|
Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer.
| 1 |
2 |

Afdruk van
Hillebrand Visser.
Op gravure van de Lemmer van
omstreeks 1780 komt Andringastate voor, het onderschrift luidt De
Lemmer
naar 't Grietmanshuis te zien.
Met
Regnerus Livius, de stamvader van de familie Van Andringa de
Kempenaer, beginnen we bij de wellicht belangrijkste
vertegenwoordiger van dit geslacht. Hij was tot 1795
grietman van Lemsterland en bovendien tussentijds enige
jaren gedeputeerde voor het kwartier Zevenwouden. Archief
Staten van Friesland 1580-1795. Hoewel hij bekend stond als
oranjegezind, schijnt hij enige tijd met C. L. van Beijma te
zijn meegegaan. In 1782 was hij namelijk correspondent van
een te Amsterdam zetelende commissie, om de misbruiken van
de regering der Republiek tegen te gaan. In het tijdvak
1801-1807 was hij lid van het Wetgevend Lichaam, waarna hij
in 1807 door koning Lodewijk benoemd werd tot landdrost van
Friesland. Deze functie heeft hij uitgeoefend tot zijn
aanstelling als prefect van het departement van de
Boven-Yssel in 1810.
Hij werd daarnaast benoemd tot Ridder-commandeur in de Koninklijke Orde van de Unie en
later bevorderd tot Commandeur van de Keizerlijke Orde van
de Reünie. Inv. Bovendien was hij Ridder van het Legioen van
Eer. In de jaren 1811-1813 is aan een aantal hooggeplaatste
bestuursfunctionarissen een adellijke titel verleend, maar
Regnerus Livius heeft in deze eer niet gedeeld. De Hoge Raad
van Adelgeschiedenis en werkzaamheden.
Op 3 juni
1774, drie dagen voor de trouwplechtigheid, werd ten huize
van notaris Petrus Wierdsma, de later zo befaamde
rechtsgeleerde, het huwelijkscontract opgesteld tussen
Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer (1752-1813,
grietman van Lemsterland, en de 17 jarige Judith Elisabeth
d'Arnaud (1756-1780, dochter van de voormalige grietman van
Oostdongeradeel. Al waren de toekomstige echtelieden zelf
niet van adel, vanwege hun voorgeslacht stroomde door hun
aderen wel degelijk blauw bloed: gezien de maatschappelijke
positie van de bruidegom en de vader van de bruid betrof het
hier zeker een huwelijk in hoge kringen. De opstelling van
het uit negen artikelen bestaande contract geschiede in het
bijzijn van het toekomstige paar, de ouders van de bruidegom
Hendrik de Kempenaer (1709 - 1788) en Quirina Jacoba de
Kempenaer geboren Scott ( 1716 - 1780) en de moeder van de
bruid - Anna Dodena van Burmania (1730 - 1777) weduwe
d'Arnaud. Samen met notaris Wiersma ondertekenden zij het
contract. Het huwelijk vond plaats op 6 juni 1774 te
Leeuwarden.

Petrus Wierdsma.
Na het
overlijden van Judith Elisabeth d'Arnaud in 1780, is
Regnerus Livius nog 20 jaar weduwnaar gebleven. In de zomer
van 1800 wilde hij opnieuw trouwen. Maar uit het huwelijk
met Judith waren een zoon (Jhr.Mr. Antoon Anne van
ANDRINGA de KEMPENAER, grietman te Lemsterland, geboren
op 03-12-1777 te Leeuwarden, overleden op 13-06-1825 te 's
Gravenhage op 47-jarige leeftijd, lid 2e kamer.
Gehuwd op 20-jarige leeftijd op 07-10-1798 te Groningen met
Jkvr. Anna Maria Catharina ALBERDA van EKENSTEIN, 19
jaar oud ) en een dochter ( H.J. van Andringa de
Kempenaer, Henriëtte Jacoba die gehuwd was op 21 mei
1794 te Arnhem, met Mr. J. Sj. G.J. baron van Burmania
Rengers (in de periode 1807-1832: lid Wetgevend
Lichaam (1806-1810), lid notabelenvergadering, lid Raad van
State, kamerheer van koning Willem I in buitengewone
dienst en lid Ridderschap van Friesland, dus moest er een overeenkomst gesloten worden.
De
doelstelling was hun financiële belangen te waarborgen ten
opzichte van hun vaders nieuwe echtgenote en eventuele
toekomstige halfbroers en zusters. De vader beloofde tevens
binnen drie maanden de goederen van hun in 1780 overleden
moeder aan zijn kinderen over te dragen, zonder daarvan ook
maar iets voor zich zelf te houden. Onmiddellijk na hun
vaders overlijden zouden Henriëtte en Antoon Anne, beide
inmiddels gehuwd en in het bezit van kinderen, over hun erf-porties van hun vaders nalatenschap kunnen beschikken.
De
vader, tenslotte, hield zich het recht voor zijn aanstaande
Huisvrouw, 't zij voor of na de voltrekking van 't huwelijk eenig geschenk van juweelen of andere kleinodien te geeven.
Twee dagen later werden, conform de overeenkomst, de
huwelijkse voorwaarden tussen Van Andringa de Kempenaer en
zijn aanstaande bruid Tj.A.W.
Camstra rijksbarones thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg,
Tjallinga Aurelia Wilhelmina
opgesteld. De bruid was even oud als de dochter van de
bruidegom. Ondanks de tact waarvan de vader zich altijd had
bediend bleef de grote botsing tussen de voorkinderen en de
weduwe niet uit. Zo moest in 1815 de rechtbank van de eerste
aanleg te Leeuwarden eraan te pas komen om de ingewikkelde
knoop van Regnerus erfenis door te hakken.
Zie voor het gezin
En zo was
er natuurlijk de rechtstreekse betrokkenheid van de Familie
van Andringa de Kempenaer en de familie van Swinderen uit
Gaasterland. Hun kernbezittingen lagen in Lemsterland en
Gaasterland, min of meer in of vlakbij het gebied waarvan
oudsher de Friese vrachtvaart, koopvaardij en scheepsbouw
zich concentreerde. Het was vooral de Amsterdamse handel die
in de 18e eeuw gebruik maakte van de Friese vrachtvaart. Al
eerder bleek dat Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer,
grietman van Lemsterland en landrost van Friesland, eigenaar
was van in ieder geval tien schepen die vanuit Lemmer voeren
op Amsterdam, Kampen, Leeuwarden, Stroobos en Groningen en
van een postdienst op Groningen.
Naderhand werden zij
gemeenschappelijk eigendom van hun zonen en dochter. Tesamen met hun moeder, Regenerus weduwe Tjallinga thoe
Schwartzenberg, hield men de exploitatie van de veerdiensten
tot in de jaren vijftig aan. Dit gebeurde met inschakeling
van te Lemmer wonende administrateurs. Van de familie Van
Andringa de Kempenaer is verder ook bekend dat dat ze
bemoeienissen hadden met de steenfabrieken en in eigendom
hadden, deze steenfabrieken weten we dat ze verliesgevend
waren en moesten worden afgestoten. Tijdens de
landbouwcrisis spande Van Andringa, zich in om de Friese landbouw op
nieuwe wegen te brengen
(Van Swinderen was zeer geliefd, wendde een groot deel van zijn
vermogen aan om een ieder te helpen die bij hem aanklopte.
Boeren kregen in moeilijke tijden een lagere huur of
renteloze leningen, arbeiders werden gratis ondergebracht in
huisjes van "mijnheer" schippers en middenstanders leenden
geld om een schip te kopen of een winkel op te zetten, en
arme lieden konden soms op een bedrag rekenen om naar
Amerika te emigreren, Zo steunde van Swinderen ook de
scheepvaart op grote schaal in de crisisjaren tachtig. Dit
geschiede meestal door de schippers borgbrieven te geven van
enkele duizenden guldens, waarbij uiteindelijk een
totaalbedrag in het geding was van een paar
honderdduizend gulden. Maar de grote ramp was voor hem het
Panamaschandaal. Hij verspeelde een groot deel van zijn
vermogen in een volstrekt waardeloos reddingsplan ter
financiering van het Panamakanaal. Van het eens zo grote
familiebezit bleef alleen 'Huize Rijs' over.)

Het
gezin van Jhr. J.H.F.K.van Swinderen (1873 - 1902)
Tijdens 'Het Kollumer Oproer'
(in
1797 onder leiding van Jan Binnes en Salomon Levy)
welke grote gevolgen had voor de
oude gevestigde gewestelijke elite. Felle radicalen als De
Bere en Paape beschuldigden hun van van een orangistische
samenzwering tegen het gewestelijk bestuur. Prompt liet het
Provinciaal Bestuur, in samenwerking met het Hof van
Friesland, bijna dertig aanzienlijke personen onder wie tien
oud Grietmannen in het Blokhuis te Leeuwarden opsluiten,
waaronder ook Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer. Een maand lang
verkeerde het gezelschap in angstige spanning. Na
tussenkomst van het Directoire te Parijs volgde plotseling
de vrijlating van de heren. Inmiddels waren ter beteugeling
van het radicale bewind Frans troepen te Leeuwarden
ingekwartierd.
Nadat
Napoleon in 1810 het nog prille koninkrijk Holland bij
Frankrijk had ingelijfd werd Van Andringa de Kempenaer tot
prefect (landrost) van het departement van de Boven-IJssel
benoemd. Pogingen van Andringa de Kempenaer om hoogste
ambtenaar in Friesland te blijven, via ondermeer zijn neven
C. J. van Burmania, L. J. J. Rengers en de bij de Napoleon
en zijn ministers goed aangeschreven I. J. A. Gogel hadden
geen succes. De minister van Binnenlandse Zaken ontried hem
daarna zijn ontslag bij de keizer in te dienen. Met veel
weerzin en weinig rendement oefende Van Andringa de
Kempenaer daarna tot zijn overlijden in 1813, het ambt van
prefect te Arnhem uit.

Het
blokhuis te Leeuwarden waarin vele Friese adellijke regenten
na het Kollumer oproer van 1797 gevangen werden genomen.
Wisselende
kansen op rijkdom maken ook deel uit van de
vermogensgeschiedenis van de Kempenaers, Regnerus beschikte
in de Bataafse tijd over een groot fortuin. Zo
vertegenwoordigen in 1813 alleen zijn ontroerende goederen
reeds een waarde van f 521.095. De hoge bestuurlijke posten
die Regnerus beklede, maakten zijn geneigdheid tot een zekere pompe nog sterker dan zij als wij. Zijn in luxe opgevoede
oudste zoon Antoon Anne (1777- 1825) leefde met zijn grote
gezin eveneens in weelde. Het verschil tussen vader en zoon
was echter dat de eerste inkomsten genoot uit hoge ambten en
de tweede niet. Vanwege zijn lidmaatschap van de tweede
kamer verbleef Antoon regelmatig met een deel van zijn gezin
in Den Haag en Brussel, een levensstijl waaraan hoge kosten
waren verbonden. Bovendien schenen de dames in dit gezin
verkwistend te leven, en was met name zijn oudste dochter
Judith, naar het oordeel van de tijdgenoot een schitterende
schoonheid, uitermate lichtzinnig en verkwistend. Antoon
Anne's wankele gezondheid en toegevende karakter zullen
tevens hun ongunstige invloed hebben gehad.
Toen de
watersnoodramp van februari 1825 veel van zijn bezit in Zuid-Friesland had weggespoeld en Antoon Anne kort daarop
overleed, bleken zijn achterblijvende weduwe en kinderen in
grote financiële problemen te verkeren. "Van grote weelde,
totaal geruïneerd" heet het in de familieoverlevering. Wel
volgde de oudste zoon Onno Reint, zijn vader op als grietman
van Lemsterland. Onno had als adellijke grootgrondbezitter
veel belangstelling voor veehouderij, en nieuw te bouwen
boerderijen, Onno ontwierp zelfs een geheel nieuw type
Dan had
Antoon Anne's stiefmoeder en zijn vaders tweede echtgenote,
Tjallinga barones thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg
douairière van Andringa de kempenaer (1775-1857)
aanmerkelijk meer economisch strategisch inzicht. Ook na de
gerechtelijk bepaalde boedelscheiding tussen haar en de
kinderen van haar man uit zijn eerste huwelijk, kocht zij nog
regelmatig bezittingen van die voorkinderen. Op die manier
wilde zij waarschijnlijk, ten behoeve van haar eigen
kinderen bij Regnerus Livius, de oude boedel van wijlen haar
echtgenoot min of meer herstellen. Dat zij daarin tot op
grote hoogte slaagde, blijkt wel uit het feit dat ze bij haar
overlijden in 1857, ruim vier ton naliet aan haar drie
kinderen.
Opvallend is dat Tjallinga bleef investeren in
scheepvaart en veerdiensten, waarmee zij een familietraditie
voortzette. In 1887 was alleen haar jongste zoon Jhr. Julius
Burmania van Andringa de Kempenaer (1813-1887) nog in leven.
Julius liet toen aan zijn kinderen een boedel met een waarde
van f 1.127.823 na. Tot die boedel behoorde ook de helft
van de nalatenschap die hij van zijn ongehuwde broer Wilco
had geërfd. Deze bevatte veel onroerend goed dat
oorspronkelijk bezit was geweest van hun vader Regnerus
Livius.
De
Andringa de Kempenaers waren in de 19e eeuw met velen.
Sommige kinderen van de onfortuinlijke Antoon Anne,
bijvoorbeeld de broers Tjaard Anne Marius Albert (1806-1879)
en Onno Reint (1801-1868), slaagden erin, mede door rijke
partners te huwen, weer een vermogen van vele tonnen op te
bouwen. Dat de oudere broer de jongere onterfde doet daar
niets aan af. Tjaards oudste zoon Imilius Josinus Willem
Hendrik (1844-1895) had kennelijk weer weinig aanleg voor
financiële zaken. Bij zijn dood overtroffen de schulden het
actief en zijn echtgenote Sjoukje Cats deed daarom maar snel
afstand van de tussen haar en Hendrik (zijn roepnaam)
bestaande gemeenschap van winst en verlies. De grote
schulden waren met name ontstaan door het almaar blijven
investeren in twee noodlijdende steenfabrieken.
Hendrik
heeft op oneervolle wijze zijn rijke moeder, Amelia
Gerardina de Schepper (1813-1906) op dat moment al weduwe,
grote sommen geld afhandig had gemaakt om zijn grote
tekorten te dekken. In feite had Hendrik met zijn grove
speculaties al veel meer dan zijn erfdeel opgesoupeerd. Dat
was althans het oordeel van zijn jongste zuster Adriana
Wilhelmina (1858-1926) en zal binnen de familie niet de
enige zijn geweest die dat vond. Tussen broer en zuster kwam
het daarna nooit meer goed, zelfs niet meer tussen haar en
de kinderen van haar broer.
Omdat ook
een andere broer dikwijls zijn financiële noden bekostigde
uit het vermogen van de weduwemoeder slonk dat tot
ontzetting van de rest van de familie zienderogen. Met name
door de inventiviteit van een kleinzoon van Buma werd het
resterende bezit van landerijen en effecten ondergebracht in
de naamloze Vennootschap de Maatschappij Harsta. Schoonzoon
Jhr. Idzerd Frans Humalda van Eysinga (1843-1907) trad als
president-commissaris van deze N.V. op. De hoogbejaarde
weduwe kreeg voortaan haar inkomsten uit de Maatschappij en
na haar dood erfden haar kinderen en kleinkinderen de
aandelen, met uitzondering vanzelfsprekend van de erven van
Hendrik.

"Schwartzenberghuis" op de Grote Kerkstraat 24
(hoek Bollemansteeg) te Leeuwarden.
Zo bezat
de familie Van Andringa de Kempenaer buiten alle landerijen
en landgoederen ook het huis "Schwartzenberghuis" op de
Grote Kerkstraat 24 te Leeuwarden, wat zij tot in de negentiende eeuw
bewoonden. In 1855 kocht jonkheer Tjaard Anne Marius van
Andringa de Kempenaer het pand voor veertienduizend
vaderlandsche guldens. Na zijn dood in 1870 bleef zijn weduwe Amelia Gerardina de
Schepper het huis tot haar overlijden in 1906 bewonen. Het
echtpaar Van Andringa de Kempenaar had drie zonen en zes
dochters. Een van de dochters, jonkvrouwe Adriana Wilhelmina
van Andringa de Kempenaer, werd op 26 december 1858 in het
huis geboren. Zij stelde later uitvoerig haar persoonlijke
herinneringen op schrift. Over haar geboortehuis schreef zij
onder meer: 'Het huis waarin ik woonde en geboren was,
behoorde tot eene der grootste en ouderwetse van Leeuwarden
en er grensde een ruim koetshuis met stalling aan, die door
een gang met het voorhuis verbonden waren'.
Het in
deze inventaris beschreven familiearchief is afkomstig van
leden van de familie De Kempenaer, van de daaruit
voortgekomen tak Van Andringa de Kempenaer en van verwante
families, zoals het geslacht Van Andringa. In deze inleiding
zal hoofdzakelijk aandacht worden besteed aan leden van de
familie die voor het archief van enig belang geweest zijn.
Hierbij zal voorbijgegaan worden aan drie min of meer
opmerkelijke vertegenwoordigers van het geslacht Van
Andringa de Kempenaer en wel Jhr. Onno Reint (1801-1868),
onder andere lid van het college van Gedeputeerde Staten van
Friesland, Jhr. Regnerus Livius (1804- 1854), bekend wegens
zijn contacten met koning Willem II en Jhr. Tjaard Anne
Marius Albert (1806-1870), onder meer lid van de Eerste
Kamer, allen zoons van Jhr. Antoon Anne (1777- 1825.
Regnerus van
Andringa (1674-1754) die lange jaren
grietman van Lemsterland was, legde door zijn grondaankopen
de basis voor het latere grondbezit van de familie Van Andringa de Kempenaer in die grietenij. Zo had hij in 1748
in de meerderheid van de dorpen aldaar de absolute
meerderheid van het aantal stemmen in zijn bezit weten te
krijgen, hetgeen aanzienlijk bijdroeg tot zijn politieke
macht. Hij gold toen als bijzonder vermogend, want op een
door Faber vervaardigde lijst van aangeslagene voor 80.000 Carolusguldens en meer (1749), komt hij voor met een
vermogen van 100.000 Carolusguldens. (Het maximum was meer
dan 200.000 Carolusguldens)
Het
befaamde veer van Lemmer op Amsterdam, waarvoor in 1709
octrooi was verleend aan Albert Hanses en dat doorgaande
verbindingen had met Leeuwarden en Groningen, is in de
eerste helft van de18de eeuw aan hem overgedragen. Zelf had
Regnerus al eerder toestemming van de Friese staten gekregen
om het veer van Lemmer op Kampen en Zwolle in te stellen.
Van hem is ook bekend dat hij handel en nijverheid in Lemmer
sterk bevorderde. De twee laatste mannelijke Andringa's, de
broers Regnerus en Livius Dirk bleven ongehuwd, waardoor
deze familie in 1765 uitstierf.
Daarmee
ging de naam Andringa echter niet verloren, want deze werd
toegevoegd aan de achternaam van de jongste zoon van Hendrik
de Kempenaer. Volgens aantekeningen zouden Regnerus en
Livius van Andringa, aan hun neef Hendrik een zoon van
Dancker de Kempenaer en Romelia van Andringa, verzocht hebben
een eventuele zoon de voornamen Regnerus Livius en als
achternaam Van Andringa de Kempenaer te geven. Daaraan werd
de belofte verbonden dat dit kind in hun erfenis zou delen.
In zijn fideï-commisairs testament bepaalde Regnerus van
Andringa in 1754 dat na verloop van tijd zijn goederen in
Lemsterland, alsmede de Lemster-veren zouden toekomen aan
Daniël Livius de Kempenaer een broer van Hendrik, de
goederen in Utingeradeel aan Augustinus Lycklama à
Nijeholteen, kleinzoon van Regnerus zuster Dedke en die in
Rauwerderhem aan Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer.
Wanneer één van de erfgenamen zou komen te overlijden,
zouden de twee anderen diens geërfde goederen onderling
moeten verdelen. Dit laatste vond plaats na het overlijden
van Daniël Livius (1772), en niet dan na lang touwtrekken.
Tenslotte werd overeengekomen dat Regnerus Livius de
goederen in Lemsterland zou krijgen en dat de Lemster-veren
tot nader order gemeenschappelijk bezit zouden blijven. Van
zijn vader erfde hij later nog bezittingen in
Weststellingwerf en Schoterland. Deze bezitsconcentratie had
tot resultaat dat Regnerus Livius naderhand tot één der
rijkste personen in Friesland gerekend kon worden. Op de
lijst van personen met een opbrengst uit vermogen van 3200
francs en meer (1811) is hij vermeld op de vijfde plaats met
10.000 francs. Hoogste op de lijst was zijn schoonzoon J.
N. du Tour met 13.900 francs.
Hendrik de
Kempenaer, die in 1729 rentmeester van de geestelijke
goederen in Peelland en in 1735 schepen van
's-Hertogenbosch werd, keerde in 1770 naar Friesland terug
met het oogmerk om de door zijn toen nog minderjarige zoon
Regnerus Livius geërfde en later nog te erven goederen goed
te kunnen beheren en omdat de meerder nabijheid bij
dezelven bij tijd en wijle aanleiding zoude kunnen geeven
tot voordeelen die anders niet te wagten waren. Hij doelde
daarbij ongetwijfeld op de overname van het grietmansambt
van Lemsterland bij een eventuele vacature.
Toen die
gelegenheid zich in 1772 na het overlijden van Hendriks
broer Daniël Livius voordeed, was Regnerus Livius, hoewel
hij nog maar 20 jaar oud was, in de ogen van de familie de
aangewezen persoon om hem op te volgen. In 1772, na zijn aanstelling als grietman,
vestigde hij zich op 'Andringastate' te Lemmer, dat hij
gekocht had uit de boedel van zijn oom Daniël Livius.
Daarvoor was hij nog student aan de Franeker universiteit
bij de mathematicus Nicolaas Ypeij.S. J. Fockema Andreae en
Th. J. Meijer, Album studio sorum Academiae Franekerensis.
Franeker, 1968.
Het is
overigens niet bekend of hij ooit een verzoek om geadeld te
worden ingediend heeft, hoewel in zijn persoonlijk archief
concept aanvragen voor zo'n titel aanwezig zijn Inv. nr.
43. Tot zijn persoonlijke papieren zou ook een begin van een
autobiografie behoord hebben, maar die was in 1920 al niet
meer aanwezig. Inv. nr. 650, p. 3. Regnerus Livius is
tweemaal gehuwd geweest; de eerste keer met de jong
overleden Judith Elisabeth d'Arnaud en daarna met Tjallinga
Aurelia Wilhelmina Camstra barones thoe Schwartzenberg en
Hohenlansberg, dochter van de oud-grietman van Wonseradeel.
Zij is na het overlijden van haar man in Arnhem, in 1813,
weer naar Friesland teruggekeerd. Uit het eerste huwelijk
stamden drie kinderen, onder wie de in 1816 tot jonkheer
verheven zoon Antoon Anne
Jhr. Mr.
A.A. van Andringa de Kempenaer, regeringsgezind (1814-1848)
in de periode 1814-1815: lid notabelenvergadering (1814),
lid Tweede Kamer, voornamen. Antoon Anne, geboorteplaats en
datum. Leeuwarden, 3 december 1777, overlijdensplaats en
-datum Den-Haag, 13 juni 1825, regeringsgezind (onder Willem
I)
Opleiding(en), academische studie en universiteit, Romeins
en hedendaags recht (gepromoveerd op dissertatie) Hogeschool
te Groningen tot 1798. Uit de privé-sfeer. Een jongere
halfbroer van hem was grietman van Lemsterland. Predikaten/adellijke
titels, jonkheer, 24 november 1816, gehuwd te Groningen, 7
oktober 1798 met Jkvr. A.M.C. Alberda van Ekenstein, Anna
Maria Catharina . Kinderen. 4 dochters en 8 zoons. En uit
het tweede huwelijk werden behalve Wilco en Julius Burmania
nog drie kinderen geboren. Jhr. Antoon Anne had tijdens de
afwezigheid van zijn vader diens goederen beheerd, en was
ook na diens overlijden daarmee belast.
De
erfgenamen bleken het evenwel niet eens te zijn over het
massaal' houden van de nalatenschap, zodat ten langen leste
de rechtbank van Leeuwarden bij vonnis van 1815 besliste dat
overgegaan moest worden tot scheiding. Tjallinga
Schwartzenberg woonde met haar kinderen afwisselend te
Lemmer en te Leeuwarden, waar zij een huis in de Grote
Kerkstraat bezaten. Toen Wilco grietman van Lemsterland
geworden was, kocht hij de aandelen die zijn broer en zuster
in Andringastate hadden. Wilco (1809-1873) studeerde aan het
Franeker Atheneum, maar beëindigde voortijdig zijn studie om
als vrijwilliger aan de Tiendaagse Veldtocht deel te nemen.
Hij bleef militair tot 1834 en keerde toen terug naar
Lemmer, waar hij van 1836-1851 het grietmansambt van
Lemsterland bekleedde. Lange tijd was hij ook administrerend
kerkvoogd van de Nederlandse Hervormde Kerk van Eesterga.
Verder was
hij onder meer actief in het dijksbestuur van De Zeven
Grietenijen en Stad Sloten en was hij administrateur van de
Grote Lemstersluis. Laatstgenoemde functie is mogelijk
verbonden geweest aan het 118e grietmansambt, want zijn
voorgangers waren onder meer zijn vader, zijn halfbroer
Antoon Anne en zijn zwager Willem Carel Gerard van Welderen
baron Rengers. In deze functie kwam hij in ernstig conflict
met het provinciaal bestuur van Friesland inzake de vraag of
de provincie al dan niet gerechtigd was om het bezit en het
beheer van de sluis over te nemen. Deze zaak werd, evenals het
geschil tussen Wilco en alweer het provinciaal bestuur over
de onderhoudsplicht van de Lemster Rien, voorlopig, tot voor
de Hoge Raad uitgevochten maar beide keren door hem
verloren.
Wilco,
zijn broer Julius Burmania en zijn zuster Quirina waren
gemeenschappelijk eigenaars van de Lemster veren. Hun vader
had dit bedrijf van veerschepen en wagenveren van onder meer
van Lemmer op Amsterdam, van Lemmer op Leeuwarden en
Groningen, indirect geërfd van Regnerus van Andringa en bij
testament bepaald dat dit bezit massaal zou moeten blijven
totdat zijn jongste kind de leeftijd van 20 jaar bereikt
had. Hoelang de familie dit goed functionerende bedrijf in
bezit gehouden heeft, is niet bekend; vermoedelijk heeft zij
het in de tweede helft van de vorige eeuw afgestoten. Zie
over het functioneren van het bedrijf een missive van het
grietenijbestuur van Lemsterland d. d. 6 september 1823 aan
Gedeputeerde Staten van Friesland (bijlage bij de notulen
van 16 juni 1825. Helaas is er weinig van de administratie
van de veren bewaard gebleven, zodat wij ons daarvan slechts
een globaal beeld kunnen vormen.
Wilco en
Julius richtten in 1859 een rekest aan de koning om geadeld
te worden. Zij meenden dat hun halfbroer Antoon Anne in 1816
vergeten had om eveneens voor hen adeldom te verzoeken. Met
hun verheffing hoopten zij tevens dat voor hun in vervolg
van tijd den schijn zal worden weggenomen alsof zij uit een
en anderen stam (dan Antoon Anne) zouden zijn
voortgesproten. Bij K. B. van 5 februari 1861 nr. 78
verkregen zij voor henzelf en hun afstammelingen het
predicaat jonkheer. Jhr. Wilco had uitgebreide bezittingen
in Lemsterland, die hij naliet aan zijn broer Julius
Burmania. Na de dood van Wilco is "Andringastate" te Lemmer
niet meer bewoond geweest door leden van de familie Van
Andringa de Kempenaer. De erfgenamen van Jhr. Julius
Burmania hebben het huis in 1888 verkocht. Laatstgenoemde, de
jongste zoon van Regnerus Livius, werd in 1813 in Arnhem
geboren.
Hij studeerde rechten in Franeker en Leiden en is
vervolgens korte tijd plaatsvervangend kantonrechter in
Lemmer geweest. Van 1840-1847 was hij grietman van
Doniawerstal, waarna hij zich als ambteloos burger met zijn
vrouw Aletta Catharina Alberda van Ekenstein en hun kinderen
in Leeuwarden vestigde. Voor het beheer van zijn Lemsterlandse bezittingen had hij een zaakwaarnemer, wiens
zoon later als contactpersoonvoor de jongere Van Andringa de
Kempenaers zou optreden. Van de zes kinderen trouwde de
jongste, Jhr. Quirinus met zijn achternicht jkvr. Adriana
Wilhelmina van Andringa de Kempenaer (Jeanne) (1858 - 1926.
Zij woonde na het overlijden van haar man lange tijd op
kasteel Wychen, waar zij zich wijdde aan het schrijven van
haar memoires.
Daarin
heeft zij de wereld beschreven waarin verschillende
familieleden en tijdgenoten in Friesland leefden. Jhr.
Julius oudste zoon Willem (1839-1910), studeerde in 1864 aan
de Koninklijke Academie te Delft af als civiel ingenieur. Na
als rijksopziener op de spoorwegdiensten werkzaam te zijn
geweest, werd hij in1881 benoemd tot directeur van de N. V.
De Groninger Waterleiding. Hij was gehuwd met Arentia
Johanna van Heloma (1836-1890. Zij kregen zes kinderen die
allen in Groningen werden geboren. De oudste zoon Jhr.
Julius Burmania (1873-1943) trouwde in 1904 met Marie
Antoinette Enschedé (1880-1972), een dochter van Johannes
Enschedé, firmant van de firma Joh. Enschedé en Zonen te
Haarlem.
Hij werd in 1912 benoemd tot notaris met als
standplaats Haren (Gr.), welk ambt hij tot zijn dood
bekleed heeft. In zijn vrije tijd was hij actief als
goochelaar en hij genoot door zijn talloze optredens een
zekere bekendheid. Het echtpaar had drie kinderen, van wie
Jkvr. Henriëtte trouwde met Jhr. Rutger Laman Trip. Jhr.
Willem trad in 1938 in het huwelijk met Machteld Matthes.
Hij was directeur van Joh. Enschedé en zonen, Grafische
Inrichting B. V. en later gedelegeerd commissaris bij dit
bedrijf. Vlak na de Tweede Wereldoorlog trad hij, als
reserveofficier, toe tot de Nederlandsche Militaire Missie
bij den Geallieerden Bestuursraad in Duitschland.
In de
rang van luitenant-kolonel werd hij belast met de waarneming
van het Nederlandse Consulaat-generaal te Düsseldorf, met
als ambtsgebied het Land Nordrhein-Westphalen. Verder
bekleedde hij diverse functies in organisaties van het
Nederlandse bedrijfsleven. Tot slot kan hier vermeld worden
dat de familie Van Andringa de Kempenaer, die in de vorige
eeuw tamelijk uitgebreid was, nu nog door slechts een klein
aantal leden vertegenwoordigd wordt. De stamhouder Jhr.
Julius Burmania (geboren 1963), is evenals alle andere leden
buiten de provincie Friesland woonachtig.
Friese, in
Lemmer geboren, grondbezitter uit een voornaam adellijk
geslacht, met bestuurders in opvolgende generaties. Werd
zelf op bijna 28-jarige leeftijd burgemeester van Het Bildt.
In de vijftien jaar dat hij in de Eerste Kamer zat een
behoudend lid, dat regelmatig het woord voerde. Werd in 1865
door een liberaal vervangen. conservatief in de periode
1850-1865: lid Eerste Kamer
Het
Grietmanshuis en het Grietenijhuis te Lemmer.
Het droeg de naam "Andringa State", aangezien leden van een
geslacht Van Andringa, grietmannen van Lemsterland, het in
eigendom hadden gehad en het hadden bewoond, n.l. Tinco van
Andringa, grietman van 1666 tot 1689 en zijn zoon Regnerus
van Andringa, grietman van 1692 tot 1741. Met de jongere
broer van deze laatste, Livius Theodorus, stierf dit
geslacht Van Andringa uit.
In het Aardrijkskundig Woordenboek van Nederland door P.H.
Witkamp, uitgave 1877, is op blz. 723, onder het hoofd
Lemmer, sprake van "Een aanzienlijk huis, Andringa State".
De laatste grietman die het bewoonde was jonkheer Wilco van
Andringa de Kempenaer, die deze functie vervulde van 1836
tot 1851. Zoals bekend, wijzigde de gemeentewet van 1851 de
naam grietman in burgemeester.
Op een in mijn bezit zijnde gravure van de Lemmer van
omstreeks 1780 komt dit huis voor, het onderschrift luidt De
Lemmer
naar 't Grietmanshuis te zien. Het Grietenijhuis was het
huidige gemeentehuis, hetwelk in 1898 is verbouwd en
verfraaid.
Vermeld zij, dat Stadhouder Willem V in 1773 in het
Grietmanshuis heeft vertoefd en Koning Willem II in 1846.
A. E. Klijnsma schrijft hieromtrent in "Lemsterlân. In
kuijerke troch it forline", uitgave 1975, op blz. 104 - 106
het volgende:
Foarstlike bisiken 1773, 23 july Steedhâlder Willem V komt
de moarns om 7 ûre mei synjacht yn de Lemmer oan. Hy
ûntfangt ynwenners oan hûs fan grytman Regnerus Livius van
Andringa. De tserkerie is oanwêzich en ds. Van Bleiswijk
häldt in taspraek. De boargerij hat seis eare bôgen
oprjochte en om hèalwei njoggenen wurdt ôfreizge nei
Oranjewâld.
1846.
Op 16 july
de jouns om 11 ûre is de Kening yn" e Lemmer oan kommen en
fuortdaliks op 'e boat "De Leeuw" stapt, dy't al yn 'e haven
lei te wachtsjen.
Op 22. july wie de Kening wer yn "e Lemmer. De boargerij hie
doe it foarrjocht S.M. yn har formidden to sjen. Grytman,
Rie en boargerij hienen allegear har bêst dien by it
oprjochtsjen fan earepoarten, flaggen ensfh. om dizze dei ta
in greate dei foar de Kening to meitsjen.
De sédiken eastlik fan 'e Lemmer waerden bisjoen en dêr
waerd S.M. troch it dykes-bistjûr ûntfongen. Yn it hûs fan
de grytman hat it gritenijbistjûr in meal oanbean. De jouns
om 8 ûre is de Kening mei synjacht nei Kampen ôfreizge.
Opmerking: De door Klijnsma genoemde grietman Regnerus
Livius Van Andringa heette ten rechte Regnerus Livius van
Andringa de Kempenaer; hij was grietman van 1772 tot 1816.
Bron:Adel in Friesland 1780-1880 en de ZFRL
| 1 |
2 |
Home
|