Beschrijving van de gebeurtenissen.

Benedictus van Teyens, geboren 24 okt 1736 te Beetsterzwaag, Gedoopt op 28 oktober 1736 in Beets, Beetsterzwaag en Olterterp. Zoon van Saco van Teyens, jonkheer en Etta Arnolda van Besten). Secretaris van Opsterland, overleden 11 april 1804 te Beetsterzwaag, oud 67 jaar, gehuwd, op 58-jarige leeftijd met zijn nog geen vijfentwintig jarige huishoudster Froukje Alberts, geboren 4 juli 1769 te Beetsterzwaag, overleden 30 april 1853 te Beetsterzwaag, oud 83 jaar, weduwe. Froukje veinsde zwanger van hem te zijn (of een miskraam) in ieder geval werd het 1e kind een jaar na hun huwelijk geboren. Ze kregen in totaal drie kinderen; Etta, Saco en Oeno. Etta Arnolda. Ze woonden op Fockensstate, een in 1616 door grietman Martinus Fockens, gebouwde en nu nog bestaande boerderij aan het westeinde van de Hoofdstraat. 

Benedictus overleed in 1806 en werd begraven in de Dorpskerk, waar de familie een grafkelder bezat. Froukje, zijn vrouw en kinderen liggen op het kerkhof, omdat na 1828 om hygiënische redenen geen bijzettingen meer mochten plaatsvinden in de kerken. Etta volgde kostschool in Leeuwarden en woonde, eenmaal weer terug in Beetsterzwaag, in een pand aan de Hoofdstraat, eerst samen met haar broer Saco, die een rechtenstudie had gevolgd en later, toen moeder Froukje overleden was samen met Oeno.

Bij leven heeft Etta Arnolda van Teyens, een daad verricht waardoor oude ongetrouwde of alleenstaande dames een verzorgde oude dag konden beleven. Ze stichtte de 'Van Teyens Fundatie', een gasthuis voor dames uit de 'mingegoede' stand, die van onbesproken gedrag moesten zijn, minstens vijftig jaar oud en van protestantse gezindte. Zij  kregen gratis kost en inwoning. Er konden zes vrouwen wonen. Het bestuur bestond uit regenten. Op de zolderverdieping is de Regentenkamer nog steeds in tact.

(De rouwborden) In de raadzaal van de gemeente Opsterland hangen er twee, in de regentenkamer van de Van Teyensfundatie vinden we er ook twee en in het kerkje van Olterterp zelfs vijf. Ze herinneren allemaal aan de rijke en adellijke families: de Lycklama's, de Van Teyens, de van Boelens, en stammen uit de 17de eeuw en 18de eeuw, De hedendaagse regenten vergaderen er ook nu nog.)

 

Foto van: www.walmar.nl

 

De dames moesten zich aan allerlei regels houden. Een daarvan is dat de gordijnen moesten hangen in het door de regenten bepaalde model.

Tot 2003 hebben hier nog een viertal dames gewoond, met gordijntjes in het juiste model en zonder betaling van huur. In 2003 is het pand verbouwd tot huisartsenpraktijk.
Er hangt een waas van geheimzinnigheid rond het testament van Oeno, de verdenking bestaat dat het eerste testament wat Oeno heeft laten opmaken, vervangen is door een 2e testament. Daar gaan de verhalen over dat er list, bedrog en zelfs moord achter zit. Ze hadden een huisvriend, huisdokter Joachim Lunsingh Tonckens.

Er wordt beweerd dat hij de hand gehad heeft in het onverwachts en vroegtijdig overlijden van Saco die zelfmoord pleegde (Saco had zich de polsen doorgesneden, met een scheermes) in 1856 in Fockensstate, waar hij was gaan wonen na de dood van zijn moeder. Saco, had rechten gestudeerd en bracht het tot Statenlid van Friesland en tot Grietman van Opsterland. De relatie die Saco met zijn buurman Lunsinhg Tonckens, had was dermate slecht, dat als de dokter op visite kwam, Saco als een speer de deur uitging. (In deze tegenwoordige tijd zou een psychiater achter heel wat zaken gekomen zijn, die waarschijnlijk het daglicht niet zouden verdragen)  Maar ook Etta stierf onverwacht, zes jaar na Saco in 1862. Volgens de bedienden had zij geroepen naar Tonckens; "Moordenaar, je hebt mij vergiftigd!".

Aangezien Saco en Etta ongetrouwd en kinderloos stierven, kwamen ook hun rijkdommen en bezittingen uitgezonderd de Teyensfundatie in het bezit van Oeno. Ten slotte stierf ook vroegtijdig "gekke" Oeno in 1866. Hij stikte in zijn pap. Toen het testament werd geopend bleek dokter Tonckens op een aantal legaten na, alle bezittingen te hebben geërfd. Ook notaris Andreae wordt ervan verdacht de regie te hebben gehad in het in 1859 door Oeno opgemaakte testament. De geruchten werden versterkt toen Tonckens dochter trouwde met de zoon van notaris Andreae.  Deze zoon liet zich Fockema-Andreae noemen ( de naam van z'n moeder voor Andreae).

Benedictus had in zijn testament bepaald, dat als zijn kinderen voor hun 25e jaar kinderloos zouden overlijden, zijn eigendommen zouden overgaan op het in leven zijnde naaste bloed van Benedictus. Daar de kinderen ouder zijn geworden dan 25, kregen ze de erfenis in handen, maar ook de erfenis van de riante nalatenschap van twee ooms en tantes, die kinderloos waren gebleven. Froukje de weduwe van Benedictus, kreeg een lijfrente van f 600,- gulden per jaar. Mits ze niet ging trouwen, wat dan ook niet gebeurde.

Over het testament is wel een eeuw lang getwist, en processen gevoerd. In september 1850 had Oeno een eerste testament op laten maken. In 1859 herriep hij alle eerder beschikkingen en liet hij Arnold Andrea, een nieuwe laatste wilsbeschikking opmaken, dat testament is bij zijn overlijden geldig gebleken. De rechtsgeldigheid van het testament wordt nog bestreden door de vermeende erfgenamen, maar eisen tot nietigverklaring zijn door de rechtelijke macht steeds afgewezen. Het was een aardig fortuin, de familie van Teyens, had in de 18e eeuw veel grondbezit in Friesland en Groningen. Het was dan ook een geslacht van verveners en notabelen.

Oeno, was een geval apart. Er werd verteld dat hij mee kakelde met de kippen in het kippenhok, hij droeg meerdere jassen over elkaar heen, als het buiten warm was en zat met regenjas en opgestoken paraplu in de kamer als het regende. Buitenshuis werd hij altijd begeleid door Jan Reinders de Haan, (arbeider, geboren op 20 december 1806 te Drachten, overleden op 2 februari 1894 te Opsterland op 87-jarige leeftijd) Waarschijnlijk was Oeno wat we nu noemen "geestelijk gehandicapt" Alle drie de kinderen zijn ongehuwd gebleven. 

Oeno kwam wel veel bij zijn buurman, dokter Lunsingh Tonckens over de vloer, maar hij mocht van de doktersvrouw Helena niet verder komen dan de keuken (wat heel vreemd is, daar Saco heel bang was voor de dokter, en zelfmoord gepleegd heeft. Etta die de dokter beschuldigde van moord... waarom liet zij na zoveel aantijgingen, Oeno dan toch in de keuken. Waarom zei zij niet na alle beschuldigingen, we stoppen met de betrekkingen. Of was er toch iets in het vooruitzicht te bespeuren) Als Oeno in ieder geval wel daar was, bemoeide het kindermeisje Theodora Mühlschlegel zich met hem, tot het moment van Etta's overlijden.

Op 2 februari 1862 even voordat Etta overleed, beweerde deze Theodora, dat door de tuin enkele zware koffers en kisten zouden zijn versleept naar het huis van dokter Tonckens, een paar huizen verderop (nu Prins Heerlijk of 'Het huis met de vier daken'). (Bij de verbouwing van Bordena is er daadwerkelijk gezocht naar de schat, maar het enige wat men vond waren turven in de spouw van de muren.) Theodora werd nadat ze dat verteld had onmiddellijk ontslagen.

De dood van Saco, heeft er in ieder geval toe geleid dat Etta en Oeno (had Oeno met zijn geestelijke beperkingen hier überhaupt benul van) in 1859 opnieuw bij de notaris een nieuw testament hebben laten maken. Dit is het testament wat zoveel stof deed opwaaien, of betreft het een gruwelijke samenzwering. Want toen het na het overlijden van Oeno, door notaris Andrea, het testament werd voorgelezen, bleek het dat dokter Lunsingh Tonckens en zijn vrouw, een groot deel van Oeno's vermogen hadden gekregen. Mr. Marcus van Heloma, kantonrechter te Heerenveen, kreeg een groot legaat, en een aantal boerderijen van in totaal 140 hectare landerijen. Mr Ferdinand Adrianus van Boelens, kantonrechter in Beetsterzwaag, werd ook rijk bedeeld.

De erfgenamen van hun moeder Froukje Alberts kregen elk f 1500,- gulden. Syger, Cornelis en Aukje Koopmans kregen resp: f 10.000, f 8.000 en f 4.000. In het 1e testament in 1850 wat Oeno op advies van zijn moeder Froukje heeft laten opmaken, zal dat er heel anders uit hebben gezien. Want een huishoudster die door de kinderen die zij aan Benedictus geschonken heeft, rijk is geworden, had toch in de eerste instantie aan haar familie gedacht. En niet direct aan de notabellen van het dorp. En dan niet te vergeten Etta, die het juist met de armen en behoeftige ophad ('Van Teyens Fundatie') want zo waren er wel personen die in dienst waren geweest bij van Teyens, die een levenslange uitkering kregen van f 5,- per week. Zij moesten daar wel bij ontvangst een legaat voor tekenen, zodat er verder geen bezwaar meer zou opdoemen bij de uitvoering van dat testament. (waarom, want er mag aangenomen worden dat ze hier dik tevreden mee waren, velen anderen zouden in het armenhuis terecht zijn gekomen, of als ze geluk hadden ander werk gevonden hebben).

En dan nog, waarom bang voor het personeel zijn, in die tijd met alle respect waren de meeste dienbaren analfabeet, en al helemaal niet thuis in procedures en rechtszaken. Dus er was een zekere angst aanwezig, om op deze manier, het net zo dicht te trekken. Het testament uit 1850 was in 1956 nog bij notaris Harterink. Twee neven Jan Pruim (afstammeling van Jan Kaspers) en Jouke Sluik, eisten opening van dat 1e testament. Want volgens Pruim zou Oeno, in dat testament zijn vermogen hebben nagelaten aan Hesseltje Kaspers, het lievelingsnichtje van Froukje Alberts, die jarenlang als dienstmeisje bij de van Teyens, had gewerkt. Maar de nazaten van Lunsingh Tonckens, weigerden inzage. Inmiddels was het testament al overgedragen aan notaris A. W. Duintjer. Ook die eis wees de rechtbank af. Jan Pruim was inmiddels al een oude baas geworden van over de 80 jaar, en stond er nu helemaal alleen voor. Brieven aan de koningin mochten ook niet baten, want die moest het doorsturen aan het ministerie van Justitie, maar die wees de eis, ja hoe kan het ook anders ook af.

Gelukkig was er wel een persoon, die het niet vertrouwde dat was Tjibbe Alberts Koopmans, geboren te Beetsterzwaag 28 juli 1826, van beroep zaakwaarnemer aldaar, overleden op 5 oktober 1871 te Beetsterzwaag,  hij trouwde op 14 mei 1860 te Oisterwijk (NB) met Sara Adriana Barrau, geboren te Oisterwijk op 30 januari 1836 en overleden te  Ede op 2 juni 1922, dochter van Anthonij Barrau en Antonia Adriana Wensch. Zij hertrouwde Tjerk de Vries. Tjibbe is op één na de jongste zoon van Albert Melles Koopmans, griffier van het vredesgerecht en grietenijontvanger te Beetsterzwaag, en van Aafke Cornelis Hartmans. Tjibbe was een achterneef van Froukje Alberts, en die nam het niet. Hij eiste in 1867 verzegeling van de inboedel, omdat de erflater niet bekwaam was, niet bij zijn volle verstand. Verder voerde Koopmans aan dat de aandoening (geestelijke gesteldheid) van Oeno alom bekend was en dat, dat de erfgenamen die al zeer vermogend waren, juist tot erfgenamen waren benoemd. Met de voorbijgang van de familie van moeders kant die onbemiddeld waren en van onbesproken gedrag. Koopmans kreeg zijn gelijk van de rechtbank in Heerenveen.

(Volgens Tresoar is Tjibbe een vrouwspersoon, dit is onjuist het is een manspersoon)

Maar daar ging Lunsingh Tonckens, niet mee akkoord, en ging in beroep bij het gerechtshof in Leeuwarden, dat de eis van Koopmans ook direct van tafel veegde, en zodoende trok Lunsingh Tonckens, toch nog aan het langste end. Waarschijnlijk door toedoen van de connecties die hij had van familieleden (schoonzoon) waren, griffier, kantonrechter, advocaat en procureur enz. Zijn vrouw Helena Koumans Smeding, haar vader was uitgever van de Leeuwarder Courant.

Toen Oeno drie jaar was overleden, trouwde Elisabeth Reinardina Tonckens (de oudste dochter) met de jurist en latere hoogleraar rechten, Sybrandus Johannes Fockema Andrea, hij was de zoon van Arnold Andrea. Ja! deze man de notaris die het testament samen met de dokter heeft opgemaakt, dus zal het niet moeilijk zijn geweest. Deze onderlegde mensen had de heer Koopmans, natuurlijk niet achter zich staan. Later is wel beweerd dat Koopmans zich tevreden gesteld zou hebben met een grote som geld, maar of dat de waarheid is, want dan had hij dat moeten delen met de andere familie leden. Hij had dat nooit stil kunnen houden want er was al te veel om te doen geweest, (eerder was hijzelf geruïneerd door alle processen).

En dat blijkt later ook want in 1892 deden leden van de familie Alberts, van zich horen, en stuurden petities naar de kroon en de hoge Raad. Maar dat mocht ook niet baten, in 1910 na het overlijden van de weduwe Lunsingh Tonckens, waagden ze weer een poging. De erfgenamen van Froukje Kaspers die al aardig uitgebreid was met Kaspers en Buursma, namen zelf getuigenverklaringen op, waaronder een belangrijke van Theodora Mühlschlegel. Die haar verhaal van destijds staafde zoals boven al genoemd is, ook dit wierp geen vruchten af.

TONCKENS (Joachimus Lunsingh) (1), geb. te Westervelde, op 28 Maart 1817, overl. te 's Gravenhage, op 1 April 1893, zoon van Elzo Tonckens en Elisabeth Reinders Nijesikkinge, liet zich op 20 Nov. 1834 inschrijven als student aan de hoogeschool te Groningen, waar hij op 29 Juni 1842 promoveerde tot med. doctor op een proefschrift De inversione uteri en op 4 Maart 1843 op stellingen in de verloskunde. Hij was eerst med. dr. te Beetsterzwaag, daarna burgemeester van Opsterland en lid der Provinciale staten van Friesland. Op 15 Juli 1847 huwde hij te Leeuwarden met Helena Aletta Koumans Smeding, aldaar geb. op 2 Febr. 1826, overl. te 's Gravenhage, op 4 Oct. 1910.

Dokter Tonckens, liet van het geld in 1868 het huis bouwen, dat nu Bordena heet (afgeleid van de rivier de Boorn). Tegenwoordig is er de bibliotheek in gevestigd.

 

Rechts het huis, waar de familie van Teyens heeft gewoond, later de pastorie der Ned. Herv. Gemeente. In het huis links woonde dr. Tonckens.

 

In 1895 heeft mevrouw Tonckens, na de dood (zelfmoord) van haar man, het huis geschonken aan de kerk, die het gebruikte als pastorie.) Alweer een opmerkelijk gegeven, waarom heeft dokter Tonckens, zelfmoord gepleegd (was het zelfmoord?). Heeft de dokter veel schulden gehad? speelschulden? werd hij gechanteerd? heeft hij verkeerde zaken gedaan met verlies? 

Het ontwerp voor de nieuwe kerk werd opgedragen, aan de Hoogeveense gemeentearchitect Jan Carmiggelt. Op 14 augustus 1892 werd zijn plan besproken in een bestuursvergadering. De totale kosten voor een kerk met 350 zitplaatsen, "inbegrepen het salaris voor de deskundige, het ameublement, de bestrating, het hekwerk en het plantsoen" bedroegen fl. 9.500,--. Op de spaarrekening stond nog fl. 500,--, dus een reusachtig tekort van fl. 9.000,-- Staande de vergadering bleek dat dit tekort fl.9.000,-- lager uitviel. mr. Joachimus Lunsingh Tonckens (voorzitter) en mej. Scheltens bleken beiden voor de kerkbouw een vorstelijke gift van fl. 500,-- te hebben toegezegd.

Het resterende bedrag van fl. 8.000,-- dacht men bijeen te krijgen door het uitgeven van renteloze aandelen ad fl. 25,--. Jaarlijks zouden minimaal zes aandelen afgelost worden, dus fl. 150,- aflossing per jaar. Dat betekende dat als de Remonstrantse Gemeente, slecht bij kas zou blijven, de volledige afbetaling van de lening 54 jaar zou gaan duren. Waarschijnlijk wist zijn vrouw hier niks vanaf,  zodat Oeno van de "dokter" alleen maar in de keuken mocht komen, want zijn vrouw "in die tijd", zal niet veel in de keuken gekomen zijn. Werd daar van alles geregeld met Oeno, die van niks wist en niks begreep? we zullen het waarschijnlijk niet te weten komen. Dat zal wel veilig gesteld of vernietigd zijn. Maar dat er zoveel mysteries achter het testament zitten, is wel duidelijk.

Over het geld is veel gespeculeerd, gefantaseerd? de waarheid? de kranten schreven over een bedrag van negentig miljoen, verschillende andere kranten schreven over nog hogere bedragen. Maar de nakomelingen van dokter Lunsingh Tonckens, publiceerden in een kwartierstaat van 1975 dat er niet meer was geërfd dan amper 3 ton. Dat zou Oeno, dan rap hebben moeten opgemaakt, terwijl hij de deur niet uitkwam, en niet goed bij zijn verstand zou zijn. Maar ja daarom kan je wel geld uitgeven natuurlijk, maar dan moeten meerderen, daar van geweten hebben, de toezichthouder, de boekhouder.. die hadden dan wel aan de bel getrokken. Dus die 3 ton is absoluut niet geloofwaardig en berust waarschijnlijk op fantasie, deze berichten die in de kranten hebben gestaan, zullen hun ook niet vrolijk hebben gemaakt, tenslotte kan deze generatie er ook niks aan doen? of ze zouden hun best moeten doen om het te bewijzen, en die bewijzen zijn er.

Verder waren er verhalen geruchten, dat de zaak echt niet pluis was, in Beetsterzwaag, ging het de ronde dat Oeno, onder druk gezet was, om geen bezwaar te maken tegen het testament dat de notaris en de dokter tezamen hadden opgesteld (hoe zou de arme stumpert dat kunnen) Men zou hem hebben beloofd dat hij niet meer een dwangbuis zou hoeven dragen, als hij mee zou werken. (in die tijd werden die maatregelen veelal gebruikt, om de patiënten te binden) De verdachtmakingen gingen ook weer over de vergiftigingen van Etta en Oeno, zoals hierboven al eerder beschreven. Was het achterklap of de waarheid, vreemd is dat er geen onderzoek naar gedaan is, dat had de Tonckens, vrij kunnen pleiten. Alhoewel een arts dat wel heel goed wist te doen, zonder dat het opgemerkt zou worden.

De afstammelingen richten in 1929 de Oeno Van Teijensvereniging op, wat op ruim 200 aanmeldingen kwam te staan, of het allemaal werkelijke familieleden waren, is nog maar de vraag. De oprichting was een idee van Chris Hofman, uit Sloten, achterkleinzoon van Jan Kaspers, een neef van Froukje Alberts. De vereniging deed een verzoek in Leeuwarden, om gratis te mogen procederen want geld hadden ze niet. En dat het al zoveel gekost had, daar wist Teake Buursma van mee te praten in 1913. Maar hoe kon het ook anders, werd ook het verzoek van deze vereniging afgewezen.

Dat kwam door de verklaring van mr. Binnert baron van Harinxma thoe Slooten, die zou een huis van Oeno gehuurd hebben? (De Harinxma thoe Slooten die een huis huurden van Oeno, half Beetsterzwaag was van hen) Maar die beweerde dat hij nooit iets vreemds aan Oeno had bemerkt, Oeno was zelfs heel verstandig, deze verklaring werd ondersteund, door dochters van de predikant Claudius van Herwerden, die destijds predikant van Beetsterzwaag was. zie ook verhaal Zestiene relaas. Maar helemaal zuiver waren deze verklaringen ook weer niet, de 2 dochters en van Herwerden, hadden tot de vrienden van Lunsingh Tonckens, behoord. Van Harinxma, heeft zelfs een vreemde rol gespeel bij het boek van Willem van Harpen's leerjaren.

Vergeten leden A.J. ten Brink.

Heel vaak zal het niet zijn voorgekomen, dat twee broers lid waren van de Maatschappij. Albertus Jan ten Brink (1836-1917) was dit voorrecht beschoren, samen met zijn broer Jan (1834-1901), de Leidse hoogleraar, die zo'n moeizame verhouding had met de Nieuwe Gidsers. A.J. ten Brink moet van het begin af in de schaduw van zijn broer hebben gestaan. Jan was de oudste zoon. Toen A.J. in Utrecht theologie ging studeren, was Jan hem voorgegaan. A.J. schreef in de Utrechtsche Studentenalmanak, maar Jan was hem weer vóór en schopte het bovendien tot redacteur. Waar Jan in 1857 een gouden medaille mocht ophalen in Groningen voor zijn studie over Bredero, was een dergelijke bekroning voor A.J. niet weggelegd. Voorzien van loffelijke getuigschriften zijn er hoogleraren (met name van Rovers en Karsten), werd hij in 1860 gouverneur bij de familie Harinxma thoe Slooten, te Beetsterzwaag, waar hij met goed gevolg den oudsten zoon voor de academische lessen bekwaamde.

In 1863 werd hij docent in oude talen aan het instituut Kapteyn. In '66 vertrok hij naar Ravestein, waar hij bij verschillende notabele families huisonderwijs gaf in oude en nieuwe talen, wiskunde, geschiedenis en aardrijkskunde. Zijn ervaringen aldaar verwerkte hij in de roman Willem van Harpen's leerjaren. De familie Harinxma, kocht zoveel mogelijk exemplaren op om ze te vernietigen.

Het boek beschreef de personen, in de kwestie van Oeno en het testament, maar dit was niet zo vleiend voor deze personen. Van Harinxma deed heel veel moeite om de hele oplaag op te kopen, dit is hem ook gelukt.

De eerste socialistische wethouder in Nederland, is geboren te Beetsterzwaag op 25 februari 1850 en overleden aldaar op 24 maart 1925. Hij was de zoon van Gerben Pieters Vrijburg, timmerknecht, later zelfstandig timmerman en herbergier, en Antje Jochums Beetsma.

(Bij de wethoudersverkiezing werd Vrijburg, na vier stemmingen met liberale steun tot wethouder gekozen. Ten onrechte wordt Van Zinderen Bakker, vaak als de eerste socialistische wethouder vermeld, maar deze bezette pas twee jaar later, toen de Volkspartij de meerderheid in de Opsterlandse raad veroverde, de tweede wethouderszetel. Vrijburg was populair in zijn woonplaats en had getoond niet bang te zijn voor de machtige adellijke geslachten in Beetsterzwaag, waar vier families bijna alle grond in eigendom hadden. Dat hij in Beetsterzwaag woonde, waar het gemeentehuis van Opsterland stond, speelde een belangrijke rol bij zijn kandidatuur. In de gemeentepolitiek zou hij echter, in de schaduw van Van Zinderen Bakker, een bescheiden rol spelen, al liet hij een aantal keren kritiek horen op de adel en zijn plaatselijke politieke medestanders.)

De socialistische Willem Vrijburg, bracht de boel in beroering door aan  Ferdinand Domela Nieuwenhuis, details te bekennen, zoals welke mensen achter de pseudoniemen zaten, en gaf daar ook nog wat onthutsende zaken bij bloot, dat was een kolfje naar de hand van de vereniging, zodat in 1935 Otto Rozema (Otto Rozema, geboren op 10 mei 1864 in Groningen) en zijn vrouw Froukje Kaspers vernietiging van het testament eisten. Op 28 februari 1935 verklaarde de rechter de eisers niet ontvankelijk, maar dat is na lang wachten op niks uitgelopen, de procureur viel er over, dat de naam Alberts (van Froukje) nu pas de naam Kaspers opdook. nb. in 1811 werden de mensen pas verplicht, door Napoleon, een achternaam te dragen. In 1937 verklaarde de rechtbank de eisers niet ontvankelijk. Het was toen natuurlijk niet te bewijzen of Oeno, nu wel bij zijn verstand was of niet. Maar nu zou dat met een DNA toch wel mogelijk moeten zijn.

 

Hepkema krant: 22-08-1934

 

Leeuwarder Courant: 10-06-1937

 

Een andere markante lijn in de geschiedenis van Opsterland is die van de adel. Deze in of rond Beetsterzwaag, wonende families (Fockens, Van Teijens, Lycklama à Nijeholt en andere) vinden we nog terug in de lijst van grietmannen. Deze mannen vertegenwoordigden (vanaf de 13e eeuw tot 1851) de grietenij (de voorloper van de gemeente) en spraken ook recht. Deze families spelen ook een belangrijke rol bij de ontginning van de veengebieden. Zij vormen de belangrijkste partij in de veen compagnieën. In dit opzicht zijn ze ook de partij in de hiervoor aangeduide politieke geschiedenis van onze gemeente. In een kapellenlijst van 1315 wordt Beetsterzwaag al genoemd.

De kerk van Beetsterzwaag ligt niet, zoals in veel Friese dorpen, in het centrum, maar iets ten Noorden van de hoofdstraat. Oorspronkelijk lag de kerk wel precies in het centrum: aan de kruising van het Kerkepad West en het Kerkepad Oost en nog een ander pad dat naar Boornbergum leidt. Deze kerkpaden vormden de oudste verbindingswegen tussen Beets, Beetsterzwaag en Olterterp. Gaandeweg is deze weg, die nu Hoofdstraat heet, echter belangrijker geworden als verbinding tussen de dorpen.

Van de middeleeuwse kerk, gewijd aan Sint Maarten, is een afbeelding bekend, gemaakt door de tekenaar J. Stellingwerf. Maar de betrouwbaarheid hiervan is onzeker. Tegen het einde van de achttiende eeuw was de middeleeuwse kerk in zeer slechte staat geraakt. Op een gemeentevergadering van lidmaten van de kerk (4 februari 1803) werd het voorstel gedaan, dat een nieuwe en grotere kerk gebouwd zou worden, geheel op kosten van de Heren Reinhart van Lynden, Tinco en Benedictus van Teyens en Juffer Hijma van Teyens.

Bij de ingebruikname van de kerk in 1804 is een lijst opgesteld van alle giften. Hiervan zijn de belangrijkste: de koperen lessenaar voor de grote Bijbel op de kansel met de initialen van de schenker in krulletters: F. G. A. B. v. L.- Baron van Lynden. Juffrouw Van Teyens, schonk een koperen lessenaar voor de voorlezer, haar initialen staan er ook in krulletters op. De koperen blakers en kleine kandelaars worden niet genoemd en zijn misschien nog afkomstig uit de oude kerk.

Oud-Fiscaalske van der Vecht schonk ook een koperen kaarsenkroon. Evenals Raadsheer van Boelens. Nog steeds hangen de drie koperen kronen in de kerk. Procureur Fiscaal Idzerda gaf twee zwarte fluwelen armzakjes (collectezakjes voor de diaconie) met franjekwastjes met aan ieder zakje een zilveren belletje.

Freule van Lynden droeg een zilveren doopbekken in een koperen ring bij. In de kerk zijn de oude grafstenen van de familie Fockens, bewoners van Fockensstate, in de vloer gelegd. De oudste grafzerk is voor Hepcko Fockens, grietman over Opsterland en Gedeputeerde van Friesland, overleden 19 maart 1614 en zijn vrouw Martien Martini.

In dit graf ligt ook begraven Saco Fockens, grietman over Lemsterland, overleden 13 december 1665. De andere grafzerk is van Martinus Fockens, zoon van Hepcko en Martien, ook grietman over Opsterland, gestorven 18 januari 1635. Deze grafzerken zijn ook bij de restauratie van 1964 bewaard gebleven. Alle andere grafstenen zijn toen uit de kerk verwijderd. Op het kerkhof vinden we de graven van vele bekende families uit de geschiedenis van Beetsterzwaag, waaronder die van de families Van Harinxma thoe Slooten en Van Teyens.

De oudste grafsteen, op rij 13 aan de zuidkant van de kerk, is van Jan Janssen Lauswolt, dorpsrechter en lakenkoper te Beetsterzwaag, overleden 2 juli 1655 en van zijn huisvrouw Antje Hendrickx, overleden 2 juni 1665. In het midden van deze hardstenen zerk is het alliantiewapen nog duidelijk te zien.

Binnen een hekwerk met symbolen van het eeuwig leven, de slang met de staart in de bek, liggen Frouwkjen Alberts, husvrouw van Benedictus Van Teyens, met haar drie kinderen Saco, Etta Arnolda en Oene Van Teyens begraven. Zij waren de laatsten van dit geslacht. Hun naam leeft voort in de Van Teyensfundatie.

 

 

 

 

 

 
Halverwege de negentiende eeuw wilde Baronesse van Lynden, geboren Van Borcharen, de kerk een orgel schenken als herinnering aan haar jong gestorven dochter Ypkjen Hillegonda. Het orgel werd gebouwd door de orgelbouwers L. van Dam en zonen te Leeuwarden. In 1856 werd het orgel feestelijk in gebruik genomen met een orgelconcert. Het orgel werd in 1952 gerestaureerd door de firma Flentrop. Een koperen bordje aan de orgelgalerij vermeldt het bouwjaar en de schenking.

Andreae, Sijbrandus Johannes (door naamstoevoeging bij KB van 23-2-1862 nr. 102 gewijzigd in Fockema Andreae), rechtshistoricus (Beetsterzwaag 4-6-1844 - Leiden 17-1-1921). Zoon van Arnold Andreae, notaris, en Geeske Fockema. Gehuwd op 19-5-1870 met Elisabeth Reinardina Tonckens. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren. Fockema Andreae bezocht, na drie jaar privaatles van een gouverneur, het gymnasium te Leeuwarden en studeerde vanaf 1863 rechten in Leiden. Op 16 december 1868 promoveerde hij aldaar op een proefschrift Beschouwingen over burenrecht. Hij begon een carrière bij de rechterlijke macht, eerst als kantonrechter in Lemmer en in Hillegersberg, daarna als rechter in Leiden en in Amsterdam. In 1877 werd hij benoemd tot hoogleraar in het oud-vaderlands recht te Leiden, een ambt dat hij tot zijn emeritaat in 1914 zou bekleden.

WILLINGE, Jan Hendrik Personalia: NH * Gieten 17-8-1772 - + Assen 6-12-1813; zn. van Berend Tjassens, predikant te Gieten, en Gezina Nijsingh; tr. 1803 Trijntje Tonckens, dr. van Joachimus Lunsingh Tonckens en Maria Hellenga (Trijntje hertrouwde in 1824 met Warmold Lunsingh Tonckens, advocaat en griffier); Loopbaan: studie rechten Groningen (promotie 1793); 1793-1805 advocaat in de Landschap Drenthe, 1802 advocaat-fiscaal van de drost, jan -nov 1805 procureur-generaal Departementaal Gerechtshof Drenthe, sinds nov 1805 secretaris van dit Hof, bleef tot zijn dood griffier Rb Assen; Opgave 1810: verklaarde een eigen huis, wat landerijen en wat effecten te bezitten, waarvan de opbrengst ontoereikend is om van te leven; was toen gehuwd en had drie kinderen;

Bronnen: NP 31 (1945) 381-382; Buning, Herenbolwerk, 108; Nationaal Archief MJP, 331, nr. 31; Stukken Willinge in Drents Archief, Archief Huis Mensinge te Roden;

Home

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.