Historie

Friesland

Lemmer

Welkom bij spanvis

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 

 

 


 

Van turfgraver tot visser.

Door Jaap van der Zwaag: Email: j.s.vanderzwaag@planet.

 

 
 

Onderstaand verhaal is bijzonder interessant voor hen die de volgende achternamen hebben:

Akkerman, Bakker, Dragt, Drent, Euverman, Fleer of Vleer, De Haan, Hei, Helfferich, Hoekstra, ten Hoeve, Hollander, Huisman, De Jong, Jonker, Klijnsma, Knol, Kok, Koning, Kooi of Kooy, Koopmans, Krol, Kuipers, Loek of Luik, Meester, Meyer, Mink, Muurling, Noppert, Oord, Pen, Poepjes, Prins, Schokker, Scholte, Sloothaak, Slump, Smink, Toering, Vaartjes, Van der Wal, Wever, De Wilde en Wind. Het zijn namen van families, die vanuit Overijssel via de veengebieden bij het Tjeukemeer (Echten/Oosterzee) tenslotte in De Lemmer terechtkwamen.

Turfgravers bezig met opgravingen van turf voor een kanaal.

Lemsterland overspoeld door Overijsselse migranten.

Omstreeks 1890 kwamen veel mensen, gedwongen door allerlei economische omstandigheden, naar De Lemmer om daar hun geluk te zoeken, in hoofdzaak in de Zuiderzeevisserij. Veel van die mensen kwamen uit het veengebied, gelegen aan de zuidzijde van het Tjeukemeer. Bij veel namen, die men tegenwoordig  in De Lemmer, denkt men niet meteen aan de oorsprong daarvan.

Toch zijn veel families van oorsprong niet afkomstig uit De Lemmer maar van buiten het dorp, uit Overijssel. In onderstaand verhaal wil ik dieper ingaan op dit fenomeen, waarbij ik uitvoerig gebruik heb gemaakt van "Groepsmigratie: Overijsselse turfgraversfamilies naar de Friese laagveengebieden.

In het bijzonder bekeken in Oosterzee en Echten, Lemsterland", geschreven door Jochem Kroes en gepubliceerd in Jaarboek CBG 1993, deel 48. Voorts heb ik o.a. informatie gebruikt van het Fries Archief in Leeuwarden, vooral wat betreft geboorten-, overlijdens- en huwelijksakten van besproken personen/families.

De vroegere grietenij Lemsterland was voor het midden van de 18de eeuw een dunbevolkte streek, bestaande uit vijf dorpen, de Lemster Vijfgae: Lemmer, Follega, Eesterga, Oosterzee en Echten. In de middeleeuwen hadden Oosterzee en Echten apart gestaan ten opzichte van de Lemmer-drie-dorpen: Lemmer, Eesterga en Follega. Vooral Oosterzee was een oude plaats en oorspronkelijk waarschijnlijk de belangrijkste nederzetting in deze streek met eigen grietmannen (Jauke en Christiaan Oosterzee), stinzen (Groot Roorda en Stijntjema), een waag en een rechtkamer.

De dorpsgebieden van Oosterzee en Echten bestonden grotendeels uit veengronden met een uiteenlopende dikte (60 tot 200 cm). Dit veengebied was vrijwel leeg en werd als moerassige hooilanden gebruikt. Voorts woonden er enkele kooikers (mensen die eendenkooien exploiteerden).

De autochtone bevolking woonde langs een weg, de "rijd wech", die van Lemmer via Oosterzee en Echten naar Delfstrahuizen en verder naar Heerenveen en Joure liep. Langs deze weg stonden in de 19de eeuw in Oosterzee 50 en in Echten ruim 20 huizen.

De beroepsbevolking bestond hoofdzakelijk uit boeren, die tot families behoorden, die hier reeds lang woonden, zoals de families Hattinga/Hottinga, Huitema, Samplonius, Huizinga, Wiarda (1), Lemstra, Ruardi, Bruinsma, Duim, (Van) Solkema, Koopman(s), Bosma en Huisinga. Behalve Lemstra kregen deze families pas na 1811 deze achternamen.

In de tweede helft van de 18de eeuw werd de winbare turf in het noordwesten van Overijssel schaarser, vooral in Wanneperveen, Vollenhove en Giethoorn. Deze achteruitgang was vooral merkbaar na 1759 en versterkte mate na de overstromingen in 1775 en 1776, toen veel land in plassen veranderde. Hoewel het zwaartepunt van de vervening in Overijssel inmiddels in noordelijke richting, naar de plaatsen Kalenberg, Muggenbeet en Nederland, was verschoven, was er een algemene teruggang te bespeuren in de turfproductie in N.W. Overijssel.

Een gevolg hiervan was, dat de Overijsselse turfgravers elders hun heil gingen zoeken en zo ontstond een trek van met name Giethoornse Wannerpveense verveners naar het Friese laagveengebied, waar volop (en relatief goedkope) veengrond aanwezig was. De eerste verveners verschenen na 1755 in met name St. Johannesga en Rotsterhaule in Schoterland en Oudehaske in Haskerland. Hoe gebeurde dat?

Gieterse veenbazen maakten aan het eind van de 18de eeuw orintatietochten naar Friesland om met behulp van een boor de bodem te onderzoeken. Beviel zon inspectie dan werd een paar percelen land aangekocht (of gepacht) en werd op proef verveend. Was het resultaat naar wens, dan vestigde men zich met zijn gezin in het gebied. Het grootste aantal migranten kwam uit Giethoorn met Wanneperveen op een goede tweede plaats. Die dorpen liepen dan ook bijna leeg in die jaren.

De specie, welke uit de sloten wordt gestoken, is zuivere turf.

 

 

De turfsnijder.

Het baggeren.

De veengronden bij het Tjeukemeer leenden zich uitstekend voor turfwinning. Eerst richtte de stroom turfgraversmigranten van uit Overijssel zich op het gebied tussen het Tjeukemeer en Heerenveen, met name het westen van Schoterland, rond St. Johannesga en Rotsterhaule, waar aanvankelijk Oudehaske de favoriete vestigingsplaats was.

Later trokken de turfgravers ook naar het westen van Weststellingwerf in de buurt van Scherpenzeel/Spanga, naar Lemsterland, eerst naar Oosterzee, later ook naar Echten. Vooral Oudehaske was bijzonder populair; tussen 1744 en 1796 verzesvoudigde de bevolking. De grote intocht in Lemsterland begon overigens pas rond 1800 toen de trek uit de dorpen in het uiterste noorden van Overijssel op gang kwam.  uit Overijssel, in het bijzonder uit Giethoorn en Wanneperveen.

De opkomst van de commercile turfgraverij in Lemsterland begon in Oosterzee; later trokken de turfgravers ook naar Echten. Voor de afvoer werden twee vaarten gegraven, die respectievelijk in het Tjeukemeer en in de Pier Christiaansloot uitkwamen, namelijk de Echter Sloot (de latere Middenvaart) en de Klijnmas Vaart, genoemd naar n van de belangrijke verveners ter plaatse. De bloeitijd van de vervening lag in Lemsterland in de periode 1800 tot 1840, met als absoluut topjaar 1825. Na 1840 daalde de productie.

Het veengebied in Lemsterland maakte in de tweede helft van de 18de, maar vooral in de eerste helft van de 19de eeuw een enorm ingrijpende ontwikkeling door. Als gevolg van grote aantallen vreemdelingen die het veen weggroeven en hiervan turf maakten, kende Lemsterland grote veranderingen van landschappelijke, demografische, sociaal-economische, sociaal-culturele en genealogische aard. Veranderingen die zijn weerga niet kenden.

Landschappelijk gezien veranderde het veengebied bij Oosterzee, dat altijd was gebruikt als extensief hooiland, in een bedrijvige wereld waar overal turfgravers bezig waren het natte veen op te baggeren. Dankzij overheidsingrijpen leidde de vervening niet tot het ontstaan van plassen, zoals dat voorheen overal was gebeurd, maar werden zogenaamde veenpolders gemaakt, die onder meer tot taak hadden de gronden te verbeteren en tot weidegronden ten behoeve van de veehouderij om te zetten.

Wat de bewoning betreft, vooral in het begin van de vervening streken de Overijsselse turfgravers overal neer, waarbij zij wel een zekere voorkeur voor de nabijheid van een sloot of weg vertoonden (Bandsloot en de Kooijsloot), maar het geheel vertoonde een rommelig en verspreid karakter.

Oosterzee en Echten veranderden enorm. Van rustige boerendorpen met een gezeten Friese bevolking werden het drukke migrantengemeenschappen. Eerst kwamen er enkelen, maar vanaf de jaren negentig van de 18de eeuw vestigden zich er tientallen gezinnen van Overijsselse afkomst. De immigratie had overigens vaak een niet-permanent karakter. Veel turfgravers bleven enkele jaren om zich vervolgen elders te vestigen, een typisch nomadengedrag, eigen aan turfgravers. Daarnaast kwamen er in Lemsterland in het voorjaar grote aantallen Duitse trekarbeiders, met name uit de omgeving van Osnabrck.

Aanvankelijk had de migratie een tijdelijk en verkennend karakter. De Overijsselse veenbazen waren kleine ondernemers, die hun toekomstig werkterrein eerst uitvoerig in ogenschouw wilden nemen, voordat zij er definitief aan de slag gingen.

Een ander aspect van tijdelijke vestiging was, dat als het veen en dus de werkgelegenheid minder werd, de bevolking opnieuw massaal op drift raakte. Dit was bijvoorbeeld het geval in Sint Johannesga, dat in de tweede helft van de 18de eeuw een geweldige ontwikkeling doormaakte.

Toen het veen er opraakte trokken de bewoners in het begin van de 19de eeuw weg naar andere veengebieden, zoals bijvoorbeeld Lemsterland. Na 1850 waren de migratiemogelijkheden in de veengebieden erg beperkt, zodat bijvoorbeeld in Lemsterland de (voormalige) turfgravers er "blijvers" werden en overstapten op andere bestaansmogelijkheden, met name in de agrarische sector.

In Oosterzee en Echten was dit proces van migratie in fasen goed zichtbaar. De eerste migranten kwam uit Giethoorn vr en rond 1800, gevolgd door turfgravers uit het uiterste noorden van Overijssel, met name uit Kalenberg, Muggenbeet en Nederland en omgeving. Een derde migrantenstroom beleefde nog weer iets later een hoogtepunt. Deze betrof de uit Overijssel afkomstige turfgravers uit St. Johannesga en Rotsterhaule.

 

 

Interieur van een turfgravershuisje.

 

De motieven van de eerste migranten werden behalve door economische redenen ook bepaald door de sociale en familierelaties van de migrant in zijn herkomstgebied. De meeste turfgravers kwamen uit Giethoorn, maar het maakte ook verschil of men daar bij elkaar in de buurt woonde of elkaar kende. Verschillende van de eerste emigranten naar Oosterzee kwamen uit de buurt van Dwarsgracht, zoals bijvoorbeeld Muurling en Slump. Ook huwelijksrelaties waren van groot belang, al werden deze niet in Giethoorn, maar in Friesland voltrokken, waarover hieronder meer.

De immigratie van de "Gietersen", zoals de Overijsselse turfgravers in Friesland werden genoemd, ook al kwamen ze niet allen uit Giethoorn, leidde tot een groot numeriek overwicht van de Overijsselaars. In Oosterzee en Echten ging het in de periode 1800-1840 om 40 tot 50 nieuwe gezinnen per decennium, die zich hier vestigden. Het bevolkingsaantal nam dan ook enorm toe: in Echten zelfs van 124 in 1796 tot ruim 900 (!) in 1850. De oorspronkelijk Friese boerenbevolking was in 1850 een minderheid geworden.

Ook op sociaal-economisch gebied waren de ontwikkelingen zeer ingrijpend. Naast de hoofdzakelijk boerenbevolking, die langs de weg in het noorden van Oosterzee en Echten woonde, kwam er een nieuwe beroepsgroep in Lemsterland, die een eigen sociale structuur kende. Bovenaan in de hirarchie stonden de veenbazen, kleine werkgevers, die soms vrij kapitaalkrachtig waren. Zij brachten werkgelegenheid en dus enige welvaart aan de turfmakers en arbeiders.

Naarmate er echter meer migranten naar Lemsterland trokken en het veen steeds schaarser werd, met name na 1825 toen het hoogtepunt in de veengraverij in dit gebied was bereikt, nam de armoede onder de veenwerkers sterk toe. Dit leidde tot ontevredenheid en o.a. tot stakingen in 1831, 1838, 1872 en enkele malen in de jaren tachtig en negentig van de 19de eeuw. Deze ontevredenheid is de voedingsbodem geweest voor de opkomst van het socialisme.

Het onderscheid tussen de veenbazen en de overige veenwerkers was aanzienlijk en werd zelfs groter in de loop der jaren. In dit verband is het opmerkelijk dat de turfmakers als beroepsgroep in de 2e helft van de 19de eeuw langzamerhand verdween. Waarschijnlijk was dit het gevolg van de toenemende armoede onder alle veenwerkers en daardoor sociale degradatie van het beroep turfmaker.

De sociale integratie van de veenbazen met de autochtone bevolking verliep veel gemakkelijker en sneller dan bij de veenarbeiders. De woonbazen woonden en gingen naar de kerk in dezelfde buurt als de autochtone Friezen. Bovendien werden velen na verloop van tijd veehouders net als de autochtone Friezen en verder o.a. winkelier of handelaar.

De veenarbeiders leefden grotendeels vrij gesoleerd in het veengebied en hadden daardoor weinig contact met de boeren- en veenbazensamenleving langs de Hoofdweg. Wel was de onderlinge gemeenschapszin zeer groot. De gemeenschappelijke (Gieterse) herkomst, de onderlinge verwantschap (turfgravers trouwden met turfgravers), de gemeenschappelijke armoede en de economische afhankelijkheid van de veenbazen hebben ongetwijfeld daar aan meegewerkt.

 

Het begin van de vervening in Lemsterland.

Sommige families werden in hun immigratiegebied zeer uitgebreid, zoals Slump, waarvan in 1947 meer dan 100 naamdragers in Lemsterland woonden. Andere families werden in het begin heel groot, maar schrompelden daarna weer in door het gebrek aan mannelijke nazaten, zoals bijvoorbeeld de familie Muurling. Sociaal gezien handhaafden de geslachten van veenbazen zich beter in Lemsterland dan die van de turfmakers/veenarbeiders.

Voorbeelden zijn Slump, Muurling, Klijnsma en Pen. Verschillende veenbazen trouwden met partners uit hetzelfde  milieu, zoals de familie Pen, waarvan dochters trouwden met leden van de veenbazenfamilies Doeven en Rietveld. Ook trachtten men zijn positie te verbeteren of in ieder geval te handhaven door huwelijken met veenopzichters en turfmeters, die een iets hogere status hadden, zoals de huwelijken tussen Kluwer en Van Eyck, Muurling-Van Eyck en Klijnsma-Kluwer.

Een aantal families was zeer succesvol en vaak zelfs rijk. Leden van de familie Slump hadden naast hun veenbedrijf ook veehouderijen of werden handelaar. Tot in de 20ste eeuw kwamen in deze familie veenbazen voor. Leden van de familie Muurling waren behoorlijk rijk. Zowel de stamvader (Jochem Piers) als zes zonen hadden grote veehouderijen. De dochters trouwden met partners van vooraanstaande veenbazenfamilies. En dochter trouwde met een Wiarda. De familie Wiarda behoorde in die tijd tot de gezeten geslachten van boeren en "bijzitters"(bestuurders).

Verschillende nazaten van families van turfbazen, turfmakers en arbeiders wonen in De Lemmer. Wie zijn dat en hoe zijn deze families daar gekomen? Daarvoor moeten we eerst terug naar de begintijd van de vervening in Lemsterland.

Omstreeks 1755 kwam een zekere Bakker uit Kuinre naar Oosterzee en we weten dat hij in 1756 in De Lemmer trouwde. Hij kan beschouwd worden als n van de pioniers in Lemsterland op het gebied van de turfgraverij. Na hem volgden geleidelijk steeds meer verveners, waarbij ik het op deze plaats alleen zal hebben over hen, die voor dit verhaal van belang zijn, d.w.z. zij die uiteindelijk in De Lemmer terechtkwamen.

De eerste twee Giethoornse families, waarvan leden zich als turfgravers in Oosterzee vestigden, waren Slump en Muurling. Op 17 september 1766 kwam de kerkelijke attestatie van Pieter Roelofs (Slump) uit Giethoorn en werd hij ingeschreven als lidmaat van de (Hervormde) kerk te Oosterzee en Echten. Zijn zonen namen in 1811 de naam "Slump" aan, die in Giethoorn ook reeds bekend was, maar in Friesland tot 1811 niet meer werd gebruikt.

Jochem Piers Muurling gebruikte in tegenstelling tot Slump wel vanaf zijn aankomst in Friesland zijn achternaam. Hij kwam met zijn inmiddels derde vrouw en kinderen omstreeks 1766 uit Schoterland waar hij vanaf 1759 onder meer in St. Johannesga en Rotsterhaule woonde.

Harmen Jans Akkerman kwam vr 1786 vanuit St. Johannesga naar Oosterzee, maar was oorspronkelijk afkomstig uit Wannerperveen, waar hij in 1768 was vertrokken. In 1786 ging hij weer terug naar St. Johannesga, waar hij in 1796 overleed. Een zoon, Jan Harmens Akkerman, trouwde in 1797 met een meisje Marrigjen Wychers Slump en hij woonde omstreeks 1810 in Oosterzee.

In de jaren negentig van de 19de eeuw nam de migratie aanzienlijk toe: ongeveer 25 nieuwe gezinnen gingen in Oosterzee wonen. Ook nu kwamen veel personen uit Giethoorn, maar een grotere groep kwam van elders, met name uit de andere Friese laagveengebieden, zoals Haskerland, St. Johannesga en omgeving en Aengwirden. Willem Sietses (van der Wal) verhuisde in 1793 uit Heerenveen naar Oosterzee.

De immigratie van turfgravers bereikte in de eerste tien jaren van de 19de eeuw een hoogtepunt. Circa 50 gezinnen, ongeveer even veel als in de 35 jaar daarvoor, zochten in dit decennium een broodwinning in Oosterzee en Echten. Iets meer dan de helft hiervan kwam in de periode 1800-1805 in deze streek aan. Nu was vooral Echten in trek.

De rechtstreeks immigratie uit Giethoorn was in de periode 1800-1810 vrijwel nihil. Wel kwam een groot aantal turfgravers van Giethoornse afkomst uit St. Johannesga naar Lemsterland, onder meer de families Ruiter-Muurling (1803), Oord-Muurling (1811), Ter Hoeve en Poepjes (1805). Daarnaast arriveerden verschillende turfgravers uit St. Johannesga, van wie de Giethoornse afkomst niet zeker is, zoals bijvoorbeeld Hoekstra (1804).

Het meest opvallend was echter de stroom migranten uit Muggenbeet en Kalenberg, die in deze periode voor het eerst goed op gang kwam. Uit Muggenbeet kwamen de familie Vaartjes (1806), de gebroeders Kleis Alberts en Albert Alberts Huisman (resp. 1805 en 1809). Uit de buurt van Oldemarkt kwam De Hey/Hei (Follega 1800). Maar Klijnsma kwam in 1803 uit Wolvega

De immigratie bleef vanaf 1810 tot ongeveer 1840 op een hoog peil. Per decennium kwamen er 40 tot 50 nieuwe gezinnen in Oosterzee en Echten bij. Maar na 1840 nam de toestroom vrij abrupt af. In de jaren veertig van de 19de eeuw was het aantal nieuw binnen gekomen en ongeveer 20, waaronder bovendien zich een aantal leden van reeds gevestigde families bevond, zoals Vaartjes (1812) en Huisman (1813). Een nieuwe naam in Lemsterland was Jonker (Kalenberg, vr 1818).

In de periode na 1821 tot 1850 kwam de emigratie uit Giethoorn geheel tot stilstand; de laatste die uit deze plaats in Lemsterland arriveerde, was Gerrit Jans Wind. Uit het noorden van Overijssel kwam echter Kooi  met een aantal gezinnen (in 1835). Ook uit Haskerland (Oudehaske) vertrokken turfgravers naar Oosterzee om daar hun geluk te beproeven, zoals b.v. Kuiper(s) (1805).

Het was opmerkelijk dat de turfgravers in het algemeen kort verbleven in Oosterzee en Echten, maar dat gebeurde ook in de andere veengebieden; de geografische mobiliteit was dus groot. Toch bleef een flink aantal families in Lemsterland wonen en zorgden soms voor een uitgebreid nageslacht. "Blijvers" waren De Hey, Huisman, Jonker, Klijnsma, Kooi, Luik/Loek, Meester (na 1850), MeijerPen, Smink, Vaartjes en Wind.

De mensen die in de turfgraverij werkten, waren te verdelen in drie categorien: veenbazen, turfmakers en arbeiders. De veenbazen (turfbazen of turfboeren) waren kleine ondernemers met een eigen bedrijf, die turf verhandelden en personeel hadden. Vaak combineerden zij de veenderij met andere beroepen, met name met agrarische- en handelsactiviteiten. Veel  veenbazen hadden een winkel, waar het personeel meestal verplicht was inkopen te doen. De turfmakers waren belast met het drogen, het voor vervoer klaarmaken en het laden van de turf.

Vaak ook verzorgden zij de huisvesting van de losse arbeiders en vervulden tussen een tussenfunctie tussen veenbaas en veenarbeider. Aanvankelijk werden ze als een elite onder de veenarbeiders beschouwd, maar in de loop van de 19de eeuw nam het verschil tussen turfmakers en arbeiders af. De turfmaker was meer afhankelijk van en minder vijandig gezind tegenover de veenbaas dan de veenarbeiders, bij wie het vrij regelmatig tot stakingen kwam.

De (losse) veenarbeider (turftrekker, baggelaar), deed het zware baggerwerk en werkte meestal in groepen van twee, soms in groepen van vijf tot zes man. Een veenbaas had gemiddeld drie turfmakers en zeven arbeiders in dienst. In 1850 werkten er in Echten 11 veenbazen, 37 turfmakers en 84 arbeiders.

De turfbazen en -makers.

In 1850 jaar woonden er in Oosterzee en Echten ongeveer 2000 mensen in 385 huishoudens. Hiervan leefden niet minder dan 210 gezinnen van de turfgraverij, d.w.z. meer dan de helft.

De autochtone bevolking van Lemsterland bestond voornamelijk uit boeren, maar er woonden ook ambachtslieden, zoals houtzagers en timmerlieden. Voorts woonden er kooplieden, middenstanders, schippers en binnenvissers.

De omstandigheden waaronder de verveners woonden en leefden waren wel heel verschillend. De veenbazen waren over het algemeen vrij kapitaalkrachtig en zij bezaten dan ook vaak huizen en landerijen. Zij woonden tussen de boeren langs de Hoofdweg, het Krompad en bij de Pier Christiaan Sloot. In het veengebied waren de woonhuizen van de veenbazen niet te vinden, dat vonden ze te min.

De turfmakers en de veenarbeiders woonden wel uitsluitend in het veengebied. De woonomstandigheden van deze mensen waren niet al te best te noemen. De turfmakers woonde in zogenaamde turfmakerstenten. Deze waren zonder funderingen en van hout opgetrokken en hadden twee vertrekken.

De (losse) veenarbeiders waren in zogenaamde trekkerstenten ondergebracht, een soort bijgebouwen achter de turfmakerstenten. Deze ruimten, vijf bij vijf meter, waren bestemd voor twaalf (!) mensen. In het midden brandde een vuur, dat zorgde voor ondraaglijk veel rook. Voort krioelde het van ongedierte. Veel arbeiders leden aan ziekten (o.a. reuma) en stierven jong.

Trok men verder het veengebied in, dan werden de "tenten" afgebrand in plaats van ze af te breken of te verkopen.

Veentrekmachine.

 

 

Afgedekte stapels turf en een Veentrekmachine op de achtergrond.

 

Er was vaak onrust in de veengebieden, ik schreef daar eerder over. Ook in 1831 was dat weer eens het geval. Eind april van dat jaar waren in Echten ongeveer duizend "vreemdelingen" gearriveerd, om daar in het voorhaar in de veenderijen te werken en daarna bij de boeren gras te maaien. Die "vreemdelingen" konden het echter niet eens worden met de veenbazen over hun loon.

De arbeiders begonnen te staken en dagelijks liepen troepen van twee tot driehonderd jaar door het gebied. De ingezetenen van Lemsterland waren hier niet erg blij mee. Ook de werkwilligen die bedreigd werden moesten op den duur het werk staken. De gouverneur van Friesland riep daarop militaire hulp in en op 3 mei 1831 marcheerde een detachement van drie officieren en 102 soldaten van de Friese mobiele schutterij naar De Lemmer.

En of dat nog niet genoeg was kwamen er ook nog eens extra 25 kurassiers uit Arnhem naar Lemsterland om het geboefte mores te leren. De commandant van de schutterij gaf bevel, de zes belangrijkste oproerkraaiers te arresteren, waarbij hij meedeelde dat vooral het "vreemde arbeidersvolk" als de aanstichters van de ongeregeldheden moesten worden gezien. En wanneer deze aanstichters niet snel verdwenen, zouden er nog meer mensen worden opgepakt. Maar niets hielp en daarop werden nog eens elf "rebelliemakers" gearresteerd.

Alle arbeiders van buiten Friesland werden daarna uit Lemsterland verbannen. Op 9 mei 1831 was alles weer rustig. Ook in de andere veengebieden in de streek vonden regelmatig stakingen plaats, meestal om hogere lonen te eisen, zoals in 1838, 1840, 1868 en 1872. Op den duur werd er in de grote veenpolder van Weststellingwerf bijna ieder jaar gestaakt. Daarnaast was er sprake van hongeroproeren en massale bedeltochten, meestal vanuit de kleinere dorpen naar de grotere plaatsen, waar de bestuurscentra waren gevestigd.

Maar we gaan weer verder met onze turffamilies. Van de dertien turfbazen in 1850  in Oosterzee en Echten kwamen negen oorspronkelijk uit de omgeving van Muggenbeet/Nederland/Wetering en Kalenberg. Uit Nederland en Wetering kwamen de families Kooij/Kooi en Pen. De veenbaas Koop Koops Kooij (geboren in 1808) kwam uit Nederland en had eerst gewoond in Weststellingwerf (Spanga). Vr 1834 kwam hij naar Lemsterland, waar hij zich als veenbaas in Oosterzee aan de Kooijsloot (0165) vestigde.

In 1838 kocht hij een perceel weiland bij Oosterzee van de familie Van Andringa de Kempenaer, om er turf te gaan graven. Daarnaast kwamen ook andere leden van de familie Kooij als turfmaker naar Echten, maar deze waren van Kalenberg afkomstig, zoals Bartele Gerrits en Dirk Gerrits.

De familie Pen was met meerdere gezinnen in Echten vertegenwoordigd. De familie werd het eerst in deze omgeving gesignaleerd, toen Geert Jans Pen, geboren in 1750 in Wetering, in 1811 in Oosterzee zijn achternaam aannam. Hij had toen tien kinderen, t.w. Femmigje (28); Geesjen (26); Jan (25); Lammigje (23); Grietje (21); Hendrik (18); Geertjen (14); Niesje (12); Aaltje (10) en Annigje (7).  In 1850 woonde nog n dochter van hem in Echten, namelijk Niesje (1799-1858), w.v. haar vr 1850 overleden man Jacob Bos turfmaker was geweest, o.a. in St. Johannesga. De Echtener veenbazen in 1850, Lute (of Luite) Folkerts (Volken) Pen (1809-1894) en Harmen Folkerts (Volken) Pen (1806-1890) waren broers en behoorden tot een andere tak van de familie Pen. Hun vader Folkert (Volken) Harmens (1775-1857) was een neef van bovengenoemde Geert Jans. Folkert, (die in 1811 in Spanga (mairie Sonnega) de achternaam "Pen" zou aannemen) en was evenals zijn zonen veenbaas, eerst in Wetering (Overijssel) en later in Spanga, Weststellingwerf, waar hij vr 1890 naar toe was getrokken.  In 1811 had Folkert vier kinderen: Marrigje (9, Harmen (5), Lute (2) en Grietje, geb. 18 nov. 1811 )Zijn beide zonen Lute (Luite) en Harmen waren daar geboren. Vr 1836 woonden zij echter beiden in Echten. Zij trouwden allebei op dezelfde dag in 1833 in Weststellingwerf, Lute met Sytske Lukas de Boer, Harmen met Antje Wybes Dijk. Ook twee zusters woonden in Echten, namelijk Grietje (1811) en Marrigje (1802-1848). Grietje trouwde in 1834 met Jacob Jacobs Doeven (1812) en woonde aan de Zwartedijk (E99). Hij kwam uit Kalenberg. Ook Doeven  behoorde tot de groep veenbazen. Beide families werden tot de elite onder de turfgravers gerekend.

Bekende veenbazen waren ook De Haan, Klijnsma en Muurling.  Roel Tyses de Haan en zijn zoon Dirk Roelofs de Haan (1801-1889) waren beide veenbaas. Vader Roel nam in 1811 de achternaam De Haan aan in Delfstrahuizen. Dirk woonde tot 1829 in Scherpenzeel, waarna hij naar Oosterzee kwam en daar ging wonen in huis O124. Hij trouwde in 1821 met een meisje uit een autochtone Oosterzeese familie, namelijk met Tettje Jans Koopmans.

De Klijnsmas waren uit Wolvega afkomstig, vanwaar Meine Sints (1756-1826) in 1785 naar Delfstrahuizen en vandaar vr 1803 naar Echten vertrok. Hij was veenbaas en lid van de grietenijraad van Lemsterland. Van zijn zeven zonen werden er ook drie veenbaas. In 1850 was n hiervan, Albert Meines (1792-1875) nog in leven. Hij woonde toen als weduwnaar in huis E43 aan de Hoofdweg. Hij was een belangrijk man voor Lemsterland. Behalve als lid van de grietenijraad was hij ook mede-oprichter van de Veenpolder van Echten. Ook de naam Klijnsmas Vaart is van hem afkomstig; hij liet deze meest oostelijk gelegen turfvaart graven. In de latere generaties kwam het beroep van veenbaas of turfmaker in deze familie vrijwel niet meer voor. De turf raakte op en de zonen van Albert Meines werden veehouder en koopman. Alleen een kleinzoon, Anne Meines (1855-1881) werd nog veenbaas.

Van een andere welgestelde familie, Muurling, zijn een aantal leden in De Lemmer terechtgekomen. In Lemsterland woonden op een bepaald ogenblik drie geslachten Muurling. Twee behoorden tot turfgraversfamilies, maar een familierelatie tussen deze twee is (zover ik kan nagaan) nog niet aangetoond. Een derde familie Muurling woonde al vanaf 1693 in De Lemmer en kwam uit Heerenveen, waar Pier Jochems (ca. 1640-) politiedienaar was. Zijn zoon Jochem Piers (1666-1709) was chirurgijn en degene die naar De Lemmer vertrok. Zijn nakomelingen werden daar o.a. chirurgijn, grutter en in de 19de eeuw een hoogleraar in Franeker, later Groningen.

Er was nog een Jochem Piers (1719-1809). Hij was een zoon van Pier of Pieter Jochems Muirlinck, die omstreeks 1690 moet zijn geboren. In 1759 vertrok Jochem met zijn tweede vrouw, Marchje Arends Kuiper, en zes kinderen naar Schoterland, waar hij eerst in Rottum en in 1760 in St. Johannesga ging wonen. Hij was behalve vervener ook landbouwer. Aanvankelijk kon hij zijn draai niet vinden in het Friese veengebied. Hij vertrok al in 1761 naar Haskerland, maar een jaar later verhuisde hij naar Rotsterhaule in Schoterland. Tot overmaat van ramp stierf zijn vrouw in februari 1763, hem achterlatende met inmiddels zeven kinderen. Maar in hetzelfde jaar hertrouwde hij, nu met een Giethoorns meise, Lammigje Coops Bunt. In 1766 besloot Jochem naar Oosterzee te gaan, waar toen nog vrijwel geen turfgravers waren. Hij kreeg in totaal zeventien kinderen, maar dat maakte Jochem niets uit, want hij was vrij welgesteld; in 1796 behoorde hij in Lemsterland tot de hoogst aangeslagenen. Hij behoorde in die jaren tot  n van de grootste boeren en eigenaren in Oosterzee. In 1809 overleed hij ongeveer 90 jaar oud.

Zijn zoons hebben van deze welstand geprofiteerd. Zijn oudste zoon, Arend (1749-1804), getrouwd met Alyth Ages Hattinga, behoorde tot de middelgrote boeren in de streek. De tweede zoon, Pier, getrouwd met Jantje Jans Kaper uit Giethoorn, had ook een behoorlijk boerenbedrijf. De derde zoon, Albert Jochems (1755-1827) had een zee kleine boerderij. In 1800 verhuisde hij naar De Lemmer.

Ook de zonen Willem (1757-1827/1832), Claus (1760-1837) en Coop (1766-1830/1834) hadden boerenbedrijven.

Opmerkelijk is, dat deze eertijds grote en zelfs welgestelde familie, waarvan de meeste leden veehouder werden en waarschijnlijk daarnaast als veenbaas opereerden, in de loop der jaren ineenschrompelde tot een zeer kleine familie. In 1947 werden in Lemsterland nog 42 naamdragers geteld, maar deze waren merendeels nakomelingen van een tweede familie Muurling, waarvan de stamvader Gerrit Jacobs (circa 1755-1815) is. Hij dook voor het eerst op in Echten, maar van zijn voorouders of van een genealogische relatie met Jochem Piers is niets bekend.

 

Nog meer turfgravers families in Lemsterland

Een belangrijke turfgraversfamilie was Slump. Pieter Roelofs Slump, geboren circa 1715, vestigde zich in 1766 in Oosterzee en liet zich op 17 september 1766 van de kerk in Giethoorn overschrijven naar de kerk in Oosterzee. Hoewel hij niet onbemiddeld was besloot hij toch te emigreren, in dit geval naar Oosterzee. Toe hij daar arriveerde was hij rond de vijftig jaar oud. Zijn voornaam werd verfriesd tot Pytter en zijn achternaam gebruikte hij niet meer. Hij volstond met het gebruiken van zijn patroniem, zoals dat in Friesland toen nog gewoon was. Hij heeft heel lang in Oosterzee gewoond; in 1796 verhuisde hij van huisnummer 7 naar het huis ernaast, nummer 7b, afkomstig van Jan Westerhof. Zijn zoon Jan Pieters ging toen op het eerste adres wonen. Hij had veel kinderen en kleinkinderen. Zijn zonen Roelof, Hendrik, Harmen, Wouter en Jan vestigden zich, toen ze volwassen werden, ook in Oosterzee en Echten. Zijn oudste zoon, Roelof Pytters (1743-1814) trouwde vr 1775 met een Fries meisje, Eelkje Hanses. Roelof was naast vervener ook veehouder. In 1802 trouwde hij voor de tweede maal, nu met een meisje uit Overijssel. In 1811 liet hij evenals zijn broers Hendrik en Harmen de reeds in Giethoorn bestaande achternaam Slump vastleggen. De herkomst en betekenis van de naam is onduidelijk. Ook zijn broer Hendrik trouwde twee maal. Hij was veehouder en tamelijk welvarend. En ook de derde zoon, Harmen, was veehouder en, het wordt vervelend, trouwde tweemaal. Hij zorgde voor een uitgebreid nageslacht. Harmen is dan ook de stamvader van de grootste Lemsterlandse tak. En van zijn kinderen, Jan Harmens Slump, in 1880 in Echten geboren, werd vervener en was vanaf 1907 lid van de gemeenteraad voor de CHU. Vanaf 1919 was hij wethouder en van 1931 tot zijn plotselinge door als gevolg van een auto-ongeluk in 1934 burgemeester van Lemsterland. Hij was tevens lid en voorzitter van de Veenpolder van Echten. Hij was met zijn zoon Harmen (1904-1960) n van de weinigen die in de 20ste eeuw nog vervener waren.

Roelofje Slump.

In Oosterzee en Echten woonden ruim zestig turfgraversfamilies. Op enkele van deze families volgt hieronder wat informatie, t.w. de families Huisman, Oord, Schippers, Vaartjes, Wever en Wind.

In 1850 woonden van de familie Huisman vier gezinnen in Echten. . En gezinshoofd was turfmaker, een ander koemelker, later vervener, een derde was boer en een vierde arbeider. Zij kwamen uit Wetering, Nederland en Kalenberg. De eerste families die zich in Echten vestigden, waren die van Kleis Alberts (geboren in 1778 in Nederland) en Albert Alberts Huisman (Nederland 1780). De oudste zoon van Kleis Alberts, Albert Kleises (Echten 1805) was in 1850 koemelker en woonde aan de Bandsloot (E170), maar verhuisde later naar Oosterzee en werd toen vervener. Hij was twee keer getrouwd, beide keren met een dochten van Folkert Pen. De oudste zoon van Albert Alberts heette ook Albert Alberts (1810-1864) en was in 1850 "opgeklommen" tot boer en had zijn boerenbedrijf ook aan de Bandsloot (E137). De overige leden van de familie Huisman waren van een andere tak. De eerste was Hendrik Jans Huisman, geboren in Wetering in 1780 en getrouwd met Margje Luiten Jetten, een dochter van een bekende turfmaker. Hij was turfmaker en woonde tot 1854 in Echten (E139) en daarna in Oosterzee (O137). Tenslotte was er nog Hendrik Cornelis Huisman (Scheerwolde, 1823), die arbeider was en een "vaartuig" bewoonde.

Jacobus Huisman, een nazaat.

De turfgraversfamilie Oord in Lemsterland was grotendeels afkomstig uit St. Johannesga en Rotsterhaule. De eerste die zich in Lemsterland vestigde was Jacob Jans, die in 1805 in Rotsterhaule woonde, terwijl hij vanaf 1807 in Lemsterland werd gesignaleerd. Hij trouwde met Marchje Piers Muurling, een dochter van Pier Jochems Muurling. De familie Oord kwam uit Giethoorn, vanwaar Jan Wolters Oord zich vanaf 1781 in St. Johannesga en Rotsterhaule vestigde. Van hieruit kwamen nazaten n 1807 naar Lemsterland, eerst in Eesterga en vanaf 1811 in Echten. In 1850 woonden zes gezinnen Oord in Oosterzee en Echten. Twee gezinshoofden waren turfmakers, de rest arbeiders. De weduwe van Andries Jans Oord die in 1785 werd geboren stond te boek als turfmaker en woonde aan de Zwartedijk (E119), terwijl haar zoon Jan, die in 1810 in St. Johannesga werd geboren in Oosterzee als arbeider zijn brood verdiende. De andere turfmaker in deze familie was Gerrit Oord, die vanaf 1852 aan de Kooijsloot (E183) kwam te wonen en die in 1813 in Echten was geboren. De familie Oord is altijd in Lemsterland (n in De Lemmer) blijven wonen.

De familie Schipper(s) telde vier turfgraversgezinnen in Lemsterland in 1850; drie gezinshoofden, namelijk Roelof (1801), Jacob (1800) en Albert (1814) waren turfmaker en n was arbeider. De vader, Klaas Roelofs Schipper, was de eerste die in Lemsterland verscheen, namelijk op 20 december 1801 toen hij met Jantje Geerts Jonker in De Lemmer trouwde. Zij vestigden zich eerst in Follega en kwamen vanaf 1806 in Echten wonen. In 1801 woonde er trouwens nog een Schippers in Follega, namelijk Roelof Jans, die getrouwd was met Frije Jans van der Meer. De familie Schipper(s) vermenigvuldigde zich aanzienlijk in Lemsterland.

De familie Vaartjes, ook wel Vaatjes genoemd, was in 1850 de meest omvangrijke turfgraversfamilie in Lemsterland; tenminste acht gezinnen droegen deze naam. Hiervan woonde het merendeel in Echten; twee gezinnen hadden hun domicilie in Oosterzee. Zes gezinshoofden waren turfmaker. De familie had een bepaald aanzien in de vervenerswereld, want drie meisjes waren met veenbazen getrouwd, waarvan er zelfs n met een opzichter van de veenderijen (Kluwer). De eerste Vaartjes die zijn geluk ging beproeven in Oosterzee was Evert Harms die omstreeks 1805 in deze plaats kwam wonen. De meeste Vaartjes woonden aan de Bandsloot en de Kooijsloot. Ook deze familie kende een aanzienlijke uitbreiding.

De turfgraversfamilie Oord in Lemsterland was grotendeels afkomstig uit St. Johannesga en Rotsterhaule. De eerste die zich in Lemsterland vestigde was Jacob Jans, die in 1805 in Rotsterhaule woonde, terwijl hij vanaf 1807 in Lemsterland werd gesignaleerd. Hij trouwde met Marchje Piers Muurling, een dochter van Pier Jochems Muurling. De familie Oord kwam uit Giethoorn, vanwaar Jan Wolters Oord zich vanaf 1781 in St. Johannesga en Rotsterhaule vestigde. Van hieruit kwamen nazaten n 1807 naar Lemsterland, eerst in Eesterga en vanaf 1811 in Echten. In 1850 woonden zes gezinnen Oord in Oosterzee en Echten. Twee gezinshoofden waren turfmakers, de rest arbeiders. De weduwe van Andries Jans Oord die in 1785 werd geboren stond te boek als turfmaker en woonde aan de Zwartedijk (E119), terwijl haar zoon Jan, die in 1810 in St. Johannesga werd geboren in Oosterzee als arbeider zijn brood verdiende. De andere turfmaker in deze familie was Gerrit Oord, die vanaf 1852 aan de Kooijsloot (E183) kwam te wonen en die in 1813 in Echten was geboren. De familie Oord is altijd in Lemsterland (n in De Lemmer) blijven wonen.

De familie Schipper(s) telde vier turfgraversgezinnen in Lemsterland in 1850; drie gezinshoofden, namelijk Roelof (1801), Jacob (1800) en Albert (1814) waren turfmaker en n was arbeider. De vader, Klaas Roelofs Schipper, was de eerste die in Lemsterland verscheen, namelijk op 20 december 1801 toen hij met Jantje Geerts Jonker in De Lemmer trouwde. Zij vestigden zich eerst in Follega en kwamen vanaf 1806 in Echten wonen. In 1801 woonde er trouwens nog een Schippers in Follega, namelijk Roelof Jans, die getrouwd was met Frije Jans van der Meer. De familie Schipper(s) vermenigvuldigde zich aanzienlijk in Lemsterland.

De familie Vaartjes, ook wel Vaatjes genoemd, was in 1850 de meest omvangrijke turfgraversfamilie in Lemsterland; tenminste acht gezinnen droegen deze naam. Hiervan woonde het merendeel in Echten; twee gezinnen hadden hun domicilie in Oosterzee. Zes gezinshoofden waren turfmaker. De familie had een bepaald aanzien in de vervenerswereld, want drie meisjes waren met veenbazen getrouwd, waarvan er zelfs n met een opzichter van de veenderijen (Kluwer). De eerste Vaartjes die zijn geluk ging beproeven in Oosterzee was Evert Harms die omstreeks 1805 in deze plaats kwam wonen. De meeste Vaartjes woonden aan de Bandsloot en de Kooijsloot. Ook deze familie kende een aanzienlijke uitbreiding.

Wolter Beernts Wever, van Wanneperveense afkomst, vestigde zich in 1769 eerst in Oudehaske en in 1785 in Schoterland. Vanaf 1817 kwamen de eerste Wevers naar Lemsterland en in 1850 leefden in dit gebied vier turfgraversgezinnen Wever, waarvan drie gezinshoofden, Gerrit Wolters (1780), zijn zoon Harmen (1811) en nog een Harmen (ook 1811), turfmaker waren. Vader en zoon woonden in Echten, respectievelijk op de Kommissiepolle (E113) en aan de Kooijsloot (E 180). Laatstgenoemde Harmen Wever woonde aan de Oosterzeese Veld (O152). De in 1850 70-jarige Gerrit Wolters was het vijfde kind van het omstreeks 1771 naar Haskerland gemigreerde echtpaar Wouter Beernts Weever en Aaltje Roelofs Krol. Ook deze familie heeft zich goed gehandhaafd in Lemsterland.

De familie Wind kwam zowel uit Nederland als uit Giethoorn. In 1818 liet de uit Nederland afkomstige Abraham Jans Wind zich kerkelijk overschrijven van Blokzijl naar Oosterzee en Echten. Daarnaast vestigde in 1821 Geert Jans Wind uit Giethoorn zich in deze gemeente. Hij vertrok echter na vijf jaar naar Munnikeburen. In 1850 woonde vooral nakomelingen van Abraham in Echten. Zowel Hendrik Abrahams Wind (1798) als de weduwe Wind-De Groot (1792) behoorden tot de groep van arbeiders. Ze hadden beiden een huis aan de Zwartedijk, (E76) en E78). Deze familie is zeer omvangrijk geworden in Lemsterland.

De families Poepjes zijn waarschijnlijk vanuit Duitsland via Overijssel in Lemsterland terechtgekomen. De achternaam Poepjes duidt op die Duitse afkomst ("poep"=duitser). In 1774 worden ze (althans Jacob Jans) in Oudehaske (Haskerland) gesignaleerd en in 1805 in Lemsterland. Ze werkten in het veen, maar leden van die families waren ook boer en binnenvissers. Omstreeks 1900 gingen ze meer en meer op de Zuiderzee vissen. Als stamvader wordt beschouwd Hans Poepjes, die met zijn vrouw Geertje tien kinderen kreeg: acht zonen en twee dochters.Hans was boer. De zonen waren Arend, Jacob, Lykele, Douwe, Klaas, Pieter, Jan en Johannes, de dochters Klaasje en Renske. Zeven zonen werden actief in de Zuiderzeevisserij, n (Jacob Poepjes) volgde zijn vader op als boer, en van de zeven werd n (Douwe Poepjes) later actief in de vishandel. Verder verwijs ik naar hetgeen over de Poepjes is geschreven in het boek van Peter Dorleijn (Van gaand en staand want Vollenhove en De Lemmer) en naar hetgeen elders op deze website is geschreven over deze familie)

De Toering-familie komt uit Giethoorn en de leden werden vanaf 1758 gesignaleerd in Haskerland, toen Hendrik Harmens Toering naar Oudehaske trok. In 1760 was hij arbeider bij Foppe Jans. Van 1777 tot 1778 en vanaf 1799 komen we Toerings tegen in St. Johannesga en Rotsterhaule (Schoterland). In  1811 nam Harmen Jans in St. Johannesga de achternaam Toering aan. Harmen had toen 7 kinderen: Jan (9), Wieger (5), Hendrikje (18), Aaltje (12), Geertje (7), Berentje (2) en Jouke (2). Leden van de familie waren vooral actief in de binnenvisserij, niet alleen in de omgeving van Eernewoude, maar in heel Friesland. Naast binnenvissers waren ze soms ook rietsnijders. Rond 1890 trokken de Toerings vanuit Eernewoude naar De Lemmer om daar de Zuiderzeevisserij te gaan beoefenen. Ook in dit geval verwijs ik naar het boek van Peter Dorleijn en naar het verhaal over de Toerings op deze site.

Rond 1750 trokken leden van de familie Vleer vanuit Noord-West Overijssel naar Friesland om daar actief te worden in de turfwinning. Het is niet uitgesloten dat de familie een Duitse oorsprong heeft. Oudst bekende Vleer is Hendrik Jans Vleer, geboren circa 1720 en overleden in Rotsterhaule in 1811 (hij werd toen Fleer genoemd) en getrouwd met Pyttje Reins. Zijn zoon Andries Hendriks Vleer, geboren in juni 1769 in De Polle (Schoterland) (ged. in St. Johannesga/Delfstrahuizen op 18 juni 1769 en overl. in De Lemmer 15 maart 1821 was op 13 jan. 1793 in Lemmer getrouwd met Elizabeth Klazes de Vries, geb. circa. 1770. Kinderen werden allemaal in Lemmer geboren. Hun zoon Klaas Andries Fleer (zie ook Hendrik Vleer) was geboren op 15 dec. 1801 in De Lemmer en op 8 juni 1828 daar getrouwd met Antje Andries Riemersma. Hun zoon Andries Klazes Fleer was geboren op 11 augustus.1830 en op 10 juli 1859 getrouwd met Grietje Jans Stuurman. Hun zoon Jan Fleer, geb. op 27 april 1864 tr. op 20 aug. 1886 met Grietje van der Goot. Hun zoon Andries Fleer werd geboren op 11 febr. 1888. Voer met de LE 21.

Voorts kwamen de volgende families uit Overijssel in Lemsterland terecht: Dragt, Drent(h), Euverman, (De) Hey/Hei, Helfferich (van oosprong uit Duitsland), Ten Hoeve, Hollander, Jonker, Koning, Krol, Loek (Luik), Meester, Meyer, Mink, Noppert, Prins, Schokker, Scholte(n), Sloothaak, Smink, Van der Wal, Wever, De Wilde. Ook de familie Blaau(w) komt waarschijnlijk uit Overijssel (Giethoorn).

De voorouders van mijn moeder (Visser) kwamen eveneens uit Oosterzee. De stamvader, Johannes Kleizes, een boer, woonde omstreeks 1700 in dit dorp. Hij trouwde tweemaal, de eerste keer in 1716 met Bottje Eises en in 1728 met Froukje Andries uit Nijehaske. Zijn zoon, Kleis Johannes, geboren in 1727 in Oosterzee, werd schipper en trouwde in 1750 met Geertjen Jans uit Delfstrahuizen. Ook zijn zoon, Jan Kleizes, geboren in 1752 in Delfstrahuizen, was schipper. Hij trouwde in 1774 in Echten met Lammigje Jans Lammerts. Jan Kleizes nam, net als zijn zoon Kleis Jans, in 1811 de achternaam "Visser" aan. Het is mogelijk dat Jan ook binnenvisser is geweest, want anders is geen verklaring voor deze achternaam te geven. Kleis Jans Visser, geboren in 1779 in Echten, was wederom schipper, maar ook winkelier. Hij trouwde in 1811 met Grietje Taekes de Boer. In 1852 verhuisde zijn zoon, Lammert Kleizes Visser naar De Lemmer, toen hij in dat jaar trouwde met Albertje Nolkes Hoekstra. Lammert was zeeman. Zijn zoon, mijn overgrootvader, Kleis Lammerts Visser, geboren in De Lemmer in 1852 zou de eerste Zuiderzeevisser in de familie worden.

Jacob van Kleis Visser.

Leden van turfgraversfamilies trouwden heel veel met leden van andere turfgraversfamilies. Wat voorbeelden. Grietje Abrahams Wind trouwde met Klaas Wiegers Mink, Wieger Klazes Mink met Trijntje Harmens Drent, Grietje Mink met Hendrik Strampel, Jan Harmens Akkerman met Marrigjen Wychers Slump, Grietje Pen met Jacob Jacobs Doeven, Dirk de Haan met Tettje Jans Koopmans, Kleis Alberts Huisman twee keer met een dochter van Folkert Pen, Hendrik Huisman met Marchje Jetten, Jacob Jans Oord met Marchje Piers Muurling, Annigje Geerts Pen met Jochem Willems Mast, Klaas Roelofs Schippers met Jantje Geerts Jonker, Harmen Egberts Kluwer met Margjen Everts Vaartjes, en zo zou ik nog hl lang  kunnen doorgaan! Maar ook leden van Lemster families trouwden met turfgraversfamilies. Zo trouwde in 1855 Hendrikjen Postma (dochter van Peke Herres Postma en Tjitske Stevens Visser, dus familie van Roelie) met Willem Jannes Strampel, turfmaker en lid van een bekende turfmakersfamilie in Oosterzee/Echten. Willem was in 1832 in Echten geboren. Jurjen Bootsma (weer familie van Roelie) trouwde in 1879 met Zwaantje Helfferich. De familie Helfferich is afkomstig uit Duitsland en kwam via Leeuwarden omstreeks 1811 naar Sint Johannesga (Schoterland) en tussen 1830 en 1835 naar Lemsterland en later ook in Delfstrahuizen. Via Zwaantje ben ik ook familie van Helfferich.

De volgende families met een Overijsselse achtergrond woonden in 1928 (een willekeurig jaar) in De Lemmer. (Bron: Adresboek 1928. Adressen en beroepen van alle gezinshoofden in Friesland 1928)

Akkerman 3 x   

Klijnsma 2 x   

Oord 1 x

Bakker 9 x, w.o. 3 vissers 

Knol 5 x

Pen 3 x

Dragt 1x

Kok 9 x

Poepjes 8 x, (vissers)

Drent 1 x

Koning 2 x 

Prins 2 x

Euverman 1 x

Kooi 1 x

Schokker 1 x

Fleer 3 x, w.o. 2 vissers

Koopmans 9 x

Scholte(n) 1 x

De Haan 1 x

Krol 1 x

Sloothaak 1 x

Hei 3 x

Kuipers 8 x, w.o. 2 vissers

Slump 1 x

Hoekstra 8 x, w.o. 6 vissers

Loek 1 x

Smink 2 x

Hoeve, Ten 1 x

Meester 1 x

Toering 2 x (vissers)

Hollander 2 x

Meyer 5 x

Vaartjes 1 x

Huisman 3 x

Mink 1 x

Wal, van der 5 x

Jong, De 36 x, w.o. 4 vissers

Muurling 2 x, w.o. 1 visser

Wever 1 x

Jonker 1 x 

Noppert 1 x

Wilde, de 1 x

Wind 1 x

   

Samenvattend kan worden vastgesteld, dat veel Overijsselse migrantenfamilies zich in de loop der tijden een permanente positie in Lemsterland en vooral ook in De Lemmer hebben verworven. Bovenstaand, uiteraard niet volledig, lijstje is daarvan een voorbeeld. Veel families zijn verdwenen door verhuizing of door gebrek aan mannelijke nakomelingen, maar andere zijn voorgoed in De Lemmer gebleven. Veel van die families zijn zich niet bewust van hun Overijsselse afkomst. In ieder geval hebben alle migrantenfamilies een levendig aandeel gehad in de geschiedenis van en mede vorm gegeven aan het Lemsterland, zoals we dat thans kennen.

(1) Ingezonden reactie van Ali Wiarda: De naam Wiarda is niet pas na 1811 aangenomen. De Wiarda's van Lemsterland droegen deze naam al lang, maar net als bij de meeste andere mensen was het in het dagelijks gebruik Rein Jentjes, Jentje Jackles, Jackle Jentjes, Jencke Jakles enz. In de kerkelijke  en  andere stukken wisselt het gebruik van de voornamen en het gebruik  van de achternaam af. De naam Wiarda  duikt steeds weer op. Maar bijna  alle Wiarda's waarbij van ongeveer 1350 de naam al in de familie was, hebben hun naam wel rond 1811 laten registreren. Ze stammen echter allemaal uit het geslacht Wiarda uit Goutum en ze droegen de naam ook  nog steeds.

 

 

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.