De Tweede Wereldoorlog en
Lemsterland.

Het echtpaar Jaalsma, dat
van 1946 tot 1970 in Utrecht woonde en sinds 1970 aan de
Zijlroede woont.
Hans Jaalsma (65) vocht bij het uitbreken van de oorlog
bij de Afsluitdijk.
(Hans Jaalsma is
geboren op 7 december 1914, zoon van Jan Jaalsma en
Jantje Rottiné. Hans trouwde, 25 jaar oud, in 1939 met
Tietje Vleer).
◊ Slagersknecht Hans Jaalsma
vocht bij de Afsluitdijk. 24 april 1980.
Atte Wierda, Lemmer.
Spaanse griep.
Zeven december 1914 werd
Hans Jaalsma geboren in een huisje aan de Polderdijk.
Zijn vader was smid bij Van den Berg. Hij kwam te
overlijden in 1918.
De Spaanse griep teisterde Lemmer. Voor moeder Jaalsma
was het verlies van haar man een grote ramp. Zij had
niet alleen haar echtgenoot verloren, maar moest ook nog
de kost verdienen voor de drie zoons en een dochter.
Sociale voorzieningen, zoals we die vandaag de dag
kennen, bestonden toendertijd alleen in de meest
heerlijke dromen.
"Mijn moeder", vertelt
Hans Jaalsma in de gemakkelijke stoel en uitkijkend op
het vaarwater de Zijlroede dat voor zijn huis langs
loopt, begon na de dood van vader met het venten van
kruidenierswaren.
Ze ging met koffie en thee en zo in een mandje langs de
deuren. Toen dat wat liep, zijn we verhuisd naar de 4-de
Parkstraat.
In een gewoon huis is ze daar een kruidenierswinkel
begonnen".
Weeshuis.
De winkel in de Parkstraat
draaide nog maar net of een volgende ramp kondigde zich
aan. Hans moeder werd ernstig ziek, zo ziek zelfs, dat men dacht dat ze zou sterven. De zoons Ike, Marten en
Hans werden naar het weeshuis Neerbosch bij Hees in de
buurt van Nijmegen gebracht.
Nadat het drietal daar zo'n 2½ jaar had vertoefd, werd
de oudste, Ike, plotseling ziek. Hij had een
loodvergiftiging opgelopen.
Moeder Jaalsma, zo goed als helemaal hersteld, haalde
haar doodzieke zoon uit Neerbosch naar Lemmer, waar hij
kwam te overlijden. Marten en Hans bleven achter in de
wezeninrichting, waartoe o. a een boerderij, een school
en drukkerij behoorden. Hans was zeven jaar oud toen hij
in Neerbosch terecht kwam en verliet de inrichting toen
hij elf was.
"Ik heb slechte ervaringen
in het weeshuis opgedaan. Je kreeg wel voldoende eten en
drinken, maar er was totaal geen gezinsleven.
Toch kon ik me er wel goed aanpassen".
De heer Jaalsma herinnert zich nog goed die bonte
kleding, die hij in het weeshuis moest dragen. Blij was
hij, toen hij na 4 jaar zich van die bonte blouses mocht
ontdoen. In Lemmer wachtte moeder en dochter Antje op
Hans en Marten.
Op een varken.
Eenmaal in Lemmer werd
Hans naar de Koningin Wilhelminaschool aan de
Flevostraat gezonden. "Die school was toen net gebouwd.
Ik kan me nog herinneren dat ik op een varken gezeten
over het bouwterrein heb gereden. Ik denk dat ik toen
net Dik Trom had gelezen".
Genoemde lagere school lag 55 jaar geleden helemaal aan
de buitenkant van Lemmer, dat in het noorden werd
omgeven door weilanden. Na het doorlopen van de Koningin Wilhelminaschool is Hans naar de Mulo gegaan. Die stond
toen aan de Langestreek, in het gebouw waarin
eens een sigarenfabriek van Smit en Ten Hove uit Kampen
was ondergebracht en waarin later het sociaal-kultureel
centrum "Doedok" zat Anderhalf jaar zat Hans op de Mulo:
"Ik moest nodig aan het werk".
De leraren hebben blijkbaar weinig indruk op hem
gemaakt, want de heer Jaalsma weet nog maar weinig over
zijn meesters te vertellen. De Mulo-leraren zijn hem
allemaal uit het geheugen gesprongen. Wel kent hij nog
de meesters Dragt en Fedde Schurer. "Schurer, de Friese
dichter, was een man die recht voor z'n mening uitkwam
en dat gaf nogal eens moeilijkheden, onder andere met de
plaatselijke
Gereformeerde kerk".
Aan het werk.
Hans moeder verdiende nog
steeds de kost met haar kruidenierswinkel. Ze werd
bijgestaan door haar zoon Marten, die er altijd met de kruidenierskar op uittrok. Het woonhuis aan de
Parkstraat werd steeds meer een echte winkel. Moeder Jaalsma begon in de hal, stapelde in de loop der jaren
de trap vol met produkten en op een gegeven moment moest
Hans stellages op zolder maken.
Hans was van de Mulo gekomen om buitenshuis de kost te
verdienen. Zijn eerste werkgever was elektriciën Faber,
die een zaak aan de Nieuwburen had. Daar bleef hij maar
een paar weken, omdat het karakter van Hans in het
geheel niet paste bij dat van meneer Faber. En dat
bazige optreden, daar had de jonge Hans het helemaal
niet op staan. Hans keerde de elektriciteit de rug toe
en trad in dienst bij
slager Sijswerda in de Flevostraat als slagersknecht In
de slagerij zat later de heer Krol. Hans bleef tot
december 1933 bij Sijswerda langer ging niet, want hij moest in militaire dienst.
In dienst.
De heer Jaalsma is vier
perioden in dienst geweest. Eerst van 4 december 1933
tot 2 september 1934, toen van 25 mei 1938 tot 25 november 1938 (voormobilisatie) en van 29 augustus 1939
tot 10 mei 1940 en laatstelijk vanaf de bevrijding tot
het najaar van 1946.
In 1933 volgde Hans Jaalsma een opleiding als
onderofficier in de Johan Willem Friso kazerne in Assen.
Hij werd ingedeeld bij de verbindingsdienst Toen hij
begin september 1934 uit dienst kwam is hij weer aan 't
werk gegaan bij slager Sijswerda. In 1938 deed zich de kans voor om beroepssoldaat te worden en omdat het in de
slagerij niet zo best was, besloot Hans die kans te
benutten. Na een halfjaar
beroepsmilitair te zijn geweest, besloot hij er mee te
kappen. De sfeer in het leger beviel hem niet.
Bij het uitbreken van de oorlog had de regering (sinds
juni 1939 een noodkabinet onder leiding van jonkheer D.
de Geer, 1980 - 1960, waarin voor het eerst ook
socialisten zaten) de algemene mobilisatie gelast
Aan de kop van de
Afsluitdijk.
Sergeant Hans Jaalsma werd
ondergebracht bij de mitrailleurscompagnie en toen in de
vroege ochtend van 10 mei 1940 een sterke Duitse troepenmacht Nederland binnenviel, lagen hij en zijn
mannen aan de Friese kop van de Afsluitdijk, bij het
plaatsje Wons. Ze trachtten te verhinderen dat de
Duitsers gebruik gingen maken van de Afsluitdijk om
zodoende zo snel mogelijk Holland in de vingers te
krijgen.
"We lagen achter de Hervormde kerk van Wons te schieten
op Duitsers die van Bolsward kwamen. Onze taak was om de
Afsluitdijk vrij van Duitsers te houden.
Veel materiaal om mee te schieten hadden we niet Een
kanonnetje en een aantal mitrailleurs, zgn.
"Schwarzwalders". We hadden er niet zoveel kogelbanden
bij. Ik geloof zo'n tien kistjes. Er gingen acht kogels
per sekonde uit zo'n mitrailleur. Kun je begrijpen dat
we gauw zonder zaten". Het leger was in Nederland nooit
erg geliefd geweest De defensie-uitgaven vormden al
jaren een sluitpost op de begroting. De Nederlandse
soldaten waren slecht voorbereid op een eventuele
oorlog.
Tegen de modern bewapende en perfekt gedrilde Duitse
troepen die op vrijdag 10 mei 1940 om drie uur in de
ochtend Nederland binnenvielen, waren zij niet gewassen.
Tegen de Duitse luchtmacht kon het Nederlandse leger
helemaal niets beginnen, ondanks dat er nog 30
vliegtuigen naar beneden zijn gehaald.
Eén van die vliegtuigen
werd door Hans Jaalsma en zijn kameraden neergehaald.
"Er ging een enorm gejuich op toen dat Duitse vliegtuig naar beneden kwam".
Juichen in de oorlog. Hoe bestaat het, denk je achteraf.
De jongens bij de kop van de Afsluitdijk wisten niet wat
zich elders in Nederland afspeelde. De vliegvelden
werden gebombardeerd en bijna alle Nederlandse
vliegtuigen op de grond kapot gegooid.
Achter de nog altijd veilig geachte Hollandse waterlinie
werden parachutisten uitgeworpen. Op deze manier wisten
de Duitsers de Moerdijk bruggen onbeschadigd in handen
te krijgen, zodat hulp vanuit Frankrijk was uitgesloten.
Nederlandse soldaten leverden een verbeten
strijd bij de Grebbelinie en bij de Afsluitdijk.
Na drie dagen bleek de situatie hopeloos. Op advies van
opperbevelhebber generaal H. G. Winkelman vertrokken
koningin Wilhelmina en het kabinet op 13 mei naar
Engeland Een besluit dat niet algemeen werd gewaardeerd,
maar dat achteraf verstandig is gebleken.
De heer Jaalsma "Nederland was niet klaar om tegen de
Duitsers te vechten. We wisten niet wat oorlog was. Met
de oorlog van 1914-1918 hebben we ons niet bemoeid".
Krijgsgevangen.
Er zijn verscheidene
Nederlandse soldaten bij de kop van de Afsluitdijk
gesneuveld.
Bunkers vlogen de lucht in. De heer Jaalsma zegt, dat het een geluk is geweest dat hij en zijn maten niet in
de aardwallenbunkers zaten. Die gingen één voor één de
lucht in. Eén dag konden de heer Jaalsma en zijn
vrienden het bij de Afsluitdijk volhouden. Ze trokken
zich terug naar Makkum en gingen verder langs de zeedijk
richting Molkwerum, een gewonde sergeant meeslepend
"Bang? Och, als je eenmaal aan de gang bent, ben je niet
bang meer". Tussen Makkum en Molkwerum werden de jongens
door de Duitsers omsingeld en krijgsgevangen gemaakt De
wapens werden in de sloot gegooid "We moesten naar Bolsward lopen, waar we in een school werden
ondergebracht.
De Duitsers waren niet ruw. We werden niet slecht
behandeld". Er werd in de school geslapen. Van het feit
dat men krijgsgevangen was, was de ene soldaat meer
ondersteboven dan de ander. Eén van Jaalsma's vrienden
was zo in de war, dat hij de volgende morgen dwars door
de prikkeldraadversperring liep.
Omdat Hans Jaalsma nieuwsgierig was naar wat er met hen
ging gebeuren, stapte hij naar de Duitse kommandant voor
tekst en uitleg. Hij was nog maar net buiten de school
of de Duitsers pakten hem op en zetten hem in een
vrachtwagen met de bestemming Groningen.
In Groningen werd de heer
Jaalsma weer opgeborgen in een school en wel twee weken.
Toen werd hij terug gestuurd naar Wons, om daar weer als
soldaat in dienst te gaan onder Duits toezicht Maar Jaalsma ging niet naar Wons, maar naar Lemmer.
Slachten, vissen en
sjouwen.
Hans Jaalsma trad niet
weer in dienst bij slager Siedsma, maar bij slager Sake
van der Bijl. In 1942 moest hij, Hans Jaalsma, zich
melden in de Prins Hendrik kazerne.
Hij deed dat niet, maar wel dook hij even onder. 's
Avonds keerde hij naar zijn woning tegenover de Rooms katholieke kerk in de Schans terug. Hij was inmiddels
getrouwd met een dochter van de bekende visserman Andries Fleer.
Omdat het in zijn leefomgeving te gevaarlijk voor hem
werd, legde Hans Jaalsma zijn funktie als slagersknecht
neer en gingin het losse werk. Via goede relaties met de
heer Medendorp van het Arbeidsbureau zag de heer Jaalsma
kans te werken als los arbeider zonder ook maar ergens
voor ingeschreven te staan.
Hij loste schepen met aardappelen voor handelaar Aeerde
van der Veen en schepen met kolen voor de gasfabriek.
Op een gegeven moment werd hem dit werk te zwaar. Hij
ging een jaar vissen op het IJsselmeer met de LE 21 van
zijn schoonvader. Toen hij hoorde dat een zoon van
slager Koning naar Duitsland moest en de slager zonder
hulp kwam te zitten, meldde hij zich bij de heer Koning.
Tot de bevrijding heeft hij voor Koning en voor slager
De Jong gewerkt. De slagers werkten nauw samen in
verband met de aanvoer van het vlees op één centraal
punt, namelijk bij slager Lageveen in de Ben-Schans.
Koning had een slagerij op de Markt en De Jong was
gevestigd aan de Langestreek. Tussentijds behaalde de
heer Jaalsma het slagersvakdiploma.
Wapens in de school.
Het huis van de Jaalsma's
in de Schans deed in de oorlog dienst als doorgangshuis
voor onderduikers. Ze hadden onder andere het Joodse echtpaar Kronenberg, dat nu in Naarden woont, een poosje
onderdak verschaft Dit echtpaar heeft anderhalf jaar
ondergedoken gezeten in het huis van Haye Dijkstra in de
Schoolstraat, de vader van de ex-havenmeester Marten
Dijkstra. Ook heeft de sergeant Kaufmann, die instrukteur was voor de Knokploegen, in de oorlog even
een veilig heenkomen gevonden in het huis van de familie
Jaalsma. De wapens, die deze man bij zich had, werden in
de dakgoot verstopt.
In 1944 vorderden de
Duitsers het huis Schans 68. Het echtpaar verhuisde naar
een achterwoning, behorende bij de winkel van slager De Jong van de Langestreek. Slager Ynze de Jong, aktief bij
de Binnenlandse Strijdkrachten, moest met zijn vrouw en
kinderen onderduiken in Gaasterland. "Het was toen de
tijd van vraag niets, maar doe maar" vertelt de heer
Jaalsma, Zo belanden nieuwe gedropte wapens in Lemmer,
bestemd voor de Binnenlandse Strijdkrachten in Lemmer.
De wapens werden verstopt op de zolder van de Koningin Wilhelminaschool, waar een zevental leden van de BS ook
instrukties kregen in hoe ze de wapens moeten gebruiken.
Eén van die leden was Hans Jaalsma, de knecht van slager
De Jong. In het komplot zat ook koncierge Haye Dijkstra,
die het schoolhoofd, de heer Van der Kooi, niet had
verteld dat er gedropte wapens in de school verborgen
werden gehouden. Maar op een avond kwam het hoofd er
toch achter dat er 's avonds iets bijzonders gaande was
in zijn school. Als hij in één van de lokalen staat,
komen de mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten na
een instruktieles van de zolder en lopen de
schoolmeester tegen het lijf. Ongezien ontkomen was er
niet meer bij.
"We hebben maar heel weinig tegen hem gezegd: als je
iets vertelt, is het niet best met je. De volgende dag
heb ik de wapens, Brenguns en Stenguns, van zolder
gehaald. Ik vertrouwde het niet Ik heb de wapens gewoon
in een kruidenierswagen gedaan. Een zak erover en niemand zag er wat van. Het spul hebben we in het karrehok achter de kruidenierswinkel in de 4de
Parkstraat gebracht Gevaarlijk transport? Net doen alsof
je gek bent, dan gebeurt er niet zoveel'.
Bevrijding.
De wapens bleven liggen
tot twee weken voor de bevrijding in de nacht van 16 op
17 april. De Canadezen bevonden zich in de wijde omtrek
van Lemmer. Met Jetze de Haan heeft Hans Jaalsma op een
avond de wapens uit het karrehok gehaald en achter op de
fiets naar de roeiboot aan de Polderdijk gebracht Het
bootje lag vlak bij het huis van een NSB-er. De mannen
zijn met de wapens via de Rien over het Tjeukemeer naar
Echtenerbrug gevaren, om daar naar de boerderij van
Gerrit Kraak te lopen. ln de boerderij zaten zo' n 20
leden van de BS.
Op weg naar de boerderij kwamen Hans en Jetze nog twee
Duitsers tegen, maar die hadden niets in de gaten.
"We hebben een dag of vier in die boerderij doorgebracht
Over ons heen werd vanuit Wolvega Lemmer beschoten. Wij
hadden het daar wel goed in de boerderij. Ik heb er nog
een varken geslacht".
Als in de nacht van 16 op
17 april de Duitsers door de Canadezen uit Lemmer zijn
verjaagd, komen de leden van de Binnenlandse Strijdkrachten uit Kraak's boerderij en trekken op naar
Lemmer. Ze voegen zich bij de Canadezen op zoek naar
Duitsers. "In Lemmer hebben we de mensen de eerste uren
na de beschieting in de huizen gestuurd. Het was een
paniekerige situatie. Ik zie me nog liggen met zijn
Stengun op de Markt. Wij zochten naar Duitsers. Met de
Canadezen zijn we nog naar Kuinre gereden, omdat we
meenden dat daar nog Duitsers achtergebleven waren. We
hebben daar echter geen Duitse soldaten meer
aangetroffen".
De NSB' ers werden
opgepakt en naar kamp Sondel vervoerd.
Commandant Zwarthoed vertegenwoordigde een week lang na
de bevrijding van Lemmer het Nederlandse militaire
gezag, daarna werd Hans Jaalsma de kommandant van de
Binnenlandse Strijdkrachten in Lemmer.
Na de bevrijding (de beschieting van Lemmer heeft aan
een 5-tal mensen het leven gekost) is de heer Jaalsma in
de rang van sergeant majoor in de militaire dienst
gebleven, hij was gestationeerd op de vliegbasis
Leeuwarden. Na trammelant met de grootmajoor in
Leeuwarden werd hij overgeplaatst naar Schoonhoven. Tot
het najaar van 1946 is de heer Jaalsma militair
gebleven. Hij is vervolgens naar
het slagersvakonderwijs in Utrecht gegaan, waar hij
onder andere tot taak had het leerlingenstelsel op poten
te zetten. Hij begon in Utrecht als assistent-kontroleur
en was uiteindelijk adjunkt-direkteur (tijdelijk) van de
slagersvakschool in Utrecht en hoofdkonsulent In 1970 is
het echtpaar Jaalsma, dat bijna 25 jaar in Utrecht heeft
gewoond, weer naar Lemmer gekomen. Vanuit Lemmer heeft
de heer Jaalsma als freelancer diverse vleesverwerkende
industrieën adviezen gegeven.
Eind 1974 werd hij
getroffen door een tweetal hartinfarkten.
Wat vindt de man, die aktief heeft geholpen aan de
bevrijding van Nederland, van het hedendaagse resultaat
van de suksesvolle strijd van Amerikanen, Canadezen,
Engelsen, Fransen, Polen enz. tegen de Duitsers in de
Tweede Wereldoorlog?
"In de oorlog vormde je
met elkaar een hechte eenheid Na de oorlog zou de
maatschappij anders worden. Hechter.
Maar nu moet ik konstateren dat er geen verbroedering
is. We vreten vandaag de dag elkaar weer op. De
polarisatie viert hoogtij".
Op de vraag of hij denkt, dat de generatie, die de
Tweede Wereldoorlog niet heeft meegemaakt, waardering
heeft voor de bevrijders, antwoordt de heer Jaalsma:
"De zwijgende meerderheid onder de jonge mensen wel. Al
zul je meer waarde hechten aan hetgeen, waarvoor je zelf
hebt gevochten"
Bevrijdingsnacht 17 april 1945
De Duitsers trokken uit
Oostelijke richting terug naar Lemmer en het was bij de
haven veel geschreeuw en lawaai; ze schreeuwden daar als
gekken. Omstreeks middernacht hoorden wij een hevige
knal en daarna meer ontploffingen. De ondergrondsen
hadden het vroegere kantinegebouw waarin veel munitie
was opgeslagen in brand gestoken en de ene ontploffing
volgde op de andere.
Het regende brokken hout en projectielen en vele ramen
werden verbrijzeld.
Mijn buren Harmen v. d. Wolf en Lute Dam, die daar toen
naast woonden, vluchtten het straatje op naar mijn
buurman Klaas Verbeek,
maar Harmen keerde nog even terug. Hij had een
zaklantaarn in de hand en werd door een Duitser in het
linker bovenbeen geschoten. Lute
Dam sleepte hem naar de woning van Klaas Verbeek. De
explosies bleven aanhouden en toen de kantine in lichte
laaie stond was het zo helder licht als de dag en bij de
stroomsluis en op het erf van de boerderij van Huitema
was het nog vol met Duitsers.
Later in de nacht begon de
beschieting van de haven door de Canadezen heviger te
worden. Als wij de projectielen hoorden fluiten lagen
wij plat op de vloer en stonden niet eerder weer op dan
wanneer de granaat was ontploft en dat gebeurde niet ver
van ons vandaan. Een deel van de koestal van Huitema
werd getroffen en een paar koeien werden gedood. Een
andere voltreffer kwam in de Rien terecht waarbij die op
de Noordzee leek met vliegend stormweer. Ook kwam een
granaat boven in de dijk terecht, waar een groot gat
werd ingeslagen. Naderhand begon het schieten te
verminderen. Bij mij thuis waren veel dingen verbrijzeld
en geen ruit meer heel. Ik heb toen planken voor de
ramen gespijkerd. maar zelf waren wij ongedeerd.
De Duitsers waren voorgoed achter de dijk verdwenen. En
de Lemmer was bevrijd!
Dit is de herinnering aan
de bevrijdingsnacht van 17 april 1945, die ik nooit zal
vergeten.
Canadezen reden 17april
1945 Balk binnen. Op de achtergrond de kleding zaak van
Benjamin Steegenga aan de Van Swinderenstraat, waarin
het buro van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten
distrikt 4 was gevestigd.
◊ Hendrik en Hendrikus de Jong,
verzetstrijders uit Bantega.
Albert Hendriks.
_ 8 mei 1980 Elburg - In
een heel gezellig ingericht huisje aan de Winckelstraat
in het voormalige vissersdorpje Elburg wonen de
65-jarige Hendrik de Jong en zijn 67-jarige vrouw Afke
Visser. De heer De Jong schreef ons een brief naar
aanleiding van een artikel over de op 13 november 1943
in het Lemster Hop gelande Amerikaanse bommenwerper
Liberator B24 42-7650. Dat vliegtuig landde bijna op het
hoofd van Hendrik de Jong, toentertijd als arbeider in
dienst van de Direktie in de Noordoostpolder werkzaam op
kavel 17 aan de Hopweg.
Toen de bemanning van het toestel zich naar buiten begaf
en de Duitsers naderden maakte Hendrik de Jong zich uit
de voeten.
De grond werd de uit Bantega afkomstige verzetsman te
heet onder de voeten. Over wat Hendrik in de oorlog
uitspookte, gaat het volgende verhaal.
Verzetstrijder Hendrik de
Jong, geboren op 3 januari 1915 in Bantega. Later
woonachtig in Elburg.
Soldaat Hendrik de
Jong.
Hendrik de Jong is een zoon van Albert de Jong,
timmerman, die met zijn vrouw een huisje aan de
Bandsloot bewoont. Nadat Hendrik eind 1933 en begin 1934
in militaire dienst is geweest gaat hij in het losse
werk bij verschillende boeren, waar onder Koert Zijlstra
aan de Middenweg.
Allesbehalve licht werk: hooien, sloten schoonmaken en
mesten. Geen gemakkelijke tijd, die jaren voor de
oorlog. De landbouw verschaft niet regelmatig werk.
Midden 1939 wordt het Nederlandse leger gemobiliseerd.
Hendrik moet zich in Leeuwarden melden. Hij is nog
nauwelijks in de Friese hoofdstad of hij wordt met
andere gemobiliseerde ex-soldaten per vrachtwagen naar Vleuren, enige kilometers ten westen van Utrecht,
gebracht.
Vandaar worden de mannen naar Heemstede getransporteerd.
Hun onderkomen: een bollenschuur.
In de vroege ochtend van
10 mei 1940 valt een sterke Duitse troepenmacht ons land
binnen. Als de mannen in Heemstede van het oorlogsgeweld
van Adolf Hitler vernemen worden ze naar vliegveld
Valkenburg gedirigeerd. Het vervoer geschiedt met
gevorderde autobussen: Als het legertje Nederlanders in
Valkenburg aankomt, ontdekt het dat de Duitsers het
vliegveld al in de klauwen hebben. Toch wordt het veld
omsingeld en op de Duitsers geschoten.
Hendrik de Jong krijgt de opdracht elke in de lukt
hangende parachutist lek te schieten. De Hollanders
houden het een paar dagen vol. Hun strijd tegen de
moffen blijkt weinig suksesvol. Tegen het materieel van
de oosterburen valt niet op te boksen. Hendrik en zijn
maten worden naar een plaatsje bij Leiden gebracht,
nadat zij zich overgegeven hebben. Na een kort verblijf
in de plaatselijke Rooms Katholieke kerk gaan ze naar Bennebroek.
Na daar een paar weken te hebben gezeten, tekent Hendrik
een aantal papieren en wordt verzocht naar zijn geboorte
en woonplaats Bantega terug te gaan.
Spitten en ploegen in
de polder.
Weer gaat Hendrik aan 't
werk bij de boeren. Er is weinig werk in de omgeving van
Bantega. Blij is Hendrik als in het laatst van 1941 werk in de in opbouw zijnde Noordoostpolder loskomt.
Hij meldt zich bij het administratiekantoor van de
Direktie Noordoostpolderwerken in Kuinre. Hij wordt in
de omgeving van Blankenham aan de schop gezet Greppels
en sloten graven. Loodzwaar werk onder toezicht van zich soms diktatoriaal gedragende ploegbazen. Er zijn er
slechte bij, konstateert Hendrik. De onderduikers uit
Amsterdam en Rotterdam hebben het helemaal beroerd. Zij
hebben nog nooit een spade in de hand gehad. Blaren
branden in hun handen. Na een paar weken Blankenham wordt Hendrik in de buurt van Lemmer tewerkgesteld.
Spitten en ploegen moet hij. Weer of geen weer. Het loon
bedraagt 35 cent per kub. Werkje te hard dan gaat er 5
cent per kub af. Onaantrekkelijker kan het niet.
Behalve het op de rug aankomende spitwerk is er ook mooi
werk, zoals ploegen met ossen als trekdieren.
Onmogelijke trekkers. Halfweg de akkers hebben ze geen
zin meer de ploeg voort te trekken en gaan er bij
liggen, zich aan niets storend.
Als Hendrik verder wil, denken de ossen, moet hij zelf
dat ijzer maar door de grond trekken. Soms hebben de
beesten tijdens het werk honger. Op de kopakkers
aangekomen zien de ossen aan de andere kant van de sloot
een lekkere pol gras staan. Ze baggeren dwars door de
sloot heen, de ploeg achter zich aan slepend. Er is geen
houden en keren aan. Als de honger gestild is, moet
Hendrik met zijn ossen een hele omweg maken om weer op
de te ploegen akker te komen.
Liberator.
Op zaterdagmiddag 13
november is Hendrik de Jong bezig met het schoonmaken
van de infiltratiesloot die tussen de Hopweg en de oude zeedijk loopt. Plotseling hoort hij gebrom van een
vliegtuig. Hij ziet op en ziet een Amerikaanse
bommenwerper van Slijkenburg richting Lemmer vliegen.
Het toestel verliest hoogte. Het vliegtuig maakt een lus
boven de polder en vliegt regelrecht op Schoterzijl aan
en zet
vervolgens weer koers naar Lemmer.
Hendrik ziet het toestel wel, maar hoort 'm haast niet
Wat gaat de piloot doen?
Landen in die drassige polder of in 't Hop of . . . .
boven op mij?
Hendrik krijgt het wel even benauwd.
Opeens komt het vliegtuig met z'n buik aan de grond. Boem! De bommenwerper glijdt over de grond en komt
slechts een tiental meters van Hendrik tot stilstand.
Hij slaakt een ongelooflijke zucht van verlichting. Dat
was op het kantje af! De schop trilt in zijn handen als
de bemanning uit de kist klautert en op één van de vleugels gaan staan. Hendrik kan onmogelijk iets voor de
jongens doen. De polder is kaal. Van verstoppen kan geen
sprake zijn. Wat het ergste is: de Duitsers hebben een
wachtpost dichtbij het wrak.
Aanvankelijk blijven de moffen op hun post. Ze durven
kennelijk niet naar het vliegtuig te stappen, bang dat
ze neergepaft zullen worden. Er wordt gewacht op
versterking vanuit Lemmer. Als er meer Duitsers uit Lemmer komen, neemt Hendrik het besluit 'm als de
sodemieter te smeren. Hij, af en toe betrokken bij
illegale wapentransporten in de polder, loopt naar de kultuurboerderij van Koopman op kavel 17.
Pas 's avonds keert hij huiswaarts. Het pad, waar hij
normaal langs gaat naar Bantega, loopt door het Lemster
Hop. De omgeving van het vliegtuigwrak hebben de
Duitsers afgezet en daarom moet Hendrik een grote omweg
maken. De situatie blijft enige dagen zo. Later ziet hij
hoe het vliegtuig wordt gedemonteerd en met een grote
auto, die geparkeerd staat voor het houten huisje van Andries Zijlstra (Andries
Dubbelt) aan de Middenweg, wordt afgevoerd.
Arrestatie.
Hendrik's broer Riekus de
Jong en Jan Visser van de Gracht bij Scherpenzeel zitten
dik in het verzet. Beide mannen verzamelen 's nachts in de polder gedropte wapens en laden ze in
vrachtautootjes. Gevaarlijk werk, waarbij ook Hendrik en
vader Albert worden betrokken. Op een avond worden in
het oosten van de polder weer wapens op een auto
geladen. De chauffeurs zijn Hollanders in Duitse
uniformen. Jan Visser
is er dit keer niet bij. Het is november 1944. Hendrik,
Riekus en hun vader lopen richting Hopweg op weg naar
Bantega. Ze komen van Schoterbrug. Als ze op de Hopweg
zijn, wordt de te volgen route besproken.
Er zijn twee mogelijkheden om thuis te komen. Op de
fiets naar de kultuurboerderij van Koopman op kavel 17
en vervolgens door het Lemster Hop naar Bantega Of
lopend richting Schoterzijl.
Juist als ze een besluit willen nemen, buldert iemand in
de donkere nacht: "HALT !?? Hendrik, Riekus en Albert de
Jong staan stijf van de schrik. De moffen schijnen de
sterke zaklantaarns recht in hun gezicht. Ze willen
wapens zien. Hendrik legt uit dat ze nog laat aan het
werk voor de Directie zijn geweest en daarom in het
donker huiswaarts keren. De Duitsers geloven er geen
barst van, Ze drijven de
drie Bantegasters voor zich uit naar Lemmer. In de barak
aan de Sluisweg worden ze intensief verhoord. Het gaat
er niet zo zuinig toe. De mannen moeten antwoorden met
een revolver op de borst.
Hendrik en Riekus laten merken er geen om te geven. Ze
zeggen niets met van wapentransporten te weten. Dat
pikken de moffen niet. Riekus wordt bij armen en benen
gepakt en op een harde stoel gesmeten. De soldaten
schoppen hem en meppen met de revolvers. Ook
Hendrik krijgt een paar enorme dreunen met een pistool.
De gezichten van de broers raken bebloed. De moffen zijn
tevreden. Vader Albert behandelen ze vanwege zijn hoge
leeftijd wat menselijker, maar ook hij vertikt het de
juiste antwoorden op Duitse vragen te geven. In het
huisje van de familie De Jong aan de Bandsloot is men
ongerust. Zijn de mannen opgepakt? Als dat het geval is,
laten we dan als de gesmeerde de jachtgeweren in de tuin
begraven, denken moeder en twee zusters. Zo gezegd, zo
gedaan.
Geluk in gevangenschap.
Hendrik, Riekus en hun
vader blijven één nacht in Lemmer. De Volgende morgen
wordt het drietal op fietsen gezet en met de handen aan het stuur gebonden. Ze moeten naar Heerenveen fietsen.
Voor twee Duitsers en achter twee. In Heerenveen worden
ze opgesloten in de gevangenis van Crackstate in het
centrum. Vader Albert is bang dat de moffen hem van kant
willen maken. Hij vraagt zijn zoons of het niet
beter is om te zeggen wat ze gedaan hebben. De oude man
wil zo snel mogelijk uit het gevang. De jongens praten
als Brugman om hun vader gerust te stellen.
Ze zijn dolblij als de bewakers hun vader na een week de
vrijheid geven.
Probleem nummer één is aan de kant Hendrik wordt
redelijk verzorgd in Crackstate.
Hij krijgt eten en drinken en meer hoeft hij niet van de
vijanden. Riekus wordt regelmatig geslagen, opdat hij,
de saboteur van de Wehrmacht, zijn mond open doet. Drie
weken zitten ze in de Heerenveense gevangenis als ze
naar het Leeuwarder huis van bewaring worden
overgebracht. Dit keer gaan ze per trein.
Ze zitten daar nauwelijks een week als ze wederom op transport worden gesteld. Dit keer gaan ze met de trein
van Leeuwarden via Groningen naar Port Natal, waar op
het station een selektie volgt. Een deel van de
gevangenen, waar onder de broers de Jong, moet naar
Duitsland, een ander deel moet naar een werkkamp in het plaatsje Loon bij Assen. In Port Natal roept een Duitse
officier de gevangenen voor Duitsland op. Opeens horen
Hendrik en Riekus hun naam. "Bek houden !?? zegt Riekus
tot Hendrik. En Hendrik doet dat. Nog een keer en dan
behoorlijk woest, schreeuwt de officier: "Gebroeders de
Jong uittreden".
Weer geen reaktie. Een geluk voor Hendrik en Riekus dat
er geen kontrole volgt.
De Duitser gaat verder met het noemen van namen. De
Bantegasters belanden in de groep gevangenen die naar
Loon gebracht zullen worden. Ze glunderen. Hebben ze dat
even mooi geflikt!
De vlucht.
In Loon worden Hendrik en
Riekus bij boeren ingekwartierd. Maar een boer zien ze
niet Ze moeten in een schuur in het hooi slapen. De mannen moeten in Drente loopgraven en tankvallen graven
onder toezicht van Duitse bewakers. Er heerst een hard
regiem. Wie niet werkt krijgt een opsodemieter van heb
ik jou daar. Het is buiten koud. De winter van 1944
lijkt een echte te worden. Koning Winter zal regeren
en niet Adolf Hitler. Op een nacht in december regent
het en sneeuwt het tegelijkertijd.
Verschrikkelijk beroerd weer.
Riekus maakt Hendrik wakker. "Jongen, we gaan er
vandoor". "Wat? Dat kan niet man. Overal bewakers".
Hendrik ziet het niet zitten. Riekus wel. "Kom op.
Kleren aan en schep mee. Wegwezen".
De mannen verlaten de boerenschuur en proberen zo snel
mogelijk ver van het kamp te komen. Bewakers zien ze
niet.
Prachtig! Oh, daar loopt een landwacht.
Uitkijken. "Als hij ons ziet lopen we regelrecht op hem
af en slaan hem met de schep de hersens in", fluistert Riekus. De verzetstrijders zien kans uit het
gezichtsveld van de landwacht te komen. Ze lopen en
lopen. Over sloten, door bossen. Riekus weet ongeveer de
goede richting. Ze willen terug naar Bantega. Na een dag
zwerven zijn ze in de buurt van Appelscha gekomen.
Het is laat in de avond als ze bij een boer aankloppen.
"Vluchtelingen? Kom maar binnen!" Van de boer krijgen ze
eten en melk. Uitstekende kost in de oorlog. De jongens
vragen of ze mogen blijven slapen. Dat mag, maar alleen
op het hooi. In het voorhuis vindt hij te gevaarlijk.
Hij belooft Hendrik en Riekus 's morgens om 5 uur te
wekken. Dat gebeurt de volgende morgen ook. Weer krijgen
ze goed eten. De landbouwer is onvoorstelbaar gastvrij.
Riekus vraagt naar het
begin van de Tjonger, want als hij dat weet, dan komen
zij vanzelf in de buurt van Bantega uit. De boer wijst
de mannen de weg. Hendrik en Riekus nemen afscheid en
vervolgen hun weg in de ijskoude buitenlucht. Ze
ploeteren door ondergelopen landerijen. Bij momenten
staan ze tot hun middel in het water. Ze verrekken van
de kou. Het vriest behoorlijk. Ze gaan in een behoorlijk tempo.
Het moet wel. Het is een zaak van leven of dood. Plots
staan ze voor de Helomavaart.
Voor hun neuzen ligt een roeibootje, alsof het daar voor
hen klaargelegd was.
Ze steken de vaart over en lopen richting Langelille,
waar ze doodmoe en steenkoud onderdak vragen en krijgen
bij een veehouder.
De volgende nacht zetten ze koers naar het ouderlijke
huis in Bantega. De ouders hebben al via via vernomen dat hun jongens onderweg zijn. Grote vreugde als Hendrik
en Riekus' s morgens thuis komen.
Maar lang kan de vreugde niet duren, want ze worden
gezocht en daarom moeten ze onmiddellijk weer weg.
Onderduiken.
Het eerste onderduikadres
is dat van oom Hessel Luik, die een boerderij aan de
Ringvaart heeft. Weken zitten Hendrik en Riekus daar tot ze een seintje van de ondergrondse krijgen, dat de
Duitsers hen op het spoor zijn. IJlings wordt de
boerderij verlaten. Een nieuw onderkomen vinden ze bij
de ouders van de verzetstrijder Jan Visser, boer Willem
Visser op de Gracht te Scherpenzeel. Jan brengt de
Bantegaster vandaar naar familie in Zevenbuurt Ze
verblijven onder de vloer van de huiskamer. Stro moet
hen enigszins beschermen tegen de strenge kou. Na een
paar dagen wordt hen verzocht naar boer Elzinga in
Oldelamer te gaan. Dat doen ze. Ze volgen in het
nachtelijke donker een pad langs de Helomavaart,
passeren een draaibrug. Er is niks fout gegaan als ze
bij de Elzinga's zijn. Ze zullen daar geruime
tijd blijven, Er moet gewacht worden op de Canadezen.
die naar het Noorden oprukken.
Hendrik en Riekus gaan 's nachts ongewapend op
verkenning. Weken en weken trekken ze er op uit Geen
vlieg doet hen kwaad. Als de Canadezen Steenwijk voorbij
zijn. worden Hendrik en Riekus naar de Driewegsluis
gedirigeerd. Ze worden daar in de grote boerderij van
Doede Boersma waar inmiddels 80 verzetstrijders zijn aangekomen, ondergebracht.
Daar zal de grote strijd tegen de Duitsers beginnen.
De Blesbrug.
In de boerderij zit veel
geallieerd wapentuig: Stenguns en Bazooka's. Voorlopig
zal er niet geschoten worden. Eerst moet de omgeving goed worden verkend. Als Duitse kolonnes, op de vlucht
voor de Canadezen naderen, worden explosieven op de
wegen gelegd. De eerste militaire wagen is de sigaar. In
één klap vliegen de banden van de auto. De moffen zijn
des duivels en schieten hun mitrailleurs in de
omgeving leeg. Het heeft geen enkel nut, want de
ondergrondse is allang en ver weg.
De jongens trekken ' s nachts van de ene plaats naar de
andere. Ze naderen zelfs een Duits munitiedepot op het
landgoed "De Eese" van dichtbij. Ze ondernemen echter
niets met hun kostbare wapens.
Alleen verkennen, luidt de opdracht. Van "De Eese"
worden de verzetstrijders naar barakken in Wolvega
gestuurd Als ze daar een paar weken hebben gezeten,
moeten 21 mannen zich goed bewapenen.
Onder de 21 mannen bevinden zich Hendrik en Riekus de
Jong. Hen wordt opgedragen de Blesbrug, die over het
riviertje De Linde tussen Wolvega en De Blesse ligt, in
takt te houden voor de Canadezen.
De bezetters zijn namelijk van plan de betonnen brug op
te blazen. Zou dat gebeuren. dan lopen de Canadezen. die
vanuit Steenwijk naderen ernstige vertraging op.
Op een nacht, begin april
1945, sluipen 21 mannen van de ondergrondse zwaar
bewapend langs de spoorlijn richting Steenwijk.
Bij de Blesbrug, die een paar honderd meter van de
spoorbaan afligt, zien ze Duitsers bezig met het treffen
van voorbereidingen
voor het opblazen van de brug. Kommandant Bosscha laat
zijn mannen de Duitsers omsingelen, Twee mannen met een
bazooka en een zware mitrailleur blijven achter de
spoorbaan zitten. De overige 19 mannen worden het veld
in gestuurd. Dan moet er een spervuur
van de stenguns en brenguns volgen.
Hendrik en Riekus hebben hun stengun gevuld met een
houder van 32 patronen. Ieder heeft nog een reservehouder met 32 patronen, Klokslag één uur wordt er
aanhoudend op de brug geschoten. Na een kort spervuur is
het doodstil. Er is geen Duitser in het donker te
bekennen. De kommandant besluit te wachten tot het licht
is. Het duurt lang tot er wat zicht op de situatie komt
Als het goed licht is,
sluipen de mannen naar de brug. De moffen zijn als
sneeuw voor de zon verdwenen!
De brug is heel gebleven. De Canadezen naderen met een
tank. Later komen er meer aanrollen, Boscha en zijn
mannen hebben een groot sukses geboekt.
Bevrijding.
Als de Canadezen Wolvega
binnenrijden gaat het legertje verzetstrijders weer
terug naar de barakken in de hoofdplaats van Weststellingwerf: Hendrik en Riekus nemen deel aan het
oppakken van NSB' ers.
Na een paar weken trekken ze naar het café van Tjeerd en
Jikke in het bevrijde Oldelamer, om vandaar uit NSB' ers
in het westen van de gemeente Weststellingwerf op te
pakken, De Canadezen hebben stelling genomen in de buurt
van Rohel en Scharsterbrug om vandaar op de Lemster
haven te schieten, Hendrik, Riekus en hun maten proberen
te verhinderen dat de Duitsers de brug over de Tjonger
bij
Langelille in de lucht laten vliegen. Ze slagen er niet
in om de Duitsers te verjagen en vragen daarom
versterking van de Lemster ondergrondse, die om
onduidelijke reden niet komt opdagen. De Duitsers hebben
zich aan de Lemsterland-kant van de Tjonger ingegraven
en kunnen zich goed verdedigen. Uiteindelijk moet de
Tjongerbrug er aan geloven, Hendrik en Riekus zijn woest
na het mooie sukses van
de Blesbrug. Teleurgesteld keren ze terug naar het café
van Tjeerd en Jikke in Oldelamer en vandaar gaan ze naar
Wolvega, waar ze de wapens inleveren, Ze krijgen een
briefje mee, dat hun werk is gedaan, Ze mogen terug naar
het inmiddels bevrijde Lemsterland.
Ze zitten nog maar een goede week thuis of daar
verschijnt een grote auto vol leden van de ondergrondse
uit Lemsterland Het huis aan de Bandsloot wordt
omsingeld en Hendrik en Riekus worden zonder pardon
opgepakt De broers kunnen kletsen wat ze willen. ze
moeten toch mee. De mannen uit Lemmer zijn er van
overtuigd met NSB" ers te maken te hebben, Hendrik en Riekus maken zich verschrikkelijk kwaad.
Wat mankeert die stomme Lemsters? Als er werk voor hen
is bij de Tjongerbrug, dan zijn ze er niet Maar als
anderen het vuile werk in de oorlog hebben geklaard, dan
komen zij met veel bravour.
Onderweg naar Lemmer krijgen Hendrik en Riekus te horen
dat ze moeten werken.
Ze worden in de centrale bakkerij gedrukt.
Die Lemster verzetstrijders zijn knettergek, denken
Hendrik en Riekus. Ze verzoeken de Lemster kommandant de
kommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Wolvega
op te bellen en hem te vragen of zij nu goed of fout
zijn, De kommandant doet dat en hoort tot zijn stomme
verbazing dat hij twee mensen van het verzet opgepakt
heeft.
Fatsoen om zijn eksuses
aan te bieden heeft hij niet Hendrik en Riekus zitten
opgesloten in de centrale bakkerij, maar ontdekken op
een gegeven moment dat er geen wacht meer wordt
gehouden, "We lopen naar huis" zegt Riekus. Hen wordt
geen strobreed in de weg gelegd Als ze in Bantega
aankomen, pakt Riekus de fiets en jakkert naar Wolvega,
om bij kommandant Kooistra te klagen over het gedrag van
de
Lemster kommandant. Laatstgenoemde krijgt dan ook de
wind van voren, Blunders kunnen ook verzetslieden begaan
Na de oorlog.
Zeven augustus 1950 is
Hendrik de Jong getrouwd met Afke Visser. Hij is weer
aan het werk gegaan op kavel 17 in de polder.
Het echtpaar heeft tot 1957 in Lemmer gewoond en is toen
verhuisd naar Elburg, om vandaar uit mee te werken aan
de opbouw van de volgende polder, Oostelijk Flevoland.
In 1973 werd Hendrik de Jong afgekeurd, nadat hij een
tweetal zware rugoperaties had ondergaan.
De verzetstrijder zegt nu 35 jaar na de oorlog - te
hopen dat er nooit weer zo'n oorlog komt Op de vraag, of
hij als er weer een oorlog zou uitbreken - weer in de
ondergrondse zou gaan, antwoordt hij niet vlot met ja.
Hij zegt mensen in de ondergrondse meegemaakt te hebben,
die spullen van anderen in beslag namen om er zelf
rijker van te worden. Onaanvaardbaar vindt hij het dat
vooraanstaande dorpelingen
die bij de NSB waren en onderduikers aan Duitsers hebben
verraden, na de oorlog nauwelijks werden gestraft, dit
door toedoen van zogenaamde verzetsmensen.
Naar de mening van Hendrik de Jong zijn sommige
oneigenlijke verzetstrijders met de eer van de ware
verzetstrijders gaan strijken.
◊ Dirk de Bruin distrikts
operatieleider in de Bezettingsjaren.
Hier is Dirk de Bruin (met
hoed) te zien met Jaap Numan in een weiland bij Rotstergaast,
waar wapens na een dropping werden verstopt.
Albert Hendriks.
1982 _Lemmer.
Wijlen Dirk Johan de
Bruin, de vader van de in Lemmer bekende kapper Kees de
Bruin, was in de Tweede Wereldoorlog
distrikts operatieleider in het Friese verzet. Afgekort
werd hij betiteld met D.O.L.
Hij verzorgde en plande de gevaarlijke klussen die
werden ondernomen tegen de Duitse bezetters. Met een
sterk gevoel van vaderlandsliefde plande en organiseerde
hij aktiviteiten voor het verzet in het rayon Heerenveen, Haskerland, Oost- en Weststellingwerf.
Peter Tazelaar, eveneens een groot en bekend man uit het
verzet in de Tweede Wereldoorlog - hij komt voor in de
verfilming 'Soldaat van Oranje' - zei in juni 1945 over
Dirk de Bruin: 'De overvallen op Duitse voorraden en
transporten voerde hij met vermetelheid uit, zonder
onvoorzichtig te zijn. Dit was verbazingwekkend. Ik heb
hem 2000 kg vet van de Duitsers zien stelen. Hij deed
dit zo handig, dat zij nooit in staat waren om uit te
zoeken door wie en hoe het was gedaan. Hij had de
leiding van zijn mensen zeer goed in handen, hetgeen
heel wat betekent met mensen die veelal
ongedisciplineerde ondergrondse strijders waren van de
Knokploeggroepen'.
* Onderscheiding: De heer
D. de Bruin ontving een Engelse oorkonde en een
getuigschrift ondertekend door de opperbevelhebber van
de geallieerde strijdkrachten Eisenhouwer en een
oorkonde van de president van Amerika, als dank voor de
hulp aan de geallieerde soldaten en vliegeniers bij het
terugkeren naar hun vaderland.
Zijn vrouw, Mevr. P. de Bruin-Klinkspoor is in het bezit
van het verzetskruis. Ook zij deed belangrijk werk in
het verzet. Het verzetskruis werd aan D. de Bruin
postuum uitgereikt aan zoon Kees in 1982.
W.H. de Vries.
In de Regio Expres welke
verschijnt in de gemeente Weststellingwerf, Vledder en
Ooststellingwerf verscheen in de jaren 1989 tot 1994 - 112 afleveringen (om de 14 dagen één). De heer
W.H. de
Vries is ± 20 jaar bezig geweest om al deze gegevens
bijeen te brengen. In april 1995 is er een boekwerk
verschenen van zijn hand met als titel: Regio tijdens de
Tweede Wereldoorlog uitgebreid met de gemeenten Diever,
Dwingelo, Lemsterland, Kuinre, NOP en Heerenveen. Dit
boek is van vele foto's voorzien. Op de pagina's 186 -
189 leest u de belevenissen van D.O.L. - Dirk de Bruin.
◊
Oud-Lemster Jetze de Haan krijgt
Verzetsherdenkingskruis.
Jetze de Haan, een paar
jaar geleden gekiekt bij het betreden van een
Amsterdamse rondvaartboot.
Johannes de Vries.
Dit jaar (jaartal niet
bekend) worden voor het laatst Verzet herdenkingskruizen
uitgereikt als teken van erkentelijkheid voor wat mensen
in de jaren 1940 - 1945 in het verzet tegen de Duitse
overheersers hebben gedaan. Tot deze laatste groep
mensen welke de onderscheiding zullen ontvangen
behoort ook een oud- Lemster, de thans 66-Jarige Jetze
de Haan.
De onderscheiding zal op 4
mei worden uit gereikt door Ad Roobeek, voorzitter van
de Stadsdeelraad van Osdorp, waar De Haan nu
woont. Tegelijk met hem wordt ook onderscheiden de heer Cor Busscher, iemand die in de bezettingsjaren aktief
was in het Amsterdamse
verzet o.a bij het verspreiden van De Waarheid en bij
het organiseren van tegen de bezetters gerichte
stakingen.
De heren Busscher en De Haan leerden elkaar kennen bij
de CPN- afdeling in Osdorp. Het feit dat zij nu tegelijk
het herdenkingskruis zullen
ontvangen is geheel toevallig, al is er wel een
overeenkomst in hun werk voor de illegaliteit.
Wat de een in Amsterdam deed meewerken aan produktie en
verspreiding van het toen illegale blaadje De Waarheid,
deed de ander hier in
Friesland. Twee keer per maand was De Haan hier destijds
mee bezig.
Jetze was de zoon van Jan en Rika de Haan. Zijn vader,
van Hervormde afkomst, werd al in 1917 lid van de CPN.
Zo geraakte Jetze ook al jong betrokken bij de aktiviteiten van de Communisten in de vooroorlogse
jaren. Als jongetje hielp hij al bij de verspreiding van
de toenmalige communistische krant De Tribune, terwijl
hij ook geld inzamelde voor de Internationale Rode Hulp,
een organisatie die in de dertiger jaren voor het Hitler-regime gevluchte Duitsers hielp.
Strijden tegen onderdrukkers moet voor Jetze een tweede
natuur zijn geweest, want toen in Spanje de burgeroorlog
woedde gaf hij zich op als vrijwilliger om tegen de
troepen van Franco te vechten Dat ging niet door, want
de partij secretaris vond hem te jong.
Deelname aan het verzet in
de Tweede Wereldoorlog was voor de heer De Haan een
logisch gevolg van de weg waarvoor hij eenmaal had
gekozen, Hij hielp Joden onderduiken en kwam in 1944 bij
de NBS, de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten,
terecht Daar was men
's nachts in de weer met wapens en het saboteren van
bruggen.
In Lemmer was menigeen er van op de hoogte, dat Jetze
zich met ondergrondse aktiviteiten bezighield Er werd
echter gezwegen en De
Haan heeft nu nog waardering voor de zwijgende
ondersteuning van zijn dorpsgenoten voor de aktiviteiten
van anderen.
Twee weken voor het einde van de oorlog dreigde alles
nog mis te lopen Luitjen Mulder de commandant van de BS
hier ter plaatse, werd
gearresteerd en alle leden van de verzetsgroep doken
onder. Er gebeurde echter verder niets, want de
martelingen van de Duitsers brachten de commandant niet
tot verraad - als men doorslaan onder dergelijke
omstandigheden tenminste zo mag noemen - van zijn
mensen.
De groep kwam weer te
voorschijn uit de schuilplaatsen en op 17 april 1945
waren dat een van de eerste beelden die ons nu nog zo duidelijk voor ogen staan: de mannen van de BS in hun
blauwe overalls en met de banden met opschrift: Oranje-NBS om de mouwen daarbij, hoe was het mogelijk,
de wapens die we de laatste vijf jaar alleen in handen
van de Duitsers hadden gezien hingen nu aan de schouders
van bekende jongemannen uit Lemmer en omgeving.
Strijd nog niet
voorbij.
Zowel De Haan als zijn
vriend Busscher willen het nu aan hen toegekende
Verzetsherdenkingskruis niet alleen zien als een
erkenning van hun verzetsdaden, maar ook als een teken
van strijd tegen het hedendaagse fascisme en racisme.
Zij beschouwen de strijd uit het verleden nog niet als
beëindigd maar als doorlopend tot in onze dagen, nu zij
in de ontwikkeling van de Centrumpartij een opleving
zien van de kwalijke zaken waar zij tegen gestreden
hebben en een herhaling van wat er in de dertiger jaren
in Europa aan de hand was.
De Haan heeft vertrouwen in de jeugd van nu die geleerd
heeft zich door demonstraties en diskussies te weer te
stellen tegen dit soort bedreigingen.
◊ De GRONINGEN IV gelicht.
foto U. Koopmans.
Groningen IV. In de bezettingsjaren werd de vracht- en
passagiersboot Groningen IV beschoten en kwam met een
stervende Jacob Stienstra in de Lemster sluis aan.
14 september 1946.
(Gedeelte uit de krant "De Zuid-Friesland)
Vorige week hebben wij
gemeld, dat de Groningen IV gelicht was en in het
Krabbersgat bij Enkhuizen aan de grond was gezet.
Nu dit schip van de Groninger-Lemmer Stoomboot
Maatschappij, dat in de late avond van 8 januari 1945 op
het IJsselmeer onderging, weer
in het middelpunt der belangstelling staat, nu gaan onze
gedachten onwillekeurig terug naar die donkere winter,
toen honger en ellende ons van alle kanten aangrijnsde,
tirannie en terreur hoogtij vierden en willekeur en
rechteloosheid aan de orde van de dag was. Hoe vaak
hebben wij in die dagen de arme zwervers langs de wegen
gadegeslagen, torsend hun met moeite en tranen vaak
opgedane voedsel, steeds in angst dat dit eten, waarvoor
ze dagen langs de dorpen en gehuchten in ons gewest
hadden gesjouwd, hen door de SD of grüne Polizei zou worden afgenomen.
Wij hebben ze zien komen
die vrouwen en meisjes, hun opgedane aardappelen of
peulvruchten moeizaam voortslepend of geladen op een oud
vehikel, dat eens de naam rijwiel had gedragen. En als
ze dan in Lemmer waren aangeland om de overtocht naar
Amsterdam aan te vangen, hoe vaak gebeurde het dan dat
ze na uren in de rij te hebben gestaan nog teleurgesteld
werden, omdat er geen plaats was en ze op een volgende
gelegenheid moesten wachten. Vaak hebben we medelijden
met deze arme mensen gevoeld, die er op uit trokken om
voor hun gezin nog maar iets op te doen, vaak tegen
abnormaal hoge prijzen of tegen inruiling van de laatste
restjes lijfdracht uit de linnenkast of gouden en
zilveren sieraden.
En tussen de vrouwen en moeders die er voor hun gezin op
uit trokken, bewogen zich de parasieten, de zwarte
handelaren, die om te
verdienen met een mooi smoesje de goed gelovige en gulle
gevers vaak er tussen namen.
Schrijnend leed en geweldige zelfopoffering zagen we bij
de afvaart van de boot vaak naast het verachtelijk gedoe
van die mensen die elk
blijk van naastenliefde en hulpvaardigheid hadden
afgeschud en geen ander doel hadden dan geldelijk
voordeel te trekken uit de nood en de honger van
anderen. En dat, terwijl we als volk van Nederland tegen
één gemeenschappelijke vijand stonden, wij in plaats van
elkander de helpende hand te bieden elkaar moreel
afmaakten.
Wij weten het en wij hebben niets dan lof voor de boeren
en andere gulle gevers, die bij machte waren aan de arme
hongerende stedelingen iets mee te geven op hun moeizame
reis naar het verre Holland. Maar al te vaak vielen ze
later in handen van sjacheraars, en de Duitse rovers,
die er steeds op uit waren deze mensen een pondje boter,
vet of spek af te nemen om zichzelf daaraan te goed te
doen.
Wat een zee van leed heeft
zich in die dagen op en bij die boten afgespeeld, wat
een angst is er doorstaan en tranen gevloeid als op het punt de veilige haven uit te gaan, de vrije zee
tegemoet, nog bij controle het zo moeilijk verkregen
voedsel werd afgenomen, terwijl hongerende kinderen of
zieke huisgenoten met groot verlangen de thuiskomst
verbeidden van de man en vader, de vrouwen moeder, zuster of broer.
Die dagen van leed en honger, van moeite en zorgen, wij
beleven ze thans in gedachten weer nu de Groningen IV
uit de golven van het
IJsselmeer omhoog gebracht is en in het ruim van het
schip de aardappelen en peulvruchten ronddrijven en de
zakken rogge en tarwe
overspoeld met keileem en schelpjes een trieste blik
geven van de lading, die nimmer zijn bestemming
bereikte. In die dagen was de
Lemmerboot de enige gelegenheid om van en naar Friesland
en Holland te komen en dat was ook de oorzaak dat in die
gedenkwaardige
nacht toen de Groningen IV zijn noodlot tegemoet ging,
deze boot afgeladen was met trekkers, die in de
noordelijke provincies nog een
weinig hadden opgehaald om de hongerende magen van hun
medegezinsleden te vullen. In voor- en achterkajuit, op
het dek en in de luwte
van de lading hadden de stumpers de reis aanvaard,
trotseerden zij de koude winternacht en strekten ze hun
vermoeide leden uit, om te
rusten van de doorstane emoties en het torsen van hun
vrachtje op rijwiel en met anti-plofbanden en karretjes
of wagentjes die eens
dienst hadden gedaan als kinderwagen.
Het was donkere maan, maar
volgens de verklaringen een nacht met goed zicht. Mist
of nevel hing er die nacht niet over het IJsselmeer
en het blijft dan ook nog steeds een raadsel hoe de
Groningen IV en de Jan Nieveen, die van Amsterdam kwam,
daar westelijk van Urk
tegen elkaar opbotsten, waardoor de Groningen IV enkele
ogenblikken later zonk.
Wij herinneren ons nog de verslagen van opvarenden en
bemanning hoe de redding van de honderden passagiers van
de Groningen IV
in zijn werk ging. Er viel niets anders te redden dan
het vege lijf; slechts een enkeling mocht er in slagen
nog iets van zijn bagage
over te gooien en zo te behouden. Naar met grote
zekerheid is vastgesteld, zijn toen uit de achterkajuit
en van het dek alle passagiers op
de Jan Nieveen overgegaan. Door de aanvaring echter
maakte de Groningen IV water doordat de zijwand
openscheurde, waardoor het zeewater binnenstroomde. Daar
in de voorkajuit van het schip is toen het drama
voltrokken. Naar schatting zijn daar een kleine twintig
mensen door verdrinking om het leven gekomen. Dit drama
moet zich in enkele ogenblikken hebben voltrokken, want
naar thans het onderzoek heeft uitgewezen, is er een
scheur van 30 cm. breedte, die tot bijna de kiel loopt,
geconstateerd.
Door de aanvaring zijn
twee bolders naar binnen geschoven, waardoor de ingang
van de voorkajuit klem kwam te zitten en het onmogelijk
was zich door de uitgang te verwijderen.
Onze plaatsgenoot Van der Bijl, die in die dagen
opvarende was, wist met zijn benen de deur in te trappen
en zo buiten te komen, maar
toen was er inmiddels reeds zoveel water naar binnen
gestroomd, dat de mensen er tot de hals in stonden. Het
voorschip ging al dieper en
dieper en terwijl het water van boven en van onder de
vloer instroomde, werden de opgeslotenen tussen vloer en
zolder gedrukt, waar het
drama zich voltrok. Op hetzelfde ogenblik waren op het
achterschip talloze passagiers overgenomen en hebben aan
het kordate optreden
van de bemanning van beide schepen hun leven te danken.
Momenteel is een duiker bezig met het voorlopig
dichtmaken van het schip, opdat het straks kan worden
leeggezogen en men een juist
overzicht kan krijgen van een en ander om het geval te
kunnen reconstrueren. Daarom heeft ook de Justitie er
beslag op gelegd en staat het wrak onder voortdurende
bewaking. De lijken van de omgekomenen zijn nog aan
boord en is de toestand zoals het uit de golven omhoog
kwam. Kajuit, deksalon, schoorsteen en mast, alles is
verdwenen, alleen ligt op dek nog een partij oud roest,
overblijfselen van de rijwielen die eens eigendom van de
passagiers zijn geweest.
Maandag hebben enkele
personen o.a. havenmeester Kooi, oud kapitein A. V.d.
Meer en sluisknecht Poepjes aan boord van de reddingsboot 'Hilda' een bezoek aan het wrak gebracht.
Van hen vernamen we, dat alles een troosteloze aanblik
biedt. In de voorkajuit, waar men het dek over een groot
deel heeft uitgebrand ziet men op de stoffelijke resten
van enkele omgekomenen neer. Het is een aangrijpend
drama geweest, dat zich daar in die voorkajuit moet
hebben afgespeeld, dat merken we wel aan de verhalen die
onze zegslieden ons vertellen. Een vormloos wrak, dat
van onder tot boven bedekt is met mosselen en schelpjes.
In het ruim drijven in een compacte massa de aardappelen
en peulvruchten en ziet men overblijfselen van pakjes en
zakjes, waarin levensmiddelen werden verzonden aan
familie en vrienden.
Ook ligt er post in 't
ruim. want in die dagen vervoerde deze boot post naar en
van Holland. Alles ligt als een vormeloze massa dooreen
en
eerst nadat de bekisting zal zijn aangebracht kan men
beginnen met een ander onderzoek en dan eerst kan aan de
berging van de lijken van de omgekomen worden gedacht.
De Groningen IV, hier te
zien toen het schip geveild werd.


◊ Oorlogsboek "De dag van de
Liberator" ten doop gehouden.
De tweede persoon
van rechts is mevrouw Flora Schatte uit Highland
(Illinois) (Zij ontving het
eersteexemplaar van het boek "De dag van de Liberator"
op 15 april j.L tijdens een herdenkingsbijeenkomst in
een legertent bij de boerderij van Hendrik Kartstra in
het Buitendijksveld).,
weduwe van Wilbert C. Schatte, die indertijd aan boord
was van de Amerikaanse bommenwerper die een noodlanding
in het Lemster Hop maakte. De overige personen zijn van
links naar rechts: Mariene Grady en Nadine Freeman
(dochters van Flora Schatte), mevrouw van der Veen.
Albert van der Veen en geheel rechts staat Jan de Lange,
die vroeger in Kuinre woonde, maar thans in Eerbeek
woonachtig is.
Albert Hendriks.
17 APRIL 1980.
BANTEGA. In een legertent
vlakbij de boerderij van Hendrik Kortstra in het Lemster
Hop heeft mevrouw Flora Schatte uit Highland (USA) dinsdagmiddag het eerste exemplaar van het oorlogsluchtvaartboek "De dag van de Liberator"
ontvangen van uitgever Martin Hopman van de Friese Pers
BV uit Leeuwarden. Het door Jan J. van der Veer uit
Elahuizen geschreven boek over de B24 H Liberator die 13
november 1943 een wonderbaarlijke noodlanding maakte in
het Lemster Hop, is opgedragen aan de 10-kopplge
bemanning en in het bijzonder aan de inmiddels overleden
radiotelegrafist Technical Sergeant Wilbur C. Schatte.
Mevrouw Schatte was met haar dochters Mariene en Nadine
naar Nederland gevlogen om de doop van Van der Veer's
tweede oorlogsboek mee te maken.
Een boek van velen.
De Friese Pers had er
dinsdagmiddag een bijzonder sfeervolle plechtigheid van
gemaakt.
De "crash landing site" van de Liberator werd in
Kortstra's land gemarkeerd door een Amerikaanse, een
Nederlandse en een Friese vlag.
Waar de Amerikaanse bommenwerper 37 jaar geleden tot
stilstand was gekomen, daar had de Koninklijke
Luchtmacht de legertent opgezet, waarin het boek ten
doop werd gehouden. Zo'n honderdtal genodigden,
waaronder een paar belangrijke ooggetuigen van de suksesvolle landing, zoals Jan de Lange uit Eerbeek (vroeger Kuinre), Albert van der Veen uit Bantega en
Siemen van der Wal uit Lemmer, waren
naar het Lemster Hop gekomen om de overhandiging van het
eerste eksemplaar van "De dag van de Liberator" mee te
maken.
Uitgever Martin Hopman heette de aanwezigen, en in het
bijzonder mevrouw Schatte en haar twee dochters.
Een Liberator (=
bevrijder) zoals die 37 jaar geleden een noodlanding
maakte in het Lemster Hop.
In "De dag van de
Liberator", wordt de noodlanding beschreven die een
Amerikaanse bommenwerper op 13 november 1943 in het
Lemster Hop tussen Schoterzijl en Lemmer maakte. Een
suksesvolle noodlanding, want alle de tien
bemanningsleden brachten het er zonder noemenswaardig
letsel af. Wij geven een korte samenvatting van de
beschrijving van "Flugwache Kooisloot" en de
wonderbaarlijke landing die toentertijd werd opgemerkt doorAlbert van der Veen uit Bantega, Jan de Lange uit
Kuinre en Siemen van der Wal' uit Lemmer.
Flugwaffe Kooisloot.
Jan de Lange fietste
zaterdagmiddag 13 november 1943 van Lemmer over de
Grietenijdijk via Schoterzijl naar Kuinre, waar zijn
ouders een boerderij hadden. Hij was in het gezelschap
van zijn kameraden, met wie hij in Lemmer de MULO-school
bezocht. Ze waren nog maar net buiten Lemmer of ze zagen
lege benzinetanks van een geallieerd vliegtuig uit de
lucht komen vallen, Aanvankelijk wilden ze de tanks uit
de weilanden halen en mee naar huis nemen, maar de
afstand tussen de Grietenijdijk en de begeerde objekten
bleek te groot. Jan de Lange en zijn vrienden pakten
weer de fiets en jakkerden richting Schoterzijl. De
scholieren hadden flink vaart, want ze hadden de wind in
de rug.
Minder komfortabel hadden Siemen van der Wal en zijn
kollega' s het, die de zaterdagmiddag van Kuinre van hun
werk op het distriktskantoor van de direktie
Wieringermeer (Noordoostpolderwerken) op de fiets op weg
waren naar hun woonplaats Lemmer. Ook zij volgden het trajekt van de oude Zuiderzeedijk, maar dan tegen de
wind in.
Albert, een zoon van
veehouder Hans van der Veen van de Middenweg bij
Bantega, was juist met de fiets op weg naar een landbouwkursus in Echtenerbrug, toen zaterdagmiddag 13
november omstreeks kwart over 12 een Amerikaanse
bommenwerper in moeilijkheden kwam boven de Noordoostpolder in opbouw. Een paar honderd meter van de
boerderij van de Van der Veen's stond de boerderij met
de typische blauwe dakpannen van Andries Bosscha. Vanuit
het woongedeelte van Bosscha's boerderij had men een
uitzicht
op een wachtpost van de Duitsers op de zeedijk:
Flugwache Kooisloot.
Schrijver van der Veer: "Het is anders niet dan een
houten barak met een eveneens houten platform en het
geheel wordt omgeven door een eenvoudige
prikkeldraadafrastering. Het is een installatie van de
Duitse luchtmacht en heet officieel "Flugwache
Kooisloot".
Het is een observatiepost van de Luftwaffe, zoals die
veelvuldig rond het IJsselmeer zijn te vinden, De post
wordt bemand door vijf militairen van de
Luftwaffe-verbindingsdienst. De militairen zijn boven de gemiddelde leeftijd geen fronttroepen. Op het platform
staat een
grote telescoop opgesteld en met behulp van dit
instrument speurden ze de lucht af naar geallieerde luchtaktiviteit. De naam "Duitser" is synoniem aan het
woord onmens".
Inderdaad. In theorie is
dat, volkomen waar als men de zaak in zijn totaliteit
bekijkt en niet geregeld met Duitsers wordt
gekonfronteerd. Maar hoe gaat het als men regelmatig met
Duitsers moet omgaan die je met de beste wil ter wereld
niet kwaad kunt noemen? De bemanning van "Flugwache
Kooisloot" zit nu al een hele tijd bij de kruising van
de Middenweg. Ze zijn eigenlijk al een deel van het landschap geworden. Toen ze voor het eerst kwamen,
konden ze zich geenszins in de sympathie van de
Middenwegbevolking verheugen. Zoals verreweg de meeste
anderen waren ook de Middenwegbewoners van mening dat de
enige goede Duitsers dode Duitsers waren. Maar later
veranderde de verhouding. De Duitsers waren niet
onvriendelijk en voor de Friezen aan wie hun zeer nabije
aanwezigheid werd opgedrongen, bleek het erg moeilijk
hen uitsluitend als vijanden te zien. Niet dat die
Friezen Duitsgezind waren - niets zou minder waar zijn!
Maar probeer eens onvriendelijk te zijn tegenover mensen
die van hun kant wèl aardig doen. Op een gegeven moment
zie je, ondanks jezelf, het uniform niet meer, zelfs al
is het een vijandelijk uniform. Je ziet alleen de mens
in dat uniform. Je staat dan min of meer versteld van
jezelf, maar je kunt gewoon niet anders.
Zijn deze
Luftwaffe-militairen fanatieke dienstkloppers van het
welbekende Pruisische type? Helemaal niet Men zou eerder
geneigd zijn te zeggen dat ze het omgekeerde zijn, zelfs
al zijn er een paar Pruisen bij. Maar Oostenrijk is ook
vertegenwoordigd, met de even bekende
Oostenrijkse "Schlamperei". Zijn ze razend Hitlergezind?
Of haten ze de Führer aller Germanen even hard als de
Friezen van de Middenweg? Daar laten ze zich niet over
uit - of het moet binnen bepaalde grenzen zijn. In elk
geval leggen ze hun wereldbeschouwing niet aan hun
omgeving op en dat is een zegen.
De kommandant van het detachement Kooisloot is een
Obergefreiter, een korporaal uit Insterbrug in
Oost-Pruisen.
Zijn naam is Leo Hinszman en in het burgerleven beheert
hij een stationsrestauratie in zijn woonplaats, die niet
ver van Koningsbergen ligt Hinszmann is de
"Truppefuhrer". Zijn opvolgend kommandant is een soldaat
eerste klas, die eveneens uit Oost-Pruisen komt - Gefreiter Walter Braun, een steenkolenhandelaar uit
Goldap. Braun maakt alom bekend dat hij na de oorlog
niet weer naar Goldap terug wil. Hij wil in Nederland
blijven wonen. Goed, dat zijn dan de "Pruisen" van
Flugwache Kooisloot en als alle Pruisen zo zijn, dan
valt het best mee. De andere militairen zijn
Oostenrijkers.
Gefreiter Anton Ippoldt is
36 jaar oud en is een slager uit Haslach, dat zo'n 40
kilometer van Linz vandaan ligt. Uit ditzelfde bergdorp
komt ook de 38-jarige Franz Koblmiller, die in het
burgerleven boekhouder is. Zodoende had Anton steeds een
plaats genoot bij zich. Had, jammer genoeg, want kort
geleden is Koblmiller overgeplaatst naar Sneek, waar hij
chauffeur is geworden van de grote baas die het opperhoofd van de Flugwachen in Zuidwest-Friesland en de
Kop van Overijssel is, de "Zugflihrer is een
Oberfeldwebel, een sergeant-majoor
eerste klasse en bovendien een enorme vuurvreter. Zijn
naam is Malayka. Maar goed dat die helemaal in Sneek
zit.
De rij wordt gesloten door "Kruzi" , die officieel Franz
Krenn heet, uit Pernegg an der Mur in Stiermarken komt
en daar de plaatselijke doodgraver is. Een heel goed vak
is dat, beweert "Kruzi" - je zit zelden zonder werk. Na
de oorlog hoopt hij verder
te kunnen gaan met de beoefening van het doodgraversvak.
"Kruzi" heeft de gewoonte de radio van de Flugwache af
te stemmen op de nieuwsberichten in het Duits, zoals die
door de B.B.C. worden uitgezonden en houdt ervan bij de
Van der Veens binnen te stappen om het laatste nieuws
uit Engeland door te geven. Dat maakt hem bijzonder
populair. Krenn heeft langzamerhand zijn eigen mening
gekregen over de waarheidsgetrouwheid van wat officieel door het Oberkommando der Wehrmacht wordt bekend gemaakt
en dat hoe langer hoe meer begint te lijken op
"Vorwärts, Kameraden - wir müssen zurück"!
De Oostenrijkers zijn
brave, gelovige katholieken, die destijds de Anschluss
van Oostenrijk met Duitsland met vreugde hebben begroet
De streken waar ze vandaan zijn gekomen, waren
onvruchtbaar en de werkloosheid was groot, evenals de
armoede. De toekomst was uitzichtloos, maar na de
vereniging met Duitsland scheen alles anders te zullen
worden. De Führer van het nieuwe Groot-Duitse Rijk, die tenslotte óók een Oostenrijker van origine was en dus
wel heel goed moest weten hoe de toestand in hun
gedeelte van Oostenrijk was, had werk en brood beloofd
en een nieuwe toekomst. Uitzicht voor hen en hun
kinderen. Wat wisten deze bergbewoners van de grote wereld af? Hun woonstreken waren geïsoleerd en van de
praktijk van het nationaal-socialisme hebben ze geen
"blasse Ahnung". Ze
wisten alleen maar dat ze het slecht hadden en het
alleen maar beter konden krijgen. Voor hun gevoel gaat
de oorlog ook niet zozeer tegen Engeland en Amerika.
Het gaat in hoofdzaak
tegen het goddeloze, bolsjewistische Rusland en de
geestelijkheid heeft het hun ingehamerd dat het
communisme de verpersoonlijking van de Antichrist is. De
strijd tegen de communisten heeft voor de Oostenrijkers
het karakter van' een heilige oorlog - een kruistocht Ze
zijn aan God verplicht, die heilige oorlog te voeren,
hoe ontzettend die oorlog op zichzelf ook mag zijn. Het
gaat,
kort samengevat, om de toekomst van hun land, hun
gezinnen en het Christendom.
Anton Ippoldt zegt vaak dat het communisme de wereld zal gaan overheersen als Duitsland Rusland niet verslaat Dat
kan gewoon niet uitblijven.
Hitler had de redder van Oostenrijk kunnen zijn, maar nu
is de oorlog al meer dan vier jaar aan de gang en de
grootste bijdrage van Hitler aan Oostenrijk is tot nog
toe het eisen van mensenlevens geweest Zeeën van bloed
en ellende. De Oostenrijkers kunnen het idee hoe langer
hoe moeilijker van zich afzetten dat ze bedrogen zijn.
Ze gaan twijfelen. Maar dat kunnen ze niet hardop zeggen
in Hitlers staat. Want dan wordt meteen gezegd dat
twijfelaars défaitisten zijn - en défaitisten verdienen
de kogel.
Albert van der Veen is erg
geïnteresseerd in vliegtuigen, in het bijzonder
geallieerde vliegtuigen. Hij heeft zich een boekje
aangeschaft, dat "Oorlogsvliegtuigen" heet en dat is
uitgegeven door het Reichsluftfahrtministerium te
Berlijn, als een Nederlandse versie van het originele
"Kriegsflugzeuge". Er staan foto's en maatschetsen in
van de meest voorkomende Duitse, Italiaanse, Engelse,
Amerikaanse en Russische oorlogsvliegtuigen en Albert
heeft de afbeeldingen goed bestudeerd. Hij kan de
verschillende typen nu aardig goed herkennen. De mannen van de Flugwachhe Kooisloot hebben daar schik in. Soms,
als ze zeker weten dat de helhond Malayka niet in de
buurt is, zeggen ze wel eens "Komm mal oben, Albert -
kannst mal gucken was dort drüben übergeht"! en dan
staat Albert op het platform en kijkt door de sterke telescoop naar de overtrekkende Amerikaanse formaties.
Goeie genade, wat kun je dan die zeveneneenhalve
kilometer hoog vliegende toestellen duidelijk zien! De
telescoop vergroot enorm. Je kunt gemakkelijk zien of de
toestellen Vliegende Forten of Liberators zijn en je kunt zelfs de witte ster op de onderkant van de
rechtervleugel van de machine onderscheiden. Een machtig
gezicht
Natuurlijk gebeuren in dit
afgelegen deel van Bantega ook de nodige illegale
dingen. Net zoals overal. Misschien merken de
Luftwaffe mensen dat, maar als dat zo is, laten ze het
niet blijken. Wel zo goed.
Maar van hun kant laten de "Duitsers" gemakshalve wordt
door de Friezen van de Middenweg de bemanning van de Flugwache met de verzamelnaam "Duitsers" aangeduid,
hoewel de meerderheid uit Oostenrijkers bestaat - óók
wel eens een steek vallen. Want op zekere dag begaat een
van de militairen de onvergeeflijke zonde zijn geweer
buiten te laten liggen.
Als Malayka dat ooit zou komen te weten, zou de wereld
te klein zijn - krijgsraad, Erziehungslager en wat de Duitse Behörden nog meer aan vreselijke dingen kunnen
bedenken. Een van de Middenweg bewoners vindt het
schietwapen en trekt voor zichzelf de konsekwenties. Hij
levert dus de volgende morgen het geweer in op de
Flugwache, tot grote opluchting van de hele Trupp. "Niet
verder over praten asjeblieft"! zegt Obergefreiter
Hinszmann. "Best"! zegt de Bantegaster.
"Ik weet van niks,jongens. Maar als het zo uitkomt,
weten jullie óók van niks, denk er goed om"! Hij laat de
laatste opmerking vergezeld gaan van een veelbetekenende
knipoog. "Aber nein"! antwoordden Hinszmann en zijn
ondergeschikten, "Wir sehen nix, wir wissen nix -
einverstanden"? Natuurlijk is het dik "einverstanden".
En zodoende gebeuren er de
gebruikelijke illegale dingen in dit deel van de wereld.
De Luftwaff-mannen zien op hun manier niets. Zijzelf
zondigen ook wel eens tegen de militaire regels. En dan
zien de Friezen niets. Beide partijen grijnzen. Ze
hebben het toch aardig met elkaar getroffen.
Het begint nu eindelijk wat licht te worden op deze
zaterdagmorgen, 13 november 1943. De boeren zijn klaar
met melken en de melkbussen staan in de berm van de weg,
klaar om door de melkrijder naar de zuivelfabriek te
worden gebracht. Het is nu tijd voor het ontbijt als je
op een boerderij woont, is dat ontbijt nog niet zo
slecht. Je kunt altijd wat melk, vlees, spek eieren en
dergelijke zaken voor jezelf achterhouden. Dat is wel
tegen de voorschriften, maar je moet zelf ook leven en
spullen die je voor jezelf houdt, kunnen nu eenmaal niet
naar Duitsland worden afgevoerd.
En als het ontbijt is afgelopen, zijn er de
gebruikelijke zaterdagwerkjes uit te voeren. De
dagindeling op de boerderij staat al vast - die is
traditioneel bepaald.
De zaterdag breekt aan op een sacherijnige manier, net
als zoveel andere novemberdagen. De schooljeugd uit Kuinre, op weg naar de MULO in Lemmer, verdwijnt in de
morgenschemer van dit onbestemde, eigenaardige
grensgebied tussen Overijssel en Friesland. De mannen
van de Flugwache hebben hun observatieplatform weer
bemand en kijken uit naar vliegtuigen, hoewel er op dit
moment bijzonder weinig is te zien.
De wacht is net afgelost. De nieuwe wacht klost op het
platform rond en de afgeloste wacht maakt het zich in de
barak gemakkelijk.
"Móge"! zegt Albert van der Veen aIs hij de Duitsers
passeert "Moge"! zeggen de bezetters, ,,'s gibt heute
ziemlich gutes wetter, was"? "Ja"! zegt Albert, "voor
november houdt het weer zich goed"! "Móge"! Dat is de
ploeg van Jan de Lange, nu halverwege Kuinre en Lemmer.
"Moge"! zeggen de Flugwache-mensen, die de schooljeugd dagelijks zien passeren, "zullen jullie vandaag de
onderwijzers niet te veel pesten"? De fietsers
grinniken.
Een eigenaardig oord in het door haat bezetten
Nederland. De leeuw verkeert met het lam. De Duitsers
worden gehaat, maar deze Duitsers niet- zij schijnen bij
de omgeving te horen. En de Duitsers vinden dat het hier
best uit te houden is in deze vergeten uithoek van de
wereld. Hier worden ze niet straal genegeerd zoals op
andere plaatsen. Natuurlijk weten ze dat ze niet geliefd
zijn, maar alles met elkaar is
er toch een groot verschil. Als ze maar niet zo ver van
huis waren en als die vervloekte oorlog er maar niet
was. Wenn es nur nicht
diesen verdammten Krieg gäbe ... -".
De B-24 Liberator.
De noodlanding.
Heel nauwkeurig beschrijft
Jan Van der Veer de noodlanding van de Liberator B 24
42-7650 op zaterdagmiddag 13 november 1943 omstreeks
kwart over twaalf met 10 man aan boord in het
buitendijksveld Lemster Hop, vlakbij waar nu de nieuwe
boerderij van Hendrik Kortstra staat. Achter de
stuurknuppel zat kapitein Leroy M. Hansen. Men had een
magere bombardementsvlucht boven Bremen achter de rug.
Slechts één van de vier motoren werkte nog. Die ene
krachtbron leverde onvoldoende vermogen om de bommewerper op hoogte te houden.
Boven de Noordoostpolder moest beslist worden: eruit
springen met de parachutes of een noodlanding maken. De
bedenktijd bedroeg slechts enkele sekonden. Er moest een
noodlanding worden gemaakt, omdat het denken al te veel
tijd had gevergd. Van der Veer:
"Hansen denkt niet meer. Hij funktioneert alleen. Laten
we dus nu zelf proberen een beeld te krijgen van wat er
vanuit de cockpit is te zien en wat er moet gebeuren.
We stellen ons voor dat we nu zèlf in de linker
pilotenstoel zitten en stuurkolom en voetenstuur
bedienen. In Nederland is de maximumsnelheid op de
hoofdwegen 100 km/u. Dit grote ding gaat door de lucht
met een snelheid die meer dan tweemaal zo groot is.
Bovendien zitten we in een tamelijk vlakke duikvlucht en
de grond is angstwekkend dichtbij en komt omhoog om ons
te raken. We nemen aan dat we precies weten hoe we met
het onbehouwen bakbeest, dat B-24 wordt genoemd, moeten
omspringen.
Ondanks dat zullen we,
uitgerekend in dat onderdeel van een sekonde waarin die
verste slootswal onder ons doorflitst, het onhandelbare spook zo moeten manoeuvreren dat de onderkant van de
romp zo'n dertig à vijfendertig centimeter boven die slootswal is... We zullen goed in de gaten moeten houden
dat we die slootswal niet met de onderkant van de
romp raken - als dát gebeurt is de machine niet meer te
houden en het volgende ogenblik zijn we er met z'n allen
geweest. Scheer dus rakelings over die slootswal heen,
maar raak hem in hemelsnaam niet! En wat dat uithangende
wiel aan zijn landingspoot onder de linkervleugel
betreft: dat hele ding, tot de onderkant van de vleugel,
is bijna 2,70 meter lang - iets minder dan de gemiddelde
hoogte van een huiskamer - maar het steekt slechts
zestig centimeter onder de romp uit Als je normaal in de
cockpit zit zie je die landingspoot met dat wiel niet
eens! Als je je gezicht helemaal naar links-onder draait
dan zie je er misschien iets van - maar als er een
operatie als de onderhavige aan de gang is, dan kijk je
alleen maar vooruit! Er is geen tijd om ergens anders
naar te kijken. Je kunt alleen maar concentreren op al
dat gras in het weiland, dat omhoog komt vliegen omje te
raken. En de hoogtemeter zal je ook niet precies
vertellen hoe hoog je precies boven het veld bent, want
dat kan het ding niet.
Het is gebouwd op dit soort stunts, waarvan je de haren
te berge rijzen. Je zult deze hele klus op het gevoel
moeten doen - je moet voelen wanneer het juiste moment
is aangebroken en wanneer je op de juiste plaats en
hoogte bent.
Wij zullen het net zo
moeten doen als Hansen het nu zal gaan doen. En de
tweede piloot heeft precies geraden wat Hansen van plan
is. Hij werkt loyaal mee, zonder protest. Hij zegt ook
niet dat het onmogelijk is en op klinkklare zelfmoord
lijkt. Hij zal de eerste piloot tot het uiterste
assisteren met al zijn aanzienlijke bekwaamheid.
Eigenlijk is er geen lof te groot voor deze tweede
piloot, onverschillig of de landing suksesvol is of niet
Hij heeft zijn stoelriemen extra stevig aangetrokken en
vliegt met open ogen de laatste konfrontatie tegemoet
Voor zoiets moet je over een moed beschikken die meer
dan normaal is.
Charles Spearman is weer terug op het. flight deck na de
mislukte operatie met het onwillige neuswiel. Hij gaat
op de vloer zitten met de rug tegen de pantserplaat van
een van de pilotenstoelen en met zijn gezicht naar het
bommenruim gekeerd.
Jim Norton is onderweg naar het flightdeck, maar staat
nog op de loopbrug. Jim, roept Spearman, "schiet nou op,
man, we gaan al naar beneden"! Norton kijkt omhoog en
staat klaar voor de sprong naar het luik in de vloer van het flight deck. Vooruit dan toch, zie je niet dat je
geen moment meer kunt wachten?
Het gras, waarmee Hansens
privé-vliegveld is begroeid, staat nu schuin
geprojekteerd voor de cockpitruiten en vult het
gezichtsveld volkomen. Allemaal gras en het houdt niet op. De grashalmen, waarin de zon schijnt te glanzen,
komen van boven de voorruiten aangevlogen, komen op je
afvliegen zoals een sneltrein toeraast op een tussen de
rails vastzittende auto en verdwijnen dan weer onder de bovenkant van het instrumentenbord. Een waterval van
gras. Alle gras ter wereld. Geen geluid - behalve de
schril gierende slipstroom.
En iets anders. Een stem, die alleen tot Hansen
doordringt. Een gehate maar toch vertrouwde stem, die
duidelijk in Hansens koptelefoon is te horen. De stem
van zijn oude vlieginstrukteur. De noodlanding-maniak,
Hansen luistert naar de instrukties, die klinken alsof
ze op hetzelfde moment worden uitgesproken. De instrukteur zelf weet van niets en is meer dan
tienduizend kilometer ver weg. Hoogstwaarschijnlijk verveelt hij nu andere leerling- piloten In Californië.
Hansen luistert heel aandachtig. De stem van de
instrukteur
is nu helemaal niet hatelijk meer - het is een
vriendelijke stem, die verstandige dingen zegt waarvan
een kalmerende invloed uitgaat. Het helpt op een of
andere manier.
Alleen de piloten zien de
waterval van gras voor de cockpitramen alle anderen
zitten met hun gezichten tegengesteld aan de
vliegrichting op het flight deck - de beste manier om de
komende schok op te vangen. Behalve Jim Norton. Die is
nog niet binnen. Gras. En nog meer gras. Anders niets
dan GRAS voor de cockpitramen.
Eindeloos. En nu komt die hele groene zee opvliegen.
Springt op ons toe en ráákt ons bijna. En nu komt die
sloot en - NU! Een druk op het voetenstuur, een rukje
aan de stuurkolom. De lange, sierlijke linkervleugel
gaat iets naar beneden.
De vleugeltip schijnt de slootswal te zullen raken. Een
korte, hevige ruk. De grote vleugel gaat gehoorzaam
omhoog.
Het gras zinkt ineens weg, en .... er loopt een nijdige,
zwarte kerf door het groen vanaf de slootswal die abrupt
eindigt want DE LINKERLANDINGS-POOT IS WEG! Finaal
afgeknapt J-BAR zeilt weer omhoog als een schommel.
De piloten trekken met een paar geroutineerde rukken de
machine recht. De Liberator zakt nu door, doelbewust,
rompneus iets omhoog, staart iets naar beneden.
De krakende, doffe klap,
waarmee de Liberator de grond raakt, komt niet zo hard
aan als Pecka had verwacht. Nu kunnen er nog twee dingen
gebeuren: de top turret kan losraken en op het flight
deck vallen en het hele toestel kan in brand vliegen.
De eerste schok gooit Jim Norton uit zijn evenwicht en
hij valt. Die schok was nog niet eens zo hard, maar de
volgende klap zal harder aankomen en rukt vermoedelijk
de hele onderkant van de Liberator weg.
Spearman springt overeind, doet twee haastige stappen
naar het luik achter in de vloer van het flight deck en
steekt zijn hand uit in de richting van Norton. Op het
moment, dat Norton de hand van de boordwerktuigkundige
kan grijpen, komt de tweede schok, die beide mannen de
lucht in slingert, tegen het plafond van het fligt deck.
J BAR wordt opnieuw de lucht ingegooid, terwijl beide
mannen tegen de
vloer smakken met een dof geluid. En nu wordt het lawaai onbeschrijflijk - het geradbraakte metaal van de machine
snerpt het uit in protest. De mannen op het flight deck
ondergaan alle gewaarwordingen van een erwt in een grote
trom, geslagen door een volkomen krankzinnige drummer.
De machine schokt, siddert en bonkt als een sneltrein
die in volle vaart uit de rails vliegt, wordt de lucht
weer ingeranseld, kwakt weer neer, gaat nog eens omhoog
en wordt opnieuw met een verpletterende klap
neergeslagen, terwijl het gevaarte
wild en slingerend door het weiland glijdt.
Het geluid van jankend en
scheurend metaal is overal, alle mogelijke dingen worden
losgerukt van de tussenschotten en de wanden en maken
een rommelend geluid terwijl ze op de vloer heen en weer
vliegen. Norton en Spearman worden nog steeds op en neer
gegooid over het flight deck, totdat Norton definitief
terechtgekomen ergens achter de pantserplaat van een
pilotenstoel en daar verfomfaaid blijft liggen.
Bill Topping, die Hansens waarschuwing finaal had
vergeten en zich aan niets heeft kunnen vasthouden,
voegt zich tegen wil en dank eveneens bij de
krankzinnige balletscène wordt tegen iets hards aan
gegooid en voelt een stekende pijn in zijn ribben. Pecka
en Schatte kijken met ongeruste blikken naar de top turret. Er begint beweging in het gevaarte te komen het
begint te zakken en als het blijft
doorzakken is er geen houden meer aan en komt de zware
koepel precies op Norton terecht. "Jim wordt tot pulp
verpletterd", gaat het door Schatte heen "en we kunnen
er niets tegen doen in dit kompleet dolgeworden karkas,
dat maar doorbuldert en verder sliert over het veld. Jim
gaat er aan .... " Pecka vreest dat de turret op de
piloten zal terechtkomen. Beiden wachten in angstige
spanning af, terwijl J BAR botsend, zwiepend en krakend
verder boldert op een reis die nooit schijnt te
eindigen.
De top turret zakt nog iets naar voren en blijft dan
zitten waar hij zit, half weggezakt.
Dit moet Gods wil zijn
geweest, denkt Schatte.
De piloten hebben met de roeren geworsteld tot er niets
meer was om tegen te vechten. Het linker hoofdwiel is
precies volgens de bedoeling afgeknapt tegen de slootswal. Met een doordringend, scheurend en knarsend
gejank wordt de onderkant van het bommenruim ingedrukt,
terwijl het vliegtuig, nu volkomen dolzinnig geworden,
over het veld zwiept en sliert als een nat stuk zeep
over de tegels van een badkamer. De horizon zwaait
ineens naar rechts voor de cockpitramen, komt als de
slinger van een klok weer terug en vliegt weer terug
naar rechts en blijft dan heen en weer zwaaien als de
ruitenwissers van een auto, op de maat van het slingeren
van de romp en het molenwiekend op- en neergezwaai van
de lange vleugels. De romp gaat te keer als een schip in
een storm en het lawaai is nauwelijks te harden. De
piloten kunnen nu totaal niets meer doen. Ze zullen
moeten wachten tot de energie van beweging, aan het
vijfentwintig ton zware vliegtuig meegegeven door de
snelheid waarmee het op de grond kwam, zal zijn
geneutraliseerd door de enorme wrijving met de grond. En
nu komen er plotseling zwart-wit-gevlekte gedaanten in
het gezichtsveld van de piloten terecht De gedaanten
staan stil, tillen hun koppen op en gaan er in paniek
vandoor - recht op de aanstormende Liberator af. Koeien!
Het laatste dat je zou verwachten ..
De koeien van Jan S. de
Vries bemoeiden zich niet met de oorlog. Nu is de oorlog
zich met de koeien komen bemoeien en de dieren worden dol van angst. Arme stomme dieren, denkt Roy, ik kan
niets voor jullie doen - ik hoop dat jullie dat kunnen
begrijpen. Ik móét jullie wel raken .....
De B-24 raast nog steeds door over het weiland en de
splinterende, krakende en kreunende geluiden duren nog
steeds voort. De energie van beweging is nog steeds niet
uitgewoed. De linkervleugel raakt de dolgeworden horde
koeien met een klap, die zelfs tot in de cockpit te
horen is. Met een spookachtig gehuil en geknars rukt
Motor Nummer Een zich los van de vleugel en verdwijnt
uit het gezicht. Omvergegooide koeien en rondspattend
bloed. (x ... ) zegt de co-piloot tot niemand in het
bijzonder. Vergeef ons, stomme dieren. We wilden jullie
helemaal niet doodmaken. Maar we hebben het toch gedaan
..... Je rijdt in een auto en ineens steekt er een eend
de weg over, vlak voor je wielen. Je hoort alleen een
zachte, meegevende bons en de eend is dood. Je kunt er
niets aan doen, maar je voelt je voor de rest van de dag
schuldig. Door jouw toedoen is die eend gedood.
Sentimenteel gedoe?
Misschien, maar je weet
dat een leven iets heiligs is. Je kunt wel een leven
vernietigen, maar het nooit weer terugroepen.
MAAR HOEVEEL MENSEN ZIJN ER ZO'N ANDERHALF UUR GELEDEN
GECREPEERD IN DE BRANDEN DIE ONZE BOMMEN IN BREMEN
HEBBEN GESTICHT?
De krankzinnige Liberator scheurt verder door het
weiland en laat een zwarte vore na in het gras. Het
toestel raakt de grond
met een snelheid van meer dan 210 kilometer per uur en
ondanks de uit elkaar gerukte onderkant van de romp, die
als een ploeg door de grond snijdt, duurt het lang
voordat de voorwaartse massakracht door de wrijving met
de grond wordt omgezet in vervorming, warmte en
omgeploegde grond. Maar toch worden de bewegingen van de
machine minder wild en heel geleidelijk vermindert de
voorwaartse snelheid. De scheurende, rijtende geluiden
schijnen iets te bedaren en op een of andere manier
schijnt het vliegtuig niet uit elkaar te zijn gevallen.
Wat nauwelijks te geloven is na de woestheid van de
schokken die het in de laatste sekonden heeft moeten
doorstaan.
Het gras van Hansens privé-vliegveld glijdt nu langzamer
voorbij. Het is nu duidelijk te zien. En het lawaai is
gaan liggen. Vergeleken bij het tumult van daarnet wordt
het nu angstaanjagend stil.
Maar J-BAR glijdt nog verder. De massawerking is nog
niet helemaal uitgeput. Vroeger liep er nog een sloot
door het terrein, loodrecht op de koers van de Liberator. Op een gegeven moment was die sloot overbodig
geworden, zodat het beter was hem te dempen. De sloot
werd dichtgegooid met aarde. Misschien weet iemand uit
de buurt hoeveel jaar geleden dat gebeurde, maar het
moet al een hele tijd geleden zijn. De opvulgrond in de
voormalige sloot gedroeg zich zoals van opvulgrond viel
te verwachten. Hij ging beklinken.
Onder invloed van regen en samenpersing en andere
grondmechanische zaken nam de opvulgrond minder volume
in. Het gras groeide over de opvulgrond heen en vormde
een stevige zode, maar je kon nog precies zien waar de
sloot zich had bevonden.
Er zat daar een inzinking in het terrein, een flauwe
geul van zo'n halve meter diep. Men had toen die
inzinking wel opnieuw kunnen opvullen met meer aarde,
doch om een of andere reden gebeurde dat niet. Die groef
door het terrein is er nu nog, maar hij is netjes
gecamoufleerd door het gras, dat er overheen is
gegroeid. Maar J-BAR vindt de uitholling. De machine
ramt zijn lange neus precies in de brede, ondiepe
uitholling. Er volgt een enorme· schok en een hernieuwd
gekrijs van metaal als de rompneus afbreekt, vlak vóór
de cockpitramen. De vloer van het flight deck knarst en
kreunt als de voorkant wordt losgescheurd en begint te
zakken. De grote bommenwerper sliert nog een paar meter
door en legt dan met een berustend, vermoeid gebaar zijn
lange rechtervleugel voorzichtig neer op een laag
dijkje.
Vijfentwintig ton aluminium, glas en staal komen
uiteindelijk tot rust op Hansens privé-luchthaven, in
een buitendijks weiland dat het Lemster Hop wordt
genoemd.
Precies tegenover de boerderij van Andries Bosscha.
Vlakbij Flugwache Kooisloot.
De Liberator, zwaar mishandeld door de Flak in Bremen,
deed tot het laatst toe zijn best en bracht ondanks
alles zijn bemanning veilig op aarde terug.
Wat de bemanning na de landing wilde doen en hoe zij
werd gearresteerd door de Duitsers en waar de bevrijders
zijn terechtgekomen wordt allemaal uitvoerig en
waarheidsgetrouw beschreven in het boek "De dag van de Liberator".