De Vervening, in Friesland.

 

| 1 | 2 |

 

 

Gemeentegeschiedenis.

In 1551 ondertekenden de ‘heeren’ Van Dekema, Van Cuyck en Foeyts de oprichtingsakte van de Schoterlandse Veencompagnie, de op een na oudste Naamloze Vennootschap van Nederland. (Die zich in 1602 in het Oranjewoud vestigde op Sickingastate. Deze boerderij vormde het begin van het latere Oranjebezit)  De oprichtingsakte van de oudste Nederlandse hoogveenkolonie is in feite de geboorteakte van Heerenveen. Voor het vervoer van de afgegraven turf lieten de ‘heeren van het veen’ de Schoterlandse Compagnonsvaart en de Heerensloot graven. Het vaarwater werd gekruist door de verbinding Zwolle-Leeuwarden. De combinatie van kruising van wegen en waterwegen en de voortvarendheid waarmee de ‘heeren van het veen’ activiteiten ontwikkelden liggen ten grondslag aan het ontstaan van Heerenveen. Op zo’n plaats ontstond vaak een concentratie van middenstand en handel, hetgeen voor woningzoekenden en ondernemers weer aanleiding was tot vestiging in nabije omgeving. Zo ook in Heerenveen. In de negentiende eeuw groeide de nederzetting uit tot een plaats met veel patriciërs, deftige burgers en middenstand oftewel tot het ‘Friese Haagje’.

Veen is het afgestorven maar niet vergane restant van vroegere vegetaties, die over het algemeen in een zeer waterrijk milieu hebben geleefd en juist door die waterrijkdom gedeeltelijk bewaard bleven. Die venen zijn over het algemeen na de laatste ijstijd d.w.z. de laatste 13.000 jaar ontstaan.

 

BONTEBOK IN HET NIEUWS.

Vandaag staat een onschuldig huisdier centraal: de bok. We gaan daarvoor naar het dorp Bontebok, 7 kilometer ten oosten van Heerenveen gelegen. Bontebok is gewoon genoemd naar de mannetjesgeit en dan eentje die bont was. Maar hoe kan dat nou? Een nederzetting wordt toch niet simpelweg naar een beest genoemd?

Natuurlijk ligt het in Bontebok ook niet zo eenvoudig. Laten we maar eens naar de geschiedenis van het dorp kijken. De plaats is ontstaan als veenkolonie. Het begin ligt in 1551. Op 24 juli van dat jaar tekenden Pyter Hettes van Dekema uit Jelsum en Johan van Cuyck Anthonisz en Floris Foeyts uit Utrecht een contract van samenwerking om het hoogveen onder de dorpen Hoornsterzwaag, Jubbega, Schurega, Oudehorne, Nieuwehorne, Katlijk, Brongerga en Langer- en Kortezwaag af te gaan graven om tot turf te verwerken. Sytse Jan van der Molen heeft de geschiedenis van die veengraverij beschreven in zijn `Turf uit de Wouden' van 1978.

De drie heren noemden hun samenwerkingsverband de `Compaignie ofte societeijt'. Ze begonnen niet in Bontebok, want dat was er nog niet. Ze begonnen op de plaats waar nu Heerenveen ligt. Ze lieten een kanaal het hoogveen in graven nadat er een goede vaarverbinding met het Sneekermeer was gemaakt. Het veenkanaal heette eerst Grift, maar kreeg weldra de naam Compagnonsvaart.

In 1600 bereikte de hoogveengraverij de zuidwestelijke grens van het dorpsgebied van Langezwaag. In 1649 wordt de Lawei voor de eerste keer vermeld. Dat was het werktuig, waarmee begin en einde van de werktijden werden aangegeven. In dat jaar stond de Lawei nog ergens in de Knipe.

Op de grietenijkaart van Schotanus van 1718 is de lawei verplaatst. Hij staat dan niet ver van de plek, waar de weg van Nieuwehorne naar Langezwaag de Compagnonsvaart kruist. Maar er staat nog meer interessants. Op de kaart van Schoterland staat eenvoudigweg: Bontebok. Op de kaart van Opsterland - de Compagnonsvaart liep praktisch langs de grens tussen de beide grietenijen - staat wat meer te lezen: `de Bontebock en Verlaat'. Op de kaart is duidelijk een versmalling in de vaart te zien.

Een verlaat of vallaat is een kleine schutsluis. En de Bontebok slaat op beide kaarten heel duidelijk op een huis aan het kanaal, vlakbij het vallaat. Die naam van dat huis komt voor het eerst voor in een document uit 1640. Daarin staat namelijk, dat het graven van de Compagnonsvaart op dat moment was gevorderd tot de Bonte Bock.

Die Bonte Bock was een herberg. In het boekje `De Bontebok, krúspunt fan wei en wetter' uit 1989 staan twee aan de sneuper Wigholt Vleer ontleende verhalen uit 1683 en 1685 die zich in die herberg hebben afgespeeld. Die verhalen komen uit de criminele archieven van het Hof van Friesland.

Het ging er nogal ruig aan toe. Tjibbe Jeeps, de politieman van de Knipe, bedreigde daar de zwangere vrouw van kastelein Jabik Linses met twee messen. Het liep voor haar allemaal goed af, maar Tjibbe moest een jaar naar het Leeuwarder Blokhuis. Slechter liep het af met een andere gast van de Bonte Bock. Sake Hanses was op roof gegaan en was ondergedoken in de Bontebokster herberg. Nadat hij was gepakt, werd hij tot de zwaarste straf veroordeeld: `om aen een staek geworgt en daer nae met de viere gesengt' (verbrand) te worden.

Heerenveen is de oudste hoogveenkolonie van ons land. Al in 1551 is de plaats Heerenveen ontstaan. Toen waren er “Heeren” genaamd Foeyts, Van Dekema en Cuyck die geld wilden verdien en daarom besloten om in dit gebied veenontginning en turfwinning te realiseren. Voor de aan- en afvoer van de turf werden vaarten en sloten gegraven. Dat vaarwater werd doorkruist door de verbinding Zwolle-Leeuwarden. Op die kruising ontstond de nederzetting Heerenveen.

Tot 1800 was Heerenveen de plaats voor “het Friese Haagje”, een gezelschap van deftige burgerij en de middenstand. Doordat de nederzetting Heerenveen op de grens lag van drie gemeenten; Aengwirden, Schoterland en Haskerland, werd pas na lang beraad op 1 juli 1934 de gemeente Heerenveen officieel.

 

DE OOSTHOEK.

ARMOEDE ALS LOTGENOOT.

 

 

HET BEGIN.

Reeds in de Middeleeuwen is er sprake van het vervenen van stukken land, zo ook in Friesland. Het gedroogde veen gold als turf voor brandstof, dat tot diep in de 19e eeuw door vrijwel alle huishoudens als zodanig werd gebruikt. Dat hierin geld werd " geroken", bleek met de oprichting van de Schoterlandse Compagnie, door de Fries Peter van Dekema en de Utrechters Jan van Cuyck en Floris Foeyts, op 24 juli 1551 in het gebied, wat nu bekend is als Heerenveen, van oorsprong "een vlecke", met weinig meer dan enkele hutten en huisjes.

 

 

Een decoratieve gevelsteen in de brugwachterwoning bij de Skânsterbręge over de Hearresleat toont aan, dat eigendommen van de Decama, Cuijck en Foeijts Veencompagnie eerst tegen het eind van de 19e eeuw door de Provincie werden overgenomen. Hierbij behoorde ook een schutsluis, waarvan nog overblijfsels aanwezig zijn  (1976)

 

Deze Compagnie zal tot het einde van de 19e eeuw van doorslaggevende betekenis blijven voor een deel van de Friese Zuidoosthoek. Plaatsen als Jubbega-Schurega, Jubbega 3e Sluis, Katlijk,  De Knipe en Hoornsterzwaag hebben hun ontwikkelingen hieraan te danken. Dankzij de Compagnie komt de ontwikkeling van de veenderij op gang, worden er kanalen gegraven voor de afvoer van het veen, zoals de Schoterlandsche - Compagnonsvaart, maar treedt er stagnatie op, als de Opstand ook in Friesland volop woedt, wat tot gevolg heeft dat o.a. Peter van Dekema in 1578 in ballingschap moet en de andere heren afgezet worden.  Na 1595 worden de werkzaamheden voorgezet , want in1599 wordt het gebied rond Langezwaag bereikt.

In 1615 moet echter opnieuw overlegd worden om de grote stap vooruit te maken Van de Molen beschrijft de ontwikkelingen aan de hand van plaatsnamen en jaartallen. de progressie, maar ook de tegenslagen. Rond 1774 wordt in Jubbega een sluis aangelegd, ten teken, dat de Compagnonsvaart tot zover gevorderd is.

In de 18e eeuw is er sprake van stagnatie als een zekere Martinus van Scheltinga de afgraving van de Compagnonsvaart tussen 1732 en 1748 blokkeert. Dit leidt tot zeer trieste gevolgen op sociaal terrein, wat zich uit in bedelarijen, diefstallen en dergelijke. De affaire speelt zich af rond Jubbega en het is het volk, dat in 1748 letterlijk de knoop doorhakt, door de Scheltinga's te dwingen hun verzet te staken.

Het is in deze tijd, dat de zogenaamde "wijken" of "wyken" ontstaan.  Een voorbeeld: Broer Wytses wijk. In 1800 woonde hier Broer Wytses, die 17 koeien bezit. Tevens worden de geldzaken van de Compagnie besproken, zoals het verkrijgen van vrijkoopbrieven of contracten, die de "onvrije" verveners het recht geven door de Compagnonsvaart te varen. Het "hondgeld" wordt eveneens ter sprake gebracht.

De sociale situatie, zoals reeds genoemd, is alles behalve in orde. De criminaliteit is er berucht en met name in de Kompenije,  het gebied rond Jubbega heeft dan een erg slechte naam. Diefstal, bedelarijen, dronkenschap, vernielingen en tevens een moord zijn duidelijke uitingen van grote armoede. Het woord "woning" kan moeilijk betrekking hebben op de onderkomens van de bewoners, men spreekt dan ook liever van "bedelaarshutten".

 

Een plaggenhut of spitkeet is een eenvoudige met heideplaggen bedekte hut. Plaggenhutten waren te vinden in de armste gebieden van Nederland, vooral in Drenthe, Friesland en Overijssel. Ze werden bewoond door de allerarmste arbeiders, niet zelden met grote gezinnen. Daar gold de ongeschreven regel dat een nieuw huis mocht blijven staan als het tussen zonsondergang en zonsopgang was gebouwd en de schoorsteen 's ochtends rookte.

Een plaggenhut was een zeer eenvoudig bouwwerk. Meestal gedeeltelijk uitgegraven in de grond en zonder zijmuren zodat het dak op grondhoogte begon. Het dak was bekleed met plaggen die uit het omliggende land werden gehaald. De leefomstandigheden waren erbarmelijk slecht. Door de bouwwijze was het vertrek slecht te verwarmen, vochtig en krioelde van ongedierte. Bewoners van plaggenhutten werden dan ook niet erg oud.

Het interieur was sober, alhoewel de turf het 'nieuwe goud' was, kregen de arbeiders slechts een zeer klein deel van die rijkdom. Een houten tafel, enkele stoelen en houten kisten vormden de inventaris. Een zak met stro gevuld zorgde voor de matras. Er waren arbeiders met hun gezinnen die, zolang er werk was, in de woningen bleven huizen. Maar er waren er ook die hun hele leven, soms met 6 - 9 personen in de kleine en vochtige ruimte woonden. Soms moesten ze nog woonruimte afstaan aan een geit of schaap. Van enige privacy was geen sprake, soms werd een deel van de hut met een gordijn afgescheiden.
Een soort gemeenschap ontstond er doordat de plaggenhutten bij elkaar in groepen werden geplaatst, waardoor de waterput, kookplek en toilet gemeenschappelijk konden worden gebruikt. Geen wonder dat vooral bij ziekte en sterfgevallen in zulke krotten, zich ten hemel schreiende toestanden voordeden.

Naast de grondstoffen die werden gebruikt, was de verwarming ook een probleem. De rook van de kachel werd veelal slecht afgevoerd en de mensen kregen 's nachts veel vuile lucht binnen. De rest van de tijd leefde en werkte men in de buitenlucht hetgeen een kleine compensatie vormde.

Als een verlaten plaggenhut moest worden gesloopt, dan werd dat meestal gedaan door deze in brand in te steken. Dat bleek de enige methode om de in de loop van de tijd bijgekomen vegetatie (vlooien, luis en ander ongedierte) voorgoed uit te roeien

In 1901 kwam er een woningwet, die bepaalde dat niemand meer in een plaggenhut mocht wonen. Echter vervangende woningen werden slechts in beperkte mate aangeboden. In bijvoorbeeld een dorp als Jubbega-Hoornsterzwaag, duurde het daarom nog tot ver in de jaren zestig voordat de laatste plaggenhutten waren gesloopt.

 

Foto van www.openluchtmuseum.nl

 

Foto van www.openluchtmuseum.nl

 

De wijkgravers de veenarbeiders de verveners de turfschippers de vrouwen in het veen. Het is hard werken onder moeilijke omstandigheden met als gevolg een vrij groot drankmisbruik onder velen. In de herfst wanneer het meeste werk in het veen gebeurd was gingen vele gezinnen bij landbouwers aardappelen rooien. Dit rooien moest met de hand gebeuren omdat rooimachines toen nog niet uitgevonden waren. De verdiensten waren vaak niet zo hoog maar aangezien het evenals in het veen aangenomen werk betrof, ging de hele familie mee.

Kinderen van tien jaar lagen soms de hele herfst op hun knieën aardappelen te rooien. Ze deden een rij tegelijk. De vader en moeder en de grotere jongens, namen meestal twee rijen tegelijk mee, terwijl de vader of een van de oudste zoons de aardappelen naar de wijk kruide, waar hij ze in een langwerpige kuil stortte.

Het was in wezen een betreurenswaardige toestand, dat deze jonge kinderen mee naar het land moesten. Maar het was nodig om de winter door te komen, vooral met een groot gezin. De kinderen in de beide hoogste schoolklassen kregen dan 'aardappelkrabbers-verlof' meestal 5 a 6 weken. Dat dit de ontwikkeling van de kinderen niet ten goede kwam laat zich begrijpen. Deze kinderen doorliepen bijna nooit alle klassen, doordat ze nogal eens een klas over moesten doen. Wanneer ze de school vanwege hun leeftijd mochten verlaten, bleven ze er geen dag langer, ze werden direct in het arbeidsproces ingeschakeld.

Duizenden mensen hebben hier honderden jaren werk gehad. Daar is later een einde aan gekomen op wat machinaal turfgraven na voor industriële doeleinden.

 

 

 

 

Veen graven zoals dat vroeger gebeurde.

 

Hard werken door het hele gezin onder vaak moeilijke omstandigheden.

 

Het vervenen van een bepaalde streek was een langdurige zaak, er was een periode van 100 tot 150 jaar nodig om een plaats als Buinermond (ook wel Nieuw-Buinen genoemd) helemaal van veen te ontdoen.
Het vervenen als zodanig onderging in de loop der tijden overigens ook verandering. Waren vroeger die percelen met de meeste zwarte of dik veen de belangrijkste, later kwamen percelen waar veel van het dargveen opzat, meer in de belangstelling. De oorzaak hiervan was dat men gebruik ging maken van baggermachines die met minder werk grotere hoeveel heden veen konden verwerken.

In de baggermachines werd het veen met water vermengd. Wanneer het water er later was uitgetrokken, leverde het een zeer goed en brandbaar product op, de zogenaamde 'baggerturf'. Voor deze baggerturf wilden de gebruikers graag wat meer betalen omdat het product veel kleiner en schoner was en lang niet zo snel verbrandde dan de dikke met de hand gestoken turf.
Over grotere afstanden was de baggerturf voordeliger, omdat deze veel zwaarder was en dus niet zoveel ruimte innam en in de meeste gevallen ook niet zoveel afval (mot) had.

Deze baggerturf werd vooral veel gestookt in Friesland, in de stad Groningen en in de provincie Groningen (vooral in de kleigebieden).
Het waren meest vaste schippers die dit product vervoerden. Ze kwamen een paar keer per jaar een lading turf halen. Deze turf ventten ze uit in verschillende dorpen en steden. De meeste schippers hadden daar ook hun vaste afnemers.
Vooral de Friese schippers stelden in het algemeen hoge eisen aan het product en aan de verlading hiervan die met de hand geschiedde.

 

Een gezin van turfschippers.

 

Een geladen turfschip.

 

De verveners dienden er zoveel mogelijk voor te zorgen, dat de baggerturf zo gelijkmatig mogelijk was, niet te klein maar ook niet te groot.
Duizenden mensen hebben hier honderden jaren werk gehad. Daar is nu een einde aan gekomen op wat machinaal turfgraven na voor industriële doeleinden.
Het beroep was dusdanig dat ze onder alle omstandigheden moesten werken, of het weer goed of slecht was, gejaagd moest er worden. Het geld van de overgrote meerderheid van de scheepsjagers werd omgezet in sterke drank. Daarom stond het beroep van scheepsjager ook niet erg hoog in aanzien. Voor het scheepsjagen in de provincie Groningen was een zogenaamde scheepsjagerspenning (1903) nodig. Dit was een koperen penning met een riempje er aan. De penning diende zichtbaar te worden gedragen opdat de schipper kon beoordelen of hij met een bonafide scheepsjager in zee ging. De vergunning kon ook worden ingenomen wanneer een jager zich niet goed gedroeg. Een belangrijke functie in het veenkoloniale zakenleven vervulde voorts de
Snikke en beurtvaartdiensten.

 

HET EINDE KOMT IN ZICHT.

Vooral vanaf de tweede helft van de 19eeuw wordt duidelijk, dat de toekomst van de veengebieden erg somber wordt. De ontdekking van steenkool en aardolie als nieuwe en relatief goedkope brandstoffen betekent dat het turf als brandstof steeds minder opgeld doet. Voordat de crisis zich in volle glorie aandient, vindt er tussen 1860 en 1874 nog een flinke opleving plaats: Hoge prijzen, hoge productiecijfers en relatief hoge lonen brengen enige welvaart in de veengebieden.

Maar vanaf 1875 gaat het mis. Zoals reeds gememoreerd, is er de komst van o.a. steenkool, die van elders aangevoerd wordt, waardoor turf als brandstof onaantrekkelijk is en dat leidt tot afnemende vraag, wat voor de veenarbeiders desastreuze gevolgen heeft. De prijzen zakken in, de werkloosheid stijgt en dat leidt tot snel oplopende armoede. Bovendien vindt ook in de veenderij mechanisatie plaats door de invoering van o.a. de baggermachine, wat tot extra uitstoot van de arbeid leidt.  Tegelijkertijd met de veencrisis doet zich de landbouwcrisis de landbouwcrisis gelden, die tussen 1875 en 1890 heel Europa treft, maar vooral in de Friese Zuidoosthoek hard aankomt, omdat juist hier sprake is van twee crises, die op hetzelfde moment toeslaan.

Rond 1888 treedt er een licht herstel in , waardoor de veenarbeiders weer eisen kunnen stellen. Het is in deze periode, dat de vermaarde Domela Nieuwenhuis optreedt, maar helaas, het is niet meer dan een laatste stuiptrekking; vele arbeiders worden trekarbeiders. Men trekt naar Drente en vanuit Drente naar het Duitse Picardië, een situatie, die voortduurt tot de Eerste Wereldoorlog van 1914.

Wordt de algemene situatie in de veengebieden in feite alleen maar slechter, elders in Nederland is sprake van een forse toename van het gemiddelde normale loon van 70% tussen 1850 en 1910,, terwijl het reële loon met 50 tot 60% stijgt. Deze cijfers zijn helaas niet van toepassing voor de veenarbeiders, wier lonen vrijwel gelijk zijn met dat van 1830. 

Weliswaar verschilt de betaling per regio, maar gemiddeld is er de indruk, dat de veenarbeiders niet meedelen in de algemene welvaartsstijging tussen 1850 en 1910, sterker; vooral tussen 1875 en 1890 verminderen de lonen drastisch, in Appelscha gedurende het tijdvak 1877-1887 met 25%  en in Beets met 20% voor de losse arbeiders en 18% voor de turfsteker.

Er is zondermeer  sprake van toenemende ellende en dat resulteert in bedeling en criminaliteit. In deze tijd wordt er een toenemend beroep gedaan op kerkelijke burgerlijke armbesturen, die derhalve steeds meer gelden moeten uittrekken om althans het minimale te kunnen verstrekken. Men voert zelfs het "slikgeld" in, een soort belasting, om complete uitputting van de armenkassen te voorkomen, daar na 1900 het met de veenderij vrijwel gedaan is, al vindt er rond 1914 als gevolg van de Eerste Wereldoorlog nog een opleving plaats, dankzij de economische wanorde in Europa en de boycot van vele producten als gevolg van de oorlogshandelingen.

In de volgende hoofdstukken komen we de gevolgen van de slechte sociale en economische situatie tegen en ontstaat er geleidelijk een beeld van een streek in Friesland, gedompeld in armoede, maar ook de wil om eruit te komen.

 

Opbreken.

ARMOEDE, VERZET EN REPRESSIE.

Dit hoofdstuk behandelt met name de situatie in de Opsterlandse venen, waar evenals in Schoterland, de veencrisis zich doet voelen. Hoewel het werkstuk voornamelijk de Schoterlandse veengebieden betreft, is een verwijzing naar een buurtgemeente op zijn plaats, daar de geschiedenis van Opsterlanden Schoterland vele raakvlakken heeft en stakingen in Opsterland ook door vele Schoterlanders worden bijgewoond.

Het tijdvak 1895-1940 is een roerige en sociaal gezien, een armoedige periode in de veenderijen. Het is duidelijk, dat de toekomst van de veengebieden niet langer in het vervenen van de gronden ligt; aardolie en steenkool doen hun intrede, maar helaas, een aansprekend alternatief is aanvankelijk weinig voorhanden, al zien we rond 1895 het ontstaan van enkele, door particuliere filantropen begonnen, landbouwbedrijfjes.

Dankzij de Eerste Wereldoorlog vindt tussen 1914 en 1919 in Opsterland nog een laatste opbloei van de verveningen plaats. Maar dat het niet goed gaat is te zien aan de trekarbeiders die naar Duitsland afreizen om de nodige inkomsten te verwerven. Vooral rond 1898-1914 is sprake van tijdelijke migratie naar Duitsland. Alleen al uit Aengwirden trekken in 1898  125 arbeiders naar Duitsland, uit Opsterland gaan tussen januari en juli 1899  800 arbeiders naar Duitsland, nogal wat kinderen bezoeken Duitse scholen. Vele arbeiders keren echter na een korte tijd weer terug waar zij weer geconfronteerd worden met de heersende misčre. Anderen hielden er een "behoorlijk" bedrag aan over, maar over het algemeen blijft de situatie slecht.

In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit en dat heeft tot gevolg, dat de Europese economie praktisch stilvalt. Door een blokkade van Engeland en Frankrijk tegen Duitsland is er o.a. een nijpend tekort aan steenkool en hierdoor stijgt de vraag naar het aloude turf. Voor de Friese Zuidoosthoek betekent dat een redelijke verbetering van de situatie; hogere turfverkopen en dus kunnen ook weer looneisen gesteld worden. Rond 1917-1918 vinden er stakingen plaats, die tot hogere lonen moeten leiden. Er verschijnen diverse stakingsoproepen in de "Hepkema", een regionaal blad.  Dat het wat beter gaat, bewijst het volgende: In 1912 wordt per roede fl. 1,= verdiend, 4 jaar later is dat fl. 1,35-1,60 per roede.

Maar als de oorlog in 1919 beëindigd wordt,  is het met de vraag naar turf eveneens afgelopen. Dit betekent het definitieve einde van de veenderijen in het oosten van Friesland, al handhaven diverse veenbaasjes zich tot 1945, maar 1919-1922 geldt als breuk met het verleden, althans wat de veencultuur betreft, niet echter wat betreft de positie van menig veenarbeider; nog meer armoede en ellende voor de grote meerderheid, wat leidt tot grote sociale spanningen.

Toenemende werkloosheid leidt tot een toename van het aantal bedelingen en een voorbeeld daarvan geeft de "Hepkema" van 14 maart 1919,  waar de lezer gewezen wordt op het gebruik van broodkaarten, te vergelijken anno 1991 met in de Verenigde Staten nog steeds in gebruik zijnde "foodstamps" ofwel voedselbonnen. (werkstuk in 1991 geschreven, dus dat jaar gebruik ik als referentiekader.) Een ander voorbeeld is de vraag naar een conciërge voor fl. 1200,= per jaar, maar liefst 449 mensen solliciteren ernaar!!!.

Er moet iets ondernomen worden, dat is duidelijk. De provincie Friesland en de diverse gemeenten vinden, dat er werkverschaffingsprojecten opgericht moeten worden en tezamen met de provincies Groningen en Drenthe, waar soortgelijke toestanden heersen, worden ontginningsmaatschappijen opgericht: voor Friesland is dat de N.V. Ontginningsmaatschappij "De Drie Provinciën", opgericht in 1924.

De lonen in de werkverschaffingsprojecten blijken erg laag te zijn en diverse kleine stakingen, sabotage en toenemende agitatie leidt het geheel van spanningen en onvrede tot de grote stakingsbeweging van 1925, die uiteindelijk door de marechaussee, op last van de overheid,  krachtig onderdrukt wordt. Zelfs het gehoor geven aan de natuurlijke aandrang, is dan niet zonder risico. Een man, die "ut de broek ging", hoort de politiekogels over zich heen scheren.

 

 

| 1 | 2 |

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.