Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

URK, EILAND IN DE ZUIDERZEE.

Waar al meer dan duizend jaren. In de zee een heuvel stond. Rustig in de woênde baren. Daar is mijn geboortegrond.

1

2

3

4

5

 

 
 

Dit is het begin van het Urker volkslied. Meer dan duizend jaar werd Urk omringd door water. Deze binnenzee veranderde met zekere regelmaat van naam. Zo heette het Flevomeer, Almare, later Zuiderzee en nu IJsselmeer. Urk, een oude keileembult in de voormalige Zuiderzee.

Op 3 oktober 1939 — burgemeester G. Keijzer van Urk en zijn ambtgenoot mr. Krijger van Lemsterland, elkander de hand reikten. Het zou niet zo maar een handdruk worden, van twee collega's die elkaar begroeten, maar een van historische en symbolische betekenis. De twee burgervaders bevonden zich op een plank, inderhaast geschoven over een brok verse aarde welke, een ogenblik tevoren, door een enorme grijper, uit het water was getild en neergestort in de smalle stroom, die zich wrong door het laatste gat in een nog vormloze dam.

 

De Burgemeesters van Lemmer en Urk, waren de eersten, die elkaar op de nieuwe dijk ontmoeten en elkaar een handdruk konden wisselen.

 

 

Dijk Urk-Lemmer.

Die stroom was de laatste stuiptrekking geweest van het water dat, en minuut tevoren nog, Urk scheidde van de vaste wal. Die dam verbond van nu af aan de gemeenten der beide ambtsdragers. Urk was een deel van het vasteland geworden. Aan een eeuwenlang bestaan als eiland was een einde gekomen. Het was feest op Urk, de vlaggen konden zich ontplooien en mochten vrolijk wapperen, want waarom zou men treuren nu de knoop gelegd was, die van twee, naar elkander reikende, banden één had gemaakt, een band met de vaste wal, die nieuwe bestaansmogelijkheden opende, zonder de oude af te snoeren.

Urk bleef immers tevens zijn ligging aan het water behouden, zijn vissers bleven immers uitvaren over het IJsselmeer, dat zeven en een half jaar eerder nog een zee de Zuiderzee geweest was, en verder, de Noordzee op, naar Doggersbank en Duitse en Deense kust. De Urker visser zit niet bij de pakken neer. Hij moderniseert zijn vloot, hij vervangt zijn schokkers en botters door stalen kotters, zijn zeilen door motoren, hij rust zijn vaartuig uit met echolood en radar, hij zet zijn nylonnetten uit op nieuwe visgronden. Wat zal hem kunnen deren, hem de voortvarende en stoutmoedige visserman van de oude Zuiderzee!

Zijn vlaggetjesdag zal een gebeurtenis in den lande worden, een trotse manifestatie van een trots zeemansvolk, dat een vissersvloot zal tonen, zoals de oude Zuiderzee er nog geen gekend heeft. Het zal dit najaar wel weer feest zijn op Urk. Maar een groter en grootser feest zal ons over twee jaren te wachten staan. Want in 1966 zal het duizend jaar geleden zijn, dat Urk voor het eerst in een keizerlijk document als eiland werd genoemd en Urk zou Urk niet zijn als het dat historische feest niet zou vieren. Daar mag een "alleve dikkop" op gedronken worden.

 

Urk in 1773

 

 

 

 

In 1412 echter schept de Hollandse graaf Willem VI enige klaarheid door, kort achtereen, zijn naam te geven aan een tweetal acten van belening.

 

Zo verklaart hij allereerst, op 6 april 1412, dat „voor ons gecoomen is her Diere van Zwieten ridder ende heeft ons opgedragen ende te goede gescouden tot behoeff ons geminden Harmans van Kuynre die heerlichhede van Orck ende van Emelwerden... toetestaan also groot en alzo cleyn als hi voirtijds die vercreech van grave Harman van Kuynre, Harmans vader... behoudelic altois onss, der vrouwen van Voirst en ene yegelicken siins rechts ..."

 

Nog geen vier maanden later, op 31 juli 1412, bekrachtigde graaf Willem met zijn handtekening de acte waarbij ook Johanna vrouwe van Asperen en Voerst die eerst vier jaren tevoren vrouwe van het zuidelijk deel van Urk en half Emelweerd geworden was ten behoeve van Herman (III) van Kuinre afstand deed van haarrechten op Urk en Emmeloord.

 

 

In 1412 echter schept de Hollandse graaf Willem VI enige klaarheid door, kort achtereen, zijn naam te geven aan een tweetal acten van belening.

Zo verklaart hij allereerst, op 6 april 1412, dat „voor ons gecoomen is her Diere van Zwieten ridder ende heeft ons opgedragen ende te goede gescouden tot behoeff ons geminden Harmans van Kuynre die heerlichhede van Orck ende van Emelwerden... toetestaan also groot en alzo cleyn als hi voirtijds die vercreech van grave Harman van Kuynre, Harmans vader... behoudelic altois onss, der vrouwen van Voirst en ene yegelicken siins rechts ..."

Nog geen vier maanden later, op 31 juli 1412, bekrachtigde graaf Willem met zijn handtekening de acte waarbij ook Johanna vrouwe van Asperen en Voerst die eerst vier jaren tevoren vrouwe van het zuidelijk deel van Urk en half Emelweerd geworden was ten behoeve van Herman (III) van Kuinre afstand deed van haar rechten op Urk en Emmeloord.

Het was keizer Otto I, de Grote, die in het jaar 31 van zijn regering, het vijfde van zijn keizerschap dat was in 966 besloot „de helft van een zeker eiland in Almere, dat Urck genoemd wordt, en al wat ligt aan de overzijde van de rivier de Nakala, tot aan Vunninga" te schenken aan het klooster van Sint-Pantaleon te Keulen.

Een afschrift van de desbetreffende in het Latijn geschreven oorkonde is o.a. opgenomen in het „Oorkondenboek van de graafschappen Gelre en Zutfen", samengesteld door mr. L. A. J. W. Baron Sloet. Dat keizer Otto slechts de helft van Urk aan het Keulse klooster afstond, vond zijn oorzaak in de omstandigheid, dat alleen dat deel van het eiland tot zijn domein behoorde. Het overige gebied had hij reeds omtrent 950 in leen gegeven aan Wichman, graaf van Hamaland of Hamelant (een graafschap, dat zich ongeveer tussen Deventer en Zutfen enerzijds en Amersfoort anderzijds over de Veluwe heeft uitgestrekt).

Deze graaf Wichman stichtte omstreeks diezelfde tijd, nabij Eken, een Benedictijner klooster voor adellijke jonkvrouwen, gewijd aan Sint-Vitus, waar zijn dochter Luitgaarde de eerste abdis van werd. Het zal ongetwijfeld met volledige instemming van zijn vrome leenman zijn geweest die immers voordien reeds de inkomsten ervan aan de abdij had gegeven toen keizer Otto in 968 in volle eigendom aan het jonge klooster afstond: al hetgeen Wichman van hem in leen en hijzelf in eigendom had bezeten „in territorio Urck in pago Salo" d.w.z. in het gebied van Urk in de gouw Salland „in welke zaken het ook geweest zij, als in slaven van beiderlei kunnen, in gebouwen, landen, bebouwd en onbebouwd, weiden, beemden, bosschen, wateren, watergangen, inkomsten, zoo die reeds opgezocht zijn of nog opgezocht zullen worden.

Hierenboven al 't geen de voornoemde graaf tot dezen dag toe te leen en wij in eigendom bezeten hebben in 't graafschap Nardincland ( Nog altijd verloochenen hunne Westelijke naburen, de Gooierskinderen van Nardincland, in hunne taal hun Frieschen oorsprong niet, al hebben zij die later ook met eene meerderheid van Frankische bestanddeelen vermengd.) en alle zaken en landgoederen, die in 't graafschap van Hamaland tot de openbare schatkist behooren."

Oorspronkelijk moet Urk deel hebben uitgemaakt van een veel groter eiland, dat zich tot in het tegenwoordige Oostelijk Flevoland zou hebben uitgestrekt en dat tevens Schokland en het legendarische Nagele zou hebben omvat. Het bestaan, omtrent het begin onzer jaartelling, van dit eiland, omspoeld door het zoete water van het Flevo-meer, waar Romeinse geschiedschrijvers van gewagen, mag wel als vaststaand worden aangenomen. Vermoedelijk zal het tussen de 4de en 10de eeuw in drie kleinere eilanden uiteengevallen zijn.

 

Kaart van het eiland Urk in 1789, tekening van J. Schilling.

 

 

 

Het kan hier niet de plaats zijn om de geschiedenis van Urk oorspronkelijk ook voorkomend onder de namen Urch, Orch of zelfs Orkel die tot het einde der 18de eeuw nauw verweven geweest is met die van het noordelijk deel van Schokland toen nog slechts bekend als Emmelwerth, Emelweerde, Emelwoerden, Emlairde, Emelort of andere, min of meer in spelling afwijkende namen door de eeuwen heen te volgen.

Te vele geslachten waaronder die van Kuinre, Voorst en Zoudenbalch wel als de meest bekende mogen worden genoemd hebben korter of langer tijd de gebieden van Urk en Emmeloord onder hun beheer gehad. Met een enkele greep uit een historie van vele eeuwen zal hier dan ook moeten worden volstaan.

Met name tot het jaar 1412 lijkt met het leen dezer heerlijkheid nogal vreemd te zijn omgesprongen. In archieven bewaard gebleven stukken uit die eeuwen, bieden ons in hun totaliteit een wel zeer troebel beeld. Af en toe zien wij zelfs heren van Kuinre en van Voorst gelijktijdig als leenman optreden.

In 1412 echter schept de Hollandse graaf Willem VI enige klaarheid door, kort achtereen, zijn naam te geven aan een tweetal acten van belening. Zo verklaart hij allereerst, op 6 april 1412, dat "Voor ons gecoomen is her Diere van Zwieten ridder ende heeft ons opgedragen ende te goede gescouden tot behoeff ons geminden Harmans van Kuynre die heerlichhede van Orck ende van Emelwerden... toetestaan also groot en alzo cleyn als hi voirtijds dievercreech van grave Harman van Kuynre, Harmans vader... behoudelic altois onss, der vrouwen van Voirst en ene yegelicken siins rechts ..."

Nog geen vier maanden later, op 31 juli 1412, bekrachtigde graaf Willem met zijn handtekening de acte waarbij ook Johanna vrouwe van Asperen en Voerst die eerst vier jaren tevoren vrouwe van het zuidelijk deel van Urk en half Emelweerd geworden was ten behoeve van Herman (III) van Kuinre afstand deed van haar rechten op Urk en Emmeloord.

 

Het plukken van de ansjovisnetten aan de haven.

 

 

Urk in 1930.

 

Ansjovis zouten. Op de achtergrond is de Vischhandel te zien van 'Bakker-Gerssen'. Deze naam is gevormd door Peter Bakker, geboren op 31 mei 1837 te Ens. Peter was met zijn moeder Trijntje Reurings Zoet, verhuisd naar Kampen, waar zij één van de Schokkerhuisjes betrokken die in 1859 daar zijn gebouwd.

Terzelfder tijd was Johanna Christina Gerssen die in verband met de ontruiming van Schokland in 1859 verhuisd naar de Achterbuurt in Urk. Johanna kwam een week later als dienstbode in Kampen terecht, waar ze Peter leerde kennen. Waar het huwelijk plaatsvond op 22 augustus 1867, zij kwamen in het kleine huisje te wonen op de Schokkersbuurt 21 te Kampen. Uit dit huwelijk zijn vijf kinderen geboren.


Op een groot deel van het Nederlandse platteland wordt dialect gesproken. En ook op Urk. Maar terwijl de dialecten op het platteland in elkaar overvloeien vormt Urkers in figuurlijke zin een eiland. Het Urker dialect wordt alleen op Urk gesproken en is nauwelijks verwant aan andere dialecten. Dit kan verklaard worden uit het isolement van de bewoners. De Urker bevolking spreekt dan ook van 'Ik kom van Urk' of 'Ik woon op Urk' in plaats van 'Ik kom uit Urk' of 'Ik woon in Urk'.

Over de geschiedenis van het Urker dialect is weinig bekend. De oudst bewaard gebleven teksten die in het Urkers zijn geschreven dateren van omstreeks 1870. Eén ervan betreft het verhaal over de gelijkenis van de verloren zoon dat uit de Bijbel was overgenomen. Het Urker dialect zelf is natuurlijk al veel ouder.

Er zijn taalkundige onderzoeken gedaan naar het Urker dialect. In 1874 en 1875 werd er voor het eerst gepubliceerd over het dialect. Na enkele artikelen van de Urker onderwijzer Klaas Koffeman volgden meer onderzoeken. Vooral naar specifieke woorden die alleen in het Urkers voorkomen, bijvoorbeeld; taote (vader), mimme (moeder), buie (vriend) en poesen (zoenen). Het Urkers klinkt uniek. Het dialect kent 10 vocalen - (samengestelde) klinkers - die in een korte en een lange vorm voorkomen. Dit verschil in lengte is bepalend voor de betekenis van een woord.

Enkele typische Urker uitdrukkingen zijn:

● Je moeten de skapen skeren nor se wolle eawen.
● Je moet de schapen scheren naar ze wol hebben.
● Drie keer zal kabel ouwen.
● Drie keer zal de kabel houden.
● Een gewoente wort wet.
● Een gewoonte wordt wet.
● Je moeten niet alle soorten nor je eagen skatten.
● Je moet niet alle soorten naar je eigen schatten.
● Geborsten kommetjes stoon et langste in et blad.
● Gebarsten kommetjes staan het langst op het blad
.

Net als in het Nederlands vinden er aanpassingen plaats in het Urker dialect. Engelse woorden bijvoorbeeld, worden door de Urkers eigen gemaakt en op eigen manier uitgesproken. Het dialect past zich ook aan aan de tijd waarin we leven. 100 jaar geleden werd er anders gesproken dan nu.

Eiland af.

Naast de visserij vormt de scheepsindustrie een belangrijke poot van de Urker economie. De scheepsindustrie heeft door de tijd ook invloed gehad op de invulling van de Urker haven. In 1840 bouwden Urker scheepsbouwers de eerste werf in de haven. Deze scheepswerf lag recht tegenover de haveningang.

Voordien werden de schepen in Kuinre, Echten, Huizen of Enkhuizen gebouwd. In de beginjaren werden de ambachtslieden bij andere scheepswerven "geleend". Op Urk waren genoeg leerjongens voor de scheepsbouw want er was voor de meeste keuze uit drie beroepen: aan boord van een Urker botter, zich verhuren op de loggervloot of aan de slag als leerjongen op de werf.

Na de vergroting van de haven in 1856 werd in 1862 begonnen met de bouw van een tweede werf. Deze werd in 1882 overgenomen door Louwrens Metz. In 1877 werd een derde werf aangelegd in de Urker haven. In dat jaar werd ook het havencomplex verder uitgebreid en uitgediept.. De schepen, botters, waren van hout en werden met de hand gebouwd. De prijzen voor een nieuwe botter varieerden van 3.600 tot 4.500 gulden (€ 1634 - 2042). Hierbij kwamen nog de kosten voor rondhout en het tuig, circa 600 gulden (€ 272). De derde werf is ook nu nog in gebruik voor het restaureren van oude botters.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn veel schepen door de Duitser gevorderd. Slechts enkele schepen zijn teruggekeerd. Na de oorlog kwam de vraag naar stalen schepen pas echt op gang, hoewel een enkeling nog een houten botter liet bouwen. De schepen werden ook steeds groter. De eerste op Urk gebouwde stalen kotter was circa 13 meter lang, nu worden er schepen van meer dan 40 meter gebouwd. Deze komen van een moderne werf die Metz in 1975 aanlegde.

Dat het na de oorlog goed ging met de Urker visserij was tegen de verwachting van de planologen. Vanwege de afsluiting van de Zuiderzee voorzag men het einde van de visserij. Urk lag niet meer aan zee en het IJsselmeer bood geen bestaansrecht. De veronderstelling was dat de Urker vissers moesten verhuizen naar andere delen van Nederland of zelfs emigreren.

Een paar Urker families hebben toen het geluk elders beproefd. Sommigen vertrokken naar Den Helder en Scheveningen, anderen emigreerden naar Zuid-Afrika. Maar na enkele jaren keerden de eersten al weer terug op Urk.

De achterblijvers bleven gewoon vissen op het IJsselmeer en de Noordzee. Vooral met de Noordzee vloot ging het goed, deze vloot breidde zich snel uit. De kotters die op de Noordzee visten werden door de ontwikkeling in de visserij steeds groter en sterker. Dit gaf echter problemen in de Urker haven, de vloot kon bijna niet meer afmeren. De Noordzee vloot verdubbelde tussen 1949 tot 1963 van 51 naar 110 schepen. De IJsselmeervloot bestond uit ruim 70 schepen.

Daarom begon de gemeente in 1961 met het maken van plannen voor een nieuwe haven. Deze haven zou aan de westzijde van Urk komen, noordelijk van de vuurtoren. De nieuwe haven werd groots aangepakt. In het plan was langs een 5000 meter lange kade voldoende ruimte voor vissersschepen. Ook voor de visafslag en de industrie werd veel ruimte gereserveerd.

Deze plannen riepen veel weerstand op onder de bevolking. Voor de uitvoering ervan en de aanleg van de ontsluitingswegen voor de haven moesten veel woningen worden gesloopt. Ook tegen de locatie van de haven werd door de bevolking geprotesteerd. De haven zou vanaf de vuurtoren langs de dijk richting Lemmer aangelegd worden. Bovendien zou het aangezicht van Urk volledig veranderen.

Mede door het verzet van de bevolking en druk vanuit Den Haag is dit plan in de prullenbak beland. Overigens werd de haven pas in 1974 bezit van Urk, voordien was Rijkswaterstaat eigenaar. Het grootste deel van de vloot ligt tegenwoordig in Lauwersoog, Harlingen en Den Helder.

 

Voor de Afsluitdijk.

 

 

Toen de Afsluitdijk klaar was.

 

 

De dominee van Urk.

De dominee van Urk.
Die zou op Schokland preêken.
Door 't razen van de zee.
Had hij zijn tekst vergeten.

O, oven, o oven!
Bak onder, bak boven.
Bak plat, bak rond.
Bak alle menschen naar den mond.

 

Zicht op de havenmond.

 

Op het eiland Urk kende men volgens de wetenschappers uit de midden jaren van de 20e eeuw geen hooibergen. Maar bij de IJssel academie in Kampen bevindt zich een reproductie van een olieverfschilderij van de historieschilder Valentijn Bing (1812-1895) waarop de aankomst staat van de arts dr. Heinsius op Urk. Deze arts kwam eind 1845 de pokkenepidemie welke toen op Urk heerste bestrijden. En op het schilderij staat een vierroeden hooiberg, dicht gezet rondom tegen het brandgevaar met horizontale planken.

Visserij vormt al sinds de 17e eeuw de kurk waarop de Urker economie drijft. De kustvisserij op de Noordzee werd toen ook al bedreven, maar was niet van groot belang. In de 18e eeuw gingen de Urkers buitengaats vissen. De vis werd in Amsterdam op de markt gebracht.

Vanaf 1820 werd de visserij op ansjovis steeds belangrijker voor de Urker vissers. Op het eiland werd in die tijd de westhaven uitgegraven en daar werden de ansjovis zouterijen gevestigd. Hier werd de vis schoongemaakt en gezouten.

 

De grootste afnemer was Duitsland. De ansjovisvisserij was grillig, het ene jaar werd er volop vis gevangen en het andere jaar bijna niets. Dit kwam ook in de prijs tot uitdrukking. Een anker, van 30 kg, kostte tussen 30 en 100 gulden (€ 14 - 45). Er werd op verschillende manieren gevist. De Urkers visten met een kuil, een net dat achter een botter werd voorgetrokken. Om meer te vangen werd een groter net gebruikt.

 

Hiervoor werden grotere botters met meer zeil gebouwd. Dit was een doorn in het oog van de vissers aan de oost- en zuidkant van de Zuiderzee. Zij visten vooral met een dwarskuil of met zijdenetten. De kwak- of wonderkuil, waar de Urkers mee visten, werd door de andere vissers aangewezen als boosdoener voor de mindere ansjovisvangsten.

 

Hoe wisselvallig de visserij was leren de statistieken uit die tijd. Over de gehele Zuiderzee was de aanvoer in 1883 3000 ankers, in 1884 25.000 ankers en in 1885 85.000 ankers. In 1889 werden er slechts 1600 ankers gevangen. Het topjaar was 1890 met een aanvoer van 190.000 ankers.

Na 1890 kwam de seizoenvisserij tot ontwikkeling op de Zuiderzee. Hierdoor konden er verschillende soorten visserij worden beoefend. Hiervan waren minder mensen op de schepen nodig. De haringvisserij was ook een seizoenvisserij en kon veel mensen gebruiken.

 

Zodoende werden de eerste Urkers in 1893 in dienst genomen voor de haringvisserij. Dit beviel goed aangezien de verdiensten in de kustvisserij meer en meer achteruitgingen. In de winter werd op Urk de bemanning gezocht voor het aanstaande haringseizoen. Ze werden dan officieel aangemonsterd en kregen het zogenaamde monstergeld, 25 tot 35 gulden (€ 11 - 16)ineens voor een matroos, jongens naar verhouding iets minder.

 

De vissers gingen dan eerst enkele weken op de ansjovisvangst en daarna op de haringvangst op de Noordzee. Als het meezat konden zij drie- tot vierhonderd gulden (€ 136 - 182)verdienen in twintig tot vijfentwintig weken.

In 1905 werd de eerste visafslag geopend. Urk was hiermee één van de eerste Zuiderzeeplaatsen met een visafslag. De visafslag draaide voor het eerst in de zouterij van Jacob ten Napel. Cornelis Koffeman was de eerste visserman die met de UK 223 haring aan de afslag bracht.

 

Pieter Keuter was de eerste koper, hij kocht een tal haring (200 stuks) voor een rijksdaalder (€ 1,13). Over de aanvoer aan de visafslag zijn pas vanaf 1907 uitvoerige gegevens bekend. Dat jaar werd de volgende omzet bereikt:

 

Soort vis

 

Aantal

Totaal prijs (ƒ)

Totaal prijs (€)

Haring

95.426 tal

116.927,05

53.059,18

Spiering

2.025 kg

19,25

8,74

Bot

2.926 kg

663,00

300,86

Ansjovis

1.506.500 st.

23.275,46

10.561,94

Aal

12.253 kg

2.880,13

1.306,95

Totale omzet

 

143.846,89

 

 

In 1931 pakten donkere wolken zich samen boven de wereld. In Duitsland kreeg de nazipartij steeds meer macht. Dit had ook gevolgen voor de ansjovisvisserij. Duitsland verbood de invoer van ansjovis, wat meteen in de prijs tot uiting kwam. In 1930 kreeg men 25 tot 30 cent per kilo, in 1931 was dit 5 tot 6 cent per kilo ansjovis (11 - 14 eurocent, respectievelijk 2 - 3).

In 1932 kwam de Afsluitdijk gereed. Zuiderzee werd IJsselmeer. Zout water werd brak en daarna zoet. Door de afsluiting van de Zuiderzee nam ook de visstand af. Om de visstand te beschermen werden de visserschepen ingedeeld in drie klassen. Klasse 1 had de grootste schepen en ving hiermee de meeste vis.

 

Deze mochten niet meer op het IJsselmeer vissen. Dit was de klasse waarin de meeste Urkers waren ingedeeld. Zij kregen een vergoeding van 2000 gulden (€ 908) aangeboden. Maar de Urkers vochten voor het behoud. Zij verruimden de horizon en probeerden hun geluk op de Noordzee. Dit pakte voor de Urkers goed uit. Zij konden in de kustvisserij een goede boterham verdienen. De Noordzeevis werd verkocht op visveilingen van Amsterdam en Den Helder.

In 1962 werd de eerste Noordzeevis op Urk geveild. In het eerste jaar werd 412 keer door een Noordzeevisser gelost en verkocht aan de visafslag van Urk, dit was totaal 1.574.976 kg zeevis voor een bedrag van 1.799.658 gulden (€ 816.649)

 

In Nederland is Urk uitgegroeid tot één van de belangrijkste vissersplaatsen. Een relatief groot aantal schepen heeft Urk als thuishaven: ongeveer één kwart van de totale platvis- en rondvisvloot. De haven van Urk is echter niet meer bereikbaar voor de grote vissersschepen. Daarom leggen de schepen van de Urkervloot aan in de Noordzeehavens.

 

De vis wordt vervolgens per vrachtauto naar de visafslag van Urk gebracht. De vloot kan gerekend worden tot de modernste van Europa. De aangevoerde vis wordt op de afslag eerst gesorteerd en dan geveild.

 


Een paradijs is het op Urk nooit geweest. Rampen en epidemieën wisselden elkaar af. In de visserij wisselden goede en slechte jaren elkaar af. Een grilliger zee dan de Zuiderzee bestond er niet. Een enkele keer werd men er zwaarmoedig van en wilde men de visserij voorgoed de rug toe keren. Maar steeds kwam de levendigheid en het gevoel van eigenwaarde weer terug met de wil om de naam van Urk hoog te houden.

 

In tijden van tegenslag week ook de laatste verdeeldheid op Urk en maakte plaats voor eendracht met trouw aan diep gewortelde zeden en gewoonten. Niemand piekerde er over om het eiland met de hechte gemeenschap, waar geen deur op slot was en iedereen bij elkaar binnen liep, te verlaten om elders een bestaan op te bouwen.

 

Afgezonderd van de wereld met al haar verleiding aanvaardde men op Urk het veranderlijke leven in voor- en tegenspoed. Een leven vol contrasten, met hang naar avontuur, geborgenheid en gezelligheid, afgewisseld met rivaliteit en hulpvaardigheid. De Urkers toonden vitaliteit, dit heeft het eiland steeds behoed voor al te grote verstarring. Dit blijkt onder andere uit het economische leven, zij waren van de Zuiderzeevissers de enige die op de Noordzee bleven vissen toen de overigen zich terugtrokken op de Zuiderzee. Ook begonnen zij als eersten met de motorisering van de vloot.

Opvallend levendig was het geloof in heksen. In 1875 worden 82 vrouwen als heks aangewezen. Een oude vrouw met "enen enigszins spitse neus of kin" werd al snel als heks aangezien. De kollen, zoals ze op het eiland werden genoemd, kwamen om middennacht samen en gedroegen zich dan net zoals in de rest van Nederland werd gedacht. Met de komst van straatverlichting nam het geloof in heksen en kollen af. Dankzij de elektrische straatverlichting werden alle donkere hoekjes, waar de bewoners heksen of duivels meenden te zien, goed verlicht. Overigens waren deze gebruiken nauwelijks bijgeloof te noemen, het was meer een vorm van traditie.

Het Christelijk geloof vormt nog steeds de basis voor het leven op Urk. De gevaren van de visserij en de terugkerende armoede bevestigden keer op keer het besef van de nietigheid van het bestaan en de afhankelijkheid van Gods zegen. De zondagen staan dan ook vrijwel geheel in het teken van de sabbatsviering.

De bekering van manke Jaap.

Jaap was bekeerd in dat was niet em niet mie evullen, dat kon gerust ezegd worren. In nog oor, vertrouwd' ie z'n maot Cees toe, nog add'ie wel d'rs een anvechting. Niet maar zo arg in ij kon et wier, mar toch. Nou kon Cees daor weanig opzeggen, eboenden as die nog was. Maar Cees leefde wel mie. IJ toonde zelfs respect vor Jaap."Tsjonge Jaap, in dat op eagen kracht. Ik wou dat ik et kon. Je binnen een Matjedor!"

Jaap straolde. Vor dat er nou een misverstaand ontstot, we eawen et ier over een blood natuurlijke zaak zoas de buurman van Jaap, Lub, zegt. Et was allemaol op een skone ochted begonnen. Over et algemien begon bij Jaap in Trientjen elke ochted als volgt.

Oude bedstede.

 

Jaap zwaoide z'n bienen eut bedde in zat effen op de raand van et bedde mit z'n ogen de dag tegemoet te knipperen. Daornao ging ie mit z'n vingers links in rechts in z'n zeden krabben in voerde zo nog wat lichamelijkeden eut. Maar de leste teed volgde dan miestal een flinke oestbuie op. IJ maakte daorbij zovel arrie, dat Trientjen, nor gewoente 's ochtes al niet op 'r best, iene oge eupensperde in em veniendig mit 'r weesvinger in z'n lindenen porde. "Goon nor de badkamer, skiet op. Je aolen m'n eut m'n lekkerste slapien mit je geblaf."

Maar toe ze wat laoter neuze an neuze an een bekkien thee zatten vor et wark in de winkel zou losbarsten, begon Trien 'r wier over. Jaap zelf add'em verdiept in de kraant in kiek wat gramstorig op toe ie daorin estoord worde. Want daor kon Jaap nou wier niet tugen. As ie net effen lekker zat te lezen, gememer an z'n oofd. Maar de kraant worde terzede elegd want Trientjen ul niet of. Dat geoest van Jaap sting 'r niet an. In as ie zelf gien ofspraak maakte om de dokter d'rs nor z'n borst te lotten leusteren, dan ding ze et zelf. De ofspraak maken dan.

Veel uwelijksjaoren adden Jaap gevoelig emaakt as et oendjen van Pavlov vor de klank in de stim van Trientjen in ij begriep dat ie 'r niet ongereut kon. IJ trok een mistroostig gezicht in nam z'n kraant wier op. "Ik zal zo bellen."
Trientjen knikte tevreen. "Om acht uur Jaap, want aarder eaw je niet te bellen, Jaap! Je kregen de assistente." "Jahaaa mins!"

Jaap legde et geval vuur an de assistente van de dokter. Die as een soort minselijke zeve diende om te bekieken of je wel genoeg onger je lien adden om toe elaoten te worren tot de dokter zelf. Jaap worde ewoegen in zwaor genoeg bevoenden om op belet te koemen. Kwart over tienen kon ie terechte.Jaap dielde Trientjen mie dat ie terechte kon in mitien begon de illinde, die ij vorzien adde. IJ mos onger de douche in skoon ongergoed andoen. "Doen wat onger je narmen. In skone koesen Jaap in wel dezelfden ih. Binnen je oren skoon?" Alle checkpunten ging Trientjen of.

Maar om tien uur ging Jaap glimmend in wel op de fiets nor de dokter. Die woeg Jaap in nam z'n bloeddruk op in leusterde mit aandacht nor de geluiden eut Jaap z'n borst. De dokter tikte daornao wat gegeves in de computer. Krek zo'n ientjen as Jaap er nou zelf ok iene adde. Wat Jaap er zelf van docht, vroeg de dokter. Jaap docht effies niks. Mar ij kon mulijk zeggen dat ie van Trientjen ene emoeten adde. "Tja", zeen Jaap in ul varder z'n moend. Et bliek een passend antwoord te wezen want de dokter voen dat zelf ok. Die zeen teminste ok een paor keer "tja, tja".

Toe vroeg ie oevuul Jaap rookte. As je Jaap daornor vroegen dat ad ie altoos aandrang omdat optimistisch in te skatten. IJ aorzelde een bietjen in neumde toe z'n streefaantal pekkies shag op. De dokter trapte er niet in. IJ vroeg een bietjen duur in Jaap voelde em zo wier een klean skoeljongetjen worren bij meester Loosman toe ij toch wat bijgestelde cijfers neumde. Et liek de dokter beter dat Jaap drastisch minderde. Beter was nog om ielemaol te stoppen.

In zo ging Jaap wier op eus an. Net zoas ie ekeumen was inkelt een bo-skip rikker in een illusie armer. Trientjen add'et te drok in de winkel om voreerst teed an Jaap te besteen. In die voen dat best zo. IJ ging in z'n kantoortjen zitten in drokte aost automatisch z'n nije computer an. Toe ij et ding an de praot adde, riep ie internet op. Dat add'ie inmiddels ok al elaard op de cursus in 't Juugd. IJ tikte in een zoekmachine 'roken' in.

Twie uur laoter Trientjen riep dat er koffie was in was Jaap bekeerd. IJ ad zovuul informatie ekriegen in eliezen dat et em vast in z'n urses ezet adde: ik wil d'r of, basta! Ik stop.

Trientjen krieg te oren wat de dokter ezegd adde in Jaap vertrouwde er toe, dat ie over de zaak nao-edocht adde in dat ie op internet ezeten adde in dat ie vast van plan was om te stoppen. IJ was bekeerd van et roken.

Trientjen leusterde et mit grote ogen an. Ze kwam pas in et geweer toe Jaap as symbool z'n pekkien shagh duur de WC wou spoelen. Of ie soms gek was? In Cees de timmerman de iele zaak op lotten breken omdat de ofvoer verstopt zat. "Nee, gief dat pekkien mar an mij."
In daormie begon ien van de slechtste weken van Jaap. 's Ochtes oestte ie nog arder dan angers. Z'n umeur daolde tot vaar onger et vriespunt. Cees, z'n maot joeg ie mit sigaar in al de duur eut toe die kwam informieren oe ie et adde. De klaanten liep ie zonger wat te zeggen vorbij. Lup, Niel, Derrekien, alle vaste klaanten vul et op.

Jaap in Trientjen wazzen jaoren in goede armonie etrouwd mar nou spande et er omme. Gerust. As et Jaap wier effies tevuul worde, ging ie nor z'n kantoortjen in daor op internet voen ie lotgenoten. Of ie bij de Anonieme Nicotinisten was. De ex-rokers wisselden eurluiers zwakke mominten eut.

Maar Jaap ul vol. Al was ie 's nachts wel d'rs van bedde egoon omdat ie zo lag te zwieten in nor benien eloepen. Daor liek de binnenduur nor de winkel wel magnetisch. Daor bij de kasse, wist Jaap, laggen ze opestapeld. In keurige stapeltjes per mark. Ok Jaap z'n mark. In toe opiens was Jaap over de toppe van de barg. De ouwe Jaap kwam wier boven waoter in op een inkel anvechtekien nao ging et vuurspoedig.

Cees, de klaanten, iederiene murk et. In Trientjen zieker. Ze klaagde dat ze vor een man maar mos koken. Want om em een bietjen te stunen kookte ze elke dag wat ie mar wou. IJ ad mar te kikken. Dat ad Jaap em goed an lotten lunen. In z'n eetlust nam mit de dag toe liek et wel.

In nou was Jaap zovaar, dat ie zelfs Cees kon verdragen as die grote sigarenrookwolken zat eut te blaozen waor ie bij zat. Cees voen Jaap groos. In eagelijk, voen Jaap dat zelf ok wel een klean bietjen. IJ glunderde.

 

 

 

 

 

 

Het jongetje op de foto is Riekelt Pasterkamp 1920

 

Deze foto is genomen in Wijk 6 en toont twee vrouwen bij een waterput. Er waren op Urk ongeveer 16 waterputten. Men weet niet waar dit water vandaan kwam.

 

1

2

3

4

5

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.