Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

URKER AMBACHTEN EN BEDRIJVEN.

MARIAP VAN URK.

 

1

2

3

4

5

 

 
 

ANNETJEN DE KNIPSTER.

Dit oudje van één en negentig jaar, heeft 50 jaar lang alle Urker kleding van dikke, dure stof voor ons geknipt. Zij schatte, op het oog, de man of vrouw, trok één enkele krijtstreep voor lengte en schoudermaat en knipte daarna, zonder patroon, direct in de stof. Het was altijd pas!

Hoeveel baadjes en ook broeken
Heb je al voor ons geknipt?
Hoeveel fijne laken pakken
Uit de zwarte stof gewipt?

Een en negentigjarig oudje,
Helder en nog vlug van geest,
Vijftig jaren ben je vast wel
Onze knipster steeds geweest.

Met een simpel tekenkrijtje
Trok je slechts een enk'le lijn
Op de borstrok van vrouw Sijtje...
Zou dat nu voldoende zijn?

Laken, pracht tebee en duffel
Pilo, serrie, naar de tijd
Lentekleding, winteruitzet,
Och, die schaar was steeds bereid.

En je zette, onverdroten
Altijd met een vaste hand
Overal je instrument in,
Want, je knipte met verstand.

Wie zal onze knipster worden
Als je straks de ogen sluit?
Leerde jij het vak aan anderen
Of, is dan het knippen uit?

Zes en twintig stukken horen
Aan één wijde Urker broek!
Maar, als jij die ons geknipt had
Ging het naaien, o, als koek.

Ja, je durfde, vlijtig oudje;
Met je Urks' doortastendheid
Spaarde je aan menig vrouwtje,
d' ergste onbeholpenheid.

't Pas getrouwde Urker vrouwtje,
Dat nog géén ervaring had,

Vond in Annetje, als knipster
'n Onbetaalbaar grote schat!

Vijftien schamele centen nam ze,
Of een kwartje voor een pak.

Maar de dank van d'Urkse Natie,
Die ontving ze met gemak.

 

Is het wonder, dat de Knipster
Van de regionale broek,
Dan een ereplaats moet hebben
Vóóraan, in het Urker boek?

 

Annetjen de knipster.

 

De Middeldemaakster („Hef Middelde") DE KARPOEZENMAAKSTER.

Als elke visser nu eens wist
Wat ik  toevallig  weet,
Dan snap ik echt niet, wat hij met
Zijn „karrepoesien" deed.

Die hoofdbedekking, eeuwenoud,
Zó zacht en krullig fijn.

Dacht ooit één teergevoelig man
Waarvan 't gemaakt zou zijn?

De stof voor deze geuzenmuts
Ver uit Australië kwam;
Het is de prille, tere vacht
Van 't ongeboren lam.

Het moederschaap, dat om dit leed
Geen enkele klacht ooit uit,
Staat weerloos en gewillig af
't Fluweel der zachte huid.

Gemillimeterd en gekort
Geschoren voor en na,
Gaat het als Persianer bont,
Naar Zuid-Amerika.

Daar bloeit de handel op zijn best;
Doch  Leipzig is de stad
Waar men voor 't verdere gebruik,

De verffabrieken had.

Zo wordt dit Persianer bont
Dan zwart of donkerbruin,
En 't staat nog lang niet, Urkse man,
Op Uw verweerde kruin.

In 't ouderwetse kamertje
Met borden langs de wand,
Zit, met een „els" gewapend, de
Karpoezenfabrikant.

Zij steekt zo beurt- en beurtelings
De els óf naald in 't „smeer",
Van 't ouderwetse kommetje:
Pas daarna in het leer.

De rechterduim is afgeschermd
Voor 't prikken met de naald,
Die zij gestadig heen en weer
Door 't zwarte lams vel haalt.

Eerst wordt nu aan de binnenkant
Een bodem ingezet;
Dan komen zijden strikjes nog

Van buiten aan de pet.

Doch, hoe het zij of niet en zij
En niemand weet er van,
Want  zij bewaart het vakgeheim
Zo goed als zij maar kan.

De coupe, de snit, de vaardigheid
De vouw, de vorm ervan,
Daarvan weet zij 't geheim alleen
Tezamen met haar man.

Zo siert dan deze „karrepoes"
De Urkse visserman,
Geen sterveling van de vaste wal
Droeg 't ooit met 't Urks élan.

Sterft onze oude fabrikant
Dan is het dragen uit!
Daar zij het mooie vakgeheim
Met 't moeizaam leven sluit.

 

De Karpoezenmaakster.

 

De Urkse karpoes wordt vervaardigd uit de soepele en handelbare vacht van een ongeboren lam. Dat het een wreedheid is, het moederschaap ontijdig te beroven, hoeft nauwelijks gezegd. In Australië schijnt men echter deze methode toe te laten en daar staat een schaap gelijk met een Drentse turf en U weet: in 't veen ziet men er niet op één! Als Persianer bont komt de lamshuid op de wereldmarkt in Zuid-Amerika, wordt opgekocht en in Leipzig geverfd.

Urk betrok vóór de oorlog regelrecht haar kwantum voor zichzelf en voor Volendam, uit deze fabrieken. Ettelijke reizen van onze eminente zakenlieden na de tweede wereldoorlog brachten nog niet het gewenste contact tot stand, zodat de fabricage op Urk nagenoeg stop staat.

Men bewaart het vakgeheim tot het uiterste. Er „gebeurt" iets met het leer van de gracieuze muts en niemand weet, hoe of wat. Vraagt ge 't de visser, hij schudt filosofisch de grijze kop en zegt: „Ja er zit wat achter"! Zet een Urker een namaak karpoes op, dan voelt hij iets ondefinieerbaars, iets onbehaaglijks en zoekt stiekem zijn oude, „die nog echt is" weer op.

Verklaren? Ho maar! „Hij doet et niet" zegt een Urker. Af! En zo zal, gelijk met de fabrikant, de fabricage uitsterven. Als curiosum nog een aardige typering van de wijze, waarop men op Urk dit hoofddeksel draagt. Loopt het zo tegen Kerstmis en denkt men „op tal" te komen voor ouderling of diaken, dan gaan zedig (al vlak na St. Nicolaas) de zwartzijden strikjes naar achteren. Dat is „orthodox"! De jongere generatie en doorsnee Urker echter heeft de muts dwars en de strikjes opzij. Alleen de zwierige jongelui dragen het achterstevoren!

Maar foei! Dat zijn losbollen. Wanneer echter de stemming mislukt en het begeerde ambt niet verkregen wordt? Ja, dan moet zo ongemerkt het mutsje toch weer in de gewone stand komen. Iedere Zondag een zetje! En volgend jaar Kerstmis? O, wie dan leeft, die dan schuift! Maar nu de naam! Karpoes stamt waarschijnlijk af van het Franse cara-po, dat is: hoed van de man. En de opmerkelijke vergelijking met de Turkse fez? En de soortgelijke muts in Indië onder de naam „toppie"?

 

DE HULLEPLOOISTER.

„Och, Kloasien ei je men ulletje kloar?
„Ik moet et een Zuundag op
„Nou is et al Pienster Zoaterdag
„In  ik brocht al een neie kop!

„Doar eeuw ik et kintjen al an ezet!
„Het zit al in de wiend
„Kiek effen, of et droog'is, moat,
„Dan ei je een „steëkien" verdiend!

„Hoe 'n fijne gevlamde strook er an!
„Kwam die nou eut Zwitserlaand ?
„Ja, keënd, in iel eut België
„Die mooie, gele kaant!

„Wij zullen um eerst nog strikken, Kee,
„Dat mag jie nou eressies zien
„Dan, aans, verzichtig dreien an
„Je bessies plooimesien!

„Wacht, éérst een stukkien kraant-papier
„Want, is de bout te iet
„Dan is joen hulletje verbraand
„Woar ik vast omme kriet!

„'t Is goed! Drei nou verzichtig roend:
„Hiel langzaam-langzaam an
„Dan stat et as een „appeltjen",
„As je et dragen, man!"

 

De Hulleplooister.

 

Wij vrouwen, zien niet meer het mooie, het bijzondere van de hulle. Treedt echter een vreemdelinge op een zonnige Zondagmorgen één onzer kerken binnen, wat treft haar dan het meest, de dame van de vaste wal ? Is het de helder witte lichtplek rond het contrasterende zwart van het geplooide dasje, achter aan de muts? De glinstering van het zilveren ijzer? Het fraaie kantpatroon? Of is het de stemmige rouwmuts? Het „strookje"?

Mogelijk is het dat gehéél, de sféér die er uitgaat van onze unieke kleding, die deze bijzondere wijding geeft aan de kerkdienst. Reeds op zéér oude platen vindt ge de hullemuts van Urk en Schokland, bijkans ongewijzigd. Alleen, zij stond iets wijder uit, omdat ze wel gesteven, doch niet machinaal geplooid was. Met de hand en een speciaal mesje werden enige vouwtjes ingerimpeld, anders viel de muts niet rond. De gratie, waarmee ze gedragen werd, was dezelfde van nu. Een ware revolutie ontketende de plooimachine, die in de boerenstreken van Noord- Holland gebruikt werd.

Een pienter Urks dienstmeisje zag deze behandeling, waardoor de hulle zéér strak en sierlijk om het hoofd sloot, en onderwierp ook haar hulletje aan het „permanent" van een plooimachine. Van toen af was de victorie van het machinale hulletje verzekerd. Onze goede, vrome oudjes, die hierin wereldgelijkvormigheid zagen, hebben tot hun dood toe de handgeplooide mutsen behouden. Marretje van Klaas Pieter en Hendrikje Hagedoorn- Weerstand waren de laatsten, die voor 2 cent per stuk Uw hoofdtooi verzorgden. Aalt van Bauken Willem heeft de primeur van Urk's eerste en oudste „machinale" hulleplooister te zijn.

Later kwamen achtereenvolgens Pietertje van Jannes, oude Jelt-Antje-Klaasje van Willem van Aalt-Jannetje Korf, Aale van Hein, Klaasje van Hendrikje, Marrie van den Berg en Anna Kramer. En ik hoop van harte, dat ik niemand vergeten heb. Het „beroep" is daarvoor te mooi en te ingewikkeld. Vaak tot in de nacht zijn deze flinke vrouwen bezig, aan alle aanvragen van stijven, plooien en naaien te voldoen. De allerdrukste week voor allen is de week vóór Pinkster.

Bijna hadden wij geschreven: zonder nieuwe hulle geen echte Pinkster. Dat is een beetje erg, vindt U niet? De fabriek van hulledoek bevindt zich in het Zwitserse plaatsje St. Gallen. De kant wordt in België (Brussel) als huiswerk gefabriceerd. Iedere kantwerkster heeft een eigen patroon. Onze plaatsgenote, Marijtje Ras, heeft het bestaan dit handwerk te leren en het is haar zelfs gelukt, een eigen patroon te ontwerpen. Bravo, Marijtje!

 

HET MIDDELDE.

O, „middelde" stijf
En strak om 't lijf
Mij knellend' d' ingewanden;
Was 'k niet op Urk.

Ik liep als Turk
Zo vrij van alle banden.
Traditie trouw
Als Urkse vrouw

Ben ik verplicht te dragen
Wat 't voorgeslacht
Ons heeft bedacht:
Dit  zonder ons te vragen!

Maar lint en keur
En lijn en kleur
Zij schenken „coupe" en charme!
Dit kleurgeheel,

Blauw, rood en geel,
Vertedert mij, och arme.
Zo draag ik dan
Met veel élan

Dit kleurige corsetje
Geduldig door
Der eeuwen spoor:

Precies, als muutjen*
 Betje. * „muutjen" = tante

 

De Middelde maakster.

 

Wij spreken van de borstrok, van de hulle, de boezel, de rok, en ook weer van het skört en het middelde. Waarom nu een kledingstuk, dat zich nimmer afzijdig hield van onze dracht, noch éénzijdig werd gefabriceerd, in de spreektaal onzijdig wordt, tja, dat is weer zo'n letterkundig raadsel, dat wij gelukkig niet hoeven op te lossen. Het „middelde" (U zoudt het een korset noemen), bezit, behalve het rugstuk, twéé zijden, waaraan uitlopende tippen zijn bevestigd,die hetzelfde beogen als het corset, namelijk het inhouden van de buik.

Het binnenwerk is gemaakt van wit, stevig linnen. Hierin wordt met de naaimachine op en neer gestikt, zodat langwerpige zakjes ontstaan, en ieder zakje wordt gevuld met een originele walvisbalein. Walversbien" heet dat op Urk. De lange taaie baleinen worden op maat gesneden en bijgepunt en rondom in het middelde genaaid, waardoor het de vorm krijgt van een middeleeuws harnas, zó stijf! Voor de buitenbekleding gebruikt de middelde naaister blauw damast, dat uit Frankrijk komt.

En bij gebrek aan walvisbaleinen doet „Spaans riet" (een soort buigzaam bamboe) óók wel dienst. Rond de armsgaten afgezet met geel lint, maakt het met het blauw van het damast en het rode rijglint aan de voorkant, een kleurig effect. Afgewerkt met zeemleer aan de onderkant, en van voren met ringetjes toe geregen, lijkt het middelde ietwat op een Tyroler vest, wanneer niet de opgerolde worst aan de achterkant dit aspect weer teniet deed gaan. Deze worst dient, om de zeven Urkse rokken op de heupen te houden, en heeft overeenkomst met de dracht van Staphorst.

Ook daar dragen de vrouwen hun „rokworsten", doch ze zitten iets hoger dan de onze, hetgeen de Staphorster vrouwen hun typische gang geeft. Ons wordt door vreemdelingen dikwijls het compliment gemaakt, dat wij rechtop gaan en dat onze schouders flink vierkant zijn. Aldus danken wij aan dit stevig kledingstuk onze kloeke „loop"! Hulde aan de ontwerpsters, die deze dracht zo uitgebalanceerd hebben.

Wist U, dat het op een mislukking uitloopt, wanneer onbevoegden proberen, dit korset te maken? Doch waarom en waartoe zouden wij ons vermeten dit te doen? Zolang Urk nog zijn gerenommeerde, volmaakt handige „middelde maakster" bezit, is er geen nood. En dan te weten, dat het mijn naaste buurvrouw is! Aole van Sijt van Steven van Lange Jan!

 

HET SKÖRT.

Het zwarte skórt, bij kerkegang gedragen,
Hangt, geplisseerd, in zware banen neer:
Wij dragen 't nóg, als 't voorgeslacht weleer,
En in der eeuwen snit is geen versagen.

Wat ons beschutt' en schraagd' in vroege tijden,
Dat was de zuivere zede in onze dracht:
Onopgesmukt, natuurlijk, onverkracht!
Hoe net en sierlijk kon zij ons omglijden.

Wij waren als het zeilschip op de baren,
In altijd éénd're, wiegelende gang,
En nooit op drift, en nimmer levensbang,
Zo kwamen wij dit tijdperk binnenvaren.

Ja, nog ziet ons het oog der vreemdelingen
Als buiten alle wil en tijdsbestek,
Zeer filosofisch tegen paal of hek:
De ziel verknocht aan bovenaardse dingen.

Zo draagt de vrouw haar zware rokkenvrachten
De Sabbat in, als Zondagse kledij:
Zij ruilt ze niet voor werelds makelij,

Doch wil haar plicht, naar God en eer, betrachten.

Wanneer de landelijke dialectencommissie het opschrift boven dit stukje tegenkomt, zegt zij ongetwijfeld: skórt, met de ö van bok. En de leden van deze commissie zullen U dan dadelijk die ó-klank (die geen o-klank is), met een spits toelopend mondje vertolken. Maar schrijven, ja, dat is in het Urks bijna onmogelijk. Het Urker skört dan, is een prachtig geplisseerde rok, geheel met de hand vervaardigd.

De plooien werden, ieder afzonderlijk, van boven naar onder dóórgeregen, zodat ze vast kwamen te zitten. De rokken plooister rolde daarna de rok op een speciale manier tot een rol, zodat het kledingstuk kon staan. Met een zwart lint omwoeld bleef het „in de rol", wanneer het niet werd gedragen. Maar, hoe die stijve plooien er in te houden? De rok was gemaakt van dikke stof, duffel of serrie.

De Urker vrouw bracht de rok naar de bakker, op het tijdstip, dat het warme roggebrood uit de oven kwam. Onder de gloeiend hete platen werd de rok uitgespreid, overdekt met witte doeken of wit papier, en daarna 24 uur onder deze „natuurpers" gehouden.

En dan bleven de plooien er in geplisseerd, een eeuw lang! Betast eens de dikte van de stof en bewonder daarna het geduld, om deze ruige materie te verplooien tot een hoogwaardig kerkelijk kledingstuk. Immers, bij belijdenis en huwelijk, doopgang en avondmaalviering werd het skört gedragen. En of het netjes stond!

 

DE BREISTER.

Insteken, omslaan, zó gaat het goed.
Insteken omslaan, krek zo het moet.
Insteken, omslaan, met lof lijk geduld,
Tot onze taak op de school was vervuld.

Mofjes en kapjes van Urker allooi,
Mutsjes en slabjes (wat stonden ze mooi).
Kousen, gewerkte, met visgraat en slang,
Droegen de mannen! Zij droegen ze lang!

Sieraad der Urkers! Verdwenen ? Nog niet!
Schoon men ze zelden zó netjes meer ziet.
Stonden de handen der kind'ren verkeerd,
Trientj es geduld het tenslotte wel léért!

Was onze steek averecht of te vast,
„Brabbelden" wij, dan was Leiden in last!
Kan niet is dood, kind, maar wil niet, die leeft!
Zó! zei de juffrouw, vriend'lijk beleefd.

Aanstonds de draad om je vinger gedaan,
En dan begon ze, van voren af aan!
Insteken, omslaan, tot dat je 't wist,
En in het breien je niet meer vergist.

Trientje van Veen, Uw geduld voor de zaak,
Heeft ons tot nijvere breisters gemaakt.
Schijnbaar eenvoudig door 't leven gegaan,

Hebt gij iets groots, voor ons allen, gedaan!

 

Toelichting: Er zijn meer Urker vrouwen geweest, die de veelvuldig op Urk voorkomende haak- en breipatronen aan de vrouwelijke jeugd hebben dóórgegeven. Met ere noem ik Aole van Pieter van Seemen, juffrouw Van Doren, juffrouw Jans en juffrouw Regula, zoals wij ze bij vóór- of bijnaam noemden. Gemoedelijke oude tijd!

 

Maar Trientje van Veen, was en bleef voor ons de belichaming van deze speciaal Urker breikunst. Zij droeg, in tegenstelling met andere (oudere) Urker vrouwen, die alle een donker schort hadden, een licht gesteven boezelaar, die wij de „breiboezel" noemden. En ik geloof niet, dat haar vaardige vingers gewóón stonden.

 

Behalve haar breiboezel had zij zeer zeker óók breihanden. Was ik een Engelse, ik zou U vertellen dat zij „feeling" had voor haak- en breinaalden. Door de tactvolle wijze, waarop zij onze stugge vingers wist te buigen, met eindeloos geduld, heeft zij de slabbetjes en mutsjes, die wij onder haar leiding fabriceerden, tot een „getuigenis" gemaakt!

 

DE WIMPEL.

De wimpel spreekt haar eigen taal
En tartelt in de lucht
Of vindt, al wapp'rend, zoet onthaal
In huppelende vlucht.

Zij snift en snaft naar 't schuimend sop,
Ja, wijst de winden aan
Die hèr en derwaarts, rond de top
En langs haar franje slaan.

En wordt het schippersmeisje Bruid:
De wimpel vlagt om trouw;
Zij meet zich 't vrolijk kleurt jen aan
Van rood en wit en blauw.

Gematigd tot een soberheid
Van donkerblauw en wit
Wordt het het teken van de rouw
Dat in de masttop zit.

Zo vrijt en kleurt er 't scheepje mee
Met Bruidegom en Bruid!
Maar, komt de treurboom in de mast
Dan is de vreugde uit!

De wimpel spreekt haar eigen taal
In blijdschap en in smart
En daarom ligt zij 't varensvolk
Zo na, zo na aan 't hart.

 

Tot de uitstervende beroepen behoort zeker dat van vleugelnaaister. Aan de mast van het zeilschip bevond zich de wimpel of vleugel, een reep van circa drie m. Deze vleugel werd genaaid, de franje aangestikt, om daarna met rijgsteken in het scheerhout te worden geklemd.

 

De kleur van het scheerhout was onveranderd lichtgeel. Boven op de masttop kwam het „klootje" te staan, een klein ornamentje; een soort piekje of spitsje. Het vallend of wapperend gedeelte kwam buiten het scheerhout te hangen. Een schip zonder wimpel was altijd een triest gezicht, zoiets als een bedstee zonder gordijnen. Bij ongeveer iedere werfbeurt ontving het zeilschip een nieuwe wimpel, daar het soepele dundoek veel windvang had, zo boven aan de mast.

 

De lenigste jongeman werd dan aan een takel opgehesen, en ontving na deze bravourevertoning een glaasje brandewijn. Jongelui beschouwden het onder elkaar als een grote eer, wanneer zij werden uitgekozen, de oude vleugel te vervangen door een nieuwe. Met het uitsterven der zeilschepen is ook de lange mast verdwenen. De z.g. kotters hebben, behalve motoren, ook korte, wimpelloze masten gekregen.

 

En zo gaat veel in de drift van de tijd verloren, dat romantisch en aantrekkelijk was. Zo werd in tijden van rouw een treurboom aangebracht, in 't midden van de vleugel opgestikt. Ook daarvoor zorgde de vleugelnaaister. Wanneer een visser op zee het leven liet, zeilde de vloot in zijn geheel huiswaarts, met de vlag halfstok. Een daad van waarachtige gemeenschapszin. Vond men het lijk van de verongelukte visser, dan bracht men dat thuis, waarvoor geen enkele beloning ooit werd aanvaard.

 

En pas na de teraardebestelling van de omgekomene, voer de vloot weer uit. Natuurlijk gebeurde het wel, dat het lijk in een vreemde plaats aanspoelde, en daar ter aarde werd besteld, eer de familie op de hoogte was gebracht. Dit was echter hoge uitzondering.

 

JANTJE DE KNIPPER.

Eenvoudig en schamel ten grave gedragen,
Eenvoudig en vroom steeds geleefd hier op aard;
Geen grote, geen wijze, maar teder van ziele
Zo zijt gij, Jan Visscher, vermelding wel waard.

In al zijn primitiviteit
Was hij een kunstenaar;
Al was zijn materiaal slechts
Een grote, oude schaar.

Wanneer hij deze zette
In zwart of rood papier,
Dan toverde hij letters
In alle vormen schier.

Hij knipte kerk en mensen,
Een boot met zeil en stag.
Hij knipte vrome wensen
Op Uwe huw'lijksdag.

Hij knipte kerkhof-toren
En vuur en havenmond;
Wat gij hadt opgedragen,
Hij knipte 't U terstond.

't Parool: „Zeg het met bloemen"
Begreep de oude niet.
Hij zei het U al knippend
Bij blijdschap of verdriet.

Nog iets van d' oude siergang
Er in zijn werken was,
De kunst van oude volken
Van 't primitieve ras.

Helaas, met deze oude,
Ging ook de knipkunst heen,
Daar niemand hem kan volgen
Hij deed dit slechts alleen.

Zo gij dus mocht bezitten
Door toeval of door geld
Iets van de oude knipper
O, blijf er op gesteld.

Verkoop het aan geen ander
Maar, om de Urker eer
Hangt gij het in Uw kamer
Of in Uw gangen neer!!

De oude is verheven
Ver boven aardse kunst
En looft nu in de Hemel
Zijn Schepper voor die gunst.

 

Oude, tere ziel! Ouwe Jantje! Vast en zeker geloof ik, dat je je half sleten klompjes in het voorportaal van de kerk hebt laten staan, toen je het interieur moest uitknippen.

 

Je hebt dat gedaan op kousenvoeten, zo als je het leven doorging op kousenvoeten. En die grote, oude schaar werd in jouw devote handen een toverstaf! In eenvoud knipte je het Paradijs met Adam, Eva, de appelboom, plus de slang.

 

Maar je kinderlijk geloof wist zich geborgen in Jezus Christus, die het Hemels Paradijs, óók voor Jantje, de kleine, ouwe Jantje de Knipper, had opengezet, wijd, wijd open, al zou hij ook uit bescheidenheid zijn klompjes om het hoekje zetten, hij was een Koningskind, en een begenadigd Kunstenaar.

 

Wanneer ik U vertel, dat Jantje de Knipper lezen noch schrijven kon, zodat zijn oude Urker vrouw hem iedere door hem te maken verjaarswens moest voortekenen, zal dit feit Uw bewondering nog verhogen.

 

DE ZEILMAKER.

De ramen zijn zo licht en hoog
En zien ter havenkant,
Op ieder schip, dat zich bewoog
En zeilde, naar de trant.

Hoe vrolijk fluit de wind de maat
Langs ra en grote mast.
Wat stem geroes en veel gepraat
Vermengt zich met die last.

De zeeman zit op d' houten bank
Als op zijn eigen dek;
Hier leeft hij zich volkomen uit:
Hoe blaast hij van de bek!

Geen rang, geen stand, geen heer of knecht
Komt hier te koop of kijk:
De zee, die alleman berecht,
Maakt alleman gelijk.

De zeilenmaker, ongestoord
Voegt linnen repen saam:
Hij heeft elk nieuwtje 't eerst gehoord,
Maar vraagt naar man noch naam!

Want strakjes komt weer and're praat:
En zwijgen is het best!
Het zeil moet aan de grote mast!
En kolder is de rest!

 

De Zeilmaker.

 

Wij kunnen in iedere vissersplaats wel één of andere zeilenmakerij vinden. Ja, juist, een of andere zeilenmakerij! Maar dan is het niet de zeilenmakerij, die ik bedoel! Op Urk noemen ze 't „de winkel"!

En deze winkel heeft een reputatie op te houden van maar eventjes honderd en twee jaar! Of weet ge niet, dat in „de winkel" Urks historie is gegroeid? Hier kwamen de zonen des volks bijeen, en zaten op de gladde houten banken; glad door het schuren van hun pilo broeken. Hier waren ze onder huns gelijken.

En daarom ontplooiden de schuchtere hier gaven van hoofd en hart, welke onontdekt gebleven zouden zijn, indien niet „de winkel" tot activiteit had genood. Hier sleep en polijstte men eikaars gevoelens. Zelfs Oud-gereformeerden en Hervormden hebben hier elkander gevonden en gesticht. Voornamelijk wanneer ziekte of ramp het eiland hadden getroffen, kwam men hier broederlijk bijeen, om te overleggen de dingen van de dag.

En nu zal het niemand verwonderen, dat onze zeilenmakerij de bakermat werd van: Ziekenfonds, Kiesvereniging en, niet te vergeten Ambtsdragers! Hoe werden zij hier „gekeurd" en „gelouterd" aleer het briefje in de Kerk werd ingevuld. Hier was Urk vertegenwoordigd zoals het „reilde" en „zeilde" een volle eeuw lang! En daarom, consideratie voor „de winkel"!

 

DE SPOELTJESSNIJDER.

Met een boterspaan
Is het raar gegaan!
Die gedrongen zat
In het buikig vat

Werd er uit gepeurd
En van een gescheurd.
Onze spoeltjes„kraan"
Nam die boterspaan

En hij sneed en spleet-
Wijl het mes vergleed
In z'n vakmans hand
Aan die boterspant.

Met een lange draad
Men omwinden gaat
Heel dit spoelgerei
('t Is een draad van zij)

Onze visser „knoopt"
Met de spoel, die „loopt"
En een scherpe „zicht"
Weer z'n netje dicht.

Op mijn woord van eer
Dat hij telkens weer
Met het grootst geduld

Deze taak vervult

En hij lapt er aan
Tot hij, zeer voldaan
Weer het „boze" net
Heeft in zee gezet.

 

De Spoeltjessnijder.

 

Is spoeltjes snijden een beroep? Ik zou het U niet durven zeggen, doch de vraag beantwoorden met een wedervraag; n.1. deze: is breien een beroep? En spinnen? En toch is het spoeltjes snijden wel 20 verbonden met onze visserij als het kousen breien en spinnen met de schaapherders.

Het zal ook wel zo gegroeid zijn! Immers, de schaapherder heeft met de wol ook niet dadelijk een kous gebreid. En nu onze vissers. De eerste primitieve netten werden waarschijnlijk met de hand gebreid of geknoopt. Tot een méér ontwikkelde op het idee kwam van de spoel, om de gaten te herstellen. Let U eens op het geduld waarmede onze spoelenman z'n scherp gepunt mesje langs en over het weerbarstig hout haalt?

Beziet U eens goed die vissersspoel  en bedenk daarbij, dat het hout afkomstig is van een botertonnetje. Het was door het ingedrongen vet het beste hout, dat voor dit speciale doel te krijgen was. Later, toen de boter in pakjes werd verkocht, moest men omzien naar ander materiaal. Het buigzame iepenhout heeft toen de boterspaan vervangen. Nu komt het er op aan, de punt in het spoelhout scherp en stevig te maken, zonder dat deze breekt.

Dit handwerk wordt nog steeds door onze oude Andries Bakker beoefend. En nu niet domweg vragen naar „een zekere Bakker"! Want dan brengt men U in een bakkerij! U vraagt bij eventueel bezoek aan Urk naar: Andries van Inderekien van Hagen Klaosien! Dat is de echte naam! Loopt Uw horloge vóór of achter, Andries maakt het! Met hetzelfde geduld en gemak, als waarmede hij U de kist met eigen gefabriceerde spoelen toont, waarop, eilaas, elk „patent" ontbreekt!

 

PRINSEN.

Het houten schip, met bruin geteerde wanden
In schuitsmodel, van stoere binnenbouw,
Vervaardigd door wel zéér geduld'ge handen
Hing jarenlang in 't ruime kerkgebouw.

Symbolisch zien het oude vissersogen
Met mast en blok, als had het dadendrang:
Vanuit de hemel schijnbaar voortbewogen,
Gedragen op het rhythme van gezang.

Helaas, het zeil vertoonde vale vlekken,
Het nummer (vier en dertig) kwam niet uit;
De ijzerroest sprak door de spijkerplekken:
„Vergank'lijkheid!" Het werd een oude schuit!

Daar is opnieuw een kunstenaar gekomen,
En heeft het zéér vakkundig opgeknapt:
Toen hij het onder handen had genomen,
Was roer en boeg weer keurig opgelapt.

Symmetrisch hangt èn blok èn takelage;
De kluiffok en de kleinere bezaan,
Zij rekken uit tot aan de blauwe wimpel
In mastentop  vervaarlijk bovenaan!

„Geprinst" in groen en rood; en harde kleuren
Het roer, als luist'rend naar de felle wind,
Zo hangt het nieuwe schip  en zijn contouren

Zijn speels, gelijk de lokken van een kind.

De dominee, héél hóóg, vóóraan, de „visser van de mensen",
Die spreekt van 's vijands altijd boze net
Hij bidt de Loods van eigen wil en wensen
Dat Hij ons roer vast op de hemel zet!

O, vissersschuit, beeld van bedrijf en leven,
En zeilers, wij! op golven van gena:
„Mocht ik het roer in Uwe handen geven,
„Wanneer ik voor de Grote Branding sta.

In iedere kerk op Urk hangt een model van een schip.
Deze symboliseert de levensreis van de mens.

Zoals een schipper op zijn schip schreef:

De mens is als een schip
De wereld is de zee
De Bijbel het kompas
De Hemel is de ree (rede)

 

Tja, dat „prinsen" van een botter was niet bepaald een beroep, doch uiteraard wel vakwerk. De oude firma Koffeman had lange tijd de primeur van dit kunstzinnig schilderwerk. Toen alle schepen in de Urkse haven nog waren voorzien van een scheepsroer met helmstok, bevond zich in de ronding bij en rondom dat roer een uitgespaarde ruimte, die wij kortweg het „ussien" noemden.

Zo 's Zaterdags mochten wij helpen, om enige manden turf door een gat in de bovenkant, in het „ussien" te laten zakken. Door dat gat kon één turf tegelijk, zodat wij, al tellend, het „ussien" volmaakten. En aan de voorkant daarvan was dan het „prinswerk" aangebracht.

Het waren in elkaar overgaande cirkels, geverfd in de z.g. prinsenkleuren, te weten: rood, wit, blauw en soms oranje. Nergens in de Urkse haven is zulk een schip nu nog te vinden. Bij het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen vonden wij een Zeeuwse hoogaars, die onder het roer nog wel de kleuren had, doch in de vorm van in elkaar overgaande driehoeken.

 

DE TURFVAARDER.

Wanneer wij onze haarden nu gaan stoken
(Het najaar ving met kille regen aan,)
Dan wordt het kolenkwantum aangesproken
En onbewust, een schepje opgedaan.

Wij stoken kool! Maar 40 jaar geleden?
Het was al turf, al wat de klok maar sloeg;
Dan kwam Van Veen op gele schippersklompen
En 't zwarte zijden petje, dat hij droeg.

„Zeg Dirkje, 'k heb nog nèt een duzend „blauwen'
„De „baggelaars" bint puik, maar zijn al op!
„Nèèm deze, Dirkien, zuver geel van asse
„En branden? Branden, minse, as stro en hop!

„In a'j nou die leste duzend hebben,
„Dan zeil ik morgen aan de dag weer uit.
„Zal ik z' oe op de zolder laten brengen?
„Ik vaar dan graag met d' oude, lege schuit".

Van Dirkje ging de turfboer dan naar Vrouwtje.
„Zo mins? Is alles „richtig" in 't gezin?
„Wel, Vrouwtje, ie krieg ook al grote kienders
„Wa'k zeggen wou, 'k eb duzend turven in!

„As ie die ebben wil, 't bin bovenst' besten
„In branden, mins, as pik en zwevel, eur!
„Wanneer ie die in 't karkestoofien ebben,
„Dan aal ie eel de kerkreis er mee deur."

En Vrouwtje nam de allerlaatste duizend
Vriend Veen trok dan naar oude Nanne Griet;
„Zó Griet, dat is een eele tijd eleden
„Ie bint gezond nog?" „Ja  zoals je ziet".

„Zeg, Griet, ik adde nog een duzend turven
„Et bin de lesten, onder uut het schip
„Zal ik oe morgen duzend op de dèèl doen?
„De paardeboer die rijdt ze in een wip!

„Ze bint zo ard as olde Friese koppen
„Die liggen lang hoor in de „plattebuis!"
„Welja, zei Nanne Griet, 't is morgen Vrijdag,
„Dan schrob ik wel metèèn het achterhuis."

Kwam dan het oude paard stapvoets gereden,
Dan haalden wij vast mandjes uit de buurt
Wij klommen op de wank'le, houten sporten
En werden voor één dubbeltje gehuurd!

Eén op de ladder  ééntje op de zolder
Om turf te staap'len onder 't schuine dak.
En één in 't venster om ze aan te nemen
Van buurvrouw, die ze van de wagen pakt.

Was dan de hele voorraad opgeladen
Dan bleef op zolder slechts het middenpad;

De rest was turf! Tot in de verste hoeken,
Die men, wiskundig, volgeschoven had.

Daarna  de rit op onze lege wagen
Al hobbelend' en met slakkevaart
Tot aan het turf schip; dat nog in de haven
Zijn laatste duizend voor vrouw Trien bewaart.

En nog was alle vreugd' niet aan het einde......
Wij dronken koffie, tot der turven èèr,
Bij Nanne Griet in 't knusse achterhuisje,
Met, op ons schoteltje een „pompeleer"! *) 
Een pompeleer was een koekje met een gaatje er in.

 

De Turfvaarder.

 

Turven zijn niet alleen een veen substantie, nee, turven is ook een werkwoord. Wie herinnert zich niet de oude roemruchte schippers met de bakkebaardjes, die behalve hun turf, dikwijls ook een „goed woordje" kwijt konden aan de brave Urker burgers. Hun ter ere en ter gedachtenis zij gemeld dat hun waar overeenkomstig was met hun goede woorden!

En nu het werkwoord. Wie turven wil, die turven kan, hij turve met St. Jan! Dat was een oud Urks gezegde. Turven was een buurtfeest! Van alle kanten hielpen de buurkinderen elkaar om de turf door het houten dakvenster naar binnen te werken. Op wagens met hoge houten wielen werd ze rondgereden, waarmee ieder najaar de „paardenboer" zijn wintersalaris verdiende. Het gaf een gezellige bedrijvigheid en het „turven" had zo zijn eigen, bijzondere bekoring.

 

DE MUILENMAKER.

„Och, schoenmaker, schoenmaker, loat an et wark?
„Maar kloppen, maar kloppen, die hamer?
„In moet ik een Zuundag dan zó nar de kark?
„Op klompen? Dan zou ik me skamen!

„Maak jie toch, maak jie toch die meulen van mij
„Die ik al mit Pienster bestelde;
„Jie zienen ut zelf, op een oor noa, gevild
„Was 't niet woar, wat je mij doar vertelde?

„Nou komt aans m'n vrijer, hij komt mit de skeut,
„In  ik wou zó graag nor de aven
„Want, as ik mij opknap, dan stat et toch niet,
„Om dan houten klompen te dragen?

„Een spikkertjen hier in een ringetjen doar,
„De hakken van hout, dat 's te lappen!
„Van vuren zo glad as een „êkkeltjen" oor!
„Wat zal ik dan lopen te stappen!

„Het „ulletjen" roend en de „multjes" paree,
„Een „kraplappe" mit een mooi „hartjen"
„Dan zeggen ze: pront is m'n dochter, ja, ja,
„Kiek doar es, parmantig, dat zwartjen!"

 

De Muilenmaker.

 

En ware het niet, lezers, en ware het niet, dat mijn bloedeigen „toate" (Vader) voor meulemaker had geleerd, ik zou nooit tot het schrijven van dit stukje zijn gekomen. Niet, dat hij het geworden is, nee, dat nu niet! Van schoenmaker tot schilder is op Urk een hanetree, en mijn vader is bekend gebleven als: Ide de schilder! Dat neemt niet weg, dat hij de eerste schreden zette op het pad des meulemakers! Hij was 13 jaar oud en dus bevoegd, een ambacht te leren.

En zo kwam hij in de werkplaats, waar alles naar leer1 rook, wat de ouderwetse klok sloeg. Mijn vader is begonnen, de snippers op te ruimen en spijkertjes uit te zoeken; de snippers gingen onder de aardappelpot en de spijkertjes in diverse doosjes. Was hij nu maar niet zo eigenwijs geweest, het „kwispedoor" te legen, van des meulemakers tafel, voorzeker, ik had U het geheim van de Urker „meulen" volledig kunnen verklappen.

Eilaas, eilaas de oude kon met het lege kwispedoor niet werken! En of het nu de tabakssappen waren, of een of ander beroepsgeheim, maar iets moet het toch geweest zijn, dat de els door het leer dreef, en de ringetjes door de meul. Machines waren onbekend. Wat onze vakmensen niet belette, hun Urkse schoenen, versierd met grote zilveren gespen, prompt pas te maken, met de hand.

Nu waren de mannen gemakkelijker te helpen dan de vrouwen. „Vrouwluien binnen zaandspieringen", dat wil zeggen, ze laten zich elke wind aanwaaien. Laten wij beginnen met het jonge meisje van veertien jaar. Vóórdien droeg zij klompen, waarop in gouden letters haar naam stond geschilderd, b.v. A. K., als zij Annetje Kramer heette. Maar nu zal zij dan echte muilen gaan dragen.

Dus, muilen met initialen, in de rechter een A en in de linker een K. En daaromheen een krans van kleine ringetjes. O ja, gemakkelijk? Kun je net denken! De A en de K, de oude meulemaker krabt zich achter 't oor! Moet dat nou een „Indriks A" * of een „Alberts A" wezen? Het meisje zelf brengt uitkomst, want zij merkt neuswijs op: maar ik iet toch Annetjen? Dus wordt het een meul met een Annetjes A!

En wat te zeggen van de wispelturige weduwe, die om de veertien dagen haar ringetjes wil laten aanbrengen of verwijderen? Een weduwe draagt bij haar „staat" als weduwe, ook muilen dienovereenkomstig, zónder ringetjes! En nu komt daar een kostelijke man en vraagt haar ten huwelijk! Zij stemt toe en wil weer als gewone vrouw, gewoon schoeisel gaan dragen, dus, ook weer ringetjesmuilen met haar naam er in. Prompt voldoet de vakman aan dit verzoek.

Na veertien dagen staat ze weer in de werkplaats en vraagt schuchter, of hij de „ringetjes" er uit wil halen! Weduwemuilen! De „kostelijke" man bleek niet zo kostelijk te zijn! De schoenmaker, een vrijgezel, ziet over z'n brillenglazen naar het nog jeugdig weeuwtje en zegt: „Ik maak een paar nieuwe voor je, voor niks" En ze trouwde na zes weken met de meulemaker, en ze leefden nog lang en gelukkig!

 

DE OMROEPER.

Met z'n koperen bel
Die verbeten en fel
Ringeltangt op de hoeken der straten
Komt de dorpsroeper rond:

Zijn geoefende mond
Moet maar praten en praten en praten.
Zijn er pooien* te koop?
(* Pooien = ponen)
Want het volk loopt te hoop

En zij scharen zich rondom de bode,
Die den volke verkondt
Dat de dokter z'n hond
Moet teruggebracht, zij het dan node.

Dat de koe wordt verkocht
Of een meisje gezocht
Laat de omroeper duidelijk weten:
Ook, dat Jaawkien van Elt

Porselein heeft besteld,
Witte borden, om lekker te eten.
Ja, wie heeft er misschien
Onze Doom'nee gezien?

Daar hij daad'iijk bij Dokter moet komen!
Wie het hoort, burgers hoort,
Hij verbreide het voort,
Tot het Urk in 't kwadraat heeft vernomen.

Dat een schip, en passant
In het ijs is beland
Ja, dat moeten de burgers vernemen:
Dus, met takel en touw

Trekken mannen en vrouw
Naar het havenhoofd; niet te lang temen!
Enó tweó, oal an!
Hellep vrouw, hellep man!

Om dat schip in de haven te trekken;
En zo gaat hij maar door
Tot hij thuis, op dood spoor,
Straks z'n pijnlijke benen mag strekken.

 

De omroeper.

 

De oudste en bekendste uit het omroepers gilde was blinde Jelle, geleid door een zwarte „kardoeshond". Dan volgde blinde Jochem, aan de leidende hand van zoon of dochter. De derde liep achter zijn eigen stem aan; hij was niet zo luid. Onze dorpse slager had hem één keer niet goed verstaan en klaagde zijn nood aan de Burgemeester.

De volgende dag stond onze omroeper met bel en al in de slagerij, belde luid en nadrukkelijk en galmde daarna (zo, „dat je 't in Opperdoes kon horen") dat er: „hedenmorgen" om tien uur, „knietjes" en „platte ribbetjes" verkrijgbaar waren, bij des dorpsslagers felste concurrent, die geen slager van beroep was, doch „los" verkocht! Denkt U zich dat even in!

En geef mij nu gezellig een arm, dan kuieren wij achter onze vierde boodschapper het dorp door. Deze liep niet zijn stem achterna, doch liet zich verleiden, zijn „haat" te volgen. Hoe dat mogelijk was? Zodra een zeventienjarige slungel de koperen bel hoort klingelen, slentert hij, onopvallend, de omroeper tegemoet.

En bij de eerste kaakbeweging, die nodig is, om de „dorpsmond" te openen voor een „roep", buitelt hij vlak voor 's mans bereidwillige voeten, met het hoofd omlaag en lopende op de handen, terwijl de slungelachtige benen recht omhoog gaan, als twee richtingaanwijzers. Natuurlijk was dat hinderlijk! Zo „liep" hij vóór de tot razernij gebrachte belleman uit.

En was de laatste schorre klank uit de keel het dorp ingestuurd, dan veerde de acrobaat op en liep gewoon mee om bij het volgende roep-haltetje hetzelfde spelletje te herhalen, tot „leringhe ende vermaeck" van onze Urkse schooljeugd! Is het dan niet alleszins begrijpelijk, dat één onzer grootste dichteressen het aldus formuleerde: Ik ben met mijn haat door het leven gegaan? Tot Uw en mijn troost kan ik U vertellen, dat onze slungel eerzaam huisvader werd, nog eer de omroeper ter ziele was. En willen wij nu doorlopen? Al verder, de Urkse historie in!

1940  Oorlog Duitse bezetting!

Zojuist heeft Evert („mit z'n pippien" zoals hij in de volksmond heet) zojuist heeft hij ons, al belklingelend geraden, om alle vissersschepen, klein en groot, naar Amsterdam te brengen, en ze niet in handen te spelen van de „Deusers!"

Dit rumoerig gegeven bevel, op last van de Burgemeester, werd stipt opgevolgd. Alle schepen en vletjes werden naar Amsterdam gesleept en de niet zeewaardige tot zinken gebracht. Evenwel, de „Deusers" waren reeds op komst! En toen? Ja, toen beleefde Urk een historisch schouwspel, waardig verfilmd te worden. Nogmaals ging de massief koperen klepel, fel ring tangend op het metaal van de bel, in dorpwaartse richting. Vóórop onze dorpsroeper (met pijpje), zich zijn hoge „roeping" bewust! „Hoort, burgers, hóórt!"

In bijna klassieke houding geeft hij de bel een plaatsje onder zijn linker arm  en tegelijk het woord aan een dame, die hem op de voet volgt. Urk loopt te hoop, de jeugd in 't bijzonder. De dame richt zich op! Met bijzondere intonatie in haar stem zegt zij: „Jongens en meisjes van Urk, weten jullie wat er in België is gebeurd, in het plaatsje Dinant? Daar zijn tien kinderen doodgeschoten!

En weet je waarom? Omdat ze niet beleefd waren tegenover onze vijanden, die straks ook hier zullen komen! Tien kinderen zijn tegen de muur gezet en  pief, paf, poef  dood waren ze! jongens en meisjes, loop toch straks niet je vijanden tegemoet, maar mijdt ze! En denk aan de kinderen in Dinant!" Na deze zeer zonderlinge en aangrijpende woorden ging onze vrouwelijke roepster verder. Eerst de roeper, daarna „hoort, burgers, hoort," dan  de jeugd  in optima forma. Bij de volgende halte kwam precies hetzelfde verhaal.

De jeugd, die langzamerhand driester werd, herhaalde het „pief, paf, poef" tot in 't oneindige. De omroepster trok zich daarvan niets aan, waaruit blijkt, dat zij een „dame" was! Onverdroten stak zij na elkaar vijf en zestig maal hetzelfde verhaal af. Naar alle waarschijnlijkheid behoedde zij onze jeugd voor toen nog onbekend gevaar. De Duitse soldaten vonden bij hun aankomst de jeugd correct! Éénmaal dreigde het mis te lopen.

Dat was, toen een kleine jongen riep: „Och mimme, kiek doar nou eres, allemoal „poepen"! (scheldnaam voor Duitsers). Echter, de soldaat, menende dat het een aanwijzing was (en de nood bijster hoog) zei saluerend: „Danke schön" en verdween glimlachend in een houten gebouwtje, dat op Urk wordt aangeduid als „'t uisien"! En zo eindigde deze zeer bewogen dag zonder ongelukken. Urk is, behalve uit het isolement, ook van de Duitse bezetting verlost.

Nu, op dit ogenblik, terwijl ik dit stukje schrijf, gaat onze „bode" (de huidige dorpsomroeper) op nylonsokken rond, en verkondigt aan de burgers van Urk, dat hij: „Deze gehele week, op deze sokken, driemaal per dag, Urk hoopt rond te gaan, zonder dat één gat of losse draad, of slijtplek gezien mag worden, noch ter rechter, noch ter linkerkant"! Hoort, burgers, hoort!  Zegt het voort!

 

DE IJSVLET.

Oude, trouwe Urker ijsvlet!
Bitter stevig vastgesnoerd,
Werd jij, boven op een auto
Naar de Geuzenstad gevoerd.

Over Zwolle, Utrecht, Mokum
Ging je! Voor je laatste reis!
Zal het wéér een „bloedreis" worden,
Net als vroeger, over 't ijs?

Menig barre Noordpool-winter
Heb je goede dienst gedaan:
En je voerde post en kranten,
Ja, óók levensmidd'len aan.

Op je allerlaatste „ijsreis"
Zat een stoomboot in de knel
Tussen huizenhoge schotsen
In 't Zuid-West, zeg, weet je wel?

Hier van Urk af nauw'lijks zichtbaar
Seinde men, uit bitt're nood,
Vrouwen en zelfs kind'ren waren
In gevaar op deze boot.

Dapp're mannen waagden 't leven,
Grepen spaak en roer en touw,
Gingen onverschrokken voorwaarts,

Ondanks vorst en felle kou.

Piepend' knarsten j'oude ijzers
Krakend' ging 't gebinte mee
Wieg'lend, schuivend, zeilend, glijdend,
Zeulde de bemanning mee.

God beloonde 't ernstig streven:
Vrouw en kind werd rijk gered:
En in menig Urker woning
Steeg een vurig dankgebed.

In het Zuiderzeemuseum,
Treft men vele dingen aan
Doch ik smeek U, laat de ijsvlet
Op een ereplaats je staan!

 

Een barre tocht door de IJsrotsen! 25 januari 1929: Acht kilometer ten Zuiden van Lemmer zaten de salonboot "Friesland" en de ijsbreker "Daniël Goedkoop" bekneld in het ijs. De fotograaf heeft beide schepen bezocht en voor dat doel speciaal een ijsvlet gecharterd; bemand met vier ervaren Lemsters schippers.

 

De leden van de bemanning hadden het niet gemakkelijk, hoor! 's Morgens vroeg kregen zij, voor hun uitvaart, eerst een bord erwten of bonen voor „vastigheid" in de maag. Daarna werd gebeden voor een goede overtocht.

 

Was men vóór de avond terug, dan had men 5 gulden verdiend, duurde de tocht langer, dan was het loon ƒ 7.50. In het kastje van de vlet bevond zich: 1 liter brandewijn, 5 pond spek en een roggebrood. De tocht ging via Schokland, over de Ramspol naar Kampen. Moest de bemanning in Schokland overnachten, de rietsnijders keet stond open of de sleutel hing aan een spijkertje.

 

Een oude potkachel, die betere dagen gekend had, was aanwezig, en het toch al schaarse rantsoen aardappelen van de Middelbuurt (het middelste huisje) werd aangesproken en de mannen aten, liepen of geeuwden zich warm. Altijd had er één de wacht, wanneer de anderen door slaap overmand, „duudoorden" doch meestal bleef, door oude en tocht, de slaap verre.

 

Was de vlet in zicht op Urk, na 'n moeizame tocht, dan liepen de jongelui van ons eiland de bemanning tegemoet, de zelen of spantouwen werden dan overgenomen, en de ijsvletters liepen achter de jongkerels aan. Dat was een triomftocht. Het gebeurde echter óók wel, dat op het ijs de nacht werd doorgebracht. Wijlen oude Gerrit Bakker was jarenlang de onbetwistbare alleenheerser of skipper van dit thans verdwenen vervoermiddel.

 

Wat niet verdwenen is, dat is de reumatiek, niet te verwarren met romantiek, van alle vissers die tot de bemanning van deze schuit hebben behoord. En in een hoekje van de kast staat nog wel het flesje „pérecheulie" (pijlrogolie) dat moeder de vrouw maar vast klaarzette, als onfeilbaar middel, om de oververmoeide gewrichten op gang te helpen, na een „bloedreis".

 

DE IJSKELDER.

Daar rijst een wondervol gebouw
Naar Urkse aard en trant
Zelfs voor „inheemsen" is dit huis
Geweldig int'ressant.

De ruimte diend' in oude tijd
Voor 't bergen van een vlet
Die na de haringvisserij
Hier werd op stal gezet.

De bouwer van het vlet-paleis
Was wijlen Hessel Snoek
'n Gladde knaap, wiens stem nog spreekt
Uit oud geschrift en boek.

Toen onze Zuiderzee nog zee
En niet een meertje was
Ving men de zilv'ren haringen
In deze zoute plas.

Bij het vervoer naar 't achterland
(De vis kon niet bewaard)
Had men, bij elke lading weer
Het ijs nog nooit gespaard.

Daar gaat het om in dit verhaal:
Het ijs  natuurgetrouw,
Men droeg het, in de winterdag,
Naar 't vlet-parkeergebouw.

Daar werd het in dit groot gewelf
Beschermd voor zon en licht
En alzo werd weer 't „vlettenhuis"
Tot „koelhuis" ingericht.

Voor Urk brak grote welvaart aan
In alle visserij
Dus was er wel een flink bestaan
In deze makelij.

De visser, die te Noord en Zuid
Alom de zee bevaart,
Is dit oorspronk'lijk winterijs
Zijn geld vast dubbel waard.

Toen kwam de grote „Afsluit"dijk!
De haring ging failliet
Geschonden was de visserij
En ijs? Men houdt het niet:

Zoet water geeft het IJsselmeer
En zout was men gewend
Ach  héél dit zoete  ijsgedoe
Het deugt niet, voor geen cent.

Dan, elke tijd baart and're weer
De kelder wordt „fabriek".

Maar Hessel Snoek, de oude baas
Werd zwak en hoop'loos ziek.

Een jong geslacht van Snoeken zet
Nu de traditie voort;
Verandert en moderniseert:
Maakt kunstijs enzovoort!

En Urk voert grote schepen aan
Het spitst zich op de vaart
Dus blijft de ijsfabriek bestaan
Door „Snoeken" wel bewaard.

Nu komt het! Heel dit Snoekgeslacht,
Gaat, louter paarsgewijs,
Alsof 't een Arke Noachs was
Weer wonen  rond het ijs.

Eerst wordt een blok en dan nog één
Tot woonhuis omgezet.
Maar dan is er geen houden aan
Het Snoeken-huw'lijksbed.

Want, Snoek op Snoek stapt in de boot
En vaart op huw'lijksreis
Die eindigt in een kort bestek
Een woning  bij het ijs.

Geen architect verdient er aan,
Men bouwt op zijn manier,
Het metselt, stoffert en soldeert
Voor 't eigen woonplezier.

Een onafzienb're wandelgang,
Loopt dwars door 't „Parlement";
En ieder volgend deurtje is
Privé-appartement!

De sleutel van het hoofdgebouw
Berust bij Tante Neel
Zij draagt de Grondwet in het klein
Over de blauwe deel.

De onbetwiste Koningin,
Naar Vaderlijk bestel
En ieder Snoeken-onderdaan

Bevalt het wonderwel!

Hessel Snoek, geboren op 18 juni 1852 te Urk, overleden op 1 november 1926 te Urk, beroep: visser, robbenjager en eigenaar IJskelder  Gehuwd op 26 juli 1879 te Urk met Tiemetje Gerrits Post, geboren op 30 december 1859 te Urk, ovlerleden op 5 maart 1935 te Urk.

Ik stel U voor, geachte lezers, Hessel Snoek, de eerste en enige „ijsman". Hoe is het in 's mans hoofd opgekomen, om op Urk een „ijskelder" van grote omvang te bouwen?

En dat in een tijd, toen Urk nog volop leefde in de Zuiderzeevisserij ? De heer Snoek was zelf de ontwerper en de dorpstimmerman had slechts te bouwen volgens plan. En hoe planmatig is dit gebouw opgetrokken! Heden ten dage draaien er de moderne machines, die de, inmiddels omgebouwde en gemotoriseerde schepen, van ijs voorzien. Een hoog, wit stenen gebouw, van binnen verdeeld in diverse „ijshokken", alle van dikke muren voorzien. De balken van de zoldering in evenredigheid tot de dikte der muren.

In iedere vrieswinter werden alle ijshokken tot boven toe gevuld met zuiver natuurijs! Het beste, dat de toen nog zoute Zuiderzee opleverde! Reeds 's morgens vroeg gingen de ijsploegen op weg, buiten de vissershaven, naar de z.g. ijsduinen. Met bijlen en zagen werd zo'n ijsberg geslecht, en in manden op eigengemaakte ijslorries geladen. Onder deze lorries waren geen wielen, doch gladde ijzers. De mannen hadden, zolang de winter duurde, hieraan een aardige bijverdienste. Totdat de ijskelder gevuld was natuurlijk.

En het ijs bleef prima, heel de volgende zomer door! Iedere Zondagnacht om twaalf uur, aleer de vissersvloot koers zette naar Terschelling, Den Helder of IJmuiden, werd het ijs ingeladen in de „ijskee"! Dat was een vierkante houten kist, verdeeld in twee of meer vakken, die een vaste plaats had in het scheepsruim. De Noordzee vissers hielden zo de gevangen vis koel, tot ze genoeg gevangen hadden, om ter markt te gaan in Amsterdam of IJmuiden.

En dus bracht het in de winter verzamelde en in de ijskelder bewaarde natuurproduct wel zijn geld op! Maar, zult U vragen, wanneer het nu een kwakkelwintertje was? Deze vraag stelden wij aan een nog levende bewoonster van de oude ijskelder. En het antwoord was voor ons hoogst beschamend, want de 70-jarige Neeltje zei: „Als het met de jaarlijkse „biddag" (dat is de tweede Woensdag in Februari) nog niet had gevroren, dan moesten wij één van tweeën: of namaakijs (fabrieksijs dus) bestellen, of  en ze glimlacht nog bij de herinnering  bidden om nieuw!" „En dat deden wij!" klinkt het vol overtuiging! „Geen enkele winter sloeg God ons over!

Tegenwoordig bouwen de mensen op de kracht van de motor en op de grootte van het schip. Tja dat was toen anders! Men bad om Gods zegen en die Zegen kwam, soms wonderlijk!" Natuurlijk rijst bij U de vraag wat de heer Snoek uitvoerde in de zomermaanden. Wel hij was in het bezit van een eigengemaakt jachtgeweer, dus schoot hij soms een zeemeeuw of andere vogel. Het spreekwoord: Een blinde kan een meeuw schieten, werd door hem te niet gedaan, want, zo zei de dove heer Snoek: Dan schiet er een dove allicht twee! De Staart van Urk was zijn particulier jachtdomein.

In de zomermaanden kwamen de Zuiderzeehonden, de robben, zich op de „Staart" heerlijk „zonnen". Wist U, dat op deze grote visdief een premie stond van ƒ 12.- Men moest daartoe de rechter vóórklauw opsturen naar daartoe aangewezen personen, die ze dan, na uitbetaling van de premie doorzonden aan een centraal adres, ik meen te Amsterdam. Deze regeling stimuleerde ieder jaar opnieuw het jagersinstinct van Snoek! Op allerlei wijzen trachtte hij de zeehonden te „ontklauwen"! Rondom de Staart had hij een ijzerdraad gespannen waarin, op regelmatige afstand van elkaar, scherp gepunte weerhaken zaten.

Iedere zeehond, die bij de sprong naar zee daarop terecht kwam, was ten dode opgeschreven. Echter, wind en tij deden hun plicht, en de weerhaken waren na korte tijd ondergeschoven in het zand en derhalve onschadelijk! In Kampen werd nu, op aanwijzing van Snoek, een ijzeren kooi of val gefabriekt, waarin hij er totaal zes gevangen heeft. Nadien werd door iedere zeehond de val gemeden. In 't midden van de Staart plaatste de jager nu een grote tobbe, die hij, nadat hij zelf daarin plaats nam, liet vullen met zand.

Alleen hoofd en armen liet men onbelemmerd. Met een ploertendoder kreeg één jong zeehondje eens een klap, die het bewusteloos maakte. De andere vluchtten, op de Moeder van het jong na. Snoek werd door haar aangevallen en moest benen maken. En nu zult U denken dat Snoek er af was? Welnee, nu komt het pas! Snoek was een genie! Van een of andere gegoten buis, waarschijnlijk een lantaarnpaal, fabriceerde hij een kanon.

Met springstof gevuld, sleepte men het naar de zandplaat. Toen 's morgens de robbedoezen zich verkwikten in hun zonnebad, ging het eigengemaakte kanon af. Allen overleefden dit. Ook de robben. Maar van het kanon geen spoor! Geen vingerhoed ijzer, om U te bewijzen, dat het bestaan heeft. Of ik zou U moeten brengen bij het gat, dat door de ontploffing in de houten zeewering is ontstaan. Helaas, U zult mij zonder enig bewijsstuk, op de betrouwbaarheid van de pen, waarmee ik dit schrijf, moeten geloven. Keren wij nog eenmaal terug naar onze vermaarde ijskelder.

De z.g. ijshokken zult U niet terugvinden. Wat U wel zult aantreffen, dat zijn de Snoekjes, in alle maten! Zelfs onder de maat! Zij en zij alleen bevolken de ijshokken, die in de loop der tijden zijn omgebouwd tot woon- en slaapvertrekken. Nog in het midden gescheiden door één rechte, lange gang vindt U, aan weerszijden, de trapjes en gangetjes, die U onverhoeds heenvoeren, waar U nooit dacht uit te komen.

Zo zijn er aan de linkerzijde sommige moderne woonvertrekjes, openslaande raampjes en popperige keukentjes, voorzien van butagas en waterleiding. Deze vertrekjes komen alle op de ouderwetse gang uit en kunnen alleen via deze gang verlaten worden. In de avond vindt de uittocht plaats naar de rechterkant. Hier slaapt het Snoekenvolk.

U weet het, de slaap des arbeiders is zoet. Zeven snoeken, getrouwde en aangetrouwde, vinden hier onderdak, en Neeltje, de Snoeken Soevereine, heeft over allemaal nog iets te zeggen. En in het voorgedeelte daveren de machines en maken ijs ijs- ijs kunstijs!

DE AFSLAG.

In de afslag is 't rumoerig
Bij 't verkopen van de vis
Die in zootjes op de tafel
Lokkend voor de koopman is.

Achtendertig, achtendertig
Zevenendertig  zes en drie
Ja, wie koopt mij nu dat zootje
Vijfendertig? Mijn! Ja? Wie?

Vijfendertig is geboden
Eenmaal  tweemaal  andermaal
Vijfenveertig dikke botten
Glijden in een witte schaal.

't Vrouwtje, dat er „mijn" gezegd had
Is onthutst naar huis gegaan:
Als 'k het vooruit had geweten,
Had ik nooit dit bod gedaan.

Vijf en veertig dikke botten
En zo aanstonds op het vuur:
'k Ben verplicht om ze te bakken
Maar, de olie is zo duur.

Aanstonds treden negen kind'ren
Op de houten tafel toe
Negen maal vijf is vijf en veertig,
Of ik kan niet reek'nen, Moe!

Vijf en veertig dikke botten
Waaraan Moeder uren bakt
Zijn, in negen kindermagen
Ogenblikk'lijk weggezakt.

 

Ansjovis zouten. Op de achtergrond is de Vischhandel te zien van 'Bakker-Gerssen' Deze naam is gevormd door Peter Bakker, geboren op 31 mei 1837 te Ens. Peter was met zijn moeder Trijntje Reurings Zoet, verhuisd naar Kampen, waar zij één van de Schokkerhuisjes betrokken die in 1859 daar zijn gebouwd. Rechts is de Gemeentelijke afslag te zien.

 

Terzelfder tijd was Johanna Christina Gerssen die in verband met de ontruiming van Schokland in 1859 verhuisd naar de Achterbuurt in Urk. Johanna kwam een week later als dienstbode in Kampen terecht, waar ze Peter leerde kennen. Waar het huwelijk plaatsvond op 22 augustus 1867, zij kwamen in het kleine huisje te wonen op de Schokkersbuurt 21 te Kampen. Uit dit huwelijk zijn vijf kinderen geboren.

 

Vandage an de dag (zo luidt dat in onvervalst Urks) vandage an de dag nemen wij U mee naar de visafslag, of wel naar de visserij drukte aan de haven. Eigenlijk moet U dan met mij een veertigtal jaren terug gaan, toen de Zuiderzee nog zee was. Dat was me een bedrijvigheid aan die Urkse afslag.

 

Tijdens de haring- en ansjovisteelt kwamen per dag zo'n twee a driehonderd scheepjes van de Zuiderzee- kust op Urk de vangst lossen. Vanaf de Urker haven ging het dan per vrachtvaarder naar Kampen, Harderwijk of Amsterdam. In de afslag was de „telder", kenbaar aan een bruinieren armband, een persoon van gewicht. In witte letters prijkte op dit ereteken: Beëdigd!

 

En de oude visser droeg met trots zijn insigne. Was hij niet zelf, na zijn sollicitatie en benoeming zijn jaarlijkse eed van trouw gaan afleggen op het Gemeentehuis, tegelijk met Directeur en Afslager? En had hij niet een post van vertrouwen? Wanneer er enig geschil was gerezen omtrent het „tellen" van de vis, dan had hij het volste recht, zich op zijn eed te beroepen. Méér nog dan de afslager had de telder een verantwoordelijke positie. Wanneer de vangst ongeveer was geraamd, dan werd die geraamde hoeveelheid opgegeven aan de afslag, en dadelijk verkocht.

 

En nu was het de taak van de telders, dat ook werkelijk deze verkochte hoeveelheid gelost werd in het aangewezen vrachtschip. Zij zetten zich tot dat doel aan de havenkant, de benen bungelend boven het water, voorzien van een grote lei en een enorm stuk krijt. Bij het lossen van 200 stuks haring, een „tal" genaamd, trok hun krijt één streep op de lei, en de telder riep: „Dat is één an!" Vervolgens kwam dan: twee an, drie an, vier an, doch bij de vijfde streep, die dwars door de andere vier ging, was het „vaampien" vol! Ook het nummer van de botter werd duidelijk afgeroepen.

 

Wanneer U het nakijkt, dan was dus bij elke duizend stuks, die gelost werden, het „vaampien" vol! En als de vangst overvloedig was? Wel, dan werd per mand gelost en was bij de vijfde mand even zo goed het „vaampien" vol! Nu waren onze telders dikwijls zó geroutineerd, dat zij tegelijkertijd vier of vijf schepen voor hun rekening namen. Dat was dan wel oppassen en dagen tellen. Het is echter altijd goed uitgekomen. Zelfs kon de telder in de tussentijd nog vertellen dat z'n kat een „hoeker an de start adde," of z'n vrouw een „verbraande aand"! Zonder zich te „vertellen" onder dat vertellen.

 

Goeie, ouwe tijd! Ja, en nu zou het jammer zijn, als wij niet nog even memoreerden de naam van Pieter Fokke Baarsen, een visser, die tot aan zijn dood vergroeid was met het afslagbedrijf. Ieder jaar opnieuw kwam hij tegen Nieuwjaar met een velletje postpapier, plus enveloppe, bij de Directeur van de visafslag, die zeer op hem gesteld was, en voor hem de sollicitatiebrief opstelde en die persoonlijk op het Raadhuis bracht.

 

Dit jaarlijks terugkerend verzoek bevatte nooit anders, dan de verwijzing naar de Gelijkenis in het Nieuwe Testament, Lukas 13 vers 8, waar men leest: „Here, laat hem, óók nog dit jaar!" Aan deze tekst, of wel de naleving ervan, had de grijsaard tot z'n twee en tachtigste levensjaar en sterfjaar z'n benoeming te danken.

 

DE MIST.

„Mist as roet", 20 spreken vissers
Klittend aan de havenkant;
„As een pot" zegt blinde Jawek
Want, hij „snijdt het" met de hand.

,,'k Zien er hielendal gien gat in,"
Tingeltangelt Lub van Kee
En Jan Bloemen antwoordt daad'lijk:
„Mist as Jaauwkies zwarte thee!"

„'t Novert glad niet, 't blift maar dikke"
„'t Is een eidoopsausien, Jan,
Oppert nu het „Keukediefïen"
Tegen Kloas van Piet „Plak-an!"

Mit een prumpien in de wange
Mummelt WiÜem „Domenei"
„Mistig, minsen, as de aarde
In zo vast as bollenbrei".

„Zou de boot nog arrevieren
Eut et Keuzer Krabbersgat?"
„Nou, ik oor et kissien toeten:
„Oe dat dreijt al, oor je dat?

Ieder raadt op eigen houtje
Naar de dikte van de mist
Dat de boot allang gemeerd ligt
Is te danken aan de „kist"!

 

Ergens op de zolder van het stoomboothuisje, ligt in een of andere hoek, het kistje. Eigenlijk moet het een plaats hebben in het Zuiderzeemuseum, maar dat komt nog wel. In mijn herinnering neemt het zo z'n eigen plaats in.

En mijn oren vangen tijdens elke mistperiode de monotone geluiden op, welke het voortbracht. Weer zie ik dan de diverse „kissiesmannen", huiverig en verkild staan in de grijs gele nevel, hun verkommerde handen draaiend aan het instrument, dat er uitzag als een onschuldige koffiemolen. In plaats van het gezellig ratelend maalgeluid kwam er echter heel iets anders uit. Wij, als kinderen, geloofden, dat er een negerkop in het kistje zat.

De scheepsagent van de Urkse Stoomboot had ons dat wijs gemaakt. En het was nog niet eens zo gek, nadat ik een negerkoor voor de radio had gehoord! Het geluid, dat uit het „kissien" kwam, was enkel maar schrikwekkender, duizendmaal angstiger en onnoemelijk droevig en eenzaam. Vereenzelvigd met de grijze mist, scheen het daarin op te lossen.

Maar nu weet U nog weinig! Het „kissien" was een simpele misthoorn, die met de hand gedraaid werd. De Urker Stoomboot Maatschappij had een bepaald persoon in dienst, die, met het kistje gewapend, tijdens iedere mistperiode, zich naar de uiterste havenstrekdam begaf, om door middel van het eentonige geluid de van Enkhuizen of Kampen komende boot te verwittigen, dat hier de havenmond was! En praat me nu niet van Radar, de kissiesman „radeerde" de boot veilig en wel tot voor de aanlegsteiger.

Ietwat primitief? Nu ja, men moet weten te roeien met de riemen, die men heeft. Natuurlijk! Per „mist" werd de kissiesman uitbetaald met één kwartje. Zodat hij zijn diverse mistbanken nog moest verdedigen en soms aandikken, wilde hij zijn mist bank haventochten in kwartjes omgezet zien. Ook dit „beroep" is teloorgegaan. De ene keer was het een oude visser, die de mistkwartjes verdiende, de andere keer een kandidaat schoolmeester, doch steeds een serieus mens, die begreep, dat hij een verantwoordelijke taak had, waarbij zelfs levens in gevaar waren.

 

DE DOOD-AANZEGSTER.

Als een ongerept gebeuren.
In der eeuwen erfenis,
Huldigt men de rouwtraditie.
Van een dorpsbegrafenis.

Tweemaal ziet men in de wijken.
Onze „dodenvrouwe" gaan;
Sprekend zegt zij in de huizen.
Doden en begraaf'nis aan:

„De familie Bakker, Baarsen,
„Loosman, Snijder, maakt bekend.
„Dat aan haar weer is ontvallen,
„Vader, moeder, vrouw of kind.

„De begrafenis zal wezen "
Aldus onze „dodenvrouw",
„Morgenmiddag „hallef vieren"
„In het kleuterschoolgebouw!"

In haar kleding uiterst sober,
Weert zij ieder sieraad af,
Waar zij deze droeve boodschap.
Aan de dorpelingen gaf.

Ierwat houdt zij 't hoofd gebogen:
't Is, als draagt z' een zware last,
Doch de dóód blijft onbewogen.
En  ons aller dood staat vast.

Op de dag van het verscheiden.
Regelt zij de dodenstoet;
Door een welgerijpt' ervaring.
Weet zij kost'lijk, hoe het moet!

Zij groepeert familieleden.
Rond de zwart gelakte kist,
Zodat elk, bij 't binnentreden.
Dadelijk z'n plaatsje wist.

Na een machtig half uur zwijgen.
Onder d' adem van de dood,
Komt er, eindelijk, voetgeschuifel,
Wat de spanning nog vergroot.

Onze dominee treedt binnen.
Met een broeder ouderling.
Lezend: het gebed van Mozes.
Naar een eeuwen-oud beding.

Daarna volgt de doden„aanspraak"
(Tot de levenden gericht):
En een warm, vertroostend tekstwoord,
Wordt eenvoudig, klaar belicht.

Stapvoets wordt de kist gedragen:
Iedereen treedt langzaam mee.
Achteraan de ouderlingen,
En de dorpse dominee.

Was de dode jong van jaren.
Jonge „dragers" neemt men aan,
Onder hoogbejaarde doden
Ziet men grijze leiders gaan.

Dood'lijk droevig klok geklepel
Begeleidt de laatste tocht,
Die door iedereen gemaakt wordt
En door niemand ooit gezocht!

Hangt de lijkkist in de touwen.
Dan de bronzen klok houdt stand.,
Door een uiterst simp'le code.
Eén beweging met de hand.

Doom'nee spreekt van eeuwig leven.
Dat in Christus moog'lijk is
Zalig is het, dat te weten
Bij zo'n Urks begrafenis.

Nóg 'n troostwoord en 'n dankstond
Na terugkeer van het graf.
Met een krachtig kopje koffie.
Sluit de „nabetrachting" af!!

 

De Dood aanzegster.

 

Is er Godsdienst in de folklore? Zeker weten wij dat er folklore is in de Godsdienst. Denk slechts aan de verschillende eeuwenoude gebruiken en gewaden, gedragen bij religieuze plechtigheden.

En lezers uit ons schoon Nederland en Urk, zou de Schepper van al het volmaakte, ons doelloos gezet hebben, in die bepaalde landstreek, met de hoogst eigen sfeer en ons smeuïg dialect? In de folklore lééft ook de Godsdienst. Wanneer wij als voorbeeld stellen een oude Urker man met een baadje en broek, zo maar zo'n doodgewoon mannetje van alledag, en wij zien datzelfde mannetje ,,op z'n Zuundags", achter de ouderlingen of in de dovenbank, kijk, dan gaat er iets héél anders van hem uit, dan door de week op het leugenbankje bij de afslag.

Wij denken aan Mozes komende van de berg Horeb, „stralend van aangezicht". Het was de weerschijn van Gods glanzende tegenwoordigheid, de Majesteit van Zijn licht. En iets daarvan zien wij des Zondags afstralen van Christus Boven op Zijn gemeente beneden. Het is of de last der jaren is afgevallen van die devoot gebogen hoofden.

Ik weet, dat in het hoekje van het kabinet gereed ligt het laatste kleed, om gedragen te worden bij de laatste gang. Schenke God U allen de kracht om in geloof te aanvaarden Christus Jezus, als de Mantel der Gerechtigheid, die U zo rein en zuiver om de schouders wordt gehangen, dat al Uw zonden er onder gedekt zijn.

 

DE LEUGENBANK.

Vissers zitten, bruin of blank
Aan de haven, op een bank.
Zij vertellen allemaal
't Onwaarschijnlijkste verhaal.

D' eerste, die een zeeslang ving
(Dertien meter was dat ding),
Werd beangst en zeer verrast,
Daar die slang in 't schip niet past.

Dus verkocht hij 't slangenbeest
Aan een oud en rijk Chinees.
Ha, die maakt er spoedig dan
Slangeleren muilen van.

Die vertelt weer van een rog,
'n Zevenstaartig duivelsjoch:
't Sloeg met pin en vin en kwast,
Zich aan dek en delling vast.

Toen het dan, ontstaart, onthoofd,
In een ketel was gestoofd,
Haalde men er tot besluit
'n Liter pijl rog olie uit!

Weer een ander ging op reis;

Kocht een lot  en won een prijs:
't Was een springend, levend paard..

Maar hij nam dat, onvervaard!


Nummer vier viel, licht gestoord

Uit z'n scheepje over boord.
Onder water liep hij vlug
Regelrecht naar 't schip terug.


Hessels Jawek peurd' een haai

Uit een buitenlandse baai
Stopt die, zonder leed of let
Bij zijn kapitein in 't bed.


„Jan", zei Piet, „Stap niet zo gek"

„Met jouw klompen op het dek!"
„Oef", zei Jan, „Ik zoek mij stomp"
„Naar mijn derde houten klomp!"

 

Even weg ging vissers Klaas

Nauw terug wat droef relaas....
D' olielamp had zó gestoomd,
Dat de melk was zwart geroomd.

Zó vertelt een ieder blij
Van z'n zon en schaduwzij
Broederlijk zit bruin en blank
Op die houten leugenbank.

 

De Leugenbank.

 

„Aan alles komt een eind, en niets dat eeuwig duurt", placht onze buurman te zeggen, als zijn pak tot op de draad versleten was. Het sluitstuk van alle visserservaring vinden wij aan de haven, bij de z.g. leugenbank. Verdenk geen enkele visser echter van een opzettelijke leugen.

Hij zou U dat zéér kwalijk nemen. Edoch, zijn beroep heeft door de tijdsafstand, die er is tussen de uitoefening ervan en de huidige jaren, meerdere glorie gekregen, waarvan de glans nog terugkaatst op de zeer geanimeerde gesprekken.

Deze handelen over vis en visserij, maar dan verdiept en verinnigd door de herinnering aan het voor hen zo roemruchte verleden. Men verhaalt zijn wederwaardigheden niet zo ze waren, maar gelijk het had kunnen zijn!

 

1

2

3

4

5

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.