|
Sjoerd Adema, (Machinist)
geboren op 18 maart 1920 te Makkum, overleden op 07-04-1945 te
Makkum.
Verraad sloeg toe in Makkum.
Toen de Afsluitdijk zou worden
aangelegd, werd er van militaire zijde op gewezen, dat deze
verbinding van uitermate groot strategisch belang zou worden.
Hiermee kreeg Holland een nieuwe invalspoort, die onverhoopt ook
gebruikt kon worden door vijandelijke legers. Daarom werden op
Kornwerderzand zware kazematten, die bij de Duitse inval hun
waarde bewezen. de vijand kwam er niet langs, totdat Nederland
capituleerde. Het strategisch belang bleef; nu voor de
bevrijding van ons vaderland, aldus de militairen.
Zoals we al schreven (deel I,
hoofdstuk I) kwam het Legioen Oud-Frontstrijders (LOF) in 1940
al in actie, via burgemeester mr. S. M. van Haersma Buma te
IJsbrechtum. Deze stuurde zijn chef van politie, Sikke de Jong,
die daar zijn vrouw gevonden had, naar Makkum, het grootste dorp
in de gemeente Wonseradeel, gelegen op vier kilometer afstand
van de Afsluitdijk aan de kust. De Jong ging zeer voorzichtig te
werk. Hij charterde voor het verzamelen van inlichtingen onder
andere Jan F. M. H. Bergsma en Feike W. de Boer, twee jonge
ondernemende, en de wat oudere Romke P. de Boer - allen
zakenlieden. Al spoedig bleek deze actie prematuur te zijn, maar
de mannen bleven de bezetter waar mogelijk afbreuk doen, samen
met vrienden, ook in de omliggende dorpen.
Het eigenlijke verzet in Makkum begon met de verspreiding van
illegale vlugschriften met de naam Stormvogel onder leiding van
Bergsma en met hulp van onderduikers. De illegale actie nam een
grote vlucht onder de bezielende leiding van de gereformeerde
predikant ds. L. Touwen, zijn hervormde collega ds. A. E. van
Baalen en pastoor L. H. L. de Jong. Vooral het onderbrengen van
Joden vroeg veel inspanning. Langzaam maar zeker groeide Makkum
uit tot een broeinest van verzetsactiviteiten.
Tot maart 1944 ging alles goed.
Toen werden in Bolsward, Wommels, Witmarsum en Franeker zestien
mannen gearresteerd, wegens NC-activiteiten (Nationaal Comité).
Tevoren was afgesproken dat zij in zo'n geval de naam van Jan
Bergsma mochten noemen als de grote boosdoener (zie deel II,
blz. 34 vv.) en na enkele dagen deden ze dat ook, maar toen was
Bergsma al buiten Friesland ondergedoken. Het nadeel voor Makkum
was, dat hiermee de aandacht van de SD meer op deze plaats was
gevallen.
Een bijzondere verzetsfiguur was Tijmen van den Berg, die samen
met zijn broer Aart een handel had in zoetwatervis, met
daarnaast een rokerij en een conservenfabriekje. Hij kon de
Duitsers in hun eigen taal te woord staan en deed dit met grote
vrijmoedigheid. De bezetters vonden al spoedig de weg naar hem
en zijn gerookte paling. Tijmen was nogal scheutig met de
paling, maar weigerde grote hoeveelheden aan Leeuwarden te
leveren. In Makkum was hij voor de bonzen een royaal gastheer,
waardoor hij een goede verstandhouding wist te kweken met
vrijwel alle alle Duitse prominenten. Zelfs Beauftragte Ross
deelde in zijn gunsten, die temeer gewaardeerd werden, omdat
Tijmen altijd voldoende sterke drank achter de hand had. En
niemand die iets vergat op deze festijnen behoefde zich daarover
zorgen te maken, omdat het verlorene ofwel terug bezorgd werd,
of tot zijn beschikking werd gehouden. De firma Van den Berg was
zeer correct!
Maar dit alles had een bedoeling. Tijmen trad op als
beschermheer van de Makkumers. Werd iemand gearresteerd wegens
illegale handelingen, dan ging hij naar het hol van de leeuw met
drank en vette paling. Was daardoor de sfeer vriendschappelijk
genoeg geworden, dan werd het tere onderwerp als toevallig ter
sprake gebracht en vaak waren de moffen dan bereid zich ook niet
te laten kennen en schreven een bewijs voor vrijlating of
bepaalden hoeveel losgeld er betaald moet worden. Het was
opmerkelijk dat dit nooit lukte bij Lammers; die goot liever
zijn glaasje leeg op de grond dan onder invloed te raken en
ondoordachte dingen te doen. Maar uiteraard kon hij zich niet
verzetten tegen beslissingen van de Duitsers, al probeerde hij
het wel.
We beschreven al, hoe door de activiteiten van Tijmen een groot
gevaar afgewend werd (deel II, blz. 359 vv) daarbij vermeldden
we ook, dat ds. Touwen later toch gearresteerd en gefusilleerd
werd. Van die tijd af paste de leefwijze van R. P. de Boer en
pastoor De Jong zich geheel aan bij de gevaren die hen
bedreigden. Gelukkig kregen zij veel hulp en veilige adressen.
Door dit alles werd echter duidelijk dat de gevaren voor Makkum
steeds groter werden en Tijmen was erg bezorgd over de
onderduikers die hij in zijn fabriek te werk gesteld had. Daarom
besloot hij naar Leeuwarden te gaan om de opperslavendrijver
Hendriock over te halen hem Ausweise te verstrekken. Het lukte.
Toen Hendriock in de juiste stemming gebracht was, gaf hij
Tijmen een aantal blanco Ausweiss mee, zonder dat de namen van
de onderduikers genoteerd werden. Er waren te weinig, maar valse
zorgden voor aanvulling. Weer een zorg minder.
Na Dolle Dinsdag 5 september 1944 - te vroege viering van
aanstaande bevrijding die veel Duitsers en NSB'ers in paniek
brachten veranderde er veel in Makkum door de opbouw van de NBS
(Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten). In september keerde
Jan Bergsma naar Wonseradeel terug. Hij was al veel eerder
aangewezen als districtcommandant, maar omdat hij slechts als
onderofficier had gediend en met het oog op strategisch belang
van de Afsluitdijk vroeg met drs. S. P. van Tuinen, toen wonende
in Bolsward, deze functie over te nemen. Deze was
reserveofficier en als leraar uit Leeuwarden ondergedoken. Omdat
hierbij steeds meer de nadruk werd gelegd op de militaire dan op
de bestuurlijke taak, vroeg hij ontheffing en werd in zijn
plaats benoemd het hoofd van de O.L. school te Jubbega, Jan
Gorter. Bergsma werd toen gemeentelijk commandant en de nog niet
gezochte J. P. Tichelaar plaatselijk commandant te Makkum.
Hoofd van de
districtinlichtingendienst werd R. P. de Boer, die zich nog
steelsgewijze door Makkum bewoog. Diens rechterhand was de
politieman C. Krijger, wiens vrouw uit Kornwerderzand afkomstig
was en die sinds de herfst '42 gestationeerd was op de Kop van
de Afsluitdijk. Krijger (Rob), die later gemeentelijk
operatielijder werd, rapporteerde alle Duitse troepenbewegingen
en had zich verzekerd van de medewerking van de
waterstaatsambtenaar W. van Krieken, wiens tekeningen opvielen
door volledigheid en nauwkeurigheid, mede doordat hij de
beschikking had over het waterstaatsarchief.
Het conservenfabriekje van Van den
Berg kreeg het steeds drukker. Tevoren was daar vooral vis
ingeblikt, die verzonden werd naar gevangenen in kampen. Tijdens
de hongerwinter werd de zaak uitgebreid met vleesconserven,
vooral gehakt. Op grond van zijn relaties kreeg Tijmen Duitse
vervoersvergunningen; toen de officiële vergunningen onvoldoende
bleken voor de wassende stroom, werden ze nagemaakt. N. J. Popma,
directeur van de Hollandiafabriek in Bolsward, was de grote
stimulator van deze tochten. Hij liep ook het eerst tegen de
lamp. De Grenzschutz te Harlingen hield een auto aan, waarin hij
en pater Van Straaten meereden en constateerde dat de
transportpapieren vals waren. Ogenblikkelijk ging Van den berg
er op af met twintig pond gerookte paling en de nodige sterke
drank en het gelukte hem de chauffeur uit Schettens en de beide
passagiers vrij te krijgen. Een week later werd Popma weer
gearresteerd, ditmaal samen met Van den Berg, weer om die valse
papieren, maar ook nu kwamen ze na een week weer vrij. De
voedseltransporten werden voorgezet, ook met schepen.
Volgens IJpma vond de eerste
wapendropping in district VI plaats in de nacht 19/20 oktober op
Pankoeken onder Witmarsum, op het land van boer Leijendekker.
Ook hier werd de ontvangstploeg verrast door de hoeveelheid en
zwaarte van de containers, die over een vrij grote afstand
vervoerd moesten worden naar een praam in de Harlingervaart. Het
lukte nog net voor het licht werd af te varen, maar besloten
werd de volgende dropping dichter bij de vaart te doen plaats
vinden. daardoor liep er iets mis; twee containers kwamen ver
buiten het veld terecht, waarvan één tenslotte nog gevonden werd
in een haag bij een boer, maar de tweede zoek bleef. Nu was in
het land een veulen door een container gedood en de eigenaar gaf
dat aan bij de politie. Hoewel de (NSB!) burgemeester nog
probeerde de zaak te sussen, was de boer onverzettelijk. Toen de
Duitsers bij hun onderzoek de ontbrekende container vonden was
het terrein ongeschikt geworden en werden de activiteiten
verplaatst naar Tjerkwerd.
Het is aannemelijk dat het vinden van de container onder
Witmarsum de aandacht van de Duitse contraspionage des te
scherper op de Kop van de Afsluitdijk heeft gevestigd. In ieder
geval besloot zij een zwaargewicht verrader daarheen af te
zenden om uit te zoeken wat daar op militair gebied precies aan
de hand was. deze was Matthijs Adolf Ridderhof, koopman te
Amsterdam. Al vroeg in de oorlog was hij betrapt op zwarte
handel in goud en diamanten en in de cel had dit onguur individu
zich verkocht aan de Duitse contraspionage. Zijn grootste
'succes' is geweest het opsporen van een Nederlandse zender naar
Londen, waardoor het Engelandspiel Duitse contraspionagedienst
krijgt twee Engelse SOE spionnen in handen met wie ze de SOE
lange tijd om de tuin leiden waardoor rond de vijftig
Nederlandse geheim agenten vermoord worden ontstond. De gevolgen
van zijn werkzaamheden werden slechts in kleine kring bekend en
door zijn werkterrein geregeld te verleggen naar plaatsen waar
hij een contactpersoon had die hem als illegale werker
beschouwde, kon hij steeds nieuwe slachtoffers maken. Als de
klap viel, was hij al vertrokken.
Na een bezoek aan zo'n contact in
Groningen kwam Ridderhof in Makkum al spoedig terecht bij de
fabriek van Van den Berg, met zijn vele onderduikers. Daartoe
behoorde ook J. Keman (of Keeman) uit Amsterdam, die dubbel
kwetsbaar was: als officier en omdat hij getrouwd was met en
Joodse vrouw. Van den Berg had hem aangesteld als
procuratiehouder, maar hij bleef niet lang in Makkum wonen.
Keman (Engelbert) huurde een landarbeiderswoning bij Piaam en
besteedde meer tijd aan de NBS dan aan het bedrijf. Ridderhof
kreeg al spoedig het vermoeden dat hij een belangrijk contact
aangeboord had. Maar Keman gaf zich niet bloot.
Ridderhof, 'een dikke pafferige kerel met een verlopen gezicht',
gaf zijn referentie op, zwaaide met het pistool dat hij altijd
bij zich droeg, praatte over het vele geld dat hij bezat en
schepte op over het illegale werk dat hij verrichtte. de
referentie klopte; Keman kreeg een gunstig getuigschrift. Toch
vertrouwde hij de zaak niet geheel en gaf door dat men tegenover
Ridderhof, of 'ome Gerrit' zoals hij zich noemde, moest zwijgen
over alles wat met de NBS samenhing. Bij de bezoeken die
Ridderhof aan Makkum bracht, liep hij overal tegen de muur van
stilzwijgen, zodat hij tenslotte begreep een andere weg te
moeten inslaan. Daarom verzocht hij een onderduikadres te zoeken
voor een 'zware jongen' uit het Groningse verzet die dringend
enige tijd rust moest hebben. Dat kwam wel in orde.
Vanzelfsprekend was deze
onderduiker een handlanger van Ridderhof: de 32-jarige machinist
Jan Harm Brouwer uit Groningen. Deze hoopte met hulp van de
Duitsers op de maatschappelijke ladder te kunnen stijgen,
hetgeen zijn domheid eerder had belet. Moest hij daarvoor over
lijken gaan, dan was dat voor hem evenmin als voor Ridderhof
bezwaarlijk, maar evenals deze stootte hij bij de leiders op een
muur van terughoudendheid. Het enige wat hij gewaar werd was een
aantal namen en adressen van NBS'ers uit de lagere regionen, die
zelf ook niet veel wisten.
Ridderhof besloot eind februari zelf nog eens een poging te
doen. Hij reisde naar Makkum en verzocht om een onderhoud met de
district operatieleider.
Deze was echter ziek; zijn
plaatsvervanger, de rechercheur C. van Wijk uit Sneek, hoorde de
voorstellen van Ridderhof aan. Deze vertelde door omkoping in
het bezit te zijn gekomen van een lijst van Makkumers die door
de Duitsers verdacht werden. Als Van Wijk nu een lijst van
leiders van de NBS overlegde, zou hij de namen met elkaar kunnen
vergelijken en de verdachten kunnen waarschuwen. Bovendien
zouden de Duitsers van plan zijn een razzia te houden, maar
Ridderhof beloofde tijdig te zullen waarschuwen, vooral de
mensen die op de lijst stonden. Onnodig dat dit verzoek 'van ome
Gerrit' beslist afgewezen werd, al kon men Ridderhof concreet
nog geen verraadplannen verwijten.
En toen, volkomen onverwacht,
kreeg Brouwer zijn kans. Hij hoorde dat de NBS zich ernstig
zorgen maakte over de activiteit van de Zollkommandant in
Harlingen, deze zou verraders gebruiken. 'Swarte Jan' te Arum
was gearresteerd wegens kolendiefstal en de politie had op hem
verdachte gegevens gevonden, waaronder namen van illegale
werkers. Leden van de sabotageploeg hadden hem voor zijn huis
neergeschoten, maar het vermoeden bestond dat de Zoll meer van
dergelijke individuen gebruikte. Kon de commandant niet
uitgeschakeld worden?
Brouwer bood aan dat karweitje op te knappen: in Groningen had
hij zoiets ook wel gedaan. Er was aarzeling dit aanbod te
aanvaarden, maar Brouwer nam op zich dit geruisloos te doen.
Nog
waren er bedenkingen, maar omdat men zogenaamd om wapens
verlegen zat, ging men met hem in zee op voorwaarde dat hij het
pistool, de koppelriem en de pet van het slachtoffer zou
meebrengen. Onnodig te zeggen dat Brouwer zich met zijn
superieuren te Groningen in verbinding stelde. De commandant van
Harlingen kreeg opdracht geruisloos te verdwijnen en de
gevraagde bewijsstukken af te geven. Zelfs zijn soldaten, die
wisten dat hun commandant geregeld dronken was, namen aan dat
hij in de haven was gevallen en verdronken was. Het tekent de
leiding van de NBS in deze streek dat men desondanks uitermate
gereserveerd bleef tegenover Brouwer, maar bij de jongere leden
was deze nu een veelbesproken figuur. Kort na zijn 'heldendaad'
verdween Brouwer een tijdje van het toneel. Hij wist nog steeds
te weinig van de wapenopslagplaatsen, al had hij van horen en
zeggen wel het een en ander opgestoken.
Die wapens waren over
verschillende dorpen verspreid, deels ook naar andere districten
gebracht. In Makkum had men ze eerst naar de fabriek van Van den
Berg willen brengen, maar bij nader inzien besloot Feike W. de
Boer ze te verbergen op de zolder van een garage, die behoorde
aan bakker Zondervan, maar verhuurd was geweest aan Willem de
Boer en vanuit diens pand te bereiken was - zonder dat de beide
mannen daarvan wisten. Inmiddels kwam er een Duitse bezetting te Makkum. Het gaf een schok toen men hoorde dat deze de garage
in gebruik wilde nemen; de wapens moesten onmiddellijk
overgebracht worden. Boer Jan Werkhoven reed met paard en wagen
de garage binnen, Feike de Boer en sabotageleider Hobbes
Dijkstra laadden de gevaarlijke spullen op de wagen, geholpen
door bakker Zondervan, die geen enkele vraag stelde. Werkhoven
reed weg met Feike en Hobbes (Bob) achterop. Onderweg passeerden
zij de Ortskommandant die hen scherp opnam, maar niets deed. Nu
werden de wapens opgeslagen in een schuurtje in het weiland.
Op 27 maart werd Makkum onderworpen aan een grote razzia
grotendeels uitgevoerd door de Wehrmacht. Er werd minder naar
onderduikers dan naar wapens gezocht, maar ze werden niet
gevonden. Achteraf viel het wel op dat vooral gezocht was op
plaatsen waar wapens verborgen waren geweest, maar op dat moment
had men er nauwelijks erg in. Ook bracht men de razzia niet in
verband met de verdwijning van Brouwer, een dag of wat eerder.
Een week later kwam deze, kennelijk op Duits bevel, weer terug
en verzocht toen commandant van een gevechtsgroep te mogen
worden. Van Wijk arrangeerde een afspraak met hem, maar verborg
zich in een ander huis om Brouwers komst af te wachten. Maar
deze verscheen niet; hij was bang geworden en naar Groningen
gegaan om verslag uit te brengen.
Om 3 uur in de morgen van 7 april
kwam de bloeddorstige bende van de SD uit Groningen, onder
aanvoering van de beruchte Lehnhoff, bij de SD te Sneek, waar
Ströbel opdracht kreeg om al zijn beschikbare manschappen, de
Grenzschutz-soldaten en de landwachters uit hun bed te halen
voor een grote Aktion te Makkum. Het vroege uur en het besef dat
het nu ook om hun eigen aftocht lijn ging zal wel de
hoofdverklaring zijn voor de ongewone wreedheid waarmee ze
optraden. Ströbel voegde het weinige dat hij wist over Makkum
bij hetgeen Lehnhoff te weten was gekomen en met groot vertoon
van macht trok de bende naar Wonseradeel. Ströbel deelde de
patrouilles in en gaf de briefjes af met de adressen van mannen
die gearresteerd moesten worden. Hij gaf de uitdrukkelijke
opdracht ze allemaal levend te vangen, omdat ze verhoord moesten
worden over de wapenopslagplaats(en). Er moest rekening worden
gehouden met gewapende tegenstand; waarschijnlijk was de
marechausseekazerne het centrum van de NBS en daarom moest die
in de tirailleurslinie worden omsingeld en ingenomen. Vervolgens
moesten alle gevangenen daar heengebracht worden.
Besloten werd eerst Keman te
arresteren, omdat diens 'schuld' wel vaststond. Ridderhof had
niet alleen verteld wat hij wist uit Makkum, maar ook dat Keman
in contact stond met de koopvaardijkapitein J. Bottema uit
Zoutkamp, die onder de schuilnaam Brandy voor de Engelse geheime
dienst werkte en in Makkum ondergedoken was geweest. Maar toen
ze bij het huis te Piaam kwamen, was de vogel gevlogen; Keman
had juist op tijd een andere woning betrokken.
Dit oponthoud gaf een verzetsman, Nammen Buwalda, uit Piaam, de
tijd om snel naar Makkum te gaan om R. P. de Boer te
waarschuwen. Deze was om half zes al in de winkel bezig en
waarschuwde zijn vrienden. Voor sommigen kwam dat nog op tijd;
zo kon Tichelaar nog ontkomen naar Kornwerd. Voor anderen was
het te laat.
De vijand was met grote vaart naar Makkum gereden. De
marechausseekazerne bleek leeg. R. P. de Boer begreep dat het
ook zijn tijd werd, toen hij zijn vriend Tijmen van den Berg zag
wegvoeren. Hij fietste als een oudere koopman, die zijn klanten
moest bedienen, door de afzetting. Onderweg kwam hij Keman
tegen, die nog van niks wist en ogenblikkelijk rechtsomkeert
maakte. Kort daarna was de hele staf van gemeente en district
gewaarschuwd.
Feike W. de Boer zou juist op de fiets er op uit, maar kreeg een
lekke band. Bij de rijwielhandelaar vertelde een jongen hem dat
de Duitsers juist zijn huis waren binnengedrongen en alles
overhoop haalden. Verraad van Brouwer, flitste het door hem
heen, omdat een gedienstige onderduiker deze eens voor papieren
naar hem toe had gebracht. Hij vluchtte naar de christelijke
school en bracht daar de hele dag op zolder door.
Tijdens de huiszoeking in de
fabriek werden een paar handgranaten en een machinepistool
gevonden. Tijmen van den Berg wist eerlijk niet dat die daar
verborgen waren en vertelde dat ook tegen de Duitsers, die hem
natuurlijk niet geloofden. 'Had ik die wapens hier verstopt, dan
hadden jullie die niet gevonden', zei hij, 'net zo min als het
radiotoestel dat wel met mijn toestemming is opgeborgen'. Hij
moest de schuilplaats daarvan aanwijzen en zijn bereidwilligheid
bracht de Duitsers aan het twijfelen omtrent zijn schuld en dit
redde zijn leven. Wellicht speelde daarbij ook mee, dat ze Keman
aanzagen voor de belangrijkste man in de NBS.
Helaas kende Brouwer een aantal namen en adressen heel zeker. In
Makkum had hij onderdak gevonden bij Johannes Adema, vader van
een groot gezin en een adres waar vele onderduikers verbleven of
samenkwamen.
De vader, zijn zoon Sjoerd en de onderduiker J. P.
Keller (Koos) werden gearresteerd. Waarschijnlijk hebben de
jongeren Brouwer wel vertrouwd en namen en adressen genoemd van
jonge mannen die ook tot de NBS behoorden. Voorzover grijpbaar
werden allen gevangen genomen, zelfs al wist de verrader niet
concreets over hen mee te delen, zoals van de doopsgezinde
predikant A. H. van Drooge, die alleen onderduikers hielp. Soms
wist Brouwer het ook niet goed. Zo noemde hij een arts, die de
NBS'ers een cursus EHBO gaf. Dat was dokter J. D. Sibie, maar
Brouwer wist niet dat er twee artsen in Makkum woonden.
De
Duitsers overvielen het huis van de huis- en tandarts F. N.
Bogtstra, die hen in pyjama zag aankomen. Snel dook hij in een
schuilplaats en hoewel die geopend, doorgelicht en opgemeten
werd, vonden ze hem niet. Na het vertrek van de barbaren wist
hij ongezien een boerderij te bereiken, van waaruit hij het
vervolg kon afwachten. tegen de middag kwamen de SD'ers terug,
haalden het hele huis overhoop en stalen als eksters. Bijzonder
van pas kwam de sterke drank die snel door de kelen werd
gegoten; ook werd het geweckte varkensvlees verorberd. Toen de
rovers het belangrijkste bij elkaar hadden gestolen, sloegen ze
vrouw en kinderen van Bogtstra het huis uit, overgoten dat met
benzine en staken het in brand. Bogtstra kon duidelijk zien wat
er gebeurde, woedend, maar machteloos. Doch luttele uren later
zou hij aan eigen materieel verlies nauwelijks meer denken. Toen
hij hoorde wat zich in en bij de kazerne had afgespeeld.
Daar waren de (meest jonge) mensen
samengebracht, wier namen Brouwer had doorgegeven. Sommigen
hadden belastende verklaringen tegenover hem geuit, van andere
had de verrader alleen maar vermoedens. Dat kwam er niet op aan:
Mee! In de marechausseekazerne ligt op het terrein van David
Visser aan de Ds. L. Touwenlaan zouden ze het wel uitzoeken. Wat
zich daar toen afgespeeld heeft is onbeschrijfelijk. Voor
overlevenden was het later een nachtmerrie. De Duitsers gingen
als beesten tekeer - en dan moeten we ons verontschuldigen
tegenover echte beesten. Het was 7 april. De geallieerden rukten
snel op naar het noorden; de vorige dag was Zuid-Drenthe al
bereikt. De Duitsers zagen hun noordelijkste oost west
verbinding bedreigd en op het kritieke punt Kop Afsluitdijk
stonden vrijwilligers klaar van de NBS om gewapenderhand hun de
voet dwars te zetten. Ze vingen mensen, maar waar waren de
wapens?
Dat moest uit de gevangenen geslagen worden en snel!
Vooral zij die er over gesproken hadden met de verrader moesten
het ontgelden, maar ook de anderen werden niet gespaard.
verscheidene beulen waren heel of half dronken en leefden hun
sadisme met wellust uit. Overlevenden vertelden later dat
sommige slachtoffers er ontoonbaar uitzagen, met onherkenbare
gezichten en inwendige kneuzingen. Geen wonder dat tenslotte
enigen van hen door de mand vielen en namen en adressen begonnen
te noemen.
In deze sfeer werd ook de plaats
genoemd waar de wapens waren opgeslagen: in een schuurtje in het
weiland. Onmiddellijk werd een patrouille uitgezonden, die het
na lang zoeken gelukte het schuurtje te vinden. De wapens werden
naar Makkum meegenomen.
Voorzover ons bekend werden er geen nieuwe namen uit Makkum
genoemd, maar wel van NBS'ers uit de buitendorpen,
waarschijnlijk door koeriers. Ook daarheen werden meteen
patrouilles uitgezonden. In Idsegahuizen vingen ze bot. Daar was
het begonnen om H. Schrale, al lang lid van de OD, die zijn
boerderij beschikbaar had gesteld voor wapeninstructie door de
Vlaming Groenewoud; gelukkig wist hij door de landerijen te
ontkomen aan een welhaast zekere dood. In Gaast vonden ze
onderwijzer Bruggenkamp wel thuis. de wapens die hij
verondersteld werd te hebben opgeslagen werden niet gevonden.
Bruggenkamp verklaarde dat zijn verdacht zijn een uitvloeisel
was van kinderpraat: schoolkinderen hadden enkele patronen
gevonden en aan hem overhandigd, maar hij had het spul meteen in
een vaart gegooid. Toch werd ook hij meegenomen, evenals zijn
plaatsgenoot Yde de Boer.
Ernstige gevolgen had het noemen van de naam Fetse Elgersma te
Schraard. De Elgersma's zaten in het verzet vanaf het eerste uur en
bereid tot grote risico's. De gevangen onderduiker H. L. Th.
Lemson, twintig jaar oud, moest mee om de boerderij aan te
wijzen. Daar werden twee stens gevonden; Elgersma en de
onderduiker Hermanus Falkena werden gearresteerd. Jan Emmens,
een anders NBS'er, zou juist op de fiets vertrekken toen ze hem
aanhielden. Hij vertoonde zijn vals PB en verklaarde evacué te
zijn. Een tijd lang hebben de Duitsers dit geloofd, maar hij
kwam niet vrij.
Intussen ging het beulswerk in de
kazerne door. Naarmate er meer gedronken werd, nam de wreedheid
toe, maar tenslotte moest wel aangenomen worden dat hetgeen er
uitgeslagen was, vrijwel alles was wat de SD weten wilde. Door
de wapenvondst was de verzetshaard Makkum uitgeschakeld en de
verbinding met Holland gewaarborgd. Wat nog restte was wraak.
Lehnhoff, die al bijna dronken was, besloot snel 'recht' te doen
en gelastte een executie voor te bereiden. Ondanks het feit dat
sommigen van zijn ondergeschikten (volgens één verklaring ook de
verrader Brouwer) aandrongen op matiging, bepaalde hij dat zes
man hun verzet met hun leven moesten betalen.
Alle gevangenen
was het aan te zien, dat zij zwaar mishandeld waren, maar zij
die kennelijk het zwaarst geleden hadden, werden door Lehnhoff
aangewezen en apart gezet. Met veel haast werd een vuurpeloton
gevormd, waarvan sommige leden helemaal dronken waren. De zes
slachtoffers stonden nog niet eens op hun aangewezen plaatsen,
toen Ströbel al commandeerde: Vuur! Het gevolg was afschuwelijk;
de meeste getroffene waren niet meteen dood, doch in de buik en
borst getroffen wentelden zij zich in doodsstrijd over de grond.
Daarop werden ze met pistoolschoten afgemaakt.
De slachtoffers waren:
● Sjoerd Adema, 25 jaar.
● Hobbes Dijkstra, 21 jaar.
● Fetse Elgersma, bijna 45 jaar.
● Hermanus Falkena, 24 jaar.
● Jacobus P. Keller, 23 jaar.
● Hendrik L. Th. Lemson, 19 jaar.
En toen moest hun wraak ook nog
gekoeld worden op dood goed. De helden waren nog niet vergeten
dat zij in de ogen van de Makkumers een figuur hadden geslagen
doordat ze met uiterste voorzichtigheid en groot vertoon van
macht de marechausseekazerne die leeg bleek te zijn hadden
beslopen en bestormd. Daarin was een vat benzine gevonden, dat
nu uitgegoten werd over de brandbaarste plaatsen. Toen werd er
een lucifer ingegooid en van het gebouw bleef slechts een
puinhoop over.
Daarop trokken de helden zich terug, een dorp in rouw
achterlatend. Uiteraard namen ze de gevonden wapens mee. Maar
ook alle gevangenen werden ingeladen en naar Sneek vervoerd. De
bevrijding was aanstaande. Zouden zij die nog alle levend halen?
Helaas...
R. P. de Boer wilde er wat aan
doen. Een filiaalhouder te Staveren was indertijd opgejaagd en
De Boer had er orde op zaken moeten stellen. De Orts commandant
daar had hem voor een onschuldige oude koopman aangezien en hem
tegemoetkomend behandeld. Zou die? De Boer ging er heen en de
vijand beloofde er wat aan te zullen doen. Zondag 10 april kwam
zijn zoon Pier vrij. In de loop van de week volgden er meer: op
13 april kwamen er nog twee vrij en toen zat alleen jan Emmens
nog gevangen, terwijl Ströbel c.s. zich klaar maakten voor de
vlucht.
Emmens werd als het zwaarste geval beschouwd.
Toen zijn
schuilnaam bekend werd bleek die ook voor te komen op de
papieren van kapitein Pander. Er schijnt nog wel over zijn lot
onderhandeld te zijn: voor vrijlating was zijn vergrijp te
zwaar; hem laten zitten bij het vertrek werd eveneens verworpen;
dan moest hij maar mee. Zo althans stelden de SD'ers het voor
hun eerste verhoor, maar de mannen van de Politieke
Opsporingsdienst (POD) geloofden dit simpele verhaal niet. Al
spoedig bleek toen dat de SD-ers precies wisten wat de bedoeling
van hun commandant was: Emmens moest vermoord worden, niet in
Sneek maar onderweg.
Emmens kwam in de wagen van de Duitsers Walter Michels en
Richard Paul Unger met de Nederlandse SD-er Grootjans. Het was
de bedoeling in colonne naar Holland te rijden, maar bij de
Afsluitdijk moest Emmens weer aan Ströbel overgeleverd worden.
Toen wist ik al dat Emmens doodgeschoten zou worden, aldus
Michels. Maar door het drukke verkeer raakte de colonne uit
elkaar. Bij de Afsluitdijk werd nog een tijd op Ströbel gewacht,
maar tenslotte werd doorgereden.
In Noord Holland aangekomen namen de SD-ers de tijd om een
plasje te doen. Emmens kreeg daar ook toestemming voor en de
handboeien werden afgedaan. Terwijl Emmens stond te wateren
schoot Grootjans en Emmens viel voorover, waarschijnlijk meteen
dood. de volgende dag werd zijn lichaam in een kanaal bij Anna
Paulowna gevonden. Hij is 28 jaar oud geworden en liet een vrouw
en een kind na.
Onmiddellijk na de bevrijding van
hun dorp op 18 april kwamen de Makkumers in het geweer om de
verraders op te sporen. Brouwer had zich bij de overval als
landwachter verkleed en een bril opgezet. Hij was door meer dan
één herkend; doch men wist geen adres, alleen dat hij uit de
stad Groningen kwam en dat daar het onderzoek moest beginnen.
Velen hadden weinig vertrouwen dat hij daar aanwezig zou zijn,
maar de vier mannen die er heen trokken hadden geluk: Brouwer
was al als NSB-er gearresteerd en toen de Makkumers uitlegden
wat hij had uitgespookt, mochten ze hem meteen meenemen.
Uiteraard kon hij niet ontkennen, alleen zijn handelswijze zo
onschuldig mogelijk voorstellen. Er waren aanwijzingen dat hij
voor het verraad 500 gulden had ontvangen, maar dat bleef hij
tegen spreken; waarom hij het dan wel gedaan had, werd zelfs
voor de rechters, die hem tot levenslang veroordeelden, niet
duidelijk.
Bij zijn verhoor had Brouwer een belangrijk feit losgelaten: het
adres waarop hij Ridderhof te Amsterdam kon bereiken.
Nauwelijks
was het Westen bevrijd of Van Wijk en Keman trokken met een pas
van de Canadezen naar het opgegeven adres. Daar stond inderdaad
Ridderhof op de deur en een vrouw riep door het raam wat er aan
de hand was. De beide jagers stoven de trap op, het pistool in
de vuist, maat het bleek dat de vrouw een zuster van Matthijs
was, die daar woonde met haar moeder. Angstig vroegen de vrouwen
of de mannen wel 'goed' waren, want Matthijs was een paar dagen
eerder weg gegaan uit vrees voor communisten, die hem wel eens
konden vermoorden. Toen de zuster het nieuwe adres opgegeven
had, vertelden de mannen haar waarom Matthijs gezocht werd, wat
haar zichtbaar verbijsterde.
Bij het nieuwe adres aangekomen
vertelde een kruidenier dat daar juist een 'dikke kerel' was
gearresteerd; dat moest Ridderhof zijn, dachten de mannen, maar
onder de gevangenen bleek hij niet aanwezig. Toen terug; ze
moesten drie hoog zijn, vertelden de buren, daar woonde een
NBS'er die altijd om zes uur thuis kwam, maar van gasten hadden
ze nooit iets vernomen. Toen de man thuiskwam, in een overal met
NBS-armband, kreeg hij de opdracht de deur te openen en zich
meteen weer op de gang terug te trekken.
Van Wijk en Keman,
pistool in de hand, stoven naar binnen en... daar stond
Ridderhof in de verste hoek. Handen omhoog, schreeuwde Van Wijk,
maar aan dit bevel werd niet voldaan. Langzaam liep 'Ome Gerrit'
in zijn richting. Van Wijk nam geen risico en schoot hem in de
borst. Toen hij over de vloer lag had Ridderhof nog de
brutaliteit te zeggen: ' Moet dat nu zo Herman? Ik heb toch
niets gedaan.' Hij voegde er nog vele smoesjes aan toe, maar zei
uiteindelijk: 'Ja, ik moest'. Toen werd hij naar het ziekenhuis
gebracht, waar hij veertien dagen verbleef en toen naar de
gevangenis overgebracht werd.
Bij het verhoor door de Nederlanders en de Engelsen gezamenlijk
kwam zijn schuld onomstotelijk vast te staan. Zijn verraad was
begonnen in 1941, toen hij gevangen zat. Hij werd vrijgelaten om
voor de Duitsers te werken. Bij de illegaliteit wist hij
vertrouwen te wekken. Zijn belangrijkste verraad was, toen hij
zei waar de Nederlandse ontvangstorganisatie agenten en
sabotagemateriaal uit de lucht verwachtte. Zijn verhaal klonk zo
ongeloofwaardig dat Giskes zei: ' Gehen Sie zum Nordpol mit
solchen Geschichten'. Vandaar de naam ' Nordpolspiel': het
Engelandspel. Vergeleken met de daarbij gemaakte slachtoffers
waren die te Makkum slechts een toegift.
Het bijzonder gerechtshof veroordeelde deze kwabbige vetzak tot
de dood. Het vonnis aan de toen 51-jarige werd op 1 maart 1947
voltrokken.
P Wijbenga.
Hendrik Akse, geboren
op
2 juli 1919
te Nijeveen, bakkersknecht. Overleden op 08-04-1945 te Marburg,
Hessen Duitsland.
11 juli 2003 _Pleidooi straatnaam.
Lemster verzetsheld.
LEMMER - Een Arie van der
Pol-straat in Lemmer.Of een Arie van der Pol-brug in
Echtenerbrug. Daarvoor pleit Jouster Gerrit Groot en een
vroegere buurjongen van de verzetsheld die tijdens de Tweede
Wereldoorlog in Lemsterland opereerde.
Arie van der Pol heette in het echt Hendrik Akse. Hij zat
in dezelfde verzetsgroep als Wim Reinders naar wie in Lemmer wel
een straat is genoemd de Wim Reinderslaan. Beiden kwamen tijdens
de oorlog om het leven.
Grooters heeft burgemeester en wethouders per brief verzocht ook
zijn oude buurjongen te vernoemen. Hij kreeg een afwijzend
antwoord Het college vindt een verzetsstraat in een andere wijk
niet passend
Doede Alkema, geboren op 4
juni 1928 te Heerenveen.
Doede Alkema was de zoon van
Sietse Alkema en Eeke Corbie (Dochter
van Willem Corbie en Tjitske Wilkens).
Doede werd door de politie van Franeker op zaterdag 4 april 1942
gearresteerd vanwege het ontduiken van de avondklok. Het gezin
Alkema woonde in Franeker en vader Sietse werkte in Duitsland.
Welke straf hem is toebedacht is onbekend. Het is niet duidelijk
of hij behoorde tot de groep van Franeker jongemannen die
vanwege overtreding van de avondklok, het uitjoelen en naroepen
van de plaatselijke politie naar Kamp Amersfoort is gestuurd.

Hermanus Alkema, (Textielhandelaar) geboren
op 28 mei1905 te Harlingen, overleden op 15-02-1945 te Neuengamme.

Rinnert Gerrit Anema,
(Stoffeerder) geboren
op 24 februari 1921
te Witmarsum, overleden op 17-04-1945 bij Wons.
Werd op 17 april 1945 dodelijk
getroffen door een Duitse scherpschutter. Anema woonde in
Nieuwezijl en was stoffeerder in het nabij gelegen IJlst. Hij
maakte deel uit van de BS van het district Bolsward. Op 17 april
1945 kreeg hij met de groep BS'ers waartoe hij behoorde de
opdracht op te rukken naar de brug bij boerderij "Laanzigt". De
brug moest bezet of zonodig opgeblazen worden. De groep ging
iets te ver vooruit en kwam in het schootsveld van Duitse
scherpschutters. Annema en Roelof van der Meer werden beide
dodelijk getroffen. Hij werd begraven op de R.K. begraafplaats
te Sneek. In deze stad is ook een straat naar hem genoemd. |