden' vast te leggen (zie boven).
Op de terugweg bij het passeren van de kerk van Vierhuis
zei een van de SD'ers tegen Wim Reinders: 'Kijk maar
eens goed, het zal de laatste keer zijn dat je dit
ziet.'
Voor de gevangenen in
Crack-State kropen de weken voorbij. Buiten de
mishandelingen had men te maken met erbarmelijke
hygiënische omstandigheden, zoals lekke kiepeltonnen.
Toen de SD eens een oefening met traangas hield, voelden
de gevangenen hun ogen hevig branden en moesten zij naar
adem happen. Om de moed er in te houden, werd soms
gezongen. Via een ruimte tussen de verwarmingsbuizen en
de muur was nog enige communicatie met elkaar mogelijk.
De geallieerde opmars vorderde intussen gestaag. Toen de
Canadezen Heerenveen naderden, dreigde de SD Crack-State
in de lucht te laten vliegen. 'Ze krijgen jullie niet,
over mijn lijk!' aldus cipier Steijlaerts. Op de avond
van de 13e april vertelde hij de gevangenen dat de
lonten beneden al klaar lagen.
De hele nacht hoorden de gevangenen schieten en het
opblazen van bruggen rond Heerenveen.
Toen de volgende morgen om 11 uur een oudere Belgische
cipier de deur van de vrouwencel opende en zei: 'Jullie
moeten alles meenemen wat je hebt', dacht Willy van der
Gaast dat haar laatste uur geslagen had. Met kloppend
hart pakten zij en de andere vrouwen hun spullen bij
elkaar. Maar tot ieders verbazing vervolgde de cipier:
'Jullie gaan naar huis.' Hij ontsloot de gevangenisdeur
en zei dat er met niemand gesproken mocht worden. De
vrouwen werden vrijgelaten en de Duitsers maakten zich
klaar om te vluchten.
Ook Pier Cuiper overleefde zijn verblijf in Crack-State.
Hij behoorde tot degenen die na de aftocht van de
Duitsers door bakker De Wolf en zijn knecht bevrijd
werden. Over de andere drie gevangenen uit het
Lemsterlandse verzet had het lot anders beslist.

Crackstate te Heerenveen, gevangenis
het "lustoord"van het ZBV-Kommando.
Tijdens de laatste oorlogsmaanden was aan
beide zijden het voedseltekort nijpend geworden. In
verband hiermee vond net over de gemeentegrens van
Lemsterland een voorval plaats dat ernstige gevolgen zou
hebben.
Rond de buurtschap Doniaga verbleven vele
onderduikers. Om hen en het dorp van vlees te voorzien,
liet de BS van Doniawerstal wel eens een koe slachten.
Commandant Pier Koopmans, die veearts te St. Nicolaasga
was, regelde de vergunning dan achteraf. De boer werd
schadeloos gesteld door middel van een bon.
Op zekere dag had men de beschikking over een koe van
boer Landman te Doniaga. Deze durfde het dier niet op
zijn eigen erf te laten slachten, zodat men Michiel
Schotanus vroeg of dit in zijn schuur mocht gebeuren. De
boer gaf toestemming, en ging vervolgens aan het werk op
het land.
Zijn vrouw was op dat moment in St. Nicolaasga op zoek
naar een nieuw dienstmeisje. Het was 15 maart, één maand
voor de bevrijding.
Slagersknecht Frans Spijkerman had wel vaker voor de
illegaliteit geslacht en nam het karwei op zich,
geholpen door twee onderduikers. Eén hiervan was Rienk
Cloo, een wat hardvochtige ex-politieman die op de
boerderij van de familie verbleef; de ander BS'er Jan
Dijkstra, die bij een buurman onderdak had gevonden.
Toen men klaar was, werd het vlees aan haken opgehangen.
Op dat ogenblik wierpen twee mannen op voedseltocht
begerige blikken naar binnen. Het waren leden van de
Wasserschutzpolizei, wier boot in Lemmer afgemeerd lag:
de Duitser Friedrich Platt en de Nederlander in Duitse
dienst Foppe Kootstra. Zij hadden niet in de gaten dat
ze met onderduikers te maken hadden en stapten naar
binnen. Met als argument: 'Dit is gestolen vlees van de
Wehrmacht' eisten zij een deel van het vlees. Tijdens de
discussie die ontstond verschenen nog twee andere BS'ers
ten tonele. Zij boden aan om een slachtvergunning in
St.Nicolaasga te gaan halen.
De waterpolitiemannen kregen argwaan en
toen de twee vertrokken waren, gaven zij opdracht een
gedeelte van het vlees in zakken te doen. Spijkerman
werd als gijzelaar meegenomen naar Lemmer. De
achtergebleven Cloo en Dijkstra overlegden koortsachtig:
als Spijkerman verhoord werd, zou hij alles over het
illegale werk kunnen vertellen. Ze besloten op de fiets
te springen en gewapend met pistolen reden zij richting
Follega.
Toen de matrozen hun achtervolgers opmerkten, lieten zij
het vlees en Spijkerman in de steek en vluchtten in
paniek. Kootstra rende het land voorbij dat van
Schotanus in, achternagezeten door Cloo. Deze schoot op
zijn tegenstander en raakte hem in de buik. Toen
Kootstra zich toch nog trachtte te verdedigen, sloeg
Cloo hem halverwege de tramdijk met een hekpaal de
hersens in. Onderwijl hield Dijkstra zich met Platt
bezig. Na een schotenwisseling snelde de laatste met een
buitgemaakte fiets richting St.Nicolaasga. Ter hoogte
van het haakse gedeelte van de Wielwei reed hij in de
armen van de twee onverricht terzake uit St.Nyk
teruggekeerde SS'ers. Zij maanden hem tot stoppen. Platt
luisterde niet en rende het drassige weiland in. Jan
Dijkstra was inmiddels ter plaatse en vuurde in de
richting van de Duitser. Het geluksschot trof deze in de
nek. De SS'ers verstopten de beide lijken en maakten dat
zij wegkwamen. Een boer uit de omgeving verborg de
zakken vlees nog in zijn mesthoop.
Toen diezelfde dag het lijk van Kootstra
gevonden werd, stak de SD uit wraak de boerderij van
Schotanus in brand. De familie was gelukkig net op tijd
ondergedoken. De Duitsers waren helemaal door het dolle
heen, toen men de volgende dag het tweede lijk vond: een
aantal boeren rond Doniaga, onder wie de broer van
mevrouw Schotanus, werd opgepakt. Zij moesten het vee
van Schotanus naar Lemmer drijven en werden daar meteen
opgesloten. De hele nacht van de 16e op de 17e werden
zij verhoord. De Duitsers wensten represailles en in
eerste instantie was het de bedoeling dat de boeren
daarvan het slachtoffer zouden worden.
Maar de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD
bepaalde, dat Kronberger twintig gevangenen uit
Crack-State moest halen voor de fusillade. Het werden er
uiteindelijk tien: daaronder waren ook Wim Reinders,
Wiepke Hof en Albert Koopman. Op de morgen van de 17e
maart werden de gevangenen met een vrachtauto
overgebracht naar Doniaga. Vlak voor de verbrande
boerderij van Schotanus werden zij opgesteld in twee
rijen van vijf. Aanwezig waren twintig man van de
Wasserschutzpolizei, alsmede een aantal toezichthoudende
SD'ers onder leiding van Untersturmführer Scherneck. De
gevangenen weigerden unaniem blinddoeken. Wim Reinders
riep nog: 'Leve de Koningin!'
Wat er daarna gebeurde werd door een
overbuurman als volgt beschreven: 'Mijn vrouw zag dat er
vijf man klaar stonden om doodgeschoten te worden en is
toen in het hok gaan zitten om het niet te zien. Zij had
wel gehoord dat er verscheidene schoten gelost zijn als
moesten er honderd dood. Toen ik thuis kwam heb ik de
mannen zien liggen, de een voorover gevallen, de ander
achterover en boven over elkaar heen, het was een
vreselijk gezicht'. In 1948 is de boerderij van
Schotanus weer opgebouwd. Op de plaats van de executie
is door zoon Marten een treurboompje geplant.
|
Dagblad
Kennemerland |
|
16-03-2002 |
Overleden
Frans Spijkerman
79 jaar
echtg. van P.M. van de Burg
|
29-12-1922
|
|
15-03-2002
Nibbixwoud |
|
De boerderij van Schotanus voor de
brand.
Gedenksteen 'De Nederlandse Leeuw
herijst uit de vlammen' in de noord-gevel van de nieuwe
boerderij.
De Duitse overval op het huisje aan de
Heksloot, in de nacht van 14 op 15 mei 1944. Het huisje
lag eenzaam temidden van de weilanden. Tijdens de
overval werden de ruiten ingeslagen en werd er door de
woning heen geschoten. De 8 daar verblijvende joden
werden weggevoerd; alleen mevrouw Reindorp keerde levend
terug.
• Veraden, relaas van een joodse
onderduikster.
|
Wij woonden
in Mei 1944, met 4 echtparen, in een huisje
diep in een polder van Echtenerbrug
(Friesland). Eerst hadden mijn man en ik 3
maanden alleen bij een boer gewoond, doch
dit werd te gevaarlijk geacht, daar deze
boer veel ondergronds werk verrichtte. In
deze streek van Friesland waren heel weinig
joodse onderduikers, doch iedere boer was
gedwongen een niet-joodse onderduiker in
zijn huis te hebben, meest jongens, die
boerenarbeid konden doen. De ondergrondse
organisatie verwachtte echter meer joodse
mensen om te verbergen, speciaal uit
Amsterdam.
Na deze 3
maanden stelde de organisatie ons voor
reclame te maken voor joden. Wij zouden dan
elk etmaal bij een ander boerengezin
doorbrengen en men raakte op deze manier aan
ons ras gewend. (Dit laatste was niet hun,
doch
ons commentaar). Dit voorstel lokte ons wel
aan; een tijdelijke onderbreking van ons
sleurleven en wij verwachtten overal een
goed onthaal. Hierin zijn wij niet
teleurgesteld en wij maakten met
verschillende mensen kennis in die 10 dagen.
De opzet was dat wij in dat huisje in de
polder met nog een echtpaar zouden wonen,
maar het derde echtpaar had diverse kinderen
in Friesland ondergedoken, en was uit
Amsterdam gekomen om dicht bij hen te kunnen
zijn. Er was nog ruimte in ons huisje en wij
konden het goed vinden met ons zessen. Wij
leefden een betrekkelijk gezellig en vrij
leven. Om het huisje lag een grote weide,
waar wij mochten wandelen en heerlijk konden
zonnen, na een verblijf
van 1½ jaar
binnen. Met het vierde echtpaar zat de
organisatie zwaar in de zorg. Zij waren in
de buurt al van verschillende adressen
verwisseld en bedierven deze adressen voor
anderen. Wij hoorden geregeld over hen en na gezamenlijk overleg, boden wij aan dat dit
echtpaar ook nog bij ons zou komen. Het leek
ons beter dat wij het moeilijk met hen
hadden, dan de Friesche boeren. Zij kwamen
en inderdaad was dit echtpaar geen aanwinst
in ons huisje. Vele ruzies werden gemaakt en
weer bijgelegd, maar het was een prachtig
voorjaar en wij konden veel buiten zijn. De
4 mannen hadden zelfs een stuk land omgespit
en diverse groenten gezaaid. Veel verstand
hadden zij er echter niet van en toen dan
ook op een middag van de 13e Mei een boer op
krukken langs kwam en geïnteresseerd vroeg
hoe het gewas er voor stond, neerknielde en
alles bekeek en instructies gaf, werden deze
graag aangenomen.
Jullie wonen
hier met vier vrouwen, he?' vroeg hij. Dit
werd beaamd, want zoals bijna overal in
Friesland, werkte het hele dorp samen om
alle joodse en niet-joodse onderduikers van
bonnen en voedsel te voorzien. Het dorpje
Echten wist dan ook van ons bestaan af en
zorgde buitengewoon goed voor ons.
'Mijn vrouw ligt in Leeuwarden in het
ziekenhuis en ik ben dringend om hulp
verlegen. Kan een van jullie vrouwen mij
niet 's morgens komen helpen in de
huishouding?'
Hierop werd een afwijzend antwoord gegeven,
daar wij niet verder mochten komen dan ons.
weilandje.
'Ik woon daar, je kunt mijn boerderij zien'
en hij wees met zijn hand in een richting
waar wij inderdaad een dak van een huis
zagen. Het verzoek moest echter weer worden
afgewezen.
Het gezicht van de boer betrok en zijn ogen
gluurden naar ons, vrouwen, die in het
voorjaarszonnetje
lagen. 'Zoveel vrouwen en niemand wil mij
helpen' met deze woorden draaide hij Zich om
en hinkte weg.
De nacht
daarop, 14 Mei, wij waren laat naar bed
gegaan en hadden nog niet geslapen,viel er
een helle lichtschijn in onze kamer, waar
wij en nog een echtpaar ieder in een bedstee
sliepen. Direct daarop klonk het: 'Tûr
offnen', Meteen klonk er een gerinkel van
glas en werden de ramen ingeslagen. Op het
zoldertje sliepen de andere 2 echtparen en
wij kwamen in het keukentje samen. Er werd
hard op de deur gebonsd en weer klonk het
bevel 'Tûr offnen'.
Een der vier mannen liep naar het zoldertje
om te zien of wij uit het zolderraam konden
ontvluchten. Hij opende dit, en was zo
verstandig geweest voor hij zijn hoofd er
door stak, een hoed op te zetten. Meteen
knalde er een schot en de hoed rolde op hel
dak. Wij gluurden voorzichtig door de
keukenramen en merkten dat ons huisje geheel
omsingeld was. Nee, hier was geen ontkomen
aan. Nu werd men buiten zeker ongeduldig,
want er klonken van alle zijden schoten en
de kogels vlogen door het huis. Wij stonden
in een hoek gedrukt en besloten, om erger te
voorkomen, de deur te openen.
Het schieten
hield op en met de geweren in de aanslag
kwamen er 6 Duitse soldaten binnen.
'Hánde hoch', klonk het en wij
gehoorzaamden.
Toen werd ons huisje; bij het licht van de
Buta-lamp, grondig doorzocht. De wapens, die
zij bij ons verwacht hadden, werden
natuurlijk niet gevonden en toen mochten wij
onze armen laten zakken. Hun dreigende
houding verdween ook gedeeltelijk en wij
hoorden, dat wij mee moesten. Wij konden
brood en kleren meenemen en terwijl wij het
nodige inpakten, inspecteerden zij onze
kasten. 'Kuckmal, 3 Käse, Zucker, Mehl,
Butter, Kuchen'
Zij waren stom verbaasd over onze voorraad,
die juist die dag aangevuld was.
Er was een figuur, gekleed in een donkere
jas, die steeds op de achtergrond bleef. Hij
heeft die nacht geen woord gezegd, doch hij
benam ons; mocht deze er al geweest zijn,
elke kans tot ontvluchten. (Deze man; een
N.S.B.er; werd door de hinkende boer over
ons verblijf ingelicht en hij bracht dit
bericht aan de Duitsers. Na de oorlog is hij
gepakt en voor het gerecht te Leeuwarden
gedaagd. Daar ontmoette ik hem weer; hij zag
zich 8 jaar gevangenisstraf
toegewezen).
Om 4 uur
waren wij zover. Wie van ons had de goede
gedachte gehad degelijke kleren mee te
nemen? Alles was ons immers onverschillig?
Wij voelden ons ten dode opgeschreven en met
ons bundeltje in een deken gerold, verlieten
wij ons huisje waarin wij enige maanden
veilig hadden gewoond. De 'Gendarmerie' had
een kwartier verder de fietsen liggen,
waarop zij van Lemmer waren gekomen en dit
zou voor ons een wandeling van ± 1½
uur worden. Wij sjokten naast de fietsen,
maar zij bemerkten ook, dat wij niet hard
konden opschieten. Onderwijl was het licht
geworden en er werd een boer opgeroepen, die
een wagen moest inspannen, waarop wij met
ons achten konden zitten. (In Lemmer moesten
wij met deze boer afrekenen, die ons voor
dit tochtje f 10,- liet betalen).
Omringd door de Duitsers reden wij Lemmer
binnen, waar wij in een politiepost werden
binnen gebracht. Tot 's middags bleven wij
daar, bewaakt door Duitse matrozen. Toen
kwam er een autobus, wij moesten instappen
en reden naar Leeuwarden. Halfweg knalde er
een band en er werd hevig gevloekt (in het
Duits). 'Wieder Sabotage', hoorden wij. De
geweren kwamen weer in de aanslag en er werd
ergens om een andere bus gebeld. Deze kwam
en het ging weer verder. Bij de gevangenis
in Leeuwarden moesten wij uitstappen, onze
bezittingen werden ons afgenomen, en de
mannen gingen links en wij rechts. Dit was
de eerste maal dat wij gescheiden werden in
deze ellendige oorlog.
'Liefste,
moed houden,' hoorde ik mijn man zeggen en
mijn blik volgde hem zo lang mogelijk.
Vijf dagen bleven wij daar, wij vrouwen in
een cel. Onze bewaakster, Mevrouw Van Andel,
was zeer goed voor ons. Zij gaf o.a.
boodschappen door aan onze mannen, die twee
aan twee in hun cellen' zaten: Op de
hotsende wagen, die ons naar Lemmer bracht,
hadden wij een verhaal bedacht, dat onze
boer en de organisatie de kans gaven, te
kunnen vluchten. Wij noemde slechts een naam
en beschreven slechts een persoon, die ons
allen ontmoet had, om onderdak bedelend bij
de boeren. Hij had ons in dit huisje
gebracht en van alles voorzien.
Wij noemden hem. Willem en beschreven hem
als groot, dik, blond en met een bril. Aan
deze beschrijving moesten wij ons, bij een
eventueel verhoor, stipt houden. Vier van
ons werden verhoord, waaronder ook ik, en
wij hebben Willem genoemd, onze redder en
hem zo beschreven, als wij hadden
afgesproken. Na dit verhoor, vertelde onze
bewaakster ons, dat wij een groot geluk
hadden gehad, dat de S.S.-er, die ons
ondervroeg, die dag niet dronken was. De
lange karwats was in de bureaulade gebleven.
's Avonds
deed de bewaakster de cellen van de
vrouwenafdeling open en wij ontmoetten
andere gevangenen. De meeste waren politieke
gevangenen en de verhalen, die wij elkaar
deden, waren niet erg opwekkend.
Na 5 dagen zagen wij onze mannen weer en
reisden, onder strenge bewaking van
landwachters en marechaussee, naar Assen.
Daar weer naar het politiebureau en per
vrachtauto verder naar Westerbork, de
verzamelplaats van alle Hollandse joden. Wij
kwamen hier in de zogenaamde 'strafbarak',
liepen in overalls met verschillende
gekleurde lappen er in genaaid, moesten op
klompen lopen en het hoofd van de mannen
werd kaal geschoren, dit alles om
het ontvluchten onmogelijk te maken.
Natuurlijk waren daarvoor al verscheidene
pogingen hiertoe ondernomen, al en niet
geslaagd, daarom deze maatregelen.
Na een
bepaalde tijd kwamen wij uit deze strafbarak
en liepen in het vrije kamp rond. Dit kamp
was een dorpje geworden met huisjes,
barakken en barakjes. Er was zelfs een grote
concertzaal, waar regelmatig voorstellingen
moesten worden gegeven. Dit op bevel van de
Duitse commandant van dit kamp. De treinen
met grote transporten naar de onbekende
bestemming Polen, hebben wij gelukkig niet
meer meegemaakt. Wij hadden dan ook de hoop,
dat wij hier het einde van de oorlog konden
afwachten.
Er waren verschillende bedrijven in hel
leven geroepen o.a. gebouwen, waar
batterijen uit elkaar werden gehaald, een
andere waar men dit met schoenen deed. Weer
een andere, een zogenaamd confectiebedrijf
waar lappen oude stof werden gesorteerd en
gestreken. Ikzelf heb daar enige weken
steeds maar met een heet strijkijzer over de
lappen heen en weer zitten strijken, maar
werkte later als verpleegster in het
ziekenhuis, waaraan de beste joodse
Duitse doktoren waren verbonden. Er was ook
een modeloperatiekamer met de kostbaarste
instrumenten. Mijn man werkte in de
'schoenen', doch daar hij steeds klachten
over zijn maag had, werd hij in het
ziekenhuis opgenomen, waar een maagzweer
werd geconstateerd.
Nu kwam hij in de mannenbarak van het
ziekenhuis te liggen. Dit zou echter niet
van lange duur zijn, want op 1 Augustus 1944
vertrokken vier van ons, bewoners van het
huisje in Friesland, naar Bergen-Belsen
(D.), een zogenaamd Vorzugslag er. Wij
vertrokken in personentreinen en
bagagewagens, men kon kiezen, welke men
prefereerde. Wij kozen de bagagewagen, want
konden daar tenminste onze leden strekken.
Van deze ongewenste reis ben ik de enigste
die teruggekomen is en van de andere 4
bewoners is er niemand terug gekeerd.
Naschrift van
'Verraden'
Inderdaad is
het ons gelukt de boer aan
wie ons huisje behoorde en de
verschillende leden der organisatie
die bij ons betrokken waren, te laten
ontvluchten. Toen zijn boerderij door 30 man
omsingeld werd, was het hele gezin al
gevlogen. Zijn oudste knecht heeft toen de
boerderij verzorgd.
De
schrijfster van dit verhaal, 'Tante Leen'
Reindorp, op een foto van enkele jaren voor
de oorlog. Zij behoorde tot de 8
onderduikers in het huisje aan de Heksloot
van Johannes Kraak (door hem 'Joadenhûske'
genoemd). Zij overleefde kamp Bergen-Belsen,
dat net op tijd bevrijd werd. Van de andere
joden keerde niemand terug. Tante Leen
overleed in 1959. (Het relaas en foto zijn
opgestuurd door haar zoon Leo, woonachtig in
Israël. Leo was ten tijde van de arrestatie
van zijn ouders in Nijmegen ondergebracht).
|
• 'Henk, Roelof en Luitjen', een
eerbetoon door Paul.
|
Henk Akse (Arie v.d. Pol) |
Roelof Knol (Wim Reinders) |
Luitjen Mulder (Louis Molenaar) |
| |
|
|
|
Geb. 02-07-1919 |
Geb. 21-10-1922 |
Geb. 25-07-1918 |
|
Overl. 10-04-1945 |
Overl. 17-03-1945 |
Overl. 08-01-1945 |
Onderstaand stuk is geschreven in
1946. 'Paul' is Dirk Onderweegs, wiens schuilnaam in
de oorlog 'Paul Lemstra' was.
Den 3den Januari jl. des voormiddags
10 uur is het één jaar geleden dat een overvalauto
voor de woning van Wiepke Hof te Echtenerbrug
stilhield en 7 SD-ers eruit sprongen en deze woning
binnendrongen. Wim en Louis waren dien nacht weer in
actie geweest en waren dientengevolge laat
opgestaan. Louis was even bij Wim aangelopen voor
een korte nabetrachting. Niets vermoedend werden zij
in hun besprekingen ruw gestoord door het openrukken
van de kamerdeur, waardoor een drietal SD-ers met
hun handmachinegeweer in den aanslag binnenvielen.
Verweer was onmogelijk.
Hoewel het eigenlijk om Wim te doen was, werd ook
Louis meegenomen, in de auto gesleurd en naar het
beruchte Crack-State in Heerenveen gebracht. Ook
Wiepke Hof, de moedige kwartiergever van Wim, wiens
huis voor de verzetsgroep steeds openstond en waar
menige vergadering is gehouden, onderging hetzelfde
lot. De illegale werkzaamheden dezer verzetsmenschen
hadden een einde. Na twee zeer zware 'verhooren' te
hebben ondergaan, welke hij manmoedig heeft
doorstaan en doorleden en waarin men hem geen
bekentenis heeft kunnen ontpersen, bezweek Louis aan
de bekomen verwondingen op den vijfden dag na zijn
arrestatie. De sadisten durfden zijn lijk niet
vrijgeven, noch begraven, doch hebben het, verzwaard
met een ijzeren staaf, onder het ijs geschoven, waar
het een maand of vier na de bevrijding,
toevalligerwijze werd gevonden. Ook Wim werd
herhaalde malen geducht aan den tand gevoeld, temeer
omdat de SD-ers zeer bezwarend materiaal in de
schuilplaats op zijn duikadres hadden gevonden o.a.
een uniform van een SS-officier, spoorwegmateriaal
e.d. Hij trachtte zijn proces te rekken, door
telkens iets los te laten wat niet direct kwaad kon.
Hij wist, dat zijn vrienden alle pogingen in het
werk zouden stellen om hem te bevrijden. Daar was
zijn hoop op gevestigd. De mogelijkheid van
een overval op Crack-State is ook ernstig overwogen,
doch bij de aldaar toegepaste bewaking was het
risico zeer groot en de kans van slagen gering. Hoe
moeilijk het ook viel, men moest dit denkbeeld laten
varen. Op 17 Maart 1945 werd hij met 9
medegevangenen, waaronder Wiepke Hof en Albert
Koopman, jonge mannen die in den verzetsstrijd ook
een werkzaam aandeel hebben gehad, vervoerd naar
Doniaga en op het erf van een door de moffen in
brand gestoken boerderij, als represaille op den
moord op twee Duitse militairen, gefusilleerd.
Voordat de schoten knalden, knielde Wim met zijn
makkers neer en beval hunne zielen aan Hem, die
uiteindelijk het recht zal doen zegevieren over het
onrecht en het aan hunne jonge levens gepleegde
geweld zal wreken.
Leve het vaderland, leve de NBS. Met deze uitroep op
hun lippen als uiting van hun geloof in de
overwinning en rechtvaardigheid hunner zaak,
eindigden zij hun jonge leven op het altaar van het
vaderland .....
In April 1943 kwamen twee jonge
menschen met mij kennis maken. Ze stelden zich voor
als Arie van der Pol en Wim Reinders, beiden
afkomstig uit Meppel. Ze waren ondergedoken en door
de organisatie in Meppel naar de Z.W. hoek van
Friesland gezonden om plaatsen te zoeken voor
onderduikers. Ze hadden reeds in Echten duikadressen
gevonden en maakten nu kennis met de plaatselijke contacten in de omgeving. Uit deze kennismaking is
een hartelijke vriendschap ontstaan. Ik leerde deze
beide jonge menschen kennen als een paar
onverschrokken, principiële kerels, die het illegale
werk niet als een avontuur beschouwden, doch het
zagen als een heilig moeten. Ze wisten, dat de
strijd tegen den bezetter ging om bewaring van de
hoogste goederen: recht en vrijheid. Ze wisten ook
dat ze hoog spel speelden, met hun jonge leven als
inzet. Doch ze kenden bovenal hun plicht als
christen en als vaderlander. Doch geen gevaren
konden hen weerhouden den weg van het verzet van
stap tot stap verder te bewandelen, want wie eenmaal
op dien weg uit overtuiging een stap heeft gedaan,
kan niet meer terug zonder zichzelf een lafaard, een
deserteur te vinden. Zoo is ook de weg geweest van Arie en Wim. Zeer vele jongens zijn door hen
gevrijwaard van den slavengang naar het derde rijk.
Vele gezinnen, wier
kostwinner onderdook, werden door het NSF via hen
gesteund. Door weer en wind volbrachten zij hun
taak, als een onmisbare schakel in de machtige, door
de moffen zoo gevreesde verzetsbeweging. Aan deze
samenwerking kwam op 20 Maart 1944 een einde, toen Arie, door Steenwijk fietsende, werd aangehouden
door eenige landwachters, waarvan één, afkomstig uit
Meppel, hem herkende. Eerst
gebracht naar Arnhem, daarna naar Utrecht,
vervolgens met een 2 jaren tuchthuisstraf naar
Duitschland. Eenige weken na de bevrijding vernamen
wij voor het eerst weer van hem. Hij had het
grootste offer gebracht. De bevrijding heeft hij nog
mogen beleven, doch slechts enkele dagen. Toen de
Amerikanen zijn kamp kwamen bevrijden, was hij reeds
ernstig ziek. Operatief ingrijpen mocht niet
meer baten. De bevrijding, waarnaar hij zoo vurig
verlangde en waarvoor hij zich geheel had ingezet,
heeft hij, naar menschelijk inzicht, te spoedig
moeten verwisselen met de eeuwige bevrijding van
zonde en dood.
Kort voor de arrestatie van Arie,
werd Louis in de ploeg opgenomen. Nog maar
nauwelijks ingewerkt, moest hij reeds de plaats van
Arie innemen. Het verzet kostte geregeld offers,
doch het kende geen open plaatsen. Hij werd de
waardige opvolger van Arie. Van denzelfden
verzetsgeest bezield, gedragen door hetzelfde
beginsel, werd Louis thans de medewerker van Wim. De
tijd van de gewapende actie begon.
Het KP-werk begon Wim te trekken. Na een paar maal
met de rayonploeg te hebben samengewerkt, moest deze
een nieuwe leider hebben. Wim werd daartoe
aangezocht en kon niet anders dan aanvaarden. Onder
zijn leiding hebben verschillende overvallen
plaatsgevonden o.a. de kraak van het
distributiekantoor van Kuinre, de ontvoering van den
leider van dezen dienst, die zijn land en volk
meende te moeten dienen met het opsporen van
ondergedokenen en het doorgeven van de adressen aan
de SD. Met medewerking van hem, van Louis, werden de
distributie bescheiden van Langweer andermaal in
handen van de organisatie gespeeld. De NBS werd
opgericht. Wim werd leider van de sabotageafdeeling
en Louis werd, als oud-onderofficier, belast met de
leiding van sectie operatien. In deze functies werd
hun slechts tijd gegund. De SD stak zijn begeerige,
van bloed druipende handen naar deze beide jonge
menschen uit en de morgen van den 3en Januari 1945
brak aan .....
Arie, Wim en Louis, in één adem mag
ik hen noemen en in één lijst heb ik hun foto's
gezet. Zij hooren bij elkaar en zij zijn bij elkaar.
Wij blijven hen gedenken en wij zullen trachten. en
dat zijn wij aan hen verplicht. den strijd voor het
heilig ideaal van een vrij, beter en eensgezind
vaderland, waarvoor zij hebben gestreden en hun
leven hebben gegeven, voort te zetten.
Arie, Wim en Louis, zij hebben den goeden strijd
gestreden, den loop voleindigd en hun is gegeven den
kroon der overwinning.
Paul.
•
Roelof Knol (Wim
Reinders).
Uit: 'De Zwerver',
weekblad van de Stichting LO-LKP, Januari 1946.
'Cor' is Cornelis Blijleven, voormalig lid van de
KP-Echtenerbrug.
Roelof Knol, ofwel Wim
Reinders, werd 21 Oktober 1922 te Meppel geboren.
Sinds Maart 1943 was hij als LO-er werkzaam in
Friesland, District IV.
De hoeveelheid werk, door Wim toen verzet, is
geweldig groot. We noemen slechts het plaatsen en
verzorgen van onderduikers.
Het eigenlijke grote werk voor hem, begon in Mei
1944, toen hij met enige anderen een KP oprichtte.
Het KP-werk was een kolfje naar zijn hand, geboren
leider als hij was.
Geen gevaar duchtte hij voor zichzelf, maar
angstvallig waakte hij, dat er niet te veel risico
voor de jongens aan verbonden was. De gevaarlijkste
karweitjes knapte hij zelf op. Bij het eerste
kraakje van een Distributiekantoor liet Wim zich
insluiten, bracht toen 7 uur aan een stuk door in
een klein kamertje, om 's nachts om 1 uur met een
gelukkige glimlach ons de deur te ontsluiten.
Stonden we op een afwerpterrein, dan kwam Wim langs
om te informeren hoe of het ging, of er eten moest
komen, of we hel ook koud hadden, etc. Altijd voor
ons in de bres springend.
Een zorgzame vader voor ons, ondanks zijn jeugdige
leeftijd. Een prachtkerel.
Wim was de leider van
overvallen op Distributiekantoren, spoorwegsabotage,
dorsmachinesabotage, 'droppings'.
Verder waren er nog verschillende werkzaamheden en
operaties die hij persoonlijk ondernam, maar waar
nooit over gesproken werd.
2 Januari 1945 was de fatale dag. 's Nachts hadden
we nog een schip met rogge gelost voor de mensen in
Holland. We waren zodoende
laat te bed gekomen: circa 5 uur. De volgende morgen
om 10 uur was Wim net aan tafel met zijn vriend
Louis Molenaar en zijn kostbaas Wiepke Hof, toen de
SD totaal onverwachts bij hen binnenstormde, hem
gevangen nam en naar Heerenveen vervoerde. We waren
totaal verslagen. Alles werd in het werk gesteld om
ze te verlossen, maar zonder resultaat. We behielden
contact met hem en hadden nog enige hoop, dat we hem
nog eens terug zouden zien.
Maar het mocht niet zo zijn. Op 17 Maart 1945 werd
hij met negen anderen lafhartig vermoord, als
represaillemaatregel te Doniaga (Fr.).
Wederom was een held gevallen met het gezicht in de
loop van. de mitrailleur, waar hij om gevraagd had,
en hel Wilhelmus op de lippen.
COR.
◊ Onderduiken in Lemsterland.
April 1970 _ Kj.
Klaas Jansma.
Het platteland van Friesland was in de
jaren '40-'45 een waar toevluchtsoord voor onderduikers.
Toen na de bevrijding in 1945 in Echten de balans van de
oorlog werd opgemaakt, bleken hier 1035 mensen
ondergedoken te zijn, waarvan 105 joden. Geen wonder
dus, dat Echten in deze jaren het Friese Palestina
genoemd werd. De verzetsgroep uit deze plaats heeft zich
zeer verdienstelijk gemaakt bij het onderbrengen en de
verzorging van vervolgde Nederlanders.
Van hun aktiviteiten werd ons het volgende bekend.
De inwoners namen, op een enkele
uitzondering na, in de eerste dagen van de bezetting een
afwachtende houding aan.
De grote stoot tot het verzet werd gegeven toen in 1942
duizenden Joden weggevoerd werden, waaronder de drie
joodse inwoners van Lemsterland: zuster Jacobs, Sarah
Blok en haar broer Jozef. Overal in Nederland begonnen
toen de mensen zich tegen deze gang van zaken te
verzetten. Toen kregen ook de verzetsgroepen in Lemmer
en Echten steeds meer bijval. Zelfs mensen die de
Duitsers nooit als echte vijanden van ons volk hadden
gezien, begonnen nu het werk van de k.p.'ers te steunen.
Er was geen waterdichte organisatie voor
het onderbrengen van Joden.
Dit was ook veel te riskant (Duitse ondervraagmethoden
dwongen bijna ieder tot een bekentenis, die al zijn
medewerkers het leven zou kunnen kosten). Vaak werden
vanuit één centraal punt (Boomsma-Sneek) een aantal
mensen naar Echten gestuurd.
De verzetsmensen daar moesten dan maar zien dat ze hen
aan onderdak hielpen, wat vaak niet meeviel.
De boeren die onderduikers in huis namen, liepen
namelijk een groot risico.
Werden ze verraden, dan liepen ze grote kans
gedeporteerd te worden (twee inwoners van deze streek
hebben dat ondervonden), terwijl in ernstige gevallen
soms de boerderij in brand werd gestoken. Bovendien
waren de Joden voor de Tweede Wereldoorlog bij veel
mensen niet erg populair. Enkele oude gezegden ('dat is
een echte jodenstreek') duiden daar al op.
Toch werd, zij het soms met kunst en vliegwerk, voor
bijna elke vervolgde een plaatsje gevonden. Na de grote
spoorwegstaking van '43 kwam er een stroom van arbeiders
die hier aan meegedaan hadden, naar het Friese
platteland. Dezen konden iets gemakkelijker
ondergebracht worden.
Over de moeite die het soms kostte om een
onderduikadres te vinden vertelde een
oud-verzetsstrijder het volgende: "De
aspirant-onderduikers moesten aan vele voorwaarden
voldoen. We moesten de mensen vaak de garantie geven dat
ze niet stalen, geen vrouwenjagers waren, zich vaak
wasten e.d. Dat konden we. natuurlijk niet, maar we
deden het wel. Dat dit soms tot moeilijkheden
leidde is wel te begrijpen. Zo moesten we dan zelf als
een soort politie de orde op dit gebied handhaven".
Hierbij kwam nog het probleem van de
verzorging. Voedsel en kleding waren bijna alleen op de
bon te krijgen en men moest geregistreerd
zijn om bonnen te kunnen halen.
Om de onderduikers toch wat voedsel te verschaffen,
trachtte de k.p. via slinkse wegen bonnen te
bemachtigen.
Vaak kregen ze hierbij hulp van stille medewerkers op
distributiekantoren, die stiekem bonkaarten
verdonkeremaanden om ze de verzetsstrijders in handen te
spelen.
Deze vaak onopvallende figuren zijn voor de
verzetsbeweging van bijzonder grote waarde geweest. Soms
werden distributiekantoren overvallen. In juni 1944 werd
door k.p. Echten het kantoor van Kuinre overvallen.
Van tijd tot tijd gingen een paar mannen bij de boeren
langs om financiële bijstand te vragen. Het was dan heel
normaal, dat er twee gulden per koe gegeven werd. Zelfs
NSB'ers steunden soms op deze manier het werk van de
ondergrondse.
Kleine inbraken en overvallen waren nodig om aan geld en
goederen te komen.
Zo kwam in januari 1945 een schip met
rogge in Echtenerbrug aan. Leden van de ondergrondse
wisten al spoedig ,dat het door zou varen naar
Duitsland. Daarom besloot men het schip leeg te halen.
In de nacht van drie op vier januari had men in Echten
en Delfstrahuizen wachtposten uitgezet om een groepje
kp'ers zonder al te veel gevaar de boot te laten
overvallen en leeghalen. Dit kon inderdaad geschieden
zonder dat er een Duitse haan naar kraaide, maar de
volgende morgen werden drie medewerkers aan de overval:
Wiepke Hof, Wim Reinders en Luitjen Mulder in alle
vroegte opgepakt en weggevoerd.
Geen van hun drieën heeft de bevrijding mogen meemaken.
Maus Holtrop ontsprong de dans, omdat hij 's morgens om
vier uur naar huis was gelopen. De arrestatie was
overigens niet het gevolg van de overval op het schip,
maar van het doorslaan van mensen uit Noordwolde.

Het leeghalen van het
roggeschip. Buiten de KP waren onder andere nog aanwezig
Pier Cuiper, Johannes Kraak en Fedde Kalsbeek. Het graan
werd naar de zolder van de christelijke school gebracht,
de latere meubelzaak Bruin. De tekeningen zijn kort na
de oorlog gemaakt door Hendrik Bangma, een schoonzoon
van Pier Cuiper (hij was getrouwd met Gelske) en lid van
de BS van Lemsterland.
Los hiervan stond het
onderduikersparadijs "de Noordoostpolder".
Honderden mannen waren hier z.g. aan het werk, anderen
zaten in rietvelden verscholen, kortom: ieder die gevaar
liep, kon hier een betrekkelijk veilig heenkomen zoeken.
Een schaduwzijde aan de oorlogsgeschiedenis van de NOP
zijn de grote razzia's in 1943-44. Honderden mannen
werden als in een klopjacht voor de Duitse geweren
uitgejaagd, tientallen zijn weggevoerd en hebben de dood
gevonden in een Duits concentratiekamp.
Iedereen kende de verzetstrijders. Als
iemand in moeilijkheden zat, kon hij aan een
schooljongen het adres van een k.p.'er vragen en hij
kreeg het. Dat er in Lemsterland niet meer mensen
opgepakt zijn is volgens onze zegslieden te danken aan
de Duitse kommandant te Lemmer, die sommige
verzetsstrijders zelfs bij de naam kende. Toch heeft men
wel pogingen gedaan mannen. als W. Kraak, H. Bootsrna,
M. Holtrop en anderen te vangen. De laatste is in
februari 1945 gered door de toen 10-jarige Sietse
Hooisma, die tegen een groepje "Groenen" niet wilde
zeggen waar Holtrop woonde. Toen de mannen probeerden
bij een ander het adres in handen te krijgen, holde
Sietse door de landen naar de boerderij waar Holtrop
verbleef. Deze kon daardoor tijdig een goed heenkomen
zoeken, zodat de Duitsers bot vingen.
Het liep niet altijd zo goed af. In een huisje aan de
Heksloot te Bantega zaten in 1942 een achttal joden
ondergedoken. De eigenaar, de heer J. Kraak, woonde in
een boerderij verderop en zorgde alleen zo nu en dan
voor voedsel. Verder hadden deze onderduikers weinig
kontakten met de buitenwereld. Door verraad hebben de
Duitsers hun schuilplaats ontdekt en in 1943 werden zij
gedeporteerd.
Er zijn slachtoffers gevallen bij het werk voor
verdrukte landgenoten.
De namen in het Rienplan kunnen ons dagelijks herinneren
aan 't offer dat sommigen voor de medemens wilden
brengen. Een nog mooier
monument dan het straatnaambordje is echter de lijst met
namen van 1035 geredden.
•
Persoonsbewijs: een zaak van levensbelang.
Secretariebeambten deden belangrijk werk.
April 1970 _ Kj. Klaas Jansma.
Een jaar na de kapitulatie van Nederland,
15 mei 1941, bepaalde de bezettende macht dat elke
Nederlander een persoonsbewijs bij zich moest dragen met
daarop vermeld: naam, geboortejaar, bijzondere
kenmerken, plus foto en vingerafdruk. Joden kregen
bovendien een J aan hun naam toegevoegd.
Het doel was duidelijk: van nu al aan zou men ook de
joden, die niet duidelijk herkenbaar waren door
Davidster of raskenmerken, bij legitimatie dadelijk
kunnen arresteren.
Verder zouden de onderduikers, die na een of ander
vergrijp gevlucht waren en wier naam bij de autoriteiten
bekend waren, opgepakt worden.
Het werd dus voor mensen die door de Duitsers gezocht
werden, een zaak van levensbelang om te zorgen voor een
nieuw persoonsbewijs.
Dit was niet eenvoudig. Immers, iedereen
was op het gemeentehuis geregistreerd. Zou men een
persoonsbewijs zonder meer vervalsen, dan had men een
kans dat dit ontdekt werd. Bovendien, dit vervalsen was
niet gemakkelijk.
De oude lettertjes moesten uitgedund worden, het
beschadigde papier werd hersteld door van andere pb's
stukjes af te schrappen en die erop te plakken en hierop
moest dan nog een nieuwe naam gefabriceerd worden.
Geen wonder dat men kort na het invoeren van het pb
probeerde op de gemeentehuizen mensen te vinden die zelf
zouden willen meewerken om mensen in nood aan dit
kostbare papier te helpen.
De heer De Boer uit Drachten reisde veel gemeentehuizen
langs en kwam o.m. in kontakt met de heren H. Sliep en
D. R. Onderweegs. H. Sliep, later secretaris van de
gemeente Lemsterland, toen secretaris-ambtenaar In
Dantumadeel, wilde wel meewerken.
Overschrijven.
Men ging als volgt te werk: blanko
persoonsbewijzen lagen op het gemeentehuis. De ambtenaar
kon daar een aantal van krijgen, als hij even een
handtekening zette. In het bevolkingsregister werd nu
nagegaan, welke mensen overleden waren.
Kwam iemand van 35 jaar om een pb dan kreeg hij de
personalia van iemand die 35 jaar geleden geboren was en
nu niet meer leefde. Zijn
eigen foto en vingerafdrukken werden toegevoegd; en de
gemeenteambtenaar kon het pb. tekenen. Bij een eventuele
kontrole zou niemand erachter kunnen komen, dat er
geknoeid was.
In Lemmer waren hoofdkommies D. R. Onderweegs,
belastingambtenaar W. Bijering en de slager E. de Jong
erg aktief. Zij zorgden ervoor, dat velen een nieuwe
naam kregen.
Zelfs de niet aan het verzet meewerkten wisten van hun
aktiviteiten, kende ambtenaren op het gemeentemaar voor
zover bekend heeft niemand van hen verraad gepleegd.
Het is duidelijk, dat op deze manier maar
een beperkt aantal mensen geholpen konden worden. Dit
veranderde na 1943, toen er een aantal
kraken op gemeentehuizen gepleegd waren, waarbij een
aantal blanko pb's gestolen waren. Het probleem was, dat
de Duitse recherche
vaak lijsten bijhield, waarop de nummers van de gestolen
pb's vermeld waren. Veel onderduikers veranderden daarom
het nummer van hun valse persoonsbewijs, iets wat niet
zo gemakkelijk was. Het was riskanter om met een
vervalst dan met een echt persoonsbewijs op zak
te lopen.
Daarom hield sekretaris Sliep de gewoonte aan om
werkelijk belangrijke verzetsmensen de echte te geven.
In 1943 werden honderden mensen
opgeroepen om in Duitsland te 'komen werken. Het
geboortejaar was daarbij bepalend. Een grote stroom
mensen kwam vragen om persoonsbewijzen met een
ongevaarlijke leeftijd. Zagen ze er wat ouder uit, dan
werden inderdaad de data een beetje veranderd.
In mei 1944 kwam de direkteur van het
postkantoor, de heer Tj. van der Bijl, bij de heer
Onderweegs. Hij had een telefoontje onderschept, dat de
S.D. Leeuwarden had met de Duitse commandant in Lemmer.
Daaruit had hij begrepen, dat "Herr Onderwegs verhaftet"
moest worden.
Hij was verraden! De heer Onderweegs fabriceerde daarom
gauw een ziekteverlofkaart, kreeg de handtekening van
burgemeester Krijger en
vertrok. Hij was nog maar enkele dagen weg, toen zijn
huis omsingeld werd door Duitse overvalwagens.
Maar de vogel was gevlogen. Bij Sneek dook de heer
Onderweegs onder. Daar ging hij bij de centrale pb.
vervalsing aan het werk.
Van hieruit werden vele onderduikers en verzetsstrijders
van valse persoonsbewijzen voorzien. Dit heeft vele
honderden het leven gered. Zes weken voor de bevrijding
kwamen de Duitsers hem opnieuw op het spoor, maar ook nu
wist hij te ontkomen.
De heer Sliep werd wel opgepakt. Een van de mensen die
hij aan een persoonsbewijs had geholpen, was verraden.
Op zijn persoonsbewijs
stond de handtekening van Sliep.
Maar de heer Sliep hield vol dat het een echt pb was dat
werkelijk op het gemeentehuis aan deze man was
uitgereikt.
Gelukkig voor hem kreeg hij geelzucht, zodat hij uit de
gevangenis ontslagen werd.
Na de oorlog bleek pas goed, hoeveel de
secretarieambtenaren die hadden meegewerkt, voor het
verzet hebben betekend. Veel Nederlanders hebben aan
deze stille werkers, die nimmer op de voorgrond gestaan
hebben hun leven te danken.
De volgende personen en
families verleenden medewerking door foto's en/of
informatie: Fam. Cuiper, mevr. W. Schilstra-Van der
Gaast, fam. Kraak, mevr. J. Volkers-Knol, H. Mulder en
echtgenote, fam. Y. de Jong en mevr. A.
Denneboom-Meijers, F. Kalsbeek, fam. Schotanus, J. Tuut,
mevr. A. van der Wal-Van Steenwijk en mevr. A.
Luimes-Van der Wal, fam. Spits, H. Douma, mevr. A.
Sterk-Feenstra en mevr. H. Feenstra-Huisman, H. Postma,
G. Bakker, J. Beijering, J. de Lange, S.
Westra, J. Westerink, S. Wiersrna, mevr. A. Brands-
Wierdsma.
Niets uit deze
website mag worden
verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt
of op andere wijze gebruikt worden
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|