BONTEBOK
IN HET NIEUWS
Vandaag staat een
onschuldig huisdier centraal: de bok. We gaan daarvoor naar het dorp
Bontebok, 7 kilometer ten oosten van Heerenveen gelegen. Bontebok is
gewoon genoemd naar de mannetjesgeit en dan eentje die bont was. Maar
hoe kan dat nou? Een nederzetting wordt toch niet simpelweg naar een
beest genoemd?
Natuurlijk ligt
het in Bontebok ook niet zo eenvoudig. Laten we maar eens naar de
geschiedenis van het dorp kijken. De plaats is ontstaan als veenkolonie.
Het begin ligt in 1551. Op 24 juli van dat jaar tekenden Pyter Hettes
van Dekema uit Jelsum en Johan van Cuyck Anthonisz en Floris Foeyts uit
Utrecht een contract van samenwerking om het hoogveen onder de dorpen
Hoornsterzwaag, Jubbega, Schurega, Oudehorne, Nieuwehorne, Katlijk,
Brongerga en Langer- en Kortezwaag af te gaan graven om tot turf te
verwerken. Sytse Jan van der Molen heeft de geschiedenis van die
veengraverij beschreven in zijn `Turf uit de Wouden' van 1978.
De drie heren
noemden hun samenwerkingsverband de `Compaignie ofte societeijt'. Ze
begonnen niet in Bontebok, want dat was er nog niet. Ze begonnen op de
plaats waar nu Heerenveen ligt. Ze lieten een kanaal het hoogveen in
graven nadat er een goede vaarverbinding met het Sneekermeer was
gemaakt. Het veenkanaal heette eerst Grift, maar kreeg weldra de naam
Compagnonsvaart.
In 1600
bereikte de hoogveengraverij de zuidwestelijke grens van het dorpsgebied
van Langezwaag. In 1649 wordt de lawei voor de eerste keer vermeld. Dat
was het werktuig, waarmee begin en einde van de werktijden werden
aangegeven. In dat jaar stond de lawei nog ergens in de Knipe.
Op de
grietenijkaart van Schotanus van 1718 is de lawei verplaatst. Hij staat
dan niet ver van de plek, waar de weg van Nieuwehorne naar Langezwaag de
Compagnonsvaart kruist. Maar er staat nog meer interessants. Op de kaart
van Schoterland staat eenvoudigweg: Bontebok. Op de kaart van Opsterland
- de Compagnonsvaart liep praktisch langs de grens tussen de beide
grietenijen - staat wat meer te lezen: `de Bontebock en Verlaat'. Op de
kaart is duidelijk een versmalling in de vaart te zien.
Een verlaat of
vallaat is een kleine schutsluis. En de Bontebok slaat op beide kaarten
heel duidelijk op een huis aan het kanaal, vlakbij het vallaat. Die naam
van dat huis komt voor het eerst voor in een document uit 1640. Daarin
staat namelijk, dat het graven van de Compagnonsvaart op dat moment was
gevorderd tot de Bonte Bock.
Die Bonte Bock
was een herberg. In het boekje `De Bontebok, krúspunt fan wei en wetter'
uit 1989 staan twee aan de sneuper Wigholt Vleer ontleende verhalen uit
1683 en 1685 die zich in die herberg hebben afgespeeld. Die verhalen
komen uit de criminele archieven van het Hof van Friesland.
Het ging er
nogal ruig aan toe. Tjibbe Jeeps, de politieman van de Knipe, bedreigde
daar de zwangere vrouw van kastelein Jabik Linses met twee messen. Het
liep voor haar allemaal goed af, maar Tjibbe moest een jaar naar het
Leeuwarder Blokhuis. Slechter liep het af met een andere gast van de
Bonte Bock. Sake Hanses was op roof gegaan en was ondergedoken in de
Bontebokster herberg. Nadat hij was gepakt, werd hij tot de zwaarste
straf veroordeeld: `om aen een staek geworgt en daer nae met de viere
gesengt' (verbrand) te worden.
Heerenveen is
de oudste hoogveenkolonie van ons land. Al in 1551 is de plaats
Heerenveen ontstaan. Toen waren er “Heeren” genaamd Foeyts, Van Dekema
en Cuyck die geld wilden verdien en daarom besloten om in dit gebied
veenontginning en turfwinning te realiseren. Voor de aan- en afvoer van
de turf werden vaarten en sloten gegraven. Dat vaarwater werd doorkruist
door de verbinding Zwolle-Leeuwarden. Op die kruising ontstond de
nederzetting Heerenveen.
Tot 1800 was
Heerenveen de plaats voor “het Friese Haagje”, een gezelschap van
deftige burgerij en de middenstand. Doordat de nederzetting Heerenveen
op de grens lag van drie gemeenten; Aengwirden, Schoterland en
Haskerland, werd pas na lang beraad op 1 juli 1934 de gemeente
Heerenveen officieel.
DE OOSTHOEK.
ARMOEDE ALS LOTGENOOT

I. HET BEGIN
Reeds in
de Middeleeuwen is er sprake van het vervenen van stukken land, zo ook
in Friesland. Het gedroogde veen gold als turf voor brandstof, dat tot
diep in de 19e eeuw door vrijwel alle huishoudens als zodanig
werd gebruikt. Dat hierin geld werd " geroken", bleek met de oprichting
van de Schoterlandse Compagnie * door de Fries Peter van Dekema en de
Utrechters Jan van Cuyck en Floris Foeyts op 24 juli 1551 in het gebied,
wat nu bekend is als Heerenveen, van oorsprong "een vlecke", met weinig
meer dan enkele hutten en huisjes.

Een decoratieve gevelsteen
in de brugwachterwoning bij de Skûnsterbrêge over de Hearresleat toont
aan, dat eigendommen van de Decema, Cuijck en Foeijts Veencompagnie
eerst tegen het eind van de 19de eeuw door de Provincie werden
overgenomen. Hierbij behoorde ook een schutsluis, waarvan nog
overblijfsels aanwezig zijn.
Deze Compagnie zal tot het einde van de 19e
eeuw van doorslaggevende betekenis blijven voor een deel van de
Friese Zuidoosthoek. Plaatsen als Jubbega-Schurega, Jubbega 3e
Sluis, Katlijk, De Knipe en Hoornsterzwaag hebben hun
ontwikkelingen hieraan te danken. Dankzij de Compagnie komt de ontwikkeling
van de veenderij op gang, worden er kanalen gegraven voor de afvoer van
het veen, zoals de Schoterlandsche - Compagnonsvaart, maar treedt er
stagnatie op, als de Opstand ook in Friesland volop woedt, wat tot
gevolg heeft dat o.a. Peter van Dekema in 1578 in ballingschap moet en
de andere heren afgezet worden. Na 1595 worden de
werkzaamheden voorgezet , want in1599 wordt het gebied rond Langezwaag
bereikt.
In 1615 moet echter opnieuw overlegd
worden om de grote stap vooruit te maken
Van de Molen beschrijft de
ontwikkelingen aan de hand van plaatsnamen en jaartallen. de progressie,
maar ook de tegenslagen. Rond 1774 wordt in Jubbega een sluis aangelegd,
ten teken, dat de Compagnonsvaart tot zover gevorderd is.
In de 18e eeuw is er sprake van
stagnatie als een zekere Martinus van Scheltinga de afgraving van de
Compagnonsvaart tussen 1732 en 1748 blokkeert. Dit leidt tot
zeer trieste gevolgen op sociaal terrein, wat zich uit in bedelarijen,
diefstallen en dergelijke. De affaire speelt zich af rond Jubbega en het
is het volk, dat in 1748 letterlijk de knoop doorhakt, door de
Scheltinga's te dwingen hun verzet te staken.
Het is in deze tijd, dat de zogenaamde
"wijken" of "wyken" ontstaan. Een voorbeeld: Broer Wytses
wijk. In 1800 woonde hier Broer Wytses, die 17 koeien bezit. Tevens
worden de geldzaken van de Compagnie besproken, zoals het verkrijgen van
vrijkoopbrieven- of contracten, die de "onvrije" verveners het recht
geven door de Compagnonsvaart te varen.Het "hondgeld" wordt eveneens ter sprake gebracht.
De sociale situatie, zoals reeds genoemd, is
alles behalve in orde. De criminaliteit is er berucht en met name in de
Kompenije, het gebied rond Jubbega heeft dan een erg slechte naam.
Diefstal, bedelarijen, dronkenschap, vernielingen en tevens een moord
zijn duidelijke uitingen van grote armoede. Het woord "woning" kan
moeilijk betrekking hebben op de onderkomens van de bewoners, men
spreekt dan ook liever van "bedelaarshutten".

Er
wordt een sfeertekening gegeven van de huiselijke situatie van de
bewoners, hoewel het "huiselijke" in de wrakke hutten nauwelijks te
ontdekken.
Kortom, naast de vooruitgang in de Friese
Zuidoosthoek, moet opgemerkt worden, dat op sociaal terrein veel leed
berokkend wordt, maar ook elders geldt in Nederland in de 18e en 19e
eeuw niet als een eldorado voor de werkers, schrijnend
is echter, dat terwijl rond 1900 in grote delen van Nederland ook op
sociaal terrein sprake is van vooruitgang, met name het gebied, beter
bekend als Oost-Schoterland, in velerlei opzicht, tot diep in de 20ste
eeuw in pure armoede en ellende verkeert, uitmuntend beschreven
door Siebren Krul.
II. HET EINDE KOMT IN ZICHT
Vooral vanaf de tweede helft van de 19e
eeuw wordt duidelijk, dat de toekomst van de veengebieden erg
somber wordt. De ontdekking van steenkool en aardolie als nieuwe en
relatief goedkope brandstoffen betekent dat het turf als brandstof
steeds minder opgeld doet. Voordat de crisis zich in volle glorie
aandient, vindt er tussen 1860 en 1874 nog een flinke opleving plaats:
Hoge prijzen, hoge productiecijfers en relatief hoge lonen brengen enige
welvaart in de veengebieden.
Maar vanaf 1875 gaat het mis. Zoals
reeds gememoreerd, is er de komst van o.a. steenkool, die van elders
aangevoerd wordt, waardoor turf als brandstof onaantrekkelijk is en dat
leidt tot afnemende vraag, wat voor de veenarbeiders desastreuze
gevolgen heeft. De prijzen zakken in, de werkloosheid stijgt en dat
leidt tot snel oplopende armoede. Bovendien vindt ook in de veenderij
mechanisatie plaats door de invoering van o.a. de baggermachine, wat tot
extra uitstoot van de arbeid leidt.
Tegelijkertijd met de veencrisis doet zich de landbouwcrisis de
landbouwcrisis gelden, die tussen 1875 en 1890 heel Europa treft, maar
vooral in de Friese Zuidoosthoek hard aankomt, omdat juist hier sprake
is van twee crises, die op hetzelfde moment toeslaan.
Rond 1888 treedt er een licht herstel
in ,
waardoor de veenarbeiders weer eisen kunnen stellen. Het is in deze
periode, dat de vermaarde Domela Nieuwenhuis optreedt, maar helaas, het
is niet meer dan een laatste stuiptrekking; vele arbeiders worden
trekarbeiders. Men trekt naar Drente en vanuit Drente naar het Duitse
Picardië, een situatie, die voortduurt tot de Eerste Wereldoorlog van
1914.
Wordt de algemene situatie in de
veengebieden in feite alleen maar slechter, elders in Nederland is
sprake van een forse toename van het gemiddelde normale loon van 70%
tussen 1850 en 1910,, terwijl het reële loon met 50 tot 60% stijgt.
Deze cijfers zijn helaas niet van toepassing voor de
veenarbeiders, wier lonen vrijwel gelijk zijn met dat van 1830.
Weliswaar verschilt de betaling per regio,
maar gemiddeld is er de indruk, dat de veenarbeiders niet meedelen in de
algemene welvaartsstijging tussen 1850 en 1910, sterker; vooral tussen
1875 en 1890 verminderen de lonen drastisch, in Appelscha gedurende het
tijdvak 1877-1887 met 25% en in Beets met 20% voor de losse arbeiders
en 18% voor de turfsteker.
Er is zondermeer sprake van
toenemende ellende en dat resulteert in bedeling en criminaliteit. In
deze tijd wordt er een toenemend beroep gedaan op kerkelijke burgerlijke
armbesturen, die derhalve steeds meer gelden moeten uittrekken om
althans het minimale te kunnen verstrekken.
Men voert zelfs het "slikgeld" in, een
soort belasting, om complete uitputting van de armenkassen te voorkomen,
daar na 1900 het met de veenderij vrijwel gedaan is, al vindt er rond
1914 als gevolg van de Eerste Wereldoorlog nog een opleving plaats,
dankzij de economische wanorde in Europa en de boycot van vele producten
als gevolg van de oorlogshandelingen.
In de volgende hoofdstukken komen we de
gevolgen van de slechte sociale en economische situatie tegen en
ontstaat er geleidelijk een beeld van een streek in Friesland, gedompeld
in armoede, maar ook de wil om eruit te komen.

Opbreken
III. ARMOEDE, VERZET EN REPRESSIE
Dit hoofdstuk behandelt met name de situatie
in de Opsterlandse venen, waar evenals in Schoterland, de veencrisis
zich doet voelen. Hoewel het werkstuk voornamelijk de Schoterlandse
veengebieden betreft, is een verwijzing naar een buurtgemeente op zijn
plaats, daar de geschiedenis van Opsterlanden Schoterland vele
raakvlakken heeft en stakingen in Opsterland ook door vele
Schoterlanders worden bijgewoond.
Het tijdvak 1895-1940 is een roerige en
sociaal gezien, een armoedige periode in de veenderijen. Het is
duidelijk, dat de toekomst van de veengebieden niet langer in het
vervenen van de gronden ligt; aardolie en steenkool doen hun
intrede, maar helaas, een aansprekend alternatief is aanvankelijk weinig
voorhanden, al zien we rond 1895 het ontstaan van enkele, door
particuliere filantropen begonnen, landbouwbedrijfjes.
Dankzij de Eerste Wereldoorlog vindt tussen
1914 en 1919 in Opsterland nog een laatste opbloei van de verveningen
plaats. Maar dat het niet goed gaat is te zien aan de
trekarbeiders die naar Duitsland afreizen om de nodige inkomsten te
verwerven. Vooral rond 1898-1914 is sprake van tijdelijke migratie naar
Duitsland. Alleen al uit Aengwirden trekken in 1898 125
arbeiders naar Duitsland, uit Opsterland gaan tussen januari en juli
1899 800 arbeiders naar Duitsland, nogal wat kinderen bezoeken Duitse
scholen. Vele arbeiders keren echter na een korte tijd weer terug waar
zij weer geconfronteerd worden met de heersende misère. Anderen hielden
er een "behoorlijk" bedrag aan over, maar over het algemeen blijft de
situatie slecht.
In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit en
dat heeft tot gevolg, dat de Europese economie praktisch stilvalt. Door
een blokkade van Engeland en Frankrijk tegen Duitsland is er o.a. een
nijpend tekort aan steenkool en hierdoor stijgt de vraag naar het aloude
turf. Voor de Friese Zuidoosthoek betekent dat een redelijke verbetering
van de situatie; hogere turfverkopen en dus kunnen ook weer looneisen
gesteld worden. Rond 1917-1918 vinden er stakingen plaats, die tot
hogere lonen moeten leiden. Er verschijnen diverse stakingsoproepen in
de "Hepkema", een regionaal blad. Dat het wat beter gaat, bewijst het
volgende: In 1912 wordt per roede fl. 1,= verdiend, 4 jaar later is dat
fl. 1,35-1,60 per roede.
Maar als de oorlog in 1919 beëindigd wordt,
is het met de vraag naar turf eveneens afgelopen. Dit betekent het
definitieve einde van de veenderijen in het oosten van Friesland, al
handhaven diverse veenbaasjes zich tot 1945, maar 1919-1922 geldt als
breuk met het verleden, althans wat de veencultuur betreft, niet echter
wat betreft de positie van menig veenarbeider; nog meer armoede en
ellende voor de grote meerderheid, wat leidt tot grote sociale
spanningen.
Toenemende werkloosheid leidt tot een
toename van het aantal bedelingen en een voorbeeld daarvan geeft de "Hepkema"
van 14 maart 1919, waar de lezer gewezen wordt op het gebruik van
broodkaarten, te vergelijken anno 1991 met in de Verenigde Staten nog
steeds in gebruik zijnde "foodstamps" ofwel voedselbonnen. (werkstuk in
1991 geschreven, dus dat jaar gebruik ik als referentiekader.) Een ander
voorbeeld is de vraag naar een conciërge voor fl. 1200,= per jaar, maar
liefst 449 mensen solliciteren ernaar!!!.
Er moet iets ondernomen worden, dat is
duidelijk. De provincie Friesland en de diverse gemeenten vinden, dat er
werkverschaffingsprojecten opgericht moeten worden en tezamen met de
provincies Groningen en Drenthe, waar soortgelijke toestanden heersen,
worden ontginningsmaatschappijen opgericht: voor Friesland is dat de N.V.
Ontginningsmaatschappij "De Drie Provinciën", opgericht in 1924.
De lonen in de werkverschaffingsprojecten
blijken erg laag te zijn en diverse kleine stakingen, sabotage en
toenemende agitatie leidt het geheel van spanningen en onvrede tot de
grote stakingsbeweging van 1925, die uiteindelijk door de marechaussee,
op last van de overheid, krachtig onderdrukt wordt. Zelfs het gehoor
geven aan de natuurlijke aandrang, is dan niet zonder risico. Een man,
die "ut de broek ging", hoort de politiekogels over zich heen scheren.

Alle stakingsacties ten spijt, blijven de
lonen onverminderd laag, is er helaas geen perspectief, is er sprake van
blijvende armoede. Ook na 1925 vinden er kleine stakingen plaats, zoals
in Jubbega en Nij Beets, maar door honger en armoede durven de meeste
arbeiders het werk niet neer te leggen. Bovendien blijft de landelijke
overheid stokdoof voor de wensen der arbeiders. Deze situatie wordt
alleen maar erger, dankzij het uitbreken van de grote crisis in de
dertiger jaren. De overheid blijft hard tegen de stakers optreden en
door de deelname van stakingsleider Gerrit Roorda, een communist,
ontwaart de overheid de hand van Moskou in Opsterland en Schoterland.
De landelijke overheid is dus wel erg actief, maar dan in de
negatieve betekenis ervan.
Gelukkig vinden er ook positieve
ontwikkelingen plaats in het gebied rond Beets, Gorredijk en Terwispel.
Voormalige veenboeren en veenarbeiders worden omgeschoold tot agrariër,
dit dankzij het droogmalen van voormalige veengrond, waardoor ruimte
ontstaat voor landbouwbedrijfjes. Er komen vee- en akkerbouwbedrijven,
evenals melkcoöperaties in o.a. Tijnje, Lippenhuizen, Gorredijk en
Jubbega, waar boeren hun producten tegen redelijke prijzen kunnen
verkopen. In deze coöperaties treffen we vele socialistische
bestuurders, maar ook antirevolutionairen maken er deel van uit.
Ondanks deze kleine positieve ontwikkelingen, blijft de situatie tot het
einde van de Tweede Wereldoorlog slecht en pas met de
aanleg van elektriciteit in de gehuchten en dorpen vanaf 1960 komt er
een einde aan het langdurige isolement.

Stikijzer
IV. JUBBEGA
Het woord "Jubbega" is een verzamelnaam voor
eigenlijk twee dorpen, te weten Jubbega-Schurega en Jubbega 3e Sluis,
vlakbij Hoornsterzwaag en ± 8 kilometer zuidoostelijk van Gorredijk.
Jubbega ligt in het voormalige Oost-Schoterland (nu gemeente Heerenveen),
het zwaartepunt van de veenderij van deze gemeente. Het gebied rondom
Jubbega werd voor de Tweede Wereldoorlog aangeduid met "De Kompenije".
Al vanaf ± 1700 is er sprake van chronische
armoede in deze streek, zeker als er stagnatie optreedt in de
hoogveengebieden, omdat dan het afgraven van laagveen veel
aantrekkelijker wordt
en Jubbega ligt op het hoogveen. De stagnatie leidt tot
zeer grote armoede en achterlijkheid, waaraan pas na 1900 zeer
geleidelijk een einde aan zou komen, want tot het uitbreken van W.O. II
wonen mensen in houten keten, zonder enig gerief.
Opvallend is, dat in de tweede helft van de
18e eeuw de bevolking van Jubbega spectaculair groeit: met maar liefst
180% in de Kompenije, voor heel Friesland is dat maar 25% en voor geheel
Schoterland is de groei 68%
30.
Een verklaring voor
bovengenoemde groei is het feit, dat lotgenoten steun bij elkaar zoeken,
de Jubbegasters voelen zich min of meer "outlaws" en dan is het
vanzelfsprekend, je als groep van de rest van de samenleving af te
zonderen, wat voor de Jubbegasters tot in de eerste helft van de 20ste
eeuw opgeld doet en dan met name voor de "Wyksters".
De armoede, waarover gesproken wordt, blijkt
uit het volgende staatje:
|
Dorp |
Insolvente huisgezinnen |
Gealimenteerde gezinnen |
|
Hoornsterzwaag |
8% |
8% |
|
Jubbega-Schurega |
41% |
14% |
|
Oudehorne |
40% |
10% |
|
Nijehorne |
17% |
6% |
|
't Meer |
29% |
10% |
|
Heerenveen |
19% |
6% |
|
totaal Schoterland |
21% |
9% |
|
Friesland |
12% |
10% |
Door de heersende armoede komt criminaliteit
op grote schaal voor. Vooral 's nachts wordt er gebedeld, vinden
illegale stroperijen plaats en jongeren lopen lallend de wijken rond,
want er is sprake van overmatig alcoholgebruik. De streek met haar
bewoners wordt dan ook zoveel mogelijk door de "keurige burgers"
gemeden.
Armoede, drankzucht, verpaupering in het
algemeen leiden ertoe, dat diverse personen zich gaan inzetten voor
lotsverbetering. Een van hen is de Amsterdamse koopman en filantroop P.W.
Janssen, die in nauwe samenwerking met de socialist Rindert van Zinderen
Bakker, afkomstig uit Kortezwaag vanaf 1896 diverse ontginningsprojecten
opgang brengt.* een andere weldoener is baron Van Heemstra uit
Driebergen, die stenen huizen laat bouwen op plaatsen, waar holen, keten
en krotten staan.
Trekken ± 25.000 Friezen tussen 1890 en 1910 naar het
buitenland, o.a. naar de Verenigde Staten en het Duitse Ost-Friesland,
maar bijvoorbeeld ook naar Amsterdam , de Kompenijsters zijn echter niet
in beweging te krijgen, Krul noemt hen de "heidsjers".
Een opvallend verschijnsel is de
geleidelijke tweedeling tussen de beide Jubbega's; te weten de "Wyksters"
en de "Sluisers". De verpaupering van de "Wyken" zet onverminderd door,
maar de bewoners van de 3e Sluis vertonen een toenemende zelfbewustheid,
wat zich uit in een toenemend verenigingsleven, gesymboliseerd met de
oprichting van Plaatselijk Belang in 1900, de oprichting van de
coöperatieve zuivelfabriek "Ons Belang" in 1903 te Jubbega en
graanmalerij in hetzelfde jaar en de vestiging van een boerenleenbank in
1907. De toegenomen bewustwording wordt mooi
geïllustreerd aan de hand van een Fries gedicht, geschreven in het
geheelonthouders krantje "'t Oosten van Schoterland"
De
Sluisers kijken op de Wyksters neer, men voelt zich geleidelijk
betrokken bij de samenleving.
Helaas, de opbloei blijkt slechts tijdelijk.
Eerst profiteert men nog van een kleine opleving in de landbouw rond
1918-1920, maar evenals elders in Nederland breekt er in de periode
1920-1923 een grote depressie uit, die grote gevolgen zal hebben voor
dit gebied.
Een bewijs, dat het bergafwaarts gaat,
levert de kas van het Burgerlijk Armbestuur: de uitgaven stijgen van ƒ
35.000,= in 1920 tot ƒ 89.127,18 in 1925. Een tweede bewijs
bewijs van neergang is dat van de vijf boerderijtjes, opgericht door de
P.W. Janssen's Friesche Stichting er in de kortste tijd vier verlaten
worden. Ook andere boerderijtjes, met één hectare grond,
blijken niet de weg te zijn, om de bewoners uit het moeras te trekken.
Dit laatste gebeurt in de jaren twintig.

Stuken
V. DE EERSTE SPADE
Het is de socialist Rindert van
Zinderen Bakker, geboren te Kortezwaag in 1845, die zich het lot
aantrekt van zijn medebewoners, maar die zich, anders dan vele
medesocialisten, niet door agitatie, maar door praktisch handelen, het
lot van de Oost-Schoterlanders en Opsterlanders, wil verbeteren. Dankzij
zijn uitstekende kontakten met de liberaal A. Kerdijk komt Van Zinderen
Bakker in contact met de Amsterdamse koopman Peter Wilhelm Janssen,
oorspronkelijk van Oost-Friese afkomst(Duitsland). Janssen is begaan met
het lot van de veenbewoners en besluit in 1896 stukken grond aan te
kopen, met het doel deze te ontginnen. Zo worden er gronden aangekocht
nabij Beets, Gorredijk, Het Bildt en Jubbega/Oudehorne.
In de buurt van Jubbega
wordt het perceel "Helpt Elkaar" opgericht. Op 20 juni 1896 vindt de
eerste aankoop van 1 ha grond plaats van Sijtze Poppes Buitenhof. In
oktober komt daar nog een ha. grond bij en spoedig begint men met het
ontginnen ervan. Een jaar later staan er vier woningen en een deel van
de grond is met behulp van losse arbeiders ontgonnen.
Het gehele project kost f 22.500,= en Janssen zorgt voor de betaling ervan. Janssen zorgt dus voor de voorschotten, het moet echter na verloop
van tijd wel terugbetaald worden door de pachters, al wordt er ruim de
tijd gegeven voor terugbetaling.
Ook elders in Friesland ontstaan soortgelijke percelen, waaronder nabij
Gorredijk, waar het complex "Arbeid Adelt" in hetzelfde tijdvak
opgericht wordt. Voor de direct betrokkenen hebben deze projecten zeker
voordeel gebracht: zij kunnen op deze wijze aan de armoede ontkomen,
maar afgaande op het werk van Krul, moet helaas gezegd worden, dat voor
de meeste bewoners van deze streek de armoede zal voortduren.
Het project te Jubbega,is 'aldus een brief van Van Zinderen Bakker aan
P.W. Janssen, een succes. Sommige" pachters hebben één, anderen hebben
zelfs twee koeien. De brief dateert najaar 1898.
Na 1902 zijn de meeste
ontginningsprojecten voltooid en C.W. Janssen besluit het geheel onder
te brengen in een stichting, die genoemd wordt naar zijn vader: P.W.
Janssen's Friesche Stichting, welke nog steeds bestaat en nog diverse
boerderijen, woningen en landerijen in bezit heeft.
Rindert Van Zinderen Bakker krijgt het verwijt, te "heulen" met de
kapitalisten en vertrekt in 1904 naar Bussum, alwaar hij, gelijk in
Friesland, blijft samenwerken met C.W. Janssen. Bakker keert in
Friesland terug in 1924, drie jaar later sterft hij. In 1926 besluit de
Stichting 55 ha. grond te ontginnen nabij Hoornsterzwaag, vrijwel
tegelijkertijd met de N.V. Ontginningsmij. "De Drie Provinciën", die 75
ha. grond nabij Hoornsterzwaag gaat ontginnen.
Het perceel "Helpt Elkaar", heeft een lang leven gehad, wat bewezen
wordt door een staatje.

Turfkorf
VI. WERKVERSCHAFFING EN ARMOEDE
Niet alleen in Friesland is sprake van structurele
werkloosheid in de twintiger jaren, ook Groningen en Drenthe kampen met
grote en blijvende werkloosheid. De vraag in de drie provinciën is dan
ook: "wat kan er gedaan worden tegen die werkloosheid"? Voor de Eerste
Wereldoorlog kunnen vele arbeiders seizoensgebonden werk vinden. In de
zomer wordt gehooid en oogst men vlas en graan, in de winter trekt men
naar de veestallen in Westfalen in Duitsland. Bovendien emigreren vele
gezinnen naar de Verenigde Staten en Canada.
Door de oorlog van 1914-1919 komt hieraan abrupt een einde: Amerika
sluit praktisch zijn grenzen en werken in Duitsland is er ook niet meer
bij. Bovendien mechaniseert de landbouw en dat verergert nog eens de
reeds bestaande werkloosheid. Om aan de werkloosheid het hoofd te kunnen
bieden worden in de drie provincies ontginningsmaatschappijen opgericht,
voor Friesland is dat N.V. Ontginningsmaatschappij "De Drie Provinciën",
die op 18 september 1924 het levenslicht ziet te Drachten(Dragten in een
van de brieven), later gaat het hoofdkantoor naar Heerenveen. In Drenthe
en Groningen worden dergelijke maatschappijen opgericht in 1924 en 1925.
Doelstelling van de drie maatschappijen is het in cultuur brengen en of
in verhoogde cultuur brengen van woeste en andere gronden met de
bedoeling een hogere opbrengst te realiseren. De gelden worden
bijeengebracht door de verkoop van aandelen aan die gemeenten, die
belang hebben bij de ontginningsprojecten.
Blijkens een brief, gedateerd 14 juni 1926 van de "Drie Provinciën" aan
de Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw is de gemeente
Schoterland in 1926 tot de vennootschap toegetreden. De maatschappij
verzoekt de minister toestemming te geven voor de ontginning van 75 ha.
heidegrond te Hoornsterzwaag, gelegen ten zuiden van de weg
Jubbega-Donkerbroek. Het gehele project wordt uiteindelijk gerealiseerd
in 1927, als twee percelen onder Mildam door ministerieel ingrijpen
onteigend worden.

Mengbak
Ook
de reeds eerder genoemde Janssenstichting is in dit tijdvak actief,
getuige de aankoop in maart 1922 van respectievelijk zes en even later
negenveertig ha. grond, eveneens bij Hoornsterzwaag. In hetzelfde jaar
als de ontginningsmij. besluit tot ontginning van 75 ha. grond bij
Hoornsterzwaag -en dat is 1926- start de Stichting met de ontginning van
55 ha. grond. Dat betekent, dat in het tijdvak 1926-1921 ruim 130 ha.
grond in cultuur wordt gebracht, voorwaar, een belangrijke gebeurtenis.
Het is de Nederlandse Heidemaatschappij, die ten behoeve van het grote
ontginningsproject een rapport samenstelt. Zo wordt besloten tot de
aanleg van een hoofdweg vanaf Jubbega-Schurega-Hoornsterzwaag naar het
Tjongerkanaal. Daarnaast besluit men"tot ontwatering op de bermsloot
langs het Tjongerkanaal, hiertoe worden ontwateringsloten gegraven en
als laatste dient de grond ongeveer 0,60 M diep gespit worden en moet
het geheel in blokken vlak gemaakt worden en zonodig geëgaliseerd. De
grond dient vooral als grasland gebruikt te worden.
Blijkens een schrijven van 9 oktober 1931, verkoopt de gemeente
Schoterland nog eens ruim 97 ha. grond aan de N.V. Ontginninsmij. "De
Drie Provinciën". Vanuit Den Haag komt op 11 november van dat jaar een
positieve beschikking. Tussen 1926 en 1932 is alleen al nabij
Hoornsterzwaag ruim 230 ha. grond ontgonnen, want Schoterland ontgint
rond 1930 zelf vijf ha. grond.
Hoewel de prestaties op zich indrukwekkend zijn, op het financiële vlak
is het echter kommer en kwel. De werkmaatschappijen lijden verlies:
alleen al "De Drie Provinciën" heeft in 1933 een schuld van f
1.847.256,=, terwijl in dit jaar een verlies geleden wordt van
f
131.715,=, voor
deze tijden zijn dat enorme bedragen. De Nederlandse Staat grijpt
uiteindelijk in en één van de maatregelen is, dat de overheid de gronden
tegen boekwaarde opkoopt van de N.V. Het Departement van Financiën
beheert de gronden. De Friese N.V. mag die gronden, waar geen
boerderijen staan, zelf pachten. De kosten, verbonden aan de
ontginningen, komen uit het Werkloosheids subsidiefonds: Uit onderstaand
geschrift zullen we ontdekken, wat dit betekent voor de arbeiders, in
dienst van de ontginningsprojecten.

Armoede is het sleutelwoord in
Schoterland en vooral de Oost-Schoterlanders, te weten de inwoners van
Jubbega en Hoornsterzwaag hebben de crisis van de jaren twintig en
vooral de jaren dertig aan den lijve ondervonden. Zo citeert Boltendal
een oproep van personeelsleden van drie openbare lagere scholen onder de
kop "Arm Jubbega",de leerkrachten " doen een dringend beroep op de
weldadigheid hunner landgenoten. Vele hunner leerlingen komen
onvoldoende gekleed ter school, daar de ouders van te weinig inkomsten
(steun en werkverschaffing) niet voldoende daarvoor kunnen zorgen. Nu de
winter nadert, wordt dit gebrek dubbel gevoeld(...). 't Gemeentebestuur
mag en kan
in dezen maar weinig geven (sanering)".
De werkverschaffing wordt een heet hangijzer voor de gemeente Heerenveen(voorheen
Schoterland). Er wordt een verzoek ingediend om arbeiders in de
werkverschaffing te voorzien van kleding, schoeisel en gereedschap, dit
is in maart 1936.
Maar niet alleen in de werkverschaffing gaat het slecht, de
Nederlandsche Tram Maatschappij( de N.T.M.) ziet zich gedwongen de
salarissen van haar personeel in februari 1932 met maar liefst 10%!! te
verlagen en een jaar later geldt in plaats
van een uitkering een wachtgeldregeling en dan alleen als een lijn niet
weggesaneerd wordt. Zelfs de burgemeester en ambtenaren krijgen te maken
met loonsverlagingen.

Appèlmeester Hankel spreekt de menige toe
tijdens een veenstaking bij Nij Beets, 5 mei 1890.
Door de misère ontstaat verzet in allerlei vormen, zoals demonstraties,
maar ook het stelen van fietsplaatjes voor werklozen, die te herkennen
zijn aan een gaatje in de fietsplaat.
In 1930 vindt er een flinke rel plaats in de Friese Staten tussen de
communist Gerrit Roorda, SDAP-Gedeputeerde Geerts en Statenlid Falkena,
tevens rijksinspecteur voor de werkverschaffing, het zou m.n. tussen
Falkena en Roorda nooit meer goed komen. Falkena was ook burgemeester van
Schoterland.
In 1931 komt de grote klap als besloten wordt dat er van de 2000
arbeiders in de werkverschaffing er slechts 200 kunnen blijven. Reden:
de minister besluit de werkverschaffing stop te zetten.
Voor velen is de maat vol en op een
zaterdagmiddag trekken zo'n 80 arbeiders van de werkverschaffing"De
Ontginning" op naar het Schoterlandse gemeentehuis. Men eist regengeld,
de demonstratie in februari 1931 had succes: er werd
f 4,50 extra uitgekeerd.
Belangrijke activisten zijn de Jubbegaster communistische
kastelein-winkelier Siemen Brinksma en de onafhankelijke socialist C.
Bosma uit Nieuwehorne.
Jordaanachtige toestanden" refererend aan het Jordaan oproer in
Amsterdam, waarbij zes doden vallen en tientallen gewonden, blijven
onbekend in Friesland, al is Friesland veruit de armste provincie.


Nog een bewijs, dat het slecht gaat, levert het volgende staatje:
Aangenomen werk.
|
1928 |
ƒ
2.511.000 |
|
1929 |
ƒ
2.424.000 |
|
1930 |
ƒ
1.982.000 |
|
1931 |
ƒ
2.238.000 |
|
1932 |
ƒ
1.456.000 |
|
1933 |
ƒ
1.138.000 |
|
1934 |
ƒ
703.000!! |
Vanuit de
bevolking worden pogingen gedaan, het lot in eigen hand te nemen. Zo
vinden er in Jubbega "wilde" ontginningen plaats, maar de gemeente
treedt hiertegen hard op, door de politie op af te sturen. Naast de
officiële ontginningen zijn er de particuliere ontginners, die met steun
van de overheid in de periode 1923-1926 in Schoterland 240 ha. grond
ontginnen. De arbeidslonen worden eerst met 40% gesubsidieerd, later 7
zelfs met 80%, ook al geen teken, dat het goed gaat.
De gemeente Schoterland en vooral Oost-Schoterland beleeft een zeer
zware tijd. Ook in het volgende hoofdstuk zien we in volle "glorie" de
problematiek opduiken, het wordt zo erg, dat Rijk en Gemeente een
commissie gaan instellen.

Veentrekken
VII. DE POLITIEK SPREEKT
Tijdens de raadsvergadering van
woensdag 18 februari 1925 worden de uitbetalingen in het kader van de
werkverschaffing in de Oosthoek opgesomd. Het betreft de ontginning te
Hoornsterzwaag. Op 4 december 1924 wordt per roede fO,72 betaald, er
wordt 0,60 cm diep gespit. Per ha. kost het
f
432,=, het
kruinwerk kost nog eens
f 124,=
per ha. ,samen
kost het
f
556,=.
Op 11 december kost het diepspitten van 4,5 palm
f
0,78 per roede,
dat is
f
468,= per ha.,
het kruinwerk kost nog eens f 110,= per ha., samen is dat
f 578,=. De
arbeiders verdienen zo'n
f
0,23 per uur,
maar als ze harder aanpoten, kunnen ze maar liefst
f
0,24 per uur
verdienen!. Het bovenstaande betreft een schrijven van de heer P.A.
Koopmans in antwoord op een brief van het college van B&W van
Schoterland.*
Tijdens de raadsvergadering van Schoterland wordt n.a.v. een motie van
wethouder H. de Vos uitvoerig gediscussieerd over de toestand van de
arbeiders in de werkverschaffing. Men is het eens met de constatering,
dat de situatie slecht is.
Met name 's winters is er op velerlei gebied gebrek, de arbeiders en hun
gezinnen ontberen vaak elementaire zaken, zoals kleding en voedsel, de
huisvesting laat ook te wensen over.
Men debatteert over de vraag, wat er aan gedaan kan worden.
Woordvoerders zijn voornamelijk de Vos, Nijenhuis en Gerritsma. Het loon
van de arbeiders is maximaal
f
0,24 per
uur en dat is al zo gedurende de afgelopen vijf à zes jaar. Wat als een
tijdelijke voorziening moet gelden (de werkverschaffing) dreigt nu
blijvend te worden; verbetering is niet in zicht.
Dat de raad erover spreekt, heeft alles te maken met de grote
stakingsbeweging van 1925. Volgens Nijenhuis was er sprake van "terreur"
en noemt hij de stakers "terroristen", er was sprake van een "bijna
revolutie", aldus Nijenhuis. Gerritsma daarentegen meent, dat door de
stakingen de situatie iets verbeterd is. De raad vindt f 0,24 per uur te
laag..

Uiteindelijk komt de Minister van
Binnenlandse Zaken en Landbouw, Ruys de Beerenbroucq met een wel zeer
"creatieve oplossing": Niet het uurloon wordt verhoogd, maar de
arbeidstijd wordt verlengd en wel van 45 uur per week ( 8 uur per dag)
naar 50 uur per week ( 9 uur per dag) en later zelfs naar 10 uur per dag
ofwel 55 uur per week. Uitzonderingen worden gemaakt voor diegenen, die
een grote afstand moeten afleggen of te zwaar werk verrichten. Per saldo
houden de werkers dus meer over, aldus de minister.
Uit het raadsverslag van 26 juni 1926: Adres van de arts J.C. Donker en
schoolhoofd
H. Boelens, afkomstig uit Jubbega,
waarin het gemeentebestuur verzocht wordt bij de minister op aan te
dringen een deel van de f 12 miljoen gulden te besteden aan betere
woontoestanden in de Oosthoek. Tevens moet er per woning 2 ha. heide
toegevoegd worden plus gratis mest gedurende de eerste jaren.
In de raadsbijeenkomst van 29 november 1927 wordt opnieuw gesproken over
de armoede en de werkverschaffing. Het nieuwe raadslid Brinksma verwijt
de raad gebrek aan beleid. Weliswaar is er door de gemeente, de N.V.
plus particulieren 250 ha. grond ontgonnen, er ligt echter nog 1000 ha.
braak en de arbeidssituatie blijft slecht. van het verslag zegt
Brinksma: "
Er is bereikt dat Schoterland berucht
is geworden over het gehele land, men heeft hier toestanden als in
Emmen, en dat dank zij het goed geleid, dank zij het vele dat de raad
heeft gedaan! De raad heeft bereikt dat de gemeente wordt besproken over
het gehele land, terwijl men vroeger hier weinig armen had".
Ongetwijfeld wordt verwezen naar de S.D.A.P. wethouder de Vos. Tussen de
S.D.A.P. en de vrijsocialisten van Brinksma is sprake van een hevige
strijd, over de vraag wie nu het socialisme in praktijk brengt. Brinksma
heeft zelf de schop gehanteerd en zegt dus verstand van zaken te hebben.
Ferdinand
Domela Nieuwenhuis, dominee, socialist,
anarchist, maar voor alles strijder tegen maatschappelijk onrecht.
Domela Nieuwenhuis had een bijzondere band met Friesland: hij was in
1870-1871 predikant in Harlingen en sprak regelmatig op
propagandabijeenkomsten. Hij had veel aanhang in zuidoost Friesland,
waar het kiesdistrict Schoterland hem in 1888 als eerste socialist in de
Tweede Kamer koos en de veenarbeiders hem vereerden met de titel 'ús
Ferlosser'.

Johanna Lulofs, de eerste
vrouw van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, in de haven van Harlingen. Foto:
Jan Munnik
De politieke verdeeldheid binnen de
gemeente Schoterland verlamt effectieve besluitvorming, wat nog
verergerd wordt door chronisch geldgebrek. Er zijn te weinig financiële
middelen om de als maar voortdurende crisis te lijf te gaan. In 1927
worden drie aanhangers van de Domela Nieuwenhuis richting, ook wel vrij
socialisten in de raad gekozen. Het zijn de Kompenijsters, die o.a.
Simen Brinksma als raadslid kiezen. Dit leidt tot grote conflicten en nu
beseft ook "Den Haag", dat er iets moet gebeuren.
Op 5 december besluit Minister Kan van Binnenlandse Zaken en Landbouw
zich persoonlijk op de hoogte te stellen en reist af naar de Kompenije.
Zijn komst heeft tot gevolg, dat er een commissie wordt
ingesteld, die de problematiek van Oost-Schoterland gaat onderzoeken.
Deze commissie wordt bekend als de Opbouwcommissie. Niemand weet echter,
wat er gedaan moet worden, dit dakzij de voortdurende verdeeldheid in de
Schoterland- se raad. Uiteindelijk formuleert de commissie drie
doelstellingen:
a) Het bevorderen van de werkgelegenheid.
b) Het bevorderen van de volkshuisvesting en de volksgezondheid, in het
bijzonder door tuberculosebestrijding en bevordering van kinderhygiëne.
c) Het bevorderen van de gelegenheid tot het verkrijgen van meerdere
ontwikkeling en vakkennis.
Hoewel het de bedoeling is, dat de commissie onafhankelijk is, lukt het
de gemeente een grote greep te krijgen op de beslissingsbevoegdheid,
zeker als de autoritaire rijksinspecteur voor de werkverschaffing, de
liberaal Falkena, in 1928 benoemd wordt tot burgemeester van Schoterland
en Falkena is een persoon, die zelf leiding wil en ook kán geven, iets
wat de gemeente op zich hard nodig heeft. Bekende leden van de commissie
worden de Jubbegaasters Jelle van Dam en Joghum Alberda.
Dat de vergaderingen van de
opbouwcommissie niet soepel verlopen, blijkt uit een groot aantal
conflicten tussen 1928 en 1936. Zo stappen de leden Lepstra en Jonker al
snel op en ook secretaris Wind houdt het voor gezien; hij volgt hun
voorbeeld reeds twee dagen later. Het is nog maar 31 december 1928.
Hoewel de op zich mooie doelstellingen bij lange na niet worden vervuld,
zijn er toch resultaten te melden. Zo melden van Dam en Alberda, dat ná
1 januari 1928 52 keten zijn afgebroken, te weten 36 keten in Jubbega en
16 keten in Hoornsterzwaag.
De meeste bewoners zijn verhuisd naar de zogenaamde opbouwwoningen. In
een vergadering van de commissie op 1 september 1928 wordt besloten aan
diverse bewoners gelden ter beschikking te stellen voor de aanschaf van
meubilair, het blijkt, dat nogal wat bewoners geen enkel meubelstuk
hebben en zich dat ook niet kunnen aanschaffen.
De meeste activiteit ontplooit de commissie tussen 1928 en 1931,vooral
in deze jaren worden er woningen gebouwd en tientallen keten afgebroken
en verbrand. In 1933 wordt te Jubbega een ambachtschool gebouwd,
waardoor technisch onderwijs gegeven kan worden aan werkloze arbeiders.
Helaas zijn we dan beland in de jaren dertig, het tijdvak van de grote
crisis.

Hele gezinnen werkten er aan mee
De gevolgen doen zich op vele terreinen
voelen: massale werkloosheid, zoals het geval is met de landloze
werkers, die omgeschoold worden tot metselaars en timmerman, ze blijven
werkloos. Het uit zich ook in de vergaderfrequentie van de
opbouwcommissie:1 maal in 1927, 12 maal in 1928, 6 maal in 1929, 5 maal
in 1930, 2 maal in 1931, 1 maal in 1932, geen vergadering in 1933, ook
niet in 1934, zowel in 1935 en '36 1 maal en daarna wordt er niet meer
vergaderd. Ongetwijfeld het gevolg van nijpend geldgebrek als gevolg van
de straffe bezuinigingen onder het kabinet Colijn.
In Jubbega wordt het buurthuis gebouwd. Haar taak is het geven van
medische voorlichting aan de Jubbegaasters, zo werken er wijkzusters, die
in de wyken zorg dragen voor betere hygiëne, worden er cursussen
gegeven.
De grote stimulators van het buurthuis
zijn de reeds genoemde Jelle van Dam en Jogchum Alberda, zij steken
enorm veel tijd in hun pogingen de Kompenijsters uit de lethargie te
trekken. Vooral de "Wyksters" moeten er echter weinig van hebben.
Pas ná de Tweede Wereldoorlog verandert de situatie aanmerkelijk: De
wederopbouw bereikt ook de Kompenije en pas dan zal het buurthuis
inderdaad die plaats innemen, waarvoor het bedoeld is. Het buurthuis
komt voort uit de besluitvorming van de opbóuwcommissie, een ander
besluit is het opzetten van tuinbouwbedrijfjes, maar ná de oorlog moet
men erkennen, dat déze bedrijfjes geen succes hebben.
Al met al moet erkend worden,
dat de commissie wel wil, maar door de grote crisis in de dertiger jaren
niet kan functioneren, zoals zij wil.
In de jaren dertig zijn de meeste woeste gronden van Oost-Schoterland
ontgonnen. Vooral de Drie Provinciën, de Heidemij., de rijksinspectie
voor de werkverschaffing, het ministerie van Binnenlandse Zaken en het
ministerie van Sociale Zaken plus de gemeente Schoterland( in 1934 de
gemeente Heerenveen) zijn de grote ontginners.
Vanaf het einde van 1936 gloort er een glimpje licht in de diepe
Schoterlandse duisternis. De gulden wordt eindelijk gedevalueerd en dat
werkt stimulerend op de economie, zoals blijkt bij de koop van Hotel
Vernimmen in Heerenveen, gefinancierd door de Friesch-Groningsche
Hypotheekbank in 1938.Helaas, de Tweede Wereldoorlog maakt aan alle hoop
alweer een einde en pas ná de oorlog kan men werkelijk beginnen met de
verheffing van de bewoners van vooral de Oosthoek, het gebied rond
Jubbega-Hoornsterzwaag.

Grosse Contract
Grosse contract tussen de gezamenlijke Veenbazen
zo wel van het District Schoterland en Opsterland. Geminuteerd op twee zegels
ieder twaalf stuivers bedragende tezamen 1.4.0
Voor Gerrit Tammes de
Jong, Keizerlijk Notaris,resideerende te Langezwaag, Canton te Beesterzwaag,
arrondissement te Heerenveen, departement Friesland, in bij zijn van zijn
Ambtgenoot resideerende te Beesterzwaag, in voor geschreven Canton.
Zijn gecompareerd
Bernardus Annes Brandsma Predikant. Ibele Lolkus, Klaas Hendriks Walda. Wijtse
Alles Van der Sluis Veenbazen wonende te Wijnjeterp. Tjalling Freerks Landmeter
Veenbaas wonende te Kortezwaag. Foke Freerks Landmeter Veenbaas wonende te
Terwispel.
Welke verklaarden gemaakt
te hebben en overeen gekomen te zijn, om trend nakoming van het contract betrekkelijk
de Veen graverijen zo wel in het voormalig District Opsterland als het voormalig
District Schoterland gelegen, bestaande in conditiën
naar welke de Veenbazen hun venen op èènparige wijze met betrekking tot de
werklieden moeten doen vegraven.
A. Dat de veenbazen moeten
zorgen dat hunne buiten en dags werkslieden s′morgens met zonsopgang met het
werk een aanvang maken en voort werken tot het ophalen van de korfen s′middags
om twee uur. Mits aan hen vergunt zijn een schoft beginnende met het ophalen
en eindigen met het neer laten van de korfen, bij peene van vijf Caroli gulden
dagelijks.
B. Dat de veenbazen zullen
moeten zorgen dat hunne bonkers in het eerste schoft tenminste graven en stikken
èèn bank gelijk ook in het tweede, bij de ploegen alwaar zij hun werk
verrichten, bij peene Een gulden 10 stuivers telkens.
C. Dat de veenbazen niet
meer tot dag huur aan de gravers mogen geven als achttien stuivers op het hoogst
en Veertien stuivers op het laagst, voorts aan de buiten
arbeiders elf stuivers op zijn hoogst en acht stuivers op zijn laagst Zullen
echter de regeling hiervan overigens door de gecommitteerden worden bepaald
verder zullen de veenbazen niet meer mogen betalen voor het ringen hopen of
vuren, en verdere werk daartoe behorende als voor de veertig stok veen maten
grauwe turf een gulden en vijftien stuivers, en zwarte turf twee gulden, bij peene van vijftig gulden.
D. Dat de veenbazen het recht zullen hebben om
aan hunne onderbazen en arbeiders de benodigde brand turf jaarlijks gratis
te verlenen en wel bepaaldelijk zonder meer, onder conditie om van de zelfde
hoegenaamd geen te verkopen, alles bij peene van vijfentwintig gulden.
E. Dat de veenbazen geen krooden bij het
afleveren van de turf gebruikt worden, de schippers gratis mogen voor houden,
maar verplicht zijn de gewone huur naar veens gebruik daarvan telkens in te
vorderen bij peene van drie gulden Dat de veenbazen moeten zorgen dat hun
werklieden bij het holdert maken, hun vuur uit doen
en geen vuur achter laten bij peene van zes stuivers telkens deze.
CONCLUSIE
ARMOEDE, geschreven in hoofdletters is het sleutelwoord voor de bewoners
van de Oosthoek. Armoede als "normaal" deel van het leven. Daarnaast was
er de uitzichtloosheid van de zeer
vele generaties rond de streek Jubbega-Hoornsterzwaag.
Het zou tot de twintiger jaren duren, voordat echt maatregelen genomen
worden, om een kentering van de slechte toestanden te bereiken. Helaas
werd de toestand voor de meerderheid er niet beter op. De lonen in de
beruchte werkverschaffingsprojecten waren onaanvaardbaar laag. Gebrek
aan voedsel, kleding en slechte huisvesting geven het beeld van een
samenleving, gedompeld in diepe armoede en ellende.
En wat deed de politiek?
Vanzelfsprekend probeerde men de ellende te bestrijden, maar onderling
gekrakeel, competentiestrijd, het veel te laat inzien van de grote nood
in de Oosthoek, plus het straffe geldbeleid van vooral het kabinet
Colijn blokkeerde een effectieve armoede- bestrijding. Pas ná de Tweede
Wereldoorlog wordt de Oosthoek uit zijn isolement verlost en delen ook
de Jubbegasters c.q.in de algehele welvaartsboom, die Nederland
overspoelde met
name in de jaren vijftig en zestig. Maar voor de oorlog moet het leven
voor de Oost hoekers een ware beproeving zijn geweest, al was het alleen
maar, dat er tot in 1938 mensen in keten woonden.
De Kranten



11 juli 1843

25 april 1851

18 augustus 1876



Sytse Brugts Westra en zijn vrouw
feikje Plantinga






Tjepke Nawijn (1862-1939)


Heerenveen in 1790, getekend door K.
F. Bendorp
