|
De Vervening, in
Friesland.
| 1 |
2 |

Gemeentegeschiedenis.
In 1551 ondertekenden de ‘heeren’ Van Dekema, Van Cuyck en
Foeyts de oprichtingsakte van de Schoterlandse Veencompagnie,
de op een na oudste Naamloze Vennootschap van Nederland. (Die zich in 1602 in het Oranjewoud vestigde op
Sickingastate. Deze boerderij vormde het begin van het
latere Oranjebezit) De
oprichtingsakte van de oudste Nederlandse hoogveenkolonie is
in feite de geboorteakte van Heerenveen. Voor het vervoer
van de afgegraven turf lieten de ‘heeren van het veen’ de
Schoterlandse Compagnonsvaart en de Heerensloot graven. Het
vaarwater werd gekruist door de verbinding Zwolle-Leeuwarden.
De combinatie van kruising van wegen en waterwegen en de
voortvarendheid waarmee de ‘heeren van het veen’
activiteiten ontwikkelden liggen ten grondslag aan het
ontstaan van Heerenveen. Op zo’n plaats ontstond vaak een
concentratie van middenstand en handel, hetgeen voor
woningzoekenden en ondernemers weer aanleiding was tot
vestiging in nabije omgeving. Zo ook in Heerenveen. In de
negentiende eeuw groeide de nederzetting uit tot een plaats
met veel patriciërs, deftige burgers en middenstand oftewel
tot het ‘Friese Haagje’.
Veen is het afgestorven maar
niet vergane restant van vroegere vegetaties, die over het
algemeen in een zeer waterrijk milieu hebben geleefd en
juist door die waterrijkdom gedeeltelijk bewaard bleven. Die
venen zijn over het algemeen na de laatste ijstijd d.w.z. de
laatste 13.000 jaar ontstaan.
BONTEBOK IN HET NIEUWS.
Vandaag staat een onschuldig huisdier centraal: de bok. We
gaan daarvoor naar het dorp Bontebok, 7 kilometer ten oosten
van Heerenveen gelegen. Bontebok is gewoon genoemd naar de
mannetjesgeit en dan eentje die bont was. Maar hoe kan dat
nou? Een nederzetting wordt toch niet simpelweg naar een
beest genoemd?
Natuurlijk ligt het in Bontebok ook niet zo eenvoudig. Laten
we maar eens naar de geschiedenis van het dorp kijken. De
plaats is ontstaan als veenkolonie. Het begin ligt in 1551.
Op 24 juli van dat jaar tekenden Pyter Hettes van Dekema uit
Jelsum en Johan van Cuyck Anthonisz en Floris Foeyts uit
Utrecht een contract van samenwerking om het hoogveen onder
de dorpen Hoornsterzwaag, Jubbega, Schurega, Oudehorne,
Nieuwehorne, Katlijk, Brongerga en Langer- en Kortezwaag af
te gaan graven om tot turf te verwerken. Sytse Jan van der
Molen heeft de geschiedenis van die veengraverij beschreven
in zijn `Turf uit de Wouden' van 1978.
De drie heren noemden hun samenwerkingsverband de `Compaignie
ofte societeijt'. Ze begonnen niet in Bontebok, want dat was
er nog niet. Ze begonnen op de plaats waar nu Heerenveen
ligt. Ze lieten een kanaal het hoogveen in graven nadat er
een goede vaarverbinding met het Sneekermeer was gemaakt.
Het veenkanaal heette eerst Grift, maar kreeg weldra de naam
Compagnonsvaart.
In 1600 bereikte de hoogveengraverij de zuidwestelijke grens
van het dorpsgebied van Langezwaag. In 1649 wordt de Lawei
voor de eerste keer vermeld. Dat was het werktuig, waarmee
begin en einde van de werktijden werden aangegeven. In dat
jaar stond de Lawei nog ergens in de Knipe.
Op de grietenijkaart van Schotanus van 1718 is de lawei
verplaatst. Hij staat dan niet ver van de plek, waar de weg
van Nieuwehorne naar Langezwaag de Compagnonsvaart kruist.
Maar er staat nog meer interessants. Op de kaart van
Schoterland staat eenvoudigweg: Bontebok. Op de kaart van
Opsterland - de Compagnonsvaart liep praktisch langs de
grens tussen de beide grietenijen - staat wat meer te lezen:
`de Bontebock en Verlaat'. Op de kaart is duidelijk een
versmalling in de vaart te zien.
Een verlaat of vallaat is een kleine schutsluis. En de
Bontebok slaat op beide kaarten heel duidelijk op een huis
aan het kanaal, vlakbij het vallaat. Die naam van dat huis
komt voor het eerst voor in een document uit 1640. Daarin
staat namelijk, dat het graven van de Compagnonsvaart op dat
moment was gevorderd tot de Bonte Bock.
Die Bonte Bock was een herberg. In het boekje `De Bontebok,
krúspunt fan wei en wetter' uit 1989 staan twee aan de
sneuper Wigholt Vleer ontleende verhalen uit 1683 en 1685
die zich in die herberg hebben afgespeeld. Die verhalen
komen uit de criminele archieven van het Hof van Friesland.
Het ging er nogal ruig aan toe. Tjibbe Jeeps, de politieman
van de Knipe, bedreigde daar de zwangere vrouw van kastelein
Jabik Linses met twee messen. Het liep voor haar allemaal
goed af, maar Tjibbe moest een jaar naar het Leeuwarder
Blokhuis. Slechter liep het af met een andere gast van de
Bonte Bock. Sake Hanses was op roof gegaan en was
ondergedoken in de Bontebokster herberg. Nadat hij was
gepakt, werd hij tot de zwaarste straf veroordeeld: `om aen
een staek geworgt en daer nae met de viere gesengt'
(verbrand) te worden.
Heerenveen is de oudste hoogveenkolonie van ons land. Al in
1551 is de plaats Heerenveen ontstaan. Toen waren er
“Heeren” genaamd Foeyts, Van Dekema en Cuyck die geld wilden
verdien en daarom besloten om in dit gebied veenontginning
en turfwinning te realiseren. Voor de aan- en afvoer van de
turf werden vaarten en sloten gegraven. Dat vaarwater werd
doorkruist door de verbinding Zwolle-Leeuwarden. Op die
kruising ontstond de nederzetting Heerenveen.
Tot 1800 was Heerenveen de plaats voor “het Friese Haagje”,
een gezelschap van deftige burgerij en de middenstand.
Doordat de nederzetting Heerenveen op de grens lag van drie
gemeenten; Aengwirden, Schoterland en Haskerland, werd pas
na lang beraad op 1 juli 1934 de gemeente Heerenveen
officieel.
DE OOSTHOEK.
ARMOEDE ALS LOTGENOOT.

HET BEGIN.
Reeds in de Middeleeuwen is er sprake van het vervenen van
stukken land, zo ook in Friesland. Het gedroogde veen gold
als turf voor brandstof, dat tot diep in de 19e eeuw door vrijwel alle huishoudens als zodanig werd
gebruikt. Dat hierin geld werd " geroken", bleek met de
oprichting van de Schoterlandse Compagnie, door de Fries
Peter van Dekema en de Utrechters Jan van Cuyck en Floris
Foeyts, op 24 juli 1551 in het gebied, wat nu bekend is als
Heerenveen, van oorsprong "een vlecke", met weinig meer dan
enkele hutten en huisjes.


Een decoratieve
gevelsteen in de brugwachterwoning bij de Skânsterbręge over
de Hearresleat toont aan, dat eigendommen van de Decama,
Cuijck en Foeijts Veencompagnie eerst tegen het eind van de
19e eeuw door de Provincie werden overgenomen. Hierbij
behoorde ook een schutsluis, waarvan nog overblijfsels
aanwezig zijn (1976)

Deze Compagnie zal tot het einde van de 19e
eeuw
van doorslaggevende betekenis blijven voor een deel van de
Friese Zuidoosthoek. Plaatsen als Jubbega-Schurega, Jubbega
3e Sluis, Katlijk, De Knipe en Hoornsterzwaag
hebben hun ontwikkelingen hieraan te danken. Dankzij de
Compagnie komt de ontwikkeling van de veenderij op gang,
worden er kanalen gegraven voor de afvoer van het veen,
zoals de Schoterlandsche - Compagnonsvaart, maar treedt er
stagnatie op, als de Opstand ook in Friesland volop woedt,
wat tot gevolg heeft dat o.a. Peter van Dekema in 1578 in
ballingschap moet en de andere heren afgezet worden. Na
1595 worden de werkzaamheden voorgezet , want in1599 wordt
het gebied rond Langezwaag bereikt.
In 1615 moet echter opnieuw overlegd worden om de grote stap
vooruit te maken Van de Molen beschrijft de
ontwikkelingen aan de hand van plaatsnamen en jaartallen. de
progressie, maar ook de tegenslagen. Rond 1774 wordt in
Jubbega een sluis aangelegd, ten teken, dat de
Compagnonsvaart tot zover gevorderd is.
In de 18e
eeuw is er sprake van stagnatie als een
zekere Martinus van Scheltinga de afgraving van de
Compagnonsvaart tussen 1732 en 1748 blokkeert. Dit leidt tot zeer trieste gevolgen op sociaal terrein, wat
zich uit in bedelarijen, diefstallen en dergelijke. De
affaire speelt zich af rond Jubbega en het is het volk, dat
in 1748 letterlijk de knoop doorhakt, door de Scheltinga's
te dwingen hun verzet te staken.
Het is in deze tijd, dat de zogenaamde "wijken" of "wyken"
ontstaan. Een voorbeeld: Broer Wytses wijk. In
1800 woonde hier Broer Wytses, die 17 koeien bezit. Tevens
worden de geldzaken van de Compagnie besproken, zoals het
verkrijgen van vrijkoopbrieven of contracten, die de
"onvrije" verveners het recht geven door de Compagnonsvaart
te varen. Het "hondgeld" wordt eveneens ter sprake gebracht.
De sociale situatie, zoals reeds genoemd, is alles behalve
in orde. De criminaliteit is er berucht en met name in de
Kompenije, het gebied rond Jubbega heeft dan een erg
slechte naam. Diefstal, bedelarijen, dronkenschap,
vernielingen en tevens een moord zijn duidelijke uitingen
van grote armoede. Het woord "woning" kan moeilijk
betrekking hebben op de onderkomens van de bewoners, men
spreekt dan ook liever van "bedelaarshutten".
 
|
Een plaggenhut of spitkeet is een eenvoudige
met
heideplaggen
bedekte
hut. Plaggenhutten waren te vinden in de
armste gebieden van Nederland, vooral in
Drenthe,
Friesland en
Overijssel. Ze werden bewoond door de
allerarmste arbeiders, niet zelden met grote
gezinnen. Daar gold de
ongeschreven regel dat een nieuw huis mocht blijven
staan als het tussen zonsondergang en zonsopgang was
gebouwd en de schoorsteen 's ochtends rookte.
Een plaggenhut was een zeer eenvoudig bouwwerk.
Meestal gedeeltelijk uitgegraven in de grond en
zonder zijmuren zodat het dak op grondhoogte begon.
Het dak was bekleed met plaggen die uit het
omliggende land werden gehaald. De leefomstandigheden waren erbarmelijk slecht.
Door de bouwwijze was het vertrek slecht te
verwarmen, vochtig en krioelde van ongedierte.
Bewoners van plaggenhutten werden dan ook niet erg
oud.
Het interieur was sober, alhoewel de turf het 'nieuwe goud'
was, kregen de arbeiders slechts een zeer klein deel van die
rijkdom. Een houten tafel, enkele stoelen en
houten kisten vormden de inventaris. Een zak met
stro gevuld zorgde voor de matras.
Er waren arbeiders met hun gezinnen die, zolang er werk was,
in de woningen bleven huizen. Maar er
waren er ook die hun hele leven, soms met 6 - 9 personen in
de kleine en vochtige ruimte woonden. Soms moesten ze nog
woonruimte afstaan aan een geit of schaap. Van enige privacy
was geen sprake, soms werd een deel van de hut met een
gordijn afgescheiden. Een soort gemeenschap ontstond er doordat de plaggenhutten
bij elkaar in groepen werden geplaatst, waardoor de waterput,
kookplek en toilet gemeenschappelijk konden worden gebruikt.
Geen wonder dat vooral bij ziekte en
sterfgevallen in zulke krotten, zich ten hemel
schreiende toestanden voordeden.
Naast de grondstoffen die werden gebruikt, was de verwarming
ook een probleem. De rook van de kachel werd veelal slecht
afgevoerd en de mensen kregen 's nachts veel vuile lucht
binnen. De rest van de tijd leefde en werkte men in de
buitenlucht hetgeen een kleine compensatie vormde.
Als een verlaten plaggenhut
moest worden gesloopt, dan werd dat meestal
gedaan door deze in brand in te steken. Dat
bleek de enige methode om de in de loop van de
tijd bijgekomen vegetatie (vlooien, luis en
ander ongedierte) voorgoed uit te roeien
In 1901 kwam er een
woningwet, die bepaalde dat niemand meer in een
plaggenhut mocht wonen. Echter vervangende woningen
werden slechts in beperkte mate aangeboden. In
bijvoorbeeld een dorp als Jubbega-Hoornsterzwaag,
duurde het daarom nog tot ver in de jaren zestig voordat
de laatste plaggenhutten waren gesloopt.
|

Foto van
www.openluchtmuseum.nl

Foto van
www.openluchtmuseum.nl
De wijkgravers de
veenarbeiders de verveners de turfschippers de vrouwen in
het veen. Het is hard werken onder moeilijke omstandigheden
met als gevolg een vrij groot drankmisbruik onder velen. In
de herfst wanneer het meeste werk in het veen gebeurd was
gingen vele gezinnen bij landbouwers aardappelen rooien. Dit
rooien moest met de hand gebeuren omdat rooimachines toen
nog niet uitgevonden waren. De verdiensten waren vaak niet
zo hoog maar aangezien het evenals in het veen aangenomen
werk betrof, ging de hele familie mee.
Kinderen van tien jaar lagen
soms de hele herfst op hun knieën aardappelen te rooien. Ze
deden een rij tegelijk. De vader en moeder en de grotere
jongens, namen meestal twee rijen tegelijk mee, terwijl de
vader of een van de oudste zoons de aardappelen naar de wijk
kruide, waar hij ze in een langwerpige kuil stortte.
Het was in wezen een
betreurenswaardige toestand, dat deze jonge kinderen mee
naar het land moesten. Maar het was nodig om de winter door
te komen, vooral met een groot gezin. De kinderen in de
beide hoogste schoolklassen kregen dan 'aardappelkrabbers-verlof'
meestal 5 a 6 weken. Dat dit de ontwikkeling van de kinderen
niet ten goede kwam laat zich begrijpen. Deze kinderen
doorliepen bijna nooit alle klassen, doordat ze nogal eens
een klas over moesten doen. Wanneer ze de school vanwege hun
leeftijd mochten verlaten, bleven ze er geen dag langer, ze
werden direct in het arbeidsproces ingeschakeld.
Duizenden mensen hebben hier
honderden jaren werk gehad. Daar is later een einde aan
gekomen op wat machinaal turfgraven na voor industriële doeleinden.



Veen graven zoals dat vroeger gebeurde.

Hard werken door het hele gezin onder vaak
moeilijke omstandigheden.
Het vervenen van een bepaalde
streek
was een langdurige zaak, er was een periode van 100 tot 150 jaar nodig om een plaats als Buinermond (ook wel
Nieuw-Buinen genoemd) helemaal van
veen te ontdoen. Het vervenen als zodanig onderging
in de loop der tijden overigens ook
verandering. Waren vroeger die percelen met de meeste zwarte of dik veen
de belangrijkste, later kwamen percelen waar veel van het dargveen opzat, meer in de belangstelling. De oorzaak hiervan was dat men gebruik ging
maken van baggermachines die met
minder werk grotere hoeveel heden veen konden verwerken.
In de baggermachines werd het veen met water
vermengd. Wanneer het water er later
was uitgetrokken, leverde het een zeer goed en brandbaar
product op, de zogenaamde 'baggerturf'. Voor deze baggerturf wilden de gebruikers graag wat meer betalen omdat het
product veel
kleiner en schoner was en lang niet zo
snel verbrandde dan de dikke met de hand gestoken turf. Over grotere afstanden was de baggerturf voordeliger, omdat deze veel
zwaarder was en dus niet zoveel ruimte
innam en in de meeste gevallen ook niet
zoveel afval (mot) had.
Deze baggerturf
werd vooral veel gestookt in Friesland,
in de stad Groningen en in de provincie
Groningen (vooral in de kleigebieden). Het waren meest vaste schippers die dit
product vervoerden. Ze kwamen een
paar keer per jaar een lading turf halen. Deze turf ventten
ze uit in verschillende
dorpen en steden. De meeste schippers
hadden daar ook hun vaste afnemers. Vooral de Friese schippers stelden in
het algemeen hoge eisen aan het product en aan de verlading hiervan die
met de hand geschiedde.

Een gezin van
turfschippers.

Een geladen turfschip.

De verveners
dienden er zoveel mogelijk voor te zorgen, dat de baggerturf zo gelijkmatig
mogelijk was, niet te klein maar ook niet te groot. Duizenden mensen hebben hier honderden jaren werk gehad. Daar is nu een
einde aan gekomen op wat machinaal
turfgraven na voor industriële doeleinden. Het beroep was dusdanig dat ze onder
alle omstandigheden moesten werken, of het weer goed of slecht was,
gejaagd moest er worden.
Het geld van de overgrote meerderheid van de scheepsjagers werd omgezet
in sterke drank. Daarom stond het beroep van scheepsjager ook niet erg hoog
in aanzien. Voor het scheepsjagen in de
provincie Groningen was een zogenaamde scheepsjagerspenning
(1903) nodig. Dit was een
koperen penning met een riempje er aan. De penning diende zichtbaar te worden
gedragen opdat de schipper kon beoordelen of hij met een
bonafide scheepsjager in zee ging. De vergunning kon
ook worden ingenomen wanneer een jager zich niet
goed gedroeg.
Een belangrijke functie in het veenkoloniale zakenleven vervulde voorts de
Snikke
en beurtvaartdiensten.
HET EINDE KOMT IN ZICHT.
Vooral vanaf de tweede helft van de 19e
eeuw wordt duidelijk, dat de toekomst van de
veengebieden erg somber wordt. De ontdekking van steenkool
en aardolie als nieuwe en relatief goedkope brandstoffen
betekent dat het turf als brandstof steeds minder opgeld
doet. Voordat de crisis zich in volle glorie aandient, vindt
er tussen 1860 en 1874 nog een flinke opleving plaats: Hoge
prijzen, hoge productiecijfers en relatief hoge lonen
brengen enige welvaart in de veengebieden.
Maar vanaf 1875 gaat het mis. Zoals reeds gememoreerd, is er
de komst van o.a. steenkool, die van elders aangevoerd
wordt, waardoor turf als brandstof onaantrekkelijk is en dat
leidt tot afnemende vraag, wat voor de veenarbeiders
desastreuze gevolgen heeft. De prijzen zakken in, de
werkloosheid stijgt en dat leidt tot snel oplopende armoede.
Bovendien vindt ook in de veenderij mechanisatie plaats door
de invoering van o.a. de baggermachine, wat tot extra
uitstoot van de arbeid leidt. Tegelijkertijd met de
veencrisis doet zich de landbouwcrisis de landbouwcrisis
gelden, die tussen 1875 en 1890 heel Europa treft, maar
vooral in de Friese Zuidoosthoek hard aankomt, omdat juist
hier sprake is van twee crises, die op hetzelfde moment
toeslaan.
Rond 1888 treedt er een licht herstel in ,
waardoor de veenarbeiders weer eisen kunnen stellen. Het is
in deze periode, dat de vermaarde Domela Nieuwenhuis
optreedt, maar helaas, het is niet meer dan een laatste
stuiptrekking; vele arbeiders worden trekarbeiders. Men
trekt naar Drente en vanuit Drente naar het Duitse Picardië,
een situatie, die voortduurt tot de Eerste Wereldoorlog van
1914.
Wordt de algemene situatie in de veengebieden
in feite alleen maar slechter, elders in Nederland is sprake
van een forse toename van het gemiddelde normale loon van
70% tussen 1850 en 1910,, terwijl het reële loon met 50 tot
60% stijgt. Deze cijfers zijn helaas niet van
toepassing voor de veenarbeiders, wier lonen vrijwel gelijk
zijn met dat van 1830.
Weliswaar verschilt de betaling per regio, maar gemiddeld is
er de indruk, dat de veenarbeiders niet meedelen in de
algemene welvaartsstijging tussen 1850 en 1910, sterker;
vooral tussen 1875 en 1890 verminderen de lonen drastisch,
in Appelscha gedurende het tijdvak 1877-1887 met 25% en in
Beets met 20% voor de losse arbeiders en 18% voor de
turfsteker.
Er is zondermeer sprake van toenemende ellende en dat
resulteert in bedeling en criminaliteit. In deze tijd wordt
er een toenemend beroep gedaan op kerkelijke burgerlijke
armbesturen, die derhalve steeds meer gelden moeten
uittrekken om althans het minimale te kunnen verstrekken.
Men voert zelfs het "slikgeld" in, een soort
belasting, om complete uitputting van de armenkassen te
voorkomen, daar na 1900 het met de veenderij vrijwel gedaan
is, al vindt er rond 1914 als gevolg van de Eerste
Wereldoorlog nog een opleving plaats, dankzij de economische
wanorde in Europa en de boycot van vele producten als gevolg
van de oorlogshandelingen.
In de volgende hoofdstukken komen we de gevolgen van de
slechte sociale en economische situatie tegen en ontstaat er
geleidelijk een beeld van een streek in Friesland, gedompeld
in armoede, maar ook de wil om eruit te komen.

Opbreken.
ARMOEDE, VERZET EN REPRESSIE.
Dit hoofdstuk behandelt met name
de situatie in de Opsterlandse venen, waar evenals in
Schoterland, de veencrisis zich doet voelen. Hoewel het
werkstuk voornamelijk de Schoterlandse veengebieden betreft,
is een verwijzing naar een buurtgemeente op zijn plaats,
daar de geschiedenis van Opsterlanden Schoterland vele
raakvlakken heeft en stakingen in Opsterland ook door vele
Schoterlanders worden bijgewoond.
Het tijdvak 1895-1940 is een
roerige en sociaal gezien, een armoedige periode in de
veenderijen. Het is duidelijk, dat de toekomst van de
veengebieden niet langer in het vervenen van de gronden
ligt; aardolie en steenkool doen hun intrede, maar helaas,
een aansprekend alternatief is aanvankelijk weinig
voorhanden, al zien we rond 1895 het ontstaan van enkele,
door particuliere filantropen begonnen, landbouwbedrijfjes.
Dankzij de Eerste Wereldoorlog
vindt tussen 1914 en 1919 in Opsterland nog een laatste
opbloei van de verveningen plaats. Maar dat het
niet goed gaat is te zien aan de trekarbeiders die naar
Duitsland afreizen om de nodige inkomsten te verwerven.
Vooral rond 1898-1914 is sprake van tijdelijke migratie naar
Duitsland. Alleen al uit Aengwirden trekken in
1898 125 arbeiders naar Duitsland, uit Opsterland gaan
tussen januari en juli 1899 800 arbeiders naar Duitsland,
nogal wat kinderen bezoeken Duitse scholen. Vele arbeiders
keren echter na een korte tijd weer terug waar zij weer
geconfronteerd worden met de heersende misčre. Anderen
hielden er een "behoorlijk" bedrag aan over, maar over het
algemeen blijft de situatie slecht.
In 1914 breekt de Eerste
Wereldoorlog uit en dat heeft tot gevolg, dat de Europese
economie praktisch stilvalt. Door een blokkade van Engeland
en Frankrijk tegen Duitsland is er o.a. een nijpend tekort
aan steenkool en hierdoor stijgt de vraag naar het aloude
turf. Voor de Friese Zuidoosthoek betekent dat een redelijke
verbetering van de situatie; hogere turfverkopen en dus
kunnen ook weer looneisen gesteld worden. Rond 1917-1918
vinden er stakingen plaats, die tot hogere lonen moeten
leiden. Er verschijnen diverse stakingsoproepen in de "Hepkema",
een regionaal blad. Dat het wat beter gaat, bewijst het
volgende: In 1912 wordt per roede fl. 1,= verdiend, 4 jaar
later is dat fl. 1,35-1,60 per roede.
Maar als de oorlog in 1919
beëindigd wordt, is het met de vraag naar turf eveneens
afgelopen. Dit betekent het definitieve einde van de
veenderijen in het oosten van Friesland, al handhaven
diverse veenbaasjes zich tot 1945, maar 1919-1922 geldt als
breuk met het verleden, althans wat de veencultuur betreft,
niet echter wat betreft de positie van menig veenarbeider;
nog meer armoede en ellende voor de grote meerderheid, wat
leidt tot grote sociale spanningen.
Toenemende werkloosheid leidt
tot een toename van het aantal bedelingen en een voorbeeld
daarvan geeft de "Hepkema" van 14 maart 1919, waar de lezer
gewezen wordt op het gebruik van broodkaarten, te
vergelijken anno 1991 met in de Verenigde Staten nog steeds
in gebruik zijnde "foodstamps" ofwel voedselbonnen.
(werkstuk in 1991 geschreven, dus dat jaar gebruik ik als
referentiekader.) Een ander voorbeeld is de vraag naar een
conciërge voor fl. 1200,= per jaar, maar liefst 449 mensen
solliciteren ernaar!!!.
Er moet iets ondernomen worden,
dat is duidelijk. De provincie Friesland en de diverse
gemeenten vinden, dat er werkverschaffingsprojecten
opgericht moeten worden en tezamen met de provincies
Groningen en Drenthe, waar soortgelijke toestanden heersen,
worden ontginningsmaatschappijen opgericht: voor Friesland
is dat de N.V. Ontginningsmaatschappij "De Drie Provinciën",
opgericht in 1924.
De lonen in de
werkverschaffingsprojecten blijken erg laag te zijn en
diverse kleine stakingen, sabotage en toenemende agitatie
leidt het geheel van spanningen en onvrede tot de grote
stakingsbeweging van 1925, die uiteindelijk door de
marechaussee, op last van de overheid, krachtig onderdrukt
wordt. Zelfs het gehoor geven aan de natuurlijke aandrang,
is dan niet zonder risico. Een man, die "ut de broek ging",
hoort de politiekogels over zich heen scheren.

| 1 |
2 |
Home
|