Z
E S T I E N E relaas
door
Sybren
Rienks Zestiene
Van de
site van
Annemarth Sterringa Waarvoor dank.
Uit het huwelijk
van Rienk Sieberens Zestiene (1808-1843) en IJtje Johans Mook (1803-1846) zijn geboren:
- Op den 10 Mei
1833 Sieberen Rienks Zestiene (schrijver van onderstaand relaas) op
een Zaterdag des nachts om een uur. Gedoopt in Julij 1833 door den
heer Claudius van Herwerden predikant te Beetsterzwaag.
- Den 30 November
1835 is geboren Johan Georges Zestiene des morgens om vijf uur.
- Den 26 Januarij
1838 op een Vrijdagavond om zeven uur is geboren Grietje Rienks
Zestiene.
- Den 2 Mei 1840 op
een Zaterdagnacht om 1 uur is geboren Elske Rienks Zestiene.
- Den 17 Julij 1842
op een zondagmorgen om half tien uur is geboren Kornelus Rienks
Zestiene.
In 1842 mogten zich mijne ouders (Rienk Sieberens Zestiene en IJtje Johans Mook)
dus in het bezit van vijf geliefde kinderen verheugen en daar mijn
moeders ouders Johan Georg Mook en Elske Jochums van der Zwaag bij
ons in woonden, bestond ons huisgezin groot en klein uit negen
personen. Doch niet lang mogten de leden van hetzelve zich over
elkander verheugen, daar God door den dood spoedig zoo vele wegnam.
In 1841 had mijn vader Rienk Zestiene al een ongesteldheid welke
meer toe als afnam. En mijn moeder IJtje Mook begon een geweldige
pijn aan haar knie te krijgen hetwelk docter Pel aanvankelijk aan
jicht of reumatiek toeschreef.
In het begin
van 1843 kregen mijn broers en zusjes de kinkhoest. De jongste van
ons Kornelus overleed op den 7 Februarij 1843 des morgens half acht
uur in den ouderdom van 29 weken en 2 dagen aan de gevolgen van de
kinkhoest.
Mijne ouders vooral mijne
moeder waren diep bedroefd over het verlies van hun jongste
lieveling. Moeder haar knie van dag tot dag minder wordende lieten
wij docter J.L. Toncken bij haar komen, die het voor geen jicht of
iets van dien aard, maar voor een erge ontsteking en gezwel aan de
knie verklaarde en dadelijk last gaf om altijd pappen er op te
houden, en gedurig een menigte bloedzuigers er aan te leggen.
Mijn vader werd ook gestadig
minder, broeder Johan struikelde en viel in dien treurigen tijd in
het spelen op de Kerkelaan, hij jammerde het uit van pijn, kon niet
opstaan, en werd door Teunis Prakken naar huis gedragen waar het
bleek dat zijn been erg gekneusd was, mijn zuster Grietje eerst de
kinkhoest daarna geele ziekte had gehad en nauwelijks van dezelve
was hersteld kreeg in April een hevige zenuwzinkenziekte.
Een zeer treurige indruk
maakte toen het gezigt in ons huisvertrek die toen wel een
ziekenkamer kon heeten.
Mijn vader bijna geheel
uitgeteerd mijne moeder tegen hem over in een grooten stoel, met
nog eene ervoor waarop hare zieke knie rustte daar dezelve de
geringste beweging zonder de verschrikkelijkste pijn niet duldde.
Dan mijn broeder Johan met gekneusden voet, in een groote
kinderstoel.
Voor het bed mijner ouders
in een ledikant mijn zusje Grietje in in verschrikkelijk ijlende
koortsen en stuiptrekkingen. Mijn beide door ouderdom en vroegere
ongesteldheden zwakke grootouders; zoodat ik alleen toen het
voorregt der gezondheid in ons huis bezat met mijn lief zusje Elske,
ons aller liefeling, die toen echter bij grootmoeder Grietje Rinsma
weduwe van S. Zestiene was, wegens de ziekten in onze huishouding.
Mijn zuster Grietje bezweek
eindelijk onder haar vreeselijk lijden op den 25ste
April 1843 des avonds zes uur in den ouderdom van 5 jaren en 3
maanden.
Den 8 Mei 1843 volgde mijn
vader zijne voorgegane jeugdige kinderen, naar de eeuwige gewesten.
Mijne moeder schoon in heel
bedenkelijke omstandigheden verkeerend gedroeg zich echter kalm
onder deze smartelijke verliezen; haar knie die in het eerst naar
inzien van docter Tonckens haar dood zou veroorzaken daar ook de
professoors aan wien hij schreef ook niet anders oordeelden of
dezelve moest afgezet worden, en daar dit blijkbaar niet mogelijk
was, werd zij als hopeloos beschouwd doch boven verwachting nam het
een gunstigen keer. Haar kwaal begon te beteren zoodat zij eerst op
twee krukken en daarna met een kruk en een stokje kon gaan houdende
echter een stijfe onbuigzame knie. Schoon moeder ligchamelijk vrij
wat verligting had gekregen, was de beker haars zielelijdens nog
lang niet gevuld, welke zij tot op den bodem zou moeten ledigen,
want mijn zusje Elske een meisje dat de liefeling was van ieder die
het kende, kreeg nog in hetzelfde jaar een soortgelijke kwaal als
waaraan haar zusje Grietje was overleden, en ook zij bezweek voor
deze ziekte, en stierf in de armen onzer moeder, die ofschoon haar
knie het niet gedoogde, door moederliefde gedreven, en op de arm
haars broeders Johannes steunende tot haar kwam bij grootmoeder
Grietje op den 22ste October 1843. Het kistje met het
lijkje werd op begeerte mijner moeder naar ons huis gebragt ten
einde haar aldaar de laatste eer te bewijzen waar haar reeds drie
voor korten tijd waren voorgegaan.
Dit laatste verlies schokte
mijn moeder zeer, want van dit kind had zij zich zooveel genot na
ondervonden verliezen voorgesteld en nu verijdelde de
onverbiddelijke dood voor altijd dat genot, en haar plannen voor de
toekomst.
Onder al hare verliezen
ondervond zij veel vertroosting van den Predikant, den heer C.H. v.
Herwerden en deszelfs echtgenoote die haar bijna dagelijks kwamen
bezoeken.
Zoo verliep er een jaar,
moeder kon verder met behulp van een stokje door het huis gaan, en
zelfs eens naar de kerk waarnaar zij zoo hartelijk had verlangd
alwaar zij de rustplaats harer dierbare afgestorvenen kon
aanschouwen daar zij door hare ongesteldheid was verhinderd
gewordenom de begrafenis na te volgen.
Den 16 October 1844 overleed
onze grootmoeder Elske Jochums v.d. Zwaag in den ouderdom van 72
jaren; zij had in vroegere jaren veel geleden; vooral aan zwakheid
van het hoofd, en dit had krenking harer verstandelijke vermogens
ten gevolge gehad, hetwelk echter in hare laatste levensjaren vrij
goed was te regt gekomen.
Wij hielden heel veel van
beppe Elske, en zij wederkeerig van ons.
Grootvader (Pake) Johan
Georg Mook volgde zijne beminde gade naar de gewesten der
eeuwigheid; in het volgende jaar 1845 5 Februarij; hij had voor
nabij 16 jaren alreeds een beroerte gehad die verlamming aan zijn
regterzijde en en belemmering zijner spraak ten gevolge had. Hij
hield veel van wandelen en van lezen ook, hetwelk echter uit hoofde
van zijn zwak gezicht, voor hem moest gedaan worden en hetwelk ik in
zijn laatste levensdagen veel voor hem deed uit den bijbel. Het was
een zeer tevreden en vrolijk oud man.
Zoo waren er dan van ons
vroegere groote huishouding maar drie meer over, mijn moeder, mijn
broeder Johan Georg en ik; doch onze rampspoeden waren nog niet
daar; den 4 November 1845 overleed onze grootmoeder Grietje Kornelus
Rinsma weduwe van S.R. Zestiene in den ouderdom van 61 jaren en 8
maanden.
Onze moeder die zooveel aan
haar knie, en nog meer aan inwendige smart had geleden, bij het
verlies van zoovele teedere betrekkingen, verviel in de teering of
ontsteking aan de long, zij werd week op week zwakker en gevoelde
bij zichzelven wel dat haar einde naderde, een ofschoon zij om hare
kinderen Johan en ik die hare zorg nog zoo zeer behoefden wel bij
ons wilde blijven berustte zij met kalme gelatenheid in de wil van
God, met de levendige hoop van aan gene zijde des grafs hare
afgestorven liefelingen te zullen wedervinden, en met Hen de
zaligheid des Hemels te smaken. Na een langdurige zukkeling overleed
eindelijk onze hartelijk beminde moeder, den 27 Julij 1846
maandagmiddag half twee uur, in den ouderdom van 42 jaren en 8
maanden; de daaropvolgende zaterdag werd de laatste eer aan haar
lijk bewezen.
Zoo waren mijn broeder en ik
dan geheel weezen, en moesten het huis waar wij zoovele kinderlijke
genoegens gesmaakt, en zoovele droefe gebeurtenissen ondervonden
hadden, verlaten nadat wij eerst verkoop van winkelwaren, en
boelgoed hadden gehouden.
Ons oom Paulus Dorenbos werd
ons voogd, hetwelk moeder bij haar leven begeerd had.
Johan na eerst wat te
Oldeboorn bij Dorenbos, en te Leeuwarden bij oom Jochum Mook te zijn
geweest werd bij oom F(edde Alles) Kalverboer en tante Rimke
Zestiene besteld en ik werd door mijn ooom Kornelus Zestiene en
deszelfs zusters tante Joukje, Eke, en Jitske opgenomen, welke toen
de timmerij nagelaten door hun ouders, gezamenlijk ophielden, ten
einde in dat vak hetwelk mijn grootvader wiens naam ik droeg en mijn
vader beide bedreven hadden te worden opgeleid.
Broeder Johan die eerst het horlogiemaken zou leeren kreeg later meer zin aan het zilversmeden
hetwelk oom Kalverboer ook bedreef zoodat hij dit toen leerde. Wij
hadden het beiden goed naar genoegenvoor zover een wees,die innige
liefde en belangstelling zijner ouders mist, dit hebben kan.
Wij mogten (ons?) zoo
verscheidene jaren in een goede gezondheid verheugen, in het jaar
1852 moest ik loten, voor de nationale militie, en had het geluk
vrij te loten. In 1855 moest Johan loten, en kwam te dien einde te
Beetsterzwaag van waar ik met hem naar Oldeboorn ging naar ons oom
en foogd en vandaar naar het Heerenveen, alwaar hij moest loten. Het
was een heele blijdschap dat ook hij het geluk had vrij te loten,
alsmede ons neef de zoon van oom Dorenbos.
Doch al hoe verheugd wij ook
hierover waren, werden wij toch eenigzins ter neer gedrukt door
ongezondheid van mijn beminde broer Johan daar hij vaak geweldig
moest hoesten vooral onderweg als wij in den wind opgingen moest hij
dikwijls blijfen staan, vanwege de hoest. We rieden hem aan dat
zoodra hij weder te Bergum kwam naar een kundige docter te gaan
hetwelk hij toen ook terstond deed. Het was toen in Maart, wij
hoopten dat hij met de aankomende mooije dagen wel spoedig weer wat
zou beteren, doch die hoop werd langs zoo meer teleurgesteld. Johan
werd hoe langer hoe zwakker, hoestte veel, en was (had?) omtrent
altijd diarree afloop. Ik bezocht hem gedurig, en zag tot mijn
leedwezen ieder keer zijn vermindering, ook schrefen wij elkander
gedurig doch in zijn brieven straalde meestal de stellige hoop op
verbetering door, welke de tering eigen is. Onderscheidene docters
gingen over hem voor en na, daar het met geen van een van allen
vooruitging, Brouwer te Bergum, Born te Bergum, Fokkes te Mantgum
doch tevergeefs.
Hij begon zeer naar
Beetsterzwaag te verlangen doch daar hij onder docters handen was,
en hij zo hoestte ging het eerst nog over. Daar het ook mijn
verlangen geheel was om hem hier te hebben, en ik dit aan mijn
familie te kennen gaf waren oom Jochum Mook (en deszelfs deelgenoot
in de slagersaffaire) Gouke de Ruiter zoo goed mijn broeder Johan
uit te nodigen om daar een poos bij hen te komen logeren.
Verheugd hierover begaf ik
mij naar Bergum, en bepaalde daar met oom en tante (Kalverboer-Zestiene) Johans eerstvolgende komst te Beetsterzwaag
met de dilligense die toen om de andere dag daardoor reed. Een paar
dagen daarna, den 6 September kwam hij alhier aan.
Schoon hij te Bergum best
behandeld werd had hij het hier toch beter naar den zin, op zijn
geboorteplaats. Hij bleef bij zijn geliefde broeder zoovelen zijner
ooms en tantes en oude bekenden en speelmakkers zijner kindsheid.
Ook had hij hier geschikte gelegenheid om eens te wandelen; en
vooral waren het de vaderlijke liefde en zorg van oom Jochum die
eener broeder en vriend (had?) in de Ruiter .
Dit alles wekte zijn gestel
geheel op, en zelfs meende hij dat hij met rassche schreden zijn
herstelling tegemoet ging. Ook bij ons begon de hoop op herstel te
herleven doch deze hoop was bedrieglijk. Het was maar een soort van
overspanning die hij zichzelf aandeed daar zijn kwaal inwendig
verergerde.
Docter J. Tonckens die wij
hier bij hem lieten komen beschouwde hem ook bijna terstond als
hopeloos op zijn herstelling. Een poos bleef het slepende. Als het
weder zacht was, dan wandelde hij nog wat met mij, met oom, of de
Ruiter, of met zijn kameraden in het bosch, of anderszins, doch het
naderende barre saisoen, en zijn afneming lieten dit niet lang toe;
zijn grootste reis was dan al, als hij al eens wandelde, van oom tot
ons. Zoo sleepte het nog een poosje voort, tot ook deze geliefde
broeder mij eindelijk ontviel. Hij overleed zacht en kalm den 3
januarij 1855 in den ouderdom van ruim 19 jaren.
Transcriptie, Alex Fedde Kalverboer.
Deze foto's heb ik mogen ontvangen van de heer Jelle C. Terluin, met
onderstaande mail, heel interessant als aanvulling.
Twee jaar geleden heb ik op het
kerkhof van Beetsterzwaag een steen gerestaureerd waar de
hele familie Zestiene opstond. Ik vermoedde een enorm drama,
want 4 personen uit het gezin stierven in het jaar 1843.
Gissen naar de achtergrond. Natuurlijk geen antwoord op
vragen. Het Zestiene relaas gaf onverwacht het antwoord op
mijn vragen. Het drama is compleet als men weet dat de heer
Willem Mook aan de heer Ernst huisman verteld heeft dat de
schrijver van het relaas "himsels tekoart dien hie". Heel
begrijpelijk na zulke zware slagen als deze man heeft gehad
in zijn leven. Ik zal proberen de foto van de steen als
bijlage mee te sturen. Ook de steen van de grootouders Mook
heb ik gerestaureerd.