Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

URK, EN SCHOKLAND.

 

Tromp de Vries

 

1

2

3

4

5

 

 
 

1773

 

De oude Zuiderzee-eilanden hadden veel overeenkomsten en onderling waren er ook wel contacten, maar met name Urk en Schokland hebben altijd veel met elkaar te maken gehad. Al in de middeleeuwen worden Urk en Emmeloord in één adem genoemd.

De namen staan vlak bij elkaar op een lijst uit 1132 die de aan het Sint- Olofsklooster van Staveren toegewezen kerken en kapellen opsomt. Een eeuw later vinden we de namen samen op een leenbrief van heer Jan van Kuinre.

Dan is verder de combinatie schering en inslag, want tot aan de Franse tijd bestond er een heerlijkheid Urk en Emmeloord. Daar hoorde Ens -de zuidelijke helft van Schokland- niet bij. Toen echter de Schokkerdorpen ontvolkt waren, werden hun namen vergeten, tot ze weer gegeven werden aan nieuwe polderdorpen.

Op Urk hoorde je vóór de drooglegging niet praten over Emmeloord of Ens, maar wel over Schokland. De zuidpunt heette bij de vissers nog altijd „de Kark", en de Middelbuurt bleef bekend omdat in het kerkje daar de Urker ijsvlet bemanning wel overnachtte. De noordpunt heette heel praktisch „d'aven", want had Ens een rede, Emmeloord beschikte over een haventje.

Nog speelt het eiland in het spraakgebruik een rol. Van een vrouw die in verwachting is, wordt gezegd dat ze naar Schokland moet. Hoe kan deze uitdrukking zijn ontstaan? De Urker kindertjes komen immers van oudsher uit de ommelebommelestien, een grote kei die achter de vuurtoren in zee ligt.

Het gezegde zal wel gebezigd zijn als dooddoener om vragende kinderen af te schepen. Dat ging dan zo: Een kind komt thuis uit school en wil de kamer in, maar wordt door een buurvrouw tegen gehouden, immers „de rapen zijn gaar", moeder is „an de ruutel", er kunnen geen pottekijkers gebruikt worden. Het kind vraagt: „Waar is mien mimme?" Buurvrouw antwoordt het eerste wat haar invalt: „Die is noa Skokkelaand". Daarheen ging men wel eens voor een proefreisje als er een nieuwe schuit of botter van de werf was gekomen, of later als de motor moest worden geprobeerd. Ging alles goed, dan kwam men met „welkom" terug,.

Schokker moppen, in het winkeltje aan de haven gekocht en gebakken in Kampen of... op Urk. Als iemand iets goed, al te goed, kan, valt eveneens de naam Schokland: Hij kan Urk en Schokland aan elkaar liegen. Ze breit Urk en Scbokland aan elkaar. Je kon 'm op Schokland horen gillen. Ik zou me wel eens tot Schokland willen uitrekken.

De uitdrukkingen geven een hoge graad aan. Ze herinneren misschien ook nog aan de tijd dat de afstand tussen de beide eilanden niet zo groot was. Er is nog een sage die zegt dat er een Deventer koek over de Nagel gezwiept kan worden, zó smal was toen nog het water dat het oorspronkelijk ene eiland verdeelde. In rijmpjes treffen we de naam Schokland eveneens aan.

In een kinderrijmpje heet het:

Steek je pippien in de braand,
goan er nüeë noa Schokkelaand ...

En in een spotrijmpje:

Schokker beer, wat waait het weer,
wat vliegen de kraaien
wat zal het nog waaien.

De spot was wederzijds, want op het roomsgezinde Emmeloord, waar toch voortdurend een gereformeerd predikant kwam preken zonder dat hij veel toehoorders kreeg, moet wel het rijmpje ontstaan zijn:

De dominee van Urk
die zou op Schokland preken,
maar door het razen van de zee
was hij zijn preek vergeten.

Je kunt je de situatie voorstellen: De Urker dominee moet een beurt op Emmeloord vervullen. Het is heel slecht weer. Schokkers staan al tegen de muur van hun kerk op de uitkijk. Ze zien het zwalkende scheepje aankomen. Maar de dominee is zó zeeziek, dat hij onbekwaam is om voor de koster - schoolmeester en diens gezin te preken. De vissers gniffelen; die dominee van Urk! Het spotrijmpje wordt geboren.

Verwant in afkomst, taal en klederdracht, als Urkers en Schokkers toch waren, groeide met het breder worden van het scheidende water, en het uiteengaan van geloofsovertuiging en oriëntatie op een achterland, ook de animositeit. Daar kwam bij, dat Urk en Emmeloord, die in betekenis aanvankelijk ongeveer tegen elkaar opwogen, steeds ongelijker werden; Urk groeide in tal en last, Schokland ging achteruit en moest in 1859 ontvolkt worden.

Wel brokkelden beide eilanden af, maar op Urk kon het proces tenslotte gestopt worden. Het had niet alleen een weerbarstige keileemkern, maar werd bovendien door Amsterdam, wegens het belang voor de scheepvaart, min of meer beschermd door zeeweringen. En toen Rijkswaterstaat dit beschermingswerk in de 19-de eeuw overnam, was het gevaar voor verloren gaan van het eiland geweken.

De lange kustlijn van Schokland evenwel en de minder stevige bodem vereisten zulke kapitalen, dat de oeververdediging niet goed vol te houden was. Het eiland moest worden ontruimd, al bleef het nog wel bestaan. Daarmee was de competitie tussen de naaste buren verleden tijd geworden. „De schout van Urk schijnt door de heer (de vrouw) steeds iets hoger te zijn gesteld dan die van Emmeloord en dat kon men op Emmeloord moeilijk zetten.

Zo herinneren we ons nog dat de schout van Emmeloord op het verzoek van zijn collega van Urk, namens den heer gedaan, om op Urk te komen, zelfs niet had geantwoord. (Dat was in 1597). Toen in 1611 een bewoner van Emmeloord opgeroepen werd, om voor het „huys to Urck" (denkelijk het schoutshuis) te verschijnen, om daar gerechtelijk ondervraagd te worden, protesteerde hij, zeggende, dat zijn competente rechter op Emmeloord woonde.

Toen evenwel het schoutambt op Emmeloord vacant was, verzocht een Emmeloorder een aanbeveling van Willem Hendrickx (de Urker schout) bij de vrouw (Barbara van Essesteyn) opdat hij voor dat ambt in aanmerking mocht komen.

Soms was een Urker schout van Emmeloord en Urk tegelijk, maar dat ging niet zo goed. En toen een Urker, Jacob C. Romkes, in 1776 schout was op Emmeloord, schreven de Schokkers een boze brief over hem aan hun heer, burgemeester Hooft van Amsterdam.

Ook als een Urker de inspectie over de zeeweringen van beide eilanden had boterde het niet. Hoe men in 1845 op Schokland over Urk dacht, vertelt G. Mees: „Als op Urk een schuit enige dagen onbeheerd ligt, zo vertelde de beurtman, kan men zeker zijn, dat haken, bomen, pus en al wat tilbaar is, verdwijnt. In dergelijk geval zou op Schokland alleen de helft van 't brood worden weggehaald. „Eerlijk deelt hij altijd". De Schokkers waren gehecht aan hun stukje grond, wilden niet verhuizen, en konden hun achteruitgang moeilijk verdragen.

Wel probeerden ze zich in hun levenswijze tot het uiterste bij hun erbarmelijke omstandigheden aan te passen, zolang dat kon. Maar de klap kwam in 1859. Schokland werd ontvolkt. Enkele, hervormde gezinnen wilden het eilandelijke leven niet prijs geven en vestigden zich op Urk. (Anderen gingen naar Kampen, Vollenhove en Volendam.)

Op Urk kan men nog een Schokker huis aanwijzen. Oude mensen hoorde ik wel praten over Schokker Jan, Schokker Vale, e.a. De zuinigheid van de Schokkers wekte op het toen ook niet welvarende Urk de spotzucht op. „Zeunige Schokker" werd een gezegde. Een Schokker vrouw die bij een van de weinige Urkse lantaarns kwam te wonen, stak zelden de lamp aan. Ze kon wel werken bij het licht dat door de ruit binnen viel. Bittere nood had de Schokkers de uiterste spaarzaamheid geleerd. Geen draadje, geen lapje gooiden ze weg.

Opschrift boven de ingang van de Nederlands Hervormde Kerk te Urk, waaruit de band tussen Amsterdam en Urk en Emmeloord duidelijk blijkt.

 

„In Volendam heeft men hen nog lang de „rechte reggen" ( = ruggen) genoemd en bleef men zich verwonderen over hun enigszins draaiende loop. Elders, bijvoorbeeld in Kampen, werden ze nageschreeuwd:

Schokker, Schokker; ga aan boord,
Je hebt je vaar en je moer vermoord.

In Volendam, waar toch sinds eeuwen familie betrekkingen bestonden met de noordelijke Schokker nederzetting, het katholieke Emmeloord, was het oordeel over hen evenmin onverdeeld gunstig." (B. W. E. Veurman, Volendam, heven en Lied, Neerlands Volksleven 1968).

We moeten natuurlijk wel bedenken dat immigranten altijd en overal aan kritiek blootstaan. Veurman vertelt ook de in Volendam voorkomende overlevering, waarin uit een priestermond die op Schokland zou hebben plaatsgevonden, de ondergang van het eiland wordt verklaard. Hij vervolgt: „Waren de Schokkers inderdaad zo'n vechtlustig volk? De historische gegevens leren ons eerder het tegendeel: omstreeks 1846 werden ze beschreven als bedeesd in vergelijking met de Urkers. Ze waren „niet dapper, maar enigszins vreesachtig van aard".

De moord op de pastoor van Emmeloord vindt op Urk zijn pendant in het verhaal van het domineetje dat door vissers van z'n koffertje met geld beroofd, op een zand plaat, het Griend, zou zijn gezet, en dat bij het opkomen van de vloed jammerlijk verdronk. Genoten de Schokkers geen algemene waardering, de Urkers al evenmin. De literatuur kent de meest tegenstrijdige constateringen voor beide gebieden.

Er is ook veel gegeneraliseerd. „Mees en Meylink oordelen gunstig over het karakter der Schokkers; ze roemen hun eerlijkheid en medelievendheid. Alleen op enkele dagen haperde er wat aan de laatste eigenschap. In 1819 schrijft de schout, L. Seidel, dat de „andersints goede en stille ingezetenen" van het eiland zich op het a.s. Pinksterfeest niet door brooddronkenheid te schande moeten maken, terwijl hij hoopt, dat „het jonge volk zich niet dronken moge drinken"

Het zou voor Urk geschreven kunnen zijn. Ook op Urk was het met de pinksterdagen „kermis", ook toen die officieel was afgeschaft. Dan werd ook menigmaal van de kansel tegen uit de band springen gewaarschuwd. Een van de eersten die wat over Schokland meedeelt was de Gelderse geschiedschrijver Arent Slichtenhorst in de eerste helft van de zeventiende eeuw, die, als hij het over Urk, „Een stippel uit de Zuiderzee uitkijkende", gehad heeft, aldus verder gaat: „Naast daaraan ziet men Emmeloord en Ens, arme visschershutten, die zoo van taal als plompe kleding en ongeschikte zeden schier wilde menschen gelijken."

Heren die in 1792 Schokland bezochten, hebben het er in een journaaltje over dat de bewoners zeer beleefd, gul en hartelijk zijn, en de eenvoudigheid in alle doorstraalt; ze wonen in met prentjes en spiegeltjes versierde kamers met pronkbedden. Mees noemde het inwendige van de Schokker huizen, in een tijd dat alle welvaart verdwenen was, onzindelijk en afzichtelijk.

In huizenbouw en bewoning bestonden weer overeenkomsten tussen Schokland en Urk, en ook in de manier van leven, de liefhebberij voor kleuren, de schuiten, de vismethoden was dat zo. Alleen op Urk hadden de huizen een stevige ondergrond (keileem); op Schokland hoogde men de werven op met mest; zelfs het kerkje van Emmeloord was volgens Commelin „op een hoop vervuilde „koemis" gegrond. Veelvuldig zijn de berichten over instorting en omvallen door storm-, brand- en waterschade van Urker en Schokker kerkjes.

Tenslotte willen we nog wat zeggen over de namen. De naam Urk stond duizend jaar geleden al in een keizerlijke oorkonde. Over de betekenis is veel gefantaseerd. Zo is de naam wel verklaard als „bruinvissenwater", maar voor duizend jaar was het water dat het eiland omgaf, nog zoet; orken en orka's kwamen er niet voor. Het is wel gebleken dat de naam niet op zichzelf staat, maar ook elders in Europa in iets andere vorm en schrijfwijze wordt of werd aangetroffen. Misschien was het een typisch water namen woord, misschien een woord voor hoogte en diepte. Dat zou dan wel kloppen op de keileembult naast het betrekkelijk diepe Val van Urk.

Schokland 1843

 

De naam Schokland is van veel jongere datum. Moeten we denken aan het schokken van de slappe bodem bij zware stormen? Waarschijnlijk zit het anders. Schokken waren (ook op Urk) droge plakken mest die in de graslanden verzameld werden om 's winters als brandstof dienst te doen. Voor bemesting hoefde men ze niet te laten liggen; op de eilandjes liep het grasland 's winters immers toch onder water. Schokken vormden voor de arme eilanders de goedkoopste brandstof.

Uit West-Friesland is het volgende rijmpje bekend:

Hauwert genaamd de Schokkenlanden,
Des winters brengt men stroo op stront
En stront op stroo, om op de kolk te branden.

(een kolk is de askuil onder de open haard)

Dus ook de stal leverde eventueel brandstof op. Met deze naam kwam het eiland niet bepaald in een reuk van heiligheid te staan. Op Urk zegt men niet Schokland, maar Skokkelaand, en dat wijst duidelijker op de plakken mest, die er gevonden werden. Wat de etymologische betekenis van Ens en Emmeloord ook moge zijn, ik eindig met de leuke verklaring die ik eens hoorde: De bevolking van Urk en Emmeloord is stamverwant met die van de Noord- Veluwe.

De eilanders brachten niet alleen in Kampen, maar ook in Elburg hun boter. De h werd in al die plaatsen niet of op de verkeerde plaats uitgesproken. In de samenstelling Elburg is het eerste deel hel, van Emelwerd (het latere Emmeloord) is dat hemel. Hel en hemel dus in twee plaatsen aan het water en min of meer tegenover elkaar gelegen. Dat het op Schokland een hemeltje geweest zou zijn weten we intussen wel beter. Uit boetenlijsten van rond 1600 blijkt wel de ruwheid van zeden.

Ook was er het geloof aan hekserij. Tussen de bewoners van Emmeloord, dat rooms bleef, en Ens, dat hervormd werd, boterde het slecht. Soms moest de overheid eraan te pas komen om de plagerijen te stelpen. Waarschijnlijk was de controverse niet alleen te wijten aan het uiteengaan van de religieuze opvattingen, maar was ze al ouder en zat ze dieper.

Immers, Emmeloord maakte deel uit van de heerlijkheid Urk en Emmeloord, en viel onder Holland, maar Ens behoorde bij Overijssel. Eeuwenlang waren de gewesten verre van eensgezind en meermalen zelfs op voet van oorlog. Dan kon de sloot of dijk die de twee gebiedjes scheidde een demarcatielijn zijn. De langdurige tweehorigheid van het ene eiland deed de verschillen tussen noord en zuid toenemen en had invloed op geloof, klederdracht en taal.

Zo is er een tijd geweest dat Urk en Emmeloord, die samen één heer hadden, dichter bij elkaar stonden dan Emmeloord en Ens die toch zo dicht bij elkaar lagen. We denken aan het begin van de zeventiende eeuw. Urk en Schokland raakten beide eiland af in 1942 toen de Noordoostpolder droog viel. Urks isolement werd pas opgeheven in 1948 toen er een wegverbinding tot stand kwam.

 

Toen was de tijd ook afgesloten dat de Urkers in de winter, als de zee heel of half was dichtgevroren, de Middelbuurt van Schokland gebruikten als steunpunt in de ijsvlet verbinding Urk-Kampen. Vele malen heeft de bemanning van „de ijsloper" daarbij de nacht doorgebracht in het kerkje waar 's zomers rietsnijders en dijkwerkers verblijf hielden, en dat nu als museum is ingericht. Urk en Schokland, in veel verbonden, in veel verdeeld. Van die contacten en contrasten blijkt ook in de volgende artikelen, die alle op de beide eilanden betrekking hebben.

 

krt-1792-nho.jpg

 

1

2

3

4

5

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.