|
Een groot deel van
de kleinere scheepvaart bleef gebruik maken van de goedkopere weg
over de Zuiderzee. Grote schepen moesten, net als bij trekvaarten,
gebruik maken van trekpaarden omdat de eerste radersleepboten de
kanten van het kanaal dreigden af te kalven. Naarmate de schepen
groter werden, was het kanaal minder doelmatig en ontwikkelde het
Nieuwe Diep zich steeds meer tot een voorhaven van Amsterdam. Dit
tot groot ongenoegen van de Amsterdamse kooplieden. |
Navigatie.
Om op de Zuiderzee te kunnen varen was niet gemakkelijk, alleen al
vanwege de vele ondiepten. Navigatie was een ervaringszaak, die een
feilloos gevoel voor de tijd vereiste, alsmede de deskundigheid om
de snelheid van het schip te schatten. Soms werden landmerken
opgericht, bijvoorbeeld door het plaatsen van staken. In de loop der
tijd werden echter steeds meer tonnen langs de vaargeulen geplaatst.
Andere hulpmiddelen voor een veilige vaart waren kapen/stellages op
een hooggelegen plaats aan land, vuurbakens en niet te vergeten
vuurtorens. De Zuiderzee was een moeilijk te bevaren zee door de
vele ondiepten. Dat gold niet alleen voor de grote zeilende
koopvaarders, maar ook voor de vissers. Die visten nooit in de
vaargeulen, wel in de buurt daarvan. Maar ook zij konden vastlopen
op ondiepten. Een visserman had geen enkel navigatie-instrument aan
boord. Omdat de zee zijn werkterrein was, bestond de bodem daarvan
voor hem uit visgronden, die hij feilloos wist te vinden door het
nemen van zogenaamde merken aan de wal. Deze plaatsbepalingen op de
Zuiderzee hadden eigen namen zoals "Baken buiten", "Kerk Bakhuizen", Hemelum voor de Oost",
"Plaats van de Ketel", "Toren-Doofpot", "Molentje over Bosje". Door een object op de wal op één lijn te
stellen met een ander object, wist de visser waar hij was. Zo kennen
we "Veling (Veluwe) aan de stad", "Hindeloopen buiten ’t land", "Schokkerkerk aan de Ketel" en
"Toren aan de Poort"(de toren van de
Grote Kerk in één lijn met de Drommedaris in Enkhuizen).

Bij mist waren de landmerken niet zichtbaar en moest de visser door
regelmatig met een pikhaak "uit te steken" de diepte peilen en de
grondsoort voelen. De combinatie van de aldus verkregen gegevens
verschafte de visser dan een min of meer duidelijk beeld van zijn
positie.´s Nachts konden de vissers zich alleen oriënteren op
vuurtorens en geleidelichten die bij de meeste havenplaatsen en
invaarten het hoofd markeerden.
Regelmatig werden de merken op de wal opnieuw genomen. Als
bijvoorbeeld bij het inhalen van de netten bleek, dat er op een
bepaalde plaats meer bot werd gevangen dan op een andere, werd van
die plaats een "merk op de wal" genomen, zodat de netten de volgende
dag op dezelfde plaats geschoten konden worden.
Met behulp van de landmerken kon men de gevaarlijke zandbanken
ontwijken. Torens, molens, huizen maar ook een bepaalde boom diende
om te navigeren. Friese schippers hielden de kerktorens van
Bolsward, Fernwoude en Parrega van oost naar west naast elkaar, om
in één rechte lijn naar het Wieringer Vlaak te kunnen zeilen. De
loodsen van de VOC-schepen, die naar of van Amsterdam voeren
gebruikten voor hun navigatie het eiland Pampus, een boerderij in
Diemen, een kerkje op Urk, de torens van Mirns, Warns en Stavoren.
En wie langs de Friese kust voer gebruikte de drie kerken van
Harlingen, de Noordmolen, de molen de Leeuw en de Zuidmolen als
landmerken. Alles diende als hulpmiddel bij het de weg zoeken op de
Zuiderzee: de molens bij Makkum, de stompe kerktoren van Workum, een
opvallende boerderij ten noorden van Stavoren, de kliffen van
Gaasterland.
Ook de Lemmerboot heeft een rol gespeeld bij de plaatsbepaling voor
de vissers. Deze boot voer over de Zuiderzee een vaste route, die
door de vissers de "Lemster Koers" werd genoemd. Omdat de boten
precies op tijd vertrokken uit De Lemmer of Amsterdam en ze op een
bepaalde tijd op een vaste plaats bevonden, wisten de vissers
(althans zij die een klok aan boord hadden), wanneer de boot
passeerde, op welke plek ze op zee waren.
Afgezien van de geluksfactor, speelden bekwaamheid, intelligentie en
vasthoudendheid een belangrijke rol in het goed functioneren van de
Zuiderzeevisserij. Sommige vissers lukte het steeds maar weer
grotere hoeveelheden vis boven water te halen dan andere. En ook bij
het inschatten van toekomstige weer waren sommige vissers veel beter
dan hun collega’s. In de tijd, dat de vissers het zonder weerbericht
moesten stellen, konden ze alleen uit het gedrag van de wolken, het
waaien van de wind en het schijnen van de zon het weer een paar
dagen vooruit voorspellen. De vissers hielden dat dag en nacht in de
gaten. Er waren vissers, die als weerprofeten werden beschouwd en
hun uitspraken werden dan ook meestal gevolgd. Zo wist men
bijvoorbeeld dat als de wind dagenlang uit het oosten had gewaaid en
tegen de avond er wolken als een bank in het noorden ontstonden men
zeker wist dat het verschillende dagen windstil zou worden of zoals
werd gezegd:"Een bankie in de noord, stilte in de oost".

Hoofd en Vuurtoren.
Bebakening.
Om veilig op de Zuiderzee te kunnen varen waren allerlei
hulpmiddelen nodig, zoals bijvoorbeeld bakens die de ondiepten
markeerden en de loop van de vaargeulen aangaven. Al heel vroeg is
men daar op de Zuiderzee mee begonnen. Maar ook langs de kusten en
de ingangen van havens stonden objecten, die vanaf zee waarneembaar
waren.
De zorg voor de veiligheid van de scheepvaart in de vorm van
vuurbakens langs de kusten en de markering van ondiepten en
vaargeulen was vroeger een van de taken van de landsheer. Voor de
Noordelijke Nederlanden gold dat al in de late middeleeuwen. De
markering van de ondiepten en vaargeulen in de Zuiderzee werd echter
van de 14de tot in de 19de eeuw georganiseerd
door de belanghebbende steden. In de 14de eeuw richtte
Kampen, dat toen een belangrijke havenstad was, een vuurbank op het
eiland Terschelling op en onderhield drijvende tonnen in het Vlie en
het Marsdiep. Hertog Albert van Beieren erkende het recht van Kampen
op de betonning van zijn vaargeulen over de Zuiderzee. De stad liet
de gehele route van Noordzee tot de monding van de IJssel betonnen.
Elk voor/ en najaar moest deze betonning worden uitgelegd,
respectievelijk opgenomen. De bekendmaking hiervan gebeurde in
Kampen door het bericht in de kerken om te roepen. Van ieder schip
dat de Zuiderzee bevoer, werd voor het onderhoud van de betonning
het zogenaamde paalgeld geheven. In onbetonde en niet bebakende
wateren moest de schipper of visser zelf zijn weg weten te vinden.
In de 15de en 16de eeuw werd Kampen gaandeweg
overvleugeld door Amsterdam. Deze stad nam een steeds groter wordend
deel van de markeringstekens op de vaarroutes op de Zuiderzee voor
haar rekening, en hief paalgeld van schepen die daarlangs in de
havens van Amsterdam en Kampen binnenvoeren. Kampen deed
uiteindelijk in 1527 al haar rechten over aan Amsterdam in ruil voor
vrijstelling van deze betaling. Amsterdam probeerde andere
Zuiderzeesteden te laten betalen voor het gebruik van de tonnen en
bakens en eiste zelfs in deze havens ontvangers van het paalgeld te
stationeren. Rond het midden van de 16de lukte het haar
enkele steden, zoals Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Harlingen en
Kampen (die klaarblijkelijk in die tijd zijn vrijstelling van
betaling had verloren) tot erkenning van dit recht te dwingen. In
1573 raakte Amsterdam (de stad had nog steeds niet voor Oranje
gekozen) echter al zijn rechten in deze kwijt. De Prins van Oranje
verleende het hem trouwe Enkhuizen het recht (en daardoor het
monopolie) de waterwegen over de Zuiderzee te markeren en in ruil
daarvoor het paalgeld te innen. Enkhuizen plaatste bakens, in de
vorm van drijvende tonnen, welke met ijzeren kettingen aan zware
ankerstenen waren verbonden, en staken, welke aan de randen van de
ondiepten in de zeebodem gedreven werden.
In de 17de eeuw kwamen Enkhuizen en Amsterdam een
taakverdeling overeen, waarbij Amsterdam de vuurbakens verzorgde en
Enkhuizen de bebakening en betonning.
Enkhuizen behield het paalkistrecht officieel tot 1854, maar
officieus tot 1837, toen de Staat der Nederlanden tegen betaling van
een schadevergoeding het recht overnam.


De Friese rol bij de bebakening.
Behalve van de stad Harlingen en de Staten van Friesland is van de
Friese havens geen betrokkenheid met bebakening van vaarwegen
bekend. Wellicht was dat ook niet nodig omdat Stavoren en de
kleinere havens aan de Friese westkust gebruik maakten van de
gemarkeerde route naar Kampen. Toen Amsterdam probeerde in alle
havens langs haar vaargeul ontvangers van het paalgeld te plaatsen,
claimde zij ook betaling van deze vergoeding over de – groeiende –
scheepvaart op Harlingen. Omdat deze haven er niets voor voelde deze
nieuwe belasting te betalen zocht zij steun van Leeuwarden,
Franeker, Bolsward en Dokkum (en later ook Workum) om zich te kunnen
verweren. De Friese schippers beweerden dat zij de bewuste tonnen en
bakens niet nodig hadden. De zaak sleepte zich jaren voort, deels
voor de Grote Raad, deels voor het Hof van Holland, in ieder geval
tot 1561. Harlingen verloor uiteindelijk deze strijd. De uitspraak
van het Hof van Holland hield in dat de Harlinger schippers paalgeld
verschuldigd waren, wanneer zij door Vlie of Marsdiep uit zee
binnenvoeren om in Friese havens hun lading te lossen. Tijdens de
duur van het proces in de jaren 1551 tot 1561 kreeg de Harlinger
armvoogdij het recht de tonnen en bakens in de Jetting, de vaargeul
vanuit het Vlie naar de stad, te exploiteren. In 1559 sloten het
stadsbestuur en de armvoogdij van Harlingen een akkoord met het
stadsbestuur van Bolsward. In dit akkoord werd bepaald dat over
schepen die, via de Jetting, naar Bolsward voeren de Harlinger
armvoogdij voor het gebruik van hun tonnen en bakens een vergoeding
moesten betalen. Dit akkoord betekende, dat de armvoogdij ook
markeringen onderhield verder zuidelijk en langs de Friese westkust
mogelijk tot het punt waar schepen die vanuit Harlingen naar het
zuiden voeren op de doorgaande route naar Amsterdam kwamen. Op die
manier zouden ook schepen die over Makkum naar Bolsward voeren
profijt hebben van de Harlinger bebakening. Waarschijnlijk was de
Jetting vóór 1559 nog niet bebakend.
De Scholbalg, de toegang tot Dokkum en Groningen langs
Schiermonnikoog, werd omstreeks 1562 bebakend. De Staten van
Friesland exploiteerden deze tonnen, niet Dokkum. In 1587 probeerden
Gedeputeerde Staten tevergeefs de stad Dokkum de zorg over de
betonning te laten overnemen. De bebakening in de Scholbalg is
tenslotte onder de verantwoordelijkheid van de Admiraliteit gekomen.

Vuurtorens langs de kusten en op de eilanden van de Zuiderzee
Om te voorkomen dat de schepen op de kust liepen en als hulpmiddel
bij de navigatie werden op de kusten van de Zuiderzee en op de
eilanden al heel vroeg vuurtorens gebouwd, aanvankelijk heel
primitief, later moderner.
Op 26 november 1699 besloten de Staten van Holland, daartoe
aangespoord door Nicolaas Witsen, burgemeester van Amsterdam en lid
van het College van Commissarissen van de Pilotage, tot de bouw van
drie bakens in het Zuiderzeegebied, t.w. op het eiland Marken,
noordelijk van Enkhuizen (het tweede "Suyderzeese Vuur Baken", "Geldersche Hoek" of
"Ven" genoemd) en bij Durgerdam (de eerste
steen werd gelegd op 3 juni 1700). Deze drie bakens waren identiek.
Ze waren vierkant en op de platte bovenkant werd een vuur gestookt
met kolen. Bij stormweer of bij regen was dat vuur moeilijk aan te
houden en op den duur kregen de bakens een gesloten koepel met een
licht op basis van petroleum of gas.
Voor deze vuren/bakens langs de
Zuiderzeekust moesten de schippers jaarlijks belasting betalen ten
bewijze waarvan zij een zogenaamd
bakenloodje ontvingen met een afbeelding van de "Suydersee Vuur
Bakens" en het jaartal.
Deze drie
bakens hadden eenzelfde vierkante opbouw, die alleen in de Ven nog
bewaard is gebleven. In 1893 werd het baken bij Durgerdam vervangen
door een ijzeren lichtopstand. De vuurtoren bij Enkhuizen brandde in
1819 helemaal uit, omdat de binnenmuur betimmerd was met hout. Het
duurde twintig (!) jaar voordat het nieuwe licht (op 13 mei 1839)
kon worden ontstoken. In 1883 werd hier de olielamp vervangen door
elektrisch licht en werd er een optiek (glazen lenzen) geplaatst. Na
139 jaar trouwe dienst werd het vuurbaken op Marken afgebroken en
vervangen door een nieuwe ronde vuurtoren, ontworpen door
rijksbouwmeester J. Valk.
Later werd er tegen de toren een lichtwachterswoning gebouwd, waardoor het geheel een vorm kreeg, die
leidde tot de naam "Het Paard van Marken". Ook op Urk brandde in de
17de eeuw een kolenvuur, niet alleen voor de vissers maar
ook voor de "pilotage" op Amsterdam. Urk lag strategisch aan de
druk bevaren scheepvaartroute over de Zuiderzee en het is dan ook
niet verwonderlijk dat Amsterdam altijd een zeer grote
belangstelling heeft gehad voor het eiland en er in 1615 een
vuurbaak oprichtte. In 1844-45 werd een ronde witgepleisterde
vuurtoren gebouwd. En voorts waren er nog lichten op het eilandje
Pampus, de strekdam van Diemen (bij Amsterdam) en op het "Blauwe
Hoofd" (ook bij Amsterdam). En sinds 1598 stonden er vuurbakens bij
het eiland Wieringen. Om de haveningang tot Harlingen te markeren
heeft deze stad verschillende lichtopstanden versleten in de loop
der jaren. Op de toren van een kasteel aan de haven werd al vroeg
een licht gebrand. In het midden van de 18de eeuw stond
in Harlingen een vuurtoren met gesloten lantaarn, welke in de 19de
eeuw werd vernieuwd.
In 1872 werd de toren afgebroken en kwam er bij
de haven een lampje in de lantaarn op een eenvoudige houten
stellage. In 1904 werd een zeshoekige houten vuurtoren gebouwd en
omstreeks 1922 kwam er een gewapend betonnen en bakstenen toren met
een gaslamp. Deze toren is later wit gepleisterd. In Stavoren
brandde sinds het begin van de 19de eeuw bij de haven een
lantaarn als oriëntatie voor de vissers die de haven binnen wilden.
In 1860 werd het door twee sterkere lichten vervangen. Nadat in
1884-85 een nieuwe haven was aangelegd werden twee havenlichten op
de havenhoofden geplaatst en een gietijzeren stellage met lichthoofd
("Het Hooge Licht") noordelijk van de haven gebouwd.
Op een van de
havenhoofden van De Lemmer stond heel vroeger "de groote lantaarn",
dat op kolen- en houtvuur werd gestookt. Bij de herstructurering van
de haven van De Lemmer, waarbij een nieuwe zeesluis werd gebouwd,
werden in zee twee havendammen aangelegd; op de westelijke dam kwam
toen een vuurtoren, welke in 1968 werd afgebroken. Merkwaardig is
overigens, dat in de vuurtorenliteratuur geen woord wordt gerept
over de "de groote lantaarn" of de ijzeren vuurtoren, zodat we niet
precies weten wie deze toren hebben ontworpen en in welk jaren ze
zijn gebouwd. Op de zuidpunt van Schokland stond een lichtopstand.
Er naast hing, in een ijzeren stelling, een mistbel. En Workum had
"it Toarnstsje", welke voor 1817 al werd gedoofd.

Lemmer "de groote lantaarn"
Veel kaarten van de Zuiderzee zijn er volgens mij vroeger niet
gemaakt, maar in ieder geval is één kaart bekend. Op de "Paskaarte van de Zuyder Zee met alle des zelfs inkomende Gaaten soo
als die op ’t Zeekerts konnen Bezeylt worden naa Haare Courekte
Conne Opdoeningen, Droogten en Diepten", gemaakt door Joannis
van Keulen, stonden alle kerken, molens,
kapen en "vuurboeten" (vuurbakens) aangegeven.
http://dpc.uba.uva.nl

Zuiderzee 1715.

Ontwerp tot afsluiting der Zuiderzee over
Wieringen met gedeeltelijke indijking binnen die afsluiting.
Storm op de Zuiderzee.
Varen op de Zuiderzee was niet altijd gemakkelijk. Vissers en
schippers moesten rekening houden met ondiepten, maar vooral ook met
wind. Zo heeft De Lemmer altijd lastig gelegen voor de zeilschepen.
Bij de overheersende windrichtingen, die Nederland kent, moesten
vissers en binnenvaartschepen bijna altijd laverend proberen de
haven uit te komen. Regelmatig werd er dan ook in de plaatselijke
kranten melding gemaakt van ongevallen bij het uitlaveren als gevolg
van een stormwind welke recht op de haven stond en waarbij schepen
op een van de havendammen liepen. Maar ook het binnenvaren van de
Lemster haven met harde wind was geen pretje. De schepen vlogen
onder zeil in vliegende vaart binnen en op tijd strijken van de
zeilen en grote stuurmanskunst waren nodig om geen ongelukken te
maken. Maar ook wanneer men niet aan boord was konden er allerlei
ongelukken gebeuren; bij zware storm werden vissersschepen soms in
de haven losgeslagen om vervolgens tegen de stenen havendammen te
drijven met alle gevolgen van dien.
Op zee hadden de vissers en binnenvaartschippers het vaak zwaar te
verduren tijdens een storm. De Lemster aken konden ontzettend veel
wind hebben en ze bleven langer doorvissen voordat ze de zeilen
streken of naar huis terugkeerden dan andere types vissersschepen.
Maar met andere scheepstypen was dat niet zo De botter bijvoorbeeld
was erg kwetsbaar door het lage achterschip en dat gold vooral de
Marker botters. Een laag achterschip was gemakkelijk voor de
behandeling van de netten, maar de zeewaardigheid liet te wensen
over, vooral bij achteroplopende zee. Later is besloten het
achterschip van de botters hoger te bouwen.
Op de Zuiderzee zijn relatief weinig dodelijke ongelukken gebeurd
met vissersschepen. Bij opkomende storm werd er nog maar met weinig
zeil gevaren en als het helemaal te gek werd probeerde men thuis te
komen of zocht met een vluchthaven op, zoals bij Schokland. Toch
zijn er in de loop der eeuwen veel schepen op de Zuiderzee vergaan,
vooral vrachtschepen. Het bewijs daarvoor werd geleverd toen in de
drooggelegde delen van de voormalige Zuiderzee meer dan 400 wrakken
werden gevonden.
De schippers van binnenvaartschepen voeren onder alle
weersomstandigheden. Soms vergingen schepen waarop gezinnen waren
met veel kinderen met "man en muis". De schippers namen zeer grote
risico’s, ook als er vrouw en kinderen aan boord waren. De wind was
een onmisbare hulp bij het varen naar een bepaald doel, maar men
kreeg soms wel eens te veel van het goede. En dat liep het mis.
Er werden allerlei ladingen vervoerd, zoals bijna vloeibare koemest
van de Friese en Groninger boeren bestemd voor de bollenvelden in
Holland. Maar ook turf en bakstenen gingen per schip over de
Zuiderzee. De schippers durfden onwaarschijnlijk veel met hun schip.
Geladen werd meestal "tot aan het gaatje", dat wil zeggen tot aan de
boorden van het schip. Veel was dan ook niet nodig om te vergaan.
Een voorbeeld is de geschiedenis van de tjalk "De Zeehond". In een
storm in 1886 raakte deze tjalk, welke was geladen met bakstenen, in
de problemen. Het schip zonk en de opvarenden, waaronder een vrouw
en drie kleine kinderen, werden gered door Kamper vissers. De
ondergang van De Zeehond was een ramp voor de schipper en zijn
gezin, welke ze nooit meer te boven zijn gekomen. De schipper vond
een baantje in een suikerfabriek in Amsterdam en zijn gezin leefde
een minimumbestaan. Toen Flevoland droog viel werd het schip
gevonden met lading en inventaris nog grotendeels aanwezig.
Maar ook heel vroeger was het zeer gevaarlijk op de Zuiderzee. Op 3
december 1703 sloegen tijdens een zware storm niet minder dan 23
grote schepen, die op de rede van Hindeloopen lagen, voor het anker
weg en raakten tussen Zurich en Fernwoude op de kust. Na het lossen
van de lading slaagde men er in bij vloed 14 schepen los te trekken,
de andere (9) schepen waren verloren en werden gesloopt. Veel
schippers maakten er sindsdien bezwaar tegen op de rede van
Hindeloopen voor anker te liggen.
Op de Zuiderzee kon het behoorlijk spoken. Vooral door stormen uit
het noordwesten waarbij het water flink werd opgestuwd, maar ook bij
zuidwesterstorm werd men in het Zuiderzeegebied vaak met veel
problemen geconfronteerd. Tientallen typische Zuiderzeevloeden
hebben er voor gezorgd dat regelmatig de lage kustgebieden onder
water liepen. Berucht is de zogenaamde Allerheiligenvloed van 1
november 1570, die aan zeker twintigduizend mensen het leven kostte
en de storm van 4 februari 1825 waarbij honderden mensen om het
leven kwamen. De Zuiderzee is zowel een zegen als een vloek geweest.
Ze was een knooppunt van handelsroutes en bood rijke visgronden,
maar met grote regelmaat bedreigde en overstroomde zij ook de
eilanden en de kustgebieden.
Vooral de eilanden Marken en Schokland
hebben onder de stormvloeden geleden. In 1700 vaagde een hoge zee
maar liefst vier buurten op Marken weg. In 1756 joeg een hevige
storm het water zó hoog op, dat het eiland onder water kwam te
liggen en de huizen op de werven leken in de zee te zwemmen. Een
groot deel van de dijk werd in dat jaar weggeslagen. Maar het kon
nog erger. In 1775, 1776 en 1791 werd het eiland weer door hoge
vloeden geteisterd en moesten hele buurten worden verlaten. De storm
van 1825, ik kom hieronder daar op terug, steeg het water tot een
hoogte die nog nooit was waargenomen. Van de 190 huizen stortten er
vijftig in een en spoelden er twintig weg. De dijk werd nu geheel
weggeslagen. In 1877 stond Marken weer onder water en moest de hele
bevolking worden geëvacueerd (naar Amsterdam).
Schokland werd zo vaak geteisterd door stormen en hoog water, dat in
1788 zelfs is overwogen een deel van het eiland aan de zee prijs te
geven. Dat gebeurde niet, maar de geschiedenis heeft geleerd, dat
het op den duur onhoudbaar is geworden voor de bevolking te blijven
wonen op een eiland, dat langzaam in de zee verdwijnt. Door stormen
in 1824 en 1825 werd een groot deel van dijk weggeslagen; 26
woningen werden vernield en dertien mensen verdronken.

Schokland.
De stormvloed van 1825 heeft aan de kusten van de Zuiderzee vrij
sterke sporen nagelaten. In oktober 1824 was een eind gekomen aan
een bijzonder fraaie zomer en werd opgevolgd door zware
najaarsstormen. Het water sloeg over de dijken heen en stroomde door
de straten. Omdat de dijken doorweekt waren, was men bang voor een
nieuwe aanval vanuit zee. En die kwam. Op 2 februari 1825 stak een
nieuwe zware noordwester storm op, die het water tot ongekende
hoogte liet stijgen. Bij Stavoren werd een waterstand gemeten van
2,39 meter boven NAP, bij De Lemmer 2,69 meter, bij Genemuiden 3,39
meter, bij Schokland 3,38 meter, bij Kampen 3,11 meter, bij Elburg
3,23 meter, bij Marken 2,58 meter, bij Hoorn 2,67 meter en bij
Wieringen 2,35 meter. In de loop van 4 februari nam de westenwind in
kracht toe, draaide naar het noordwesten en wakkerde verder aan. Het
water van de Zuiderzee was sterk opgestuwd en als gevolg daarvan
steeg ook het waterpeil in de IJssel en de Vecht razendsnel. De
omstandigheden waren zeer extreem. Niet alleen werd het geen eb
meer, maar de tweede vloed kwam met springtij en vliegende storm.
Deze sleepte alles met zich mee± schepen, bomen, schuren,
hooibergen, vee en huizen met alles en iedereen er in. Een van de
meest tragische gebeurtenissen is geweest het losraken van de
paalwerken van Schokland. Juist in de jaren vóór 1825 was met man en
macht gewerkt aan een door vader en zoon Seidel uit Vollenhoven
ontworpen ingenieus systeem van ingeheide paalschermen. Deze dienden
om het steeds smaller wordende eiland te beschermen, als beschutting
voor schepen in nood en voor te grote aantasting van de
achtergelegen Zuiderzeedijken. Het heette dan ook dat Schokland een
"met palen aan de bodem vastgepind eiland" was. De zware palen
werden door de storm van 1825 massaal (ongeveer 1800!) uit de
zeebodem losgerukt en dreven in vliegende vaart naar de Overijsselse
kust waar ze enorme verwoestingen aanrichtten. Sommige palen gingen
dwars door huizen en boerderijen heen en zijn later voor de poorten
van Zwolle teruggevonden. Niet alleen de Overijsselse dijken en de
dijken bij De Lemmer braken door, maar dat was ook het geval bij de
dijken in Waterland in Noord-Holland en de lage delen van de
Utrechtse en Gelderse kusten. Overigens stond Friesland voor een
derde blank in 1825.
Een andere beruchte storm is die van 1916 geweest, maar omdat hier
zo vaak over is geschreven, heeft het geen zin om hier daar verder
op in te gaan. Deze storm heeft in ieder geval de afsluiting van de
Zuiderzee versneld.
De beurtdiensten over de Zuiderzee.
De Zuiderzee is gebruikt voor de grote zeescheepvaart en de vissers,
maar is ook belangrijk geweest voor de beurtvaart en veerdiensten,
die kriskras over de zee hebben gevaren.
Amsterdam is altijd de drukste aanloophaven van de Zuiderzee
geweest. Vandaar uit straalde de vaart uit naar de havens rond de
kom van de Zuiderzee. Behalve op de lijn Lemmer-Amsterdam waren op
de Zuiderzee nog verschillende beurt- en veerdiensten actief, zoals
tussen Kampen en Urk, Kampen en Amsterdam, Zwolle en Amsterdam, Urk
en Enkhuizen, Stavoren en Enkhuizen, Zaandam en Kampen/Zwolle,
Amsterdam en Zwartsluis/Meppel, Amsterdam en Deventer/Zutphen en
Groningen en Rotterdam. Naast de "Lemmerboot" was sinds 1886 de
veerdienst Enkhuizen-Stavoren van groot belang. Tussen 15 juli 1886
tot 1 april 1936 hebben op deze verbinding spoorponten (de
"wagenboten") gevaren, die goederenwagons meenamen. Tussen Enkhuizen
werd een beurtvaart onderhouden door de rederij De Bruijn uit
Enkhuizen. Ook bestond er een beurtdienst tussen Blokzijl en
Amsterdam en met de beurtvaarder "West-Friesland" werd een dienst
onderhouden tussen De Lemmer en Kampen/Zwolle via Urk en Schokland.
En ongetwijfeld ben ik nog een aantal beurtschippers vergeten.
Jaap van der Zwaag

Home