Home  De Lemmer Verhalen, feiten, historie...   Wie zoekt Wie ? Gastenboek Contact Links

Wilt U een pagina (artikel) of een foto,  willen kopiëren voor schoolverslagen - privé gebruik: neem dan even contact op.


De Vervening

Gemeentegeschiedenis

In 1551 ondertekenden de ‘heeren’ Van Dekema, Van Cuyck en Foeyts de oprichtingsakte van de Schoterlandse Veencompagnie, de op een na oudste Naamloze Vennootschap van Nederland. De oprichtingsakte van de oudste Nederlandse hoogveenkolonie is in feite de geboorteakte van Heerenveen. Voor het vervoer van de afgegraven turf lieten de ‘heeren van het veen’ de Schoterlandse Compagnonsvaart en de Heerensloot graven. Het vaarwater werd gekruist door de verbinding Zwolle-Leeuwarden. De combinatie van kruising van wegen en waterwegen en de voortvarendheid waarmee de ‘heeren van het veen’ activiteiten ontwikkelden liggen ten grondslag aan het ontstaan van Heerenveen. Op zo’n plaats ontstond vaak een concentratie van middenstand en handel, hetgeen voor woningzoekenden en ondernemers weer aanleiding was tot vestiging in nabije omgeving. Zo ook in Heerenveen. In de negentiende eeuw groeide de nederzetting uit tot een plaats met veel patriciërs, deftige burgers en middenstand oftewel tot het ‘Friese Haagje’.

 

          BONTEBOK IN HET NIEUWS

Vandaag staat een onschuldig huisdier centraal: de bok. We gaan daarvoor naar het dorp Bontebok, 7 kilometer ten oosten van Heerenveen gelegen. Bontebok is gewoon genoemd naar de mannetjesgeit en dan eentje die bont was. Maar hoe kan dat nou? Een nederzetting wordt toch niet simpelweg naar een beest genoemd?

Natuurlijk ligt het in Bontebok ook niet zo eenvoudig. Laten we maar eens naar de geschiedenis van het dorp kijken. De plaats is ontstaan als veenkolonie. Het begin ligt in 1551. Op 24 juli van dat jaar tekenden Pyter Hettes van Dekema uit Jelsum en Johan van Cuyck Anthonisz en Floris Foeyts uit Utrecht een contract van samenwerking om het hoogveen onder de dorpen Hoornsterzwaag, Jubbega, Schurega, Oudehorne, Nieuwehorne, Katlijk, Brongerga en Langer- en Kortezwaag af te gaan graven om tot turf te verwerken. Sytse Jan van der Molen heeft de geschiedenis van die veengraverij beschreven in zijn `Turf uit de Wouden' van 1978.

De drie heren noemden hun samenwerkingsverband de `Compaignie ofte societeijt'. Ze begonnen niet in Bontebok, want dat was er nog niet. Ze begonnen op de plaats waar nu Heerenveen ligt. Ze lieten een kanaal het hoogveen in graven nadat er een goede vaarverbinding met het Sneekermeer was gemaakt. Het veenkanaal heette eerst Grift, maar kreeg weldra de naam Compagnonsvaart.

In 1600 bereikte de hoogveengraverij de zuidwestelijke grens van het dorpsgebied van Langezwaag. In 1649 wordt de lawei voor de eerste keer vermeld. Dat was het werktuig, waarmee begin en einde van de werktijden werden aangegeven. In dat jaar stond de lawei nog ergens in de Knipe.

Op de grietenijkaart van Schotanus van 1718 is de lawei verplaatst. Hij staat dan niet ver van de plek, waar de weg van Nieuwehorne naar Langezwaag de Compagnonsvaart kruist. Maar er staat nog meer interessants. Op de kaart van Schoterland staat eenvoudigweg: Bontebok. Op de kaart van Opsterland - de Compagnonsvaart liep praktisch langs de grens tussen de beide grietenijen - staat wat meer te lezen: `de Bontebock en Verlaat'. Op de kaart is duidelijk een versmalling in de vaart te zien.

Een verlaat of vallaat is een kleine schutsluis. En de Bontebok slaat op beide kaarten heel duidelijk op een huis aan het kanaal, vlakbij het vallaat. Die naam van dat huis komt voor het eerst voor in een document uit 1640. Daarin staat namelijk, dat het graven van de Compagnonsvaart op dat moment was gevorderd tot de Bonte Bock.

Die Bonte Bock was een herberg. In het boekje `De Bontebok, krúspunt fan wei en wetter' uit 1989 staan twee aan de sneuper Wigholt Vleer ontleende verhalen uit 1683 en 1685 die zich in die herberg hebben afgespeeld. Die verhalen komen uit de criminele archieven van het Hof van Friesland.

Het ging er nogal ruig aan toe. Tjibbe Jeeps, de politieman van de Knipe, bedreigde daar de zwangere vrouw van kastelein Jabik Linses met twee messen. Het liep voor haar allemaal goed af, maar Tjibbe moest een jaar naar het Leeuwarder Blokhuis. Slechter liep het af met een andere gast van de Bonte Bock. Sake Hanses was op roof gegaan en was ondergedoken in de Bontebokster herberg. Nadat hij was gepakt, werd hij tot de zwaarste straf veroordeeld: `om aen een staek geworgt en daer nae met de viere gesengt' (verbrand) te worden.

Heerenveen is de oudste hoogveenkolonie van ons land. Al in 1551 is de plaats Heerenveen ontstaan. Toen waren er “Heeren” genaamd Foeyts, Van Dekema en Cuyck die geld wilden verdien en daarom besloten om in dit gebied veenontginning en turfwinning te realiseren. Voor de aan- en afvoer van de turf werden vaarten en sloten gegraven. Dat vaarwater werd doorkruist door de verbinding Zwolle-Leeuwarden. Op die kruising ontstond de nederzetting Heerenveen.

Tot 1800 was Heerenveen de plaats voor “het Friese Haagje”, een gezelschap van deftige burgerij en de middenstand. Doordat de nederzetting Heerenveen op de grens lag van drie gemeenten; Aengwirden, Schoterland en Haskerland, werd pas na lang beraad op 1 juli 1934 de gemeente Heerenveen officieel.

 

DE OOSTHOEK.

ARMOEDE ALS LOTGENOOT

 

 

          I. HET BEGIN

Reeds in de Middeleeuwen is er sprake van het vervenen van stukken land, zo ook in Friesland. Het gedroogde veen gold als turf voor brandstof, dat tot diep in de 19e eeuw door vrijwel alle huishoudens als zodanig werd gebruikt. Dat hierin geld werd " geroken", bleek met de oprichting van de Schoterlandse Compagnie * door de Fries Peter van Dekema en de Utrechters Jan van Cuyck en Floris Foeyts op 24 juli 1551 in het gebied, wat nu bekend is als Heerenveen, van oorsprong "een vlecke", met weinig meer dan enkele hutten en huisjes.

 

Een decoratieve gevelsteen in de brugwachterwoning bij de Skûnsterbrêge over de Hearresleat toont aan, dat eigendommen van de Decema, Cuijck en Foeijts Veencompagnie eerst tegen het eind van de 19de eeuw door de Provincie werden overgenomen. Hierbij behoorde ook een schutsluis, waarvan nog overblijfsels aanwezig zijn.

 

Deze Compagnie zal tot het einde van de 19e eeuw van doorslaggevende betekenis blijven voor een deel van de Friese Zuidoosthoek. Plaatsen als Jubbega-Schurega, Jubbega 3e Sluis, Katlijk,  De Knipe en Hoornsterzwaag hebben hun ontwikkelingen hieraan te danken. Dankzij de Compagnie komt de ontwikkeling van de veenderij op gang, worden er kanalen gegraven voor de afvoer van het veen, zoals de Schoterlandsche - Compagnonsvaart, maar treedt er stagnatie op, als de Opstand ook in Friesland volop woedt, wat tot gevolg heeft dat o.a. Peter van Dekema in 1578 in ballingschap moet en de andere heren afgezet worden.  Na 1595 worden de werkzaamheden voorgezet , want in1599 wordt het gebied rond Langezwaag bereikt.

In 1615 moet echter opnieuw overlegd worden om de grote stap vooruit te maken Van de Molen beschrijft de ontwikkelingen aan de hand van plaatsnamen en jaartallen. de progressie, maar ook de tegenslagen. Rond 1774 wordt in Jubbega een sluis aangelegd, ten teken, dat de Compagnonsvaart tot zover gevorderd is.

In de 18e eeuw is er sprake van stagnatie als een zekere Martinus van Scheltinga de afgraving van de Compagnonsvaart tussen 1732 en 1748 blokkeert. Dit leidt tot zeer trieste gevolgen op sociaal terrein, wat zich uit in bedelarijen, diefstallen en dergelijke. De affaire speelt zich af rond Jubbega en het is het volk, dat in 1748 letterlijk de knoop doorhakt, door de Scheltinga's te dwingen hun verzet te staken.

Het is in deze tijd, dat de zogenaamde "wijken" of "wyken" ontstaanEen voorbeeld: Broer Wytses wijk. In 1800 woonde hier Broer Wytses, die 17 koeien bezit. Tevens worden de geldzaken van de Compagnie besproken, zoals het verkrijgen van vrijkoopbrieven- of contracten, die de "onvrije" verveners het recht geven door de Compagnonsvaart te varen.Het "hondgeld" wordt eveneens ter sprake gebracht.

De sociale situatie, zoals reeds genoemd, is alles behalve in orde. De criminaliteit is er berucht en met name in de Kompenije,  het gebied rond Jubbega heeft dan een erg slechte naam. Diefstal, bedelarijen, dronkenschap, vernielingen en tevens een moord zijn duidelijke uitingen van grote armoede. Het woord "woning" kan moeilijk betrekking hebben op de onderkomens van de bewoners, men spreekt dan ook liever van "bedelaarshutten".

 

Er  wordt een sfeertekening gegeven van de huiselijke situatie van de bewoners, hoewel het "huiselijke" in de wrakke hutten nauwelijks te ontdekken. Kortom, naast de vooruitgang in de Friese Zuidoosthoek, moet opgemerkt worden, dat op sociaal terrein veel leed berokkend wordt, maar ook elders geldt in Nederland in de 18e en 19e eeuw niet als een eldorado voor de werkers, schrijnend is echter, dat terwijl rond 1900 in grote delen van Nederland ook op sociaal terrein sprake is van vooruitgang, met name het gebied, beter bekend als Oost-Schoterland, in velerlei opzicht, tot diep in de 20ste eeuw in pure armoede en ellende verkeert, uitmuntend beschreven door Siebren Krul.

 

II. HET EINDE KOMT IN ZICHT

Vooral vanaf de tweede helft van de 19eeuw wordt duidelijk, dat de toekomst van de veengebieden erg somber wordt. De ontdekking van steenkool en aardolie als nieuwe en relatief goedkope brandstoffen betekent dat het turf als brandstof steeds minder opgeld doet. Voordat de crisis zich in volle glorie aandient, vindt er tussen 1860 en 1874 nog een flinke opleving plaats: Hoge prijzen, hoge productiecijfers en relatief hoge lonen brengen enige welvaart in de veengebieden.

Maar vanaf 1875 gaat het mis. Zoals reeds gememoreerd, is er de komst van o.a. steenkool, die van elders aangevoerd wordt, waardoor turf als brandstof onaantrekkelijk is en dat leidt tot afnemende vraag, wat voor de veenarbeiders desastreuze gevolgen heeft. De prijzen zakken in, de werkloosheid stijgt en dat leidt tot snel oplopende armoede. Bovendien vindt ook in de veenderij mechanisatie plaats door de invoering van o.a. de baggermachine, wat tot extra uitstoot van de arbeid leidt.  Tegelijkertijd met de veencrisis doet zich de landbouwcrisis de landbouwcrisis gelden, die tussen 1875 en 1890 heel Europa treft, maar vooral in de Friese Zuidoosthoek hard aankomt, omdat juist hier sprake is van twee crises, die op hetzelfde moment toeslaan.

Rond 1888 treedt er een licht herstel in , waardoor de veenarbeiders weer eisen kunnen stellen. Het is in deze periode, dat de vermaarde Domela Nieuwenhuis optreedt, maar helaas, het is niet meer dan een laatste stuiptrekking; vele arbeiders worden trekarbeiders. Men trekt naar Drente en vanuit Drente naar het Duitse Picardië, een situatie, die voortduurt tot de Eerste Wereldoorlog van 1914.

Wordt de algemene situatie in de veengebieden in feite alleen maar slechter, elders in Nederland is sprake van een forse toename van het gemiddelde normale loon van 70% tussen 1850 en 1910,, terwijl het reële loon met 50 tot 60% stijgt. Deze cijfers zijn helaas niet van toepassing voor de veenarbeiders, wier lonen vrijwel gelijk zijn met dat van 1830. 

Weliswaar verschilt de betaling per regio, maar gemiddeld is er de indruk, dat de veenarbeiders niet meedelen in de algemene welvaartsstijging tussen 1850 en 1910, sterker; vooral tussen 1875 en 1890 verminderen de lonen drastisch, in Appelscha gedurende het tijdvak 1877-1887 met 25%  en in Beets met 20% voor de losse arbeiders en 18% voor de turfsteker.

Er is zondermeer  sprake van toenemende ellende en dat resulteert in bedeling en criminaliteit. In deze tijd wordt er een toenemend beroep gedaan op kerkelijke burgerlijke armbesturen, die derhalve steeds meer gelden moeten uittrekken om althans het minimale te kunnen verstrekken. Men voert zelfs het "slikgeld" in, een soort belasting, om complete uitputting van de armenkassen te voorkomen, daar na 1900 het met de veenderij vrijwel gedaan is, al vindt er rond 1914 als gevolg van de Eerste Wereldoorlog nog een opleving plaats, dankzij de economische wanorde in Europa en de boycot van vele producten als gevolg van de oorlogshandelingen.

In de volgende hoofdstukken komen we de gevolgen van de slechte sociale en economische situatie tegen en ontstaat er geleidelijk een beeld van een streek in Friesland, gedompeld in armoede, maar ook de wil om eruit te komen.

 

Opbreken

III. ARMOEDE, VERZET EN REPRESSIE

Dit hoofdstuk behandelt met name de situatie in de Opsterlandse venen, waar evenals in Schoterland, de veencrisis zich doet voelen. Hoewel het werkstuk voornamelijk de Schoterlandse veengebieden betreft, is een verwijzing naar een buurtgemeente op zijn plaats, daar de geschiedenis van Opsterlanden Schoterland vele raakvlakken heeft en stakingen in Opsterland ook door vele Schoterlanders worden bijgewoond.

Het tijdvak 1895-1940 is een roerige en sociaal gezien, een armoedige periode in de veenderijen. Het is duidelijk, dat de toekomst van de veengebieden niet langer in het vervenen van de gronden ligt; aardolie en steenkool doen hun intrede, maar helaas, een aansprekend alternatief is aanvankelijk weinig voorhanden, al zien we rond 1895 het ontstaan van enkele, door particuliere filantropen begonnen, landbouwbedrijfjes.

Dankzij de Eerste Wereldoorlog vindt tussen 1914 en 1919 in Opsterland nog een laatste opbloei van de verveningen plaats. Maar dat het niet goed gaat is te zien aan de trekarbeiders die naar Duitsland afreizen om de nodige inkomsten te verwerven. Vooral rond 1898-1914 is sprake van tijdelijke migratie naar Duitsland. Alleen al uit Aengwirden trekken in 1898  125 arbeiders naar Duitsland, uit Opsterland gaan tussen januari en juli 1899  800 arbeiders naar Duitsland, nogal wat kinderen bezoeken Duitse scholen. Vele arbeiders keren echter na een korte tijd weer terug waar zij weer geconfronteerd worden met de heersende misère. Anderen hielden er een "behoorlijk" bedrag aan over, maar over het algemeen blijft de situatie slecht.

In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit en dat heeft tot gevolg, dat de Europese economie praktisch stilvalt. Door een blokkade van Engeland en Frankrijk tegen Duitsland is er o.a. een nijpend tekort aan steenkool en hierdoor stijgt de vraag naar het aloude turf. Voor de Friese Zuidoosthoek betekent dat een redelijke verbetering van de situatie; hogere turfverkopen en dus kunnen ook weer looneisen gesteld worden. Rond 1917-1918 vinden er stakingen plaats, die tot hogere lonen moeten leiden. Er verschijnen diverse stakingsoproepen in de "Hepkema", een regionaal blad.  Dat het wat beter gaat, bewijst het volgende: In 1912 wordt per roede fl. 1,= verdiend, 4 jaar later is dat fl. 1,35-1,60 per roede.

Maar als de oorlog in 1919 beëindigd wordt,  is het met de vraag naar turf eveneens afgelopen. Dit betekent het definitieve einde van de veenderijen in het oosten van Friesland, al handhaven diverse veenbaasjes zich tot 1945, maar 1919-1922 geldt als breuk met het verleden, althans wat de veencultuur betreft, niet echter wat betreft de positie van menig veenarbeider; nog meer armoede en ellende voor de grote meerderheid, wat leidt tot grote sociale spanningen.

Toenemende werkloosheid leidt tot een toename van het aantal bedelingen en een voorbeeld daarvan geeft de "Hepkema" van 14 maart 1919,  waar de lezer gewezen wordt op het gebruik van broodkaarten, te vergelijken anno 1991 met in de Verenigde Staten nog steeds in gebruik zijnde "foodstamps" ofwel voedselbonnen. (werkstuk in 1991 geschreven, dus dat jaar gebruik ik als referentiekader.) Een ander voorbeeld is de vraag naar een conciërge voor fl. 1200,= per jaar, maar liefst 449 mensen solliciteren ernaar!!!.

Er moet iets ondernomen worden, dat is duidelijk. De provincie Friesland en de diverse gemeenten vinden, dat er werkverschaffingsprojecten opgericht moeten worden en tezamen met de provincies Groningen en Drenthe, waar soortgelijke toestanden heersen, worden ontginningsmaatschappijen opgericht: voor Friesland is dat de N.V. Ontginningsmaatschappij "De Drie Provinciën", opgericht in 1924.  

De lonen in de werkverschaffingsprojecten blijken erg laag te zijn en diverse kleine stakingen, sabotage en toenemende agitatie leidt het geheel van spanningen en onvrede tot de grote stakingsbeweging van 1925, die uiteindelijk door de marechaussee, op last van de overheid,  krachtig onderdrukt wordt. Zelfs het gehoor geven aan de natuurlijke aandrang, is dan niet zonder risico. Een man, die "ut de broek ging", hoort de politiekogels over zich heen scheren.

 

 

Alle stakingsacties ten spijt, blijven de lonen onverminderd laag, is er helaas geen perspectief, is er sprake van blijvende armoede. Ook na 1925 vinden er kleine stakingen plaats, zoals in Jubbega en Nij Beets, maar door honger en armoede durven de meeste arbeiders het werk niet neer te leggen. Bovendien blijft de landelijke overheid stokdoof voor de wensen der arbeiders. Deze situatie wordt alleen maar erger, dankzij het uitbreken van de grote crisis in de dertiger jaren. De overheid blijft hard tegen de stakers optreden en door de deelname van stakingsleider Gerrit Roorda, een communist, ontwaart de overheid de hand van Moskou in Opsterland en Schoterland. De landelijke overheid is dus wel erg actief, maar dan in de negatieve betekenis ervan.

Gelukkig vinden er ook positieve ontwikkelingen plaats in het gebied rond Beets, Gorredijk en Terwispel. Voormalige veenboeren en veenarbeiders worden omgeschoold tot agrariër, dit dankzij het droogmalen van voormalige veengrond, waardoor ruimte ontstaat voor landbouwbedrijfjes.   Er komen vee- en akkerbouwbedrijven, evenals melkcoöperaties in o.a. Tijnje, Lippenhuizen, Gorredijk en Jubbega, waar boeren hun producten tegen redelijke prijzen kunnen verkopen. In deze coöperaties treffen we vele socialistische bestuurders,  maar ook antirevolutionairen maken er deel van uit.  Ondanks deze kleine positieve ontwikkelingen, blijft de situatie tot het einde van de Tweede Wereldoorlog slecht en pas met de aanleg van elektriciteit in de gehuchten en dorpen vanaf 1960 komt er een einde aan het langdurige isolement.

 

Stikijzer

IV. JUBBEGA

Het woord "Jubbega" is een verzamelnaam voor eigenlijk twee dorpen, te weten Jubbega-Schurega en Jubbega 3e Sluis, vlakbij Hoornsterzwaag en ± 8 kilometer zuidoostelijk van Gorredijk. Jubbega ligt in het voormalige Oost-Schoterland (nu gemeente Heerenveen), het zwaartepunt van de veenderij van deze gemeente. Het gebied rondom Jubbega werd voor de Tweede Wereldoorlog aangeduid met "De Kompenije".

Al vanaf ± 1700 is er sprake van chronische armoede in deze streek, zeker als er stagnatie optreedt in de hoogveengebieden, omdat dan het afgraven van laagveen veel aantrekkelijker wordt en Jubbega ligt op het hoogveen. De stagnatie leidt tot zeer grote armoede en achterlijkheid, waaraan pas na 1900 zeer geleidelijk een einde aan zou komen, want tot het uitbreken van W.O. II wonen mensen in houten keten, zonder enig gerief.

Opvallend is, dat in de tweede helft van de 18e eeuw de bevolking van Jubbega spectaculair groeit: met maar liefst 180% in de Kompenije, voor heel Friesland is dat maar 25% en voor geheel Schoterland is de groei 68% 30.   Een verklaring voor bovengenoemde groei is het feit, dat lotgenoten steun bij elkaar zoeken, de Jubbegasters voelen zich min of meer "outlaws" en dan is het vanzelfsprekend, je als groep van de rest van de samenleving af te zonderen, wat voor de Jubbegasters tot in de eerste helft van de 20ste eeuw opgeld doet en dan met name voor de "Wyksters".

 

De armoede, waarover gesproken wordt, blijkt uit het volgende staatje:

Dorp

 

Insolvente huisgezinnen

 

Gealimenteerde gezinnen

 

Hoornsterzwaag

8%

8%

Jubbega-Schurega

41%

14%

Oudehorne

40%

10%

Nijehorne

17%

6%

't Meer

29%

10%

Heerenveen

19%

6%

totaal Schoterland

21%

9%

Friesland

12%

10%

 

Door de heersende armoede komt criminaliteit op grote schaal voor. Vooral 's nachts wordt er gebedeld, vinden illegale stroperijen plaats en jongeren lopen lallend de wijken rond, want er is sprake van overmatig alcoholgebruik. De streek met haar bewoners wordt dan ook zoveel mogelijk door de "keurige burgers" gemeden.

Armoede, drankzucht, verpaupering in het algemeen leiden ertoe, dat diverse personen zich gaan inzetten voor lotsverbetering. Een van hen is de Amsterdamse koopman en filantroop P.W. Janssen, die in nauwe samenwerking met de socialist Rindert van Zinderen Bakker, afkomstig uit Kortezwaag vanaf 1896 diverse ontginningsprojecten opgang brengt.* een andere weldoener is baron Van Heemstra uit Driebergen, die stenen huizen laat bouwen op plaatsen, waar holen, keten en krotten staan. Trekken ± 25.000 Friezen tussen 1890 en 1910 naar het buitenland, o.a. naar de Verenigde Staten en het Duitse Ost-Friesland, maar bijvoorbeeld ook naar Amsterdam , de Kompenijsters zijn echter niet in beweging te krijgen, Krul noemt hen de "heidsjers".

Een opvallend verschijnsel is de geleidelijke tweedeling tussen de beide Jubbega's; te weten de "Wyksters" en de "Sluisers".  De verpaupering van de "Wyken" zet onverminderd door, maar de bewoners van de 3e Sluis vertonen een toenemende zelfbewustheid, wat zich uit in een toenemend verenigingsleven, gesymboliseerd met de oprichting van Plaatselijk Belang in 1900, de oprichting van de coöperatieve zuivelfabriek "Ons Belang" in 1903 te Jubbega en graanmalerij in hetzelfde jaar en de vestiging van een boerenleenbank in 1907.  De toegenomen bewustwording wordt mooi geïllustreerd aan de hand van een Fries gedicht, geschreven in het geheelonthouders krantje "'t Oosten van Schoterland" De Sluisers kijken op de Wyksters neer, men voelt zich geleidelijk betrokken bij de samenleving.

Helaas, de opbloei blijkt slechts tijdelijk. Eerst profiteert men nog van een kleine opleving in de landbouw rond 1918-1920, maar evenals elders in Nederland breekt er in de periode 1920-1923 een grote depressie uit, die grote gevolgen zal hebben voor dit gebied.

Een bewijs, dat het bergafwaarts gaat, levert de kas van het Burgerlijk Armbestuur: de uitgaven stijgen van ƒ 35.000,= in 1920 tot ƒ 89.127,18  in 1925.  Een tweede bewijs bewijs van neergang is dat van de vijf boerderijtjes, opgericht door de P.W.  Janssen's Friesche Stichting er in de kortste tijd vier verlaten worden. Ook andere boerderijtjes, met één hectare grond, blijken niet de weg te zijn, om de bewoners uit het moeras te trekken. Dit laatste gebeurt in de jaren twintig. 

 

Stuken

V. DE EERSTE SPADE

Het is de socialist Rindert van Zinderen Bakker, geboren te Kortezwaag in 1845, die zich het lot aantrekt van zijn medebewoners, maar die zich, anders dan vele medesocialisten, niet door agitatie, maar door praktisch handelen, het lot van de Oost-Schoterlanders en Opsterlanders, wil verbeteren. Dankzij zijn uitstekende kontakten met de liberaal A. Kerdijk komt Van Zinderen Bakker in contact met de Amsterdamse koopman Peter Wilhelm Janssen, oorspronkelijk van Oost-Friese afkomst(Duitsland). Janssen is begaan met het lot van de veenbewoners en besluit in 1896 stukken grond aan te kopen, met het doel deze te ontginnen. Zo worden er gronden aangekocht nabij Beets, Gorredijk, Het Bildt en Jubbega/Oudehorne.

In de buurt van Jubbega wordt het perceel "Helpt Elkaar" opgericht. Op 20 juni 1896 vindt de eerste aankoop van 1 ha grond plaats van Sijtze Poppes Buitenhof. In oktober komt daar nog een ha. grond bij en spoedig begint men met het ontginnen ervan. Een jaar later staan er vier woningen en een deel van de grond is met behulp van losse arbeiders ontgonnen.

Het gehele project kost f 22.500,= en Janssen zorgt voor de betaling ervan. Janssen zorgt dus voor de voorschotten, het moet echter na verloop van tijd wel terugbetaald worden door de pachters, al wordt er ruim de tijd gegeven voor terugbetaling.

Ook elders in Friesland ontstaan soortgelijke percelen, waaronder nabij Gorredijk, waar het complex "Arbeid Adelt" in hetzelfde tijdvak opgericht wordt. Voor de direct betrokkenen hebben deze projecten zeker voordeel gebracht: zij kunnen op deze wijze aan de armoede ontkomen, maar afgaande op het werk van Krul, moet helaas gezegd worden, dat voor de meeste bewoners van deze streek de armoede zal voortduren.

Het project te Jubbega,is 'aldus een brief van Van Zinderen Bakker aan P.W. Janssen, een succes. Sommige" pachters hebben één, anderen hebben zelfs twee koeien. De brief dateert najaar 1898.

 

  

Kleine boerenwoning met moestuin op het complex ' Helpt Elkaar '

 

Na 1902 zijn de meeste ontginningsprojecten voltooid en C.W. Janssen besluit het geheel onder te brengen in een stichting, die genoemd wordt naar zijn vader: P.W. Janssen's Friesche Stichting, welke nog steeds bestaat en nog diverse boerderijen, woningen en landerijen in bezit heeft.

Rindert Van Zinderen Bakker krijgt het verwijt, te "heulen" met de kapitalisten en vertrekt in 1904 naar Bussum, alwaar hij, gelijk in Friesland, blijft samenwerken met C.W. Janssen. Bakker keert in Friesland terug in 1924, drie jaar later sterft hij. In 1926 besluit de Stichting 55 ha. grond te ontginnen nabij Hoornsterzwaag, vrijwel tegelijkertijd met de N.V. Ontginningsmij. "De Drie Provinciën", die 75 ha. grond nabij Hoornsterzwaag gaat ontginnen. Het perceel "Helpt Elkaar", heeft een lang leven gehad, wat bewezen wordt door een staatje.

 

Turfkorf

VI. WERKVERSCHAFFING EN ARMOEDE

Niet alleen in Friesland is sprake van structurele werkloosheid in de twintiger jaren, ook Groningen en Drenthe kampen met grote en blijvende werkloosheid. De vraag in de drie provinciën is dan ook: "wat kan er gedaan worden tegen die werkloosheid"? Voor de Eerste Wereldoorlog kunnen vele arbeiders seizoensgebonden werk vinden. In de zomer wordt gehooid en oogst men vlas en graan, in de winter trekt men naar de veestallen in Westfalen in Duitsland. Bovendien emigreren vele gezinnen naar de Verenigde Staten en Canada.

Door de oorlog van 1914-1919 komt hieraan abrupt een einde: Amerika sluit praktisch zijn grenzen en werken in Duitsland is er ook niet meer bij. Bovendien mechaniseert de landbouw en dat verergert nog eens de reeds bestaande werkloosheid. Om aan de werkloosheid het hoofd te kunnen bieden worden in de drie provincies ontginningsmaatschappijen opgericht, voor Friesland is dat N.V. Ontginningsmaatschappij "De Drie Provinciën", die op 18 september 1924 het levenslicht ziet te Drachten(Dragten in een van de brieven), later gaat het hoofdkantoor naar Heerenveen. In Drenthe en Groningen worden dergelijke maatschappijen opgericht in 1924 en 1925.

Doelstelling van de drie maatschappijen is het in cultuur brengen en of in verhoogde cultuur brengen van woeste en andere gronden met de bedoeling een hogere opbrengst te realiseren. De gelden worden bijeengebracht door de verkoop van aandelen aan die gemeenten, die belang hebben bij de ontginningsprojecten.

Blijkens een brief, gedateerd 14 juni 1926 van de "Drie Provinciën" aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw is de gemeente Schoterland in 1926 tot de vennootschap toegetreden. De maatschappij verzoekt de minister toestemming te geven voor de ontginning van 75 ha. heidegrond te Hoornsterzwaag, gelegen ten zuiden van de weg Jubbega-Donkerbroek. Het gehele project wordt uiteindelijk gerealiseerd in 1927, als twee percelen onder Mildam door ministerieel ingrijpen onteigend worden.

 

Mengbak

 

Ook de reeds eerder genoemde Janssenstichting is in dit tijdvak actief, getuige de aankoop in maart 1922 van respectievelijk zes en even later negenveertig ha. grond, eveneens bij Hoornsterzwaag. In hetzelfde jaar als de ontginningsmij. besluit tot ontginning van 75 ha. grond bij Hoornsterzwaag -en dat is 1926- start de Stichting met de ontginning van 55 ha. grond. Dat betekent, dat in het tijdvak 1926-1921 ruim 130 ha. grond in cultuur wordt gebracht, voorwaar, een belangrijke gebeurtenis.

Het is de Nederlandse Heidemaatschappij, die ten behoeve van het grote ontginningsproject een rapport samenstelt. Zo wordt besloten tot de aanleg van een hoofdweg vanaf Jubbega-Schurega-Hoornsterzwaag naar het Tjongerkanaal. Daarnaast besluit men"tot ontwatering op de bermsloot langs het Tjongerkanaal, hiertoe worden ontwateringsloten gegraven en als laatste dient de grond ongeveer 0,60 M diep gespit worden en moet het geheel in blokken vlak gemaakt worden en zonodig geëgaliseerd. De grond dient vooral als grasland gebruikt te worden.

Blijkens een schrijven van 9 oktober 1931, verkoopt de gemeente Schoterland nog eens ruim 97 ha. grond aan de N.V. Ontginninsmij. "De Drie Provinciën". Vanuit Den Haag komt op 11 november van dat jaar een positieve beschikking. Tussen 1926 en 1932 is alleen al nabij Hoornsterzwaag ruim 230 ha. grond ontgonnen, want Schoterland ontgint rond 1930 zelf vijf ha. grond.

Hoewel de prestaties op zich indrukwekkend zijn, op het financiële vlak is het echter kommer en kwel. De werkmaatschappijen lijden verlies: alleen al "De Drie Provinciën" heeft in 1933 een schuld van f 1.847.256,=, terwijl in dit jaar een verlies geleden wordt van
f 131.715,=, voor deze tijden zijn dat enorme bedragen. De Nederlandse Staat grijpt uiteindelijk in en één van de maatregelen is, dat de overheid de gronden tegen boekwaarde opkoopt van de N.V. Het Departement van Financiën beheert de gronden. De Friese N.V. mag die gronden, waar geen boerderijen staan, zelf pachten. De kosten, verbonden aan de ontginningen, komen uit het Werkloosheids subsidiefonds: Uit onderstaand geschrift zullen we ontdekken, wat dit betekent voor de arbeiders, in dienst van de ontginningsprojecten.

 

 

Armoede is het sleutelwoord in Schoterland en vooral de Oost-Schoterlanders, te weten de inwoners van Jubbega en Hoornsterzwaag hebben de crisis van de jaren twintig en vooral de jaren dertig aan den lijve ondervonden. Zo citeert Boltendal een oproep van personeelsleden van drie openbare lagere scholen onder de kop "Arm Jubbega",de leerkrachten " doen een dringend beroep op de weldadigheid hunner landgenoten. Vele hunner leerlingen komen onvoldoende gekleed ter school, daar de ouders van te weinig inkomsten (steun en werkverschaffing) niet voldoende daarvoor kunnen zorgen. Nu de winter nadert, wordt dit gebrek dubbel gevoeld(...). 't Gemeentebestuur mag en kan
in dezen maar weinig geven (sanering)".
De werkverschaffing wordt een heet hangijzer voor de gemeente Heerenveen(voorheen Schoterland). Er wordt een verzoek ingediend om arbeiders in de werkverschaffing te voorzien van kleding, schoeisel en gereedschap, dit is in maart 1936.

Maar niet alleen in de werkverschaffing gaat het slecht, de Nederlandsche Tram Maatschappij( de N.T.M.) ziet zich gedwongen de salarissen van haar personeel in februari 1932 met maar liefst 10%!! te verlagen en een jaar later geldt in plaats
van een uitkering een wachtgeldregeling en dan alleen als een lijn niet weggesaneerd wordt. Zelfs de burgemeester en ambtenaren krijgen te maken met loonsverlagingen.
 

Appèlmeester Hankel spreekt de menige toe tijdens een veenstaking bij Nij Beets, 5 mei 1890.


Door de misère ontstaat verzet in allerlei vormen, zoals demonstraties, maar ook het stelen van fietsplaatjes voor werklozen, die te herkennen zijn aan een gaatje in de fietsplaat.
In 1930 vindt er een flinke rel plaats in de Friese Staten tussen de communist Gerrit Roorda, SDAP-Gedeputeerde Geerts en Statenlid Falkena, tevens rijksinspecteur voor de werkverschaffing, het zou m.n. tussen Falkena en Roorda nooit meer goed komen. Falkena was ook burgemeester van Schoterland.
In 1931 komt de grote klap als besloten wordt dat er van de 2000 arbeiders in de werkverschaffing er slechts 200 kunnen blijven. Reden: de minister besluit de werkverschaffing stop te zetten.

Voor velen is de maat vol en op een zaterdagmiddag trekken zo'n 80 arbeiders van de werkverschaffing"De Ontginning" op naar het Schoterlandse gemeentehuis. Men eist regengeld, de demonstratie in februari 1931 had succes: er werd f 4,50 extra uitgekeerd. Belangrijke activisten zijn de Jubbegaster communistische kastelein-winkelier Siemen Brinksma en de onafhankelijke socialist C. Bosma uit Nieuwehorne.

Jordaanachtige toestanden" refererend aan het Jordaan oproer in Amsterdam, waarbij zes doden vallen en tientallen gewonden, blijven onbekend in Friesland, al is Friesland veruit de armste provincie.

 



 

Nog een bewijs, dat het slecht gaat, levert het volgende staatje: Aangenomen werk.

1928

ƒ 2.511.000

1929

ƒ 2.424.000

1930

ƒ 1.982.000

1931

ƒ 2.238.000

1932

ƒ 1.456.000

1933

ƒ 1.138.000

1934

ƒ    703.000!!

 

Vanuit de bevolking worden pogingen gedaan, het lot in eigen hand te nemen. Zo vinden er in Jubbega "wilde" ontginningen plaats, maar de gemeente treedt hiertegen hard op, door de politie op af te sturen. Naast de officiële ontginningen zijn er de particuliere ontginners, die met steun van de overheid in de periode 1923-1926 in Schoterland 240 ha. grond ontginnen. De arbeidslonen worden eerst met 40% gesubsidieerd, later 7 zelfs met 80%, ook al geen teken, dat het goed gaat.

De gemeente Schoterland en vooral Oost-Schoterland beleeft een zeer zware tijd. Ook in het volgende hoofdstuk zien we in volle "glorie" de problematiek opduiken, het wordt zo erg, dat Rijk en Gemeente een commissie gaan instellen.

 

Veentrekken

VII. DE POLITIEK SPREEKT

Tijdens de raadsvergadering van woensdag 18 februari 1925 worden de uitbetalingen in het kader van de werkverschaffing in de Oosthoek opgesomd. Het betreft de ontginning te Hoornsterzwaag. Op 4 december 1924 wordt per roede fO,72 betaald, er wordt 0,60 cm diep gespit. Per ha. kost het f 432,=, het kruinwerk kost nog eens f 124,= per ha. ,samen kost het f 556,=.
Op 11 december kost het diepspitten van 4,5 palm
f 0,78 per roede, dat is f 468,= per ha., het kruinwerk kost nog eens f 110,= per ha., samen is dat f 578,=. De arbeiders verdienen zo'n f 0,23 per uur, maar als ze harder aanpoten, kunnen ze maar liefst f 0,24 per uur verdienen!. Het bovenstaande betreft een schrijven van de heer P.A. Koopmans in antwoord op een brief van het college van B&W van Schoterland.*

Tijdens de raadsvergadering van Schoterland wordt n.a.v. een motie van wethouder H. de Vos uitvoerig gediscussieerd over de toestand van de arbeiders in de werkverschaffing. Men is het eens met de constatering, dat de situatie slecht is.

Met name 's winters is er op velerlei gebied gebrek, de arbeiders en hun gezinnen ontberen vaak elementaire zaken, zoals kleding en voedsel, de huisvesting laat ook te wensen over.

Men debatteert over de vraag, wat er aan gedaan kan worden. Woordvoerders zijn voornamelijk de Vos, Nijenhuis en Gerritsma. Het loon van de arbeiders is maximaal
f
0,24 per uur en dat is al zo gedurende de afgelopen vijf à zes jaar. Wat als een tijdelijke voorziening moet gelden (de werkverschaffing) dreigt nu blijvend te worden; verbetering is niet in zicht.

Dat de raad erover spreekt, heeft alles te maken met de grote stakingsbeweging van 1925. Volgens Nijenhuis was er sprake van "terreur" en noemt hij de stakers "terroristen", er was sprake van een "bijna revolutie", aldus Nijenhuis. Gerritsma daarentegen meent, dat door de stakingen de situatie iets verbeterd is. De raad vindt f 0,24 per uur te laag..

 

 

Uiteindelijk komt de Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw, Ruys de Beerenbroucq met een wel zeer "creatieve oplossing": Niet het uurloon wordt verhoogd, maar de arbeidstijd wordt verlengd en wel van 45 uur per week ( 8 uur per dag) naar 50 uur per week ( 9 uur per dag) en later zelfs naar 10 uur per dag ofwel 55 uur per week. Uitzonderingen worden gemaakt voor diegenen, die een grote afstand moeten afleggen of te zwaar werk verrichten. Per saldo houden de werkers dus meer over, aldus de minister.

Uit het raadsverslag van 26 juni 1926: Adres van de arts J.C. Donker en schoolhoofd
  H. Boelens, afkomstig uit Jubbega, waarin het gemeentebestuur verzocht wordt bij de minister op aan te dringen een deel van de f 12 miljoen gulden te besteden aan betere woontoestanden in de Oosthoek. Tevens moet er per woning 2 ha. heide toegevoegd worden plus gratis mest gedurende de eerste jaren.

In de raadsbijeenkomst van 29 november 1927 wordt opnieuw gesproken over de armoede en de werkverschaffing. Het nieuwe raadslid Brinksma verwijt de raad gebrek aan beleid. Weliswaar is er door de gemeente, de N.V. plus particulieren 250 ha. grond ontgonnen, er ligt echter nog 1000 ha. braak en de arbeidssituatie blijft slecht.  van het verslag zegt Brinksma: "
Er is bereikt dat Schoterland berucht is geworden over het gehele land, men heeft hier toestanden als in Emmen, en dat dank zij het goed geleid, dank zij het vele dat de raad heeft gedaan! De raad heeft bereikt dat de gemeente wordt besproken over het gehele land, terwijl men vroeger hier weinig armen had". Ongetwijfeld wordt verwezen naar de S.D.A.P. wethouder de Vos. Tussen de S.D.A.P. en de vrijsocialisten van Brinksma is sprake van een hevige strijd, over de vraag wie nu het socialisme in praktijk brengt. Brinksma heeft zelf de schop gehanteerd en zegt dus verstand van zaken te hebben.

 

Ferdinand Domela Nieuwenhuis, dominee, socialist, anarchist, maar voor alles strijder tegen maatschappelijk onrecht. Domela Nieuwenhuis had een bijzondere band met Friesland: hij was in 1870-1871 predikant in Harlingen en sprak regelmatig op propagandabijeenkomsten. Hij had veel aanhang in zuidoost Friesland, waar het kiesdistrict Schoterland hem in 1888 als eerste socialist in de Tweede Kamer koos en de veenarbeiders hem vereerden met de titel 'ús Ferlosser'.

 


Johanna Lulofs, de eerste vrouw van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, in de haven van Harlingen. Foto: Jan Munnik

 

De politieke verdeeldheid binnen de gemeente Schoterland verlamt effectieve besluitvorming, wat nog verergerd wordt door chronisch geldgebrek. Er zijn te weinig financiële middelen om de als maar voortdurende crisis te lijf te gaan. In 1927 worden drie aanhangers van de Domela Nieuwenhuis richting, ook wel vrij socialisten in de raad gekozen. Het zijn de Kompenijsters, die o.a. Simen Brinksma als raadslid kiezen. Dit leidt tot grote conflicten en nu beseft ook "Den Haag", dat er iets moet gebeuren.

Op 5 december besluit Minister Kan van Binnenlandse Zaken en Landbouw zich persoonlijk op de hoogte te stellen en reist af naar de Kompenije. Zijn komst heeft tot gevolg, dat er een commissie wordt ingesteld, die de problematiek van Oost-Schoterland gaat onderzoeken. Deze commissie wordt bekend als de Opbouwcommissie. Niemand weet echter, wat er gedaan moet worden, dit dakzij de voortdurende verdeeldheid in de Schoterland- se raad. Uiteindelijk formuleert de commissie drie doelstellingen:

a) Het bevorderen van de werkgelegenheid.
b) Het bevorderen van de volkshuisvesting en de volksgezondheid, in het bijzonder door tuberculosebestrijding en bevordering van kinderhygiëne.
c) Het bevorderen van de gelegenheid tot het verkrijgen van meerdere ontwikkeling en vakkennis.

Hoewel het de bedoeling is, dat de commissie onafhankelijk is, lukt het de gemeente een grote greep te krijgen op de beslissingsbevoegdheid, zeker als de autoritaire rijksinspecteur voor de werkverschaffing, de liberaal Falkena, in 1928 benoemd wordt tot burgemeester van Schoterland en Falkena is een persoon, die zelf leiding wil en ook kán geven, iets wat de gemeente op zich hard nodig heeft. Bekende leden van de commissie worden de Jubbegaasters Jelle van Dam en Joghum Alberda.

Dat de vergaderingen van de opbouwcommissie niet soepel verlopen, blijkt uit een groot aantal conflicten tussen 1928 en 1936. Zo stappen de leden Lepstra en Jonker al snel op en ook secretaris Wind houdt het voor gezien; hij volgt hun voorbeeld reeds twee dagen later. Het is nog maar 31 december 1928.

Hoewel de op zich mooie doelstellingen bij lange na niet worden vervuld, zijn er toch resultaten te melden. Zo melden van Dam en Alberda, dat ná 1 januari 1928 52 keten zijn afgebroken, te weten 36 keten in Jubbega en 16 keten in Hoornsterzwaag.

De meeste bewoners zijn verhuisd naar de zogenaamde opbouwwoningen. In een vergadering van de commissie op 1 september 1928 wordt besloten aan diverse bewoners gelden ter beschikking te stellen voor de aanschaf van meubilair, het blijkt, dat nogal wat bewoners geen enkel meubelstuk hebben en zich dat ook niet kunnen aanschaffen.

De meeste activiteit ontplooit de commissie tussen 1928 en 1931,vooral in deze jaren worden er woningen gebouwd en tientallen keten afgebroken en verbrand. In 1933 wordt te Jubbega een ambachtschool gebouwd, waardoor technisch onderwijs gegeven kan worden aan werkloze arbeiders. Helaas zijn we dan beland in de jaren dertig, het tijdvak van de grote crisis.

 

Hele gezinnen werkten er aan mee

 

De gevolgen doen zich op vele terreinen voelen: massale werkloosheid, zoals het geval is met de landloze werkers, die omgeschoold worden tot metselaars en timmerman, ze blijven werkloos. Het uit zich ook in de vergaderfrequentie van de opbouwcommissie:1 maal in 1927, 12 maal in 1928, 6 maal in 1929, 5 maal in 1930, 2 maal in 1931, 1 maal in 1932, geen vergadering in 1933, ook niet in 1934, zowel in 1935 en '36 1 maal en daarna wordt er niet meer vergaderd. Ongetwijfeld het gevolg van nijpend geldgebrek als gevolg van de straffe bezuinigingen onder het kabinet Colijn.

In Jubbega wordt het buurthuis gebouwd. Haar taak is het geven van medische voorlichting aan de Jubbegaasters, zo werken er wijkzusters, die in de wyken zorg dragen voor betere hygiëne, worden er cursussen gegeven.

De grote stimulators van het buurthuis zijn de reeds genoemde Jelle van Dam en Jogchum Alberda, zij steken enorm veel tijd in hun pogingen de Kompenijsters uit de lethargie te trekken. Vooral de "Wyksters" moeten er echter weinig van hebben.
Pas ná de Tweede Wereldoorlog verandert de situatie aanmerkelijk: De wederopbouw bereikt ook de Kompenije en pas dan zal het buurthuis inderdaad die plaats innemen, waarvoor het bedoeld is. Het buurthuis komt voort uit de besluitvorming van de opbóuwcommissie, een ander besluit is het opzetten van tuinbouwbedrijfjes, maar ná de oorlog moet men erkennen, dat déze bedrijfjes geen succes hebben.
Al met al moet erkend worden, dat de commissie wel wil, maar door de grote crisis in de dertiger jaren niet kan functioneren, zoals zij wil.

In de jaren dertig zijn de meeste woeste gronden van Oost-Schoterland ontgonnen. Vooral de Drie Provinciën, de Heidemij., de rijksinspectie voor de werkverschaffing, het ministerie van Binnenlandse Zaken en het ministerie van Sociale Zaken plus de gemeente Schoterland( in 1934 de gemeente Heerenveen) zijn de grote ontginners.

Vanaf het einde van 1936 gloort er een glimpje licht in de diepe Schoterlandse duisternis. De gulden wordt eindelijk gedevalueerd en dat werkt stimulerend op de economie, zoals blijkt bij de koop van Hotel Vernimmen in Heerenveen, gefinancierd door de Friesch-Groningsche Hypotheekbank in 1938.Helaas, de Tweede Wereldoorlog maakt aan alle hoop alweer een einde en pas ná de oorlog kan men werkelijk beginnen met de verheffing van de bewoners van vooral de Oosthoek, het gebied rond Jubbega-Hoornsterzwaag.

 

Grosse Contract

 

Grosse contract tussen de gezamenlijke Veenbazen zo wel van het District Schoterland en Opsterland. Geminuteerd op twee zegels ieder twaalf stuivers bedragende tezamen  1.4.0

Voor Gerrit Tammes de Jong, Keizerlijk Notaris,resideerende te Langezwaag, Canton te Beesterzwaag, arrondissement te Heerenveen, departement Friesland, in bij zijn van zijn Ambtgenoot resideerende te Beesterzwaag, in voor geschreven Canton.

Zijn gecompareerd Bernardus Annes Brandsma Predikant. Ibele Lolkus, Klaas Hendriks Walda. Wijtse Alles Van der Sluis Veenbazen wonende te Wijnjeterp. Tjalling Freerks Landmeter Veenbaas wonende te Kortezwaag. Foke Freerks Landmeter Veenbaas wonende te Terwispel.

Welke verklaarden gemaakt te hebben en overeen gekomen te zijn, om trend nakoming van het contract  betrekkelijk de Veen graverijen zo wel in het voormalig District Opsterland als het voormalig District Schoterland gelegen, bestaande in conditiën naar welke de Veenbazen hun venen op èènparige wijze met betrekking tot de werklieden moeten doen vegraven.

A. Dat de veenbazen moeten zorgen dat hunne buiten en dags werkslieden s′morgens met zonsopgang met het werk een aanvang maken en voort werken tot het ophalen van de korfen s′middags om twee uur. Mits aan hen vergunt zijn een schoft beginnende met het ophalen  en eindigen met het neer laten van de korfen, bij peene van vijf Caroli gulden dagelijks.

B. Dat de veenbazen zullen moeten zorgen dat hunne bonkers in het eerste schoft tenminste graven en stikken èèn bank gelijk ook in het tweede, bij de ploegen alwaar zij hun werk verrichten, bij peene Een gulden 10 stuivers telkens.

C. Dat de veenbazen niet meer tot dag huur aan de gravers mogen geven als achttien stuivers op het hoogst en Veertien stuivers op het laagst, voorts aan de buiten arbeiders elf stuivers op zijn hoogst en acht stuivers op zijn laagst Zullen echter de regeling hiervan overigens door de gecommitteerden worden bepaald verder zullen de veenbazen niet meer mogen betalen voor het ringen hopen of vuren, en verdere werk daartoe behorende als voor de veertig stok veen maten grauwe turf een gulden en vijftien stuivers, en zwarte turf twee gulden, bij peene van vijftig gulden.

D. Dat de veenbazen het recht zullen hebben om aan hunne onderbazen en arbeiders de benodigde brand turf  jaarlijks gratis te verlenen en wel bepaaldelijk zonder meer, onder conditie om van de zelfde hoegenaamd geen te verkopen, alles bij peene van vijfentwintig gulden.

E. Dat de veenbazen geen krooden bij het afleveren van de turf gebruikt worden, de schippers gratis mogen voor houden, maar verplicht zijn de gewone huur naar veens gebruik daarvan telkens in te vorderen bij peene van drie gulden Dat de veenbazen moeten zorgen dat hun werklieden  bij het holdert maken, hun vuur uit doen en geen vuur achter laten bij peene van zes stuivers telkens deze.

 

CONCLUSIE

ARMOEDE, geschreven in hoofdletters is het sleutelwoord voor de bewoners van de Oosthoek. Armoede als "normaal" deel van het leven. Daarnaast was er de uitzichtloosheid van de zeer vele generaties rond de streek Jubbega-Hoornsterzwaag.
Het zou tot de twintiger jaren duren, voordat echt maatregelen genomen worden, om een kentering van de slechte toestanden te bereiken. Helaas werd de toestand voor de meerderheid er niet beter op. De lonen in de beruchte werkverschaffingsprojecten waren onaanvaardbaar laag. Gebrek aan voedsel, kleding en slechte huisvesting geven het beeld van een samenleving, gedompeld in diepe armoede en ellende.
 

En wat deed de politiek? Vanzelfsprekend probeerde men de ellende te bestrijden, maar onderling gekrakeel, competentiestrijd, het veel te laat inzien van de grote nood in de Oosthoek, plus het straffe geldbeleid van vooral het kabinet Colijn blokkeerde een effectieve armoede- bestrijding. Pas ná de Tweede Wereldoorlog wordt de Oosthoek uit zijn isolement verlost en delen ook de Jubbegasters c.q.in de algehele welvaartsboom, die Nederland overspoelde met name in de jaren vijftig en zestig. Maar voor de oorlog moet het leven voor de Oost hoekers een ware beproeving zijn geweest, al was het alleen maar, dat er tot in 1938 mensen in keten woonden.

 

De Kranten

 

11 juli 1843

 

25 april 1851

 

18 augustus 1876

 

 

 

Sytse Brugts Westra en zijn vrouw feikje Plantinga

 

 

 

 

Tjepke Nawijn (1862-1939)

 

Heerenveen in 1790, getekend door K. F. Bendorp