|

Beschrijving van de gebeurtenissen.
Benedictus van Teyens, geboren 24
okt 1736 te Beetsterzwaag,
Gedoopt op 28 oktober 1736 in
Beets, Beetsterzwaag en
Olterterp. Zoon van Saco van Teyens,
jonkheer en Etta Arnolda van Besten).
Secretaris van Opsterland, overleden
11 april 1804 te Beetsterzwaag, oud
67 jaar, gehuwd, op 58-jarige
leeftijd met zijn nog geen
vijfentwintig jarige huishoudster
Froukje Alberts, geboren 4 juli 1769
te Beetsterzwaag, overleden 30 april
1853 te Beetsterzwaag, oud 83 jaar,
weduwe. Froukje veinsde zwanger van
hem te zijn (of een miskraam) in
ieder geval werd het 1e kind een
jaar na hun huwelijk geboren. Ze
kregen in totaal drie kinderen; Etta,
Saco en Oeno. Etta Arnolda. Ze
woonden op Fockensstate, een in 1616
door grietman Martinus Fockens,
gebouwde en nu nog bestaande
boerderij aan het westeinde van de
Hoofdstraat.
Benedictus overleed in 1806 en
werd begraven in de Dorpskerk,
waar de familie een grafkelder
bezat. Froukje, zijn vrouw en
kinderen liggen op het kerkhof,
omdat na 1828 om hygiënische
redenen geen bijzettingen meer
mochten plaatsvinden in de
kerken. Etta volgde kostschool
in Leeuwarden en woonde, eenmaal
weer terug in Beetsterzwaag, in
een pand aan de Hoofdstraat,
eerst samen met haar broer Saco,
die een rechtenstudie had
gevolgd en later, toen moeder
Froukje overleden was samen met
Oeno.
Bij leven heeft Etta Arnolda
van Teyens, een daad verricht
waardoor oude ongetrouwde of
alleenstaande dames een
verzorgde oude dag konden
beleven. Ze stichtte de 'Van
Teyens Fundatie', een
gasthuis voor dames uit de
'mingegoede' stand, die van
onbesproken gedrag moesten
zijn, minstens vijftig jaar
oud en van protestantse
gezindte. Zij kregen gratis
kost en inwoning. Er konden
zes vrouwen wonen. Het
bestuur bestond uit
regenten. Op de
zolderverdieping is de
Regentenkamer nog steeds in
tact.
(De rouwborden) In de
raadzaal van de gemeente
Opsterland hangen er
twee, in de
regentenkamer van de Van
Teyensfundatie vinden we
er ook twee en in het
kerkje van Olterterp
zelfs vijf. Ze
herinneren allemaal aan
de rijke en adellijke
families: de Lycklama's,
de Van Teyens, de van
Boelens, en stammen uit
de 17de eeuw en 18de
eeuw, De hedendaagse
regenten vergaderen er
ook nu nog.)

Foto van:
www.walmar.nl
De dames moesten zich aan
allerlei regels houden. Een
daarvan is dat de gordijnen
moesten hangen in het door
de regenten bepaalde model.
Tot 2003 hebben hier nog een
viertal dames gewoond, met
gordijntjes in het juiste
model en zonder betaling van
huur. In 2003 is het pand
verbouwd tot
huisartsenpraktijk.
Er
hangt een waas van
geheimzinnigheid rond het
testament van Oeno, de
verdenking bestaat dat het
eerste testament wat Oeno heeft
laten opmaken, vervangen is door
een 2e testament. Daar gaan de
verhalen over dat er list,
bedrog en zelfs moord achter
zit. Ze hadden een huisvriend,
huisdokter Joachim Lunsingh
Tonckens.
Er wordt beweerd dat
hij de hand gehad heeft in het
onverwachts en vroegtijdig
overlijden van Saco die
zelfmoord pleegde (Saco had zich
de polsen doorgesneden, met een
scheermes) in 1856 in
Fockensstate, waar hij was gaan
wonen na de dood van zijn
moeder. Saco, had rechten
gestudeerd en bracht het tot
Statenlid van Friesland en tot
Grietman van Opsterland. De
relatie die Saco met zijn
buurman Lunsinhg Tonckens, had
was dermate slecht, dat als de
dokter op visite kwam, Saco als
een speer de deur uitging. (In
deze tegenwoordige tijd zou een
psychiater achter heel wat zaken
gekomen zijn, die waarschijnlijk
het daglicht niet zouden
verdragen) Maar ook Etta stierf
onverwacht, zes jaar na Saco in
1862. Volgens de bedienden had
zij geroepen naar Tonckens;
"Moordenaar, je hebt mij
vergiftigd!".
Aangezien Saco en
Etta ongetrouwd en kinderloos
stierven, kwamen ook hun
rijkdommen en bezittingen
uitgezonderd de Teyensfundatie
in het bezit van Oeno. Ten
slotte stierf ook vroegtijdig
"gekke" Oeno in 1866. Hij stikte
in zijn pap. Toen het testament
werd geopend bleek dokter
Tonckens op een aantal legaten
na, alle bezittingen te hebben
geërfd. Ook notaris Andreae
wordt ervan verdacht de regie te
hebben gehad in het in 1859 door
Oeno opgemaakte testament. De
geruchten werden versterkt toen
Tonckens dochter trouwde met de
zoon van notaris Andreae. Deze
zoon liet zich Fockema-Andreae
noemen ( de naam van z'n moeder
voor Andreae).
Benedictus had in zijn testament
bepaald, dat als zijn kinderen
voor hun 25e jaar kinderloos
zouden overlijden, zijn
eigendommen zouden overgaan
op het in leven zijnde naaste
bloed van Benedictus. Daar de
kinderen ouder zijn geworden dan
25, kregen ze de erfenis in
handen, maar ook de erfenis van
de riante nalatenschap van twee
ooms en tantes, die kinderloos
waren gebleven. Froukje de
weduwe van Benedictus, kreeg een
lijfrente van f 600,- gulden per
jaar. Mits ze niet ging trouwen,
wat dan ook niet gebeurde.
Over het testament is wel een
eeuw lang getwist, en processen
gevoerd. In september 1850 had
Oeno een eerste testament op
laten maken. In 1859 herriep hij
alle eerder beschikkingen en
liet hij Arnold Andrea, een
nieuwe laatste wilsbeschikking
opmaken, dat testament is bij
zijn overlijden geldig gebleken.
De rechtsgeldigheid van het
testament wordt nog bestreden
door de vermeende erfgenamen,
maar eisen tot nietigverklaring
zijn door de rechtelijke macht
steeds afgewezen. Het was een
aardig fortuin, de familie van
Teyens, had in de 18e eeuw veel
grondbezit in Friesland en
Groningen. Het was dan ook een
geslacht van verveners en
notabelen.
Oeno, was een geval apart. Er
werd verteld dat hij mee
kakelde met de kippen in het
kippenhok, hij droeg meerdere
jassen over elkaar heen, als het
buiten warm was en zat met
regenjas en opgestoken paraplu
in de kamer als het regende.
Buitenshuis werd hij altijd
begeleid door Jan Reinders de
Haan, (arbeider, geboren op 20
december 1806 te Drachten,
overleden op 2 februari 1894 te
Opsterland op 87-jarige
leeftijd) Waarschijnlijk was Oeno wat we nu noemen
"geestelijk gehandicapt" Alle
drie de kinderen zijn ongehuwd
gebleven.
Oeno kwam wel veel bij
zijn buurman, dokter Lunsingh
Tonckens over de vloer, maar hij
mocht van de doktersvrouw Helena
niet verder komen dan de keuken
(wat heel vreemd is, daar Saco
heel bang was voor de dokter, en
zelfmoord gepleegd heeft. Etta
die de dokter beschuldigde van
moord... waarom liet zij na zoveel
aantijgingen, Oeno dan toch in
de keuken. Waarom zei zij niet
na alle beschuldigingen, we
stoppen met de betrekkingen. Of
was er toch iets in het
vooruitzicht te bespeuren) Als Oeno in ieder geval wel daar
was, bemoeide het kindermeisje
Theodora Mühlschlegel zich met
hem, tot het moment van Etta's
overlijden.
Op 2 februari 1862 even
voordat Etta overleed,
beweerde deze Theodora, dat
door de tuin enkele zware
koffers en kisten zouden
zijn versleept naar het huis
van dokter Tonckens, een
paar huizen verderop (nu
Prins Heerlijk of 'Het huis
met de vier daken'). (Bij de
verbouwing van Bordena is er
daadwerkelijk gezocht naar
de schat, maar het enige wat
men vond waren turven in de
spouw van de muren.)
Theodora werd nadat ze dat
verteld had onmiddellijk
ontslagen.
De dood van Saco,
heeft er in ieder geval toe
geleid dat Etta en Oeno (had Oeno met zijn
geestelijke beperkingen hier
überhaupt benul van) in 1859
opnieuw bij de notaris een
nieuw testament hebben laten
maken. Dit is het testament
wat zoveel stof deed
opwaaien, of betreft het een
gruwelijke samenzwering.
Want toen het na het
overlijden van Oeno, door
notaris Andrea, het
testament werd voorgelezen,
bleek het dat dokter
Lunsingh Tonckens en zijn
vrouw, een groot deel van
Oeno's vermogen hadden
gekregen. Mr. Marcus van
Heloma, kantonrechter te
Heerenveen, kreeg een groot
legaat, en een aantal
boerderijen van in totaal
140 hectare landerijen. Mr
Ferdinand Adrianus van
Boelens, kantonrechter in
Beetsterzwaag, werd ook rijk
bedeeld.
De erfgenamen van hun moeder
Froukje Alberts kregen elk f
1500,- gulden. Syger,
Cornelis en Aukje Koopmans
kregen resp: f 10.000, f
8.000 en f 4.000. In het 1e
testament in 1850 wat Oeno
op advies van zijn moeder
Froukje heeft laten opmaken,
zal dat er heel anders uit
hebben gezien. Want een
huishoudster die door de
kinderen die zij aan
Benedictus geschonken heeft,
rijk is geworden, had toch
in de eerste instantie aan
haar familie gedacht. En
niet direct aan de
notabellen van het dorp. En
dan niet te vergeten Etta,
die het juist met de armen
en behoeftige ophad ('Van
Teyens Fundatie') want zo
waren er wel personen die in
dienst waren geweest bij van
Teyens, die een levenslange
uitkering kregen van f 5,-
per week. Zij moesten daar
wel bij ontvangst een legaat
voor tekenen, zodat er
verder geen bezwaar meer zou
opdoemen bij de uitvoering
van dat testament. (waarom,
want er mag aangenomen
worden dat ze hier dik
tevreden mee waren, velen
anderen zouden in het
armenhuis terecht zijn
gekomen, of als ze geluk
hadden ander werk gevonden
hebben).
En dan nog, waarom
bang voor het personeel
zijn, in die tijd met alle
respect waren de meeste
dienbaren analfabeet, en al
helemaal niet thuis in
procedures en rechtszaken.
Dus er was een zekere angst
aanwezig, om op deze manier,
het net zo dicht te trekken.
Het testament uit 1850 was
in 1956 nog bij notaris
Harterink. Twee neven Jan Pruim
(afstammeling van Jan
Kaspers) en Jouke Sluik,
eisten opening van dat 1e
testament. Want volgens
Pruim zou Oeno, in dat
testament zijn vermogen
hebben nagelaten aan
Hesseltje Kaspers, het
lievelingsnichtje van
Froukje Alberts, die
jarenlang als dienstmeisje
bij de van Teyens, had
gewerkt. Maar de nazaten van
Lunsingh Tonckens, weigerden
inzage. Inmiddels was het
testament al overgedragen
aan notaris A. W. Duintjer.
Ook die eis wees de
rechtbank af. Jan Pruim was
inmiddels al een oude baas
geworden van over de 80
jaar, en stond er nu
helemaal alleen voor.
Brieven aan de koningin
mochten ook niet baten, want
die moest het doorsturen aan
het ministerie van Justitie,
maar die wees de eis, ja hoe
kan het ook anders ook af.
Gelukkig was er wel een
persoon, die het niet
vertrouwde dat was Tjibbe
Alberts Koopmans, geboren te
Beetsterzwaag 28 juli 1826,
van beroep zaakwaarnemer
aldaar, overleden op 5
oktober 1871 te Beetsterzwaag, hij trouwde
op 14 mei 1860 te Oisterwijk
(NB) met Sara Adriana
Barrau, geboren te
Oisterwijk op 30 januari
1836 en overleden te Ede op
2 juni 1922, dochter van
Anthonij Barrau en Antonia
Adriana Wensch. Zij
hertrouwde Tjerk de Vries.
Tjibbe is op één na de
jongste zoon van Albert
Melles Koopmans, griffier
van het vredesgerecht en
grietenijontvanger te
Beetsterzwaag, en van Aafke
Cornelis Hartmans. Tjibbe
was een achterneef van
Froukje Alberts, en die nam
het niet. Hij eiste in 1867
verzegeling van de inboedel,
omdat de erflater niet
bekwaam was, niet bij zijn
volle verstand. Verder
voerde Koopmans aan dat de
aandoening (geestelijke
gesteldheid) van Oeno alom
bekend was en dat, dat de
erfgenamen die al zeer
vermogend waren, juist tot
erfgenamen waren benoemd.
Met de voorbijgang van de
familie van moeders kant die
onbemiddeld waren en van
onbesproken gedrag. Koopmans
kreeg zijn gelijk van de
rechtbank in Heerenveen.
(Volgens Tresoar is Tjibbe
een vrouwspersoon, dit is
onjuist het is een
manspersoon)
Maar daar ging Lunsingh
Tonckens, niet mee akkoord,
en ging in beroep bij het
gerechtshof in Leeuwarden,
dat de eis van Koopmans ook
direct van tafel veegde, en
zodoende trok Lunsingh
Tonckens, toch nog aan het
langste end. Waarschijnlijk
door toedoen van de
connecties die hij had van
familieleden (schoonzoon)
waren, griffier,
kantonrechter, advocaat en
procureur enz. Zijn vrouw
Helena Koumans Smeding, haar
vader was uitgever van de
Leeuwarder Courant.
Toen Oeno drie jaar was overleden,
trouwde Elisabeth Reinardina
Tonckens (de oudste dochter)
met de jurist en latere
hoogleraar rechten,
Sybrandus Johannes Fockema
Andrea, hij was de zoon van
Arnold Andrea. Ja! deze man
de notaris die het testament
samen met de dokter heeft
opgemaakt, dus zal het niet
moeilijk zijn geweest. Deze
onderlegde mensen had de
heer Koopmans, natuurlijk
niet achter zich staan.
Later is wel beweerd dat
Koopmans zich tevreden
gesteld zou hebben met een
grote som geld, maar of dat
de waarheid is, want dan had
hij dat moeten delen met de
andere familie leden. Hij
had dat nooit stil kunnen
houden want er was al te
veel om te doen geweest,
(eerder was hijzelf
geruïneerd door alle
processen).
En dat blijkt
later ook want in 1892 deden
leden van de familie Alberts,
van zich horen, en stuurden
petities naar de kroon en de
hoge Raad. Maar dat mocht
ook niet baten, in 1910 na
het overlijden van de weduwe Lunsingh Tonckens, waagden
ze weer een poging. De
erfgenamen van Froukje
Kaspers die al aardig
uitgebreid was met Kaspers
en Buursma, namen zelf
getuigenverklaringen op,
waaronder een belangrijke
van Theodora Mühlschlegel.
Die haar verhaal van
destijds staafde zoals boven
al genoemd is, ook dit wierp
geen vruchten af.
TONCKENS (Joachimus
Lunsingh) (1), geb.
te Westervelde, op 28 Maart
1817, overl. te 's
Gravenhage, op 1 April 1893,
zoon van
Elzo
Tonckens en
Elisabeth Reinders
Nijesikkinge, liet
zich op 20 Nov. 1834
inschrijven als student aan
de hoogeschool te Groningen,
waar hij op 29 Juni 1842
promoveerde tot med. doctor
op een proefschrift De
inversione uteri en op 4
Maart 1843 op stellingen in
de verloskunde. Hij was
eerst med. dr. te
Beetsterzwaag, daarna
burgemeester van Opsterland
en lid der Provinciale
staten van Friesland. Op 15
Juli 1847 huwde hij te
Leeuwarden met
Helena
Aletta Koumans Smeding,
aldaar geb. op 2 Febr. 1826,
overl. te 's Gravenhage, op 4
Oct. 1910.
Dokter Tonckens, liet
van het geld in 1868 het
huis bouwen, dat nu Bordena
heet (afgeleid van de rivier
de Boorn). Tegenwoordig is
er de bibliotheek in
gevestigd.

Rechts
het huis, waar de familie van Teyens
heeft gewoond, later de pastorie der
Ned. Herv. Gemeente. In het huis links
woonde dr. Tonckens.
In 1895 heeft mevrouw
Tonckens, na de dood
(zelfmoord) van haar man, het
huis geschonken aan de kerk,
die het gebruikte als
pastorie.) Alweer een
opmerkelijk gegeven, waarom
heeft dokter Tonckens,
zelfmoord gepleegd (was het
zelfmoord?). Heeft de dokter
veel schulden gehad?
speelschulden? werd hij
gechanteerd? heeft hij
verkeerde zaken gedaan met
verlies?
Het ontwerp
voor de nieuwe kerk werd
opgedragen, aan de Hoogeveense
gemeentearchitect Jan
Carmiggelt. Op 14 augustus
1892 werd zijn plan
besproken in een
bestuursvergadering. De
totale kosten voor een kerk
met 350 zitplaatsen, "inbegrepen het salaris voor de
deskundige, het ameublement,
de bestrating, het hekwerk
en het plantsoen" bedroegen fl. 9.500,--. Op de
spaarrekening stond nog fl.
500,--, dus een reusachtig
tekort van fl. 9.000,--
Staande de vergadering bleek
dat dit tekort fl.9.000,--
lager uitviel. mr. Joachimus
Lunsingh Tonckens
(voorzitter) en mej.
Scheltens bleken beiden voor
de kerkbouw een vorstelijke
gift van fl. 500,-- te
hebben toegezegd.
Het
resterende bedrag van fl.
8.000,-- dacht men bijeen te
krijgen door het uitgeven
van renteloze aandelen ad
fl. 25,--. Jaarlijks zouden
minimaal zes aandelen
afgelost worden, dus fl.
150,- aflossing per jaar.
Dat betekende dat als de
Remonstrantse Gemeente,
slecht bij kas zou blijven, de volledige
afbetaling van de lening 54 jaar zou
gaan duren. Waarschijnlijk wist
zijn vrouw hier niks vanaf,
zodat Oeno van de "dokter"
alleen maar in de keuken
mocht komen, want zijn vrouw
"in die tijd", zal niet veel
in de keuken gekomen zijn.
Werd daar van alles geregeld
met Oeno, die van niks wist
en niks begreep? we zullen
het waarschijnlijk niet te
weten komen. Dat zal wel
veilig gesteld of vernietigd
zijn. Maar dat er zoveel
mysteries achter het
testament zitten, is wel
duidelijk.
Over het geld is veel
gespeculeerd, gefantaseerd?
de waarheid? de kranten
schreven over een bedrag van
negentig miljoen,
verschillende andere kranten
schreven over nog hogere
bedragen. Maar de
nakomelingen van dokter Lunsingh Tonckens,
publiceerden in een
kwartierstaat van 1975 dat
er niet meer was geërfd dan
amper 3 ton. Dat zou Oeno,
dan rap hebben moeten
opgemaakt, terwijl hij de
deur niet uitkwam, en niet
goed bij zijn verstand zou zijn.
Maar ja daarom kan je wel
geld uitgeven natuurlijk,
maar dan moeten meerderen,
daar van geweten hebben, de
toezichthouder, de
boekhouder.. die hadden dan
wel aan de bel getrokken.
Dus die 3 ton is absoluut
niet geloofwaardig en berust
waarschijnlijk op fantasie,
deze berichten die in de
kranten hebben gestaan,
zullen hun ook niet vrolijk
hebben gemaakt, tenslotte
kan deze generatie er ook
niks aan doen? of ze zouden
hun best moeten doen om het
te bewijzen, en die bewijzen
zijn er.
Verder waren er verhalen
geruchten, dat de zaak echt
niet pluis was, in
Beetsterzwaag, ging het de
ronde dat Oeno, onder druk
gezet was, om geen bezwaar
te maken tegen het testament
dat de notaris en de dokter
tezamen hadden opgesteld
(hoe zou de arme stumpert
dat kunnen) Men zou hem
hebben beloofd dat hij niet
meer een dwangbuis zou
hoeven dragen, als hij mee
zou werken. (in die tijd
werden die maatregelen
veelal gebruikt, om de
patiënten te binden) De
verdachtmakingen gingen ook
weer over de vergiftigingen
van Etta en Oeno, zoals
hierboven al eerder
beschreven. Was het
achterklap of de waarheid,
vreemd is dat er geen
onderzoek naar gedaan is,
dat had de Tonckens, vrij
kunnen pleiten. Alhoewel een
arts dat wel heel goed wist
te doen, zonder dat het
opgemerkt zou worden.
De
afstammelingen richten in 1929
de Oeno Van Teijensvereniging
op, wat op ruim 200 aanmeldingen
kwam te staan, of het allemaal
werkelijke familieleden waren, is
nog maar de vraag. De oprichting
was een idee van Chris Hofman,
uit Sloten, achterkleinzoon van
Jan Kaspers, een neef van
Froukje Alberts. De vereniging
deed een verzoek in Leeuwarden,
om gratis te mogen procederen
want geld hadden ze niet. En dat het
al zoveel gekost had, daar wist Teake
Buursma van mee te praten in
1913. Maar hoe kon het ook
anders, werd ook het verzoek van
deze vereniging afgewezen.
Dat kwam
door de verklaring van mr.
Binnert baron van Harinxma thoe
Slooten, die zou een huis van
Oeno gehuurd hebben? (De Harinxma thoe Slooten die een
huis huurden van Oeno, half
Beetsterzwaag was van hen) Maar
die beweerde dat hij nooit iets
vreemds aan Oeno had bemerkt,
Oeno was zelfs heel verstandig,
deze verklaring werd ondersteund,
door dochters van de predikant Claudius van Herwerden, die
destijds predikant van
Beetsterzwaag was.
zie ook verhaal Zestiene
relaas.
Maar helemaal zuiver waren deze
verklaringen ook weer niet, de 2
dochters en van Herwerden, hadden
tot de vrienden van Lunsingh
Tonckens, behoord. Van Harinxma,
heeft zelfs een vreemde rol
gespeel bij het boek van Willem
van Harpen's leerjaren.
Vergeten
leden A.J.
ten Brink.
Heel vaak
zal het niet
zijn
voorgekomen,
dat twee
broers lid
waren van de
Maatschappij.
Albertus Jan
ten Brink
(1836-1917)
was dit
voorrecht
beschoren,
samen met
zijn broer
Jan
(1834-1901),
de Leidse
hoogleraar,
die zo'n
moeizame
verhouding
had met de
Nieuwe Gidsers.
A.J. ten
Brink moet
van het
begin af in
de schaduw
van zijn
broer hebben
gestaan. Jan
was de
oudste zoon.
Toen A.J. in
Utrecht
theologie
ging
studeren,
was Jan hem
voorgegaan.
A.J. schreef
in de
Utrechtsche
Studentenalmanak,
maar Jan was
hem weer
vóór en
schopte het
bovendien
tot
redacteur.
Waar Jan in
1857 een
gouden
medaille
mocht
ophalen in
Groningen
voor zijn
studie over
Bredero, was
een
dergelijke
bekroning
voor A.J.
niet
weggelegd.
Voorzien van
loffelijke
getuigschriften
zijn er
hoogleraren
(met name
van Rovers
en Karsten),
werd hij in
1860
gouverneur
bij de
familie
Harinxma
thoe Slooten,
te
Beetsterzwaag,
waar hij met
goed gevolg
den oudsten
zoon voor de
academische
lessen
bekwaamde.
In 1863 werd
hij docent
in oude
talen aan
het
instituut Kapteyn. In
'66 vertrok
hij naar
Ravestein,
waar hij bij
verschillende
notabele
families
huisonderwijs
gaf in oude
en nieuwe
talen,
wiskunde,
geschiedenis
en
aardrijkskunde. Zijn
ervaringen
aldaar
verwerkte
hij in de
roman Willem
van Harpen's
leerjaren.
De familie
Harinxma,
kocht zoveel
mogelijk
exemplaren
op om ze te
vernietigen.
Het
boek beschreef de personen, in de
kwestie van Oeno en het testament,
maar dit was niet zo vleiend voor
deze personen. Van Harinxma deed
heel veel moeite om de hele oplaag
op te kopen, dit is hem ook gelukt.
De eerste socialistische wethouder in
Nederland, is geboren te Beetsterzwaag op 25 februari 1850 en
overleden aldaar op 24 maart 1925.
Hij was de zoon van Gerben Pieters
Vrijburg, timmerknecht, later
zelfstandig timmerman en herbergier,
en Antje Jochums Beetsma.
(Bij de wethoudersverkiezing werd
Vrijburg, na vier stemmingen met
liberale steun tot wethouder
gekozen. Ten onrechte wordt Van
Zinderen Bakker, vaak als de eerste
socialistische wethouder vermeld,
maar deze bezette pas twee jaar
later, toen de Volkspartij de
meerderheid in de Opsterlandse raad
veroverde, de tweede
wethouderszetel. Vrijburg was
populair in zijn woonplaats en had
getoond niet bang te zijn voor de
machtige adellijke geslachten in
Beetsterzwaag, waar vier families
bijna alle grond in eigendom hadden.
Dat hij in Beetsterzwaag woonde,
waar het gemeentehuis van Opsterland
stond, speelde een belangrijke rol
bij zijn kandidatuur. In de
gemeentepolitiek zou hij echter, in
de schaduw van Van Zinderen Bakker,
een bescheiden rol spelen, al liet
hij een aantal keren kritiek horen
op de adel en zijn plaatselijke
politieke medestanders.)
De
socialistische Willem Vrijburg,
bracht de boel in beroering door
aan Ferdinand Domela Nieuwenhuis,
details te bekennen, zoals welke
mensen achter de pseudoniemen zaten,
en gaf daar ook nog wat onthutsende
zaken bij bloot, dat was een kolfje
naar de hand van de vereniging,
zodat in 1935 Otto Rozema (Otto
Rozema, geboren op 10 mei 1864 in
Groningen) en zijn vrouw Froukje
Kaspers vernietiging van het
testament eisten. Op 28 februari
1935 verklaarde de rechter de eisers
niet ontvankelijk, maar dat is na
lang wachten op niks uitgelopen, de procureur viel er over, dat de
naam Alberts (van Froukje) nu pas de
naam Kaspers opdook. nb. in 1811
werden de mensen pas verplicht, door
Napoleon, een achternaam te
dragen. In 1937 verklaarde de
rechtbank de eisers niet
ontvankelijk. Het was toen
natuurlijk niet te bewijzen of Oeno,
nu wel bij zijn verstand was of
niet. Maar nu zou dat met een DNA
toch wel mogelijk moeten zijn.

Hepkema krant: 22-08-1934

Leeuwarder
Courant: 10-06-1937
Een andere markante lijn in de geschiedenis van
Opsterland is die van de adel. Deze in of rond Beetsterzwaag, wonende families (Fockens,
Van Teijens, Lycklama à Nijeholt en andere) vinden we nog terug in de lijst van
grietmannen. Deze mannen vertegenwoordigden (vanaf de 13e eeuw tot 1851) de
grietenij (de voorloper van de gemeente) en spraken ook recht. Deze families
spelen ook een belangrijke rol bij de ontginning van de veengebieden. Zij vormen
de belangrijkste partij in de veen compagnieën. In dit opzicht zijn ze ook de
partij in de hiervoor aangeduide politieke geschiedenis van onze gemeente. In een kapellenlijst van 1315 wordt Beetsterzwaag
al genoemd.
De kerk van Beetsterzwaag ligt niet, zoals in veel Friese dorpen, in
het centrum, maar iets ten Noorden van de hoofdstraat. Oorspronkelijk lag de
kerk wel precies in het centrum: aan de kruising van het Kerkepad West en het
Kerkepad Oost en nog een ander pad dat naar Boornbergum leidt. Deze kerkpaden
vormden de oudste verbindingswegen tussen Beets, Beetsterzwaag en Olterterp.
Gaandeweg is deze weg, die nu Hoofdstraat heet, echter belangrijker geworden als
verbinding tussen de dorpen.
Van de
middeleeuwse kerk, gewijd aan Sint
Maarten, is een afbeelding bekend,
gemaakt door de tekenaar J. Stellingwerf.
Maar de betrouwbaarheid hiervan is
onzeker. Tegen het einde van de
achttiende eeuw was de middeleeuwse kerk
in zeer slechte staat geraakt. Op een
gemeentevergadering van lidmaten van de
kerk (4 februari 1803) werd het voorstel
gedaan, dat een nieuwe en grotere kerk
gebouwd zou worden, geheel op kosten van
de Heren Reinhart van Lynden, Tinco en
Benedictus van Teyens en Juffer Hijma
van Teyens.

Bij de
ingebruikname van de kerk in 1804 is een
lijst opgesteld van alle giften. Hiervan
zijn de belangrijkste: de koperen
lessenaar voor de grote Bijbel op de
kansel met de initialen van de schenker
in krulletters: F. G. A. B. v. L.- Baron
van Lynden. Juffrouw Van Teyens, schonk
een koperen lessenaar voor de voorlezer,
haar initialen staan er ook in
krulletters op. De koperen blakers en
kleine kandelaars worden niet genoemd en
zijn misschien nog afkomstig uit de oude
kerk.
Oud-Fiscaalske van der Vecht
schonk ook een koperen
kaarsenkroon. Evenals Raadsheer
van Boelens. Nog steeds hangen
de drie koperen kronen in de
kerk. Procureur Fiscaal Idzerda
gaf twee zwarte fluwelen
armzakjes (collectezakjes voor
de diaconie) met franjekwastjes
met aan ieder zakje een zilveren
belletje.
Freule
van Lynden droeg een zilveren doopbekken
in een koperen ring bij. In de kerk zijn
de oude grafstenen van de familie
Fockens, bewoners van Fockensstate, in
de vloer gelegd. De oudste grafzerk is
voor Hepcko Fockens, grietman over
Opsterland en Gedeputeerde van
Friesland, overleden 19 maart 1614 en
zijn vrouw Martien Martini.
In
dit graf ligt ook begraven Saco
Fockens, grietman over
Lemsterland, overleden 13
december 1665. De andere
grafzerk is van Martinus
Fockens, zoon van Hepcko en
Martien, ook grietman over
Opsterland, gestorven 18 januari
1635. Deze grafzerken zijn ook
bij de restauratie van 1964
bewaard gebleven. Alle andere
grafstenen zijn toen uit de kerk
verwijderd. Op het kerkhof
vinden we de graven van vele
bekende families uit de
geschiedenis van Beetsterzwaag,
waaronder die van de families
Van Harinxma thoe Slooten en Van
Teyens.
De
oudste grafsteen, op rij 13 aan
de zuidkant van de kerk, is van
Jan Janssen Lauswolt,
dorpsrechter en lakenkoper te
Beetsterzwaag, overleden 2 juli
1655 en van zijn huisvrouw Antje
Hendrickx, overleden 2 juni
1665. In het midden van deze
hardstenen zerk is het
alliantiewapen nog duidelijk te
zien.
Binnen een hekwerk met symbolen
van het eeuwig leven, de slang
met de staart in de bek, liggen
Frouwkjen Alberts, husvrouw van
Benedictus Van Teyens, met haar
drie kinderen Saco, Etta Arnolda
en Oene Van Teyens begraven. Zij
waren de laatsten van dit
geslacht. Hun naam leeft voort
in de Van Teyensfundatie.

Halverwege de negentiende eeuw
wilde Baronesse van Lynden,
geboren Van Borcharen, de kerk
een orgel schenken als
herinnering aan haar jong
gestorven dochter Ypkjen
Hillegonda. Het orgel werd
gebouwd door de orgelbouwers L.
van Dam en zonen te Leeuwarden.
In 1856 werd het orgel
feestelijk in gebruik genomen
met een orgelconcert. Het orgel
werd in 1952 gerestaureerd door
de firma Flentrop. Een koperen
bordje aan de orgelgalerij
vermeldt het bouwjaar en de
schenking.
Andreae, Sijbrandus Johannes
(door naamstoevoeging bij KB van
23-2-1862 nr. 102 gewijzigd in
Fockema Andreae),
rechtshistoricus (Beetsterzwaag
4-6-1844 - Leiden 17-1-1921).
Zoon van Arnold Andreae,
notaris, en Geeske Fockema.
Gehuwd op 19-5-1870 met Elisabeth Reinardina Tonckens.
Uit dit huwelijk werden 2 zoons
en 2 dochters geboren. Fockema
Andreae bezocht, na drie jaar
privaatles van een gouverneur,
het gymnasium te Leeuwarden en
studeerde vanaf 1863 rechten in
Leiden. Op 16 december 1868
promoveerde hij aldaar op een
proefschrift Beschouwingen over
burenrecht. Hij begon een
carrière bij de rechterlijke
macht, eerst als kantonrechter
in Lemmer en in Hillegersberg,
daarna als rechter in Leiden en
in Amsterdam. In 1877 werd hij
benoemd tot hoogleraar in het
oud-vaderlands recht te Leiden,
een ambt dat hij tot zijn
emeritaat in 1914 zou bekleden.
WILLINGE, Jan Hendrik
Personalia: NH * Gieten
17-8-1772 - + Assen 6-12-1813;
zn. van Berend Tjassens,
predikant te Gieten, en Gezina
Nijsingh; tr. 1803 Trijntje
Tonckens, dr. van
Joachimus Lunsingh Tonckens en Maria Hellenga (Trijntje
hertrouwde in 1824 met Warmold Lunsingh Tonckens,
advocaat en griffier); Loopbaan:
studie rechten Groningen
(promotie 1793); 1793-1805
advocaat in de Landschap
Drenthe, 1802 advocaat-fiscaal
van de drost, jan -nov 1805
procureur-generaal
Departementaal Gerechtshof
Drenthe, sinds nov 1805
secretaris van dit Hof, bleef
tot zijn dood griffier Rb Assen;
Opgave 1810: verklaarde een
eigen huis, wat landerijen en
wat effecten te bezitten,
waarvan de opbrengst
ontoereikend is om van te leven;
was toen gehuwd en had drie
kinderen;
Bronnen: NP 31 (1945)
381-382; Buning, Herenbolwerk,
108; Nationaal Archief MJP, 331,
nr. 31; Stukken Willinge in
Drents Archief, Archief Huis
Mensinge te Roden;
|