Inleiding.

Deze scriptie is het resultaat van het door ons verrichtte onderzoek naar de werking van het testament van Benedictus van Teijens, zoals dat in 1804is opgemaakt. Het bijzondere van dittestament is de daarin vervatte fide´-commissaire bepaling.
Enige toelichting: bij een fide´-commissaire bepaling - ook wel erfstelling over de hand genoemd - wordt de onmiddellijk bij het overlijden geroepen erfgenaam - de erfgenaam uit de hand of bezwaarde - bij zijn overlijden of een daaraan voorafgaand tijdstip opgevolgd door de erfgenaam over de hand of verwachter. Wanneer de verwachter in de plaats van de bezwaarde is getreden kan hij bij zijn overlijden worden opgevolgd door een of meer verwachters, en zo vervolgens. De oorspronkelijke verwachter is nu bezwaarde geworden.

Het fide´-commis stamt uit het Romeinse Recht en was eigenlijk bestemd om bij uiterste wil personen te bevoordelen die volgens de wet onbevoegd waren om uit een testament iets te genieten of het diende om de testamentsformaliteiten te omzeilen. Via een schijnkoop die de erfgenaam - fiduciarius - met de bevoordeelde - fideicommissarius - verrichtte kwam de laatste op rechtmatige wijze in het bezit van een deel van de nalatenschap die hij niet als erfgenaam kon verkrijgen.
Na erkenning als rechtsinstituut bij het Senatus Consultum Trebellianum - 62 na Chr. - hoefde de schijnkoop bij het fide´commissum niet meer plaats te vinden. Zo veranderde ook het karakter van deze rechtsfiguur en ging het dienst doen om twee personen successievelijk te bevoordelen. De fiduciarius kreeg de opdracht om de goederen te bewaren of mocht deze gedeeltelijk vervreemden.
Deze fide´-commisfiguur is Ŕn in Frankrijk Ŕn in ons land uit het Romeinse Recht gerecipieerd. In Frankrijk gebruikte de adel haar om goederen in de familie te houden, waardoor geslachten achtereen het familievermogen bewaard bleef.

In de middeleeuwse rechtspraktijk verkreeg het fide´-commis zakelijke werking waardoor de verwachter onmiddellijk ten aanzien van de aan hem vermaakte goederen kon opkomen en deze niet meer door de bezwaarde geleverd hoefden te worden.
Evenzeer werkten vervreemdingen door de bezwaarde niet ten nadele van de verwachter. Het fide´-commis viel nu ook in de categorie substitutiŰn, waarbij men kan onderscheiden: -de substitutio directa of vulgaris, dat wil zeggen instelling van een tweede erfgenaam of legataris voor het geval dat de in de eerste plaats geroepene geen erfgenaam of legataris werd -de substitutio fide´commissaria, de instelling van twee personen die na elkander van dezelfde erflater Hetzelfde goed ontvangen.

Deze fide´commissaire substitutiŰn zijn in Frankrijk algemeen gebruik geworden. De substitutiŰn werden echter beperkt tot de tweede graad daar er grote nadelen aan verbonden waren.
Zo had de bezwaarde vaak de schijn van kredietwaardigheid terwijl zijn crediteuren zich niet op de bezwaarde goederen konden verhalen. Ook bekommerde de bezwaarde zich vaak niet om de goederen en verwaarloosde deze omdat zij toch niet aan hem toekwamen. Het zijn deze redenen geweest en de vele ingewikkelde processen die aanleiding gaven tot een absoluut verbod op fide´-commis, bij de Franse wet van 14 november 1792.
De Code Civil nam dit verbod over met de beperking tot substituties die tot bewaring verplichtten en waar de bezwaarde niet op in mocht teren, zie art. 896 C.C.. Aldus is het ook in ons Burgerlijk Wetboek opgenomen.

In ons land was geen sprake van misbruik op grote schaal van het fide´-commis, zoals dat wel het geval was in het feodale  Franse systeem. Johannes van der Linden, heeft daarom art. 896 C.C. bestreden in zijn toelichting op het tweede boek van het Ontwerp Burgerlijk Wetboek 1808. Toch was het fide´-commis in ons land niet ongebruikelijk. Derhalve verbood men ook hier te lande het fide´-commis met bewaarplicht op grond van de zelfde kritiek als in Frankrijk: de te grote macht van de erflater tot in latere geslachten, de onzekerheid voor crediteuren en de nadelen van de onvervreembaarheid.

Terug naar het onderzoek. Het testament van Benedictus van Teijens, bevat een fide´-commissaire bepaling, waarbij hij zijn kinderen tot bezwaarden benoemt. Zijn drie kinderen overlijden echter kinderloos en dus zonder verwachters na te laten.
Zij vermaken hun boedel aan een door hun ingestelde erfgenaam.
Ons onderzoek richt zich op de rechtsgeldigheid van de testamenten van Benedictus, de oorspronkelijke erflater, en zijn kinderen Etta-Arnolda en Oeno. Het testament van het derde kind, Saco, is niet voorhanden.
Vanuit de toetsing van de rechtsgeldigheid is het tevens een relevante vraag of de erfstellingen van de kinderen niet in strijd waren met het testament van Bendictus. In deze context hebben wij aandacht geschonken aan de toepasselijke wetgeving van die tijd. Daarnaast hebben wij een stamboom geconstrueerd, die inzicht geeft in de familieverhoudingen.

Wij hebben ons onderzoek voornamelijk gericht op de testamenten als zodanig. Voordat wij ons met de toetsingswerkzaamheden konden bezighouden, hebben wij een uitgebreid onderzoek moeten doen naar de wetgeving die indertijd gold. Dit betreft zowel het formele als het materiŰle recht. Als basis van ons werk heeft dit relatief de meeste tijd in beslag genomen. Wij hebben zo een beeld willen geven van de complexiteit van de testamenten. Door voorgaande stappen te nemen hebben wij getracht de bedoeling van Benedictus, te destilleren. Uiteindelijk konden wij intern geen overeenstemming bereiken over de conclusie van ons werk, U komt dan ook twee verschillende standpunten tegen in onze conclusie.

●●●

1. De toepasselijke wetgeving.

De periode waarin de testamenten tot stand gekomen zijn, beslaat zo'n zestig jaar. Benedictus van Teijens, maakte het zijne in 1804, Etta-Arnolda en Oeno, het hunne in 1859. Gedurende deze jaren is de wetgeving meerdere malen veranderd.
In het begin van de vorige eeuw was de politieke situatie instabiel.
Achtereenvolgens de Bataafsche Republiek, het Koninkrijk Holland en de inlijving bij Frankrijk hebben een opeenvolging van Staatsregelingen met zich gebracht. Ook het privaatrecht, dat voor ons van belang is, is in de periode 1795 - 1860 enkele malen gewijzigd.

Tot 1809 is in Friesland van kracht de Friesche Landsordonnantie, als bron van geschreven recht. Het is een verzameling verordeningen, bijeengebracht sinds de tijden van Karel V en voorzien van commentaren, onder andere door Ulrich Huber. Daarnaast geldt als bron van het toenmalige positieve recht het Oud-vaderlandsche recht. Bekend is dat in de Friesche streken gerecipieerd Romeins Recht een belangrijke rol gespeeld heeft.
Het was zoals gezegd geen gecodificeerd recht; informatie daaromtrent hebben wij geput uit het handboek van A.S. de BlÚcourt.

Tussen 1809 en 1811 kennen we het Wetboek Lodewijk Napoleon, ingerigt voor het Koninkrijk Holland. Vervolgens is in1811 de Franse Code Civil ingevoerd, en in 1838 JNS eigen Burgerlijk Wetboek.
Voor wat het formele gedeelte betreft, zijn er geen echte notariswetten. Pas met de invoering van de Vent˘se-wet is er gecodificeerd formeel recht. Daarvoor zijn wel handboeken voor het notariaat te vinden. In 1842 wordt de ons bekende Wet op het Notarisambt ingevoerd.
Over deze verzameling en het bijbehorende overgangsrecht een enkel woord meer. De Friesche Landsordonnantie regelt in Titel XVI tot en met XIX iets over het erfrecht.

 

Voor ons van belang zijn in Titel XVI enige artikelen over de bekwaamheid om te testeren en het volgen van plaatselijk recht.
Art. II zegt iets over de getuigen bij het maken van een testament.
In Titel XVI worden vervolgens geregeld de Trebellianieke portie en de verplichte registratie ter Hove, dit specifiek voor het fide´-commis.
De Code Civil bevat in de tweede titel van het derde Boek bepalingen over testamentair erfrecht. Art. 896 geeft een algemeen verbod van fide´-commis, art. 1048 en volgende behandelen de de vormen die nog wel toegelaten zijn. We vinden deze bepalingen terug in het Burgerlijk Wetboek, art. 926 jaart. 1020.

Tot slot een enkel woord over het overgangsrecht. Twee maal komen we in aanraking met overgangsrecht, namelijk bij de afschaffing van het Oud-vaderlandsche recht, en bij de vervanging van de Code Civil door het Burgerlijk Wetboek. Met name is voor ons van belang in hoeverre bestaande fide´-commissen, zowel opgenomen in testament, als reeds ten dele uitgevoerd, na een
wetswijziging behandeld worden. Napoleon, heeft in 1811 omtrent de substituties een decreet uitgevaardigd. Het Decreet van 4 juli 1811 bevat de relevante bepaling art. 155, welke is executoir verklaard bij Decreet van 24 januari 1812. Hierbij werden fide´-commissaire testamenten niet zonder meer ongeldig verklaard.

Bij de overgang van de Code Civil naar Burgerlijk Wetboek, treffen we bepalingen aan die deze decreten in stand houden.
Wet van 16 mei 1829 (Stb. n░ 29), houdende bepalingen wegens de overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving, gewijzigd bij de Wet van 23 december 1837 (Stb. n░ 78), waarvan art. 50 bepaalt dat het Decreet van 24 januari 1812 van kracht blijft, daar waar het executoir verklaard is.
De hier aangehaalde wetten treft U aan in de bijlagen.

●●●

2. Een familiereconstructie.

Van belang is na te gaan welke erfgenamen in aanmerking komen bij de verdeling van de nalatenschap van - Van Teijens. Naast erfgenamen die in de testamenten genoemd worden, zijn er de abintestaat erfgenamen. Om deze te vinden hebben we de stamboom bekeken.
Benedictus van Teijens, treedt in 1795 in het huwelijk met Froukje Alberts. Uit dit huwelijk worden drie kinderen geboren. Benedictus, is negenenvijftig als hij trouwt, Froukje, is zesentwintig.
Zij is van eenvoudige komaf, hij komt uit een gegoede familie. Zijn familienaam is bekend vanaf het begin van de zestiende eeuw.

De Van Teijens 'verveners', hebben grond en zijn invloedrijk. Verschillende voorouders en Benedictus zelf en zijn secretaris in de gemeente Opsterland. Ze zijn te betitelen als grootgrondbezitters en zijn tot de belangrijkste families van de streek gaan behoren.
Hun in de loop der eeuwen verworven landerijen omvatten het gebied ten zuid-oosten van Drachten, met uitlopers naar Drenthe.
De door hen bewoonde herenhuizen, grote boerderijen, zijn nog steeds aanwezig en vormen het monumentale beeld van dit gedeelte van Friesland.

Erg uitgebreid is de familie niet; ofschoon er veel geboorten waren, zijn er weinig kinderen opgegroeid tot volwassenen. De grote kindersterfte is hier debet aan. Zo heeft bijvoorbeeld de moeder van Benedictus, elf kinderen gehad, waarvan er vijf op jonge leeftijd overleden. In het gezin waar de vader van Benedictus, uit komt zijn twaalf kinderen geboren, slechts drie zijn er volwassen geworden. Ook opmerkelijk is het aantal familieleden dat ongetrouwd blijft, of geen kinderen krijgt.
Bij het overlijden van Benedictus, is de familie praktisch uitgestorven. Hij heeft enkel nog een broer en een zuster, beiden ongehuwd.
Om eventueel nog verre neven van Benedictus, te vinden zou men bij zijn overlijden terug moeten gaan tot neven in de zevende graad en verder. Verdere familie, naast zijn drie kinderen, was er niet meer in 1804.

Froukje Alberts, zijn vrouw, heeft dan nog wel familie. Zij heeft acht broers en zusters, allen getrouwd tussen 1780 en 1810. Bij deze mensen moet men bedenken, dat ze nog geen familienaam hadden. Bij Keizerlijk Decreet van 18 augustus 1811werd de familienaam verplicht. In later jaren vinden we bij hen achternamen als Caspers, Koopmans, Buursma, Pruim, Ten Brinke, Geertsema, De Haan, Hamminga en Pompstra.

Afstammelingen met deze namen hebben later aanspraak gemaakt op het vermogen van Van Teijens.
Het duidelijkst blijkt de situatie toch wel uit de stambomen. Hieronder geven wij een overzicht. U treft dan achtereenvolgens aan een stamboom van Van Teijens, en een van Froukje Alberts.

 

Kleine genealogie van Benedictus van Teijens.

1: Saco van Teijens, geboren in 1601, overleden 02-04-1650 te Leeuwarden, secretaris van Opsterland, volmacht ten Landdage, oprichter en vennoot van de Opsterlandse Veencompagnie, vennoot van de veencompagnie van De Rottefalle, vennoot van de veencompagnie van De Bakkevenen, Ĺcompagnion van Nijeslootĺ. Getrouwd met Ancke Tincodr van Andringa, op 29 februari 1624 te Oldeboorn.

 

 

Saecke (Saco) (van) Teyens & Ancke Tincodr van Andringa.

Uit dit huwelijk

1: Teije van Teijens, 1630-1654.

2: Frouckjen van Teijens, gehuwd met Theodorus van Heloma.

3: Jeltje van Teijens, gehuwd met 1: A. Gualtheri. 2: F. Fockes Eringa.

4: Oeno van Teyens,  1636-1715. Volgt 2.

5: Saco van Teijens.

Teye van Teyens, 1630-1654. Secretaris van Opsterland. Volmacht ten Landdage. Portret op 5-jarige leeftijd.

 

6: Binne/Benedictus Sickama van Teyens, geb. 1-3-1646, luitenant (1666), kapitein (1667), secretaris van Opsterland (1671-1678)volmacht ten Landddage, overl. Beetsterzwaag 10-11-1678, begr. Beetsterzwaag (in de kerk). Benedictus was 24-03-1668 te Beetsterzwaag gehuwd met Lucia Fockens, geb. ca. 1646, overl. 2-1-1685 (38 jaren oud), begr. Beetsterzwaag Ĺop Ĺt choor van de kerkĺ.

Uit dit huwelijk.

1: Romelia Fockens, geb. 11-1670 Ĺin de maent xbris 1670 ter wereld is gekomenĺ, ged. Beetsterzwaag 11-12-1670, overl./begr. Beetsterzwaag 12/19-3-1696, tr. 24- 4-1694 Adriaan van/den Besten, overl. 10 mei 1737, begr. Beetsterzwaag 16 mei 1737.

Uit dit huwelijk

1: Etta Arnolda van Besten, geb. 20-9-1695 Ĺtussen elf ende twalf urenĺ, ged. 25-9-1695, overl. 12-3-1785, begr. Beetsterzwaag 19-3-1785, tr. Beetsterzwaag 8-5-1718 Saco van Teyens (de jonge), geb./ged. Beetsterzwaag 28/30-5-1697, volmacht ten Landsdage, ontvanger van de Opsterlandse Veencompagnie (1739-1774), Ĺadministrator en directeur van de Folgera Veenenĺ, ouderling van de hervormde kerk te Beetsterzwaag (1744, 1760, 1766, 1767), overl. 27-2-1774, begr. Beetsterzwaag 5-3-1774, zn. van Oene van Teyens, kapitein in het Staatse leger van een compagnie infanterie en Hyma Auwema.

2: Saco Fockens, geboren in 1677 overleden in 1735.

 

Wapen van Saco Fockens.

 

Rouwborden van Saco van Teyens en Etta Arnolda van Besten.

 ~~~~

2: Oeno van Teyens,  1636-1715. Oeno, was gehuwd 1. met Rommelia van Fockens, in leven huijsvrouw van den E: Manhafte Capt. Oeno van Teijens, overleden den 17e april 1674. Waarschijnlijk in het kraambed van de geboorte van Saco.

Uit dit huwelijk

1: Saco Fockens, 23-08-1667/09-11-1667.

2: Sudske ?, 04-08-1670/26-08-1670.

3: Sudske ?, 14-01-1673/18-01-1673.

4: Saco ?, 09-04-1674/26-04-1674.

Oeno was gehuwd 2. op 13 maart 1681 met Hijma Auwema.

Uit dit huwelijk

5: Anna Maria van Teyens1682-1682.

6: Dochter van Teyens1683-1683.

7: Saco van Teyens1684-1684.

8: Etta Ulcia van Teyens1685-1685.

9: Anna Ulcia van Teyens1687-1730. Anna was gehuwd met Reint Enens, 1706.

Uit dit huwelijk: 4 kinderen, 3 zijn er gestorven aan pokken. 1 sterft er ongehuwd.

1: Hayo Unico Enens1709-1730.

2: Oene Frederik Enens1711-1775.

3: Elisabeth Hyma Enens1713-1730.

4: Willem Reint Enens1720-1730.

10: Yvo Bocko van Teyens1689-1690.

11: Zoon van Teyens1691-1691.

12: Yvonne van Teyens1692-1693.

13: Yvo Bocko van Teyens1694-1782.

14: Saco Teyo van Teyens1695-1696 en Jan van Teyens, 1695-1695.

15: Saco van Teyens, 1697-1774. Volgt 3

~~~~

3: Saco van Teyens, 1699-1774. Saco, was gehuwd in 1718 met Etta Arnolda van Besten, (zie 1.6.1.1.) 1695/12 maart 1783.

Uit dit huwelijk

1: Lucia Romelia van Teyens, geb./ged. Nuis 5/12-2-1719, overl. 25-3-1777, begr. Beetsterzwaag 1-4-1777.

2: Oeno van Teyens1721-1721

3: Oeno van Teyens1722-1801.

4: Benedictus van Teyens1723-1731

5: Tinko van Teyens1727-1806.

6: ongedoopt.

7: Hijmma van Teyens1729-1730

8: Anna van Teyens1732-1733

9: Hijma van Teyens, geb./ged. Beetsterzwaag 31-7/1-8-1734 (als Hymke), landeigenaarse,
overl. Beetsterzwaag 11-7-1816.

10: Benedictus van Teyens, 1736-1804. Volgt 4

11: Anna van Teyens, geb./ged. Beetsterzwaag 20-5-/2-6-1739, overl. Groningen 27-3-1800, tr. Groningen/Beetsterzwaag, 17-9-/9-10-1768 mr. Adriaan Bothenius Trip, ged. Groningen 2-6-1730, gezworene der Stad Groningen, secretaris van de provinciale rekenkamer van Stad en Lande te Groningen (1785), kapitein in het Regiment Orange Friesland, zoon van Adriaan Trip en Adriana Bothenius.

~~~~

4: Benedictus van Teyens, 1736-1804. Benedictus, was gehuwd in 1795 met Froukje Alberts.

Uit dit huwelijk

1: Etta Arnolda van Teyens, 1796-1862

2: Saco van Teyens, 1797-1857

3: Oeno van Teyens, 1798-1866.

Teyens van  Oeno. Hij staat op een document van Zetters in het District van ontvang van Beetsterzwaag in 1823 die dat ook in 1824 willen doen enz. enz. jaar 1823.

Teyens van Oene, te Beetsterzwaag,  Hij staat in een document  als zetter der belastingen over 1822 in genoemde plaats ontvang Beetsterzwaag, enz. enz. jaar 1822.

Teyens van Oeno, te Beetsterzwaag. Hij verklaard zijn functie als zetter der belastingen ook in 1823 te zullen Continueren met vermelding van District van Ontvang, enz. jaar 1822 (3) (dossier met alle zetters van Friesland.

Zetter der belastingen (= pointer of poenter),zie VERDAM, Middelnederlandsch Handwoordenboek. De pointers of setters waren beŰdigde burgers,aangesteld door de schepenen en benoemd voor ÚÚn jaar. Zij bepaalden het deel aan belastingen dat iedere inwoner diende bij te dragen in de openbare lasten. De opgemaakte belastingrollen werden na goedkeuring, afgelezen aan de ingang van de kerk. De inwoners konden daarna hun klachten overmaken aan de schepenbank, die hierover een vonnis velde. Ieder jaar moesten die lasten opnieuw bepaald worden. Dat was het pointen of setten. De belastingen werden opgehaald door de ontvanger.

 

Etta Arnolda van Teyens. 1796-1862.

  ●●●

Vereenvoudigde stamboom van Froukje Alberts.

1: Albert Pijters. Albert is overleden in 1764. Albert trouwde op 24-06-1723 in Ureterp (Fr) met Harmke Sijgers, 28 jaar oud. Zij is een dochter van Sieger Kornelis en Albertje Luitsens. Zij is gedoopt op 19-08-1694 in Wijnjeterp (Fr).

Uit dit huwelijk

1. Pijter Alberts, geboren op 09-04-1724.

2. Sieger Alberts, geboren op 16-09-1725. Sieger trouwde met Fokjen Hendriks.

3. Albert Alberts, Volgt 2

4. Cornelis Alberts, geboren op 14-08-1729.

5. Frouckjen Alberts, geboren op 06-09-1733.

~~~~

2: Albert Alberts. Hij is gedoopt op 01-12-1726 in Duurswoude. Albert is overleden in 1795, 69 jaar oud. Albert trouwde, 25 jaar oud, op 27-08-1752 in Ureterp met Antje Sijbes, 22 jaar oud. Antje is geboren in 1730 in Ureterp, dochter van Sijbe Pijters en Hendrikje Hendriks. Antje is overleden op 21-04-1817 in Drachten, 87 jaar oud.

Uit dit huwelijk

1 Akke Alberts, is geboren op 13-06-1753. Akke is overleden op 25-02-1835, 81 jaar oud. Akke trouwde, 37 jaar oud, op 26-12-1790 met Wybe Hylkes.

2 Albert Alberts, is geboren op 03-12-1754, Albert is overleden op 12-04-1841, 86 jaar oud. Albert trouwde, 27 jaar oud, op 19-05-1782 met Gooitske Aukes.

3 Harmke Alberts, is geboren op 25-11-1756 in Ureterp. Zij is gedoopt op 02-12-1808 in Beetsterzwaag (Fr). Harmke is overleden op 24-08-1846 in Donkerbroek (Fr), 89 jaar oud. Harmke trouwde, 23 jaar oud, op 17-09-1780 in Beetsterzwaag met Melle Rinses Koopman.

4 Sybe Alberts, is geboren op 03-01-1759. Sybe is overleden op 18-05-1812, 53 jaar oud. Sybe trouwde, 30 jaar oud, op 17-05-1789 met Baukje Hanzes.

5 Pieter Alberts, is geboren op 29-07-1761. Pieter is overleden op 12-07-1840, 78 jaar oud. Pieter trouwde met Wimke Meints.

6 Wytske Alberts, is geboren op 09-06-1763. Wytske trouwde met Sytze Abes.

7 Sieger Alberts, is geboren op 26-07-1766. Sieger is overleden in 1812, 46 jaar oud. Sieger trouwde, 31 jaar oud, op 18-03-1798 met Aaltje Fokkes.

8 Evert Alberts, is geboren op 13-10-1768. Evert is overleden op 13-10-1840, 72 jaar oud. Evert trouwde, 27 jaar oud, op 10-01-1796 met Aaltje Jans.

9 Froukje Alberts, Volgt 3

10 Lokke Alberts, is geboren op 29-10-1773 in Ureterp. Lokke is overleden op 23-04-1844 in Siegerswoude, 70 jaar oud. Lokke trouwde, 27 jaar oud, op 31-05-1801 in Korte Hemmen (Fr) met Jan Ales Buursma.

~~~~

3: Froukje Alberts, is geboren op 04-07-1769, Froukje is overleden op 30-04-1853, 83 jaar oud. Froukje trouwde, 25 jaar oud, op 26-01-1795 met Benedictus van Teyens, 1736-1804.

Uit dit huwelijk

1: Etta Arnolda van Teyens, 1796-1862

2: Saco van Teyens, 1797-1857

3: Oeno van Teyens, 1798-1866

Kijk voor een uitgebreide genealogie, van Van Teyens.

●●●

3. Toetsing van de testamenten naar de vorm.


3.1.1. Testament van Benedictus; inleiding.

Zijn testament is gemaakt op 24 oktober 1804. Op 17 november 1804 is hij overleden. Het testament is in 1806 gelicht en in datzelfde jaar op 13 oktober geregistreerd.
Voor ons is echter van belang de datum van opmaken van het testament daar op dat moment wellicht formaliteiten in acht moeten worden genomen.
Welke wetten komen dan voor toetsing in aanmerking? Wij denken allereerst aan wetgeving die specifiek voor de notaris bedoeld is. Er was in die tijd echter geen notariswet aanwezig. Welwaren er handboeken waarin de notariŰle praktijkwerkzaamheden werden omschreven.

Frankrijk kende wel formeel notarieel recht, de Wet van de 25ste Ventose an XI (16 maart 1803, deze wetgeving telde namelijk in jaren vanaf het jaar van de Franse Revolutie in 1792). De Ventosewet, die vanaf 1811 rechtstreeks in Nederland gold, is de voorloper van de Wet op het Notarisambt van 1842.
Wel is er materiŰle wetgeving, die bepalingen bevat ten aanzien van de vormvereisten van een testament. De Staatsresolutie van 12 maart 1722, die gegolden heeft tot 1 mei 1809, gaf de Friesche Landsordonnantie, een verzameling van ordonnanties de status van wet.

In deze Landsordonnantie staan een aantal titels waarin van verschillende vereisten sprake is voor de geldigheid van een testament. Het testament van Benedictus, is gemaakt te Beetsterzwaag, Friesland en valt derhalve onder de Friese Landsordonnantie.
Dit recht werd aangevuld met Oud-vaderlandsch recht, gewoonterecht, en gerecipieerd Romeins Recht. De BlÚcourt, heeft hierover in zijn handboek geschreven en hierin zijn enige beginselen en rechtsgewoonten te lezen die op de testamentvorm van toepassing zijn.

3.1.2. Testament van Benedictus; toetsing.

Uit de gegevens die ons voorhanden zijn, een afschrift van het testament van Benedictus, is het ons niet mogelijk vast te stellen of dit testament een notariŰle akte is. Wel zeker is dat er een notaris bij betrokken is geweest.
Het lijkt erop dat Bendictus zijn laatste wil heeft uitgesproken in het bijzijn van notaris Idzerda.
De eerste formele notariswet die in ons land gegolden heeft, de Ventosewet, bepaalde wat een notariŰle akte was en wat niet. Het is derhalve voor ons onduidelijk of een stuk van voor 1811 een authentieke akte is of wel een onderhandse.

A. Friesche Landsordonnantie.

Van deze ordonnantie zijn de volgende titels van toepassing:

Titel XVI Van Testamenten en andere Uiterste Willen.

Titel XIX Van Fide´-commissen.

Titel XVI bevat twaalf artikelen waarvan enkele vormvoorschriften geven, die betrekking hebben op de geldigheid van een uiterste wil.

Art. 2 vereist de ondertekening door tenminste twee getuigen met hun naam. Het testament van Benedictus, is door zeven getuigen ondertekend en voldoet dus zeker aan deze bepaling.

Art. 3 geeft te kennen dat indien de testatol' niet lezen of schrijven kan of door lichamelijke zwakheid niet kan tekenen, er een achtste getuige nodig is, die voor de testator tekent. Het testament dient aan deze achtste getuige te worden voorgelezen in het bijzijn van de testator. Aan deze formaliteiten is voldaan. Dit blijkt uit de tekst van de akte. De achtste getuige is de bovenmelde Lieuwes, daaronder tekenen nog zeven anderen.
Andere artikelen uit deze Titel zijn ˛f niet relevant ˛f handelen over inhoudelijke aspecten, die bij deze formele toetsing niet aan de orde zijn.

Titel XIX Van Fide´-commissen bevat voorwaarden gesteld aan de formele procedure met betrekking tot testamenten met een fide´commissaire bepaling.

Art. 1. Alle testamenten waar fide´-commissaire bepalingen in voorkomen, dienen binnen twee jaar na het overlijden van de fide´-committent in de Griffie van de Hove, te worden geregistreerd.
Het testament zoals wij daarover beschikken is het afschrift van de griffie van het Hof te Leeuwarden. De akte is daar als zodanig geregistreerd op 13 oktober 1806, terwijl Benedictus, is overleden op 17 november 1804. De termijn van twee jaar is dus niet overschreden. De artikelen 2 tot en met 5 handelen over de gevolgen van het niet voldoen aan de registratieplicht en de vermogensrechtelijke consequenties daarvan. Aangezien aan de eis is voldaan kunnen deze bepalingen buiten beschouwing blijven.

Art. 6 vereist het vaststellen van de authenticiteit van de handtekeningen van de getuigen. Dit geschiedt bij de Commissaris van den Hove, waar het testament geregistreerd is. Of dit is gebeurd is ons niet bekend.

Art. 7 bepaalt dat de bezwaarden de met fide´-commis bezwaarde goederen naar hun staat laten registreren. Gegevens hierover zijn ons niet bekend.

De artikelen 7 tot en met 14 behandelen onderwerpen die geen betrekking op de vorm hebben, zoals belastingaftrek (het deduceren van de Trebellianica), het niet-verdergaan van perpetuele fide´-commissen dan de vierde graad en het nalaten aan vreemden.

B. Oud-vaderlandsch recht.

Daar in Friesland in die tijd naast (of boven) de Friesche Landsordonnantie het Oud-vaderlandsch recht gold, hebben wij hiervan toepasselijke stukken uit het erfrecht doorgenomen. Dit is voornamelijk materieel recht waarin nauwelijks formele vereisten voorkomen. A.S. de BlÚcourt, bespreekt in 'Kort begrip van het Oud-vaderlandsch recht' de "testamenti factio activa", de bekwaamheid om te testeren.
Onbekwaam om een testament te maken waren zij die de vereiste leeftijd niet hadden bereikt en voorts krankzinnigen en andere zwakken van geest, die geen wil hebben of hun wil niet behoorlijk kunnen uiten, verkwisters en doofstommen. Aan de verkwisters en doofstommen kon de overheid toestemming verlenen om te testeren.
Ook hadden de zogenaamde Godshuizen, waarin oude lieden werden opgenomen en onderhouden, veelal het privilege, dat de nalatenschap van de erin opgenomen verpleegde moest vererven op deze stichtingen. Hun nalatenschap kon zo noch op hun erfgenamen bij versterf noch krachtens testament vererven.

Voor horigen, gold tot 1811 dat iemand die op zijn ziekbed lag, in zijn 'vier stapelen', een krachtproef moest uitvoeren, bijvoorbeeld een paard bestijgen of een ketel vol water boven het vuur hangen. Wie een dergelijke proef niet met succes volbracht werd onbekwaam geacht een testament te maken. Immers voor het maken van een geldig testament was vereist dat men zijn wil kon bepalen en uiten, en dus gezond van geest was. Men oordeelde; dat in een uitermate verzwakt lichaam geen gezonde geest kon wonen.
Wie onder dwang testeerde had evenmin een rechtsgeldig testament gemaakt en juist ingeval van ziekte en lichaam - en geesteszwakte van de erflater rees veelal het vermoeden, dat het testament onder dwang tot stand was gekomen. Ook was mogelijk, dat de erflater onder de invloed van dwaling of bedrog zijn uiterste wil had bepaald, en ook in een zodanig geval was het testament nietig, als vaststond dat de erflater zonder zodanige dwaling en zonder dat bedrog anders zou hebben beschikt.

Daar Benedictus, in 1736 werd geboren was hij niet onbekwaam tot het maken van een uiterste wil op grond van zijn leeftijd, hij was toen al achterin de zestig. Hij verklaarde in de akte bij goede verstande te zijn en zijne uiterlijke zinnen wel machtig ondanks zijn lichamelijk zwakheid.
Aangezien hij geen horige was hoefde hij de krachtproeve niet af te leggen. Benedictus, verbleef niet in een Godshuis en kon dus vrij beschikken. Of er sprake was van dwang is niet kenbaar.

3.2.1. De testamenten van Etta-Arnolda en Oeno; inleiding.

Dit zijn besloten testamenten. De inhoud is geheim en hoeft daarom niet te voldoen aan de inhoudelijke vereisten van een openbaar testament.
Bij deze wil wordt door de notaris een akte van superscriptie opgemaakt die aan bepaalde vormvoorschriften moet voldoen.
Deze akten zijn dezelfde dag verleden, te weten 12 maart 1859. Daar de testamenten naar de vorm en opzet identiek zijn worden zij gelijktijdig besproken.

3.2.2. De testamenten van Etta-Arnolda en Oeno; toetsing.

A. Het Burgerlijk Wetboek.

Van toepassing is de Twaalfde Titel 'Van uiterste willen', de vierde afdeling 'Van de vorm der uiterste willen'.
Art. 977 bepaalt dat een testament niet bij dezelfde akte door twee of meer personen gemaakt kan worden, hetzij onder de titel van een wederkerige of onderlinge beschikking. Dit verbod van wederkerigheid is door de Hoge Raad aangemerkt als een vormvoorschrift (2 februari 1939, NJ 1939, 848). Hoewel de testamenten bijna identiek zijn, is er geen sprake van gezamenlijk testeren door Etta-Arnolda en Oeno. De wederkerigheid die in uiterste willen van Etta-Arnolda, besloten ligt, wordt niet door art. 977 getroffen, daar er sprake is van twee testamenten.

Art. 978 geeft de mogelijke vormen aan van een uiterste wil. In casu hebben we te maken met twee besloten of geheime testamenten.
Deze hebben andere vereisten dan openbare of holografische testamenten. Een holografische wil is een geheel met de hand van de erflater geschreven en ondertekende uiterste wil.
Etta-Arnolda en Oeno, hebben enkele jaren voor de onderhavige testamenten allebei een holograaf gemaakt. Deze zijn echter, zoals later zal blijken, herroepen.

Art. 987 lid 1. Een besloten of geheim testament zal door de erflater ondertekend moeten worden, maar hoeft niet door hemzelf geschreven te zijn. Het beschreven papier of de omslag zal gesloten en verzegeld dienen te zijn.
Beide willen blijken volgens opgave van de erflaters in het testament door een ander te zijn geschreven: 'Aldus opgemaakt te Beetsterzwaag, volgens mijne opgave daar een ander geschreven en door mij na volkomene goedkeuring eigenhandig geteekend den 12 Maart 1800 negenenvijftig'. Ook de kantonrechter maakt hiervan in het proces-verbaal van aanbieding en opening melding en is blijkbaar door eene andere hand geschreven dan die hetzelve heeft onderteekend.

In de akte van superscriptie vermeldt de notaris dat de uiterste wil gesloten en verzegeld aan hem is aangeboden en ter hand gesteld. In het eerder genoemde proces-verbaal staat: '...hebben wij het overhandigde stuk onderzocht en bevonden dat het pakket van gewoon wit schrijfpapier, gesloten met drie zegels van rood lak, dragende het afdruksel van het familiewapen van de familie van Teijens, welke zegels gaaf en ongeschonden waren, dat op de bovenzijde geschreven staat eene acte van superscriptie door den voormelden notaris comparant in bijzijn van vier getuigen opgemaakt.
Aan de vereisten van lid 1 is derhalve volledig voldaan.

Art. 987 lid 2. De uiterste wil moet in bijzijn van vier getuigen gesloten en verzegeld aan de notaris worden aangeboden of in hun bijzijn worden gesloten en verzegeld, waarbij de erflater verklaart dat hierin zijn uiterste wil is begrepen en dat deze door hem of een ander geschreven is en door hem getekend.
Hiervan zal de notaris een akte van superscriptie opmaken die op de uiterste wil of de omslag geschreven wordt. Deze akte moet door de erflater, notaris en getuigen worden ondertekend.
Uit de akten van superscriptie komt naar voren dat de uiterste willen zijn aangeboden, gesloten en verzegeld, in het bijzijn van vier getuigen en dat hierbij verklaard is dat het pakket hun uiterste wil bevat, door een ander geschreven en door hunzelf ondertekend.
De akten van superscriptie zijn op de aangeboden stukken opgemaakt en ondertekend door erflater, notaris en getuigen.
Door de kantonrechter worden deze feiten in het proces-verbaal van aanbieding en opening geverifieerd.

Art. 987 lid 3. De formaliteiten die in acht; moeten worden genomen in tegenwoordigheid van notaris en getuigen, moeten worden vervuld zonder intussen tot enige andere akte over te gaan.
Dat hieraan is voldaan wordt expliciet. In de akte van superscriptie vermeld: 'En is van deze aanbieding, verklaring en verzoek door ons notaris, terstond de tegenwoordige, eigenhandig geschreven akte op het aangeboden stuk opgemaakt, zonder intusschen tot eenige andere handeling over te gaan.'.

Art. 987 lid 4. De besloten of geheime wil moet onder de minuten van de notaris blijven, die dat stuk ontvangen heeft. Het proces-verbaal vermeldt: '...welk testament zich onder zijne minuten bevindt...

Art. 989. Na het overlijden van de erflater moet de besloten uiterste wil worden aangeboden aan de rechter van het kanton alwaar de erfenis is opengevallen, deze zal de wil openen en proces-verbaal opmaken van de aanbieding en de opening, alsmede van de staat waarin het stuk zich bevindt en dit daarna aan de notaris teruggeven.

Op 3 februari 1862 is Etta-Arnolda, overleden te Beetsterzwaag. Op 8 februari 1862 heeft Ferdinand Adriaan Jan Boelens, kantonrechter te Beetsterzwaag, geassisteerd door zijn griffier te namiddags vijf uur, ten huize van de notaris Arnold Andrea, het testament geopend. Hiervan heeft hij proces-verbaal, opgemaakt, als ook van de aanbieding. Hierin vindt een uitvoerige omschrijving plaats van het aangetroffene. Daarna heeft hij de stukken met de omslag aan de notaris teruggegeven. Registratie van proces-verbaal heeft plaatsgevonden op 10 februari 1862, registratie van de akte van superscriptie en testament op 12 februari 1862.
Op 3 december 1866 is Oeno, overleden te Beetsterzwaag. Dezelfde kantonrechter heeft op deze dag van de al eerder genoemde notaris het besloten testament ter opening aangeboden gekregen. Ook hiervan is proces-verbaal opgemaakt, hetwelk op 4 december 1866 is geregistreerd. De akte van superscriptie en het testament zijn op 5 december 1866 geregistreerd.

Art. 991 geeft vereisten ten aanzien van de getuigen, dit artikel is identiek aan art. 23 lid 2 en art. 24 lid 1 Wet op het Notarisambt. Alleen ten aanzien van bloed- of aanverwanten van de erfgenamen of legatarissen geldt het verschil dat zij tot in de vierde graad zijn uitgesloten, ten opzichte van de derde graad bij art. 24 lid 1.

Twaalfde Titel, tweede afdeling 'Van de bekwaamheid om bij uitersten wil te beschikken of daarvan voordeel te genieten'. Zoals bij het verrichten van iedere rechtshandeling moet men voor het maken van een testament, of bij herroeping, in het bezit zijn van zijn verstandelijke vermogens, art, 942 BW zegt dit uitdrukkelijk. Is dit niet het geval dan is het testament nietig. Is men bij het overlijden
niet meer compos mentis, dan blijft het geldig gemaakte testament wel van kracht.
Er gaan geruchten dat Oeno, niet helder van geest was. Dit gaat onze juridische toetsing echter te buiten. Let wel, het gaat echter alleen om het moment van testeren, art. 945 BW. Evenzeer hebben wij niet van doen met dwang, bedrog of arglist welke een rol zouden hebben kunnen gespeeld bij het opmaken van de testamenten, en die de nietigheid zouden kunnen bewerkstelligen.

●●●

4. Parafrasering en inhoudelijke beschouwing van de testamenten.


4.1. Testament van Benedictus.

Het testament van Benedictus van Teijens, werd opgemaakt op 24 october 1804 en aangeboden aan de Griffie van het Hof van Friesland ter registratie in het Register van Fide´-commissaire testamenten zonder besoignes (openbaar register)d.d. 13 october1806.
Parafrasering van de inhoud met weergave van de voornaamste gedeelten.

1.    "Institueere tot mijn eenige en universeele erfgenamen in
       "alle mijne geene uitgezonderde haar te latene goederen,
       "mijne drie kinderen, met namen Etta-Arnolda van Teijens,
       "Saco van Teijens en Oeno van Teijens, ieder voor een
       "gelijk gedeelte.

Tot zover kan dit gedeelte van het 'testament als een gewone testamentaire erfstelling worden beschouwd. Benedictus benoemt zijn drie kinderen tot zijn enige erfgenamen, ieder voor een gelijk gedeelte van zijn nalatenschap.
Aan te nemen valt dat de kinderen niet Pausgezind zijn, aangezien in dat geval, volgens art. VI, Titel XVI van de Friese Landsordonnantie, de beschikking nietig is.

2.    "en ingevalle een of meer hunner voor of na mij mogten
       "komen te overlijden, dezelver kind, kinderen of desce-
       "denten, in 's ouders plaatze, bij representatie.

Bij testamentaire erfopvolging, treedt in beginsel geen plaatsvervulling op, de enige uitzondering hierop is plaatsvervulling bij fide´-commissaire verwachters, art. 1022 BW; de erfstelling van het kind of de kinderen die vˇˇr Benedictus, komen te overlijden, zou in dat geval vervallen.
Maar Benedictus, spreekt van "voor mij" en bouwt aldus een voorwaardelijke erfstelling van kind, kinderen of descendenten van een of meer van zijn kinderen in zijn testament in. Volgens het ab intestaatstelsel van de Friesche Landsordonnantie, was representatie toegestaan.

Benedictus, zorgt er aldus bij testament voor dat zijn nalatenschap zo gelijk mogelijk over al zijn ,nakomelingen wordt verdeeld, zijn eventuele kleinkinderen en verdere descendenten daaronder begrepen. "na mij": hier beschikt Benedictus twee maal over zijn nalatenschap, te weten, ÚÚnmaal aan het kind dat nß hem overlijdt en ÚÚnmaal aan dezelver kind, kinderen of descendenten. "in 's ouders plaatze bij representatie" is een uitdrukkelijke toevoeging aan dit gedeelte, immers heeft die ouder op dat moment (na mij) zijn erfdeel volgens het testament al toebedeeld gekregen en erven dan nadien volgens ab-intestaat erfrecht diens kind, kinderen of descendenten. Benedictus, voorkomt aldus expliciet dat zijn kinderen testamentair over hun aandeel in zijn nalatenschap beschikken.

Dit gedeelte maakt het voorgaande tot een fide´-commissaire making: Benedictus stelt zijn drie kinderen in als bezwaarden en dezelver kind, kinderen of descendenten, als verwachters, ieder in zijn eigen ouder-kind relatie. De bedoeling is dat indien Etta, een kind zou krijgen, dit kind als verwachter optreedt voor het geheel, terwijl indien zij vijf kinderen zou krijgen, deze gezamenlijk als verwachter optreden voor het deel van Etta. Zo ook bij de beide broers van Etta.

3.    "Indien een of meer van mijne gemelde kinderen na mij mogte
       "komen te overlijden zonder kinderen of descendenten na
       "te laten, dan wil en begeere ik, dat deszelfs aandeel of
       "deszelver aandeel weder in mijne boedel zal keren en de-
       "volveren op de overgeblevenen of derzelver kind, kinderen
       "of descendenten in souders plaatze bij representatie;
       "dat aandeel of die aandeelen in zoo verre met fideicommis
       "bezwarend.

"Indien een of meer. . . na te laten,": Benedictus, heeft hier het geval voor ogen dat een of meer van zijn kinderen geen nakomelingen zouden hebben en er aldus na overlijden van dat kind - als bezwaarde van de fide´-commissaire making - geen kleinkind of verdere descendent (bij representatie) als verwachter opkomt, waarbij hij expliciet vermeldt dat in zo'n geval het aandeel van dat overleden kind weer in zijn boedel zal terugkeren. Benedictus, voorkomt zo dat een of meer van zijn kinderen bij gebrek aan nakomelingen, testamentair kan beschikken over het deel wat zodanig kind als bezwaarde van de fide´-commissaire making uit de nalatenschap van zijn vader onder zich had.

Benedictus, bepaalt voorts dat ingeval zulke voorwaarde zich voor zou doen dat aandeel of die aandelen naar de overgeblevenen zullen gaan. Aangezien bij terugkeer in de boedel van Benedictus, het fide´-commissair verband is vervallen, bepaalt Benedictus, dat dat aandeel opnieuw onder fide´-commissair verband wordt gebracht.

Wie zijn nu vervolgens de bezwaarden en de verwachters. Benedictus, stelt dat ingeval een ander kind ook reeds overleden is diens kind, kinderen of descendenten de bezwaarden zullen zijn in plaats van hun overleden ouders. Indien een kind van Benedictus, zelf nog in leven is zal deze als bezwaard- optreden, waarbij diens eventuele kind, kinderen of descendenten dan weer verwachter zullen zijn voor dat nieuwe deel uit de nalatenschap van Benedictus, onder fide´-commissair verband.
Ingeval een kind van Benedictus, als bezwaarde geen kind, kinderen of descendenten zal nalaten keert door deze bepaling het aandeel van dat kind in ieder geval in zijn vaders boedel terug, dit zonder enige leeftijdsgrens.

4.    "Ingevalle het onverhoopt mogte gebeuren dat alle mijne

       "kinderen beneden de vijf en twintig jaren, zonder kinderen
       "of descendenten na te laten, mochten komen te overlijden,
       "wil en begeere ik dat de aan haar van mij aangeerfde goe-
       "deren zullen komen en verervens op het alsdan in leven
       "zijnde naaste bloed van mij testator.

Hier bouwt Benedictus, een leeftijd als voorwaarde in; let wel, ˇˇk onder de leeftijd van vijfentwintig jaren zijn zijn kinderen als bezwaarden van het fide´-commissair verband te beschouwen. Ook in het door hem in zijn testament niet voorziene geval, dat zijn drie kinderen vˇˇr hem zouden overlijden gaat zijn nalaten-schap zonder, fide´-commissair verband, naar het alsdan in leven zijnde naast bloed van Benedictus, althans volgens deze bepaling, die uiteraard herroepelijk is.

5.

"Ik geeve echter in beide laatste gevallen (namentlijk wan-
  "neer een, of wanneer alle mijne kinderen, zonder kinderen
 

"of descendenten na te laten, komen te overlijden, aan

gemelde mijne kinderen het regt of de magt, om over het

  "vrugtgebruik van de aan haar van mij aanbeerfde goederen
  "te mogen disponeeren.

Deze bepaling slaat terug op het hierboven onder 3 en 4 genoemde, namelijk (3) indien een of meer . . . . zonder kinderen of descendenten, en (4) alle. . . . beneden de vijfentwintig jaren. . . . zonder kinderen of descendenten.
Bij 3 zou het zich kunnen voordoen dat de gehele nalatenschap uiteindelijk weer de boedel van Benedictus, bereikt, en wel als er geen verwachters meer opkomen.
Bij 4 kunnen er geen verwachters opkomen. Benedictus, bepaalt hier aldus: dat ingeval een kind, zonder kind, kinderen of descendenten na te laten overlijdt hij/zij beschikken mag over het vruchtgebruik van zijn erfdeel, let wel, deze bepaling is door Benedictus, alleen bedoeld voor zijn kind of kinderen op elke leeftijd als bezwaarde erfgenamen."als er geen verwachters zijn.
Uit bovenstaande moge duidelijk zijn dat Benedictus, in geen geval wil dat zijn kinderen - behoudens het beschikken over het vruchtgebruik - over hun deel in zijn nalatenschap testamentair beschikken.

6.    "Ik wil en begeere dat mijn huisvrouw FROUKJE ALBERTS de
       "titula en cura over mijne kinderen zal behouden, zoolang
       "zij ongetrouwd blijft, bevelende ik haar de opvoedings
       "deszelver , met begeerte . . . . op een school . . . .

Benedictus, bepaalt hier dat zijn vrouw Froukje Alberts, voogd over zijn kinderen zal blijven en beveelt haar de opvoeding van de kinderen met bepaalde aanwijzingen daarvoor. Het is onduidelijk doordat de woorden "zoolang zij ongetrouwd blijft" tussen komma's zijn gezet of deze voorwaarde alleen terugslaat op de voogdij, of slaat op de daarna volgende opvoeding of dat ze op beide slaat.

7.    ". . . . mijne huisvrouw van ieder van mijne zoons Saco en
       "Oeno, zoolang dezelve bij haar in huis zijn zal genieten
       "tweehonderd en vijftig car. guldens tot een jaarlijks kost-
       "geld, zullende de overige kosten zoo van klederen als
       "anderzins uit mijne boedel worden betaald worden.

Een voorwaardelijk legaat aan zijn vrouw Froukje: 250 car. guldens per jaar dat zij haar zoons thuis in de kost heeft (last).
Een leeftijdsgrens voor de jongens wordt niet genoemd, noch een totaalbedrag hiervoor gereserveerd.

8.    "Angezien ik buiten mijne particuliere goederen nog vele
       "vastigheden, effecten en andere dingen massaal en onge-
       "scheiden bezit met meergemelde mijne broeder en zuster en
       "ik de administratie dier goederen te lastig voor mijne huis-
       "vrouwe oordeele te zijn, zoo stelle ik bij deze tot admini-
       "stratoren over mijne na te laten goederen gedurende de
       "minderjarigheid van mijne kinderen, mijn broeder Tinco van
       "Teijens en MELLE RINSES KOOPMANS, . . . .
       ". . . . aan gemelde administratoren. . . . de volle magt,
       "recht en vrijheid, om gedurende de minderjarigheid. . . .
       ". . . . te mogen verkopen, alzoo ik zulks ten nutte mijner
       "kinderen expres begeere.

Gedurende de minderjarigheid van zijn kinderen stelt Benedictus, de genoemde personen als. bewindvoerder met bezit aan (saisine), met volmacht om onder bepaalde omstandigheden te kunnen beschikken.

9.    "Nadien de uitvinding van schade en bate gedurende het
       "huwelijk van mij en mijne huisvrouw ten uitersten moeilijk
       "zoude zijn: zo legatere ik in plaatse van dien aan gemelde
       "mijne huisvrouw FROUKJE ALBERTS twee peerden, twaalf
       "koeien, jongvee na rato, voorts zooveel boere reeuw als
       "dezelve tot de bouwerije en melkerije nodig zal hebben.

Van belang is hier uiteraard, het huwelijksgoederen regiem waaronder Benedictus en Froukje, destijds gehuwd zijn, welke gevolgen dit heeft gehad voor het vermogen van beiden en aan welke vormvereisten dient te worden voldaan. Benedictus, kan daarom niet zonder meer aan Froukje, in plaats van haar aandeel in de gemeenschap van schade en bate een legaat doen toekomen.

10.    "Voorts legateere ik aan gemelde mijne huisvrouw FROUKJEN
         "ALBERTS, het vrije gebruik van mijne door mij bewoond
         "wordende huizing en schuure te Beetsterzwaag, met zoo
         "veel van de landen er bij dat er twaalf koeien, twee peer-
         "den en jongbeesten na rato op kunnen worden gehouden,
         "gelijk mede bouwland na rato, dit allees zoo lang mijne
         "huisvrouw ongetrouwd zal blijven, of een mijner kinderen
         "in die huizinge zal verkiezen te woonen. .

Een voorwaardelijk legaat: een legaat namelijk onder de ontbindende voorwaarde van een nieuw huwelijk van Froukje (afhankelijk van de wil van Froukje) of de ontbindende voorwaarde van bewoning door een van de kinderen (afhankelijk van de wil van de kinderen).

11.    "Indien een mijner kinderen mogte verkiezen in de thans
         "door mij bewoonde huizinge te wonen, terwijl mijne huis-
         "vrouw nog ongetrouwd zijnde daarin woont, zoo zullen mijne
         "gezamentlijke kinderen verpligt zijn hun moeder zoo lang
         "dezelve ongetrouwd blijft ten hunne kosten van een be-
         "hoorlijke huizinge tot haar moeders keuze te voorzien, en
         "zoo lang zij daarin woont voor haar in een ordentelijke
         "staat te houden.

Als de onder 10 genoemde voorwaarde intreedt, namelijk als een der kinderen in het ouderlijk huis wil gaan wonen, legt Benedictus, de kinderen gezamenlijk de last op om voor een andere huisvesting voor de moeder te zorgen en te blijven zorgen, en overigens naar genoegen van de moeder. Parafrase 11.,is te beschouwen als een voorwaardelijke last.

12.    "Legatere nog aan gemelde mijne huisvrouw geduurende
         "haar leven, zoo lang zij ongetrouwd blijft, jaarlijks eene
         "summa van achthonderd car. guldens,

Dit is een voorwaardelijk legaat, namelijk op voorwaarde dat Froukje, niet meer in het huwelijk treedt (vervalt bij huwelijk van Froukje).

13.    "en zoo zij weder geraakt te trouwen jaarlijks eene summa
         "van vierhonderd cal'. guldens.
         "klinkende munte, uit de revenuen mijner goederen te be-
         "talen; zullende het eerste jaar verschijnen een jaar na
         "mijn overlijden.

Voorwaardelijk legaat, namelijk op voorwaarde dat Froukje, in het huwelijk treedt (gaat in op het moment dat Froukje, in het huwelijk treedt).

14.    Legaat aan de inwonende dienstboden.

15.    "Ik verbiede te mijnen sterfhuize de gerechterlijk inven-
        "tarisatie.

Er zijn verschillende inventarisaties in de bestaande wetgeving beneficie van inventaris, of bijvoorbeeld inventarisatie omelat er een fide´-commis is ingesteld, of inventarisatie omdat er een bewindvoerder is, of anderszins. Omdat Benedictus, administratoren over zijn boedel heeft aangesteld en omdat hij de gerechtelijke inventarisatie (vanwege het Hof van Friesland) verbiedt, is af te leiden dat de administratoren de inventarisatieplicht hebben.

16.    "Ik ordonnere mijne kinderen en ge´nstitueerde erfgenamen
         "met mijne uiterste wille te vreeder. J te zijn, en dezelve in
         "alle deelen te observeeren, revoceerende anderzins deeze
         "mijne gemaakte dispositie ten opzigte van die geene die
         "zig hier tege mogte opponeeren of dezelve niet nakomen:
         "stellende de zoodanige of zoo danig en in de bloote legi time
         "portie zonder wijders, zullende het overige den goedwil-
         "lenden onderhouden of onderhouders accresseren, dezelve
         "daartoe in en substituŰrende.

Van deze bepaling is - in zoverre - duidelijk dat Benedictus, wil dat zijn testament wordt uitgevoerd precies zoals hij dat heeft gesteld, op straffe van verval van de testamentaire erfstellingen. Benedictus, spreekt hier van 'kinderen en ge´nstitueerde erfgenamen', dit voor het geval dat het zich voor zou doen dat er sprake is van kinderen Ŕn ge´nstitueerde erfgenamen ( zie onder parafrase 2 ).
Als er een weerspannige erfgenaam zou zijn, treedt de voorwaarde in werking, vervalt de testamentaire erfstelling en valt dat deel terug in de boedel van Benedictus. Vervolgens gaat dat erfdeel naar de goedwillende erfgenamen die daartoe door Benedictus, gein en gesubstitueerd worden: institutie en substitutie met betrekking tot het erfdeel van de weerspannige, ontevreden erfgenaam, met behoud van recht op legitieme portie volgens de wet. Dit houdt voor zulks geval een opnieuw ingesteld fidei-commis in.

17.    "Ik ordonneere meede mijne huisvrouw met deze mijne dispo-
         "sitie te vreede te zijn, revoceerende beij gebreeke dies
         "de door mij aan haar vermaakte legaten.

Mocht Froukje, niet tevreden zijn, hetgeen moeilijk aan te tonen is, vervallen ook de door Benedictus, aan haar gemaakte legaten.
De voogdij bepaling van parafrase 6 blijft echter in stand, omdat dit immers geen legaat is.
Vervolgens heeft deze bepaling mede tot gevolg dat Froukje, in zulks geval van ontevredenheid geen 500 caroli-guldens van haar zoons zal krijgen om deze in de kost te houden (parafrase 7)
Deze bepaling heeft voor Froukje, niet het gevolg dat zij geen uitvinding van de schade en bate van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap waarin zij is gehuwd, kan vragen, immers hebben Froukje en Benedictus, zeer waarschijnlijk gemeenschappelijk eigendom gehad (zie parafrase 9).
Ook kan ondanks deze bepaling van Benedictus, Froukje nog steeds aanspraak doen gelden op een behoorlijke huisvesting (parafrase 11).

18.    Vervolgens laat Benedictus, in zijn testament opnemen dat hij begeert dat zijn uiterste wil aldus uitgevoerd dient te worden ('effect zal hebben'). Ter verzekering hiervan laat hij acht getuigen -waaronder de op 6 juli 1802 te Beetsterzwaag gevestigde notaris Barthold Idzerda - zijn testament ondertekenen.
Deze en andere formaliteiten hebben wij besproken in paragraaf 3.1.2.

4.2. Testament van Etta-Arnolda.

Het testament van Etta-Arnolda van Teijens, werd opgemaakt op 12 maart 1859 te Beetsterzwaag, volgens opgave door een ander geschreven en door Etta, eigenhandig na goedkeuring ondertekend.
Aangezien het een besloten testament betrof werd de acte van superscriptie opgemaakt op 12 maart 1859 door notaris Arnold Andrea, te Beetsterzwaag, in tegenwoordigheid van vier getuigen.
Registratie van deze acte vond plaats op 12 februari 1862, te Beetsterzwaag, deel 34, folio 107 verso vak 6.
Proces-verbaal van aanbieding en opening van het besloten testament op 8 februari 1862 te Beetsterzwaag, door de kantonrechter te Beetsterzwaag, de heer F.A. van Boelens, en de griffier Mr. H. Overbeek.
Registratie van dit proces verbaal op 10 februari 1862 te Beetsterzwaag, deel 16, folio 89, recto vak 3. Als Ontvanger was getekend Posthumus.

Parafrasering van de inhoud met weergave van de voornaamste gedeelten.

1.    "Ik herroep alle vroegere testamentaire beschikkingen.

2.

"Ik benoem tot mijn eenige en universeele erfgenamen den heer Dr. Joachimus Lunsingh Tonckens en zijne echtgenoote
  "vrouwe Helena Aletta Koumans Smeding, en bij voorover-
"lijden van een hunner den langstlevende, en bij beider voor-
"overlijden hunne kinderen en afkomelingen.
(identieke bepalingen bij Oeno).

Etta, maakt hier een testamentaire erfstelling: Dr. Lunsingh Tonckens, en zijn vrouw worden ieder erfgenaam voor de helft van haar gehele nalatenschap.
Bij vooroverlijden van ÚÚn hunner erft de langstlevende voor het geheel.
Bij beider vooroverlijden worden alle kinderen en af-komelingen van genoemde Lunsingh Tonckens, en Koumans Smeding, gezamenlijk tot de gehele nalatenschap geroepen, zonder onderscheid in welke graad zij tot genoemde Tonckens of Smeding, staan. Zij worden dan direct erfgenaam, er is immers geen plaatsvervullingclausule of een fide´-commis bij deze bepaling opgenomen.

3.    "Ik legateer aan mijnen broeder -den heer Oeno van Teijens
       "het vrugtgebruik mijner geheele nalatenschap gedurende
       "zijn leven en ontsla hem van de verpligting om borgtogt
       "te stellen voor de bewaring.

Door deze bepaling zullen de ingestelde erfgenamen hun erfdeel - en de legatarissen hun legaat - onder voorbehoud van vruchtgebruik verkrijgen, met andere woorden de blote eigendom van de zaak.
Bij de dood van genoemde vruchtgebruiker zal deze blote eigendom weer een volle eigendom worden.

4.    "Ik vermaak of legateer aan de nagemelde stichting of Van
       "Teijens fundatie de volgende vaste goederen, te weten:
       "Ten eersten. Eene Zathe en Landen met huizinge, schuur,
       "hornleger, hovinge, boomen en plantagie, staande en gelegen
       "onder Ureterp, thans bij Jelle Jans Mulder in gebruik,
       "met de daaronder behoorende bouw- weid- en hooilanden
       "en heide onder Ureterp, kadastraal in die gemeente bekend
       "in sectie A onder Nos. 34 tot en niet 38, 40 tot en met 59,
       "995, 996 en 1012 en in sectie a onder Nos. 30, 31, 32, 33 en
       "91, tezamen ter grootte van honderd en twee bunders,
       "zeventig roeden en vier en zestig ellen, benevens twee
       "bunders, zes en dertig roeden, twintig ellen"gelegen in de
       "perseelen van die gemeente, sectie a, Nos. 34 en 35, waarvan
       "het overige aan derden behoort, en de losse hooilanden
       "daarbij wordende gebruikt, bekend in het kadaster van de
       "gemeente Beetsterzwaag in sectie C onder Nos. 51 en 487,
       "te zamen groot zeven bunders vijf en zeventig roeden,
       "zeven en zeventig ellen, van de gemeente Boornbergum, in
       "sectie 0 onder No. 160, ter grootte van zes bunders, acht
       "en dertig roeden, negentig ellen en van de gemeente Bergum
       "in sectie E, onder No. 33 ter grootte van vijf bunders, zes
       "en tachtig roeden, tachtig ellen.
       "Ten tweeden. Eene Zathe en Landen met huizinge, schuur,
       "hornleger, hovinge en de onderhoorige bouw-, weid- en
       "hooilanden en heidvelden, staande en gelegen onder Ureterp,
       "thans bij Arend Jurjens de Vries in gebruik, bekend in het
       "kadaster van de gemeente Ureterp, in sectie A, onder Nos.
       "16, 18 tot en met 21, 60 tot en met 64, 66 tot en met 74,
       "78, 959 tot en met 963, 966, 967, 1044, 1109 en 1110 en in
       "sectie B onder No. 92 te zamen ter grootte van 40 bunders,
       "negen roeden, vijf en zestig ellen, met de losse hooilanden
       "daarbij in gebruik, bekend in het kadaster van de gemeente
       "Beetsterzwaag in sectie 0, onder Nos. 6, 21 en 23, te zamen
       "ter grootte van vier bunders, acht en negentig roeden en
       "drie ellen, en van de gemeente Boombergum, in sectie A
       "No 11 en de helft van Nos. 15 en 16 en in . . . . . van acht
       "bunders, een en tachtig roeden, vijf en dertig ellen.
       "Ten derden. Eene Zathe en landen,,:.met huizinge, schuur,
       "hornleger, hovinge en de onderhoorige bouw-, weid- en
       "hooilanden. bosschen, water en heide, staande en gelegen
       "onder Kortehemmen en onder Boornbergum, thans meeren-
       "deel bij Sjoerd Reinders Jacobi in gebruik, bekend in het
       "kadaster van de gemeente Boornbergum in sectie A onder Nos.
       "270a, 276, 277, 278, 390, 391, 404, 405, 406, 868, 869, 870, 891,
       "892, 913. 914, 915, 917, 920, 933, 934, 936, 937, 948, 949, 953,
       "954, 955, 956, 964, 965, 968, 969, 1003 tot en met 1010, 1027.
       "1028, de helft van 1029. 1039. 1044, 1045. 1046, 1047, 1049.
       "1050, 1051, 1052, 1053. 1541, 1550, 1555, 1556, 1557 en 1568 en
       "in sectie B onder Nos. 624, 625, 655 tot en met 666, 675 en
       "676 en de helft van Nos. 256 en 257, alles te zamen voor
       "eene grootte van zeven en zeventig bunders, zes en zestig
       "roeden, een en veertig ellen en
       "Ten vierden. De volgende losse hooilanden thans publiek
       "wordende verhuurd als:
       "A. een bunder zes en tachtig roeden zestig ellen hooiland
       "onder Boornbergum, Hoelen genaamd, kadastraal als voren
       "bekend in sectie B, onder No 377.
       "B. de helft in zes bunders, negen en dertig roeden hooi of .1
       "onland en water, het rood molen land genaamd, aldaar,
       "geheel als voren bekend in sectie B. onder Nos. 378;tot. en
       "met 383.
       "C. drie bunders, negen roeden, vijftig ellen hooiland aldaar,
       "bij het brugje, als voren bekend in sectie B onder Nos. 673 en
       "674.
       "D. vijf bunders, zestien roeden,vijftig ellen tusschen weg
       "en dijk aldaar, als voren bekend in sectie B onder Nos.733
       "tot en met 736.
       "E. viel' bunders, negentien roeden, twintig ellen aldaar,
       "achter Popkes, als voren bekend in sectie B, onder Nos. 737,
       "738 en 782.
       "F. viel' bunders, vijf en veertig roeden Lagemieden , aldaar,
       "alsvoren bekend in sectie B onder No 122.
       "G. drie bunders, zeventig roeden, dertig ellen, achter
       "Schwartzenberg, aldaar, als voren bekend in sectie B, onder
       "No. 84. .
       "H. veertien bunders, zeven en negentig roeden, veertig
       "ellen hooi en rietland en water aldaar, De groote en kleine
       "poel genaamd, als voren bekend "in sectie B, onder Nos.
       "684, 685, 686 en 700 tot en met 704.
       "I. twaalf bunders, twee en twintig roeden, veertig ellen
       "onland, vˇˇr Liewe Pel en van Tjebbe Jelkes genaamd als
       "voren bekend in sectie B, onder Nos. 677 tot en met 683.
       "J. vijf bunders, vijftig roeden hooi en rietland en water
       "aldaar, Sjuttje Moei- onland genaamd, als voren bekend in
       "sectie B, onder Nos. 551, 552, 555, 564, 565, 566, 567 en 570,
       "behoorende echter de helft vah No. 567 aan de erven van
       "Mevrouw de douairiŔre van Eijsinga.
       "K. acht bunders, drie en zestig roeden, tachtig ellen,
       "hooi- en rietland en water aldaar, het onland van Wijbe
       "Jan Mekkes genaamd, als voren bekend in sectie B onder Nos.
       "597 tot en met 605, 768 tot en met 772, 588 en 589 en een
       "smal streepje van Nos. 710, 718 en 719.
       "L. twaalf bunders, een en zeventig roeden, vijf en tachtig
       "ellen onland, meest water, aldaar, het oud land genaamd,
       "alsvoren bekend in sectie B, onder Nos. 477, 478, 481 tot
       "en met 485, 493 en 494.
       "M. negentien bunders, twee en negentig roeden, zeventig
       "ellen hooi en rietland en water aldaar, het onland van Bonne
       "Bakker genaamd, als voren bekend in sectie B, onder Nos.
       "343 tot en met 368, 371, 375 en 619.
       "N. een bunder, zeven roeden, vijftig ellen hooiland aldaar
       "het ossenland genaamd, als voren bekend in sectie A onder
       "No. 5.
       "0. twee vijfde gedeelten in vijf bunders, zes en twintig
       "roeden, veertig ellen hooiland aldaar, broekfenne genaamd,
       "geheel als voren bekend in sectie A onder No. 204.
       "P. vijf en negentig roeden, negentig ellen hooiland aan het
       "wegs-end aldaar, als voren bekend in sectie C, onder No. 128 en
       "Q. vier bunders een en tachtig roeden dertig ellen hooiland in
       "het Kraanland aldaar,. als voren bekend in sectie C onder No. 168.

Voorwaar een groot legaat daar gemaakt, aan een nogal vaag omschreven stichting. De gelegateerde goederen zijn duidelijk omschreven. hun kadastrale aanduidingen en eventuele benamingen zijn vermeld.
Van de goederen in mede-eigendom wordt de mede-eigenaar opgegeven, men kan weten om welke goederen het gaat.
Met de omschrijving van de legataris echter is de erflaatster minder duidelijk: 'aan de nagemelde stichting of Van Teijens fundatie'.
Verderop in het testament wordt slechts gemeld dat de erflaatster een bijzondere instelling van liefdadigheid tezamen met haar broer Oeno, zal gaan oprichten, onder de naam Van Teijens fundatie, en wordt de doelstelling van de stichting omschreven.

De erflaatster meldt niet in haar testament wanneer - per welke datum - de stichting of Van Teijens fundatie, zal worden opgericht, noch waar deze haar zetel zal hebben of anderszins verduidelijking omtrent deze stichting als legataris.
Opgemerkt wordt dat het wettelijk niet mogelijk is om in een besloten testament een stichting op te richten, tenzij de erflater bij testament uitdrukkelijk verklaart een stichting in het leven te roepen, in welk geval dat aangemerkt wordt als een last aan de gezamenlijke erfgenamen om die stichting op te richten.

In het testament van Etta, treft men een zodanige verklaring niet aan, noch legt zij haar erfgenamen uitdrukkelijk de last op om een stichting op te richten. Men kan daaruit de gevolgtrekking maken dat als zou blijken dat de stichting bij overlijden van Etta, nog niet was opgericht, uitkering van de legaten aan een niet-bestaande stichting niet kan plaatsvinden.
Ook zou mogelijk nog kunnen blijken dat het legaat nietig is op grond van beschikkingsonbevoegdheid van Etta, indien er op deze bepaalde goederen een fide´-commissair verband zou rusten, hetgeen door de bepalingen in de testamenten van Etta-Arnolda's vader en dat van haar oom Tinco van Teijens, niet ondenkbaar is.

5.    "De inkomsten van alle deze goederen worden door mij be-
       "stemd om te voorzien in de uitgaven en behoeften eener
       "bijzondere en van het burgerlijk bestuur onafhankelijke
       "instelling van liefdadigheid, door mij in overleg en ver-
       "eeniging met mijnen broeder den heer Oeno van Teijens,
       "landeigenaar, wonende te Beetsterzwaag wordende..gesticht
       "onder den naam van Van Teijens fundatie.

Uit deze bepaling blijkt, dat op het moment van opmaken en verlijden van het besloten testament deze instelling oftewel van Teijens fundatie nog niet was opgericht, maar dat aan de inkomsten uit de gelegateerde goederen, aan die nog niet-opgerichte stichting, wel reeds een bestemming wordt gegeven. De vraag hierbij is wel in hoeverre dit mogelijk is: het legaat is niet door de erflaatster
aan de stichting gemaakt onder voorwaarde van bepaalde bestemming van de inkomsten van de gelegateerde goederen.
Het legaat aan de stichting kan worden aangemerkt als een legaat onder de last van vruchtgebruik, als onder parafrase 3 hierboven gemeld.

6.    "waarvan de bestemming is tweeledig, en wel:
       "vooreerst, om daaruit eene jaarlijksche uitkeering in geld
       "te doen aan dames, weduwen of ongehuwden, die niet . . . .
       "eigene middelen in haar onderhoud kunnen voorzien en die
       "alzoo, zonder bijzonderen bijstand, genoodzaakt zouden
       "zijn hare toevlugt tot vreemden te nemen, en, hetzij als
       "gouvernante, hetzij als jufvrouw van gezelschap, huishoud-
       "ster of door andere soortgelijke betrekking in haar onder-
       "houd zouden moeten trachten te voorzien,
       "en ten anderen, om daaruit huisvesting en verdere onder-
       "steuning te verschaffen aan zes vrouwen, weduwen of on-
       "gehuwden uit den mingegegoeden stand.

Hier wordt de doelstelling van de stichting nog nader toegelicht, bij Oeno's, testament vindt men exact dezelfde bewoordingen.

7.    "Deze instelling zal in werking treden dadelijk na het over-
       "lijden van den langstlevende van mij of mijn genoemden
       "broeder, en de successie regten daarvan te voldoen zullen
       "komen ten laste van mijne nalatenschap.

Etta-Arnolda spreekt van 'mijne nalatenschap'; in Oeno's, testament vindt men eenzelfde bepaling. Uit wiens nalatenschap de successierechten uiteindelijk voldaan moeten worden, blijkt, als duidelijk wordt dat en waarover er successierechten geheven worden. Verwezen wordt naar de toelichting bij het testament van Oeno onder parafrase 7.

8.    "Zij zal worden beheerd overeenkomstig het reglement of de
       "statuten door mij, in overleg met mijnen broeder vastge-
       "steld, en als bijlage bij dit mijn testament gevoegd zijn
       "door mij onderteekend, begeerende ik dat dit reglement
       "stiptelijk zal worden nageleefd, even als of de bepalingen
       "woordelijk in dit mijn testament waren opgenomen.

In het testament van Oeno, is een identieke bepaling opgenomen, naar de toelichting daarbij wordt verwezen (parafrase 8).
Niet gegeven is of de statuten die bij het testament van Oeno, zijn aangetroffen dezelfde bewoordingen hebben als de statuten bij het testament van Etta. Gegeven is echter dat zij niet hetzelfde aantal regels bevatten, bij Etta, vinden wij 623 regels geschreven en bij Oeno 595 regels.
Etta, zegt in haar testament dat ZIJ de statuten heeft vastgesteld, terwijl Oeno, in zijn testament zegt dat HIJ de statuten heeft vastgesteld.
Beiden melden dat ze met de ander overleg hebben gevoerd.
Niet aan te nemen is, dat daarbij overeenstemming bereikt is, aangezien ieder zijn eigen statuten blijkbaar allÚÚn ondertekend heeft, terwijl als er overeenstemming zou zijn bereikt,waarschijnlijk bij identieke statuten beide handtekeningen onder de statuten aangetroffen zouden kunnen worden, althans is de zin van ÚÚn handtekening onder een bijlage niet duidelijk indien er wŔl overeenstemming  zou zijn bereikt.

9.    "Ik reserveer mij het regt om, wanneer ik mijn broeder over-
       "leef, bij eenvoudig geschrift, Alleen door mij onderteekend
       "aan te wijzen twee vrouwen en een man, die met de heeren
       "burgemeester en predikant het eerst Collegie van Regenten
       "zullen uitmaken en tevens de dames die in de eerste plaats
       "de uitkeering zullen genieten en de vrouwen die het eerst
       "in de fundatie zullen worden opgenomen, welke aanwijzing
       "dezelfde kracht zal hebben als of zij in deze mijne beschik-
       "king ware opgenomen;

Bij het testament van Oeno, treffen we een identieke bepaling aan, wij verwijzen hiernaar.

10.   "Voor zoo ver ik, in dat geval, niet bij afzonderlijk geschrift
       "de dames heb aangewezen die in de eerste plaats de uitkee-
       "ring zullen genieten, worden door mij daarmede in de eerste
       "plaats begiftigd de dames Tettje en Wobbina de Wal, doch-
       "ters van wijlen Mr. Gabinus de Wal, in leven hoogleeraar te
       "Groningen en Lucretia en Joachamina Elsabee Tijssen, doch-
       "ters van wijlen den heer DaniŰl Tijssen, in leven predikant
       "te Leeuwarden.

Bij het testament van Oeno, vinden we een identieke bepaling, hiernaar zij verwezen, maar wij merken op dat in de op 5 december 1866 geregistreerde statuten (na de dood van Oeno) de naam Tijssen, niet voorkomt in de drie stammen, familienamen, die worden aangewezen om voor een uitkering van de Van Teijens, fundatie in aanmerking te komen.

11.   "Ingeval ik vˇˇr mijn broeder kom te overlijden legateer ik

       "aan ieder van de vier genoemde dames eene jaarlijksche uit-
       "keering van driehonderd gulden; vrij van successieregt,
       "welke uitkeering zal ophouden, zoodra zij in het genot tre-
       "den van de uitkeering uit de fundatie, na het overlijden
       "van mijn broeder;

Deze bepaling vinden we niet in het testament van Oeno. Etta, wil blijkbaar graag dat deze legatarissen verzorgd zijn, met een uitkering van 300 gulden, althans onder de voorwaarde dat zij vˇˇr haar broeder overlijdt. Uit deze bepaling komt duidelijk naar voren dat Etta, ervan overtuigd is dat de genoemde dames een uitkering uit de fundatie zullen gaan genieten en wel als een van de eersten, alle eenvoudige geschriften met aanwijzing van de dames door haar of haar broer ten spijt. Merkwaardig is dat de dames Tijssen, volgens de statuten nooit een uitkering kunnen genieten. Omdat Etta, alleen bepaalt dat het legaat aan de dames zal vervallen, bij voorwaarde van uitkering uit de fundatie, zullen de genoemde dames levenslang hun uitkering van driehonderd gulden per jaar uit de nalatenschap van Etta, kunnen opvorderen.

12.     "Ik legateer aan Mejufvrouw Susanna Cornelia Ambrosia van
          "Boelens, dochter van den heer George Hendrik van Boelens
          "en Helena, Susanna Cornelia en Antoinetta van Boelens, doch-
          "ters van Mr. Christiaan Hendrik Sophias van Boelens, teza-
          "men, en alzoo voor gelijke deelen, en in geval van voorover-
          "lijden van eene of meer dezer legatarissen met achterlating
          "van kind of kinderen, deze in moeders plaats, de volgende
          "vastigheden, te weten:

          "Ten eersten: Eene Zathe en Landen met huizinge, schuur,
          "hornleger en de onderhoorige bouw-, weid- en hooilanden,
          "rietland en water, gedeeltelijk onder Boornbergum en ge-
          "deeltelijk onder Kortehemmen en voor een klein gedeelte
          "onder Dragten gelegen, bekend in het kadaster van de ge-
          "meente Boornbergum, in sectie A onder Nos. 230, 876, 877, .
          "1222, 1227, 1228, 1233, 1234, 1278, 1282, 1283, 1284, 1291 tot en
          "met 1297 en in sectie Bonder Nos._.221tot en met 227, 233,
          "234, 594 en 595 en in de gemeente Dragten in sectie Conder
          "Nos. 1265 en 1266, alles te zamen ter grootte van vier en
          "dertig bunders, een en zestig roeden, vier en negentig ellen,
          "thans bij Jan Sakes van den Burg in gebruik.

          "Ten tweeden: Eene Zathe en Landen, met huizinge, schuur,
          "hornleger en de onderhoorige bouw-, weid- en hooilanden,
          "rietland en water, staande en gelegen aldaar, bij Marten
          "Hendriks Vissia in gebruik, kadastraal bekend in de gemeen-
          "te Boornbergum, in sectie A onder Nos. 1126, 1143 tot en
          "met 1151, 1229, 1230, 1231, 1232, 1251, 1252, 1253, 587 en 588 en
          "in sectie B als helft van No. 116 en 'de geheele nummers 210,
          "215, 215a, 216, 755, 784 en 785, alles tezamen ter grootte van
          "vijf en veertig bunders, zeven en zestig roeden en veertig
          "ellen.

          "Ten derden: Eene Zathe en Landen, met huizinge, schuur, .
          "hornleger, hovinge en de onderhoorige bouwen weidlanden,
          "hooi en rietland, bosch en water, alles staande en gelegen
          "aldaar, en voor het meerendeel bij Hendrik Geert Popkema
          "in gebruik, kadastraal bekend in de gemeente Boornbergum
          "in sectie A onder Nos. 306 tot en met 310, 558, 559, 560, 561,
          "589, 591, 592, 997 tot en met 1002, en in sectie B onder Nos.
          "74 tot en met 82, 86 tot en met 91, 76a, 77a en b, 86a en b,
          "87a en 90a, 186, 219 en 220, te zamen ter grootte van een en
          "dertig bunders, negen en vijftig roeden, negen en tachtig
          "ellen.

"Ten vierden: Eene Zathe en Landen, met huizinge, schuur,
"hornleger, hovinge en de onderhoorige bouw-, weid- en hooi-
"landen, bosch, rietland en water, alles staande en gelegen
"aldaar en voor het grootste gedeelte bij Tjalle Oebles
"Ypinga in gebruik, kadastraal bekend in de gemeente Boorn-
"Bergum, in sectie A, onder Nos:"229, 234, 235, 236, 237, 243, 244, 245, 246, 248, 296, 297, 298, 299, 317, 318, 324,325, 329.330, 333, 358, 359, 360, 361, 364, 1522, 1553 en 1499 en in sectie B onder Nos. 382, waarvan de  zuidelijkehelft hierbij behoort, 384 tot en met 391 en 397 tot en met 404, te zamen
"voor eene grootte van vier en veertig bunders, twintig roe-
"den en twintig ellen.
"Ten vijfden: Een huis en landen aldaar, bij Hendrik Wijbes
"Wijbinga in gebruik, kadastraal bekend in de gemeente Boorn-
"bergum, in sectie A onder Nos. 252 tot en met 257 en 260 tot
"en met 266, tezamen ter grootte van vijf bunders, vijf en
"dertig roeden en vijftig ellen, en
"Ten zesden: Zeven bunders, vier en veertig roeden, twintig
"ellen hooiland, tusschen weg en dijk onder Boornbergum,
"bij Gosse Jans de Boer in gebruik, kadastraal bekend in de
"gemeente Boornbergum, in sectie B onder Nos. 724, 726, 727
"en 729.

Hier wordt een groot legaat besproken voor vier jufvrouwen/ dochters met de namen Van Boelens. Opmerkelijk is dat de kantonrechter te Beetsterzwaag, die het besloten testament van Etta op 8 februari 1862 mocht openen ook een Van Boelens is.
Er wordt een plaatsvervullingclausule opgenomen, voor de kinderen van genoemde dames. Opgemerkt zij dat niet het woord afkomelingen wordt gebruikt, zoals bij Oeno, wel geschiedt bij zijn grote legaat - onder 12 genoemd - aan de Van Heloma's.
Het legaat is onder de last van vruchtgebruik, zie parafrase 3. De dames Van Boelens, zullen eerst de blote eigendom van de goederen kunnen verwerven en bij de dood van de vruchtgebruiker, Oeno, pas de volle eigendom.

Hier valt, en dat geldt in het algemeen voor de testamenten van Etta-Arnolda en Oeno, nog te bezien in hoeverre Etta, beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de door haar gelegateerde goederen.
Immers is het erfdeel van haar vader aan haar onder fidei-commissair verband bij haar aangekomen en zo ook het erfdeel van haar oom Tinco van Teijens. Het testament van deze Tinco, hebben wij overigens buiten beschouwing gelaten. De bepalingen in het testament van Benedictus zijn duidelijk: van Saco, broer van Etta en Oeno, is ons geen testament bekend, de goederen die Saco van Benedictus, heeft geŰrfd, gaan via de boedel van Benedictus naar Etta en Oeno, en wel wederom onder fide´-commissair verband. Indien de goederen onder een fide´-commissair verband vallen zou dit legaat van Etta, als nietig kunnen worden aangemerkt. Dit geldt dan trouwens voor al haar legaten en de erfstelling in haar testament.

13.

"De voordeelen of inkomsten dezer goederen zullen op de le-
  "gatarissen overgaan na het overlijden van den benoemden
"vrugtgebruiker.

Wij merken op dat de wet eenzelfde rechtsgevolg toekent, mits Etta, uiteraard niet bij haar leven de goederen ten behoeve van een ander met vruchtgebruik heeft belast.

14.

"Ik verzoek de legatarissen aan welke ik deze goederen heb
  "toegemaakt, die niet te verkoopen, maar voortdurend in hun
"geheel te verhuren opdat de huurders daarop hun brood
"mogen kunnen winnen.

Een verzoek van de erflaatster. Dit verzoek van Etta, aan de legatarissen is overigens niet als voorwaarde gesteld voor de verkrijging van het legaat.
De jaarlijkse verhuur van de goederen, is de verpachting per jaar, de aanwezige pachters zullen ook in de toekomst de door hen gepachte grond kunnen bebouwen, maar in plaats van hen nieuwe huurders.

15. Nu volgen er enige legaten in geld, vijftienhonderd gulden elk, vrij van successierecht, uit te betalen zes maanden na overlijden van Etta, de ene helft van genoemd bedrag, en zes maanden later de andere helft. Er is een plaatsvervullingclausule voor de kinderen van genoemde personen opgenomen:

Als legatarissen worden genoemd:

- Aaltje Jans Buursma.
- Taeke Alberts de Jong.
- Antje Alberts de Jong.
- en de kinderen van Fokke Sijgers de Jong, deze krijgen tezamen het legaat.

Vervolgens volgen er enige legaten in geld, te weten periodieke uitkeringen van twee gulden in de week, vrij van successierecht, ingaande bij overlijden van de erflaatster, aan met name genoemde legatarissen.
Onder opschortende voorwaarde van overlijden van hun echtgenoot krijgen de weduwen eenzelfde legaat.
De namen van de legatarissen zijn Albert Jan Buursma, Auke Alberts de Jong, Rinze Melles Koopmans, Albert Sijgers de Jong en Aaltje Sijgers de Jong.

16.    "Na het overlijden van deze legatarissen zal aan hunne kin-
         "deren, namelijk aan de kinderen of afkomelingen van iederen
         "legataris of van ieder paar echtelieden, worden uitgekeerd,
         "de som van vijftienhonderd guldens, vrij van successieregt.

Wie vallen er nu onder 'deze' legatarissen. Vermoedelijk bedoelt Etta, slechts de legatarissen met een weekuitkering van twee gulden, maar dat is een vermoeden. Immers kan men ook lezen dat alle hierboven genoemde legatarissen bedoeld zijn (zonder uitzondering), zodat bij overlijden van al die legatarissen aan hun kinderen en afkomelingen, ieder een bedrag van vijftienhonderd gulden moet worden uitgekeerd. Ook is mogelijk in deze bepaling te lezen dat per overleden legataris aan diens kinderen gezamenlijk het bedrag van vijftienhonderd gulden moet worden uitgekeerd.
Opgemerkt dient te worden dat Etta, uitdrukkelijk zegt 'van iedere legataris of ieder paar echtelieden'. Zo is mogelijk dat natuurlijke kinderen of kinderen uit eerdere of latere huwelijken, van de bedoelde legatarissen van deze bepaling in het testament kunnen profiteren.

17. Nu volgt er nog een serie legaten in geld, vijftienhonderd gulden elk, vrij van successierecht, uit te betalen in twee termijnen, de eerste zes maanden na overlijden, de tweede zes maanden later.
Namen van de begunstigden zijn: zes maal Jans Buursma, vijf maal Melles Koopmans (met uitzondering van Cornelis) en twee maal Sijbes Posthumus.

18.

a. Legaat in geld, tienduizend gulden, aan Sijger Melles Koopmans.
  Bij vooroverlijden aan zijn weduwe.
b. Legaat in geld, vierduizend gulden, aan Aukje Melles Koopmans.
Bij vooroverlijden aan haar man Jacob Fabel.
c. Legaat in geld, achtduizend gulden, aan Cornelis Alberts Koopmans.
d. Legaten in geld, duizend gulden elk, aan drie maal de naam Van Herwerden.
e. Legaat in geld, vijfduizend gulden, aan D.H.H. Tijssen. Bij vooroverlijden aan zijn weduwe.
f. Legaat in geld, tweeduizend gulden, drie maal aan de naam De Carpentier.

Vervolgens wordt bepaald dat voor alle legatarissen, of de langstlevende van twee opgenoemde echtelieden een plaatsvervullingclausule geldt voor hun kinderen.
Dit zet de toelichting bij parafrase 16 in een ander daglicht, daar was immers sprake van ongenoemde echtgenoten, hetgeen de bepaling enigszins onbegrijpelijk maakte. Hierop zijn we in de toelichting uitgebreid ingegaan.

19. Legaat in geld en goederen aan de Diakonij van de Hervormde gemeente te Beetsterzwaag, kadastraal gemeente Beetsterzwaag, sectie B, No. 457en duizend gulden.

Legaat in geld en goederen aan de Kerkvoogdij van de Hervormde gemeente te Beetsterzwaag, duizend gulden en twee zilveren wijnkannen met een opdracht. Legaat in geld aan de Diakonij van de Hervormde gemeente te Ureterp, bedrag van tweeduizend gulden.

Legaat in geld aan de Diakonij van de Hervormde gemeente te Sijgerswoude, een bedrag van vijfduizend gulden.

Legaat in geld aan de Kerkvoogdij van de Hervormde gemeente te Bakkeveen, een bedrag van tweeduizend gulden.

Legaat in geld aan de Diakonij van de hervormde gemeente te Bakkeveen, een bedrag van tweeduizend gulden.

Legaat in geld aan de Pastorij administratie te Bakkeveen, een bedrag van tweeduizend gulden ter verbetering van het tractement van de predikant aldaar.

Deze legaten moeten worden belegd en als kapitaal worden bewaard. De renten mogen worden gebruikt ter verbetering van de inkomsten van de legatarissen. De legaten in geld worden in twee termijnen uitbetaald, het zilverwerk wordt binnen zes maanden uitgekeerd, het onroerend goed op de twaalfde mei na het overlijden van de erflaatster.
Ook Oeno, legateert aan de Diakonij onroerend goed, opvallend is het verschil in datum van uitkering van het onroerend goed. Bij hem is dat de vijfde mei na zijn overlijden. Dit kan met de boerderijaanvaarding samenhangen.

20. Legaat in geld aan een tehuis voor verwaarloosde meisjes, een bedrag van tweeduizend gulden.

Legaat in geld aan het Oude Instituut voor blinden te Amsterdam, een bedrag van tweeduizend gulden.

21. Legaat van een periodieke uitkering van twee gulden per week aan drie personen, te weten twee maal met namen Joukes Borneus en ÚÚn maal met naam Aukes de Jong.

Legaat van een periodieke uitkering van vijf gulden per week aan Hendrik Jans Wedman en zijn huisvrouw Dirkje Ypinga.
Niet duidelijk is of ze dit legaat samen verkrijgen of ieder voor zich, gezien het feit dat Etta, bepaalt: 'en bij overlijden van een hunner aan de langstlevende .

Legaat van een periodieke uitkering van twee gulden vijftig aan Grietje Hendriks Werkman, op voorwaarde van overlijden van Jan Wedman en Dirkje Ypinga.

22. Legaat aan de 'vaste arbeiders' die bij overlijden van Etta, in 'onze tuinen' werkzaam zijn op het moment van overlijden van de erflaatster, onder voorwaarde dat zij dan drie jaar in dienst zijn geweest 'bij ons'. Het is een periodieke uitkering van een gulden in de week, te verhogen tot een gulden vijftig bij het bereiken van de vijftigjarige leeftijd van de legatarissen.

23. Legaat in geld, honderd gulden, aan ieder van de meiden die in dienst bij de erflaatster zijn bij haar overlijden. Daarnaast een legaat van een periodieke uitkering van een gulden in de week, voor de meiden die drie jaar bij Etta in dienst zijn geweest, te verhogen tot een gulden vijftig bij bereik van een zekere leeftijd.
Opvalt dat Etta, hier niet de meiden noemt die in dienst zijn bij haar broer, als zij komt te overlijden, terwijl Oeno, dat wel doet.

24. Legaat in geld, vijf en twintig gulden, aan ieder van de meisjes die bij overlijden van de erflaatster nog bij haar werkzaam zijn. Bovendien een legaat van tien gulden voor ieder jaar dat deze meisjes bij haar in dienst waren.
Dan volgt er nog een bepaling - identiek aan Oeno's bepaling onder parafrase 25 - dat de wekelijkse uitkeringen dadelijk bij haar overlijden zullen ingaan, en dat haar broer of de erfgenamen de uitbetaling daarvan moeten regelen.
De legaten in geld aan de bedienden besproken moeten zes weken na het overlijden van Etta, worden uitbetaald, alle vrij van successierecht.

4.3. Testament van Oeno.

Het testament van Oeno van Teijens, werd opgemaakt op 12 maart 1859 te Beetsterzwaag, volgens opgave door een ander geschreven en door Oeno, eigenhandig na goedkeuring ondertekend.
Ook hier betreft het een besloten testament, de akte van superscriptie is opgemaakt op 12 maart 1859 door notaris Arnold Andrea, te Beetsterzwaag, in tegenwoordigheid van vier getuigen.
Registratie van de akte vond plaats op 3 december 1866, te Beetsterzwaag, deel 60, folio 184, recto vak 2.
Proces-verbaal van aanbieding en opening van het besloten testament op 4 december 1866 te Beetsterzwaag, door de kantonrechter te Beetsterzwaag de heer F.A. van Boelens en de griffier P.J. Beijma.
Registratie van dit proces-verbaal op 4 december 1866 te Beetsterzwaag, deel 18, folio 94, verso vak 5. Als ontvanger heeft getekend Van OunnÚ.
Parafrasering van de inhoud met weergave van de voornaamste gedeelten.

1.    "Ik herroep alle vroegere testamentaire beschikkingen.

2.    "Ik benoem tot mijne eenige en universeele erfgenamen den
       "heer Joachimus Lunsingh Tonckens en zijne echtgenoote
       "vrouwe Helena Aletta Koumans Smeding en bij voorover-
       "lijden van een hunner den langstlevende, en bij beider
       "vooroverlijden hunne kinderen en afkomelingen.

Bij Etta, vinden we een identieke bepaling. Het is een voorwaardelijke erfstelling, immers:

a. Indien Lunsingh Tonckens en Koumans Smeding, beiden bij overlijden van Oeno, nog in leven zijn, zullen zij ieder voor de helft van de nalatenschap erfgenaam zijn.
b. Indien ÚÚn van beide bovengenoemde echtgenoten vooroverleden is bij het overlijden van Oeno, zal de langstlevende echtgenoot van het echtpaar Tonckens-Smeding de enige erfgenaam zijn voor de gehele nalatenschap van Oeno.
c. Indien beide bovengenoemde echtgenoten bij overlijden van Oeno vooroverleden zijn, zullen de kinderen en afkomelingen (gezamenlijk?) erfgenaam zijn voor de gehele nalatenschap.

Deze bepaling behoeft enige uitleg, immers wat zou bedoeld zijn met 'afkomelingen'? Er zijn verschillende mogelijkheden:
-Afkomelingen van het echtpaar Tonckens-Smeding als echtpaar.
-met 'afkomelingen' wordt gedoeld op kinderen van het echtpaar.
-'hunne kinderen' slaat tevens op de eventuele kinderen uit een eerder of later huwelijk van genoemde echtgenoten, onder 'afkomelingen' worden dan tevens de afkomelingen van die betreffende kinderen begrepen...
-onder 'hunne kinderen en afkomelingen' wordt tevens een natuurlijk kind c.q. bastaard en zijn of haar afkomelingen begrepen...
-of de mogelijkheid dat bij vooroverlijden van Tonckens en Smeding, allereerst de kinderen van hen tot de nalatenschap worden geroepen en daarna, bij vooroverlijden van die kinderen, de afkomelingen van die betreffende kinderen. Omdat in het testament geen fide´-commis-bepaling is opgenomen. Doch een plaatsvervullingclausule hieromtrent, is deze mogelijkheid onwaarschijnlijk te noemen.
Het meest waarschijnlijk is, omdat Oeno, het woord 'en' gebruikt, dat alle kinderen en afkomelingen van Tonckens en Smeding, die op het moment van Oeno's overlijden in leven zijn, ingeval Tonckens en Smeding, vooroverleden zijn, gezamenlijk tot de gehele nalatenschap van Oeno, worden geroepen.

3.    "Ik legateer aan mijne zuster Mejufvrouw Etta Arnolda van
       "Teijens het vruchtgebruik mijner geheele nalatenschap ge-
       "durende haar leven en ontsla haar van de verpligting om'
       "borgtogt te stellen voor de bewaring.

De ingestelde erfgenamen zullen door deze vruchtgebruikbepaling de nalatenschap van Oeno, slechts in bloot eigendom verwerven. Bij overlijden van Etta, als benoemd vruchtgebruikster zal deze blote eigendom aanwassen tot volle eigendom, aangezien vruchtgebruik ophoudt bij de dood van de vruchtgebruiker.
Bekend is dat Etta, op 3 februari 1862 overleden is; in casu drie jaar na het opmaken van Oeno's testament en bijna vijf jaar voor het openvallen van de nalatenschap van Oeno. Aangezien niet bekend is dat Oeno, in een later testament de vruchtgebruikbepaling herroepen heeft ten gunste van een ander, zal de vruchtgebruikbepaling in dit testament door het vooroverlijden van Etta, zonder werking zijn. De ingestelde erfgenamen en legatarissen verkrijgen aldus bij het overlijden van Oeno, meteen de volle eigendom van de hun toegedachte goederen.

4.    "Ik vermaak of legateer aan de nagemelde Stichting of Van
       "Teijens Fundatie de volgende vaste goederen, te weten:
       "ten eersten: Eene Zathe en landen, met huizinge, schuur,
       "hornleger, hovinge, boomen en plantagie en de onderhoorige
       "bouwen weidlanden, bosch en heide gronden, staande en
       "gelegen te Beetsterzwaag, kadastraal bekend in die gemeen-
       "te in sectie B, onder Nos. 217, 218, 219, 221 tot en met 230,
       "435 tot en met 448. te zamen ter grootte van negen en der-
       "tig bunders, veertien roeden, een en vijftig ellen; met daar-
       "bij gebruikt wordende losse hooilanden onder Beets, bekend
       "in het kadaster van de gemeente Beetsterzwaag in sectie e,
       "onder Nos. 77 en 81 en in sectie 0 onder Nos. 24. 308. 318,
       "320, 369, 370, 381, 408, 409, 608, 609, 625 en 626, te zamen ter
       "grootte van drie en dertig bunders en een en zeventig ellen,
       "- alles thans bij Jan Annes Jongsma als huurder in gebruik, en
       "ten tweeden: Eene Zathe en landen met huizinge, schuur,
       "hornleger, hovinge, boomen en plantagie, met het daarop
       "gestichte fundatie huis en de daarbij behoorende bouwen
       "weidlanden en bosch. alles staande en gelegen te Beetster-
       "zwaag, kadastraal bekend in de gemeente Beetsterzwaag, in
       "sectie B, onder Nos. 206. 207 waarop het fundatie huis is ge-
       "bouwd, 208 tot en met 216, 449 tot en met 453, te zamen ter
       "grootte van twaalf bunders, vier en veertig roeden, een en
       "twintig ellen, met de daarbij gebruikt wordende losse hooi-
       "landen onder Beets, bekend in het kadaster van. de gemeen-
       "te Beetsterzwaag, in sectie e onder Nos. 31, 33, de helft
       "van No. 83 en No. 534, en in sectie 0, onder Nos. 373, 374,
       "410 en 411, te zamen ter grootte van dertien bunders. een
       "en veertig roeden, negen en tachtig ellen, en behalve het
       "fundatie huis, alles thans bij de weduwe van Wijtze Reinders
       "Werker in gebruik.

Onder 'ten eersten' wordt vermeld bij wie de daaronder vallende goederen 'thans als huurder in gebruik' zijn, onder 'ten tweeden'  wordt vermeld dat en bij wie de daaronder vallende goederen in gebruik zijn zonder nader te vermelden of dit in huur of pacht. of ander benoemd gebruik is.

In deze bepaling worden de gelegateerde goederen nader aangeduid door hun kadasternummers te vermelden. Wij merken op dat onder de gelegateerde goederen onder 'ten tweeden' een goed in mede eigendom is, de helft van No. 83 en No. 534 in sectie C.
De goederen worden gelegateerd aan een 'nagemelde stichting of Van Teijens fundatie'. Uit de woorden van deze bepaling kan niet meteen duidelijk worden of nu de stichting de goederen krijgt gelegateerd, of dat de Van Teijens fundatie, de gelukkige legataris zal blijken te zijn, er staat immers of.
Mogelijk is natuurlijk dat met 'nagemelde stichting' de Van Teijens fundatie, zelve bedoeld wordt, en dat lijkt het meest voor de hand te liggen.

Het legaat is tot dusver een zuiver onvoorwaardelijk legaat, let wel, onder de last van vruchtgebruik tot de dood van de vruchtgebruikster, maar zonder nadere voorwaarden of lasten.
De 'na te melden stichting of Van Teijens fundatie' moet uiteraard bestaan op het moment van overlijden van de erflater om rechten te kunnen ontlenen aan het testament van Oeno, tenzij de erflater bij zijn testament verklaart zelf de stichting op te richten of bij testament aan zijn erfgenamen de last oplegt om de betreffende stichting op te richten.
Tot dusver is nog niet genoemd waar de stichting C.q. fundatie haar zetel heeft of zal hebben, dat ook alsnog worden 'nagemeld'.
Het oprichten van een stichting kon destijds vormvrij plaatsvinden, maar een rechtshandeling tot oprichting is een minste vereiste voor het kunnen bestaan van een stichting (mondeling).

5.    "De inkomsten van deze goederen worden door mij bestemd
       "om te voorzien in de uitgaven en behoeften eener bijzondere
       "en van het burgerlijk bestuur onafhankelijke instelling van
       "liefdadigheid, door mij in overleg en vereeniging met mijne
       "zuster Mejufvrouw Etta Arnolda van Teijens, landeigenaarsche,
       "wonende te Beetsterzwaag, wordende gesticht onder den
       "naam van VAN TEIJENS FUNDATIE,

Hier wordt duidelijk, dat ten tijde van het opmaken van het testament van Oeno, de Van Teijens fundatie, als stichting of instelling van liefdadigheid nog niet is opgericht, maar dat deze fundatie door Oeno en Etta Arnolda van Teijens, in overleg en vereniging gezamenlijk - te zijner tijd - zal worden opgericht en dat de inkomsten van de aan die stichting door Oeno, gelegateerde goederen worden bestemd om te voorzien in haar uitgaven en behoeften, naar aan te nemen valt na de dood van de vruchtgebruikster.

6.    "waarvan de bestemming is tweeledig en wel vooreerst om
       "daaruit eene jaarlijksche uitkeering in geld te doen aan
       "dames, weduwen of ongehuwden, die niet zoodanig door de
       "fortuin zijn begunstigd, dat zij uit eigen middelen in haar
       "onderhoud kunnen voorzien, en die alzoo zonder bijzonderen
       "bijstand, genoodzaakt zouden zijn hare toevlugt tot vreem-
       "den te nemen en hetzij als gouvernante, hetzij als jufvrouw
       "van gezelschap, huishoudster of door andere soortgelijke
       "betrekking, in haar onderhoud zouden moeten trachten te
       "voorzien. en ten anderen, om daaruit huisvesting en verdere
       "ondersteuning te verschaffen aan zes vrouwen, weduwen of
       "ongehuwden uit den mingegoeden stand.

In deze bepaling wordt het - tweeledig - doel van de op te richten stichting toegelicht, ten eerste zullen onfortuinlijke dames van alle standen, die niet zonder enige moeite in het eigen onderhoud kunnen voorzien een jaarlijkse uitkering van de stichting genieten en ten tweede zal huisvesting en 'verdere ondersteuning' door de stichting worden verschaft aan zes vrouwen uit de mingegoede stand.

7.    "Deze instelling zal in werking treden dadelijk na het over-
       "lijden van den langstlevende van mij en mijne genoemde zus-
       "ter en de successieregten daarvan te voldoen, zullen komen
       "ten laste van mijne nalatenschap.

Deze bepaling maakt ons duidelijk dat de bedoeling was dat Oeno en Etta, gezamenlijk, bij hun leven, de stichting zullen oprichten, maar, dat de inwerkingtreding als liefdadige instelling wordt opgeschort tot na hun beider overlijden.
Welke successierechten komen nu volgens deze bepaling ten laste van Oeno's nalatenschap? Mogelijk zijn dat de successierechten die vallen op de inwerkingtreding van deze instelling, of wellicht bepaalt Oeno, dat het legaat aan de stichting vrij van successierechten zal zijn. Uit deze bepaling zou mogelijk ook kunnen blijken dat alle successierechten die de stichting in het algemeen ooit in de toekomst nog zou moeten voldoen, over welk legaat of verkrijging krachtens erfrecht dan ook, ten laste mogen komen van Oeno's nalatenschap.

8.    "Zij zal worden beheerd .overeenkomstig het reglement of de
       "statuten door mij in overleg met mijne zuster vastgesteld
       "en als bijlage bij dit mijn testament gevoegd en door mij
       "onderteekend, begeerende ik dat dit reglement stiptelijk
       "zal worden nageleefd even als of de bepalingen woordelijk
       "in dit mijn testament waren opgenomen.

Hier bepaalt Oeno, dat er statuten of een reglement als bijlage bij zijn testament is gevoegd, waarvan hij zegt dat hij deze in overleg met zijn zuster heeft opgesteld, maar dat hij allÚÚn ze ondertekend heeft. Hij verklaart, dat hij wil, dat deze statuten stipt zullen worden nageleefd.
In het proces-verbaal van aanbieding van het besloten testament van Oeno, aan de kantonrechter is een bijlage gemeld, naast het testament gevonden in het pakketje dat de notaris onder zich had en waarop de akte van superscriptie was gesteld. In de akte van superscriptie en bij de registratie van het testament is daarentegen niet gemeld dat het aan de notaris aangeboden pakket een testament en een bijlage bevatte.

Het is de vraag in hoeverre het mogelijk is om in een besloten testament rechtsgeldig te verwijzen naar: een bijlage.
Naleving van het reglement is niet een door Oeno, gestelde voorwaarde voor verkrijging van het legaat. Evenmin heeft hij een sanctie opgenomen omtrent niet-nakoming.
Uit de statuten of reglementen van deze instelling zou duidelijk kunnen worden in hoeverre de bewoordingen gelijkluidend zijn aan de bewoordingen in het testament van Oeno.

9.    "Ik reserveer mij het regt om, wanneer ik mijne zuster over-
       "leef, bij eenvoudig geschrift, alleen door mij onderteekend,
       "aan te wijzen twee vrouwen en een man die met de heeren
       "burgemeester en predikant het eerste Collegie van Regen-
       "ten zullen uitmaken, en tevens de dames die in de eerste
       "plaats de uitkeering zullen genieten en de vrouwen die het
       "eerst in de fundatie zullen worden opgenomen, welke aan-
       "wijzing dezelfde kracht zal hebben, als of zij in deze mijne
       "beschikking ware opgenomen.

Hier kan hetzelfde worden gezegd, als in de toelichting onder parafrase 8, een eenvoudig geschrift kan niet hetzelfde rechtsgevolg hebben als een testament. Een eenvoudig geschrift kan wellicht volgens de statuten van de fundatie voldoende zijn, om de dames die voor een uitkering in aanmerking komen aan te wijzen. Dit zou wel expliciet uit de statuten moeten blijken.

10.    "Voor zoo ver ik, in dat geval, niet bij afzonderlijk geschrift
         "de dames heb aangewezen, die in de eerste plaats de uit-
         "keering zullen genieten. worden door mij daarmede in de eer-
         "ste plaats begiftigd de dames Tettje en Wobbina de Wal, doch-
         "ters van wijlen Mr. Gabinus de Wal, in leven hoogleeraar te
         "Groningen en Lucretia en Joachamina Elsabee Tijssen, doch-
         "ters van wijlen den heer DaniŰl Tijssen, in leven predikant
         "te Leeuwarden.

De bepaling 'voor zoo ver ik' lijkt bewijsrechtelijk een moeilijke kwestie op te leveren, immers wat is de waarde van zo'n eenvoudig geschrift. Oeno, laat hier weten dat hij een eenvoudig geschrift boven de testamentvorm stelt, dit lijkt strijdig met de aard van een uiterste wil.
Afgezien nog van wat volgens de statuten van de fundatie nodig zal blijken te zijn, om als dame voor een, uitkering of huisvesting in aanmerking te komen, blijkt uit deze bepaling in het testament niet direct dat deze dames niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, hetgeen door Oeno - zie hierboven onder 6 - wel uitdrukkelijk is gesteld om voor een uitkering van de fundatie in aanmerking te kunnen komen. Het is zelfs onaannemelijk dat de aangewezen dames, erfgenamen van een hoogleraar en een predikant, gezien de voorname stand in die jaren, tot de onbemiddelde stand zouden behoren.

Opmerkelijk is dat Oeno, evenals Etta-Arnolda, in haar testament, parafrase 10, in deze bepaling twee dames aanwijst met de naam Tijssen, die uit de fundatie een uitkering zouden moeten genieten.
Uit de ons ter beschikking staande gegevens over de statuten zal immers blijken dat vooralsnog slechts bepaalde dames, met namen De Waal, De Wal en Koumans Smeding, met een uitkering uit de fundatie kunnen worden begiftigd, en daarom zouden de dames Tijssen, reeds statutair uitgesloten zijn.

Noch bij testament, noch bij eenvoudig geschrift kan Oeno, daarop invloed uitoefenen, hoogstens kan al met al deze bepaling als een voorwaardelijke aanwijzing c.q. verzoek aan de stichting worden beschouwd. De stichting zal volgens de statutaire bepalingen de uitkeringen doen. In ieder geval zal uit de statuten - na inwerkingtreding van de stichting als liefdadige instelling - haar doelstelling kunnen blijken.
Vreemd blijft echter dat Oeno en Etta, evenzo, deze ingewikkelde vorm kiest, die als zijnde hoogst voorwaardelijk c.q. een verzoek, voor de dames Tijssen, in geen geval een uitkering via de stichting met zich mee zal brengen.

11.    "Ik legateer aan den heer Mr. Marcus van Heloma, lid van de
         "provinciale Staten van Friesland, wonende te Heerenveen,
         "en ingeval van vooroverlijden, aan zijne kinderen en afko-
         "melingen, de volgende vastigheden:

         "ten eersten: De Heerenhuizinge Fockens State genaamd ten
         "westen van het dorp Beetsterzwaag, met schuur, stalling en
         "verdere getimmerten, tuinen, lanen en singels en daarvoor
         "en achtergelegen bouw- weid en hooilanden en boseh, alles
         "te zamen groot volgens kadastrale meting vier en vijftig
         "bunders een en dertig roeden, vier en zeventig ellen en be-
         "kend in het kadaster van de gemeente Beetsterzwaag in
         "sectie B, onder Nos. 32, 39, 40, 41, 806, 807, 808, 673 tot en
         "met 684, 691 tot en met 695, 699, 700, 701, 702, 704, 705, 706,
         "707, 927, 928, 929 en 930.

         "ten tweeden: Twee arbeiderswoningen met tuin en grond, ge-
         "legen ten westen van het vorige perceel, kadastraal bekend
         "in de gemeente Beetsterzwaag in sectie 0, onder Nos. 857 en
         "858, te zamen ter grootte van zestien roeden negen en zes-
         "tig ellen.

         "ten derden: Eene nieuw gebouwde huizinge en grond, ten
         "oosten van het eerste perseel, als voren bekend in sectie B,
         "onder Nos. 916 en 917, te zamen ter grootte van tien roeden,
         "drie ellen.

         "ten vierden: Vijf en veertig roeden, vijftig ellen terp weid-
         "land, gelegen aan de opvaart onder Warga, kadastraal bekend
         "in de gemeente Warga, in sectie A, onder No. 693.

         "ten vijfden: Eene Zathe en Landen, met huizinge en schuur,
         "woning en verdere getimmerten, tuin, appelhof en daarvoor
         "en achter gelegene bouwen weidlanden, bosschen, heide,
         "wijken en opvaarten, alles staande en gelegen ten zuiden
         "van den hoogen dijk of kunstweg onder Kortezwaag, thans
         "bij Sijtzen Iebeles Jelema en voor een klein gedeelte bij
         "Paulus Buzaan en de weduwe van Edzer Roels in gebruik, be-
         "kend in het kadaster van de gemeente Langezwaag, in sectie
         "0, onder Nos. 72 tot en met 83, 86, 87, 88, 91. 92, 865, 870,
         "877, 95 tot en met 104, 107 tot en met 119, 95a, 102a, 102b,
         "107a, 116a, 131, 136, 137,683,684,685,703,704,714 tot en
         "met 733 en de massaale wijken Nos. 731, 735, 648, 1091, 1092,
         "1100 en 1101, alles te zamen met uitzondering van de wijken
         "groot negen en zeventig bunders, vier en negentig reeden,
         "veertig ellen.

         "ten zesden: Twee en dertig bunders, negen en zestig roeden,
         "dertig ellen weidland of fenne met de oude vaart daarin op-
         "gelegd, gelegen ten noorden van den hoogen dijk of kunstweg
         "aldaar, als voren bekend in sectie E. onder Nos. 44 tot en
         "met 49, 177 en 181, bij denzelfde Jelsma in gebruik.

         "ten zevenden: Drie bunders, vijf en twintig roeden los hooi-
         "land aldaar, bij denzelfde in gebruik, als voren bekend in
         "sectie E onder No. 127 met de halve wijk No. 127a daarnevens
         "strekkende, en

         "ten achtsten: Een bunder, acht en veertig roeden. vijftig
         "ellen weidland, gelegen tusschen de wegen onder Terwispel,
         "bekend in het kadaster van de gemeente Gorredijk, in sec-
         "tie B, onder Nos. 535 en 536.

Hier wordt een legaat besproken met een plaatsvervullingclausule, zodat bij vooroverlijden van de legataris Marcus van Heloma, zijn kinderen en afkomelingen gezamenlijk het gelegateerde goed van de erfgenamen kunnen opvorderen als benoemd legatarissen, ook al zijn ze in het testament van Oeno, niet met name genoemd.

12.    "De voordeel en of inkomsten dezer goederen zullen op den
         "legataris of zijne kinderen overgaan na het overlijden van
         "de benoemde vrugtgebruikersche.

Etta, heeft in haar testament een identieke bepaling opgenomen, maar omdat zij bijna vijf jaar voor Oeno, overleden is, is deze bepaling als overbodig te beschouwen.
De vraag is echter wat er zou gebeuren als Oeno nß Etta's dood - bij zijn leven - de goederen ten behoeve van een ander met vruchtgebruik had belast. Vruchtgebruik eindigt immers als op de door de wet in de vierde afdeling van Titel 9 van het Burgerlijk Wetboek aangegeven wijze, hetgeen met betrekking tot de gelegateerde goederen het rechtsgevolg zal hebben dat de blote eigendom aanwast tot volle eigendom, zodat de benoemde legataris ten volle de inkomsten of voordelen uit de gelegateerde goederen zal genieten.

Wij merken op dat hier niet de 'afkomelingen' van de genoemde legataris worden genoemd, maar slechts de legataris of zijn kinderen. In de plaatsvervullingclausule van parafrase 11 worden de afkomelingen wel genoemd, zodat de bovenstaande niet-vermelding voor hen geen rechtsgevolg heeft met betrekking tot de inkomsten- of voordelen uit de gelegateerde goederen bij einde van het vruchtgebruik.

13.    "Ik verzoek den legataris of zijne kinderen deze gelegateer-
         "de goederen niet te verkoopen, maar die voortdurend in hun
         "geheel te verhuren en het eerste perseel, zoo mogelijk
         "zelf te gebruiken.

Wij merken op, dat het hier slechts een verzoek betreft, en niet een voorwaarde, een verzoek sui- generis. Niet-opvolging van dit verzoek heeft geen rechtsgevolg.

14. Nu volgen er enige legaten in geld - vijftienhonderd gulden elk - vrij van successierecht, uit te betalen de ene helft van het genoemde bedrag zes maanden na het overlijden van de erflater en de rest na nog eens zes maanden, met een plaatsvervullingclausule. Het betreffen:

7 legatarissen met de achternaam Jans Buursma.

5 legatarissen met de achternaam Melles Koopmans.

2 legatarissen met de achternaam Sijbes Posthumus,

2 legatarissen met de achternamen Alberts de Jong, en

1 legataris met de achternaam Sijgers de Jong, of kinderen van deze legatarissen.

Dan volgen er enige legaten ingeld, te weten periodieke uitkeringen van twee gulden in de week. vrij van successierecht, ingaande bij het overlijden van de erflater.
Onder opschortende voorwaarde van overlijden van deze genoemde legatarissen krijgen de echtgenoten van hen eenzelfde legaat van twee gulden in de week levenslang.

15.    "Na het overlijden van deze legatarissen zal aan hunne kin-
         "deren, namelijk aan de kinderen en afkomelingen van iedereen
         "legataris of van ieder paar echtelieden worden uitgekeerd
         "de som van vijftienhonderd guldens, vrij van successie regt.

Wie vallen er onder 'deze' legatarissen. Vermoedelijk bedoelt Oeno, slechts de legatarissen met een weekuitkering van twee gulden. Maar evengoed kan men lezen, dat alle bovengenoemde legatarissen bedoeld zijn, zonder uitzondering. Zodat bij overlijden van al die legatarissen aan hun kinderen en afkomelingen ieder, een bedrag van vijftienhonderd gulden moet worden uitgekeerd. Ook is mogelijk de bepaling zo te lezen, dat per overleden legataris aan diens kinderen gezamenlijk, het bedrag van vijftienhonderd gulden moet worden uitgekeerd.
Oeno, spreekt uitdrukkelijk 'van iedere legataris of ieder paar echte lieden'. Zo is het mogelijk, dat natuurlijke kinderen of kinderen uit eerdere of latere huwelijken, van de bedoelde legatarissen van deze bepaling in het testament kunnen profiteren.

16. a. Legaat in geld, tienduizend gulden, aan Sijger Melles Koopmans, bij zijn vooroverlijden aan zijn weduwe.

b. Legaat in geld, vierduizend gulden, aan Aukje Melles Koopmans, bij vooroverlijden aan haar man Jacob Faber.

c. Legaat in geld, achtduizend gulden, aan Cornelis Alberts Koopmans.

Deze legaten worden vrij van successierecht in twee termijnen uitgekeerd.

    "Wanneer een of meer dezer legatarissen of de langstlevende
    "van twee ongenoemde echtelieden voor mij mogten komen te
    "overlijden zullen de kinderen die zij mogen nalaten, het le-
    "gaat genieten in vaders, moeders of ouders plaats, bij re-
    "presentatie.

Een ingewikkelde plaatsvervullingclausule, daar immers niet meteen duidelijk is welke kinderen in aanmerking komen en in wiens plaats zij komen.
We zullen eerst bekijken wie mogelijkerwijs legataris is bij de bepaling onder 16 genoemd, er zijn immers verschillende mogelijkheden:

-Sijger Melles Koopmans.
-de weduwe van Sijger Melles Koopmans bij zijn vooroverlijden.
-Aukje Melles Koopmans.
-Jacob Faber als man van Aukje Melles Koopmans bij haar vooroverlijden.
-Cornelis Melles Koopmans.

Ons is niet duidelijk wat Oeno, bedoelt te zeggen met de woorden 'langstlevende van twee ongenoemde echtelieden', immers wordt de weduwe van Sijger, genoemd, al is het voorwaardelijk en niet met name. Ook de man van Aukje, wordt voorwaardelijk genoemd en wel met name, dus zijn eventuele andere weduwnaars van Aukje, daarmee uitgesloten. Bij Cornelis, wordt geen echtgenote genoemd, dus ongenoemd, en valt daarmede mogelijkerwijs binnen de termen van deze bepaling. Al met al een verwarrend geheel, immers wordt om een voorbeeld te geven ingeval van vooroverlijden van Sijger, zijn weduwe als legataresse benoemd en tevens de kinderen van de overledene in vaders plaats bij representatie, dat houdt twee legaten in. Bij vooroverlijden van Sijger, en zijn weduwe moet het legaat worden uitgekeerd aan de kinderen van Sijger en de kinderen van zijn weduwe, mogelijk aan hen gezamenlijk, bij representatie. Expliciet is immers genoemd 'in vaders, moeders, of ouders plaats', kinderen van de weduwe van Sijger, behoeven niet Sijgers kinderen te zijn en vice versa.

17. Legaat in geld en goederen aan de Diakonij van de hervormde gemeente te Beetsterzwaag, duizend gulden en een 'uitgang land en boschje', gelegen onder Kortehemmen, kadastraal bekend in de gemeente Boornbergum,. "in sectie A, onder Nos. 1220 en 1221.

Legaat in geld, tweeduizend gulden, aan de Kerkvoogdij van de hervormde gemeente te Beetsterzwaag.

Legaat in geld, tweeduizend gulden. aan de Diakonij van de hervormde gemeente te Lippenhuizen.

Legaat in geld. tweeduizend gulden. aan de Diakonij van de hervormde gemeente te Boornbergum.

Deze legaten moeten worden belegd en als kapitaal worden bewaard. De jaarlijkse renten moeten ter aanvulling van de inkomsten van de legatarissen strekken. De legaten in geld worden uitgekeerd in twee termijnen. het onroerend goed zal beschikbaar zijn per de vijfde maart volgend op de datum van overlijden van de erflater. Alle legaten die onder deze parafrase worden genoemd worden vrij van successierecht uitgekeerd.

18. Legaat aan het Instituut voor doofstommen te Groningen, tweeduizend gulden, vrij van successierecht en een jaar na het overlijden van de erflater uit te keren.

19. Legaat van een periodieke uitkering van twee gulden per week aan drie personen te weten twee maal met naam Joukes Borneus en een maal Aukes de Jong.

20. Legaat aan de vaste arbeiders die in de tuinen van de Van Teijens, werkzaam zijn op het moment van overlijden van de erflater, onder voorwaarde dat zij drie jaar in dienst zijn geweest bij de Van Teijens, ten bedrage van ÚÚn gulden per week tot het bereiken van de vijftigjarige leeftijd, daarna met vijftig cent te verhogen, als een lijfrente. Uitgezonderd wordt Hendrik Jans Werkman, niet duidelijk is waarvan hij uitgezonderd wordt: wordt Hendrik als legataris uitgezonderd, of hoeft hij geen drie jaar in dienst geweest te zijn bij de Van Teijens.

21. Legaat in geld, honderd gulden, aan ieder van de meiden die bij het overlijden van de erflater in zijn - of zijn zusters - dienst zijn. Bovendien, als zij drie jaar of langer bij Oeno of Etta, in dienst zijn geweest. zullen zij een periodieke uitkering genieten van een gulden in de week, te verhogen met vijftig cent bij het bereiken van de vijftigjarige leeftijd.

22. Legaat in geld, vijfentwintig gulden, aan ieder van de meisjes die bij het overlijden van de erflater bij hem of bij Etta werkzaam zijn. Bovendien een legaat in geld van tien gulden voor ieder jaar dat zij in hun dienst zijn geweest. . . . . levenslang: dit gedeelte is bij de kopie van het testament weggevallen.

23. Dan volgen er nog enige legaten van periodieke uitkeringen, de laatste twee onder voorwaarde van in dienst zijn bij de erflater ten tijde van zijn overlijden. Soms is ook aan de echtgenoot, onder opschortende voorwaarde van overlijden van de echtgenoot, een legaat toegekend. De namen zijn: Reinders de Haan en na overlijden aan echtgenote, vijf gulden per week"
Hendrik Wijbes Wijbinga, drie gulden per week, Tabe Jeens Koopman, drie gulden per week, Kornelis Rinzes Rinsma, drie gulden per week, Jan Sibles Ypinga en na overlijden aan zijn weduwe, twee gulden vijftig per week,

Marten Jans de Haan en na overlijden aan zijn weduwe, twee gulden vijftig per week. De laatstgenoemde twee legatarissen dus onder voorwaarde van nog in diens zijn.

24. Legaat in de vorm van een periodieke uitkering aan: Jan Feddes Huisman, vier gulden per week, bij overlijden aan zijn weduwe, levenslang drie gulden per week, Tjeerd Eizes Bruinsma, een gulden per week, te verhogen tot twee gulden vijftig, bij bereiken van de vijftigjarige leeftijd. Kornelia Annes Lingsma, drie gulden per week.
Legaat onder voorwaarde van nog in dienst zijn bij overlijden van de erflater, driehonderd gulden aan: Harmen Annes Harmsma, Stibe Annes Harmsma, en honderd gulden aan Jan Albert Eekes.

25. Dan volgt er nog de bepaling dat de wekelijkse uitkeringen dadelijk bij het overlijden zullen ingaan, en dat de benoemde vruchtgebruikster of de erfgenamen de uitbetaling zullen regelen. De legaten in geld in eens aan de bedienden worden binnen zes weken na overlijden van de erflater uitbetaald en aan 'de laatste drie arbeiders' zes maanden na overlijden van de erflater en dat alles vrij van successierechten.

4.4. Proces-verbaal van aanbieding en opening van de testamenten van Etta-Arnolda en Oeno.

Het proces-verbaal van aanbieding en opening van het besloten testament van Etta-Arnolda van Teijens, d.d. 3 februari 1862, door Ferdinand Adriaan van Boelens, Kantonrechter te Beetsterzwaag.
Het proces-verbaal bevat de verklaring van de kantonrechter die - op de data na - identiek lijkt aan die van de opening van het testament van Oeno. Toch zijn er enige verschillen.
In het aangetroffen pakket van Etta, bevindt zich:

- 1e. Drie vel ongezegeld gelinieerd schrijfpapier, geheel beschreven op alle zijden. Het bestaat uit vierhonderd zevenennegentig regels (de uiterste wil).

- 2e. Vier vel ongezegeld ongelinieerd schrijfpapier, getekend door Etta Arnolda van Teijens (de statuten).

De kantonrechter, heeft in beide stukken die hij heeft aangetroffen in het pakket van Etta, de regels aangestreept die niet voluit beschreven waren. Dit in tegenstelling tot het proces-verbaal bij de opening van Oeno's testament, daar wordt enkel gesproken van aanstreping van het onder ten 1e genoemde stuk.
Verder behandelen wij het proces-verbaal van Oeno's testament.

Het proces-verbaal van aanbieding en opening van het testament van Oeno van Teijens, d.d. 3 december 1866, eveneens door Ferdinand Adriaan van Boelens, de Kantonrechter te Beetsterzwaag.
Het proces-verbaal, behelst de verklaring van de kantonrechter dat hij op de dag van overlijden van de heer Oeno van Teijens, door notaris Arnold Andrea, te Beetsterzwaag, een besloten testament van Oeno van Teijens, heeft aangeboden gekregen, waarop zich volgens de wettelijke bepalingen een akte van superscriptie bevond, die door de notaris was opgesteld en gedateerd d.d. 12 maart 1859, en welke akte in tegenwoordigheid van vier getuigen bleek te zijn opgemaakt.

Het aan de kantonrechter aangeboden stuk bevat: een pakket van gewoon wit schrijfpapier, gesloten met drie zegels van rood lak met het familiewapen van de familie Van Teijens.
De zegels zijn gaaf en ongeschonden.
De kantonrechter opent het pakket, zonder de zegels te schenden en vindt aldus:

- 1e. Drie vel ongezegeld ongelinieerd schrijfpapier, op tien zijden geheel en op de elfde zijde voor een gedeelte beschreven, waarvan ieder blad beneden gequoteerd en geparaphreerd is met de letters 'OvT', ingenaaid met blauwen wit garen, op de zevende bladzijde een lakzegel met het familiewapen der Van Teijens.
Het stuk begint met de woorden 'Ik ondergetekende Oeno van Teijens', en eindigt met de woorden 'en door mij na volkomen goedkeuring eigenhandig geteekend den 12 Maart 1800 negen en vijftig. (get.) O. van Teijens'.
Het stuk bevat 431 regels in regelmatige orde, zonder doorhalingen, tussen- en overschrijvingen, door een andere hand geschreven dan die het heeft ondertekend.

- 2e. Vier vel ongezegeld gelinieerd schrijfpapier, in een omslag van grijs papier, waarop geschreven staat: 'Reglement of Statuten voor van Teijens fundatie te Beetsterzwaag'.
Het is ingenaaid met blauwen wit garen, op de negende bladzijde vastgehecht met een rood lakzegel van het familiewapen der Van Teijens.
De laatste bladzijde is onbeschreven.

Het stuk begint met de woorden 'Reglement of Statuten', en eindigt met 'Beetsterzwaag den 12 Maart 1800 negen en vijftig (get.) O. van Teijens'.
Het bevat 598 regels in regelmatige orde geschreven, met twee doorhalingen/veranderingen die beide geparapheerd zijn met de letters 'OvT'. Het is door een andere hand geschreven dan die het heeft ondertekend.
De kantonrechter heeft daarna ieder blad van beide stukken gequoteerd en geparapheerd en alle regels in het onder ten 1e genoemde stuk, voor zover zij niet voluit beschreven waren, behoorlijk aangestreept.

4.5. Statuten van de Van Teijens fundatie.

Hieronder bespreken wij de statuten of reglementen van de fundatie, zoals wij die in handen hebben gekregen.
Onder artikel 1:; vinden wij gelijke bewoordingen als door Oeno en Etta, in hun testament bij de toelichting van de bestemming van de inkomsten van de aan de stichting gelegateerde goederen is aangegeven.
Verder vinden we een omschrijving van de fundatie als liefdadige instelling.
Onder artikel 2; wordt aangegeven dat de jaarlijkse uitkeringen aan de dames wordt bepaald op driehonderd gulden.
Onder artikel 3; wordt bepaald dat de jaarlijkse uitkeringen van deze liefdadige instelling uitsluitend bestemd zijn voor de vrouwelijke wettelijke afkomelingen van:

a. Cornelis de Waal en echtgenote Sara Maria Weijland.

b. Gabinus de Wal en echtgenote Jetske Meinardina Coulon,

c. Pieter Koumans Smeding en echtgenote Johanna Vitringa Coulon.

(Joachimus Lunsingh Tonckens, huwde op 15 juli 1847 te Leeuwarden met de aldaar geboren Helena Aletta Koumans Smeding, dochter van Pieter Koumans Smeding  en Johanna Vitringa Coulon).

Onder artikel 4; wordt bepaald dat er maximaal zes uitkeringen per jaar gedaan mogen plaatsvinden. door de regenten gelijkmatig onder de dames uit de drie 'stammen' te verdelen.
Dan volgen er enige artikelen over de voorwaarden waaraan de dames uit genoemde stammen moeten voldoen om voor een uitkering in aanmerking te komen, zoals het zijn van protestantse godsdienst en dat een weduwe met kinderen voorrang zal genieten en dat men een bewijs van goed gedrag moet kunnen overleggen.
Bij artikel 10; blijkt dat de regenten gerechtigd zijn ingeval zich geen wettelijke afkomelingen van de drie genoemde stammen aandienen om een dame uit een andere familie, die overigens geheel in de termen valt, aan te wijzen. Dit lijkt strijdig met "artikel 3, waar bepaald is dat enkel dames uit bepaalde families voor uitkering in aanmerking komen.

Artikel 11: Hier staat dat tot de stichting een gebouw behoort dat opgericht is op een perceel, kadastraal bekend te Beetsterzwaag, No. 207, en dat dat gebouw Van Teijens fundatie, zal worden genoemd, met bestemming om huisvesting te bieden aan zes vrouwen uit de mingegoede of geringe stand en wordt de indeling van het gebouw aangegeven.
Vervolgens worden in de daarop volgende artikelen allerlei voorwaarden genoemd waaraan die zes vrouwen moeten voldoen, alvorens zij in de Van Teijens fundatie, mogen komen wonen.
Voorrang moet worden gegeven aan oudgedienden van de familie Van Teijens. Bijstandtrekkers en zieken worden niet toegelaten, noch mannelijke bewoners.

Vanaf artikel 28; worden voorschriften gegeven voor samenstelling, benoeming en aftreden van het Bestuur...c.q. Collegie van Regenten van de fundatie, en aan welke vereisten de bestuursleden dienen te voldoen. Om een voorbeeld te geven zegt artikel 29, dat ingeval de stichter, de erflater, niet een aanwijzing voor de samenstelling van het Collegie heeft gedaan, dat dan de burgemeester van Opsterland, een van de regenten zal zijn. Deze moet echter wel, volgens artikel 30, Nederlander zijn, inwoner van Beetsterzwaag en lid van de hervormde kerk aldaar. Vervolgens zegt artikel 31, dat de Burgemeester van Beetsterzwaag, die aan de vereisten van artikel 30, voldoet, uit hoofde van zijn betrekking regent is.

Men zou zich kunnen indenken dat Ún de Burgermeester van Opsterland Ún die van Beetsterzwaag regent zouden zijn, maar uit het overige blijkt dat dÓt niet kan. Er zijn maar vijf regenten: een burgermeester, een predikant, de notaris en deze drie heren benoemen bij co÷ptatie twee damesregentessen uit de fatsoenlijkste stand. Welke burgemeester regent zal worden blijkt uit deze artikelen niet.
Alle besluiten dienen te worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen, alle stemmingen zijn bij gesloten brief jas. Het Collegie benoemt uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester, welke laatste twee voor hun werkzaamheden samen maximaal 175 gulden per jaar uit de inkomsten van de fundatie zullen ontvangen.

Artikel 44: hier staat een opdracht aan het Collegie:

    "Het eerst aangewezen of benoemde Collegie van Regenten
    "zal, binnen drie maanden na het overlijden van den langst-
    "levende van de beide Stichters, de Koninklijke magtiging
    "tot aanvaarding dezer schenking of stichting aanvragen.

Het is ons nog niet geheel duidelijk of de stichting nu wel of niet is opgericht door Etta en Oeno (althans tijdens hun leven). Uit deze bepaling blijkt toch dat dat wel de bedoeling geweest moet zijn, gezien de bewoordingen 'de beide Stichters' en gezien het feit dat deze beide stichters in hun testament grote legaten vermaken aan de fundatie. De legaten van Etta, moeten al bij haar overlijden in 1862 opvorderbaar zijn geweest, maar men lette op de vruchtgebruikbepaling.
De Koninklijke goedkeuring, was blijkbaar nodig omdat de stichting geen rechtspersoonlijkheid bezat, zoals onder bepaalde voorwaarden in die jaren wel volgens de wet aan de vereniging kon worden toegekend.

Artikel 46: geeft aan de drie heerenregenten een grotere bevoegdheid dan aan de damesregenten. De heren treden naar buiten voor de fundatie op zonder enige handtekening van de dames te behoeven.

Artikel 51: Onvervreemdbaar verklaring, de goederen van de fundatie mogen nimmer verkocht worden. Zo'n bepaling wordt in testamenten voor niet geschreven gehouden, art. 931 B.W. In de statuten is het de vraag.

Artikel 53: geeft aan de Regenten de opdracht om als jaarlijks de baten de kosten met driehonderd gulden overtreffen, het aantal uitkeringen als genoemd in de artikelen 2 tot en met 10 te verhogen tot het overschot besteed is.

Artikel 55: leveranties, reparaties, verhuur en dergelijke zullen zoveel mogelijk geschieden door inwoners van Beetsterzwaag, blijkbaar in het kader van de werkverschaffing. In het licht van dit artikel is de Burgermeester van Opsterland een vreemde eend in de bijt.
De regenten regelen de verzorging van de inwonende dames, het onderhoud van de gebouwen, de benoeming van de huisgeneesheer, de verzorging van een begrafenis en de instandhouding van het familiegraf van de stichters.

Artikel 63: en verder... De secretaris moet notulen bijhouden van alle vergaderingen, welke door de president geparafeerd worden.
De secretaris houdt een boek bij van alle dames die een uitkering vanwege de stichting genieten.
De secretaris houdt een boek bij met vermelding van alle dames die in de fundatie zijn opgenomen.
De secretaris moet voor het archief zorgen, dat niet uit de regentenkamer in het fundatie huis mag worden verplaatst.

Artikel 66: en verder... De ontvanger (de penningmeester) draagt zorg dat de jaarlijkse uitkering iedere drie maanden, gedeeltelijk, een vierde dus, naar de dames wordt gestuurd, en wel postvrij, tegen een kwitantie.
Iedere veertien dagen geeft hij het weekgeld aan de inwonende vrouwen in het fundatiehuis.
Per februari van ieder jaar moet rekening en verantwoording aan het Collegie worden afgelegd.
In de slotbepaling staat vermeld dat de hoofdbeginselen van de Statuten nimmer mogen worden gewijzigd.

    "Aldus vastgesteld en volgens mijne opgave door een ander
    "geschreven en door mij na volkomen goedkeuring eigenhan-
    "dig geteekend om te strekken tot bijlage van mijne uiterste
    "wilsbeschikking van heden.
    "Beetsterzwaag, den 12 Maart 1800 negen en vijftig. O. van
    "Teijens. "
    "Geregistreerd te Beetsterzwaag den vijfden December 1800
    "zes en zestig, deel 36, folio 175 verso vak 5, acht bladen,
    "met twee renvooien. Ontvangen voor regt f. 2.40, voor 38 op-
    "centen f.-.91-, tezamen drie gulden een en dertig cent
    "f. 3.31%.De Ontvanger van DunnÚ.

5. Toetsing van de inhoud van de testamenten aan de toepasselijke wetgeving.

Deze toetsing vindt plaats aan de hand van de parafrasering van paragraaf 4.

5.1. Testament van Benedictus.

Parafrase 1.

Hier is sprake van een making waarbij de erflater aan iemand het geheel of een evenredig deel van zijn nalatenschap toekent; dit noemt men een testamentaire erfstelling (Pitlo/Van der Burght, Erfrecht. Een making die hieraan niet voldoet is een legaat.
Het is al van oudsher dat de familie een belangrijke plaats in het erfrecht inneemt. Daarbij werd onroerend goed als voornaamste bestanddeel van de familie-eigendom gezien. Eigendom en vermogen werden niet gerelateerd aan de persoon, maar aan de familie. Familiegoederen waren moeilijk vervreemdbaar. Zij moesten zoveel mogelijk bij een mannelijk persoon blijven. Voor vervreemding was medewerking van zijn familie vereist. In het Oud-friesche, recht treft men de bepaling aan, dat het verboden is onroerend goed te verkopen, tenzij de nood ertoe dwingt. Het medewerken van familieleden hieraan werd 'Beispruchrecht' (Laudatio) genoemd.

In Benedictus, tijd kunnen we niet meer spreken van een echt familievermogen, maar speelt de familie nog wel een belangrijke rol.
Door de benoeming van de kinderen tot enig erfgenaam wordt aan het recht van de ab-intestaat erfgenamen geen afbreuk gedaan.
Dit ab-intestaat erfrecht, ook wel wettelijk versterferfrecht genoemd, stak als volgt in elkaar. In Friesland, kende men het zogenaamde 'aasdomsrecht', waarbij als hoofdregel gold 'de naaste in bloed erft het goed'.
Men onderscheidde een 'nadere' en een 'verdere' groep. Tot de nadere groep behoorden vader, moeder, broer, zuster, zoon en dochter van de erflater, deze noemde men de 'zes handen'. Op de hoofdregel, naaste in bloed erft het goed, golden drie 'uitzonderingen':

1. De neerdalende lijn gaat vˇˇr de opgaande, lijn, de opgaande lijn gaat vˇˇr de zijlijn,

2. Binnen ÚÚn groep gaan de mannen vˇˇr de vrouwen en

3. Een kleinkind kan bij representatie opkomen naast de kinderen van de erflater (representatie was niet overal een algemene regel).

In de verdere groep hanteerde men onverkort de hoofdregel, er was daar met name ook geen onderscheid tussen mannen en vrouwen.
Daar de familie de spil van het erfrecht is, gaat men hierbij uit van bloedverwantschap. De echtgenoot van de erflater heeft daardoor een ondergeschikte positie. Deze erft pas, als in het geheel geen bloedverwanten meer aanwezig zijn.
Is er ook geen echtgenoot, dan is de Staat gerechtigd.
Terug naar onze casus. De familie van Froukje, kan nooit van Benedictus, erven, ook niet als Froukje, vˇˇr Benedictus, is overleden. en er geen bloedverwanten van Benedictus, meer zijn. Waarom heeft de familie van Froukje, dan wel aanspraak gemaakt op het vermogen van de Van Teijens? Wel, omdat Oeno, in bloedverwantschap met hen stond en geen descendenten meer had.

In de 17e en 18e eeuw wordt meer rekening gehouden met de vrouwelijke erfgenamen, zij kunnen naast mannen in dezelfde groep erven, maar de zoons tasten met twee handen toe de dochters met ÚÚn.
Vaak werd binnen de zes handen gelijke rechten aan vrouwen toegekend bij testament. Ook Benedictus, bepaalt dat Etta-Arnolda, voor een even groot gedeelte opkomt als haar broers. Zij krijgen ieder ÚÚn derde van de nalatenschap.
De legitieme portie wordt niet geschonden. Dit wettelijk erfdeel wat men niet overal kende maar wel in Friesland, is Romeinsrechtelijk van oorsprong en gerecipieerd in het Friesche recht. In het Romeinse Recht, is de legitieme portie vastgesteld door Justinianus (Nov. 18 en 115). Reden voor de Romeinen om de legitieme portie in te voeren, was de minder zekere positie van bloedverwanten. In het Oud-vaderlandsch recht, was deze al redelijk beschermd.
De legitieme portie is dat gedeelte van het vermogen van de erflater waarop de bloedverwanten in de rechte linie recht hebben en waarover de erflater noch bij schenking noch bij testament mag beschikken.

De legitieme bedroeg ÚÚn derde van de erf-portie bij versterf bij vier of minder legitimarissen en de helft bij vijf of meer legitimarissen.

Parafrase 2.

In het algemeen is er geen sprake van plaatsvervulling bij testamentaire erfstelling of legaten. Dit wordt enkel doorbroken bij een fide´-commissaire bepaling, waar kinderen van verwachters bij plaatsvervulling voor hun ouders kunnen opkomen.
Benedictus, maakt gebruik van een 'vulgaire substitutie'. Vooroverlijdt een van zijn kinderen, dan treden diens kind, kinderen of descendenten in de plaats. Dit geldt ook bij verwerping of onwaardigheid.
Een fide´-commissaire making, houdt stilzwijgend een vulgaire substitutie in. Dit betekent, dat men ervan uitgaat, dat naar des instellers bedoeling de verwachter direct geroepen is wanneer de bezwaarde is vooroverleden. De substitutio vulgaris is gerecipieerd uit het Romeinse Recht.

De woorden 'na mij' maken deze bepaling tot een fide´-commissaire bepaling. Een fide´-commis was naar Romeins Recht, een in een testament opgenomen bepaling, waarbij de erflater een erfgenaam of legataris uit de hand (fiduciarius), verzocht om aan een erfgenaam of legataris over de hand (fideicommissarius) het geheel of gedeelte van de erfstelling of legaat uit te keren. De positie van de bezwaarde, fiduciarius, was vervelend. Aanvankelijk bleef hij na de uitkering aan de verwachter, aansprakelijk als erfgenaam, de verwachter daarentegen niet. Het Senatus Consultum Trebellianum bracht de aansprakelijkheid over op de fideicommissarius, de verwachter. Maar een positief voordeel was er nog niet, zodat een als bezwaarde aangewezene nogal eens verwierp. Het Seriatus Consultum Pegasianum, bracht oplossing, de bezwaarde mocht in ieder geval een vierde van het fide´-commissaire vermogen behouden. Dit is wonderlijk genoeg bekend onder de naam Trebellianieke portie.

Door de toevoeging 'na mij' voorkomt Benedictus, dat zijn kinderen testamentair kunnen beschikken over het vermogen, dat zij hebben verkregen uit de nalatenschap. Benedictus, maakt zo zijn drie kinderen tot bezwaarden en hun kind, kinderen of descendenten tot verwachters.
Het lijkt ons onmogelijk om op de erf-portie in te teren. Verteren betekent namelijk het onder bezwarende titel verlaten van bestanddelen van het fide´-commissaire vermogen zonder zaaksvervanging.
Hetgeen Benedictus, in deze bepaling stelt is mogelijk en rechtsgeldig volgens het toenmalig geldende recht. De Friesche Landsordonnantie geeft geen beperking ten aanzien van het fide´-commis, behalve dan dat dit niet verder mag gaan dan de vierde graad.

Parafrase 3.

Hier stelt Benedictus, dat indien er geen verwachters zijn bij een van zijn kinderen het aandeel terugkeert in zijn boedel. Dus ook bij kinderloosheid kunnen zijn kinderen niet over hun erfdeel beschikken, in ieder geval niet bij testament. Benedictus, laat dit aandeel dan vanuit zijn boedel op de overgebleven kinderen 'devolveren', dit betekent 'overgaan'. Indien dit geschiedt vervalt het
eerste fide´-commis, het heeft zichzelf opgelost, waarna Benedictus, een nieuw fide´-commissair verband instelt. Het aandeel wat in de boedel terugkeert en devolveert, wordt 'in zoverre' met fideicommis bezwaard. In dat geval stelt Benedictus, dat zijn andere kinderen of zijn kleinkinderen of descendenten de nieuwe bezwaarden worden, en hun nakomelingen de verwachters. Ingeval zij kinderloos blijven, keert dit gedeelte wederom in Benedictus, boedel.
Volgens de Friesche Landsordonnantie en het Oud-vaderlandsch recht, is dit een rechtsgeldige fide´-commissaire bepaling. Sinds de invoering van de Code Civil, in Nederland is dit echter een ongeoorloofde making.

In navolging van de Code Civil, bepaalt het Burgerlijk Wetboek dat een fide´-commissaire bepaling waarbij een kind als bezwaarde wordt aangesteld, en diens kinderen als verwachter, of de bepaling waarbij broer of zuster als bezwaarde wordt ingesteld, en hun kinderen als verwachters, nog wel als rechtsgeldig is te beschouwen. De bepaling echter, zoals deze ook wordt gesteld in Benedictus, testament, waarbij broer of zuster van de bezwaarde als verwachter geroepen wordt is nu nietig. Naast deze vorm zijn alle andere afwijkingen van de twee hoofdvormen, zoals omschreven in art. 1020 en 1021 Derde Boek B.W.,ook als ongeldig te beschouwen.
Dit nieuwe stuk recht werd voorafgegaan door overgangsrecht. Het Decreet van Napoleon van 4 juli 1811 executoir verklaard op 24 januari 1812 bepaalt expliciet in art. 155, dat fide´-commissaire bepalingen gemaakt vˇˇr het inwerking treden van de Code Civil, hun werking ten aanzien van de eerst-geroepenen, de verwachters, behouden indien deze zijn geboren vˇˇr het jaar 1800.
Daar de kinderen alle drie van voor 1800 zijn behoudt de testamentaire bepaling haar werking, voorzover het Etta-Arnolda, Saco en Oeno, betreft.

De plicht van de bezwaarde om uit te keren wordt gezien als een op hem drukkende last, ofschoon het de testateur is die tweemaal beschikt.
De verwachter erft van de insteller; de erfgenamen van de testateur-insteller, aansprakelijk zijn ten opzichte van de verwachter. De last drukt op de tijdelijke eigendom van de bezwaarde.
De bezwaarde is eigenaar tot zijn overlijden of een eerder tijdstip, de verwachter is dus eigenaar onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de bezwaarde. Het is voor de bezwaarde een volledig recht onder last.
Indien de last komt te vervallen, wordt het fide´-commissair, vermogen tot een vrij vermogen. Gerechtigd zijn dan de erfgenamen van de bezwaarde. Dit doet zich voor als de verwachters vooroverlijden of allen afstand doen (Pitlo/Van der Burght, Erfrecht, p.228).

Parafrase 4.

Indien alle kinderen beneden de vijfentwintig jaar overlijden geldt de fide´-commissaire bepaling, dat de aanbeŰrfde goederen via de boedel overgaan op het alsdan in leven zijnde naaste bloed van de testateur. Deze leeftijd gold als de meerderjarigheidsgrens, waarna men beschikkingsbevoegd werd. Daarvoor kon men dus onder meer  geen testament maken.
Deze bepaling, de substitutio pupillaire, is van Romeinsrechtelijke oorsprong en kwam toentertijd veelvuldig in testamenten voor. Wat Benedictus, bepaalt is voorwaardelijk, overlijden ze na hun vijfentwintigste dan geldt de bepaling niet, overlijden ze niet allen dan treedt de fide´-commissaire bepaling uit de vorige parafrase in werking.
De beschikking ten voordele van het naaste bloed werd geacht te zijn gemaakt ten voordele van de erfgenamen bij versterf, dit betekende de bloedverwanten en bij gebreke daarvan de echtgenoot.
Het huidige art. 924 B.W. wat hierover handelt, is door de Hoge Raad aldus ge´nterpreteerd dat de echtgenoot van de erflater hieronder niet is begrepen (HR 20 juni 1930, NJ 1930, 986).

Parafrase 5.

Hier geeft Benedictus zijn testamentaire erfgenamen de bevoegdheid om over het vruchtgebruik van de aan hun aanbeŰrfde goederen te mogen beschikken, indien zij overlijden voor hun vijfentwintigste of overlijden zonder kinderen na te laten. Over vruchtgebruik kan men uiteraard ook buiten testament beschikken. De blote eigendom vererft volgens de wil van Benedictus.
Ons inziens is het opmerkelijk dat de kinderen wel over het vruchtgebruik kunnen beschikken, terwijl zij nog handelingsonbekwaam zijn. Waarschijnlijk zullen de vertegenwoordigers die bij minderjarigheid aangewezen moeten worden, hen juridisch terzijde moeten staan.
Op zich een volledig geldige bepaling waar wet en gewoonterecht geen verbod opleggen.
Na deze eerste vijf parafrasen is het duidelijk dat hier de kern van ons juridische probleem ligt. De complexiteit van de door Benedictus, gebruikte fide´-commissaire bepalingen roept vragen op.

De wil van de erflater komt niet eenduidig naar voren. De bewoordingen laten ruimte tot interpretatie open.
De uitleg van testamenten vormt een vraagstuk op zich. De tegenwoordige handboeken besteden hier ruime aandacht aan. Ook de wet wijdt enige artikelen aan de uitleg; de artt. 932, 933 en 934 van ons huidig B.W. geven enige richtlijnen."Sterke gelijkenis vinden we bij de materie der contractsuitleg. Bij een uiterste wil hebben we echter met een eenzijdige verklaring te doen, waar de erflater geen toelichting meer op kan geven".

Art. 932 B.W. schrijft voor dat men van duidelijke bewoordingen niet mag afwijken. De wetgever meent echter in art. 933, dat indien de bewoordingen voor onderscheidene opvattingen vatbaar zijn, men moet nagaan wat de bedoeling van de erflater is geweest. Men moet zich afvragen wat de erflater redelijkerwijs heeft willen regelen.
De uitleg van een testament is overgelaten aan de feitelijke rechter, de juistheid van zijn uitleg is niet voor cassatie vatbaar (HR 17 juni 1904, W.8082 en laatstelijk HR 16 december 1977, NJ 1978, 616).
Men moet de bewoordingen opvatten in de zin die het meest met de aard van het onderwerp van de beschikking overeenkomt, en bij voorkeur zo, dat de beschikking enige uitwerking heeft, bepaalt art. 934. Deze richtlijnen geven ons echter geen duidelijke handleiding voor de interpretatie van het testament van Benedictus. De bedoeling van zijn testament valt moeilijk uit de woorden af te leiden.

Parafrase 6.

In het Oud-vaderlands recht oefende de man zowel over zijn vrouw als over de kinderen het gezag uit, krachtens het 'mundium'. Ook over de meerderjarige bij hem inwonende kinderen oefende hij het gezag uit. Dochters bleven tot hun trouwen onder zijn mundium, daarna nam hun echtgenoot de rol van hun vader over. Uit het mundium vloeide de plicht tot onderhoud en opvoeding voort, de titula en cura. Ook op de moeder rustte de plicht tot onderhoud en opvoeding.
Mocht de man komen te overlijden, dan had zij het recht om voogdes te zijn over haar kinderen. Maar omdat de vrouw de kinderen niet in rechte kon vertegenwoordigen had zij zelf een 'gekozen voogd' nodig.
Van rechtswege ging de voogdij over op de naaste mannelijke bloedverwant, de legitieme voogd, maar aanwijzing bij testament was ook geoorloofd. Men noemde deze de 'datieve' of testamentaire voogden.
Voogden dienden de inventaris op te maken en gemeenlijk zekerheid te stellen (De BlÚcourt, p.97 e.v.).

Benedictus, bepaalt dat zijn vrouw Froukje, voogdes over de kinderen wordt. Zolang zij ongetrouwd blijft, beveelt hij haar de opvoeding, met de wens de kinderen naar school te doen gaan. De toevoeging 'zolang zij ongetrouwd blijft' heeft betrekking op de tweede volzin, 'bevelende ik haar de opvoeding deszelver', immers bij hertrouwen zal de stiefvader voogd worden en de 'vaderlijke macht' verwerven. Alsdan zal hij de titula en cura, de zorgplicht, hebben.
Omtrent de beslissing over het schoolgaan van de kinderen is overleg met Tinco en Hijma van Teijens, nodig, dit lijkt op toeziende voogdij.

Parafrase 7.

De twee zonen, Saco en Oeno, betalen uit hun erfdeel,ieder 290 caroli guldens, tot een jaarlijks kostgeld, zolang zij bij hun moeder inwonen. Dit valt te beschouwen als een sub-legaat. Overige kosten worden uit de boedel betaald.
Omdat dit soort uitgaven gemakkelijk uit de opbrengsten van de boedel voldaan kunnen worden, wordt er niet ingeteerd op het fide´-commissaire vermogen.
Etta-Arnolda, behoeft geen kostgeld te betalen, waarschijnlijk zal zij haar bijdrage in de vorm van huishoudelijke hulp leveren.
De uitkeringen aan Froukje, zullen moeten geschieden door de vertegenwoordigers van de kinderen.

Parafrase 8.

Gedurende de minderjarigheid van de kinderen benoemt Benedictus, als administratoren zijn broer Tinco van Teijens en Melle Rinzes Koopmans, een zwager. De twee zijn bewindvoerder over de vermogens van de kinderen.
Dit bewind drukt niet op de legitieme portie, de legitimaris heeft recht op zijn portie vrij en onbezwaard. Schending van dit gebod maakt het bewind vernietigbaar voor zover het de legitieme portie betreft.
Is het nageslacht erg spilzuchtig dan kan erflater zijn nalatenschap vermaken onder bewind, met de bepaling, dat als zij zich op hun legitieme beroepen, zij niet meer dan hun legitieme zullen verkrijgen, dit noemt men een Berliner testament.
Bewindvoerders kunnen bij testament worden aangesteld over goederen van minderjarigen, goederen met vruchtgebruik belast of fideicommissair verbonden goederen (De BlÚcourt, p.433.).

De bewindvoerders hebben volledige beschikkingsmacht toegewezen gekregen, mits ten nutte van de kinderen. Normaliter voert de bewindvoerder het beheer over de goederen, beschikken doet hij samen met de onderbewindgestelde. Aangezien de bewindvoerder aan het einde van het bewind rekening en verantwoording moet afleggen aan de eigenaar, kan een beschikking in strijd met het 'tennutte zijn van de kinderen' tot gevolg hebben dat de kinderen bij het einde van het bewind een vordering zullen hebben op de bewindvoerders.
Uit deze parafrase blijkt dat Benedictus, samen met zijn broer en zuster in een onverdeeldheid zit. Pas bij scheiding en deling van deze onverdeeldheid zal het aandeel van Benedictus, volgens de bepalingen van dit testament op de kinderen vererven.

Parafrase 9.

Benedictus, spreekt hier van de 'uitvinding van schade en bate tijdens het huwelijk', dit heeft betrekking op zijn huwelijksgoederenregiem.
De huwelijksgoederenregiems verschilden in die tijd per provincie en streek. Friesland kende de gemeenschap van winst en verlies.
Dit hield in dat ieder der echtgenoten privÚ hield zijn ten huwelijk aangebrachte, en tijdens het huwelijk door erfenis, schenking of legaat verkregen, onroerende goederen. De onroerende zaken tijdens het huwelijk aangewonnen, en alle roerende zaken, wanneer en hoe dan ook verworven, vielen in de gemeenschap en werden als winst gerekend. Bij overlijden van een der echtgenoten, werd aan de langstlevende zijn aangebrachte en aangeŰrfde onroerende zaken, alsmede de helft van de gemene zaken toebedeeld. Deze gemene zaken bevatten dus alle roerende zaken en tijdens het huwelijk aangewonnen onroerende goederen. De helft van deze beperkte gemeenschap, tezamen met de aangebrachte en aangeŰrfde onroerende goederen van de overledene vormen diens nalatenschap (De BlÚcourt. p.86).

Met de woorden 'uitvinding van schade en bate' doelt Benedictus, op dit winst en verlies regiem, volgens welke regels gescheiden en gedeeld moet worden.
'Nadien . . . ' zouden wij willen lezen als 'indien'. Gezien het voorgaande kunnen moeilijkheden ontstaan over de roerende goederen en de aangeworven onroerende goederen, die zijn immers gemeenschappelijk.
Aan te nemen is dat Froukje, huishoudster zijnde, geen onroerende goederen bezat en ook geen goederen gedurende haar huwelijk heeft geŰrfd. Wat dat betreft is de scheiding en deling eenvoudig, maar met de roerende goederen kunnen problemen ontstaan.
Om problemen hiermee te voorkomen legateert Benedictus, zijn vrouw wat levende have, genoeg voor levensonderhoud. Dit echter alleen als de scheiding en deling zodanige moeilijkheden oplevert, dat het raadzamer is haar achterwege te laten.
Twee opmerkingen hierover: ten eerste wordt er onzekerheid geschapen, het zal van de deelnemers aan de scheiding en deling afhangen, of de uitvoerders van het testament het legaat dienen uit te keren. Is de scheiding en deling mogelijk, dan blijft het legaat achterwege.
'Boere reeuw' is roerend goed, gereedschap, 'tot bouwerije en melkerije'

Parafrase 10.

Dit betreft een geldig legaat onder voorwaarde. Er zijn geen regels te vinden die een zodanig legaat verbieden en er is geen strijd met de openbare orde en de goede zeden.

Parafrase 11.

Ter verzachting van het bepaalde onder 10, krijgen de kinderen de last om voor hun moeder zorg te dragen, als een van hun in huis is gaan wonen.

Parafrases 12, 13 en 14. Behandelen kleine legaten die ongetwijfeld rechtsgeldig zijn.

Parafrase 15.

Inventarisatie bij een fide´-commis gaat uit van de bewindvoerder, belanghebbende (de verwachter) of het Openbaar Ministerie. Zij is  rechten& verplicht. De boedelbeschrijving dient bij de Arrondissementsrechtbank gedeponeerd te worden. Zie ook art. 1027 BW.
Waarom Benedictus, de gerechtelijke inventarisatie te zijner sterfhuize verbiedt, is ons niet duidelijk. Wellicht ligt de oorzaak in het religieuze vlak.

Parafrase 16.

De sanctie die Benedictus, stelt op het niet nakomen van de bepalingen van het testament, het verval van de makingen met enkel behoud van de legitieme portie. is volledig rechtsgeldig. Dit is de cautio Socini of Berliner testament. De Hoge Raad heeft deze beschikking goedgekeurd. 4-12-1914. NJ 1915, 231.

Parafrase 17.

Indien Froukje niet akkoord gaat vervallen de aan haar toegedachte legaten. Zij heeft echter' geen legitieme, maar wel recht op de
helft van de roerende zaken en de helft van de onroerende zaken tijdens het huwelijk aangekomen. Ook dit is volledig rechtsgeldig.


5.2. Testament van Etta-Arnolda.

Parafrase 1.

Kenmerkend van de beschikking in een testament is de werking na dode en de herroepelijkheid gedurende het leven. zie art. 922 Derde Boek B.W. Herroeping kan uitdrukkelijk, zoals in dit geval, of stilzwijgend geschieden.
Art. 1039 B.W. geeft de vorm aan waarin dit moet gebeuren: dit kan niet anders dan bij een latere uiterste wilsbeschikking of bij een bijzondere notariŰle akte.
Een
holografisch testament kan als herroepen worden beschouwd, door terugvordering en teruggave van de notaris blijkens een authentieke akte, zie art. 981 B.W. Etta herroept nu dit holografisch testament. In de praktijk vangt bijna ieder testament aan met de herroeping van alle vroegere uiterste wilsbeschikkingen.

Parafrase 2.

Dit is een testamentaire erfstelling, art. 1001 B.W. bepaalt dat een erfstelling een uiterste wilsbeschikking is, waarbij de erflater aan een of meer personen de goederen geeft, welk hij bij zijn overlijden zal nalaten, hetzij in het geheel, hetzij voor een gedeelte, zo als de helft, een derde.
Het testamentair erfrecht kent geen automatische plaatsvervulling, zoals in art. 888, waarbij de afstammelingen van een persoon in dezelfde rechtsbetrekking tot de nalatenschap komen te staan als waarin degenen, die zij vervangen, gestaan zouden hebben, indien hij nog in leven waren. Daarom wordt in dit testament uitdrukkelijk gesteld wie bij vooroverlijden dit recht overnemen. Dit noemt men vulgaire substitutie, art. 929 B.W. omschrijft dit als de beschikking, waardoor een derde tot een erfenis of een legaat geroepen wordt, in het geval dat de geroepen erfgenaam dezelve niet geniet.

Etta, behoeft geen rekening te houden met legitieme porties die de wetgever toekent aan de afstammelingen van de erflater en aan de bloedverwanten in de opgaande rechte lijn. Dit omdat Etta. geen kinderen had en zowel haar vader als haar moeder overleden waren.
Hoofdvraag is nu of Etta-Arnolda, op deze wijze mocht beschikken.
Het testament van haar vader, Benedictus van Teijens, bevat namelijk onmiskenbaar een fide´-commisbepaling, waarmee hij bedoelde zijn vermogen onder zijn afstammelingen in rechte lijn te houden.
Beantwoording van deze vraag is afhankelijk van interpretatie van de bedoeling van de oorspronkelijke erflater. Het is dan ook hier dat onze onderzoeksgroep er een verdeelde mening op na houdt. De meningen lopen uiteen tot het wel of niet mogelijk achten van de beschikking zoals deze door de erflaatster is gemaakt.
Om het onderzoek overzichtelijk te houden hebben wij het zinvol gedacht om onze conclusies aan dit punt van het onderzoek te wijden.
U vindt daar dan ook de twee benaderingswijzen en hun mogelijke gevolgen of resultaten.

We zullen nu verder de inhoud van het testament toetsen.
Noemenswaardig is art. 953 lid 1 B.W.,inhoudende: 'de geneesheren, heelmeesters, apothekers en andere personen de geneeskunst uitoefenende, welke iemand gedurende de ziekte, waaraan hij overleden is, bediend hebben. alsmede de bedienaars van de godsdienst, welke hem gedurende die ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zoodanig persoon, gedurende den loop dier ziekte, te hunnen behoeve mogt hebben gemaakt'.
Indien Dr. Tonckens, die in het dorp huisarts was. Etta, tijdens de ziekte waaraan zij eventueel overleden zou zijn, en tijdens welke zij haar testament heeft gemaakt. behandeld heeft, zou hij geen voordeel mogen trekken uithaal' nalatenschap.

Parafrase 3.

Oeno, krijgt het vruchtgebruik van Etta-Arnolda, over haar nalatenschap gelegateerd. Art. 803 B.W. bepaalt dat vruchtgebruik een zakelijk recht is om van eens anders goed de vruchten te trekken. alsof men zelf eigenaar daarvan was, mits zorgende dat zaak zelve in stand blijven.
Vruchtgebruik wordt vaak aan de langstlevende toegedacht, terwijl de blote eigendom aan een ander wordt nagelaten.
Het vruchtgebruik eindigt door de dood van de vruchtgebruiker of door een van de andere mogelijkheden genoemd in art. 854. Oeno, verkrijgt het vruchtgebruik levenslang. Na zijn overlijden zal de blote eigendom, van de erfgenamen en legatarissen, tot volle aanwassen.
Oeno, wordt ontheven van het stellen van borgtocht voor de bewaring van de goederen. Het vereiste van borgtocht wordt omschreven in art. 831, de mogelijkheid van ontheffing hiervan is te lezen in art. 832 lid 1.
Dit legaat is uiteraard volkomen rechtsgeldig, met dien verstande dat Oeno, op het stellen van zekerheid na onderworpen is aan de verplichtingen van de vruchtgebruiker, opgenomen in de derde afdeling van Titel 9.

Parafrase 4.

Dit is een legaat aan een stichting: een legaat is een bijzondere beschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen zekere bepaalde goederen geeft, ofwel alle zijne goederen van eene zekere soort, art. 1004 B.W. Deze making is bijzonder, in tegenstelling tot de erfstelling die algemeen is, dit wil zeggen dat de legataris niet de persoon van de erflater voortzet, maar onder bijzondere titel verkrijgt, zoals een koper. De legataris ontbeert de saisine en de hereditatis petitio en draagt niet in de schulden. Saisine wil zeggen dat de erfgenamen van rechtswege in het bezit der goederen, rechten en rechtsvorderingen van de overledene treden, art. 880.
Art. 881 geeft de erfgenaam de hereditatis petitio, een actie die recht geeft op voortzetting of instelling van rechtsvorderingen waarop de erflater recht had.
De kadastrale omschrijving van de onroerende goederen in het testament is geen wettelijk vereiste omdat het besloten testament geen notariŰle akte is.

Parafrase 5.

In deze parafrase is sprake van de oprichting van een stichting.
De stichting is bevoordeelde in het testament. Dit kan ondanks dat zij nog niet is opgericht. Om uit kracht van een uiterste wil iets te kunnen genieten moet men bestaan op het ogenblik van de dood van de erflater, dit geldt ook voor een rechtspersoon, zie art. 946.
Dat men bij testament een stichting in het leven kan roepen is nimmer in twijfel getrokken. Thans bepaalt art. 286 j 288 Boek 2 B.W. dat men bij openbaar testament een stichting kan oprichten.
Betreft het testament houdende oprichting van een stichting geen openbare uiterste wil, zoals in dit. geval, dan converteert art. 288 B.W. deze beschikking in een aan de gezamenlijke erfgenamen opgelegde last tot oprichting van een stichting. De door de erfgenamen opgerichte stichting is geen erfgename of legataresse van de erflater, doch lastbevoordeelde, volgens de mening van Pitlo (Pitlo/Van der Burght, Erfrecht, p.94).

Men bedoelt hiermee dat de stichting dus niet bestond op het moment van overlijden van erflater, maar via een last toch bevoordeeld wordt.
Anders denkt W.C.L. van der Grinten in Asser. Vertegenwoordiging en Rechtspersoon, waar deze stelt dat de stichting die ingevolge de last wordt opgericht voor de toepassing van het erfrecht valt te beschouwen als bestaande op het ogenblik van overlijden. In deze visie is de stichting wel te beschouwen als erfgenaam of legataris, net als de bij notariŰle akte (openbaar testament) in het leven geroepen stichting.
Deze benaderingswijze lijkt ons het meest aannemelijk. De Van Teijens fundatie, is dan gewoon legataresse en kan als zodanig vorderen wat haar door de erflaatster is toegedacht.
Hiermee wordt aan art. 946 lid 1 B.W. in zoverre kracht ontnomen (Asser/Meijers/Van der Ploeg, Erfrecht, p, 25).
Daar Oeno van Teijens, een zelfde bepaling in zijn testament heeft opgenomen treedt er een complicatie op. Het is ons onduidelijk hoe zij gezamenlijk bij afzonderlijk, niet-notariŰle, akten deze stichting hebben willen oprichten.
Oeno en Etta, verlenen elkaar over en weer het vruchtgebruik, dit betekent dat de opgerichte stichting de blote eigendom verkrijgt op het moment van het overlijden van Etta, de eerststervende.
Pas na het overlijden van Oeno, krijgt de stichting dan de volle eigendom en kan zij de vruchten plukken.

Parafrase 6.

Hier geeft Etta, de gewenste doelstelling van de stichting aan. Dit tweeledige doel komt overeen met het doel zoals vermeld in de bij gevoegde statuten. Stel dat er tussen de doelstelling in de statuten en die in de uiterste wil verschil zou bestaan, aan welke zou dan de meeste waarde moeten worden toegekend. Hierbij moet men weer rekening houden met het feit dat het besloten testament geen notariŰle akte is.
De akte van oprichting behoort de statuten te bevatten. In zoverre kan men stellen dat aan de bepalingen in de' statuten de voorkeur kan worden gegeven boven die van de uiterste wil, daar deze in de oprichtingsakte worden opgenomen.

Parafrase 7.

Hier regelt Etta, het tijdstip van inwerkingtreding. Dit zal geschieden na het overlijden van de langstlevende van haar of haar broeder.
Ook de successierechten zullen door haar worden voldaan. Deze bepalingen zijn rechtsgeldig.

Parafrase 8.

De verwijzing naar het Reglement hetwelk moet worden nageleefd alsof dit woordelijk in het testament is opgenomen is dubieus, daar dit stuk niet dezelfde waarde heeft als de uiterste wil. Het is ons niet bekend of dit reglement in de vorm van een authentieke akte is opgemaakt, we mogen echter aannemen dat het niet als onderdeel van de uiterste wil kan worden opgevat.

Parafrase 9.

De verwijzing naar het eenvoudig geschrift is van onwaarde, daar verwijzing naar een zodanig, zich buiten de akte bevindend. stuk ongeoorloofd is.

Parafrase 10.

De benoeming van de personen genoemd in parafrase 10 zal rechtskracht hebben boven de personen die bij het eenvoudig geschrift van parafrase 9 aangewezen zijn.

Parafrase 11.

Dit is een geoorloofd legaat onder voorwaarde.

Parafrase 12.

Dit is een geoorloofd legaat met plaatsvervangingclausule.

Parafrase 13.

Hierbij stelt Etta nog eens ten overvloede dat de gelegateerde goederen pas volle eigendom worden, na het overlijden van de vruchtgebruiker.

Parafrase 14.

In dit verzoek schuilt geen onvervreemdbaar-verklaring, welk in de wet is verboden, art. 931.

Parafrases 15 en verder zijn allen legaten. Naar ons oordeel ook allen geoorloofd.
 

5.3. Testament van Oeno.

Dit testament is naar inhoudelijke beschikkingen gelijk aan dat van Etta-Arnolda. Er is dus geen sprake van mogelijke juridische feiten die getoetst moeten worden, zodat wij voor de gehele toetsing terugwijzen naar het bij Etta, gestelde.

 

Conclusie 1.

Benedictus van Teijens, maakte voor zijn tijd een waterdicht testament.
Hij hield zich daarbij aan de bestaande wetgeving. De Friesche Landsordonnantie liet het maken van een fidei-commissair testament toe tot in de vierde graad.
Benedictus, bouwde in zijn testament sancties in voor geval ÚÚn of meer van de door hem ge´nstitueerde erfgenamen zich tegen zijn uiterste wil zouden verzetten. De sancties waren verval van legaat of erfgenaamschap, eventueel tot op de rand van de legitieme portie.
Zijn kinderen, moesten met zijn testament tevreden zijn, zij mochten in zulk's geval als fidei-commissair bezwaarden, wŔl over het vruchtgebruik van de boedel beschikken, althans elk kind van Benedictus, voor wat betreft het hem/haar toekomende deel van de nalatenschap van Benedictus.

Benedictus, zoon Saco van Teijens, heeft zich blijkbaar aan de uiterste wil van zijn vader gehouden. Voor zover bekend beschikte hij als fidei-commissair bezwaarde, niet bij testament over zijn deel van de nalatenschap van zijn vader, noch maakte hij gebruik van hetgeen was toegestaan, immers beschikte hij niet over het vruchtgebruik van zijn erfdeel.
Gezien de omstandigheid dat Saco, zonder kinderen of descendenten na te laten was overleden en Benedictus, voor deze mogelijkheid een bepaling in zijn testament had opgenomen, keert Saco's deel van de nalatenschap terug naar de boedel van Benedictus, om vervolgens onder nieuw fide´-commissair verband aan zijn kinderen Etta en Oeno, toe te komen.

Etta en Oeno van Teijens, doen op 30 april 1857 successieaangifte bij het Kantoor der Registratie en Domeinen te Beetsterzwaag, waarbij zij verklaren dat hun broer Saco, geen testament heeft nagelaten; dat door zijn overlijden geen vruchtgebruik is komen te vervallen, noch fide´-commis is overgegaan, en zij in casu de erfgenamen zijn van Saco. Voor deze verklaring kiezen zij domicilie
ten huize van notaris Andrea. Overigens is extract afgegeven aan Dr. Lunsingh Tonckens.

Gezien het testament van Benedictus, is deze verklaring van Etta en Oeno van Teijens, feitelijk onjuist. Zij zijn immers voor wat betreft Saco's deel van de nalatenschap van Benedictus, geen erfgenamen van Saco, noch diens verwachters, maar ieder voor de helft van het erfdeel de volgens het testament van Benedictus, opnieuw ingestelde bezwaarden onder fide´-commissair verband van dat deel van de nalatenschap van Benedictus, dat in eerste instantie door Benedictus, voorwaardelijk onder fide´-commissair verband aan Saco was toebedeeld.

In tegenstelling tot hun broer Saco, stelden Etta en Oeno, als fidei -commissair bezwaarden echter een daad van verzet tegen het testament van hun vader. Zij opponeerden namelijk beiden door ieder voor zich een testament te maken waarin zij over mÚÚr beschikten dan hen door hun vader met betrekking tot diens nalatenschap bij testament was toegestaan, immers mochten zij slechts over het vruchtgebruik disponeren van de aan hen van Benedictus, aanbeŰrfde goederen en dat nog slechts in het geval dat zij zonder kinderen of descendenten na te laten zouden komen te overlijden en onder gestelde ontbindende voorwaarde dat zij de uiterste wil van hun vader in tevredenheid zouden accepteren. Door deze daad van verzet gingen zowel Etta als Oeno van Teijens, contrair tegen hun vaders wil en vervulden zij de ontbindende voorwaarde zoals door Benedictus, in zijn testament was gesteld.

Aldus wordt op dat momentdoor de uitdrukkelijke wil van de erflater Benedictus, het aan zijn kinderen Etta en Oeno, gemaakte deel van zijn nalatenschap hen ontnomen en valt volledig - inclusief Saco's deel - terug in de boedel van Benedictus.
Dit betekent dat Etta en Oeno alsnog - met terugwerkende kracht - door hun vader werden onterfd, c.q. in de legitieme portie werden gesteld, zonder dat daarvoor ook maar enig rechterlijk gewijsde nodig was.
Etta en Oeno zouden om deze legitieme portie te kunnen verkrijgen overigens daar eerst nog een beroep op moeten doen. Voor zover bekend is dit niet geschied.
Aldus keerde de gehele nalatenschap, welke immers voorwaardelijk onder de erfgenamen van Benedictus was, weer in de boedel van Benedictus terug.

Naar wie zou de nalatenschap van Benedictus, volgens zijn uiterste wil of het geldende ab-intestaat erfrecht nu verder kunnen vererven?

Benedictus, stelde in zijn testament dat indien zijn drie kinderen onder de leeftijd 25 jaar, zonder kinderen of descendenten na te laten, zouden komen te overlijden, de aan hen van hem aanbeŰrfde goederen zullen komen en vererven op zijn alsdan in leven zijnde naaste bloed. Te beredeneren valt om welke reden, immers onder het naaste bloed werd volgens het Friese recht de eerste graads
bloedverwanten verstaan, de zogenaamde 'zes handen': vader, moeder, broer, zuster, zoon en dochter van de erflater.

De ouders van Benedictus, zijn reeds vˇˇr hem overleden. In leven zijn dan nog slechts - ten tijde van het opmaken van het testament - zijn zuster Hijma van Teijens en zijn broer Tinco van Teijens, beiden al op vergevorderde leeftijd, ongehuwd en kinderloos. Gezien die omstandigheid heeft Benedictus, het klaarblijkelijk niet nodig geacht een verdere dispositie te maken, immers zal binnen zeer afzienbare tijd ook dit naaste bloed zijn uitgestorven.
De nalatenschap van Benedictus, zal dus een halve eeuw na zijn dood fictief ten tijde van zijn overlijden ab-intestaat moeten vererven aan zijn bloedverwanten tot in de twaalfde graad, waarbij met name zijn kinderen Etta en Oeno, van de nalatenschap zijn uitgesloten door onterving bij testament.

Zouden er geen bloedverwanten of erfgenamen bij plaatsvervulling tot in de twaalfde graad meer van Benedictus, te vinden zijn, dan zal de gehele nalatenschap van Benedictus, komen en vererven op zijn vrouw Froukje Alberts, want pas nß de bloedverwanten tot in de- twaalfde graad kwam volgens het destijds geldende recht de echtgenote aan bod. Zou de nalatenschap ook daar niet meer kunnen vererven, dan vervalt deze aan de Staat der Nederlanden.

Voor zover bekend is er in 1859 geen bloedverwant van Benedictus, tot in de twaalfde graad meer in leven, afgezien van zijn onterfde kinderen Etta en Oeno.
Er valt een constructie te bedenken, dat de nalatenschap van Benedictus, na terugkeer in zijn boedel via de zoon Saco, die nß hem overleden is, - volgens ab-intestaat erfrecht - aan Saco's bloedverwanten van moeders zijde kan toekomen. Immers mogen Etta en Oeno van Teijens, ook niet via een ab-intestaat omweg de nalatenschap van hun vader bekomen: de uitdrukkelijke wens van de erflater staat ook nu nog in ons huidige erfrecht voorop.

Als de constructie via Saco, niet mogelijk is en er geen bloedverwanten tot in de twaalfde graad van Benedictus, meer te vinden zijn valt de nalatenschap aan de echtgenote Froukje Alberts toe, want in casu is Froukje na Benedictus, overleden. Zoals bekend heeft Froukje, tot op heden nog bloedverwanten die aanspraak op haar nalatenschap willen doen gelden, althans bij plaatsvervulling.

De Staat der Nederlanden, als laatste gerechtigde tot de nalatenschap van Benedictus van Teijens, komt er in dat geval niet meer aan te pas.
De vraag is uiteraard waarom niet aan de uiterste wil van Benedictus of volgens het geldend ab-intestaat erfrecht zodanig"als hierboven beschreven gevolg is gegeven. Een uiterst prealabele vraag daarbij is of het testament van Benedictus, indertijd wel bekendheid genoot.

In de Friesche Landsordonnantie is onder Titel XIX de verplichting opgenomen om testamenten die een fide´-commis inhielden te registreren, zo ook de staat der goederen die onder dat fidei-commissair verband vallen. Doordat het testament van Benedictus, volgens het geldend recht in het openbaar register van het Hof van Friesland, was geregistreerd, kan het als bekend aan een ieder worden beschouwd.

Gr. van der Burght, heeft onder de titel 'Ongekende wetenschap' in 1979 voor de Vrije Universiteit in zijn rede het "kunnen kennen" uitgebreid beschouwd. Het niet raadplegen van de publicaties inzake een zekere rechtstoestand heeft tot gevolg dat een derde zich niet te goede trouw kan beroepen op zijn onbekendheid met de juridische stand van zaken. Ook de Hoge Raad heeft zich blijkens oude rechtspraak aldus uitgesproken. Pitlo zegt het in zijn Evolutie in het Privaatrecht aldus: 'Onbetwistbaar onbillijk is elk binden van derden aan een rechtsbetrekking, die zij niet hebben gekend of onder de gegeven omstandigheden niet hadden kunnen kennen'. Zo ook: 'Het is een elementaire eis van billijkheid, dat men een derde slechts kan binden aan datgene wat hij maatschappelijker-wijs wist of kon weten'.

Opvolgers onder algemene titel (erfgenamen) zijn volgens de wet reeds op de hoogte van wat de erflater heeft beschikt, immers volgen zij de erflater op in zijn rechten en plichten. Derden zijn op de hoogte door publicatie in het openbaar register, althans worden voor de wet geacht daarvan op de hoogte te zijn.
In casu kan derhalve niemand, noch de kinderen van Benedictus, noch zijn echtgenote, noch de testamentaire erfgenamen en legatarissen van Oeno en Etta van Teijens, noch de destijds gevestigde notarissen te Beetsterzwaag, noch de zittende of staande magistratuur te Friesland destijds, beweren dat men het fidei-commissair verband of de voorwaarden in het testament van Benedictus, niet kon kennen.

Onbegrijpelijk is dus waarom aan het testament van Benedictus, toch het door hem beoogde gevolg daaraan is onthouden. Zijn wil was immers in zijn geheel helder en duidelijk: zijn kinderen mochten slechts over het vruchtgebruik van hun aandeel beschikken en zij moesten daar tevreden mee zijn. Aan hen was de keuze gelaten.

Hun contraire daad deed hun ontevredenheid met hun vaders testament uitkomen en de ontbindende voorwaarde daaruit in werking treden, als gevolg waarvan zij met terugwerkende kracht werden onterfd.
De beschikkingen in de testamenten van Etta en Oeno van Teijens, over de hen door hun vader nagelaten goederen zijn derhalve als absoluut nietig aan te merken. Over andermans goed mag niet worden beschikt.
Welke constructie zou nu te bedenken zijn indien Benedictus, NIET uitdrukkelijk in zijn uiterste wil had bepaald, dat zijn kinderen slechts over het vruchtgebruik van de aan hen door hun vader nagelaten goederen onder fide´-commissair verband - indien zij geen  kinderen of descendenten nalieten - mochten beschikken en Benedictus, GEEN ontbindende voorwaarde in zijn testament had ingebouwd voor het geval dat zijn kinderen niet met zijn uiterste wil tevreden waren geweest?

Voor wat betreft Etta, moet men met betrekking tot haar testament (1859) dan tot eenzelfde uitkomst komen: absolute nietigheid, mede gezien het feit dat zij geen kinderen of descedenten naliet, en zij beschikte over goederen die gezien de fide´-commissaire bepalingen in het testament van haar vader voor haar uitdrukkelijk beschikkingsonbevoegdheid opleveren ten aanzien van die goederen immers is bij het overlijden van Etta in 1862 haar broer Oeno van Teijens, nog in leven en kan het testament van Benedictus dan nog verdere uitwerking bekomen: in casu het devolveren van Etta's deel via de boedel van Benedictus naar - de nieuwe bezwaarde Oeno.

Het Decreet van 1811 - althans het overgangsrecht - liet deze constructie in het testament van Benedictus onverlet. In dat recht was bepaald dat de verwachters vˇˇr het jaar 1800 geboren dienden te zijn. In casu is bij het overlijden van Etta van Teijens, haar broer Oeno, geen verwachter maar opnieuw ingestelde bezwaarde volgens de uitdrukkelijke wil van zijn vader Benedictus.

Als Oeno, nadien in 1866 overlijdt zijn er blijkbaar ook geen verwachters, immers stierf hij zonder kinderen of descedenten na te laten. Er zijn dan ook geen andere kinderen van Benedictus, meer in leven op wie diens nalatenschap volgens de in het testament genoemde bepalingen zou kunnen vererven.
Als men van de fictie uitgaat dat Benedictus, geen vruchtgebruikbepaling zou hebben opgenomen in zijn testament, noch een Cautio Socini (quod non), dan zou men met deze constructie ingeval van Oeno's testament en zijn beschikkingsonbevoegdheid inzake zijn vaders erfdeel, wel eens tot de slotsom kunnen komen dat ingeval Oeno, de allerlaatste gerechtigde tot de nalatenschap van zijn vader is, Oeno, eigenaar is geworden. Op het moment van zijn overlijden en Oeno's uiterste wil alsnog uitwerking zou mogen hebben.
De Hoge Raad maakte ook uit dat voor een ZODANIG geval - als er geen verwachters meer kunnen zijn - de bezwaarde erfgenaam mag beschikken als ware hij eigenaar.


DE HUWELIJKSGEMEENSCHAP VAN BENEDICTUS EN FROUKJE.

Volgens de Friesche Landsordonnantie en het destijds geldende recht vielen alle tijdens het huwelijk aangewonnen goederen in de beperkte gemeenschap van schade en bate, tenzij de echtelieden bij huwelijkse voorwaarden anders waren overeengekomen. Dit betekende dat vanaf de datum der huwelijkssluiting tot aan de ontbinding van het huwelijk, in casu door de dood van Benedictus,
al het goed, roerend, of onroerend, dat in die periode door koop, ruil, schenking of anderszins werd verkregen, door welke van de beide echtgenoten dan ook, IEDER der echtgenoten daar van rechtswege voor de helft eigenaar van was, zelfs ongeacht met wiens geld die goederen werden verworven.
Hierdoor kon Benedictus, natuurlijk niet eenzijdig bij zijn testament bepalen dat zijn echtgenote Froukje, in plaats van haar medegerechtigdheid in die goederen maar genoegen moest nemen met een bepaald legaat. De door hem genoemde reden, dat de uitvinding van schade en bate van hun huwelijksgemeenschap veel te moeilijk voor haar zou zijn, is in deze niet relevant.

Bij overlijden van Benedictus, diende toch allereerst uitgezocht te worden welke goederen tijdens het huwelijk verworven waren.
Benedictus, was een zeer vermogend man, niet ondenkbaar is dat in de periode van het huwelijk verschillende landgoederen zijn verworven. De roerende goederen waren destijds al voor de echtgenote bestemd.
Noch Benedictus, noch zijn kinderen dienden over deze goederen te beschikken, immers is een legaat van andermans goed nietig.
Ik heb niet verder uitgezocht in hoeverre met dit eigendomsrecht van Froukje Alberts, rekening is gehouden, bij een eventuele scheiding en deling van de nalatenschap van Benedictus, aangezien dit teveel buiten ons bestek viel, maar ik kon niet nalaten even op deze bijkomende omstandigheid te wijzen. De memorie van aangifte van de nalatenschap van Froukje, door haar drie kinderen d.d. 18 juli 1853 laat zien dat Froukje, althans ten tijde van haar overlijden, geen onroerende goederen bezat.


DE TESTAMENTEN VAN ETTA EN OENO VAN TEIJENS VAN 1859.

Zoals hierboven uitgebreid uiteengezet acht ik deze testamenten nietig en van onwaarde voor zover zij goederen betreffen uit de nalatenschap van Benedictus van Teijens. Door de registratie c.q. publicatie van het testament van Bendictus, in het openbaar register bij het Hof van Friesland konden de testamentaire erfgenamen en legatarissen als op de hoogte te zijn worden beschouwd van de betreffende vruchtgebruikbepaling en de Cautio Socini in het testament van Benedictus. Alleen al hierdoor zijn de erfgenamen en legatarissen van zowel Etta als Oeno, niet te goeder trouw eigenaar geworden van de goederen die uit de nalatenschap van Benedictus van Teijens, afkomstig zijn.

Onbegrijpelijk is voor mij waarom destijds door de betreffende notaris c.q. betreffende leden van de rechterlijke macht, die zich met de testamenten hebben beziggehouden, deze aspecten van het testament van Benedictus, terzijde zijn gesteld. Mogelijkerwijs heeft men destijds deze aspecten of zelfs het volledige testament van Benedictus, niet nader in beschouwing genomen.

Notaris Andrea, te Beetsterzwaag, kan als persoonlijk betrokken bij het besloten testament van Oeno van Teijens, van 1859 worden beschouwd, immers in de bijlage bij dat testament wordt deze notaris statutair als regent van de 'Van Teijens Fundatie' benoemd, aangezien voor notaris Andrea dit testament is verleden.
De kantonrechter te Beetsterzwaag, destijds betrokken bij de opening van de besloten testamenten, kan als zijdelings betrokkene worden aangemerkt, immers krijgen zijn directe bloedverwanten grote legaten uit de nalatenschap van grote legaten uit deze nalatenschappen.

Reeds door deze betrokkenheid hadden de notaris en de kantonrechter zich geroepen moeten achten de betreffende testamenten met uiterste nauwkeurigheid te ontleden en de uitvoering daarvan met de grootst mogelijke waarborg te omkleden, om elke schijn van partijdigheid bij de testamenten te vermijden.
 

DE STICHTING OF VAN TEIJENS FUNDATIE.

Etta en Oeno van Teijens, waren - zo valt te lezen uit hun testamenten - van plan gezamenlijk een Stichting of Van Teijens Fundatie, op te richten, om deze na overlijden van de langstlevende in werking te doen treden c.q. legataris te doen zijn van bepaalde door hen na te laten goederen.

Uit niets is mij gebleken dat zij inderdaad tezamen, bij hun leven deze Fundatie hebben opgericht. Ook uit beide besloten testamenten, blijkt niet dat zij aan de door hen ingestelde erfgenamen de uitdrukkelijke last geven tot het oprichten van een dergelijke Fundatie, noch verklaren de erflaters uitdrukkelijk in hun respectievelijke testamenten, dat zij deze Fundatie bij hun uiterste wil oprichten.

Beiden hebben als bijlage, bij hun besloten testament, statuten voor de op te richten Fundatie gevoegd. Ieder heeft zijn eigen statuten ondertekend.
De statuten van Etta, respectievelijk van Oeno, zijn in ieder geval verschillend van regelomvang en niet door beiden ondertekend zoals ingeval van overeenstemming over die statuten toch ten minste voor de duidelijkheid ervan wenselijk zou zijn geweest.

Nu is onduidelijk welke statuten dienden te moeten gaan werken voor de op te richten Fundatie: de statuten die als bijlage bij Etta's testament waren gevoegd of de statuten die bij Oeno's testament zijn aangetroffen.
De wetgever bepaalt dat een stichting moet bestaan althans om erfgenaam of legataris te kunnen zijn. Noch uit het testament van Etta, noch uit het testament van Oeno kan het bestaan van de Van Teijens Fundatie, worden afgeleid.

Bijgaand uittreksel uit de Kamer van Koophandel laat zien dat de datum van oprichting van de Van Teijens Fundatie, 3 december 1866 is. Dit is de overlijdensdatum van Oeno. Het uittreksel geeft niet aan door wie destijds de stichting is opgericht. Mij lijkt vooraleerst onwaarschijnlijk dat Oeno, alsnog op zijn stervensdag en overigens dan niet in vereniging met zijn dan al overleden zuster Etta, de stichting heeft opgericht.

Uit het afschrift van de Staten van Friesland - hier bijgaand - van vrijdag 25 oktober 1867 blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken en Justitie afwijzend heeft beschikt op het verzoek van Dr. Lunsingh Tonckens, om de Van Teijens Fundatie, rechtspersoonlijkheid te geven. Gezien de omstandigheid dat de betreffende brief van de minister in het archief ontbreekt kan ik op een eventuele motivering van de minister niet ingaan.

Mijn conclusie is dat de Van Teijens Fundatie, onbekwaam moet zijn geweest om de legaten uit de nalatenschap van zowel Etta als Oeno van Teijens, te verkrijgen.
Mij is voorts opgevallen dat de dames die onder artikel 3 van Oeno's statuten worden genoemd als de te begunstigen dames door de Van Teijens Fundatie, allen directe bloedverwanten zijn van de door Etta en Oeno, in hun respectievelijke testamenten ingestelde erfgenamen, te weten familieleden van Dr. Lunsingh Tonckens en zijn echtgenote Koumans Smeding.

Verder is opvallend dat Oeno's statuten te kennen geven dat de burgemeester van Opsterland, wonend te Beetsterzwaag, als eerste regent van de Van Teijens Fundatie, is te benoemen. Dit is in casu ook de heer Dr. Lunsingh Tonckens.
Als een andere - eerste - regent werd, zoals hierboven reeds gemeld, notaris Andrea, te Beetsterzwaag, benoemd, die de besloten testamenten had verleden. Met art. 21 Notariswet lijkt mij dit niet te rijmen, immers mag een notaris geen akte verlijden, waarin hij zelf wordt benoemd of vˇˇrkomt. De beslotenheid van het testament of de bijlagen doet daar niet aan af.

Voorts valt het mij op dat notaris Andrea, de besloten testamenten van zowel Etta als Oeno van Teijens, althans de betreffende akten van superscriptie, pas ter registratie aanbiedt nadat de respectievelijke erflaters overleden zijn en hun testamenten reeds door de kantonrechter geopend. Mij is niet bekend, dat dit destijds de gewoonte zou zijn, integendeel, de vˇˇr 1917 geldende Frimaire Wet (Registratiewet van 22 Frimaire an VII, art. 43) verplichtte een notaris tot registratie van elke akte. Registratie achteraf dient men mijns inziens als niet-registratie te bezien. Niet-registratie heeft ook nu niet-authenticiteit tot gevolg, waarmee men opnieuw tot nietigheid van de besloten testament van zowel Etta als Oeno, zou moeten concluderen.

Conclusie 2.

Tot slot van dit onderzoek moeten wij het een en ander op een rijtje zetten. Dit zowel om redenen van overzichtelijkheid, als voor hetgeen wij voor ogen hadden. Wij hebben er naar gestreefd, iets meer te kunnen zeggen van deze testamenten. De achtergrond, onze beweegreden, is de omstandigheid dat er onmiskenbaar sprake is van fide´-commis, en dat degenen die krachtens dit fide´-commis een bewaarplicht opgelegd gekregen hebben, toch getesteerd hebben.
Benedictus van Teijens, maakt in 1804 een testament, dat fide´-commissaire bepalingen bevat. De aangewezen erfgenamen zijn dan nog minderjarig. Als er duidelijkheid komt omtrent de verdeling van de boedel zijn we tien jaar verder. Er heeft zich dan een wetswijziging voorgedaan. Het Oud-vaderlandsch recht is afgeschaft en de Code Civil, is ingevoerd. Consequenties liggen onder andere op het terrein van het fide´-commis. Jaren gaat het goed. In de jaren vijftig van de vorige eeuw, als de kinderen van Benedictus, zelf al op leeftijd zijn, maken ook zij hun testament. Ondertussen is in 1838 het Burgerlijk Wetboek ingevoerd. Dit is de volgende wetswijziging.

Etta-Arnolda, overlijdt in 1862 op zessenzestigjarige leeftijd. Oeno, overlijdt in 1866 op achtenzestigjarige leeftijd. Beiden overlijden kinderloos, de familie Van Teijens, is uitgestorven.
Spil in ons onderzoek is de vraag of Etta-Arnolda en Oeno, mochten testeren. Het is namelijk de vraag in hoeverre het fidei-commissair testament van hun vader hen in die mogelijkheid beperkt.
Noodzakelijk is daarbij eerst op te merken, dat vermogensbestanddelen die buiten het fidei-commissair verband vallen, uiteraard ter volledige beschikking staan van Etta-Arnolda en Oeno. Wetenschap omtrent die vermogensbestanddelen dient men te halen uit de boedelbeschrijving van de nalatenschap van Benedictus. Die hebben wij niet tot onze beschikking en het voert overigens buiten het bestek verder aandacht te besteden aan deze feitelijkheden. De inventarisatie is nog wel aanwezig, naar verluidt betreft het een stapel papier met een hoogte van een meter. Compliceren de factor daarbij is een fide´-commissair van Tinco, de broer van Benedictus, waarbij ook Etta-Arnolda en Oeno, bevoordeelden zijn. Dit testament hebben wij al helemaal buiten beschouwing gelaten.

Wij gaan ervan uit dat de goederen waarover Etta-Arnolda en Oeno, beschikt hebben, toch zeker grotendeels tot de boedel van Benedictus, behoren en onder het fide´-commissair verband vallen.
Relevante bepalingen in het testament van Benedictus zijn te vinden in de parafrasen 3 en 5. Ik verwijs hiervoor naar 4.
In parafrase 3 is een inmiddels verboden fide´-commissaire bepaling opgenomen. Het is ongeoorloofd als verwachters te benoemen broer of zuster, of hun descendenten, van de bezwaarde. Het Keizerlijk Decreet van Napoleon van 1811 geeft echter overgangsrecht: als verwachters kunnen nog wel optreden zij, die vˇˇr 1800 geboren zijn. Broer en zuster zijn voor 1800 geboren. Bij de overgang van Code Civil naar Burgerlijk Wetboek is het Decreet van kracht gebleven.
De bepaling in Benedictus, testament kan doorgang vinden.
Dat betekent, dat makingen in Etta's testament van 1859 van geen waarde zijn. Zij mocht ingevolge parafrase 5 van Benedictus, testament slechts over het vruchtgebruik beschikken.
Vervolgens zijn we bij Oeno aangeland. Hij is de laatste Van Teijens en er zijn geen verwachters. Volgens het testament van Benedictus, kan geen vererving plaatshebben.

We moeten nu het fide´-commis nader bezien. Kenmerken zijn ten eerste toekenning van goederen aan twee of meer opvolgende personen, en ten tweede dat er een tijdsruimte is waarin de eerstgeroepene eigenaar is (de bezwaarde), alvorens de overgang op de  latergeroepenen (de verwachters) plaatsheeft. De een is na de ander eigenaar. Dit is het essentiŰle verschil met de voorwaardelijke making (J.H. Philipse, De prohibitions fide´commissorum, Caput lIl, Diss., Leiden 1820). Jurisprudentie: HR19 mei 1882:W4784; Hof Arnhem 30 maart 1898: W7185. Aldus ook Diephuis VIII; Veegens Il, p.254; Loke Il, p.185.

Aldus is er altijd de voorwaarde dat de verwachter de bezwaarde overleeft. Indien de verwachter vˇˇr de bezwaarde overlijdt, zijn niet de erfgenamen van de verwachter gerechtigd, maar de bezwaarde zelf. Zolang het recht van de bezwaarde duurt, heeft de verwachter slechts een verwachting. E.M. Meijers ziet deze verwachting als een toekomstige zaak.
Art. 1022 BW, is een uitzondering op de regel, er is wel plaatsvervulling bij de kleinkinderen. Maar de kleinkinderen zijn wel erfgenaam bij plaatsvervulling van hun grootouders en niet de erfgenamen van hun ouders. Art. 1022 BW, is een bevestiging van de regel, dat indien de verwachter voor de bezwaarde overlijdt, niet de erfgenamen van de verwachter gerechtigd zijn, maar de bezwaarde of zijn erfgenamen. Alleen kinderen van de verwachter kunnen zijn plaats vervullen.

Hoe is nu de positie van de bezwaarde met het oog op de beschikkingsbevoegdheid. E.M. Meijers hierover: Al mag de bezwaarde de goederen niet vervreemden op een wijze dat ze voor de verwachter verloren zouden gaan, dit belet m.i. niet dat hij bevoegd is de goederen te vervreemden met instandhouding van het fide´-commissair verband, d.w.z. onder voorwaarde dat met zijn overlijden
het recht van den verwachter aanvangt terwijl hij, bezwaarde, verantwoordelijk blijft voor het behoorlijk onderhoud der goederen.
Het is een vervreemding, die op ÚÚn lijn staat met die waartoe de vruchtgebruiker overeenkomstig art. 819 BW gerechtigd is (Asser-E.M. Meijers, IV Erfrecht, 1e druk 1915, p.419).
Onder deze voorwaarde valt het fide´-commis ook in de huwelijksgemeenschap.
Mocht de bezwaarde de goederen onvoorwaardelijk vervreemd hebben, dan zal de handeling desniettemin volkomen geldig zijn, wanneer de verwachter vˇˇr den bezwaarde overlijdt en het fide´-commis dientengevolge vervalt' (E.M. Meijers, IV Erfrecht, p.415).
Ook Suyling oordeelt aldus. 'Zijn eigendomsrecht is echter beperkt; het hangt van de vervulling van een ontbindende voorwaarde af'
(Suyling, Erfrecht 1931, p.546). Zijn de verwachters geboren, dan gaat van rechtswege de fide´-commissaire boedel op hen over. Op dat oogenblik beŰrven zij dan den erflater' (Suyling, p.561). Zo ook Klaassen, p.306; Diephuis VIII, p.454; HR 15 november 1872.

Meijers, bespreekt de positie van de verwachter: 'Is eenmaal het recht van de verwachter geboren, dan is deze erfgenaam of legataris, van dengene, die de beschikking over de hand gemaakt heeft, al naarmate de geheele nalatenschap of een evenredig deel dan wel een of meer bepaalde goederen onder fide´-commissair verband vermaakt zijn. Zijn rechtspositie verschilt dan in geen enkel opzicht van dien van een anderen erfgenaam of legataris van den erflater' (E.M.Meijers, IV Erfrecht, p.419). De verwachter erft derhalve van de erflater-insteller, naast andere erfgenamen van de erflater-insteller. De Hoge Raad oordeelde aanvankelijk anders (HR27 februari 1840, N.R. 4/59);' maar onderschreef deze opvatting later (HR 15 november 1872,W3526; HR3 "april 1875,W3845). Zie Diephuis IX, p.455 en Land III, p.340.

Mijns inziens kunnen we nu concluderen dat het fide´-commissair verband met het niet aanwezig zijn van een verwachter is vervallen.
Gerechtigd zijn nu de erfgenamen van de bezwaarde. Dat kunnen zowel erfgenamen bij versterf als testamentaire erfgenamen zijn. Er is niets op tegen de bezwaarde de mogelijkheid toe te kennen te testeren. Hij zal dit uiteraard slechts onder de ontbindende voorwaarde kunnen doen, dat zich geen verwachters zullen opwerpen. Is dat wel het geval, dan kunnen de verwachters zich op het fide´-commis beroepen. Zie Loke in 'Stellingen', p.182, stelling 36 en 38.

De vraag die zich vervolgens voordoet, is in hoeverre, we het testament van Benedictus, mogen interpreteren. De bewoordingen in het testament waren tot zover duidelijk. De onduidelijkheid die optreedt is gelegen in het feit dat het testament een onmogelijkheid bevat. 'Devolveren op de overgeblevenen' is niet mogelijk gebleken (parafrase 3). We zijn hier op het gebied van de uitleg van
een uiterste wil.

De jurisprudentie wil bij duidelijke bewoordingen pas aan interpretatie als de bedoeling die de bewoordingen uitdrukken geen zin hebben (HR22 januari 1965, NJ 1966, 177).
Ingeval van gewijzigde omstandigheden die ten tijde van testeren niet voorzienbaar waren, is aanvulling op het testament mogelijk.
Niet-voorzienbaarheid wordt afgeleid uit feitelijke omstandigheden, of uit hetgeen van een redelijke erflater verwacht mag worden. Is een testamentaire bepaling voor meerdere uitleg vatbaar, dan wordt naar de bedoeling van de erflater gekeken.
Bij het testament van Benedictus, hebben we te maken met duidelijke bewoordingen. maar niet uitvoerbaar, of bewoordingen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, devolveren op de overgeblevenen' geldt wellicht zolang er nog overgeblevenen zijn.
In beide gevallen wordt naar de bedoeling van de erflater gekeken en naar de omstandigheden waaronder getesteerd is.

Uit dit testament van 1804 blijken mijns inziens met name twee dingen. Benedictus wil het (familie-)vermogen zoveel mogelijk bij elkaar houden, door zijn kinderen een erfdeel onder fidei-commissair verband toe te denken. Ten tweede wil hij het vermogen in de nederdalende linie doen blijven. De descendenten van Benedictus, zullen erfgenaam zijn, anderen dan descendenten wordt zoveel mogelijk aanspraak op het vermogen onthouden.

Zo betrekt hij zijn echtgenote maar zijdelings en aan zijn schoonfamilie, zeer eenvoudige mensen, gaat hij geheel voorbij. Dit zal overigens normaal geweest zijn destijds. Enkel aan zijn nakomelingen is gedacht en ik denk dat hierin zijn bedoeling is gelegen.
Met betrekking tot de onduidelijkheid door 'gewijzigde' omstandigheden, de onvoorzienbaarheid: Benedictus, heeft nooit kunnen vermoeden dat zijn kinderen zelf ongehuwd en kinderloos zouden blijven, zodat er op een gegeven moment geen 'overgeblevenen' meer waren en 'devolveren' onmogelijk is geworden. Toen Benedictus, op zijn ziekbed lag, waren zijn kinderen respectievelijk zes, acht en tien jaar oud. Opgemerkt dient wel te worden, dat kinderloosheid veelvuldig in de familie voorkwam, evenals ongehuwd zijn, en dat moet Benedictus, geweten hebben.

Volgens mij is dit onvoldoende om te concluderen dat de leemte in het testament nu automatisch opgevuld moet worden door familieleden van Froukje, zijn vrouw, als erfgenaam te roepen. Om bij het overlijden van Oeno, in 1866 hem testeerbevoegdheid te ontzeggen en familie van zijn moeders kant van rechtswege gerechtigd te doen zijn, vind ik een rare gedachten sprong. Ten eerste zijn familieleden van Froukje, geen ab-intestaat erfgenamen van de insteller van het fide´-commis, ten tweede staat familie van de echtgenoot van de erflater zover van de erflater af, dat evengoed een derde gerechtigd kan zijn.

Oeno, was mijns inziens bevoegd te testeren. Zou hij geen testament gemaakt hebben, dan vererft het vermogen op de erfgenamen aan zijn moeders kant, volgens de regels van het ab-intestaat erfrecht.
Oeno wordt dan als erflater beschouwd.
Een oplossing die nog ter sprake is geweest is de volgende. De bewoordingen in het testament van Benedictus, zijn duidelijk, derhalve keert het vermogen weder in zijn boedel' (zie parafrase 3).
Maar dit betekent, dat na de dood van Oeno, het vermogen niet meer kan vererven. Schoonfamilie is geen ab-intestaat erfgenaam.
De Staat zou alsdan gerechtigd zijn, een oplossing waar ik mijn bedenkingen tegen heb.


EINDCONCLUSIE.

Alles beschouwende, spreek ik als mijn stellige overtuiging uit dat met betrekking tot de drie door ons besproken testamenten niet de juiste weg van uitvoering daarvan is gevolgd. Met de waarborgen die de Wetgever in ons recht heeft ingebouwd, ten aanzien van uitvoering van de uiterste wil van een erflater, is destijds op zijn minst de hand gelicht, gezien het feit dat het testament van Benedictus van Teijens, niet het door hem beoogde gevolg heeft verkregen.

Inmiddels zijn vele jaren verstreken. In de loop dier jaren is gebleken dat de nazaten van Froukje, zich als rechtmatige erfgenamen van de Van Teijens-nalatenschap blijven opwerpen, daarmee de testamentaire erfgenamen en legatarissen van Oeno van Teijens, bestrijdend.

De erven Lunsingh Tonckens, hebben zich in 1870 met notaris Andrea, gelieerd door huwelijk van hun kinderen. De Van Teijens Fundatie, is tot op heden in stand gebleven. Qua publiciteit is er ook door de pers, door de jaren heen aan de Van Teijens, nalatenschap de nodige aandacht besteed. Men zou dan ook op zijn minst kunnen zeggen dat de testamentaire erfgenamen en legatarissen tot dusver niet geheel ongestoord in het rustig bezit van de Van Teijens-boedel, zijn geweest.

Gezien mijn conclusie dat het recht met betrekking tot de Van Teijens-nalatenschap, niet zijn juiste loop heeft gehad, waarbij ik afzie tot welke resultaten dat dan had moeten leiden, concludeer ik, dat het vooral voor de rechtszekerheid voor alle betrokken erfgenamen of legatarissen een goede zaak zou zijn, als de Staat met betrekking tot de Van Teijens-nalatenschap, enige verantwoordelijkheid voor de gang van zaken destijds zou erkennen en opdracht zou geven tot herziening van de zaak, althans tot een onderzoek dat in casus zou behoren te leiden tot het voor eens en voor altijd vaststellen van de echte erven van de Van Teijens-nalatenschap.

Als uit zo'n onderzoek zou komen te blijken, dat destijds andere erfgenamen gerechtigd waren geweest tot de betreffende nalatenschap, zou mogelijkerwijs de verjaring nog een rol kunnen gaan spelen. De verjaringskwestie is door ons niet nader bekeken, aangezien wij hierover niet over voldoende gegevens beschikten en bovendien deze verjaringskwestie buiten ons bestek viel.

In dit verband merk ik slechts op, dat waar een civiele vordering in rechte niet meer gevorderd kan worden een mogelijke natuurlijke verbintenis niet als uitgesloten mag worden beschouwd.

 

Uittreksel uit de Kamer van Koophandel.

 

Afschrift van de Staten van Friesland - van vrijdag 25 oktober 1867.

 

Van Teijensfundatie, te Beetsterzwaag.

 

 Foto van Nico van der Woude: Van Teyensfundatie te Beetsterzwaag.

 

Home

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.