|
De Vervening, in Friesland.
| 1 |
2 |



Alle stakingsacties ten spijt,
blijven de lonen onverminderd laag, is er helaas geen
perspectief, is er sprake van blijvende armoede. Ook na 1925
vinden er kleine stakingen plaats, zoals in Jubbega en Nij-Beets, maar door honger en armoede durven de meeste
arbeiders het werk niet neer te leggen. Bovendien blijft de
landelijke overheid stokdoof voor de wensen der arbeiders.
Deze situatie wordt alleen maar erger, dankzij het uitbreken
van de grote crisis in de dertiger jaren. De overheid blijft
hard tegen de stakers optreden en door de deelname van
stakingsleider Gerrit Roorda, een communist, ontwaart de
overheid de hand van Moskou in Opsterland en Schoterland.
De landelijke overheid is dus wel erg actief, maar dan
in de negatieve betekenis ervan.
Gelukkig vinden er ook positieve
ontwikkelingen plaats in het gebied rond Beets, Gorredijk en
Terwispel. Voormalige veenboeren en veenarbeiders worden
omgeschoold tot agrariër, dit dankzij het droogmalen van
voormalige veengrond, waardoor ruimte ontstaat voor
landbouwbedrijfjes. Er komen vee- en akkerbouwbedrijven,
evenals melkcoöperaties in o.a. Tijnje, Lippenhuizen,
Gorredijk en Jubbega, waar boeren hun producten tegen
redelijke prijzen kunnen verkopen. In deze coöperaties
treffen we vele socialistische bestuurders, maar ook
antirevolutionairen maken er deel van uit. Ondanks deze
kleine positieve ontwikkelingen, blijft de situatie tot het
einde van de Tweede Wereldoorlog slecht en pas
met de aanleg van elektriciteit in de gehuchten en dorpen
vanaf 1960 komt er een einde aan het langdurige isolement.
|

Stuken.
|

Stikijzer.
|
JUBBEGA.
Het woord "Jubbega" is een
verzamelnaam voor eigenlijk twee dorpen, te weten
Jubbega-Schurega en Jubbega 3e Sluis, vlakbij Hoornsterzwaag
en ± 8 kilometer zuidoostelijk van Gorredijk. Jubbega ligt
in het voormalige Oost-Schoterland (nu gemeente Heerenveen),
het zwaartepunt van de veenderij van deze gemeente. Het
gebied rondom Jubbega werd voor de Tweede Wereldoorlog
aangeduid met "De Kompenije".
Al vanaf ± 1700 is er sprake van
chronische armoede in deze streek, zeker als er stagnatie
optreedt in de hoogveengebieden, omdat dan het afgraven van
laagveen veel aantrekkelijker wordt
en
Jubbega ligt op het hoogveen. De stagnatie leidt tot zeer
grote armoede en achterlijkheid, waaraan pas na 1900 zeer
geleidelijk een einde aan zou komen, want tot het uitbreken
van W.O. II wonen mensen in houten keten, zonder enig
gerief.
Opvallend is, dat in de tweede
helft van de 18e eeuw de bevolking van Jubbega spectaculair
groeit: met maar liefst 180% in de Kompenije, voor heel
Friesland is dat maar 25% en voor geheel Schoterland is de
groei 68%
30.
Een verklaring voor
bovengenoemde groei is het feit, dat lotgenoten steun bij
elkaar zoeken, de Jubbegasters voelen zich min of meer
"outlaws" en dan is het vanzelfsprekend, je als groep van de
rest van de samenleving af te zonderen, wat voor de
Jubbegasters tot in de eerste helft van de 20ste eeuw opgeld
doet en dan met name voor de "Wyksters".
De armoede, waarover gesproken wordt, blijkt uit het
volgende staatje:
|
Dorp
|
Insolvente huisgezinnen.
|
Gealimenteerde gezinnen.
|
|
Hoornsterzwaag |
8% |
8% |
|
Jubbega-Schurega |
41% |
14% |
|
Oudehorne |
40% |
10% |
|
Nijehorne |
17% |
6% |
|
't Meer |
29% |
10% |
|
Heerenveen |
19% |
6% |
|
Totaal
Schoterland |
21% |
9% |
|
Friesland |
12% |
10% |
Door de heersende armoede
komt criminaliteit op grote schaal voor. Vooral 's
nachts wordt er gebedeld, vinden illegale stroperijen
plaats en jongeren lopen lallend de wijken rond, want er
is sprake van overmatig alcoholgebruik. De streek met
haar bewoners wordt dan ook zoveel mogelijk door de
"keurige burgers" gemeden.
Armoede, drankzucht,
verpaupering in het algemeen leiden ertoe, dat diverse
personen zich gaan inzetten voor lotsverbetering. Een
van hen is de Amsterdamse koopman en filantroop P.W.
Janssen, die in nauwe samenwerking met de socialist
Rindert van Zinderen Bakker, afkomstig uit Kortezwaag
vanaf 1896 diverse ontginningsprojecten opgang brengt.*
een andere weldoener is baron Van Heemstra uit
Driebergen, die stenen huizen laat bouwen op plaatsen,
waar holen, keten en krotten staan.
Trekken ± 25.000 Friezen tussen 1890 en 1910 naar het
buitenland, o.a. naar de Verenigde Staten en het Duitse
Ost-Friesland, maar bijvoorbeeld ook naar Amsterdam , de
Kompenijsters zijn echter niet in beweging te krijgen,
Krul noemt hen de "heidsjers".
Een opvallend verschijnsel
is de geleidelijke tweedeling tussen de beide Jubbega's;
te weten de "Wyksters" en de "Sluisers". De
verpaupering van de "Wyken" zet onverminderd door, maar
de bewoners van de 3e Sluis vertonen een toenemende
zelfbewustheid, wat zich uit in een toenemend
verenigingsleven, gesymboliseerd met de oprichting van
Plaatselijk Belang in 1900, de oprichting van de
coöperatieve zuivelfabriek "Ons Belang" in 1903 te
Jubbega en graanmalerij in hetzelfde jaar en de
vestiging van een boerenleenbank in 1907. De
toegenomen bewustwording wordt mooi geïllustreerd aan de
hand van een Fries gedicht, geschreven in het
geheelonthouders krantje " 't Oosten van Schoterland"
De Sluisers kijken op de Wyksters neer, men voelt
zich geleidelijk betrokken bij de samenleving.
Helaas, de opbloei blijkt
slechts tijdelijk. Eerst profiteert men nog van een
kleine opleving in de landbouw rond 1918-1920, maar
evenals elders in Nederland breekt er in de periode
1920-1923 een grote depressie uit, die grote gevolgen
zal hebben voor dit gebied.
Een bewijs, dat het
bergafwaarts gaat, levert de kas van het Burgerlijk
Armbestuur: de uitgaven stijgen van ƒ 35.000,= in 1920
tot ƒ 89.127,18 in 1925. Een tweede bewijs
van neergang is dat van de vijf boerderijtjes,
opgericht door de P.W. Janssen's Friesche Stichting er
in de kortste tijd vier verlaten worden. Ook
andere boerderijtjes, met één hectare grond, blijken
niet de weg te zijn, om de bewoners uit het moeras te
trekken. Dit laatste gebeurt in de jaren twintig.
DE EERSTE SPADE.
Het is de socialist Rindert
van Zinderen Bakker, geboren te Kortezwaag in 1845, die
zich het lot aantrekt van zijn medebewoners, maar die
zich, anders dan vele medesocialisten, niet door
agitatie, maar door praktisch handelen, het lot van de
Oost-Schoterlanders en Opsterlanders, wil verbeteren.
Dankzij zijn uitstekende kontakten met de liberaal A.
Kerdijk komt Van Zinderen Bakker in contact met de
Amsterdamse koopman Peter Wilhelm Janssen,
oorspronkelijk van Oost-Friese afkomst(Duitsland).
Janssen is begaan met het lot van de veenbewoners en
besluit in 1896 stukken grond aan te kopen, met het doel
deze te ontginnen. Zo worden er gronden aangekocht nabij
Beets, Gorredijk, Het Bildt en Jubbega/Oudehorne.
In de buurt van Jubbega
wordt het perceel "Helpt Elkaar" opgericht. Op 20 juni
1896 vindt de eerste aankoop van 1 ha grond plaats van
Sijtze Poppes Buitenhof. In oktober komt daar nog een
ha. grond bij en spoedig begint men met het ontginnen
ervan. Een jaar later staan er vier woningen en een deel
van de grond is met behulp van losse arbeiders
ontgonnen.
Het gehele project kost f 22.500,= en Janssen zorgt voor
de betaling ervan. Janssen zorgt dus voor de
voorschotten, het moet echter na verloop van tijd wel
terugbetaald worden door de pachters, al wordt er ruim
de tijd gegeven voor terugbetaling.
Ook elders in Friesland ontstaan soortgelijke percelen,
waaronder nabij Gorredijk, waar het complex "Arbeid
Adelt" in hetzelfde tijdvak opgericht wordt. Voor de
direct betrokkenen hebben deze projecten zeker voordeel
gebracht: zij kunnen op deze wijze aan de armoede
ontkomen, maar afgaande op het werk van Krul, moet
helaas gezegd worden, dat voor de meeste bewoners van
deze streek de armoede zal voortduren.
Het project te Jubbega,is 'aldus een brief van Van
Zinderen Bakker aan P.W. Janssen, een succes. Sommige"
pachters hebben één, anderen hebben zelfs twee koeien.
De brief dateert najaar 1898.


Kleine boerenwoning met moestuin op het complex ' Helpt
Elkaar '
Na 1902 zijn de meeste
ontginningsprojecten voltooid en C.W. Janssen besluit
het geheel onder te brengen in een stichting, die
genoemd wordt naar zijn vader: P.W. Janssen's Friesche
Stichting, welke nog steeds bestaat en nog diverse
boerderijen, woningen en landerijen in bezit heeft.
Rindert Van Zinderen Bakker krijgt het verwijt, te
"heulen" met de kapitalisten en vertrekt in 1904 naar
Bussum, alwaar hij, gelijk in Friesland, blijft
samenwerken met C.W. Janssen. Bakker keert in Friesland
terug in 1924, drie jaar later sterft hij. In 1926
besluit de Stichting 55 ha. grond te ontginnen nabij
Hoornsterzwaag, vrijwel tegelijkertijd met de N.V.
Ontginningsmij. "De Drie Provinciën", die 75 ha. grond
nabij Hoornsterzwaag gaat ontginnen. Het perceel "Helpt
Elkaar", heeft een lang leven gehad, wat bewezen wordt
door een staatje.

Man met Turfkorf.
WERKVERSCHAFFING EN
ARMOEDE.
Niet alleen in Friesland is
sprake van structurele werkloosheid in de twintiger
jaren, ook Groningen en Drenthe kampen met grote en
blijvende werkloosheid. De vraag in de drie provinciën
is dan ook: "wat kan er gedaan worden tegen die
werkloosheid"? Voor de Eerste Wereldoorlog kunnen vele
arbeiders seizoensgebonden werk vinden. In de zomer
wordt gehooid en oogst men vlas en graan, in de winter
trekt men naar de veestallen in Westfalen in Duitsland.
Bovendien emigreren vele gezinnen naar de Verenigde
Staten en Canada.
Door de oorlog van 1914-1919 komt hieraan abrupt een
einde: Amerika sluit praktisch zijn grenzen en werken in
Duitsland is er ook niet meer bij. Bovendien
mechaniseert de landbouw en dat verergert nog eens de
reeds bestaande werkloosheid. Om aan de werkloosheid het
hoofd te kunnen bieden worden in de drie provincies
ontginningsmaatschappijen opgericht, voor Friesland is
dat N.V. Ontginningsmaatschappij "De Drie Provinciën",
die op 18 september 1924 het levenslicht ziet te
Drachten(Dragten in een van de brieven), later gaat het
hoofdkantoor naar Heerenveen. In Drenthe en Groningen
worden dergelijke maatschappijen opgericht in 1924 en
1925.
Doelstelling van de drie maatschappijen is het in
cultuur brengen en of in verhoogde cultuur brengen van
woeste en andere gronden met de bedoeling een hogere
opbrengst te realiseren. De gelden worden bijeengebracht
door de verkoop van aandelen aan die gemeenten, die
belang hebben bij de ontginningsprojecten.
Blijkens een brief, gedateerd 14 juni 1926 van de "Drie
Provinciën" aan de Minister van Binnenlandse Zaken en
Landbouw is de gemeente Schoterland in 1926 tot de
vennootschap toegetreden. De maatschappij verzoekt de
minister toestemming te geven voor de ontginning van 75
ha. heidegrond te Hoornsterzwaag, gelegen ten zuiden van
de weg Jubbega-Donkerbroek. Het gehele project wordt
uiteindelijk gerealiseerd in 1927, als twee percelen
onder Mildam door ministerieel ingrijpen onteigend
worden.
|

Mengbak.
|

Veentrekken.
|

Ook de reeds eerder genoemde
Janssenstichting is in dit tijdvak actief, getuige de
aankoop in maart 1922 van respectievelijk zes en even
later negenveertig ha. grond, eveneens bij
Hoornsterzwaag. In hetzelfde jaar als de ontginningsmij.
besluit tot ontginning van 75 ha. grond bij
Hoornsterzwaag -en dat is 1926- start de Stichting met
de ontginning van 55 ha. grond. Dat betekent, dat in het
tijdvak 1926-1921 ruim 130 ha. grond in cultuur wordt
gebracht, voorwaar, een belangrijke gebeurtenis.
Het is de Nederlandse Heidemaatschappij, die ten behoeve
van het grote ontginningsproject een rapport samenstelt.
Zo wordt besloten tot de aanleg van een hoofdweg vanaf
Jubbega-Schurega-Hoornsterzwaag naar het Tjongerkanaal.
Daarnaast besluit men"tot ontwatering op de bermsloot
langs het Tjongerkanaal, hiertoe worden
ontwateringsloten gegraven en als laatste dient de grond
ongeveer 0,60 M diep gespit worden en moet het geheel in
blokken vlak gemaakt worden en zonodig geëgaliseerd. De
grond dient vooral als grasland gebruikt te worden.
Blijkens een schrijven van 9 oktober 1931, verkoopt de
gemeente Schoterland nog eens ruim 97 ha. grond aan de
N.V. Ontginninsmij. "De Drie Provinciën". Vanuit Den
Haag komt op 11 november van dat jaar een positieve
beschikking. Tussen 1926 en 1932 is alleen al nabij
Hoornsterzwaag ruim 230 ha. grond ontgonnen, want
Schoterland ontgint rond 1930 zelf vijf ha. grond.
Hoewel de prestaties op zich indrukwekkend zijn, op het
financiële vlak is het echter kommer en kwel. De
werkmaatschappijen lijden verlies: alleen al "De Drie
Provinciën" heeft in 1933 een schuld van f 1.847.256,=,
terwijl in dit jaar een verlies geleden wordt van f
131.715,=, voor deze tijden zijn dat enorme bedragen. De
Nederlandse Staat grijpt uiteindelijk in en één van de
maatregelen is, dat de overheid de gronden tegen
boekwaarde opkoopt van de N.V. Het Departement van
Financiën beheert de gronden. De Friese N.V. mag die
gronden, waar geen boerderijen staan, zelf pachten. De
kosten, verbonden aan de ontginningen, komen uit het
Werkloosheids subsidiefonds: Uit onderstaand geschrift
zullen we ontdekken, wat dit betekent voor de arbeiders,
in dienst van de ontginningsprojecten.


|
2 april
1988: Sytse de Stroper, raadslid Opsterland
en stakingsleider.

Appèlmeester Hankel spreekt de menige toe
tijdens een veenstaking bij Nij Beets, 5 mei
1890.
Op 18 april 1890 lezen de
abonnees van het Nieuw Advertentieblad (de
’Hepkema’ uit Heerenveen) dat bij een
staking in Weerdingermond bij Emmen de
arbeiders worden aangevoerd door een zekere
’Sytze van Lippenhuizen’.
Veel arbeiders uit Opsterland zullen toen
wel hebben gedacht: "Soa sit Sytse Westra
derre no" De meesten wisten nog wel dat hij
het jaar daarvoor in Beets was ontslagen,
toen de arbeiders in de veenderijen daar
even dachten aan een staking.
Negentig baggerlieden wilden toen vijf cent
meer voor de vierkante roede klyn, maar
niemand durfde dat de baas te zeggen. Toen
deed Sytse het, hoewel hij zelf niet wilde
staken. De baas ontsloeg hem meteen en de
andere arbeiders, voor wie hij zijn nek
uitstak, lieten hem in de steek. Hij kon
geruime tijd geen werk meer krijgen en ging
naar Drenthe.

Sytse
Brugts Westra en zijn vrouw Feikje Plantinga.
Sytse Brugts Westra: hij
is een van de vele arbeiders geweest die in
de barre negentiende eeuw met veel moed
grote risico’s hebben genomen, omdat ze
geloofden in
een betere wereld. In de veenderijen waren
ook veel van zulke mensen. Want als er werd
gestaakt, wie moest dan de meute bijeen en
eensgezind houden. Wie moest de eisen van de
arbeiders - vaak met het levensgrote risico
van ontslag aan de bazen
overbrengen.
Ze zijn er vanaf het begin
geweest de appélmeesters die op de appéls
(grote bijeenkomsten van veenarbeiders op
een centrale plaats in de veenderij) vaak op
een verhoging staande de eisen formuleerden.
Om deze -vaak lang niet bij naam bekende
arbeidersleiders te eren, wordt eind april
in Nijbeets een beeld van zo'n appélmeester
onthuld.
Het is gemaakt door de Grouwster
beeldhouwster Karjanne Krabbendam Er is voor
Nijbeets gekozen omdat het initiatief ertoe
in Opsterland is genomen en omdat in
Nijbeets tot in de jaren dertig van deze
eeuw sprake is van veenstakingen, maar het
beeld had net zo goed in Oudega (Gaasterland)
Oosterzee, Ouwsterhaule, Vegelïnsoord,
Tjalleberd de Weststellingwerfse-Westhoek,
Appelscha Hoornsterzwaag of Tijnje kunnen
staan.

Remplaçant.
Sytse
Westra is een van die vele tientallen
appélmeesters, die er zijn geweest. Hij kwam
op 8 september 1856 ter wereld op de
Liphûster heide, in het gezin van de
koeherder Brucht Westra. Hij werd op jonge
leeftijd al wees en werd opgenomen door
Oebele en Antsje de Vries, die bij de
Liphûster sluis woonden.
Hij had het
geluk voor de militaire dienst vrij te
loten, maar hij besloot als remplaçant te
dienen voor een boerenzoon, die daarvoor wel
wilde betalen. En zo diende hij in 1874 en
1875 bij de cavalerie in Amersfoort. Na de
diensttijd had hij 300 gulden opgespaard,
een vorstelijk bedrag voor een arme
arbeidersjongen als Sytse Westra. Eenmaal
terug in
Lippenhuizen, verhuurde hij zich als
boerenknecht ergens in Groningerland. Hij
had de pech van een voer hooi te vallen en
zijn heup te breken.
Hij werd naar het ziekenhuis in Groningen
gebracht en luisterde, terwijl hij daar in
een bed lag, een conversatie tussen twee
artsen af.
De een zei tegen de ander "Laat hem maar
liggen, want hij moet toch van de armen
worden betaald" Dat was Sytse te gortig. Hij
riep "Ik betelje it sels" Toen veranderden
de heren op slag en kon hij worden geholpen.
Hij herstelde, maar was toen wel al zijn zo
zuur verdiende ramplaçantengeld kwijt.
Bovendien liep hij mank, omdat het ene been
na de operatie wat korter bleek te zijn dan
het andere.
Stropen.
De bazen en
de rijken, Sytse Westra moest niets van ze
hebben. En over het geüniformeerde gezag
dacht hij ook al niet vriendelijk. Want hij
was een bekwaam
stroper. Tegenwoordig zou iedereen daar
schande van spreken, maar in die tijd was
stropen vaak bittere noodzaak voor de armen
om in elk geval in de winter niet van de
honger te sterven. Zo was het ook in het
gezin van Sytse Westra en zijn vrouw Feikje
Plantinga. Ze kregen zes jongens van wie de
twee eersten heel jong dood gingen. Maar het
werd vooral zwaar voor Feikje en de jongens,
als Sytse bij zijn stroperij weer eens werd
gegrepen.
De straf
was meestal een langdurig verblijf in
Crackstate in Heerenveen. Feikje en de
vier overgebleven jongens, Jan, Anne,
Catnrinus en Auke leefden dan soms een
tijdlang van een plak koolraap per dag en
wat de familiegeit aan melk leverde.
Het verblijf in Crackstate heeft Sytse
Westra in elk geval één winstpunt
opgeleverd, hij leerde er lezen en
schrijven.
Om in elk
geval wat inkomsten te hebben, verhuisden
Sytse en Feikje en de jongens naar de
buorren van Lippenhuizen en begonnen daar
een knip en en scheergelegenheid. Als Sytse
dan weer eens gearresteerd was wegens
stroperij, knipte en schoor Feikje de
klanten. Het scheren kostte drie centen het
knippen vijf. Ze heeft zo een hele tijd
gespaard voor een scheerstoel en die kwam er
tenslotte ook nog.
En ze had zelfs een speciale service voor de
klanten.. zij die moesten wachten kregen wat
pinda’s.
In die
jaren begon de socialistische propaganda en
de agitatie voor algemeen kiesrecht.
De socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis,
kwam spreken in Gorredijk en Sytse Westra is
er zonder twijfel bij geweest. Ook hij werd
een van de felle aanhangers van de socialist
geworden voormalige predikant. Omstreeks
1890 deden in een aantal Friese
gemeenteraden de eerste - socialisten hun
intrede. Een ware doorbraak vond in 1891
plaats in Opsterland, waar de Friese
Volkspartij maar liefst vijf raadsleden
kreeg. Het was ook hier dat de eerste
socialistische wethouder van Nederland zijn
intrede deed, de toen 41-jarige timmerman
Willem Vrijburg uit Beetsterzwaag. Hij zou
tot 1903 in de raad blijven.
Lid
gemeenteraad.
In 1897
kandideerden de socialisten ook Sytse de
Stroper. Sytse werd gekozen tot lid van de
gemeenteraad en kwam in zijn kiesdistrict in
de plaats van
Maurits Pico Diederik
Mr. Baron Van
Harinxma Thoe Sloten (1804- 1876),
kantonrechter in Beetsterzwaag en uit dien
hoofde ook de man die Sytse Westra meermalen
een gedwongen verblijf in de
gevangenis in Heerenveen had opgelegd. De
verkiezing van uitgerekend Sytse Westra, op
de plaats van deze door de arbeidersklasse
gehate magistraat, moet in het rode
Opsterland van die dagen aanleiding hebben
gegeven tot uitbundige vreugde.

Maurits Pico Diederik
Mr. Baron Van
Harinxma Thoe Sloten.
En in het
socialistische blad 'De Klok' (In
1894 was er in De Klok een
discussie met
Tj. Nawijn over de houding van
de socialistische gemeenteraad van
Opsterland inzake de
onderwijzerstraktementen) verschenen na
de verkiezingen de volgende triomfantelijke
versregels
"O
Harinxma, o Harinxma, o
Harinxma thoe Slooten. Toen gij
met Westra kwaamt ten strijd,
hebt gij voorgoed een
’reuzenbok’geschoten.
Het moet een
hele vertoning zijn geweest daar in
Beetsterzwaag, toen de nieuwe raadsleden
naar de gewoonte van die dagen door het dorp
optrokken naar het gemeentehuis.
Een hele menigte was uitgelopen om Sytse de
Stroper, met eigen ogen te aanschouwen. Maar
er kwam alleen een groepje net geklede
mannen voorbij. Uit de menigte klonk geroep:
"De stroper is der net by" en men was
teleurgesteld. Maar men had zich
vergist, Sytse Westra, was er wel degelijk
bij, alleen had hij ook het zondagse pak
aangetrokken.
Hij zou
twintig jaar raadslid blijven. Hij ging
gedurende die lange periode met een aantal
anderen in de socialistische fractie van de
Sociaal -Democratische Bond over naar de
inmiddels in - Opsterland tot wasdom gekomen
SDAP en deze partij heeft hij dan
nog geruime tijd gediend. In 1917 stopte hij
met het raadswerk.
Zijn kleinzoon Sytse Westra. (later
oud-manager van de voetbalclub Cambuur) die
ons aan een foto van en een aantal gegevens
over Sytse Brugts Westra, hielp meent dat
zijn grootvader een even rechtvaardig als
rechtlijnig man is geweest. Een van de
anekdotes, die hij weet te vertellen gaat
over de ontmoeting van Sytse, met een
kandidaat-gemeentesecretaris.
Sytse Westra
was nog niet zo lang raadslid toen er een
nieuwe gemeentesecretaris benoemd moest
worden. Een van de kandidaten nam zelfs de
moeite de raadsleden thuis te bezoeken.
Zo kwam hij ook bij Sytse Westra, die toen
aan de Bûtewei onder Lippenhuizen woonde.
Sytse zelf was toen bezig onkruid te wieden
in zijn tuin maar de kandidaat-secretaris
liep
hem zonder te groeten voorbij. De man riep
volk bij de achterdeur en toen Feikje het
gangetje doorkwam vroeg hij of het raadslid
Westra, ook thuis was, Feikje wees toen op
de in de tuin werkende man.
De kandidaat
wendde zich terstond tot de liggende Sytse,
zei dat hij sollicitant was naar de
betrekking van gemeentesecretaris en vroeg
Sytse vervolgens ronduit of deze ook voor
hem wilde stemmen
Sytse zei toen "Ik wie fan doel oan B en W
foar te stellen jo mar te beneamen, mar ik
stim net op jo. Wy kinne hjir net in
sekretaris hawwe, dy’t in arbeider op syn
eigen hiem foarbyrint, sunder him goeiendei
te sizzen".
Zijn oude
handwerk het stropen, heeft hij nooit
vaarwel gezegd. Als zeventigjarige trok hij
nog regelmatig het land in.
Eenmaal zou hij in de winter met een hekkel
over een sloot springen, toen de stok brak.
De toen al bejaarde Sytse, plofte in de
sloot en moest bij beppe Feikje, thuis met
de blote voeten in een tobbe warm water weer
op verhaal komen. "Do bliuwst in bern" moet
Feikje bij die gelegenheid hebben gezegd.
Tot zijn dood volgde hij de politiek. Hij
las het dagblad 'Het Volk'. Vooral de opmars
van het nazisme baarde hem in zijn laatste
levensjaren toenemende zorgen.
?"Hy wie o sa bang foar Hitler" zegt zijn
kleinzoon, die hem vooral in de jaren dertig
nog veel heeft meegemaakt. Op 16 september
1938 net 82 laar oud, is Sytse Brugts
Westra, in Terwispel overleden. |
Armoede is het sleutelwoord
in Schoterland en vooral de Oost-Schoterlanders, te
weten de inwoners van Jubbega en Hoornsterzwaag hebben
de crisis van de jaren twintig en vooral de jaren dertig
aan den lijve ondervonden. Zo citeert Boltendal een
oproep van personeelsleden van drie openbare lagere
scholen onder de kop "Arm Jubbega",de leerkrachten "
doen een dringend beroep op de weldadigheid hunner
landgenoten. Vele hunner leerlingen komen onvoldoende
gekleed ter school, daar de ouders van te weinig
inkomsten (steun en werkverschaffing) niet voldoende
daarvoor kunnen zorgen. Nu de winter nadert, wordt dit
gebrek dubbel gevoeld(...). 't Gemeentebestuur mag en
kan in dezen maar weinig geven (sanering)".
De werkverschaffing wordt een heet hangijzer voor de
gemeente Heerenveen(voorheen Schoterland). Er wordt een
verzoek ingediend om arbeiders in de werkverschaffing te
voorzien van kleding, schoeisel en gereedschap, dit is
in maart 1936.
Maar niet alleen in de werkverschaffing gaat het slecht,
de Nederlandsche Tram Maatschappij( de N.T.M.) ziet zich
gedwongen de salarissen van haar personeel in februari
1932 met maar liefst 10%!! te verlagen en een jaar later
geldt in plaats van een uitkering een wachtgeldregeling
en dan alleen als een lijn niet weggesaneerd wordt.
Zelfs de burgemeester en ambtenaren krijgen te maken met
loonsverlagingen.
Door de misère ontstaat verzet in allerlei vormen,
zoals demonstraties, maar ook het stelen van
fietsplaatjes voor werklozen, die te herkennen zijn
aan een gaatje in de fietsplaat.
In 1930 vindt er een flinke rel plaats in de Friese
Staten tussen de communist Gerrit Roorda,
SDAP-Gedeputeerde Geerts en Statenlid Falkena,
tevens rijksinspecteur voor de werkverschaffing, het
zou m.n. tussen Falkena en Roorda nooit meer goed
komen. Falkena was ook burgemeester van Schoterland.
In 1931 komt de grote klap als besloten wordt dat er
van de 2000 arbeiders in de werkverschaffing er
slechts 200 kunnen blijven. Reden: de minister
besluit de werkverschaffing stop te zetten.
Voor velen is de maat vol en op een zaterdagmiddag
trekken zo'n 80 arbeiders van de werkverschaffing"De
Ontginning" op naar het Schoterlandse gemeentehuis.
Men eist regengeld, de demonstratie in februari 1931
had succes: er werd f 4,50 extra uitgekeerd.
Belangrijke activisten zijn de Jubbegaster
communistische kastelein-winkelier Siemen Brinksma
en de onafhankelijke socialist C. Bosma uit
Nieuwehorne.
Jordaanachtige toestanden" refererend aan het
Jordaan oproer in Amsterdam, waarbij zes doden
vallen en tientallen gewonden, blijven onbekend in
Friesland, al is Friesland veruit de armste
provincie.
Nog een bewijs, dat het slecht gaat, levert het
volgende staatje: Aangenomen werk.
|
1928 |
ƒ
|
2.511.000 |
|
1929 |
ƒ
|
2.424.000 |
|
1930 |
ƒ
|
1.982.000 |
|
1931 |
ƒ
|
2.238.000 |
|
1932 |
ƒ
|
1.456.000 |
|
1933 |
ƒ
|
1.138.000 |
|
1934 |
ƒ
|
703.000 |
Vanuit de bevolking
worden pogingen gedaan, het lot in eigen hand te
nemen. Zo vinden er in Jubbega "wilde" ontginningen
plaats, maar de gemeente treedt hiertegen hard op,
door de politie op af te sturen. Naast de officiële
ontginningen zijn er de particuliere ontginners, die
met steun van de overheid in de periode 1923-1926 in
Schoterland 240 ha. grond ontginnen. De arbeidslonen
worden eerst met 40% gesubsidieerd, later 7 zelfs
met 80%, ook al geen teken, dat het goed gaat.
De gemeente Schoterland en vooral Oost-Schoterland
beleeft een zeer zware tijd. Ook in het volgende
hoofdstuk zien we in volle "glorie" de problematiek
opduiken, het wordt zo erg, dat Rijk en Gemeente een
commissie gaan instellen.
DE POLITIEK SPREEKT.
Tijdens de
raadsvergadering van woensdag 18 februari 1925
worden de uitbetalingen in het kader van de
werkverschaffing in de Oosthoek opgesomd. Het
betreft de ontginning te Hoornsterzwaag. Op 4
december 1924 wordt per roede f 0,72 betaald, er
wordt 0,60 cm diep gespit. Per ha. kost het f 432,=,
het kruinwerk kost nog eens f 124,= per ha. ,samen
kost het f 556,=.
Op 11 december kost het diepspitten van 4,5 palm f
0,78 per roede, dat is f 468,= per ha., het
kruinwerk kost nog eens f 110,= per ha., samen is
dat f 578,=. De arbeiders verdienen zo'n f 0,23 per
uur, maar als ze harder aanpoten, kunnen ze maar
liefst f 0,24 per uur verdienen!. Het bovenstaande
betreft een schrijven van de heer P.A. Koopmans in
antwoord op een brief van het college van B&W van
Schoterland.
Tijdens de raadsvergadering van Schoterland wordt
n.a.v. een motie van wethouder H. de Vos uitvoerig
gediscussieerd over de toestand van de arbeiders in
de werkverschaffing. Men is het eens met de
constatering, dat de situatie slecht is.
Met name 's winters is er op velerlei gebied gebrek,
de arbeiders en hun gezinnen ontberen vaak
elementaire zaken, zoals kleding en voedsel, de
huisvesting laat ook te wensen over.
Men debatteert over de vraag, wat er aan gedaan kan
worden. Woordvoerders zijn voornamelijk de Vos,
Nijenhuis en Gerritsma. Het loon van de arbeiders is
maximaal f 0,24 per uur en dat is al zo gedurende de
afgelopen vijf à zes jaar. Wat als een tijdelijke
voorziening moet gelden (de werkverschaffing) dreigt
nu blijvend te worden; verbetering is niet in zicht.
Dat de raad erover spreekt, heeft alles te maken met
de grote stakingsbeweging van 1925. Volgens
Nijenhuis was er sprake van "terreur" en noemt hij
de stakers "terroristen", er was sprake van een
"bijna revolutie", aldus Nijenhuis. Gerritsma
daarentegen meent, dat door de stakingen de situatie
iets verbeterd is. De raad vindt f 0,24 per uur te
laag..

Nij Beets. Bij het
beeld van de appélmeester.
Uiteindelijk komt de
Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw, Ruys de
Beerenbroucq met een wel zeer "creatieve oplossing":
Niet het uurloon wordt verhoogd, maar de arbeidstijd
wordt verlengd en wel van 45 uur per week ( 8 uur
per dag) naar 50 uur per week ( 9 uur per dag) en
later zelfs naar 10 uur per dag ofwel 55 uur per
week. Uitzonderingen worden gemaakt voor diegenen,
die een grote afstand moeten afleggen of te zwaar
werk verrichten. Per saldo houden de werkers dus
meer over, aldus de minister.
Uit het raadsverslag van 26 juni 1926: Adres van de
arts J.C. Donker en schoolhoofd H. Boelens,
afkomstig uit Jubbega, waarin het gemeentebestuur
verzocht wordt bij de minister op aan te dringen een
deel van de f 12 miljoen gulden te besteden aan
betere woontoestanden in de Oosthoek. Tevens moet er
per woning 2 ha. heide toegevoegd worden plus gratis
mest gedurende de eerste jaren.
In de raadsbijeenkomst van 29 november 1927 wordt
opnieuw gesproken over de armoede en de
werkverschaffing. Het nieuwe raadslid Brinksma
verwijt de raad gebrek aan beleid. Weliswaar is er
door de gemeente, de N.V. plus particulieren 250 ha.
grond ontgonnen, er ligt echter nog 1000 ha. braak
en de arbeidssituatie blijft slecht. van het
verslag zegt Brinksma: " Er is bereikt dat
Schoterland berucht is geworden over het gehele
land, men heeft hier toestanden als in Emmen, en dat
dank zij het goed geleid, dank zij het vele dat de
raad heeft gedaan! De raad heeft bereikt dat de
gemeente wordt besproken over het gehele land,
terwijl men vroeger hier weinig armen had".
Ongetwijfeld wordt verwezen naar de S.D.A.P.
wethouder de Vos. Tussen de S.D.A.P. en de
vrijsocialisten van Brinksma is sprake van een
hevige strijd, over de vraag wie nu het socialisme
in praktijk brengt. Brinksma heeft zelf de schop
gehanteerd en zegt dus verstand van zaken te hebben.

Ferdinand Domela Nieuwenhuis,
dominee, socialist, anarchist, maar voor alles
strijder tegen maatschappelijk onrecht. Domela
Nieuwenhuis had een bijzondere band met Friesland,
hij was in 1870-1871 predikant in Harlingen en sprak
regelmatig op propagandabijeenkomsten. Hij had veel
aanhang in Zuidoost Friesland, waar het kiesdistrict
Schoterland hem in 1888 als eerste socialist in de
Tweede Kamer koos en de veenarbeiders hem vereerden,
met de titel 'ús Ferlosser'.

Foto: Jan Munnik: Johanna
Lulofs, de eerste vrouw van Ferdinand Domela
Nieuwenhuis, in de haven van Harlingen.


De politieke
verdeeldheid binnen de gemeente Schoterland verlamt
effectieve besluitvorming, wat nog verergerd wordt
door chronisch geldgebrek. Er zijn te weinig
financiële middelen om de als maar voortdurende
crisis te lijf te gaan. In 1927 worden drie
aanhangers van de Domela Nieuwenhuis richting, ook
wel vrij socialisten in de raad gekozen. Het zijn de
Kompenijsters, die o.a. Simen Brinksma als raadslid
kiezen. Dit leidt tot grote conflicten en nu beseft
ook "Den Haag", dat er iets moet gebeuren.
Op 5 december besluit Minister Kan van Binnenlandse
Zaken en Landbouw zich persoonlijk op de hoogte te
stellen en reist af naar de Kompenije.
Zijn
komst heeft tot gevolg, dat er een commissie wordt
ingesteld, die de problematiek van Oost-Schoterland
gaat onderzoeken. Deze commissie wordt bekend als de
Opbouwcommissie. Niemand weet echter, wat er gedaan
moet worden, dit dakzij de voortdurende verdeeldheid
in de Schoterland- se raad. Uiteindelijk formuleert
de commissie drie doelstellingen:
a) Het bevorderen van de werkgelegenheid.
b) Het bevorderen van de volkshuisvesting en de
volksgezondheid, in het bijzonder door
tuberculosebestrijding en bevordering van
kinderhygiëne.
c) Het bevorderen van de gelegenheid tot het
verkrijgen van meerdere ontwikkeling en vakkennis.
Hoewel het de bedoeling is, dat de commissie
onafhankelijk is, lukt het de gemeente een grote
greep te krijgen op de beslissingsbevoegdheid, zeker
als de autoritaire rijksinspecteur voor de
werkverschaffing, de liberaal Falkena, in 1928
benoemd wordt tot burgemeester van Schoterland en
Falkena is een persoon, die zelf leiding wil en ook
kán geven, iets wat de gemeente op zich hard nodig
heeft. Bekende leden van de commissie worden de
Jubbegaasters Jelle van Dam en Joghum Alberda.
Dat de vergaderingen van
de opbouwcommissie niet soepel verlopen, blijkt uit
een groot aantal conflicten tussen 1928 en 1936. Zo
stappen de leden Lepstra en Jonker al snel op en ook
secretaris Wind houdt het voor gezien; hij volgt hun
voorbeeld reeds twee dagen later. Het is nog maar 31
december 1928.
Hoewel de op zich mooie doelstellingen bij lange na
niet worden vervuld, zijn er toch resultaten te
melden. Zo melden van Dam en Alberda, dat ná 1
januari 1928 52 keten zijn afgebroken, te weten 36
keten in Jubbega en 16 keten in Hoornsterzwaag.
De meeste bewoners zijn verhuisd naar de zogenaamde
opbouwwoningen. In een vergadering van de commissie
op 1 september 1928 wordt besloten aan diverse
bewoners gelden ter beschikking te stellen voor de
aanschaf van meubilair, het blijkt, dat nogal wat
bewoners geen enkel meubelstuk hebben en zich dat
ook niet kunnen aanschaffen.
De meeste activiteit ontplooit de commissie tussen
1928 en 1931,vooral in deze jaren worden er woningen
gebouwd en tientallen keten afgebroken en verbrand.
In 1933 wordt te Jubbega een ambachtschool gebouwd,
waardoor technisch onderwijs
gegeven kan worden aan werkloze arbeiders. Helaas
zijn we dan beland in de jaren
dertig, het tijdvak van de grote crisis.

Hele gezinnen
werkten mee in de turf en de veen-verdiensten.

De gevolgen doen zich op
vele terreinen voelen: massale werkloosheid, zoals
het geval is met de landloze werkers, die
omgeschoold worden tot metselaars en timmerman, ze
blijven werkloos. Het uit zich ook in de
vergaderfrequentie van de opbouwcommissie:1 maal in
1927, 12 maal in 1928, 6 maal in 1929, 5 maal in
1930, 2 maal in 1931, 1 maal in 1932, geen
vergadering in 1933, ook niet in 1934, zowel in 1935
en '36 1 maal en daarna wordt er niet meer
vergaderd. Ongetwijfeld het gevolg van nijpend
geldgebrek als gevolg van de straffe bezuinigingen
onder het kabinet Colijn.
In Jubbega wordt het buurthuis gebouwd. Haar taak is
het geven van medische voorlichting aan de
Jubbegaasters, zo werken er wijkzusters, die in de
wyken zorg dragen voor betere hygiëne, worden er
cursussen gegeven.
De grote stimulators van
het buurthuis zijn de reeds genoemde Jelle van Dam
en Jogchum Alberda, zij steken enorm veel tijd in
hun pogingen de Kompenijsters uit de lethargie te
trekken. Vooral de "Wyksters" moeten er echter
weinig van hebben.
Pas ná de Tweede Wereldoorlog verandert de situatie
aanmerkelijk: De wederopbouw bereikt ook de
Kompenije en pas dan zal het buurthuis inderdaad die
plaats innemen, waarvoor het bedoeld is. Het
buurthuis komt voort uit de besluitvorming van de
opbouwcommissie, een ander besluit is het opzetten
van tuinbouwbedrijfjes, maar ná de oorlog moet men
erkennen, dat déze bedrijfjes geen succes hebben. Al
met al moet erkend worden, dat de commissie wel wil,
maar door de grote crisis in de dertiger jaren niet
kan functioneren, zoals zij wil.
In de jaren dertig zijn de meeste woeste gronden van
Oost-Schoterland ontgonnen. Vooral de Drie
Provinciën, de Heidemij, de rijksinspectie voor de
werkverschaffing, het ministerie van Binnenlandse
Zaken en het ministerie van Sociale Zaken plus de
gemeente Schoterland( in 1934 de gemeente
Heerenveen) zijn de grote ontginners.
Vanaf het einde van 1936 gloort er een glimpje licht
in de diepe Schoterlandse duisternis. De gulden
wordt eindelijk gedevalueerd en dat werkt
stimulerend op de economie, zoals blijkt bij de koop
van Hotel Vernimmen in Heerenveen, gefinancierd door
de Friesch-Groningsche Hypotheekbank in 1938.Helaas,
de Tweede Wereldoorlog maakt aan alle hoop alweer
een einde en pas ná de oorlog kan men werkelijk
beginnen met de verheffing van de bewoners van
vooral de Oosthoek, het gebied rond
Jubbega-Hoornsterzwaag.

Contract tussen de gezamenlijke
veenbazen, zoo wel het District Schoterland als
Opsterland.
Grosse contract tussen de gezamenlijke Veenbazen zo
wel van het District Schoterland en Opsterland.
Geminuteerd op twee zegels 1.4.0 ieder twaalf
stuivers bedragende tezamen.
Voor Gerrit Tammes de Jong, Keizerlijk Notaris,resideerende
te Langezwaag, Canton te Beesterzwaag,
arrondissement te Heerenveen, departement Friesland,
in bij zijn van zijn Ambtgenoot resideerende te
Beesterzwaag, in voor geschreven Canton.
Zijn gecompareerd Bernardus Annes Brandsma
Predikant. Ibele Lolkus, Klaas Hendriks Walda.
Wijtse Alles Van der Sluis Veenbazen wonende te
Wijnjeterp. Tjalling Freerks Landmeter Veenbaas
wonende te Kortezwaag. Foke Freerks Landmeter
Veenbaas wonende te Terwispel.
Welke verklaarden gemaakt te hebben en overeen
gekomen te zijn, om trend nakoming van het contract
betrekkelijk de Veen graverijen zo wel in het
voormalig District Opsterland als het voormalig
District Schoterland gelegen, bestaande in conditiën
naar welke de Veenbazen hun venen op èènparige wijze
met betrekking tot de werklieden moeten doen
vergraven.
A.
Dat de veenbazen moeten zorgen dat hunne buiten en
dags werkslieden s′morgens met zonsopgang met het
werk een aanvang maken en voort werken tot het
ophalen van de korfen s′middags om twee uur. Mits
aan hen vergunt zijn een schoft beginnende met het
ophalen en eindigen met het neer laten van de
korfen, bij peene van vijf Caroli gulden dagelijks.
B.
Dat de veenbazen zullen moeten zorgen dat hunne
bonkers in het eerste schoft tenminste graven en
stikken èèn bank gelijk ook in het tweede, bij de
ploegen alwaar zij hun werk verrichten, bij peene
Een gulden 10 stuivers telkens.
C.
Dat de veenbazen niet meer tot dag huur aan de
gravers mogen geven als achttien stuivers op het
hoogst en Veertien stuivers op het laagst, voorts
aan de buiten arbeiders elf stuivers op zijn hoogst
en acht stuivers op zijn laagst Zullen echter de
regeling hiervan overigens door de gecommitteerden
worden bepaald verder zullen de veenbazen niet meer
mogen betalen voor het ringen hopen of vuren, en
verdere werk daartoe behorende als voor de veertig
stok veen maten grauwe turf een gulden en vijftien
stuivers, en zwarte turf twee gulden, bij peene van
vijftig gulden.
D.
Dat de veenbazen het recht zullen hebben om aan
hunne onderbazen en arbeiders de benodigde brand
turf jaarlijks gratis te verlenen en wel
bepaaldelijk zonder meer, onder conditie om van de
zelfde hoegenaamd geen te verkopen, alles bij peene
van vijfentwintig gulden.
E.
Dat de veenbazen geen krooden bij het afleveren van
de turf gebruikt worden, de schippers gratis mogen
voor houden, maar verplicht zijn de gewone huur naar
veens gebruik daarvan telkens in te vorderen bij
peene van drie gulden Dat de veenbazen moeten zorgen
dat hun werklieden bij het holdert maken, hun vuur
uit doen en geen vuur achter laten bij peene van zes
stuivers telkens deze.

5 april
1894 |

7 april 1898 |
CONCLUSIE.
ARMOEDE, geschreven in hoofdletters is het
sleutelwoord voor de bewoners van de Oosthoek.
Armoede als "normaal" deel van het leven. Daarnaast
was er de uitzichtloosheid van de zeer vele
generaties rond de streek Jubbega-Hoornsterzwaag.
Het zou tot de twintiger jaren duren, voordat echt
maatregelen genomen worden, om een kentering van de
slechte toestanden te bereiken. Helaas werd de
toestand voor de meerderheid er niet beter op. De
lonen in de beruchte werkverschaffingsprojecten
waren onaanvaardbaar laag. Gebrek aan voedsel,
kleding en slechte huisvesting geven het beeld van
een samenleving, gedompeld in diepe armoede en
ellende.
En
wat deed de politiek? Vanzelfsprekend probeerde men
de ellende te bestrijden, maar onderling gekrakeel,
competentiestrijd, het veel te laat inzien van de
grote nood in de Oosthoek, plus het straffe
geldbeleid van vooral het kabinet Colijn blokkeerde
een effectieve armoede- bestrijding. Pas ná de
Tweede Wereldoorlog wordt de Oosthoek uit zijn
isolement verlost en delen ook de Jubbegasters
c.q.in de algehele welvaartsboom, die Nederland
overspoelde met name in de jaren vijftig en zestig.
Maar voor de oorlog moet het leven voor de Oost
hoekers een ware beproeving zijn geweest, al was het
alleen maar, dat er tot in 1938 mensen in keten
woonden.
Bron:
Multimania.nl
Afbeeldingen en
aanvullingen: eigen archief.
| 1 |
2 |
Home
|