Van
turfgraver tot visser.
Door Jaap van der
Zwaag.
Onderstaand
verhaal is bijzonder interessant voor hen die de
volgende achternamen hebben:
Akkerman, Bakker,
Dragt, Drent, Euverman, Fleer of Vleer, De Haan,
Hei, Helfferich, Hoekstra, ten Hoeve, Hollander,
Huisman, De Jong, Jonker, Klijnsma, Knol, Kok,
Koning, Kooi of Kooy, Koopmans, Krol, Kuipers,
Loek of Luik, Meester, Meyer, Mink, Muurling,
Noppert, Oord, Pen, Poepjes, Prins, Schokker,
Scholte, Sloothaak, Slump, Smink, Toering,
Vaartjes, Van der Wal, Wever, De Wilde en Wind.
Het zijn namen van families, die vanuit
Overijssel via de veengebieden bij het
Tjeukemeer (Echten/Oosterzee) tenslotte in De
Lemmer terechtkwamen.

Turfgravers bezig met opgravingen van turf
voor een kanaal.
Lemsterland
overspoeld door Overijsselse migranten.
Omstreeks 1890 kwamen
veel mensen, gedwongen door allerlei economische
omstandigheden, naar De Lemmer om daar hun geluk te
zoeken, in hoofdzaak in de Zuiderzeevisserij. Veel
van die mensen kwamen uit het veengebied, gelegen
aan de zuidzijde van het Tjeukemeer. Bij veel namen,
die men tegenwoordig in De Lemmer, denkt men niet
meteen aan de oorsprong daarvan. Toch zijn veel
families van oorsprong niet afkomstig uit De Lemmer
maar van buiten het dorp, uit Overijssel. In
onderstaand verhaal wil ik dieper ingaan op dit
fenomeen, waarbij ik uitvoerig gebruik heb gemaakt
van "Groepsmigratie: Overijsselse
turfgraversfamilies naar de Friese laagveengebieden.
In het bijzonder bekeken in Oosterzee en Echten,
Lemsterland", geschreven door Jochem Kroes en
gepubliceerd in Jaarboek CBG 1993, deel 48. Voorts
heb ik o.a. informatie gebruikt van het Fries
Archief in Leeuwarden, vooral wat betreft
geboorten-, overlijdens- en huwelijksakten van
besproken personen/families.
De vroegere grietenij
Lemsterland was voor het midden van de 18de
eeuw een dunbevolkte streek, bestaande uit vijf
dorpen, de Lemster Vijfgae: Lemmer, Follega,
Eesterga, Oosterzee en Echten. In de middeleeuwen
hadden Oosterzee en Echten apart gestaan ten
opzichte van de Lemmer-drie-dorpen: Lemmer, Eesterga
en Follega. Vooral Oosterzee was een oude plaats en
oorspronkelijk waarschijnlijk de belangrijkste
nederzetting in deze streek met eigen grietmannen
(Jauke en Christiaan Oosterzee), stinzen (Groot
Roorda en Stijntjema), een waag en een rechtkamer.
De dorpsgebieden van
Oosterzee en Echten bestonden grotendeels uit
veengronden met een uiteenlopende dikte (60 tot 200
cm). Dit veengebied was vrijwel leeg en werd als –
moerassige – hooilanden gebruikt. Voorts woonden er
enkele kooikers (mensen die eendenkooien
exploiteerden).
De autochtone
bevolking woonde langs een weg, de "rijd wech", die
van Lemmer via Oosterzee en Echten naar
Delfstrahuizen en verder naar Heerenveen en Joure
liep. Langs deze weg stonden in de 19de
eeuw in Oosterzee 50 en in Echten ruim 20 huizen.
De beroepsbevolking
bestond hoofdzakelijk uit boeren, die tot families
behoorden, die hier reeds lang woonden, zoals de
families Hattinga/Hottinga, Huitema, Samplonius,
Huizinga, Wiarda (1),
Lemstra, Ruardi, Bruinsma, Duim, (Van) Solkema,
Koopman(s), Bosma en Huisinga. Behalve Lemstra
kregen deze families pas na 1811 deze achternamen.
In de tweede helft van
de 18de eeuw werd de winbare turf in het
noordwesten van Overijssel schaarser, vooral in
Wanneperveen, Vollenhove en Giethoorn. Deze
achteruitgang was vooral merkbaar na 1759 en
versterkte mate na de overstromingen in 1775 en
1776, toen veel land in plassen veranderde. Hoewel
het zwaartepunt van de vervening in Overijssel
inmiddels in noordelijke richting, naar de plaatsen
Kalenberg, Muggenbeet en Nederland, was verschoven,
was er een algemene teruggang te bespeuren in de
turfproductie in N.W. Overijssel. Een gevolg hiervan
was, dat de Overijsselse turfgravers elders hun heil
gingen zoeken en zo ontstond een trek van met name
Giethoornse Wannerpveense verveners naar het Friese
laagveengebied, waar volop (en relatief goedkope)
veengrond aanwezig was. De eerste verveners
verschenen na 1755 in met name St. Johannesga en
Rotsterhaule in Schoterland en Oudehaske in
Haskerland. Hoe gebeurde dat?
Gieterse veenbazen
maakten aan het eind van de 18de eeuw
oriëntatietochten naar Friesland om met behulp van
een boor de bodem te onderzoeken. Beviel zo’n
inspectie dan werd een paar percelen land aangekocht
(of gepacht) en werd op proef verveend. Was het
resultaat naar wens, dan vestigde men zich met zijn
gezin in het gebied. Het grootste aantal migranten
kwam uit Giethoorn met Wanneperveen op een goede
tweede plaats. Die dorpen liepen dan ook bijna leeg
in die jaren.

Het baggeren.
De veengronden bij het
Tjeukemeer leenden zich uitstekend voor turfwinning.
Eerst richtte de stroom turfgraversmigranten van uit
Overijssel zich op het gebied tussen het Tjeukemeer
en Heerenveen, met name het westen van Schoterland,
rond St. Johannesga en Rotsterhaule, waar
aanvankelijk Oudehaske de favoriete vestigingsplaats
was. Later trokken de turfgravers ook naar het
westen van Weststellingwerf in de buurt van
Scherpenzeel/Spanga, naar Lemsterland, eerst naar
Oosterzee, later ook naar Echten. Vooral Oudehaske
was bijzonder populair; tussen 1744 en 1796
verzesvoudigde de bevolking. De grote intocht in
Lemsterland begon overigens pas rond 1800 toen de
trek uit de dorpen in het uiterste noorden van
Overijssel op gang kwam. uit Overijssel, in het
bijzonder uit Giethoorn en Wanneperveen.
De opkomst van de
commerciële turfgraverij in Lemsterland begon in
Oosterzee; later trokken de turfgravers ook naar
Echten. Voor de afvoer werden twee vaarten gegraven,
die respectievelijk in het Tjeukemeer en in de Pier
Christiaansloot uitkwamen, namelijk de Echter Sloot
(de latere Middenvaart) en de Klijnma’s Vaart,
genoemd naar één van de belangrijke verveners ter
plaatse. De bloeitijd van de vervening lag in
Lemsterland in de periode 1800 tot 1840, met als
absoluut topjaar 1825. Na 1840 daalde de productie.
Het veengebied in
Lemsterland maakte in de tweede helft van de 18de,
maar vooral in de eerste helft van de 19de
eeuw een enorm ingrijpende ontwikkeling door. Als
gevolg van grote aantallen vreemdelingen die het
veen weggroeven en hiervan turf maakten, kende
Lemsterland grote veranderingen van
landschappelijke, demografische,
sociaal-economische, sociaal-culturele en
genealogische aard. Veranderingen die zijn weerga
niet kenden.
Landschappelijk gezien
veranderde het veengebied bij Oosterzee, dat altijd
was gebruikt als extensief hooiland, in een
bedrijvige wereld waar overal turfgravers bezig
waren het natte veen op te baggeren. Dankzij
overheidsingrijpen leidde de vervening niet tot het
ontstaan van plassen, zoals dat voorheen overal was
gebeurd, maar werden zogenaamde veenpolders gemaakt,
die onder meer tot taak hadden de gronden te
verbeteren en tot weidegronden ten behoeve van de
veehouderij om te zetten. Wat de bewoning betreft,
vooral in het begin van de vervening streken de
Overijsselse turfgravers overal neer, waarbij zij
wel een zekere voorkeur voor de nabijheid van een
sloot of weg vertoonden (Bandsloot en de
Kooijsloot), maar het geheel vertoonde een rommelig
en verspreid karakter.
Oosterzee en Echten
veranderden enorm. Van rustige boerendorpen met een
gezeten Friese bevolking werden het drukke
migrantengemeenschappen. Eerst kwamen er enkelen,
maar vanaf de jaren negentig van de 18de
eeuw vestigden zich er tientallen gezinnen van
Overijsselse afkomst. De immigratie had overigens
vaak een niet-permanent karakter. Veel turfgravers
bleven enkele jaren om zich vervolgen elders te
vestigen, een typisch nomadengedrag, eigen aan
turfgravers. Daarnaast kwamen er in Lemsterland in
het voorjaar grote aantallen Duitse trekarbeiders,
met name uit de omgeving van Osnabrück.
Aanvankelijk had de
migratie een tijdelijk en verkennend karakter. De
Overijsselse veenbazen waren kleine ondernemers, die
hun toekomstig werkterrein eerst uitvoerig in
ogenschouw wilden nemen, voordat zij er definitief
aan de slag gingen.
Een ander aspect van
tijdelijke vestiging was, dat als het veen en dus de
werkgelegenheid minder werd, de bevolking opnieuw
massaal op drift raakte. Dit was bijvoorbeeld het
geval in Sint Johannesga, dat in de tweede helft van
de 18de eeuw een geweldige ontwikkeling
doormaakte. Toen het veen er opraakte trokken de
bewoners in het begin van de 19de eeuw
weg naar andere veengebieden, zoals bijvoorbeeld
Lemsterland. Na 1850 waren de migratiemogelijkheden
in de veengebieden erg beperkt, zodat bijvoorbeeld
in Lemsterland de (voormalige) turfgravers er
"blijvers" werden en overstapten op andere
bestaansmogelijkheden, met name in de agrarische
sector.
In Oosterzee en Echten
was dit proces van migratie in fasen goed zichtbaar.
De eerste migranten kwam uit Giethoorn vóór en rond
1800, gevolgd door turfgravers uit het uiterste
noorden van Overijssel, met name uit Kalenberg,
Muggenbeet en Nederland en omgeving. Een derde
migrantenstroom beleefde nog weer iets later een
hoogtepunt. Deze betrof de uit Overijssel afkomstige
turfgravers uit St. Johannesga en Rotsterhaule.

Interieur van een
turfgravershuisje.
De motieven van de
eerste migranten werden behalve door economische
redenen ook bepaald door de sociale en
familierelaties van de migrant in zijn
herkomstgebied. De meeste turfgravers kwamen uit
Giethoorn, maar het maakte ook verschil of men daar
bij elkaar in de buurt woonde of elkaar kende.
Verschillende van de eerste emigranten naar
Oosterzee kwamen uit de buurt van Dwarsgracht, zoals
bijvoorbeeld Muurling en Slump. Ook
huwelijksrelaties waren van groot belang, al werden
deze niet in Giethoorn, maar in Friesland
voltrokken, waarover hieronder meer.
De immigratie van de
"Gietersen", zoals de Overijsselse turfgravers in
Friesland werden genoemd, ook al kwamen ze niet
allen uit Giethoorn, leidde tot een groot numeriek
overwicht van de Overijsselaars. In Oosterzee en
Echten ging het in de periode 1800-1840 om 40 tot 50
nieuwe gezinnen per decennium, die zich hier
vestigden. Het bevolkingsaantal nam dan ook enorm
toe: in Echten zelfs van 124 in 1796 tot ruim 900
(!) in 1850. De oorspronkelijk Friese
boerenbevolking was in 1850 een minderheid geworden.
Ook op
sociaal-economisch gebied waren de ontwikkelingen
zeer ingrijpend. Naast de hoofdzakelijk
boerenbevolking, die langs de weg in het noorden van
Oosterzee en Echten woonde, kwam er een nieuwe
beroepsgroep in Lemsterland, die een eigen sociale
structuur kende. Bovenaan in de hiërarchie stonden
de veenbazen, kleine werkgevers, die soms vrij
kapitaalkrachtig waren. Zij brachten werkgelegenheid
en dus enige welvaart aan de turfmakers en
arbeiders. Naarmate er echter meer migranten naar
Lemsterland trokken en het veen steeds schaarser
werd, met name na 1825 toen het hoogtepunt in de
veengraverij in dit gebied was bereikt, nam de
armoede onder de veenwerkers sterk toe. Dit leidde
tot ontevredenheid en o.a. tot stakingen in 1831,
1838, 1872 en enkele malen in de jaren tachtig en
negentig van de 19de eeuw. Deze
ontevredenheid is de voedingsbodem geweest voor de
opkomst van het socialisme.
Het onderscheid tussen
de veenbazen en de overige veenwerkers was
aanzienlijk en werd zelfs groter in de loop der
jaren. In dit verband is het opmerkelijk dat de
turfmakers als beroepsgroep in de 2e
helft van de 19de eeuw langzamerhand
verdween. Waarschijnlijk was dit het gevolg van de
toenemende armoede onder alle veenwerkers en
daardoor sociale degradatie van het beroep
turfmaker.
De sociale integratie
van de veenbazen met de autochtone bevolking verliep
veel gemakkelijker en sneller dan bij de
veenarbeiders. De woonbazen woonden en gingen naar
de kerk in dezelfde buurt als de autochtone Friezen.
Bovendien werden velen na verloop van tijd
veehouders – net als de autochtone Friezen – en
verder o.a. winkelier of handelaar. De veenarbeiders
leefden grotendeels vrij geïsoleerd in het
veengebied en hadden daardoor weinig contact met de
boeren- en veenbazensamenleving langs de Hoofdweg.
Wel was de onderlinge gemeenschapszin zeer groot. De
gemeenschappelijke (Gieterse) herkomst, de
onderlinge verwantschap (turfgravers trouwden met
turfgravers), de gemeenschappelijke armoede en de
economische afhankelijkheid van de veenbazen hebben
ongetwijfeld daar aan meegewerkt.
Het begin van de
vervening in Lemsterland.
Sommige families
werden in hun immigratiegebied zeer uitgebreid,
zoals Slump, waarvan in 1947 meer dan 100
naamdragers in Lemsterland woonden. Andere families
werden in het begin heel groot, maar schrompelden
daarna weer in door het gebrek aan mannelijke
nazaten, zoals bijvoorbeeld de familie Muurling.
Sociaal gezien handhaafden de geslachten van
veenbazen zich beter in Lemsterland dan die van de
turfmakers/veenarbeiders. Voorbeelden zijn Slump,
Muurling, Klijnsma en Pen.
Verschillende veenbazen trouwden met partners uit
hetzelfde milieu, zoals de familie Pen,
waarvan dochters trouwden met leden van de
veenbazenfamilies Doeven en Rietveld.
Ook trachtten men zijn positie te verbeteren of in
ieder geval te handhaven door huwelijken met
veenopzichters en turfmeters, die een iets hogere
status hadden, zoals de huwelijken tussen Kluwer
en Van Eyck, Muurling-Van Eyck en
Klijnsma-Kluwer.
Een aantal families
was zeer succesvol en vaak zelfs rijk. Leden van de
familie Slump hadden naast hun veenbedrijf
ook veehouderijen of werden handelaar. Tot in de 20ste
eeuw kwamen in deze familie veenbazen voor. Leden
van de familie Muurling waren behoorlijk
rijk. Zowel de stamvader (Jochem Piers) als zes
zonen hadden – grote – veehouderijen. De dochters
trouwden met partners van vooraanstaande
veenbazenfamilies. Eén dochter trouwde met een
Wiarda. De familie Wiarda behoorde in die tijd
tot de gezeten geslachten van boeren en
"bijzitters"(bestuurders).
Verschillende nazaten
van families van turfbazen, turfmakers en arbeiders
wonen in De Lemmer. Wie zijn dat en hoe zijn deze
families daar gekomen? Daarvoor moeten we eerst
terug naar de begintijd van de vervening in
Lemsterland.
Omstreeks 1755 kwam
een zekere Bakker uit Kuinre naar Oosterzee
en we weten dat hij in 1756 in De Lemmer trouwde.
Hij kan beschouwd worden als één van de pioniers in
Lemsterland op het gebied van de turfgraverij. Na
hem volgden geleidelijk steeds meer verveners,
waarbij ik het op deze plaats alleen zal hebben over
hen, die voor dit verhaal van belang zijn, d.w.z.
zij die uiteindelijk in De Lemmer terechtkwamen.

Oosterzee.
De eerste twee
Giethoornse families, waarvan leden zich als
turfgravers in Oosterzee vestigden, waren Slump
en Muurling. Op 17 september 1766 kwam de
kerkelijke attestatie van Pieter Roelofs (Slump)
uit Giethoorn en werd hij ingeschreven als lidmaat
van de (Hervormde) kerk te Oosterzee en Echten. Zijn
zonen namen in 1811 de naam "Slump" aan, die in
Giethoorn ook reeds bekend was, maar in Friesland
tot 1811 niet meer werd gebruikt. Jochem Piers
Muurling gebruikte in tegenstelling tot Slump
wel vanaf zijn aankomst in Friesland zijn
achternaam. Hij kwam met zijn inmiddels derde vrouw
en kinderen omstreeks 1766 uit Schoterland waar hij
vanaf 1759 onder meer in St. Johannesga en
Rotsterhaule woonde.
Harmen Jans
Akkerman kwam vóór 1786 vanuit St. Johannesga
naar Oosterzee, maar was oorspronkelijk afkomstig
uit Wannerperveen, waar hij in 1768 was vertrokken.
In 1786 ging hij weer terug naar St. Johannesga,
waar hij in 1796 overleed. Een zoon, Jan Harmens
Akkerman, trouwde in 1797 met een meisje Marrigjen
Wychers Slump en hij woonde omstreeks 1810 in
Oosterzee.
In de jaren negentig
van de 19de eeuw nam de migratie
aanzienlijk toe: ongeveer 25 nieuwe gezinnen gingen
in Oosterzee wonen. Ook nu kwamen veel personen uit
Giethoorn, maar een grotere groep kwam van elders,
met name uit de andere Friese laagveengebieden,
zoals Haskerland, St. Johannesga en omgeving en
Aengwirden. Willem Sietses (van der Wal)
verhuisde in 1793 uit Heerenveen naar Oosterzee.
De immigratie van
turfgravers bereikte in de eerste tien jaren van de
19de eeuw een hoogtepunt. Circa 50
gezinnen, ongeveer even veel als in de 35 jaar
daarvoor, zochten in dit decennium een broodwinning
in Oosterzee en Echten. Iets meer dan de helft
hiervan kwam in de periode 1800-1805 in deze streek
aan. Nu was vooral Echten in trek.
De rechtstreeks
immigratie uit Giethoorn was in de periode 1800-1810
vrijwel nihil. Wel kwam een groot aantal turfgravers
van Giethoornse afkomst uit St. Johannesga naar
Lemsterland, onder meer de families
Ruiter-Muurling (1803), Oord-Muurling
(1811), Ter Hoeve en Poepjes (1805).
Daarnaast arriveerden verschillende turfgravers uit
St. Johannesga, van wie de Giethoornse afkomst niet
zeker is, zoals bijvoorbeeld Hoekstra (1804).
Het meest opvallend
was echter de stroom migranten uit Muggenbeet en
Kalenberg, die in deze periode voor het eerst goed
op gang kwam. Uit Muggenbeet kwamen de familie
Vaartjes (1806), de gebroeders Kleis Alberts en
Albert Alberts Huisman (resp. 1805 en 1809).
Uit de buurt van Oldemarkt kwam De Hey/Hei
(Follega 1800). Maar Klijnsma kwam in
1803 uit Wolvega
De immigratie bleef
vanaf 1810 tot ongeveer 1840 op een hoog peil. Per
decennium kwamen er 40 tot 50 nieuwe gezinnen in
Oosterzee en Echten bij. Maar na 1840 nam de
toestroom vrij abrupt af. In de jaren veertig van de
19de eeuw was het aantal nieuw binnen
gekomen en ongeveer 20, waaronder bovendien zich een
aantal leden van reeds gevestigde families bevond,
zoals Vaartjes (1812) en Huisman
(1813). Een nieuwe naam in Lemsterland was Jonker
(Kalenberg, vóór 1818).
In de periode na 1821
tot 1850 kwam de emigratie uit Giethoorn geheel tot
stilstand; de laatste die uit deze plaats in
Lemsterland arriveerde, was Gerrit Jans Wind.
Uit het noorden van Overijssel kwam echter Kooi
met een aantal gezinnen (in 1835). Ook uit
Haskerland (Oudehaske) vertrokken turfgravers naar
Oosterzee om daar hun geluk te beproeven, zoals b.v.
Kuiper(s) (1805).
Het was opmerkelijk
dat de turfgravers in het algemeen kort verbleven in
Oosterzee en Echten, maar dat gebeurde ook in de
andere veengebieden; de geografische mobiliteit was
dus groot. Toch bleef een flink aantal families in
Lemsterland wonen en zorgden soms voor een
uitgebreid nageslacht. "Blijvers" waren De Hey,
Huisman, Jonker, Klijnsma,
Kooi, Luik/Loek, Meester (na
1850), Meijer, Pen, Smink,
Vaartjes en Wind.
De mensen die in de
turfgraverij werkten, waren te verdelen in drie
categorieën: veenbazen, turfmakers en arbeiders. De
veenbazen (turfbazen of turfboeren) waren kleine
ondernemers met een eigen bedrijf, die turf
verhandelden en personeel hadden. Vaak combineerden
zij de veenderij met andere beroepen, met name met
agrarische- en handelsactiviteiten. Veel veenbazen
hadden een winkel, waar het personeel meestal
verplicht was inkopen te doen. De turfmakers waren
belast met het drogen, het voor vervoer klaarmaken
en het laden van de turf. Vaak ook verzorgden zij de
huisvesting van de losse arbeiders en vervulden
tussen een tussenfunctie tussen veenbaas en
veenarbeider. Aanvankelijk werden ze als een elite
onder de veenarbeiders beschouwd, maar in de loop
van de 19de eeuw nam het verschil tussen
turfmakers en –arbeiders af. De turfmaker was meer
afhankelijk van en minder vijandig gezind tegenover
de veenbaas dan de veenarbeiders, bij wie het vrij
regelmatig tot stakingen kwam.
De (losse)
veenarbeider (turftrekker, baggelaar), deed het
zware baggerwerk en werkte meestal in groepen van
twee, soms in groepen van vijf tot zes man. Een
veenbaas had gemiddeld drie turfmakers en zeven
arbeiders in dienst. In 1850 werkten er in Echten 11
veenbazen, 37 turfmakers en 84 arbeiders.
De turfbazen en
-makers.
In 1850 jaar woonden
er in Oosterzee en Echten ongeveer 2000 mensen in
385 huishoudens. Hiervan leefden niet minder dan 210
gezinnen van de turfgraverij, d.w.z. meer dan de
helft.
De autochtone
bevolking van Lemsterland bestond voornamelijk uit
boeren, maar er woonden ook ambachtslieden, zoals
houtzagers en timmerlieden. Voorts woonden er
kooplieden, middenstanders, schippers en
binnenvissers.
De omstandigheden
waaronder de verveners woonden en leefden waren wel
heel verschillend. De veenbazen waren over het
algemeen vrij kapitaalkrachtig en zij bezaten dan
ook vaak huizen en landerijen. Zij woonden tussen de
boeren langs de Hoofdweg, het Krompad en bij de Pier
Christiaan Sloot. In het veengebied waren de
woonhuizen van de veenbazen niet te vinden, dat
vonden ze te min.
De turfmakers en de
veenarbeiders woonden wel uitsluitend in het
veengebied. De woonomstandigheden van deze mensen
waren niet al te best te noemen. De turfmakers
woonde in zogenaamde turfmakerstenten. Deze waren
zonder funderingen en van hout opgetrokken en hadden
twee vertrekken. De (losse) veenarbeiders waren in
zogenaamde trekkerstenten ondergebracht, een soort
bijgebouwen achter de turfmakerstenten. Deze
ruimten, vijf bij vijf meter, waren bestemd voor
twaalf (!) mensen. In het midden brandde een vuur,
dat zorgde voor ondraaglijk veel rook. Voort
krioelde het van ongedierte. Veel arbeiders leden
aan ziekten (o.a. reuma) en stierven jong.
Trok men verder het
veengebied in, dan werden de "tenten" afgebrand in
plaats van ze af te breken of te verkopen.



Tekening
van Jacob Drent: Lange turf graven.
Er was vaak onrust in
de veengebieden, ik schreef daar eerder over. Ook in
1831 was dat weer eens het geval. Eind april van dat
jaar waren in Echten ongeveer duizend
"vreemdelingen" gearriveerd, om daar in het voorhaar
in de veenderijen te werken en daarna bij de boeren
gras te maaien. Die "vreemdelingen" konden het
echter niet eens worden met de veenbazen over hun
loon. De arbeiders begonnen te staken en dagelijks
liepen troepen van twee tot driehonderd jaar door
het gebied. De ingezetenen van Lemsterland waren
hier niet erg blij mee. Ook de werkwilligen die
bedreigd werden moesten op den duur het werk staken.
De gouverneur van Friesland riep daarop militaire
hulp in en op 3 mei 1831 marcheerde een detachement
van drie officieren en 102 soldaten van de Friese
mobiele schutterij naar De Lemmer. En of dat nog
niet genoeg was kwamen er ook nog eens extra 25
kurassiers uit Arnhem naar Lemsterland om het
geboefte mores te leren. De commandant van de
schutterij gaf bevel, de zes belangrijkste
oproerkraaiers te arresteren, waarbij hij meedeelde
dat vooral het "vreemde arbeidersvolk" als de
aanstichters van de ongeregeldheden moesten worden
gezien. En wanneer deze aanstichters niet snel
verdwenen, zouden er nog meer mensen worden
opgepakt. Maar niets hielp en daarop werden nog eens
elf "rebelliemakers" gearresteerd. Alle arbeiders
van buiten Friesland werden daarna uit Lemsterland
verbannen. Op 9 mei 1831 was alles weer rustig. Ook
in de andere veengebieden in de streek vonden
regelmatig stakingen plaats, meestal om hogere lonen
te eisen, zoals in 1838, 1840, 1868 en 1872. Op den
duur werd er in de grote veenpolder van
Weststellingwerf bijna ieder jaar gestaakt.
Daarnaast was er sprake van hongeroproeren en
massale bedeltochten, meestal vanuit de kleinere
dorpen naar de grotere plaatsen, waar de
bestuurscentra waren gevestigd.
Maar we gaan weer
verder met onze turffamilies. Van de dertien
turfbazen in 1850 in Oosterzee en Echten kwamen
negen oorspronkelijk uit de omgeving van
Muggenbeet/Nederland/Wetering en Kalenberg. Uit
Nederland en Wetering kwamen de families
Kooij/Kooi en Pen. De veenbaas Koop Koops
Kooij (geboren in 1808) kwam uit Nederland en
had eerst gewoond in Weststellingwerf (Spanga). Vóór
1834 kwam hij naar Lemsterland, waar hij zich als
veenbaas in Oosterzee aan de Kooijsloot (0165)
vestigde. In 1838 kocht hij een perceel weiland bij
Oosterzee van de familie Van Andringa de Kempenaer,
om er turf te gaan graven. Daarnaast kwamen ook
andere leden van de familie Kooij als turfmaker naar
Echten, maar deze waren van Kalenberg afkomstig,
zoals Bartele Gerrits en Dirk Gerrits.
De familie Pen
was met meerdere gezinnen in Echten
vertegenwoordigd. De familie werd het eerst in deze
omgeving gesignaleerd, toen Geert Jans Pen, geboren
in 1750 in Wetering, in 1811 in Oosterzee zijn
achternaam aannam. Hij had toen tien kinderen, t.w.
Femmigje (28); Geesjen (26); Jan (25); Lammigje
(23); Grietje (21); Hendrik (18); Geertjen (14);
Niesje (12); Aaltje (10) en Annigje (7). In 1850
woonde nog één dochter van hem in Echten, namelijk
Niesje (1799-1858), w.v. haar vóór 1850 overleden
man Jacob Bos turfmaker was geweest, o.a. in St.
Johannesga. De Echtener veenbazen in 1850, Lute (of
Luite) Folkerts (Volken) Pen (1809-1894) en Harmen
Folkerts (Volken) Pen (1806-1890) waren broers en
behoorden tot een andere tak van de familie Pen. Hun
vader Folkert (Volken) Harmens (1775-1857) was een
neef van bovengenoemde Geert Jans. Folkert, (die in
1811 in Spanga (mairie Sonnega) de achternaam "Pen"
zou aannemen) en was evenals zijn zonen veenbaas,
eerst in Wetering (Overijssel) en later in Spanga,
Weststellingwerf, waar hij vóór 1890 naar toe was
getrokken. In 1811 had Folkert vier kinderen:
Marrigje (9, Harmen (5), Lute (2) en Grietje, geb.
18 nov. 1811 )Zijn beide zonen Lute (Luite) en
Harmen waren daar geboren. Vóór 1836 woonden zij
echter beiden in Echten. Zij trouwden allebei op
dezelfde dag in 1833 in Weststellingwerf, Lute met
Sytske Lukas de Boer, Harmen met Antje Wybes Dijk.
Ook twee zusters woonden in Echten, namelijk Grietje
(1811) en Marrigje (1802-1848). Grietje trouwde in
1834 met Jacob Jacobs Doeven (1812) en woonde aan de
Zwartedijk (E99). Hij kwam uit Kalenberg. Ook
Doeven behoorde tot de groep veenbazen. Beide
families werden tot de elite onder de turfgravers
gerekend.
Bekende veenbazen
waren ook De Haan, Klijnsma en
Muurling. Roel Tyses de Haan en zijn
zoon Dirk Roelofs de Haan (1801-1889) waren beide
veenbaas. Vader Roel nam in 1811 de achternaam De
Haan aan in Delfstrahuizen. Dirk woonde tot 1829 in
Scherpenzeel, waarna hij naar Oosterzee kwam en daar
ging wonen in huis O124. Hij trouwde in 1821 met een
meisje uit een autochtone Oosterzeese familie,
namelijk met Tettje Jans Koopmans.
De Klijnsma’s
waren uit Wolvega afkomstig, vanwaar Meine Sints
(1756-1826) in 1785 naar Delfstrahuizen en vandaar
vóór 1803 naar Echten vertrok. Hij was veenbaas en
lid van de grietenijraad van Lemsterland. Van zijn
zeven zonen werden er ook drie veenbaas. In 1850 was
één hiervan, Albert Meines (1792-1875) nog in leven.
Hij woonde toen als weduwnaar in huis E43 aan de
Hoofdweg. Hij was een belangrijk man voor
Lemsterland. Behalve als lid van de grietenijraad
was hij ook mede-oprichter van de Veenpolder van
Echten. Ook de naam Klijnsma’s Vaart is van hem
afkomstig; hij liet deze meest oostelijk gelegen
turfvaart graven. In de latere generaties kwam het
beroep van veenbaas of turfmaker in deze familie
vrijwel niet meer voor. De turf raakte op en de
zonen van Albert Meines werden veehouder en koopman.
Alleen een kleinzoon, Anne Meines (1855-1881) werd
nog veenbaas.
Van een andere –
welgestelde – familie, Muurling, zijn een
aantal leden in De Lemmer terechtgekomen. In
Lemsterland woonden op een bepaald ogenblik drie
geslachten Muurling. Twee behoorden tot
turfgraversfamilies, maar een familierelatie tussen
deze twee is (zover ik kan nagaan) nog niet
aangetoond. Een derde familie Muurling woonde al
vanaf 1693 in De Lemmer en kwam uit Heerenveen, waar
Pier Jochems (ca. 1640-) politiedienaar was. Zijn
zoon Jochem Piers (1666-1709) was chirurgijn en
degene die naar De Lemmer vertrok. Zijn nakomelingen
werden daar o.a. chirurgijn, grutter en in de 19de
eeuw een hoogleraar in Franeker, later Groningen.
Er was nog een Jochem
Piers (1719-1809). Hij was een zoon van Pier of
Pieter Jochems Muirlinck, die omstreeks 1690 moet
zijn geboren. In 1759 vertrok Jochem met zijn tweede
vrouw, Marchje Arends Kuiper, en zes kinderen naar
Schoterland, waar hij eerst in Rottum en in 1760 in
St. Johannesga ging wonen. Hij was behalve vervener
ook landbouwer. Aanvankelijk kon hij zijn draai niet
vinden in het Friese veengebied. Hij vertrok al in
1761 naar Haskerland, maar een jaar later verhuisde
hij naar Rotsterhaule in Schoterland. Tot overmaat
van ramp stierf zijn vrouw in februari 1763, hem
achterlatende met inmiddels zeven kinderen. Maar in
hetzelfde jaar hertrouwde hij, nu met een Giethoorns
meise, Lammigje Coops Bunt. In 1766 besloot Jochem
naar Oosterzee te gaan, waar toen nog vrijwel geen
turfgravers waren. Hij kreeg in totaal zeventien
kinderen, maar dat maakte Jochem niets uit, want hij
was vrij welgesteld; in 1796 behoorde hij in
Lemsterland tot de hoogst aangeslagenen. Hij
behoorde in die jaren tot één van de grootste
boeren en eigenaren in Oosterzee. In 1809 overleed
hij ongeveer 90 jaar oud.
Zijn zoons hebben van
deze welstand geprofiteerd. Zijn oudste zoon, Arend
(1749-1804), getrouwd met Alyth Ages Hattinga,
behoorde tot de middelgrote boeren in de streek. De
tweede zoon, Pier, getrouwd met Jantje Jans Kaper
uit Giethoorn, had ook een behoorlijk boerenbedrijf.
De derde zoon, Albert Jochems (1755-1827) had een
zee kleine boerderij. In 1800 verhuisde hij naar De
Lemmer.
Ook de zonen Willem
(1757-1827/1832), Claus (1760-1837) en Coop
(1766-1830/1834) hadden boerenbedrijven.
Opmerkelijk is, dat
deze eertijds grote en zelfs welgestelde familie,
waarvan de meeste leden veehouder werden en
waarschijnlijk daarnaast als veenbaas opereerden, in
de loop der jaren ineenschrompelde tot een zeer
kleine familie. In 1947 werden in Lemsterland nog 42
naamdragers geteld, maar deze waren merendeels
nakomelingen van een tweede familie Muurling,
waarvan de stamvader Gerrit Jacobs (circa 1755-1815)
is. Hij dook voor het eerst op in Echten, maar van
zijn voorouders of van een genealogische relatie met
Jochem Piers is niets bekend.
Nog
meer turfgravers families in Lemsterland
Een belangrijke
turfgraversfamilie was Slump. Pieter Roelofs
Slump, geboren circa 1715, vestigde zich in 1766 in
Oosterzee en liet zich op 17 september 1766 van de
kerk in Giethoorn overschrijven naar de kerk in
Oosterzee. Hoewel hij niet onbemiddeld was besloot
hij toch te emigreren, in dit geval naar Oosterzee.
Toe hij daar arriveerde was hij rond de vijftig jaar
oud. Zijn voornaam werd verfriesd tot Pytter en zijn
achternaam gebruikte hij niet meer. Hij volstond met
het gebruiken van zijn patroniem, zoals dat in
Friesland toen nog gewoon was. Hij heeft heel lang
in Oosterzee gewoond; in 1796 verhuisde hij van
huisnummer 7 naar het huis ernaast, nummer 7b,
afkomstig van Jan Westerhof. Zijn zoon Jan Pieters
ging toen op het eerste adres wonen. Hij had veel
kinderen en kleinkinderen. Zijn zonen Roelof,
Hendrik, Harmen, Wouter en Jan vestigden zich, toen
ze volwassen werden, ook in Oosterzee en Echten.
Zijn oudste zoon, Roelof Pytters (1743-1814) trouwde
vóór 1775 met een Fries meisje, Eelkje Hanses.
Roelof was naast vervener ook veehouder. In 1802
trouwde hij voor de tweede maal, nu met een meisje
uit Overijssel. In 1811 liet hij evenals zijn broers
Hendrik en Harmen de reeds in Giethoorn bestaande
achternaam Slump vastleggen. De herkomst en
betekenis van de naam is onduidelijk. Ook zijn broer
Hendrik trouwde twee maal. Hij was veehouder en
tamelijk welvarend. En ook de derde zoon, Harmen,
was veehouder en, het wordt vervelend, trouwde
tweemaal. Hij zorgde voor een uitgebreid nageslacht.
Harmen is dan ook de stamvader van de grootste
Lemsterlandse tak. Eén van zijn kinderen, Jan
Harmens Slump, in 1880 in Echten geboren, werd
vervener en was vanaf 1907 lid van de gemeenteraad
voor de CHU. Vanaf 1919 was hij wethouder en van
1931 tot zijn plotselinge door als gevolg van een
auto-ongeluk in 1934 burgemeester van Lemsterland.
Hij was tevens lid en voorzitter van de Veenpolder
van Echten. Hij was met zijn zoon Harmen (1904-1960)
één van de weinigen die in de 20ste eeuw
nog vervener waren.

Roelofje Slump.
In Oosterzee en Echten
woonden ruim zestig turfgraversfamilies. Op enkele
van deze families volgt hieronder wat informatie,
t.w. de families Huisman, Oord, Schippers,
Vaartjes, Wever en Wind.
In 1850 woonden van de
familie Huisman vier gezinnen in Echten. .
Eén gezinshoofd was turfmaker, een ander koemelker,
later vervener, een derde was boer en een vierde
arbeider. Zij kwamen uit Wetering, Nederland en
Kalenberg. De eerste families die zich in Echten
vestigden, waren die van Kleis Alberts (geboren in
1778 in Nederland) en Albert Alberts Huisman
(Nederland 1780). De oudste zoon van Kleis Alberts,
Albert Kleises (Echten 1805) was in 1850 koemelker
en woonde aan de Bandsloot (E170), maar verhuisde
later naar Oosterzee en werd toen vervener. Hij was
twee keer getrouwd, beide keren met een dochten van
Folkert Pen. De oudste zoon van Albert Alberts
heette ook Albert Alberts (1810-1864) en was in 1850
"opgeklommen" tot boer en had zijn boerenbedrijf ook
aan de Bandsloot (E137). De overige leden van de
familie Huisman waren van een andere tak. De eerste
was Hendrik Jans Huisman, geboren in Wetering in
1780 en getrouwd met Margje Luiten Jetten,
een dochter van een bekende turfmaker. Hij was
turfmaker en woonde tot 1854 in Echten (E139) en
daarna in Oosterzee (O137). Tenslotte was er nog
Hendrik Cornelis Huisman (Scheerwolde, 1823), die
arbeider was en een "vaartuig" bewoonde.

Jacobus Huisman,
een nazaat.
De turfgraversfamilie
Oord in Lemsterland was grotendeels afkomstig
uit St. Johannesga en Rotsterhaule. De eerste die
zich in Lemsterland vestigde was Jacob Jans, die in
1805 in Rotsterhaule woonde, terwijl hij vanaf 1807
in Lemsterland werd gesignaleerd. Hij trouwde met
Marchje Piers Muurling, een dochter van Pier
Jochems Muurling. De familie Oord kwam uit
Giethoorn, vanwaar Jan Wolters Oord zich vanaf 1781
in St. Johannesga en Rotsterhaule vestigde. Van
hieruit kwamen nazaten nà 1807 naar Lemsterland,
eerst in Eesterga en vanaf 1811 in Echten. In 1850
woonden zes gezinnen Oord in Oosterzee en Echten.
Twee gezinshoofden waren turfmakers, de rest
arbeiders. De weduwe van Andries Jans Oord die in
1785 werd geboren stond te boek als turfmaker en
woonde aan de Zwartedijk (E119), terwijl haar zoon
Jan, die in 1810 in St. Johannesga werd geboren in
Oosterzee als arbeider zijn brood verdiende. De
andere turfmaker in deze familie was Gerrit Oord,
die vanaf 1852 aan de Kooijsloot (E183) kwam te
wonen en die in 1813 in Echten was geboren. De
familie Oord is altijd in Lemsterland (én in De
Lemmer) blijven wonen.
De familie
Schipper(s) telde vier turfgraversgezinnen in
Lemsterland in 1850; drie gezinshoofden, namelijk
Roelof (1801), Jacob (1800) en Albert (1814) waren
turfmaker en één was arbeider. De vader, Klaas
Roelofs Schipper, was de eerste die in Lemsterland
verscheen, namelijk op 20 december 1801 toen hij met
Jantje Geerts Jonker in De Lemmer trouwde.
Zij vestigden zich eerst in Follega en kwamen vanaf
1806 in Echten wonen. In 1801 woonde er trouwens nog
een Schippers in Follega, namelijk Roelof Jans, die
getrouwd was met Frije Jans van der Meer. De familie
Schipper(s) vermenigvuldigde zich aanzienlijk in
Lemsterland.
De familie
Vaartjes, ook wel Vaatjes genoemd, was in 1850
de meest omvangrijke turfgraversfamilie in
Lemsterland; tenminste acht gezinnen droegen deze
naam. Hiervan woonde het merendeel in Echten; twee
gezinnen hadden hun domicilie in Oosterzee. Zes
gezinshoofden waren turfmaker. De familie had een
bepaald aanzien in de vervenerswereld, want drie
meisjes waren met veenbazen getrouwd, waarvan er
zelfs één met een opzichter van de veenderijen (Kluwer).
De eerste Vaartjes die zijn geluk ging beproeven in
Oosterzee was Evert Harms die omstreeks 1805 in deze
plaats kwam wonen. De meeste Vaartjes woonden aan de
Bandsloot en de Kooijsloot. Ook deze familie kende
een aanzienlijke uitbreiding.
Wolter Beernts
Wever, van Wanneperveense afkomst, vestigde zich
in 1769 eerst in Oudehaske en in 1785 in
Schoterland. Vanaf 1817 kwamen de eerste Wevers naar
Lemsterland en in 1850 leefden in dit gebied vier
turfgraversgezinnen Wever, waarvan drie
gezinshoofden, Gerrit Wolters (1780), zijn zoon
Harmen (1811) en nog een Harmen (ook 1811),
turfmaker waren. Vader en zoon woonden in Echten,
respectievelijk op de Kommissiepolle (E113) en aan
de Kooijsloot (E 180). Laatstgenoemde Harmen Wever
woonde aan de Oosterzeese Veld (O152). De in 1850
70-jarige Gerrit Wolters was het vijfde kind van het
omstreeks 1771 naar Haskerland geëmigreerde echtpaar
Wouter Beernts Weever en Aaltje Roelofs Krol. Ook
deze familie heeft zich goed gehandhaafd in
Lemsterland.
De familie Wind
kwam zowel uit Nederland als uit Giethoorn. In 1818
liet de uit Nederland afkomstige Abraham Jans Wind
zich kerkelijk overschrijven van Blokzijl naar
Oosterzee en Echten. Daarnaast vestigde in 1821
Geert Jans Wind uit Giethoorn zich in deze gemeente.
Hij vertrok echter na vijf jaar naar Munnikeburen.
In 1850 woonde vooral nakomelingen van Abraham in
Echten. Zowel Hendrik Abrahams Wind (1798) als de
weduwe Wind-De Groot (1792) behoorden tot de groep
van arbeiders. Ze hadden beiden een huis aan de
Zwartedijk, (E76) en E78). Deze familie is zeer
omvangrijk geworden in Lemsterland.
De families Poepjes
zijn waarschijnlijk vanuit Duitsland via Overijssel
in Lemsterland terechtgekomen. De achternaam Poepjes
duidt op die Duitse afkomst ("poep"=duitser). In
1774 worden ze (althans Jacob Jans) in Oudehaske
(Haskerland) gesignaleerd en in 1805 in Lemsterland.
Ze werkten in het veen, maar leden van die families
waren ook boer en binnenvissers. Omstreeks 1900
gingen ze meer en meer op de Zuiderzee vissen. Als
stamvader wordt beschouwd Hans Poepjes, die met zijn
vrouw Geertje tien kinderen kreeg: acht zonen en
twee dochters.Hans was boer. De zonen waren Arend,
Jacob, Lykele, Douwe, Klaas, Pieter, Jan en
Johannes, de dochters Klaasje en Renske. Zeven zonen
werden actief in de Zuiderzeevisserij, één (Jacob
Poepjes) volgde zijn vader op als boer, en van de
zeven werd één (Douwe Poepjes) later actief in de
vishandel. Verder verwijs ik naar hetgeen over de
Poepjes is geschreven in het boek van Peter Dorleijn
(Van gaand en staand want – Vollenhove en De
Lemmer) en naar hetgeen elders op deze website
is geschreven over deze familie)
De Toering-familie
komt uit Giethoorn en de leden werden vanaf 1758
gesignaleerd in Haskerland, toen Hendrik Harmens
Toering naar Oudehaske trok. In 1760 was hij
arbeider bij Foppe Jans. Van 1777 tot 1778 en vanaf
1799 komen we Toerings tegen in St. Johannesga en
Rotsterhaule (Schoterland). In 1811 nam Harmen Jans
in St. Johannesga de achternaam Toering aan. Harmen
had toen 7 kinderen: Jan (9), Wieger (5), Hendrikje
(18), Aaltje (12), Geertje (7), Berentje (2) en
Jouke (2). Leden van de familie waren vooral actief
in de binnenvisserij, niet alleen in de omgeving van
Eernewoude, maar in heel Friesland. Naast
binnenvissers waren ze soms ook rietsnijders. Rond
1890 trokken de Toerings vanuit Eernewoude naar De
Lemmer om daar de Zuiderzeevisserij te gaan
beoefenen. Ook in dit geval verwijs ik naar het boek
van Peter Dorleijn en naar het verhaal over de
Toerings op deze site.
Rond 1750 trokken
leden van de familie Vleer vanuit Noord-West
Overijssel naar Friesland om daar actief te worden
in de turfwinning. Het is niet uitgesloten dat de
familie een Duitse oorsprong heeft. Oudst bekende
Vleer is Hendrik Jans Vleer, geboren circa 1720 en
overleden in Rotsterhaule in 1811 (hij werd toen
Fleer genoemd) en getrouwd met Pyttje Reins. Zijn
zoon Andries Hendriks Vleer, geboren in juni 1769 in
De Polle (Schoterland) (ged. in St.
Johannesga/Delfstrahuizen op 18 juni 1769 en overl.
in De Lemmer 15 maart 1821 was op 13 jan. 1793 in
Lemmer getrouwd met Elizabeth Klazes de Vries, geb.
circa. 1770. Kinderen werden allemaal in Lemmer
geboren. Hun zoon Klaas Andries Fleer (zie ook
Hendrik Vleer)
was geboren op 15 dec. 1801 in De Lemmer en op 8
juni 1828 daar getrouwd met Antje Andries Riemersma.
Hun zoon Andries Klazes Fleer was geboren op 11
augustus.1830 en op 10 juli 1859 getrouwd met
Grietje Jans Stuurman. Hun zoon Jan Fleer, geb. op
27 april 1864 tr. op 20 aug. 1886 met Grietje van
der Goot. Hun zoon Andries Fleer werd geboren op 11
febr. 1888. Voer met de LE 21.
Voorts kwamen de
volgende families uit Overijssel in Lemsterland
terecht: Dragt, Drent(h), Euverman,
(De) Hey/Hei, Helfferich (van oosprong uit
Duitsland), Ten Hoeve, Hollander, Jonker,
Koning, Krol, Loek (Luik), Meester, Meyer, Mink,
Noppert, Prins, Schokker, Scholte(n),
Sloothaak, Smink, Van der Wal, Wever, De Wilde.
Ook de familie Blaau(w) komt waarschijnlijk
uit Overijssel (Giethoorn).
De voorouders van mijn
moeder (Visser) kwamen eveneens uit
Oosterzee. De stamvader, Johannes Kleizes, een boer,
woonde omstreeks 1700 in dit dorp. Hij trouwde
tweemaal, de eerste keer in 1716 met Bottje Eises en
in 1728 met Froukje Andries uit Nijehaske. Zijn
zoon, Kleis Johannes, geboren in 1727 in Oosterzee,
werd schipper en trouwde in 1750 met Geertjen Jans
uit Delfstrahuizen. Ook zijn zoon, Jan Kleizes,
geboren in 1752 in Delfstrahuizen, was schipper. Hij
trouwde in 1774 in Echten met Lammigje Jans
Lammerts. Jan Kleizes nam, net als zijn zoon Kleis
Jans, in 1811 de achternaam "Visser" aan. Het is
mogelijk dat Jan ook binnenvisser is geweest, want
anders is geen verklaring voor deze achternaam te
geven. Kleis Jans Visser, geboren in 1779 in Echten,
was wederom schipper, maar ook winkelier. Hij
trouwde in 1811 met Grietje Taekes de Boer.
In 1852 verhuisde zijn zoon, Lammert Kleizes Visser
naar De Lemmer, toen hij in dat jaar trouwde met
Albertje Nolkes Hoekstra. Lammert was zeeman.
Zijn zoon, mijn overgrootvader, Kleis Lammerts
Visser, geboren in De Lemmer in 1852 zou de eerste
Zuiderzeevisser in de familie worden.

Jacob van Kleis
Visser.
Leden van
turfgraversfamilies trouwden heel veel met leden van
andere turfgraversfamilies. Wat voorbeelden.
Grietje Abrahams Wind trouwde met Klaas
Wiegers Mink, Wieger Klazes Mink met
Trijntje Harmens Drent, Grietje Mink met
Hendrik Strampel, Jan Harmens Akkerman
met Marrigjen Wychers Slump, Grietje Pen
met Jacob Jacobs Doeven, Dirk de
Haan met Tettje Jans Koopmans, Kleis
Alberts Huisman twee keer met een dochter van
Folkert Pen, Hendrik Huisman met
Marchje Jetten, Jacob Jans Oord met
Marchje Piers Muurling, Annigje Geerts Pen
met Jochem Willems Mast, Klaas Roelofs
Schippers met Jantje Geerts Jonker,
Harmen Egberts Kluwer met Margjen Everts
Vaartjes, en zo zou ik nog héél lang kunnen
doorgaan! Maar ook leden van Lemster families
trouwden met turfgraversfamilies. Zo trouwde in 1855
Hendrikjen Postma (dochter van Peke Herres
Postma en Tjitske Stevens Visser, dus
familie van Roelie) met Willem Jannes Strampel,
turfmaker en lid van een bekende turfmakersfamilie
in Oosterzee/Echten. Willem was in 1832 in Echten
geboren. Jurjen Bootsma (weer familie van
Roelie) trouwde in 1879 met Zwaantje Helfferich.
De familie Helfferich is afkomstig uit Duitsland en
kwam via Leeuwarden omstreeks 1811 naar Sint
Johannesga (Schoterland) en tussen 1830 en 1835 naar
Lemsterland en later ook in Delfstrahuizen. Via
Zwaantje ben ik ook familie van Helfferich.
De volgende families
met een Overijsselse achtergrond woonden in 1928
(een willekeurig jaar) in De Lemmer. (Bron:
Adresboek 1928. Adressen en beroepen van alle
gezinshoofden in Friesland 1928)
|
Akkerman 3 x |
Klijnsma 2 x |
Oord 1
x |
|
Bakker
9 x, w.o. 3 vissers |
Knol 5
x |
Pen 3 x |
|
Dragt
1x |
Kok 9 x |
Poepjes
8 x, (vissers) |
|
Drent 1
x |
Koning
2 x |
Prins 2
x |
|
Euverman 1 x |
Kooi 1
x |
Schokker 1 x |
|
Fleer 3
x, w.o. 2 vissers |
Koopmans 9 x |
Scholte(n) 1 x |
|
De Haan
1 x |
Krol 1
x |
Sloothaak 1 x |
|
Hei 3 x |
Kuipers
8 x, w.o. 2 vissers |
Slump 1
x |
|
Hoekstra 8 x, w.o. 6 vissers |
Loek 1
x |
Smink 2
x |
|
Hoeve,
Ten 1 x |
Meester
1 x |
Toering
2 x (vissers) |
|
Hollander 2 x |
Meyer 5
x |
Vaartjes 1 x |
|
Huisman
3 x |
Mink 1
x |
Wal,
van der 5 x |
|
Jong,
De 36 x, w.o. 4 vissers |
Muurling 2 x, w.o. 1 visser |
Wever 1
x |
|
Jonker
1 x |
Noppert
1 x |
Wilde,
de 1 x |
|
Wind 1
x |
|
|
Samenvattend kan
worden vastgesteld, dat veel Overijsselse
migrantenfamilies zich in de loop der tijden een
permanente positie in Lemsterland en vooral ook in
De Lemmer hebben verworven. Bovenstaand, uiteraard
niet volledig, lijstje is daarvan een voorbeeld.
Veel families zijn verdwenen door verhuizing of door
gebrek aan mannelijke nakomelingen, maar andere zijn
voorgoed in De Lemmer gebleven. Veel van die
families zijn zich niet bewust van hun Overijsselse
afkomst. In ieder geval hebben alle
migrantenfamilies een levendig aandeel gehad in de
geschiedenis van en mede vorm gegeven aan het
Lemsterland, zoals we dat thans kennen.
(1)
Ingezonden reactie van Ali Wiarda: De naam
Wiarda is niet pas na 1811 aangenomen. De Wiarda's
van Lemsterland droegen deze naam al lang, maar net
als bij de meeste andere mensen was het in het
dagelijks gebruik Rein Jentjes, Jentje Jackles,
Jackle Jentjes, Jencke Jakles enz. In de kerkelijke
en andere stukken wisselt het gebruik van
de voornamen en het gebruik van de achternaam af.
De naam Wiarda duikt steeds weer op. Maar bijna
alle Wiarda's waarbij van ongeveer 1350 de naam al
in de familie was, hebben hun naam wel rond 1811
laten registreren. Ze stammen echter allemaal uit
het geslacht Wiarda uit Goutum en ze droegen de naam
ook nog steeds.
Home |