
Jhr. Paul Marinus van Baerdt van
Sminia, geboren op 27 maart 1901 te
Leeuwarden, overleden op 24-04-1945
te Sandbostel, Neuengamme.
Sinds
1 augustus 1934 burgemeester van
Utingeradeel. Streefde er naar om de
uitgave van de tweede
distributiestamkaart te saboteren.
Hielp piloten en andere onderduikers
en steunde deze financieel. Begin
1944 werd het rayonhoofd van de LO
gearresteerd en de burgemeester reed
op zijn bromfiets naar Akkrum om het
rayonhoofd persoonlijk te helpen te
ontvluchten. Toen de SD de man een
uur later wilde ophalen was hij al
gevlogen. De volgende dag werd hij
zelf gearresteerd. Hij ging niet in
op het aanbod van het verzet om hem
te bevrijden uit de gevangenis van
Leeuwarden. Hij wilde niet dat
anderen hun leven zouden wagen voor
hem. In april 1945 toen de Canadezen
zijn gemeente hadden bevrijd ging
hij op transport en kwam terecht in
Sandbostel. Veel mensen uit het
transport stierven onderweg en veel
andere bleken te lijden aan
vlektyfus. Zo ook de burgemeester.
Hij overleed aan de gevolgen van
vlektyfus.
Paul
Marinus jonkheer van Baerdt van
Sminia werd in 1901 geboren in
Leeuwarden. De familie woonde op
landgoed De Klinze in Oudwoude. Van
Sminia studeerde in 1927 af en
vertrok meteen naar Nederlands-Indië
waar hij particulier secretaris van
de gouverneur-generaal werd, eerst
De Graeff en later De Jonge. In 1934
kwam hij terug naar Fryslân, om
burgemeester van Utingeradeel te
worden. Utingeradeel valt
tegenwoordig onder Boarnsterhim en
omvatte de plaatsen Akkrum,
Aldeboarn, Terkaple en Terherne.
De
suggestie dat Van Beardt van Sminia
zou heulen met de vijand is te gek
voor woorden, vindt zoon Hobbe. Zijn
vader wist juist als een van de
eersten hoe verwerpelijk het Duitse
regime was. De burgemeester had dat
meegekregen van zijn oom Van Limburg
Stirum, die Nederlands gezant in
Berlijn was en die al vroeg door had
wat Hitler van plan was. De
anti-Duitse Van Limburg Stirum stak
zijn mening niet onder stoelen of
banken en werd het land uitgezet
omdat hij volgens de nazi’s ‘te
oorlogzuchtig’ was, vertelt Hobbe
van Sminia.
Tijdens de bezetting van Nederland
hielp de burgemeester neergestorte
geallieerde piloten het land uit te
komen. Hiervoor is hij postuum
onderscheiden door de Canadese
regering. Van Sminia liep begin 1944
tegen de lamp toen hij de
reservesleutel van de cel in het
gemeentehuis van Akkrum ter
beschikking stelde zodat verzetsman
Sjerp de Vries kon vluchten. De
burgemeester werd verraden. Hobbe
van Sminia, toen tien jaar, kan zich
het nog goed herinneren dat hun huis
in Aldeboarn door de Duitsers werd
omsingeld en zijn vader werd
weggevoerd. Het was de laatste keer
dat hij hem in leven zag.
De
Duitsers vonden in de gemeentekluis
belastend materiaal dat de
burgemeester in verband bracht met
de pilotensmokkel. Van Sminia werd
opgesloten in de Leeuwarder
gevangenis. Het verzet bood aan hem
te bevrijden, maar dat sloeg hij af
omdat hij vreesde dat represailles
het leven zou kosten van vele
onschuldigen. Van Sminia werd met de
trein naar Amersfoort gebracht en
belandde uiteindelijk in kamp
Neuengamme in Duitsland. Over zijn
tijd in het kamp is niet veel
bekend, behalve dat hij er is
gemarteld.
Het
verhaal dat het verzet Van Sminia
wilde bevrijden tijdens de treinreis
van Leeuwarden naar Amersfoort én
tijdens het vervoer naar Neuengamme,
wijst Hobbe van Sminia naar het land
der fabelen. Een aanval op het
transport naar Neuengamme lijkt zoon
Hobbe onmogelijk. ,,Bovendien, zo
belangrijk was mijn vader nou ook
weer niet.’’ Wel heeft het verzet
zijn moeder gevraagd zijn vader
achterna te reizen. Zij zag dat haar
man door bewakers naar Amersfoort
werd gebracht.
Een
inwoner van Akkrum die ook vastzat
in Neuengamme, vertelde dat de
burgemeester in het kamp door de
Duitsers was gefusilleerd. Volgens
de officiële lezing stierf hij aan
vlektyfus. Geen van deze twee
lezingen klopt. Aan het einde van de
oorlog gebeurde het geregeld dat de
Duitsers gevangenen op een schip
zetten met de bedoeling dat het door
de geallieerden tot zinken zou
worden gebracht. Ook gevangenen uit
Neuengamme werden op de trein naar
havenstad Lübeck gezet om daar
scheep te gaan. Hobbe van Sminia
heeft begrepen dat de geallieerden
hier lucht van kregen en
luchtlandingstroepen in de regio
hadden gedropt. ,,Maar ook dat heb
ik niet zwart op wit’’, zegt hij. De
Duitsers besloten hoe dan ook de
trein te laten keren, richting
Hamburg. De trein stopte op het
station van Sandbostel. Daar werd
een aantal gevangenen, onder wie
burgemeester Paul Marinus jonkheer
van Baerdt van Sminia, op een dag in
april doodgeschoten en in een
massagraf begraven.
Een
arts, een kennis van de familie, was
getuige van de moord op Van Sminia.
,,Mijn vader had vlektyfus en was
hoe dan ook gestorven maar de arts
heeft hem nog gesproken, en gezien
dat hij werd doodgeschoten’’, zegt
Hobbe van Sminia. Verrassend snel
kregen zijn moeder, zijn broer Frank
en hij het bericht dat vader bij
Sandbostel was gedood. ,,Dat zal
rond 15 april zijn geweest’’ –
precies de dagen dat Fryslân werd
bevrijd.


Jan
Bakker, geboren op
13
februari 1912
te Den Helder, overleden op
15-11-1944 te Leeuwarden.

Jan
Hendrik Bakker, (bakker) geboren op
2 juli
1894
te Sneek, overleden in de nacht van
13 op 14 juli 1944 te Sneek.

Douwe Sikke Bangma, (Keurmeester)
geboren op 21 mei 1897 te
Munnekeburen, overleden op
02-05-1945 te Trelleborg (Zweden).
Nam al
vroeg in 1940 deel aan
verzetsactiviteiten en was vooral
betrokken bij verschaffen van
onderduikadressen aan Joden. Op 2
maart 1945 werd zijn verzetsgroep
opgerold door de de Grenzschutz op
verzoek van de SD in Leeuwarden.
Bangma zat eerst gevangen in
Leeuwarden en Groningen en ging
later naar Neuengamme, waar hij
ernstig ziek werd. Door toedoen van
het Zweedse Rode Kruis werden hij en
een groot aantal medegevangenen uit
het kamp per schip naar Zweden
overgebracht. Deze hulpoperatie
stond onder leiding van de bekende
graaf Bernadotte. Bangma kwam erg
verzwakt aan in Zweden en is daar
kort na zijn aankomst op 2 mei 1945
overleden. In eerste instantie is
hij ook in Zweden begraven. Later is
hij herbegraven op de Centrale
Begraafplaats in Stockholm. In
Roordahuizum is een straat naar hem
vernoemd.

Sijtze
Bartsma, (aannemer-timmerman) geboren op 26
januari 1887 te Wolsum, overleden op
03-05-1945 te Lübeck.
Bartsma had
een zender in huis ten behoeve van contacten
met de BS. Een gearresteerde heeft
waarschijnlijk tijdens een mishandeling zijn
naam prijsgegeven, want op 9 februari 1945
viel de SD het huis binnen. Op dat tijstip
was Bartsma niet thuis, maar hij werd later
op de Oostgrachtswal in Leeuwarden
gearresteerd en afgevoerd naar het beruchte
Scholtenshuis in Groningen. Vandaar kwam hij
terecht in in het concentratiekamp
Neuengamme. Tijdens de oorlog werd dit kamp
ontruimd en veel gevangenen werden naar
Lübeck afgevoerd. In de Lübeckerbocht lagen
een aantal koopvaardijschepen die dienst
deden als drijvend concentratiekamp. Bartsma
werd op de Athen ondergebracht, maar later
wegens dysenterie naar de Cap d'Ancona
overgebracht, waar benedendeks 4600
gevangenen zaten samengeperst. De Duitsers
schoten vanaf deze schepen met
luchtdoelraketten op overvliegende
geallieerde vliegtuigen, die daarop de boten
bombardeerde. Bij een bombardement op 3 mei
1945 kwam Bartsma om het leven. Hij is
vermoedelijk verdronken.

Ids. de
Beer, (koopman) geboren op 7 juni 1916 te
Nes, overleden op 02-02-1945 te Leeuwarden.
De Beer was
handelsreiziger en woonde in Nes. Hij was
lid van de LO van Dokkum. Zijn verzetsnaam
was "Viervoeter". Nadat door een massa
executie aan de Woudweg te Dokkum twintig
gevangenen op 22 januari 1945 waren
doodgeschoten, zochten alle verzetsmensen
uit de regio zo snel mogelijk een veilig
heenkomen en doken onder. Ook De Beer stond
op de lijst met gezochte en werd
uiteindelijk op 2 februari ontdekt op een
schuiladres in Leeuwarden. Hij poogde te
vluchten, maar werd neergeschoten en
overleed nog diezelfde dag aan zijn
verwondingen. (Wiebe Baron zat ook in het
verzet, op 22 januari 1945 is hij aan de
dood ontsnapt, maar Ids de Beer werd
doodgeschoten voor de ogen van de vrouw van
Wiebe Baron).
De Beer was
gereformeerd en handelde vanuit zijn
bijbelse overtuigingen tegen het onrecht.
Hij was getrouwd en liet een vrouw en twee
kinderen na. Hij ligt begraven op de
Hervormde Begraafplaats te Nes. In dit dorp
is voor hem en anderen een gedenkteken
opgericht.
Nicolaas
Herman Bergsteijn, (gemeenteambtenaar)
geboren op 4 oktober 1919 te Naarden.
Overleden op 8 maart 1945 te Apeldoorn.
Hij was
ambtenaar op het gemeentesecretarie van
Woudenberg. Door zijn toedoen kregen velen
een vals persoonsbewijs bovendien werden er
in augustus 1942 250 blanco
persoonsbewijzen, een register en stempels
gestolen. Daarnaast werd het hele
bevolkingsregister vermist. Bergsteijn werd
verdacht van de diefstal en op 7 augustus
1942 moest hij onderduiken. Sindsdien werkte
hij in de illegaliteit in oost en noord
Nederland. Hij was lid van de groep Theo
Dobbe en werkte mee aan diverse overvallen
op distributiekantoren en hielp onderduikers
in Friesland en Twente. In 1944 werd hij lid
van de raad van verzet en werkte hij voor de
Engelse inlichtingendienst. Hij was belast
met de organisatie van provinciale inlichten
diensten in Groningen, Friesland, Drenthe en
Overijssel. Op 19 februari 1945 viel hij
door verraad in Duitse handen en werd naar
Kamp Amersfoort gebracht. Op 8 maart 1945
werd hij als represaille voor de aanslag op
Rauter bij de Woeste Hoeve gefusilleerd. Hij
ligt begraven op de begraafplaats 'de
Rusthof' bij Amersfoort.

G. J.
Blauw, (Ambtenaar) geboren 23 mei 1923 te
Drachten, overleden op 08-06-1945 te Worth
aan de Donau, hij werd begraven op het
Nederlandse Ereveld te Frankfurt.

Ereveld
Frankfurt am Main.
Het ereveld telt 756
graven van Nederlanders die omkwamen
in Zuid-Duitsland. Op het ereveld is
een stenen drieluik met de namen van
nog eens 242 slachtoffers die hier
niet konden worden begraven.
Gerrit
Bleeker, (Kandidaat notaris, res 1
luitenant, 3 RI) geboren op 20 februari 1909
te Leeuwarden, overleden op 15-4-1945 te
Kollumerland.
Tijdens de
meidagen vocht hij mee als militair maar na
de capitulatie verbond hij zich aan de OD.
Tijdens de bevrijding van Friesland trad hij
actief op. Op zondag 15 april 1945 was hij
in Kollumerland aan de Soesterdijk waar een
motor met een Duitse soldaat aankwam rijden.
De Duitser stak zijn handen omhoog alsof hij
zich wilde overgeven. Het was echter alleen
maar tijdrekken, hetgeen bleek, toen een
vrachtwagen met Duitse soldaten aan kwam
rijden. De Duitse motorrijder zag kans de
vrachtwagen te waarschuwen waarna er een
vuurgevecht ontstond. Twee mensen werden
dodelijk getroffen, Gerrit Bleeker en Jakob
de Graaf overleden diezelfde dag. De
kandidaat-notaris te Kollum werd begraven op
de Algemene begraafplaats te Kollum. In dit
dorp is een straat naar hem vernoemd.
Franke
Bles, (kantoorbediende te Heerenveen)
geboren op 4 juli 1923 te Terband, overleden
op 31-05-1945 te Bergen-Belsen.
In verband met
zijn verzetsactiviteiten, zoals het
wegbrengen van bonkaarten en valse
persoonsbewijzen, sliep Bles doorgaans niet
in het ouderlijk huis. Toen dit door
omstandigheden op 10 mei 1944 wel gebeurde,
deden Landwachters een huiszoeking. Bles
werd gearresteerd toen in zijn jaszak
bezwarende papieren werden gevonden. Via het
Huis van Bewaring in Leeuwarden kwam hij
terecht in kamp Amersfoort. Uiteindelijk
werd hij gedeporteerd naar het
concentratiekamp Bergen-Belsen, waar hij op
31 mei 1945 stierf.
Pieter
Blom, geboren op 30 september 1912 te
Murmerwoude
(thans
Damwoude), overleden op 26-11-1944 bij de
Engelsmanplaat.
Hij was
nachtwaker in het gemeentehuis in Drachten.
Tijdens de bezetting gaf hij onder de
schuilnaam 'Sjors' leiding aan de
Knokploeg in Drenthe. Eind november 1944 was
hij met een helper en twee piloten die bij
Diever waren neergeschoten, op weg naar het
drenkelingenhuisje op de Engelsmanplaat
tussen Ameland en Schiermonnikoog. Met
Engeland was de afspraak gemaakt, dat hier
een boot de vliegers zou oppikken. Er was
een sein afgesproken, maar toen de boot
verscheen klopte dit teken niet helemaal.
Het schip verdween weer en de vier mannen
bleven op het eiland tot het voedsel
opraakte. Toen ging Blom het Wad op om hulp
te halen. Hij verdween op 26 november 1944.
Zijn stoffelijke overschot spoelde aan op
het strand van het Duitse Borkum. Men
constateerde dat Piet Blom was
neergeschoten. Tot op de dag van vandaag is
niet duidelijk wie hiervoor verantwoordelijk
is. Blom werd begraven op de Algemene
Zuiderbegraafplaats in Drachten. De drie
overgebleven mannen op de Engelsmanplaat
zijn op eigen gelegenheid naar de vaste wal
gelopen. De twee piloten hebben de
bevrijding van Friesland in de omgeving van
Drachten afgewacht.
Vluchten via Engelsmanplaat.
Een van de bijzondere landschappen
in Noord-Nederland is het
waddengebied. Al meer dan zestig
jaar gaan er verhalen rond dat dit
gebied een bijzondere rol zou hebben
gespeeld in de oorlog. Twee kleine
eilanden aan weerszijde van
Schiermonnikoog, Engelsmanplaat en
Simonszand, zouden vluchtroutes zijn
voor neergeschoten Amerikanen op weg
naar Engeland. Waarschijnlijk is er
maar één poging geweest en die is op
een tragische manier mislukt.
In de winter van 1941 verscheen een
Küstenverordnung van de
Rijkscommissaris, waarbij de kust en
dus ook het gehele waddengebied tot
verboden gebied werden verklaard,
slechts toegankelijk met een
Ausweis. De eilanden hadden alle een
bezetting, alleen de kale zandplaten
Engelsmanplaat en Simonszand waren
onbezet gebied en te voet
bereikbaar. In de boeken over de
bekende verzetsgroep Zwaantje te
Delfzijl van dokter Allard
Oosterhuis en coasterkapitein Harry
Roossien staat dat er plannen zijn
geweest om via Simonszand
geallieerde piloten en andere
personen, die naar Engeland moesten
uitwijken, bij nacht over het wad te
leiden en hen vervolgens op te
pikken met een duikboot. De bekende
wadloper Derk Schortinghuis, die ook
in het verzet zat, zou hierbij een
belangrijke rol spelen.
In Engeland
moest men uiteraard meewerken door
een boot op de afgesproken tijd
gereed te houden. In codeberichten
droeg Engelsmanplaat de naam
Transvaal en Simonszand de naam
Oranje Vrijstaat. In de literatuur
hierover staat echter nergens dat
een dergelijke vlucht naar de
vrijheid via Simonszand is
gerealiseerd, zelfs niet in het boek
dat Schortinghuis schreef over het
verzet en zijn bemoeienis daarmee.
De bekende Schiermonnikoog en
Engelsmanplaat-kenner Durk Reitsma
heeft in gesprekken met vissers en
reddingbootschippers gehoord dat het
‘indianenverhalen’ waren. Lopen naar
Simonszand was veel te riskant. ‘Wie
zou er genoeg kennis van het wad
hebben om ’s nachts deze dertien
kilometer lange tocht te maken en
wie zou er van de Engelse kant
voldoende kennis hebben van de
Lauwersgronden om Simonszand te
bereiken?’, zo luiden de uitspraken
van deze zegslieden.
Anders
is dat bij Engelsmanplaat. Daar is
één keer een poging geweest om twee
neergeschoten Amerikanen te laten
ontsnappen naar Engeland. Een van
die Amerikanen was Harry Dolph, een
boordschutter van de bommenwerper
True Love. Op 15 augustus 1944 werd
het vliegtuig boven Havelte
neergehaald door een Messerschmitt
van Oberleutenant Ernst Scheufele.
Dolph wist zich te redden met een
parachute en werd opgevangen door
mensen van de ondergrondse, die hem
via Steenwijk naar Meppel brachten,
waar hij een persoonsbewijs kreeg
van Peter van den Hurk. Van daaruit
verbeef hij een tijd in het
onderduikershol Wigwam in de bossen
bij Diever, waar hij op 17 september
Jim Moulton ontmoette, een
staartschutter die eveneens met zijn
vliegtuig was neergeschoten.
Een
maand later ontmoetten beide
Amerikanen Sjors, schuilnaam voor
Piet Blom uit Drachten, en Nico uit
Rotterdam. Beide heren zeiden lid te
zijn van een ondergrondse
verzetsbeweging en hadden plannen om Dolph en Moulton via Engelsmanplaat
naar Groot-Brittannië te brengen. Op
30 oktober verlieten ze Diever en
via Hoornsterzwaag, Olterterp,
Rottevalle en Oostermeer bereikten
ze Suameer. In het boek The Evader
schrijft Harry Dolph dat hij hier de
koerierster Greta Rusk (schuilnaam)
ontmoette, waarop hij verliefd werd,
en die hem meedeelde dat Nico lid
was van de NSB en voor de SD werkte.
Sjors was wel te vertrouwen.
Via Noordoost-Friesland kwamen de
vier mannen uiteindelijk aan in
Paesens, het vertrekpunt voor de
wadlooptocht naar Engelsmanplaat.
Een bericht van de BBC zou een
aanwijzing geven als er een boot
kwam om ze op te halen.
Harry
Dolph is op 19 juni 1984
teruggeweest op de Engelsmanplaat en
heeft toen een persconferentie
gegeven. De mededelingen die hij
toen gedaan heeft, kloppen niet met
het verhaal uit zijn boek dat is
verschenen in 1991. Hij liet op die
bijeenkomst ook niet het achterste
van zijn tong zien. Volgens zijn
boek zouden de vier mannen op 15
november om 22.30 uur naar de
Engelsmanplaat gebracht zijn door
Teun de Jong en Jan Visser. Op de
persbijeenkomst vertelt Dolph dat ze
gebracht zijn door de vissers Monte
de Vries en Kees Vanger; dit laatste
blijkt ook uit de vele interviews
die in de loop der jaren met de De
Vries en Vanger zijn gemaakt.
Met koffers met proviand en wapens
vertrokken ze in de nacht. De maan
verlichtte bij vlagen door de wolken
het grillige waddenlandschap en er
stond weinig wind. Langs de
strekdammen van de landaanwinning
was het zwaar in het slibrijke en
ijskoude water.
De vaargeul moest
worden overgestoken en een van de
gidsen waarschuwde voor de steile
rand. Dolph plaatste zijn koffer op
het hoofd en viel min of meer in de
geul. Hij ging kopje onder en de
koffer dreef mee met de stroom.
Nadat ze nog een geultje gepasseerd
waren, kwamen ze op het zandige wad
ten zuiden van de plaat. Daar stond
een reddingshuisje waar ze de dagen
zouden doorbrengen. Onderweg zagen
ze een gestrande tweemansduikboot en
een aangespoelde Duitse zeemijn. De
mannen betrokken hun verblijf. Ze
mochten ’s nachts geen vuur stoken
en overdag niet op de plaat
wandelen, want de bewaking vanaf de
vuurtoren van Schiermonnikoog hield
het gehele zeegat tussen Ameland en
Schiermonnikoog in de gaten. De twee
gidsen gingen de volgende dag terug
naar Paesens.
Er was
afgesproken dat als de boot de
mannen zou oppikken de wapens
begraven zouden worden op vijf meter
afstand van de voorste paal van het
huisje. Tussen het reddingshuisje en
het Wierumer Gat, waar de snelboot
zou landen, bedroeg de afstand maar
vijfhonderd meter. De volgende nacht
zaten de mannen vol spanning te
wachten op een afgesproken teken van
de Engelse boot. Sjors, die de
leiding had, zag een boot en wachtte
op het teken. Vanaf het schip zou
een V-teken geseind worden, maar tot
hun verbazing was het een omgekeerd
V-teken. De verhalen via de
interviews en volgens het boek van
Dolph zijn hierover zeer
verschillend. Volgens het boek
hebben de Amerikanen de lichten niet
gezien omdat ze sliepen. Uit
interviews blijkt dat Sjors het niet
vertrouwde, terwijl Nico en de
Amerikanen Sjors probeerden over te
halen om gezamenlijk naar het schip
te gaan. Uiteindelijk is dit niet
gebeurd.
De Vries en Vanger kwamen de
volgende nacht terug om de revolvers
te halen en troffen de vier mannen
in het huisje. Sjors schreef een
nieuw briefje voor een koerierster
met de tekst ‘Code verkeerd, we
zitten nog steeds te wachten.’ De
koerierster moest naar Hoogezand om
daar de mensen in Engeland op de
hoogte te stellen.
Ondertussen zaten de vier mannen al
twaalf dagen op het eiland. Ze
werden bevoorraad door Jan Visser en
door De Vries en Vanger. In al die
tijd is er geen boot uit Engeland
meer gekomen. De situatie op het
eilandje werd er niet beter op.
Overdag zaten ze in het huisje en
alleen ’s nachts konden ze naar
buiten. De kans dat ze ontdekt
werden werd steeds groter, want
Duitse militairen kwamen regelmatig
op de plaat om te zoeken naar
aangespoelde lijken.
Toen
De Vries en Vanger weer eten en
drinken brachten, liepen Nico en de
Amerikanen hen tegemoet. Sjors was
er niet bij. Volgens Nico was Sjors
de dag daarvoor naar de vaste wal
gelopen om hulp te halen, maar daar
is hij nooit aangekomen. De drie
wilden met alle geweld mee naar de
overkant. Vanger en De Vries wisten
hen echter te overtuigen dat ze niet
overdag mee konden, omdat ze dan
regelrecht in de handen van de
Duitsers zouden vallen.
De volgende dag, 1 december, werden
ze opgehaald door Sieb Visser. Deze
toen 24-jarige bakkersknecht woonde
in Nes en wilde een Ausweis hebben;
daarom werkte hij als timmerman op
de bunkers tussen Wierum en Nes bij
de Wehrmacht. Tijdens het aanbrengen
van de prikkeldraadversperring zag
hij kans om de zendmast drie keer
onklaar te maken. Hij was een zwager
van Jan Visser, zeehondenjager,
visser en jutter. Ondanks het verbod
gingen ze samen vaak jutten op
Engelsmanplaat.
Op 20 juni 1984 interview ik hem in
zijn woning in Lekkum. ‘Op de plaat
spoelden lijken aan, maar ook zaken
die van onze gading waren, zoals 48
jerrycans met benzine en blikjes
thee en sigaretten. Overdag zat ik
in het huisje.’ Hoewel sommige
bronnen zeggen dat Sieb en Jan
Visser de Amerikanen van de wal
hebben gehaald, vertelt Sieb
uitdrukkelijk dat hij dat alleen
heeft gedaan, nadat hij van Jan
gehoord had dat de mensen van de
plaat gehaald moesten worden. ‘Toen
ik op de plaat kwam waren ze
allemaal uitgeput en ik heb ze eten
en drinken gegeven. Ze vertelden dat
Sjors met Nico geprobeerd had de wal
te bereiken. De terugtocht ’s nachts
duurde wel vier uur. Het eerste deel
vanaf het huisje naar de vaargeul
ging redelijk goed, maar door de
geul en de slikkige gronden naar de
kust ging het tempo van de totaal
uitgeputte mannen omlaag.
Uiteindelijk bracht ik ze naar het
huis van mijn vader en broer.’
De Amerikanen brachten de laatste
oorlogsmaanden door bij de dames
Liezenberg in Dokkum en op een adres
in Birdaard. Tijdens de opmars van
de Canadese bevrijders voegden ze
zich bij de troepen en vochten zelfs
nog mee tegen de Duitsers.
Het
bleek achteraf onmogelijk dat Sjors
op het door Nico vermelde tijdstip
naar de kust was gelopen, omdat er
te veel water stond. Enkele weken
later werd het lijk van Sjors
gevonden op Rottumeroog met een
kogelgat in zijn hoofd. Wat er zich
precies heeft afgespeeld op de
Engelsmanplaat is nooit onthuld.
Sieb Visser: ‘Volgens mijn zwager
Jan was Nico een NSB’er. Na de
oorlog is Nico doodgeschoten als
collaborateur.’ Ook Dolph schrijft
in zijn boek dat Nico in april 1945
is geëxecuteerd, omdat hij Sjors zou
hebben doodgeschoten. Volgens Dolph
is dat laatste niet waar. Durk
Reitsma, die de komst van Dolph in
1984 op Engelsmanplaat mede had
georganiseerd, vertelt dat hij Harry
Dolph op de plaat had zien lopen:
‘Die man liep met een gebogen hoofd
over de plaat, de armen op z’n rug.
Hij praatte met z’n vrouw en zei
vervolgens laten we deze zaak maar
niet meer moesten aankaarten. Het is
duidelijk dat hij er niet over wilde
praten.’
Er bestaat nog een andere versie
over de dood van Sjors. In het
zojuist verschenen standaardwerk
‘Een laatste saluut, Fryslân in de
oorlog’, schrijft Jack Kooistra,
journalist van het Friesch Dagblad,
dat Piet Blom (Sjors) vrijwel
zeker is doodgeschoten door Sieb
Visser. Jack Kooistra weet mij te
vertellen dat hij meerdere versies
hierover heeft gehoord en dat hij
tot deze toch zeer stellige bewering
is gekomen uit de vele interviews
die hij heeft gedaan in deze zaak.
‘Doorslaggevend voor mij was een
bandopname van een inmiddels
overleden bron, waarop Sieb Visser
huilend bekende dat hij Piet Blom
had doodgeschoten op
Engelsmanplaat.’ Kooistra weet
verder te vermelden dat Visser een
omstreden figuur was en dat het
bekend was dat het tussen hem en
Blom niet boterde. Alle personen
zijn inmiddels overleden en het
verhaal dat Harry Dolph in zijn
testament opheldering zou geven,
bleek niet te kloppen; daarmee heeft
hij het geheim rond de dood van
Sjors meegenomen in zijn graf.
Duidelijk is dat het waddengebied
van Engelsmanplaat en Simonszand
geen gestroomlijnde vluchtlijn was
naar de vrijheid.
Jan
Abrahamse.
Andries de
Boer, (veearts) geboren op 3 maart 1888 te
Gorredijk, overleden op 13-04-1945 te
Wolterdingen.
Tijdens de
Tweede Wereldoorlog was hij lid van het
verzet en bood hij hulp aan onderduikers. Op
29 december 1944 werd De Boer door de
bezetter opgepakt. Hij kwam om het leven in
het Duitse Wolterdingen op 13 april 1945.
Op het kerkhof in
Wolterdingen staan 3 grote houten kruizen
van een der laatste massagraven van het
Hitler Fascisme.
Gedeporteerde
Concentratiegevangenen. Verhongert en murw
geslagen kort voor de Britse troepen in het
oord aankwamen. Achterop de grafsteen staat
geschreven, Andries de Boer geboren 3 maart
1888 in Gorredijk, gestorven 13 april 1945
in Woltersdingen. Eén van 269 doden..


Andries de Boer,één van
269.
Dit is een biografie van
Andries de Boer één van 269 doden ,die
op het Wolterdingen kerkhof werd
begraven.
Samengesteld door
familie, vrienden en historica uit
Friesland.
Andries de Boer
werd 3 maart 1888 in het kleine stadje
Gorredijk geboren. In het hart van
Friesland,als tweede zoon van de
familie. Zijn vader was bakker die
stierf toen Andries 11 jaar oud was aan
kanker. Zijn moeder runde de bakkerij
alleen verder en heeft dan niet veel
tijd meer voor de kinderen. Andries is
erg in zichzelf gekeerd een dromer, hij
leest veel boeken en verzorgt graag
dieren. Met dieren wou hij ook later nog
te doen hebben. Hij wil
dierenarts worden en laat zich van dit
besluit niet meer afbrengen....
school studie een huwelijk en een eigen
praktijk in de buurt gelukte hem dan
ook. Verder gaf hij nog enige artikelen
uit in tijdschriften over dieren.
Voor een Nederlander was
in die tijd Zuid-Afrika het land der
dromen voor een ieder die iets voor
dieren overhad. De Boer geeft zijn
goedlopende praktijk op en vertrekt met
zijn familie naar Zuid-Afrika om in
opdracht van de regering te werken. Doch
de realiteit was niet zo zaligmakend,
hij had hiervan veel meer verwacht het
reizen van de farm naar zijn familie, en
de soms ook wekenlange afwezigheid van
de familie. Voor de Engelse boeren
blijft de Fries een mens van andere
klasse.
De Boer kan zich
daardoor slecht aanpassen hem bevalt de
arrogantie en de brutaliteit van deze
bewoners niet en zijn heimwee wordt
steeds groter. Het echtpaar de Boer
kunnen de omgeving van het Friese
landschap niet vergeten ook niet de
liedjes die ze avonds zongen ze gaan dan
weer terug naar Friesland.
In Noordwolde in het
zuidelijke deel van Friesland wordt een
huis gekocht,waarin ook een
dierenartspraktijk is. Andries gaat er
vol tegenaan in zijn beroep, zijn vrouw
Roelofje doet de huishouding. Dochter
Tine en de buurjongen genieten volop de
vriendschap van deze zwijgzame man, hij
neemt de kinderen af en toe mee als hij
naar de boerderijen gaat, ze helpen
thuis mee in het kippenhok waar hij
bezig is om nieuwe mooiere rassen te
kweken. Naast zijn werk als dierenarts
speelt hij ook eenmaal in de week in een
Cafe een paar rondjes biljard, tennist
met zijn collega's, hengelen en
kievietseieren zoeken. Zo vult Andries
zijn vrije tijd in en in de
wintermaanden leest hij graag, hierbij
steeds een pijp of een sigaar tussen
zijn vingers geklemd. Hij gaat niet veel
uit om muziek of het theater te
bezoeken, de radio geeft hem genoeg
informatie.
Sociale en
politieke activiteiten, zoals door zijn
vader in een socialistische organisatie
werd gehandhaafd, is niet zijn ding.
Door middel van het lezen en door het
radionieuws geïnformeerd blijft Andries
de Boer sceptisch over de toespraken en
acties van de Kerk en Staat.
Als de Duitsers in 1940
Holland bezetten wordt hem bewust wat
het betekenen kan in de handen van de
nazi's te vallen. Hij kent deze energie
der beweging hij heeft gehoord van de
haat tegenover de joden en het
vermoorden van deze mensen. Hij heeft
angst om zijn familie en wil dat zijn
dochter na haar tandarts studie in de
buurt blijft wonen. Inmiddels over de 50
jaren oud, donkerblond met grijze haren
vermengd.. maak hij zich geen illusies
over de machten die nu ook zijn wereld
in de macht hebben.
Vol angst is moeder
Roelofje als zij hoort dat haar dochter
in 1943 joodse onderduikers heeft. Een
jaar later 1944.. duizenden Nederlanders
zijn uit angst voor gevangenschap en
werk op het land gevlucht en houden zich
hier verborgen. Nu nemen ook de Boers
twee onderduikers op in hun huis, daar
deze ook verre familie was van de Boer
wist hij dat dit niet levensgevaarlijk
was. Ondersteund werden ze door illegale
groepen die levenmiddelen op de bon en
voor valse papieren zorgden. In
Noordwolde zijn arbeiders, artsen,
griffiers en handelaren, die een geheime
kring hebben georganiseerd. De Boer is
niet daarbij. Sommige die hem kennen,
weten dat hij zwijgend toestemde en
wegkeek als zijn voertuig in de kleine
uurtjes weg was en voor clandestien
vervoer werd gebruikt.
Eind 1944....Sinds eind
september zijn de engelse en de
Amerikanen aan de Duitse grens, maar het
landen in Arnhem is mislukt en al de
hoop op de bevrijding door de
geallieerden is vervlogen. De
vijfde kerst in oorlog in Nederland is
voorbij en iedere nacht
vallen de bommen over Friesland. Het
verzet is in de bevolking is gegroeid,
de SS (Security Service)
heeft zich in de stad geplaatst en wil
met geweld de verzetsgroep vernietigen.
Een man die opgepakt werd door de SD
werd geprest en zwaar mishandeld door
hen.. en hij praat, geeft namen aan en
wil hiermee een einde maken aan zijn
martelingen. Hij noemt namen van dokters
ook de Boers naam is erbij.. de SD
sluiten nu om velen in het net.
29 December 1944 10 uur
in de ochtend is het moment
waarop de Handlangers van de
veiligheidsdienst naar het huis gaan van
De Boer... door het
lawaai van de motoren in aantocht werden
de bewoners opmerkzaam gemaakt. Jan de
buurjongen en Gerke de jongen van de
overkant spoeden zich naar huis van De
Boer...maar even later worden ze
verzocht met hun onderduikers het huis
te verlaten De boer schreeuwt schiet mij
toch dood. Twee mannen stellen het
geweer in aanslag aan de overkant van de
straat, daar ontdekt een de bewakers de
nieuwsgierige Gerke die vlabij zijn huis
in een greppel beschutting gezocht had.
De man schiet en treft Gerke. De Boer
wordt opgedragen de wond aan zijn hals
te verzorgen. Dan volgt zijn
arrestatie... het einde van een razzia.
In Noordwolde en
omgeving heeft het hetzelfde tafereel
zich meermalen herhaald. Die mensen
werden gevangen genomen. De Crackstate
gevangenis in Heerenveen werd in de
volgende weken de ergste fase van hun
leven. Verhoor, marteling, de mensen
werden geslagen verhoord en tot
zelfmoord gedreven. Zo ook De Boer, die
blijft bij zijn mening niets met het
verzet te doen te hebben gehad. Na vele
folteringen gaan ze De Boer die koppig
blijft zwijgen psychisch aanpakken. Wij
weten dat jij niets hebt gedaan zegt een
der SS mannen. Waarom laat je me dan
niet vrij vraagt De Boer aan hem. Alle
dommen laten wij naar huis gaan alleen
de intellectuele houden wij als
Duits-vijandig vast, was het antwoord
van de SS'er. Andries werd vervoert via
Amersfoort naar Duitsland waar hij in
een kamp terecht kwam, hier maakte hij
enkele vrienden waar hij goed mee kon
praten. Het leven was er slecht, maar
hij werd niet meer gemarteld....Hij wist
nog een brief het kamp uit te
smokkelen.... De brief kwam maanden na
zijn overlijden aan bij zijn vrouw
Roelofje.

Crackstate 1944-1945.
De periode 1944-1945 vormt
een trieste dissonant in de
geschiedenis van Crackstate.
Het in 1890 achter het pand
gebouwde Huis van Bewaring
was toen de uitvalsbasis van
een niets ontziend Duits
SD-Kommando, dat bijna acht
maanden lang in
Friesland,Drenthe en de Kop
van Overijssel dood en
verderf zaaide. Veel
gevangen genomen en hier
opgesloten leden van de
illegaliteit (het
georganiseerde verzet)
zouden de martelingen niet
overleven. Van de gevangenen
vonden enkele tientallen de
dood; ze werden
geëxecuteerd, stierven onder
helse
ondervragingstechnieken,
pleegden zelfmoord of kwamen
om in Duitse
concentratiekampen.
Het Commando Kronberger
arriveerde op 14 oktober
1944 in Heerenveen
(Zuid-Nederland was toen al
bevrijd) met als voornaamste
opdracht het Duitse
bezettingsleger te
beschermen tegen sabotage en
spionage. Commandant van de
gevreesde politie-eenheid
was de Oostenrijkse
SS-Hauptsturmführer Erich
Karl Kronberger, een
voormalige goudsmid uit
Wenen. Hij voerde het bevel
over zo'n veertig man, die
het noordelijke platteland
gewetenloos terroriseerden.
In de eerste oorlogsjaren
verbleven er hoofdzakelijk
gevangen genomen Joden,
alsmede mensen die op
verdenking van economische
delicten waren opgepakt,
zoals zwarthandelaren. Na
aankomst van de SS-eenheid
werd het Nederlandse
bewakingspersoneelonmiddellijk
op straat gezet.
Door de gewelddadige
verhoormethoden sloegen veel
gevangenen door met als
gevolg dat in de winter van
1944/1945 honderden
verzetsmensen werden
opgepakt. Vooral de
ondergrondse in de omgeving
van Noordwolde, Wolvega en
Echtenerbrug leed onder deze
golf van arrestaties. Op het
hoogtepunt van de
aanhoudingen zaten tussen de
twee- en driehonderd mannen
en vrouwen achter
Crackstate, dichtopeengepakt
in veel te kleine cellen en
onder onvoorstelbaar slechte
hygiënische omstandigheden.
Een overval op de gevangenis
is door het verzet wel
overwogen, maar de risico's
werden vanwege de zeer zware
bewaking te groot geacht.
Slechts eenmaal slaagde men
er in om twee gevangenen uit
Crackstate te bevrijden. Dat
was in september 1944, vlak
voor de overname door de
gevreesde SD.
Douwe de
Boer, (postbode),
geboren op 4 april 1890 te Gaast, omgekomen
in Kamp Vught op 2 juni 1944, 54 jaar.
Gerrit de Boer,
“Herinneringen
uit mijn
kampleven
Vught-Dachau
1943-1945”
van
Gerrit
de Boer
thans
wonende
in
Canada.
Gerrit
de Boer,
geboren
op 30
juli
1921 was
in 1943
inwonend
boerenknecht
bij
Sietze
Reitsma
te
Sandfirden.
Gerrit
was
afkomstig
van,
toen
Idzega,
thans
Rigedyk
12
Oudega
(W)
Wegens
zijn
daadwerkelijk
aandeel
aan de
Mei-staking
in 1943
werd hij
door de
Duitsers
opgepakt.
Na zijn
terugkomst
uit
Dachau
in juni
1945
werd hij
van
verschillende
kanten
verzocht
zijn
belevenissen
op
schrift
te
stellen.
In de
loop van
1945
heeft
Gerrit
de Boer
zijn
wederwaardigheden
met
potlood
in een
schrift
geschreven
en op
verzoek
werd dit
dan voor
diverse
verenigingen
vooral
J.V.’s
en M.V.’s
voorgelezen.
Na 40
jaar was
dit
potloodschrift
zodanig
verbleekt
dat
alleen
hijzelf
dit nog
kon
lezen.
Op mijn
verzoek
heeft
Gerrit
de Boer
dit
overgeschreven
en mij
toestemming
gegeven
dit te
plaatsen
in de “Nijsljochter”.
De
aantekeningen
zijn
sober en
is een
relaas
van
feitelijkheden.
Tussen
de
regels
staat
vaak
meer dan
er in.
“Hier
werd ik
kort
verhoord
en ter
dood
veroordeeld
direct
of
morgenvroeg”
zo
vertelt
Gerrit
de Boer
in deze
eerste
aflevering,
maar wat
hij dan
denkt en
wat hij
dan
heeft
doorgemaakt
in die
dagen
daarna,
geen
woord
daarover.
Wanneer
er
iemand
in het
kamp
werd
opgehangen
moesten
ze er in
een boog
om heen
staan en
dan zegt
Gerrit
de Boer
“veel
indruk
maakte
het
niet,
want we
hadden
zo
langzamerhand
al
aardig
wat
meegemaakt.”
Voor de
aandachtige
lezer
zijn
deze
“herinneringen
uit mijn
kampleven”
een
indrukwekkend
verhaal.
Een
verhaal
van een
getekende,
kaalgeknipt,
zebrakleding.
Een
verhaal
over
treiteren,
martelen,
hard
werken,
honger,
altijd
honger,
moorden,
bitter
kou,
luizen.
Dat
alles
heeft
Gerrit
de Boer
overleefd,
toen een
jongen
onder
ons, en
nu
vertelt
hij zijn
ontberingen
in elf
afleveringen
in de
Nijsljochter,
41 jaar
later
(1986).
Bewaar
deze
afleveringen.
Hiele
Walinga.
1.
’t Was
een
prachtige
zonnige
morgen,
de
morgen
van de 3e
mei
1943.
Doch
wreed
werd
onze
rust
verstoord,
want
voordat
we erop
verdacht
waren
was de
boerderij
van S.
Reitsma,
waar ik
toen
werkte,
door de
leden
van de
Grüne
Polizei
met
medewerking
van de
beruchte
handlanger
der S.D.,
Lammerts,
omsingeld.
Wegens
sabotage
met de
Meistaking
werd ik
toen
gearresteerd
en
meegenomen
in de
overvalwagen
die in
Sandfirden
gereed
stond.
Met nog
een paar
bekenden,
n.l.
Hieltje
Walinga
en Sikke
Bakker
gingen
we naar
Oudega
waar ook
nog de
vrouw
van
Bouke de
Vries
werd
meegenomen,
vervolgens
gingen
we naar
Woudsend
waar we
de hele
dag zijn
geweest
en toen
naar
Leeuwarden.
Allereerst
naar de
gevangenis
en de
volgende
dag naar
het
Oldburger
weeshuis
waar de
S.D. was
ondergebracht.
Hier
werd ik
kort
verhoord
door het
Standgericht
en ter
dood
veroordeeld,
direct
of
morgenvroeg.
Met zo
goed als
ik weet
met nog
vijf
anderen
o.a. ook
onze
dorpsgenoot
Bouke de
Vries,
met wie
ik nog
even heb
gepraat.
Alhoewel,
die is
toen ook
direct
opgehaald
met nog
iemand,
hoogstwaarschijnlijk
een
zekere
Fokkens,
die zo
goed als
ik weet
denkelijk
direct
zijn
doodgeschoten.
Daarna
werd ik
met drie
anderen,
een
zekere
Eisinga
een
onderwijzer
uit
Gorredijk,
die ’s
nachts
nog is
doodgeschoten,
en nog
twee uit
Berlikum,
die in
Dachau
zijn
overleden,
naar het
Huis van
Bewaring
gebracht.
Na een
tijdlang
in
onzekerheid
te
hebben
gezeten
werd de
doodstraf
in 15
jaar
Tuchthuisstraf
omgezet.
Vijf
weken
heb ik
daar
gezeten
alleen
in een
cel, wat
eerst
niet
best
was,
vooral
daar ik
absoluut
niets
had te
doen,
ook
niets te
lezen.
Later
werd dat
beter,
maar met
Gods
hulp ben
ik daar
ook
doorgekomen.
Daarna
werd ik
met die
twee uit
Berlikum
naar het
Scholtenshuis
in
Groningen
gestuurd
om de
volgende
dag met
een heel
transport
naar
Vught te
gaan.
Toen we
daar
aankwamen
regende
het en
lieten
ze ons
een poos
buiten
staan om
te
wennen.
Daarna
werden
onze
bezittingen
afgenomen
b.v.
geld,
brieven,
horloges
enz. Na
geregistreerd
te zijn,
kaalgeknipt,
kregen
we
kampkleding
met
blauwe
en witte
strepen
(zebra).
Vervolgens
gingen
we het
kamp in,
een der
eersten
die ik
ontmoette
was Jan
Elzinga,
nog een
oude
schoolkameraad,
om toen
naar een
der
barakken
ondergebracht
te
worden.
2.
De
andere
dag
gingen
we naar
een
andere
barak
(Blok
15) waar
alleen
zwaar
gestraften,
joden en
ter dood
veroordeelden
waren.
In ’t
eerst
deden we
niks en
zaten we
de hele
dag
binnen
en
verveelden
ons
best.
Negen
uur ’s
avonds
was het
bedtijd
en 4 uur
’s
morgens
opstaan.
Er werd
eerst
nog
behoorlijk
geslagen,
we
hadden 3
keer per
dag
appèl,
wat ze
om te
pesten
aardig
konden
rekken
vooral
als het
regende,
en wee
als het
niet
klopte
of als
er eens
iemand
tussen
uitgeknepen
was dan
kon het
tot in
de nacht
duren.
Ook ’s
middags
om 12
uur
duurde
het wel
eens
zolang
dat het
eten er
bij in
schoot.
Wat dat
eten
betrof,
dat was
in één
woord
slecht,
het
smaakte
verschrikkelijk.
Ik heb
wel eens
gehoord
dat dat
met
opzet
werd
gedaan,
daar de
S.S.
officier
die over
de
keuken
ging een
geweldige
haat
jegens
de
gevangenen
koesterde.
Dan werd
het
geringste
vergrijp
zwaar
gestraft
b.v. 25
stokslagen
die niet
mals
waren,
een tijd
in de
bunker
en soms
ook een
tijd
lang op
hurken
huppen
totdat
het
slachtoffer
erbij
neerviel.
Toch
zeiden
diegenen
die er
als een
tijd
waren
geweest
dat het
een
sanatorium
was
vergeleken
bij wat
het
geweest
was. Nou
dat vond
ik in
het
begin
alles
behalve,
maar
alles
went
gelukkig,
en ook
dit
leven.
Na een
poosje
kon ik
me er
ook best
inschikken,
vooral
toen we
aan het
werk
werden
gezet
gaf dat
heel wat
afleiding.
Eerst
begonnen
we met
ijver,
maar dat
duurde
niet
lang
toen
volgende
we het
voorbeeld
van
anderen
om zo
weinig
mogelijk
te doen.
Ze
noemden
dat
drukken.
eerst
bestond
het werk
uitsluitend
uit zand
kruien,
we
hadden
altijd
de
kruiwagen
vol.
Maar in
het zand
zat
altijd
zo’n
verdacht
kuiltje
dat was
van het
zitten
erin en
er waren
altijd
van die
mooie
sprekers
die voor
de
afwisseling
zorgden.
Maar als
er
gevaar
was dan
was het
plotseling
een en
al
bedrijvigheid.
In de
regel
hadden
we een
Hollandse
SS-er
over ons
gesteld,
maar die
was in
de regel
niet te
zien en
over het
algemeen
hadden
we daar
helemaal
geen
last
van, die
hadden
al lang
in de
gaten
dat ze
op het
verkeerde
paard
hadden
gewed.
Maar je
moest
daarom
altijd
voorzichtig
wezen
wie je
kon en
wie je
niet
vertrouwen
kon. Dan
was er
nog een
Duitse
gevangene
een zgn.
Capo
over ons
gesteld
als
voorman
die
meestal
een goed
heenkomen
had
gezocht.
Echter
op veel
commando’s
en
vooral
buiten
het kamp
waren
die
Duitse
Capo’s
beestachtig
slecht
dat
hebben
we later
genoeg
ondervonden.
3.
Meest
waren
dat de
communisten
en
beroepsmisdadigers
die daar
voor
moord
zaten en
die
vooral
tijdens
hun
kampleven
er nog
heel wat
doodgeranseld
hebben.
En waar
ze vaak
door hun
gedrag
hun
leven
weer aan
te
danken
hadden.
Dit
soort
waren
dan ook
onze
Blok
leiders
die ons
het
leven in
de
barakken
soms
danig
lastig
maakten,
alhoewel
ze later
aardig
bij
draaiden
toen ze
zagen
dat de
Duitse
oorlogskansen
er niet
beter op
werden.
Onze
kampcommandant,
Smylevsky,
een
Hauptsturmführer,
hadden
we nog
niet
eens zo
heel
veel
last
van, ’t
was niet
een best
persoon
maar hij
had veel
meer
belang
bij zijn
eigen
“pretjes”.
Zo nu en
dan kwam
er een
houten
bok op
de
appèlplaats,
dan
werden
een
aantal
uitgeroepen
die wat
op hun
geweten
hadden
en met
een zeer
buigzaam
leren
ztok
werd er
op
onmenselijke
manier
geranseld,
een
obersharführer
(Etlingen)
was daar
een
meester
in, wat
luider
er
gekermd
werd wat
meer de
commandant
met zijn
staf
genoot.
Doch na
enige
tijd
maakten
ze het
zo bont
door hun
liederlijk
leven,
om maar
wat te
noemen,
door ’s
nachts
in
gevangenenkleren
de Joden
vrouwen
met een
bezoek
te
vereren,
toen is
de
commandant
met zijn
aanhang
naar
Berlijn
opgeroepen.
Later in
Dachau
zagen we
hen doch
niet
meer met
hun rang
en
tekens
op de
kraag
doch als
gevangenen
(dit
waren de
zgn
Gevallen
Engelen).
Toen
kwam er
een
andere
commandant
(Grünewald)
en dat
was ook
vooral
niet een
beste,
toen
moesten
we
werken.
Want als
mens het
niet
verwachte
dook hij
plotseling
op en
zijn
straffen
waren
niet
mals.
Zondag
’s
morgens
was het
stenen
sjouwen
en dat
was niet
best
alhoewel
er joden
bij
waren en
die
waren er
in de
regel
genoeg,
nou dan
hadden
we nog
niet te
klagen.
Soms
werd er
ook wel
eens een
jood
doodgeschoten
op het
werk die
niet
meer
kon. De
reden
was dan
“werkweigering”.
Ook
richtte
hij een
zogenaamds
strafbarak
op als
strafblok.
Die daar
inkwamen
kregen
verzwaring
van
straf,
ook ik
ben daar
een
maand of
5 in
geweest,
met alle
zwaar
gestraften.
Het
volgende
werd
hier
o.a.
verboden,
geen
levensmiddelenpakketten
ontvangen,
minder
eten,
niet
roken,
extra
zwaar
werk,
niet in
contact
met
ander
gevangenen
en
zondags
de
gehele
dag
werken.
Doch ook
deze
commandant
werd
gearresteerd
en
volgens
de
geruchten
doodgeschoten.
Hij had
een
aantal
vrouwen
in 2
kleine
cellen
in de
gevangenis
opgesloten
voor een
nacht.
De
deuren
moesten
worden
dichtgetrapt
anders
konden
ze er
niet in.
4.
De
andere
morgen
waren
sommigen
gestikt,
bewusteloos
of
krankzinnig.
Hij zou
het
feitelijk
stil
houden,
maar de
lager
arts,
ook een
Duitse,
dat een
goed
mens
was,
dacht er
anders
over.
Maar na
verloop
van tijd
werd het
beter
voor het
strafcommando.
We
moesten
toen
werken
op een
plaats
achter
in het
kamp
waar
neergeschoten
Amerikaanse
en
Engelse
vliegtuigen
gesloopt
werden.
Dit was
best uit
te
houden
en ook
wel
interessant.
We
stonden
onder
toezicht
van de
“Luftwaffe”en
die
waren
niet
ongeschikt,
daar
hadden
we het
best uit
kunnen
houden
tot het
einde
van de
oorlog.
Maar zo
was het
niet. Op
de
morgen
van 25
mei 1944
werd
plotseling
de
appèlplaats
afgezet
met
zwaar
bewapende
SS-ers,
700 tot
800
nummers
uitgeroepen
om
vervolgens
in
beestenwagens
gebracht
en in
Duitsland
ingevoerd.
Waarheen
vroegen
we
elkander
af.
Niemand
wist het
antwoord
en veel
hoop
hadden
we niet,
daar we
al heel
wat van
de
Duitse
kampen
gehoord
hadden,
wat niet
veel
goeds
was.
Een
oude
communist
uit
Rotterdam
zei: “Ik
ben bang
dat we
naar
Natzweler
gaan,
daar
ergens
in de
Elzas”.
Daar
waren
ook twee
van zijn
jongens
heen
gestuurd
en nooit
weer
iets van
gehoord.
Dit was
een zgn.
“Nacht
und
Nebell
kamp”,
met
andere
woorden,
een
vernietigingslager
met
steengroeven.
Dit was
niet zo
opbeurend,
want wij
hadden
genoeg
van die
verhalen
gehoord
en we
gingen
ook
eerst
aardig
die
richting
uit.
Maar na
ongeveer
een
nacht en
een dag
gespoord
te
hebben
stonden
we voor
de poort
van
Dachau.
Daar
aangekomen
te zijn,
het was
inmiddels
al
donker
geworden,
moesten
we eerst
een poos
buiten
het kamp
wachten.
Maar om
een uur
of tien
gingen
we het
kamp
binnen.
Toen
werden
de
nummers
uitgeroepen.
Maar
toen dat
niet
vlug
genoeg
ging,
wat
eigenlijk
de
schuld
was van
de
gevangenen,
want die
hadden
in het
geheel
geen
haast,
werd er
iemand
om een
stok
gestuurd
en aan
de
rapportführer
overhandigd.
Nou toen
kwamen
ze wel
en toch
was deze
Duitser
lang de
slechtste
niet,
want de
volgende
dag
zagen we
hem weer
en toen
was hij
niet
onvriendelijk
tegen
ons.
Daarna
mochten
we
slapen
in het
badhuis
zomaar
op de
cementen
vloer.
De
andere
dag
kregen
we
andere
kleren
en
gingen
we naar
een
“quarantaine
barak“.
Hierin
was
ruimte
voor 400
man,
doch ze
stopten
er 1000
in. Met
slapen
lagen we
om en
om,
zodat we
met het
gezicht
tegen de
ander
zijn
tenen
lagen.
5.
Toen
hebben
we vaak
gedacht
hoe goed
we het
destijds
thuis
wel
hadden.
Overdag
liepen
we
tussen 2
barakken
in, het
straatje
was
ongeveer
200
meter
lang en
5 meter
breed,
dus niet
veel
“lebensraum”voor
zo’n
1000
man. Na
3 weken
gingen
we naar
één der
vrije
blokken
en
mochten
we in
het kamp
waar het
vrij
rustig
toe
ging.
Het eten
hoewel
niet
genoeg,
was veel
beter en
smakelijker
dan in
Vught.
’s
Zondags
in het
bijzonder.
Maar
lang
zijn we
hier
toen
niet
meer
gebleven.
Toen
werden
we
gesorteerd
en naar
een
buitenlager
gestuurd
ongeveer
8 km.
van
Dachau,
Allach
genoemd.
Voor die
tijd
werd ons
afgenomen
wat we
volgens
hun niet
mochten
bezitten.
ik had
een
Nieuw
Testament,
dat ik
overal
nog mee
had
kunnen
smokkelen,
maar
hier was
dat niet
mogelijk.
Een
Duitse
officier
nam het
me af
met de
belofte
als ik
weer
vrij
kwam,
kreeg ik
dat
terug,
en
warempel,
na ik
weer een
paar
maanden
thuis
was,
werd het
me
vanuit
Dachau
toegestuurd.
De
aankomst
in
Allach
ging
weer met
de stok
gepaard,
alhoewel,
het
maakt
wel
verschil
wat voor
nationaliteit
je was,
de
Russen
hadden
het
harder
te
verduren
dan wij.
Reeds de
volgende
dag
maakte
ik mijn
eerste
vliegtuigbombardement
mee,
bestemd
voor de
BMW
fabriek,
waar
vliegtuigmotoren
werden
gemaakt.
De
andere
dag
moesten
we
helpen
om bij
de
getroffen
keuken
van de
fabriek
opruimingswerk
te
verrichten.
Het kon
slechter,
want
hier
viel nog
wel iets
af dat
we best
konden
gebruiken,
daar we
de
laatste
tijd
niet
waren
verwend
wat de
kost
betrof.
Maar dit
was maar
voor één
dag en
toen
moesten
we naar
de
fabriek.
veel
hoefden
we eerst
niet te
doen.
Maar de
tijd
viel
verschrikkelijk
lang.
Vaak
hadden
we last
van
bombardementen,
dan
lagen we
in het
open
veld
midden
in een
regen
van
granaatscherven.
Maar ook
hier
zijn we
niet zo
heel
lang
geweest,
want de
Duitsers
zagen
wel dat
er zo
ook niet
veel van
hun
machines
over
bleef,
zodat ze
alles op
treinen
zetten
en naar
Elzas-Lotharingen
stuurden,
waar een
tunnel
was door
de
Vogezen.
Daarin
werd
alles
opgesteld.
ook ik
moest
met
enige
honderden
daarheen.
Het was
jammer
dat het
onder
deze
omstandigheden
was,
maar we
reisden
met een
elektrische
trein en
vooral
door het
Zwarte
Woud was
het in
een
woord
schitterend.
We
kwamen
’s
morgens
in
Straatsburg
aan,
daarna
nog een
half uur
sporen
en
kwamen
we in
het
stadje
Markirch
aan en
werden
we
ondergebracht
in een
oud
afgedankt
weeffabriek
waar we
met een
1000 man
verbleven.
Hier was
de
bewaking
niet zo
slecht,
de
commandant
van de
Luftwaffe
was niet
ongeschikt
en gaf
helemaal
geen
last.
6.
De
minste
daar was
een
Duitse
gevangene,
een
beroepsmisdadiger,
die dan
ook de
lageroudste
was. Die
moest
altijd
slaan en
commanderen
zonder
redenen.
Ik heb
het
gezien
dat soms
gevangenen
in
bescherming
werden
genomen
door de
“rapportführer,
die een
Duitse
SS-er
was.
Emil
heette
die
lageroudste.
Hij is
later
ontsnapt,
anders
had hij
het aan
het eind
van de
oorlog
ook
gekregen.
Ook een
Hollandse
gevangene
heeft
zich ook
niet zo
best
gedragen,
zijn
naam was
Niks.
Die naam
deed hij
ook alle
eer aan.
Wij
moesten
hier
werken
in de 1
½ km
tunnel,
aan de
ene kant
reed een
trein,
terwijl
daarnaast
de
draaibanken
stonden
om
onderdelen
voor de
vliegtuigmotoren
te
maken.
Dat was
tenminste
de
bedoeling.
Maar als
ergens
werd
gesaboteerd
dan is
het daar
geweest.
Werken
werd er
praktisch
niet
gedaan
en
toezicht
was er
weinig,
gevaar
was er
feitelijk
ook
niet. Op
beide
einden
van de
tunnel
stonden
wachtposten.
De
Russen
waren
nog het
ijverigst,
die
maakten
stiekum
ringen
e.d.
artikelen
van het
chroomstaal
waar de
Duitsers
zo erg
zuinig
op
waren.
Deze
dingen
verkochten
ze weer
voor
sigaretten
en brood
aan de
civiele
arbeiders
die daar
werkten.
Ook
waren
daar
Hollandse
arbeiders
die daar
tewerk
gesteld
waren.
Daar
hebben
we heel
wat aan
gehad.
Ze gaven
ons
geregeld
brood en
ander
eten dat
ze uit
hun kamp
meenamen.
Nou dat
kwam ons
heel wel
van pas.
En ook
andere
buitenlandse
arbeiders
deden
hun best
voor
ons. We
kwamen
in
aanraking
o.a. met
een
Griek,
iemand
van
Kreta en
ook een
Armeniër
die daar
bij
Perzië
vandaan
kwam. In
dit
geval
deed de
Duitse
taal
wonderen.
Dus
vielen
de dagen
ons niet
zwaar.
’s
Zondags
was het
erger,
dan
moesten
we vaak
stenen
sjouwen
buiten
de
tunnel
dan
natuurlijk
in een
behoorlijke
warmte
dan was
het
vloeken
slaan en
trappen
en het
waren in
de regel
gevangenen,
veelal
Polen,
die dat
deden.
Jammer
dat de
omstandigheden
zo waren
want de
Elzas
met zijn
woeste
Vogezen
gebergte
is
schitterend
mooi.
Een keer
op een
morgen
heb ik
hier ook
een
terechtstelling
meegemaakt.
Een
Ciciliaan
die
gevlucht
was en
weer
gepakt,
werd in
front
voor
iedereen
opgehangen,
want
vluchten
uit en
kamp in
Duitsland
betekende
de
strop.
Eerst
moesten
we er
met een
boog
omheen
staan
terwijl
de
Gestapo
zijn
werk
deed.
Daarna
moesten
we bij
het lijk
langs
lopen,
dit was
voor
afschrik.
We
hadden
medelijden
met het
slachtoffer,
maar
veel
indruk
maakte
het
niet. We
hadden
zo
langzamerhand
al
aardig
wat
meegemaakt.
7.
Intussen
waren we
verhuisd
naar een
ander
kamp,
dichter
bij de
tunnel
zgn
“hondehokkenlager”
want de
barakken
waren
net
hondehokken.
Ruimte
was er
niet .
Aan de
ene kant
wat stro
om te
slapen
en aan
de
andere
kant
konden
we staan
of
zitten.
Stoelen
en
tafels
waren er
niet in.
De
toestand
was
bijzonder
slecht
daar.
Vooral
zondagsnachts
dan
waren de
dag en
nachtploeg
bijelkaar
en dan
was het
een
gevecht
van je
welste
om
onderdak
te
krijgen.
Vooral
de
Russen
die
gooiden
je er zo
uit.
Eindelijk
kwamen
de
Amerikanen
zo dicht
bij
zodat
wij ’s
nachts
het
schieten
konden
horen.
Volgens
de
geruchten
was
Straatsburg
al
gevallen
dus
waren we
afgesloten.
Maar dat
was niet
waar, en
misschien
maar
goed
ook,
want ze
hadden
ons toen
vast
niet
levend
in de
handen
der
Amerikanen
laten
vallen.
En we
hebben
ook
later
gehoord
dat ons
kamp
finaal
kapot is
geschoten.
Plotseling
werden
we weer
op
transport
gesteld
en
werden
we in
een
goederentrein
gepakt
en
Duitsland
weer
ingereden.
Drie
dagen en
nachten
duurde
deze
reis.
Onze
reiskost
bestond
uit
droog
brood en
vlees,
Maar
wegens
gebrek
aan
drinkwater
konden
we het
niet
naar
binnen
krijgen.
Slapen
kwam ook
niets
van want
we
konden
amper
zitten
laat
staan
liggen.
Doodmoe
en
uitgeput
kwamen
we
eindelijk
in
Allach
bij
Dachau
aan. Dit
was op 3
oktober
1944.
Daar
aangekomen
hadden
we geen
kans om
wat
water te
drinken,
maar
gelukkig
werden
we het
badhuis
ingedreven.
We
kregen
een koud
bad,
maar
niemand
voelde
het. We
dronken
alsof
het
leven er
van
afhing
toen het
water
van
boven
kwam.
De
eerste
vier
weken
hoefden
we niets
te doen
alleen
zo nu en
dan wat
sport
maken
voor de
een of
andere
SS-er
hardlopen,
over de
natte
grond
kruipen
of iets
dergelijks.
Daarna
heb ik
een tijd
gewerkt
bij de
bouw van
de
Bunkerhallen
waar
geheime
wapens
werden
gemaakt.
De muren
daarvan
waren 3
meter
dik van
cement
en het
dak 6
meter
met veel
staal in
de
cement.
Dit
moest
bomvrij
zijn.
We
moesten
’s
avonds 6
tot ’s
morgens
6 in de
cement
werken
in de
koude
novemberstormen,
regen en
soms
sneeuw.
Luchtalarm
was
altijd
een
welkome
verrassing
want dan
moesten
de
lichten
uit en
mochten
we naar
binnen.
Doodmoe,
koud en
uitgehongerd
kwamen
we ’s
morgens
weer in
het kamp
aan.
Deze
fabriek
was
berucht
vanwege
het
aantal
doden
die er
gevallen
zijn
tijdens
de bouw
daarvan.
Daarna
werden
we in
het eind
van
november
weer op
transport
gesteld.
Naar een
stadje
Trostberg
gelegen
in
Salsburg
vlakbij
de
Oostenrijkse
grens.
8.
Hier
hebben
we een
verschrikkelijke
winter
meegemaakt.
Niet dat
de
bewaking
nog zo
slecht
was,
geslagen
werd er
praktische
niet,
maar het
was de
koude en
de
honger
die er
werd
geleden.
Kleren
en
schoenen
waren
hopeloos.
Papier
was hier
een
kostbaar
ding,
dat werd
bij de
kleren
ingeduwd.
Het was
daar
bergachtig.
Het
vroor
soms van
20 tot
25
graden.
Het
waren
hier
feitelijk
alleen
jonge
mensen
tot een
jaar f
30,
enkele
oudere,
maar
boven de
40 jaar
zouden
hier
niet
veel
kunnen
leven.
Veel
zijn
hier
echter
niet
gestorven.
Dan
waren ze
voor die
tijd wel
naar
Dachau
teruggestuurd.
Vaak om
daar te
sterven.
Wat ook
niet
aangenaam
was was
dat de
onder de
luizen
zaten,
want
schone
kleren
kregen
we
nooit.
Kerstfeest
1944
hebben
we als
Holanders
met
elkaar
gevierd
te
midden
van al
die
ellende.
We
hoefden
een paar
dagen
niet te
werken
en het
eten was
toen ook
goed.
Alleen
veel te
weinig.
Ook heb
ik een
tijd
alleen
tussen
de
buitenlanders
gezeten.
Meest
tussen
de
Russen
en dat
was niet
best.
Toen ben
ik de
wanhoop
weleens
nabij
geweest.
Maar dat
kon ook
niet,
want ik
moest
hier
weer
levend
vandaan
komen.
Daarna
werd ik
voor 3
weken
opgenomen
in de
ziekenbarak
vanwege
een
abces
dat ik
had
opgelopen.
Hierin
moest ik
Gods
leiding
ook weer
zien.
Want
deze
tijd
heeft me
voor
heel wat
ellende
bewaard.
Daarna,
begin
maart,
gingen
we weer
op
transport
naar
Allach.
Hier
aangekomen
werden
we
ingedeeld
bij het
opruimingswerk
in
München.
’s
Morgens
5 uur
vertrokken
we met
de trein
uit het
kamp. ’s
Avonds
om 9 uur
kwamen
we weer
terug.
Maar ook
wel eens
later.
Ook wel
eens
middernacht,
vooral
als we
veel
vliegeralarm
meemaakten.
Daarna
zag ik
de kans
om een
week
vrij van
werken
te
komen.
Later
kwam ik
bij de
zgn.
Moorexpres.
Dit was
een
grote
wagen
die door
25
gevangenen
werd
getrokken
waar
vracht
voor het
kamp mee
werd
gehaald.
Meest
uit
Dachau.
De
afstand
was een
km. of
8. Dus
16 heen
en
terug.
’s
Morgens
vertrokken
we en ’s
avonds
om een
uur of 4
waren we
terug.
Dan
kregen
we voor
het
eerst
eten. ¾
liter
aardappelensoep
en een
klein
stuk
brood.
Het was
feitelijk
niet
genoeg
om er
van in
het
leven te
blijven,
laat
staan om
er op te
werken.
Eens
werden
we naar
het
station
gestuurd.
Het
heette
om een
wagen
vol
wortels
te halen
waar
natuurlijk
wel
animo
voor
was.
Toen we
aankwamen
bleken
het
lijken
te zijn
afkomstig
van een
Jodentransport
uit
Oraniënberg
bij
Sachsenhausen
die
waren 3
weken in
de trein
geweest.
9.
Eerst
kwamen
de doden
in de
wagen en
daar de
zieken
bovenop
en die
nog
lopen
konden
daar
weer
achteraan.
De
andere
morgen
zou dat
weer
gebeuren
maar ik
zag kans
om me
aan
sluiten
bij een
ploeg
die op
de
tuinderij
werkte
waar het
niet
slecht
was.
De
commando-führer,
een
SS-er,
was de
kwaadste
niet en
zag veel
door de
vingers.
Vaak was
er
luchtalarm
en
volgden
er
duikvliegers
die
kwistig
met
mitrailleurkogels
omgingen.
daar
waren de
Duitsers
vaak
banger
voor dan
wij. We
lagen
tenminste
rustig
onder de
bomen.
Het weer
was
inmiddels
ook
beter
geworden.
De
schildwachten
der SS
waren
vervangen
door
oudere
weermachtsoldaten
en die
gaven
helemaal
geen
last. Ik
heb ook
wel eens
sigaretten
met hen
geruild
tegen
brood,
er was
ook wel
een één
die me
zo een
stuk
brood
gaf. Dit
waren
natuurlijk
de
wachtposten
op het
werk.
Het kamp
was nog
volledig
onder de
leiding
van de
SS.
Overdag
voelden
we ons
niet
zozeer
gevangenen
meer.
Maar ’s
avonds
moesten
we weer
naar het
kamp
waar de
ellende
ons weer
toegrijnsde.
Waar ook
vlektyfus
heerste.
Ook al
door het
slechte
eten en
ongedierte.
Wat ook
nog mooi
was op
het werk
dat we
van de
mensen
die de
tuinderij
in
eigendom
hadden
extra
eten
kregen
wat
geweldig
van pas
kwam.
Doch het
was toen
zo, wat
we ook
kregen
het was
nooit
genoeg.
Intussen
wachten
we
altijd
nog op
de
bevrijding,
doch hoe
lang
nog. we
wisten
wel dat
het goed
ging,
maar dat
dat nog
eens zou
gebeuren
leek ons
bijna
onmogelijk.
En dat
scheen
zeker
een
gewoon
verschijnsel
te zijn,
want ik
heb veel
boeken
gelezen
van
andere
gevangenen
die er
net zo
over
hebben
gedacht.
We waren
al zo
lang
verdrukt
en
vertrapt
en een
nummer
geweest,
zodat je
dacht
dat het
misschien
altijd
weleens
zo kon
blijven.
Er waren
genoeg
Duitse
gevangenen
die al
een jaar
op
twaalf
hadden
gezeten.
Eén
zelfs 20
jaar,
Noah
genaamd,
maar dat
was een
misdadiger.
En als
het al
eens
zover
kwam,
wat zou
de SS
dan
doen. Ze
waren
best in
staat om
op het
laatste
moment
de
mitrailleurs
op ons
te
zetten.
Doch
steeds
kwamen
de
Amerikanen
nader.
Toen ze
bij
Augsburg
was, zo
‘n 85
km. van
ons
vandaan,
konden
we het
geschut
horen.
Toen
plotseling
mochten
we niet
meer
uitrukken
om
buiten
het kamp
te
werken.
Later
hoorden
we dat
er
bericht
was
gekomen
in
Dachau
dat niet
één
gevangene
levend
in de
handen
der
Amerikanen
moacht
vallen,
dat
gelukkig
gesaboteerd
is. Toen
de
Amerikanen
in
Dachau
kwamen
gaf de
commandant
de brief
van
Himmler,
waar dat
bericht
in
stond,
over aan
de
Amerikaanse
commandant.
10.
Doch
hebben
we
inderdaad
klaar
gestaan
om op
transport
te
worden
gesteld.
er waren
SS-ers
bij en
heus
niet van
die
besten.
Echt,
degenen
die tot
alles in
staat
waren
met
machtige
geweren
en
honden.
We waren
klaar om
weg en
ik denk
dat er
bericht
uit
Dachau
is
gekomen,
wan in
enen was
het “in
de
barakken,
mars,
mars”.
Plotseling
om een
uur of
10 die
avond
werden
we
opgeschrikt
door het
bevel
dat alle
Duitse
en
Russische
gevangenen
direct
moesten
aantreden
voor
transport.
Velen
zijn
toen
gegaan.
Maar ook
velen
zijn in
het kamp
ondergedoken.
Met
elkaar
zijn uit
Allach
en
Dachau
6500
gegaan.
Later
hoorden
we van
een die
terug
kwam dat
er die
nacht
3000
waren
neergeschoten
in een
bos. De
rest
wist te
ontsnappen.
Dit had
ons deel
ook
kunnen
zijn. Ik
heb
gehoord
dat de
reden
was dat
ze deze
gevangenen
uitkozen
omdat
Duitsland
en
Rusland
niet lid
waren
van het
Internationale
Rode
Kruis en
misschien
waren ze
ook wel
wat
banger
van deze
gevangenen.
En van
hun kant
bekeken
misschien
ook wel
een
beetje
met
recht,
doch
verschrikkelijk
was het.
Vrijdagmorgen
27 april
hadden
we appèl.
Vele van
de
Russen
die in
het kamp
waren
gebleven
hadden
in
plaats
van een
R een F
voor hun
nummer,
dan
konden
ze nog
voor een
Fransman
er op
door en
het
werkte
ook nog.
De
Duitsers
hadden
het niet
in de
gaten.
’s
Middags
werden
we
schift
en
werden
alle
nationaliteiten
afzonderlijk
in de
barakken
ingedeeld.
’s
Avonds
was er
weer
appèl om
een uur
of 5.
Doch
toen er
een
regenbui
kwam,
liepen
we
allemaal
van de
appèlplaats
weg en
ook de
SS-ers
liepen
weg. Om
een uur
of 11
werden
we
gewekt
en werd
bekend
gemaakt
dat de
hele SS
was
gevlucht
en dat
binnen
enkele
uren de
Amerikanen
verwacht
konden
worden.
Doch de
andere
morgen
waren ze
er
evenwel
niet en
het werd
zo
langzamerhand
wel een
benauwde
boel wat
eten
betrof.
Vooral
voor de
Hollanders.
De
Fransen
en de
Belgen
kregen
volop
levensmiddelenpakketten
en ook
die van
andere
landen
wel.
Behalve
dan de
Russen
natuurlijk,
maar die
kregen
wel van
de
Fransen
omdat ze
het
anders
toch wel
stalen.
Van de
Belgen
hadden
we
evenwel
al een
keer een
pakket
van 15
pond
gehad.
Deze
pakketten
werden
door het
Rode
Kruis
van deze
landen
geregeld.
De
plannen
zijn er
wl
geweest
voor de
Hollanders,
maar
niet
uitgevoerd.
11.
Zaterdags
gebeurde
er niets
en
zondags
niets.
De
spanning
steeg
behoorlijk.
in de
verte
daar om
Dachau
heen,
terwijl
we op
het dak
van een
barak
stonden,
konden
we
branden
waarnemen.
Daar
werd
gevochten.
We
konden
niet uit
het kamp
komen,
want
nadat de
SS
vertrokken
waren
stonden
er nog 8
soldaten
van de
weermacht
op de
torens
rond het
kamp.
Doch
deze
werden
door een
stuk of
wat
vooraanstaande
gevangenen
ontwapend
en naar
huis
gestuurd.
Die
gevangenen
namen de
bewaking
over,
wat maar
goed was
anders
was er
wanorde
gekomen.
Die
zondagavond
beleefden
we nog
angstige
ogenblikken.
De
Duitsers
waren
teruggekeerd
bij het
afweergeschut
en
beschoten
de
Amerikanen
die
inmiddels
Dachau
hadden
bevrijd
en
onderweg
waren om
ons te
bevrijden.
Maar
daar die
er niet
voor
voelden
om zich
door de
Duits
“Flak”kapot
te laten
schieten
waren
deze
weer
terug
gekeerd.
De
andere
morgen
waren de
Duitsers
voorgoed
vertrokken
en om 12
uur
maandag
30 april
kwamen
de
pantsers
en jeeps
van de
Amerikanen
aanrollen.
Of ze
met
gejuich
werden
ingehaald
laat
zich
natuurlijk
indenken.
Eindelijk
de lang
begeerde
vrijheid.
De
Amerikaanse
commandant,
een
farmer
uit het
gebied
der
Ohio-rivier,
wordt op
de
schouders
gedragen.
We
mochten
evenwel
niet
buiten
het kamp
komen.
Wie het
al
probeerde
had kans
dat hij
door
Amerikaanse
posten
werd
neer
geschoten.
Maar ja,
orde
moest er
zijn.
Het werd
natuurlijk
vooral
wat eten
betrof
direct
beter.
Alhoewel
er na de
bevrijding
nog heel
wat
gestorven
zijn aan
tyfus en
de
geleden
ontberingen.
Direct
na de
bevrijding
ben ik
zelf ook
nog
behoorlijk
ziek
geweest,
maar ben
er
gelukkig
door
heen
gekomen.
Zo nu en
dan
hadden
we wat
afwisseling
als er
weer een
truck
vol
gevangen
SS-ers
werd
binnengebracht,
en in de
zgn.
bunker
werd
gestopt.
Ook onze
ex-kampcommandant,
Jarlin,
was
gevlucht,
doch een
dag of
wat
later
gepakt
en werd
op de
motorkap
van een
jeep bij
het kamp
langsgereden.
Onder
luid
gejuich
van de
gevangenen.
En
vervolgens
naar
Dachau
vervoerd,
werd hij
tewerk
gesteld
om mee
lijken
op te
ruimen.
Maar het
wachten
in het
kamp
werd
tenslotte
vervelend,
doch
eindelijk
op 24
mei brak
de dag
aan dat
100
Hollanders
met 3
van de
Duitse
georganiseerde
bussen
het kamp
verlieten.
5 dage
duurde
deze
reis en
met veel
belevenissen
en
avonturen
bereikten
we na
ook voor
ons weer
een
prachtige
reis de
Hollandse
grens.
Hier
aangekomen
werden
we
opgevangen
in
R.K-ziekenhuis,
waar we
op een
geweldige
maaltijd
werden
onthaald.
Vandaar
gingen
we naar
Eindhoven
waar we
een paar
dagen in
het
Veemgebouw
vertoefden,
vanwaar
we toen
naar
huis
gingen.
Nu is
het
beurt
aan
degenen
die
zoveel
leed
veroorzaakt
hebben
om hun
straf te
ondergaan.
Maar het
ligt
niet op
onze weg
om
wraakgevoelens
te
koesteren.
God zal
hen
straffen.
Gerrit
de Boer.
Bron:
www.oudega-wymb.nl
Jouke de Boer, (Student in
veeartsenijkunde) (zoon
van het hoofd van de Landbouwschool
in Sneek),
geboren op 26 augustus 1922 te
Rinsumageest,
overleden op 10-04-1945
in
het Concentratiekamp Sachsenhausen
te Oranienburg.
Jelle Boersma, (veehouder in
Karlijk) geboren op 17 februari 1910
te Oosterzee, overleden op 17-3-1945
te Doniaga.
Zijn
boerderij lag in de buurt van het
afwerpterrein van geallieerde wapens
en munitie in het Katlijker Schar (Elke
afwerpplek had een eigen code. Zo
luidde de slagzin voor het Ketliker
Skar 'De worm heeft rode haren'.
Wanneer verzetsmensen deze code voor
de Belgische uitzending van de BBC
hadden gehoord, konden zij 's nachts
een dropping verwachten. De wapens
werden ondergebracht in de hier
vlakbij gelegen boerderij 'Moskou'
van de familie Lykle Mulder en van
daaruit gedistribueerd.
Boersma
hoorde bij de ontvangstploeg, die na
de dropping de wapens distribueerde)Verschillende
containers gingen naar de Knokploeg
Echtenerbrug, waar op 3 januari 1945
arrestaties volgden. Op 23 januari
arresteerde de Sicherheitsdienst
Boersma in Katlijk. De gevangenen
werden naar Crackstate in Heerenveen
gebracht, waar ze zwaar werden
verhoord. Op 17 maart 1945 werd
Boersma samen met negen andere
gevangenen in Doniaga gefusilleerd,
35
jaar oud.
Hij werd begraven op de Algemene
begraafplaats in Nieuwehorne.

De
gedenksteen in de boerderij van
Schotanus herinnert de inwoners van
Doniaga (gemeente Scharsterland) aan
de fusillade op 17 maart 1945 van
tien gevangenen uit de Heerenveense
gevangenis Crackstate.
De namen van de tien slachtoffers
luiden:
Roelof
Knol, 22 jaar. uit Meppel.
Wiepke Hof, 28 jaar, uit
Echtenerbrug.
Yde Yntema, 43 jaar, uit Hemelum.
Siebe de Ruiter, 63 jaar, uit
Oudehaske.
Dirk de Ruiter zijn zoon, 23 jaar,
uit Oudehaske.
Albert Koopman, 28 jaar, uit Echten.
Jan Hornstra, 44 jaar, uit Wijkel.
Hotse Brouwer, 34 jaar, uit
Haskerhorne.
Thomas Kuurstra, 21 jaar, uit
Harlingen.
Jelle Boersma, 34 jaar, uit
Katlijk.
Doniaga,
gedenksteen in de boerderij van
Schotanus ...
Sij(y)bren Jan Boersma, geboren op 5
augustus 1920 te Hallum, overleden
op 21-07-1945 te Nijmegen.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog was
hij lid van de Nederlandse
Binnenlandse Strijdkrachten. Tijdens
het opstellen van een groepsfoto van
oud-leden van de Nederlandse
Binnenlandse Strijdkrachten in
Ferwerd ging een vuurwapen af,
waardoor Boersma ernstig werd
verwond. Hij stierf in het
ziekenhuis van Nijmegen op 21 juli
1945 en werd begraven op de N.H.
begraafplaats in Hallum.
Willem Boeijenga, (bakker)
geboren op 25 september 1909 te
Lollum, overleden op 08-08-1944 te
Gauw.
Boeijenga was lid van de Landelijke
Organisatie voor hulp aan
Onderduikers Wymbritseradeel. Hij
werd op 8 augustus 1944 gearresteerd
voor het huisvesten van een Joodse
vrouw Suze (door verraad van Pieter
Bergsma, de veldwachterconciërge van
het Akkrumer gemeentehuis) Hij is
meteen na zijn arrestatie
gefusilleerd. Suze werd naar een
concentratiekamp gedeporteerd.
Willem ligt begraven op de N.H.
begraafplaats bij de kerk in Gauw.

Oorlogsmonumenten.
Jan
Bokma, (boekhouder) geboren op 11
maart 1924 te Grouw, overleden op
12-11-1944 te Husum-Schwesing,
Neuengamme
Hij
werd gearresteerd in de trein tussen
Meppel en Zwolle, toen hij als
boekhouder van een Meppeler
bouwonderneming op weg was naar
Wezep om de lonen uit te betalen aan
de daar werkzame arbeiders. Hoewel
hij een persoonsbewijs kon tonen dat
in orde was, werd Bokma toch naar
kamp Ommen gebracht. Via kamp
Amersfoort kwam hij terecht in het
concentratiekamp Neuengamme, waar
hij ten gevolge van ontberingen op
12 november 1944 is overleden. Bokma
werd begraven op Ereveld Loenen.

Ereveld Loenen.

Gedenkplaats Neuengamme.
Het
gedenkteken te Neuengamme kan nu
20.400 mensen met een naam aangeven.
Met zekerheid kan worden afgeleid
dat 42.900 gevangenen Neuengamme
niet overleefden.
Johannes Martinus Boleij, (Ambt.
belastingen)
geboren op
15 januari1914
te Duisburg, overleden op 22-04-1945
te Buchenwald.
Johannes Martinus Boleij werd
geboren op 15 januari 1914 in
Duisburg (Duitsland). Hij werd via
kamp Amersfoort naar het
concentratiekamp Buchenwald
gedeporteerd, waar hij op 22 april
1945 overleed.
De overval.
Jacobus Johannes Boomsma
(Kruidenier), geboren op 6 juli 1910
te Sondel, overleden op 06-11-1944
te Sneek.
Deed
aan Jodenhulp en bracht veel Joden
onder op de verschillende plaatsen.
Zijn verzetsnaam was Karel I. Op een
dag werd hij bijna gearresteerd door
een Duitser die in zijn winkel kwam
en zich afvroeg waarom hij zich niet
als krijgsgevangenen had gemeld. Een
snelle ingeving redde Boomsma en hij
verwees de Duitsers naar een niet
bestaand adres enkele honderden
meters verderop. Toen de woedende
Duitser terugkwam was Boomsma reeds
gevlucht. In de herfst van 1943
moest hij onderduiken wegens
verraad. Als ondergedoken
oud-militair en districtleider van
de Landelijke Organisatie voor hulp
aan Onderduikers in de Zuidwesthoek
van Friesland, wist Boomsma (onder
de schuilnaam 'Karel I') vele
onderduikers en joden onder te
brengen op schuiladressen in
Gaasterland.
Later werd hij vanwege
zijn goede leidinggevende
kwaliteiten en organisatorische
kwaliteiten districtleider van van
de LO in Sneek. Op maandagmorgen 6
november 1944 vervoegde hij zich tot
het huis van J. Volkers, dat op dat
moment door de SD was bezet. Toen
hij aan de Oosterkade in Sneek, waar
de centrale van de Knokploeg was
gevestigd, aanbelde, deed de
bezetter open. Toen die hem
sommeerde binnen te komen riep
Boomsma: 'Dat nooit!' en hij
vluchtte. Daarbij werd hij echter
geraakt door Duitse kogels en hij
overleed ter plekke. De Duitsers
bepaalde dat hij zonder kist
begraven moest worden, iets dat door
zijn vrienden werd voorkomen.
Zij
begroeven hem in een noodkist, die
enkele dagen daarna werd opgegraven
en werd vervangen door een echte
kist. Deze werd in het bijzijn van
zijn vrouw (Sietske Boomsma-Van
der Werff, die op maandag 6 november
1944 in hun winkel in Sondel de
papieren kreeg overhandigd van haar
man: Jacobus Johannes Boomsma, dat
hij was doodgeschoten door de
Duitsers) begraven. Op 12 juni
1945 werd deze kist onder zeer grote
belangstelling herbegraven op de
N.H. begraafplaats in Sondel. In dit
dorp werd tevens een straat naar hem
vernoemd, net als in de stad
Bolsward. Zijn zoon, die enkele
dagen na de bevrijding werd geboren,
kreeg de namen Jacobus Johannes
Karel, de doopnamen én de
verzetsnaam van zijn vader.

Jacobus Johannes Boomsma (roepnaam
Koos) uit Sondel was precies twee
jaar getrouwd, toen in 1939 weer
gemobiliseerd werd. Met de tijd van
zijn krijgsgevangenschap er bij, was
hij negen maanden uit de zaak – een
lelijke tegenvaller voor een
jongeman, al had hij een flinke
vrouw en toegewijd personeel. Maar
dat was niet de voornaamste reden
waarom hij in het verzet ging. Koos
was jong en sterk en kon geen
onrecht verdragen. Alles in hem
verzette zich tegen de Duitse
terreur en de jacht op Joden en
arbeidsslaven.
Als vanzelf begon hij
in 1942 joden onder te brengen en
van die tijd af raakte hij hoe
langer hoe dieper verzeild in het
illegale werk. Tot die treurige
maandagmorgen, 6 november 1944, toen
een Duitse kogel een einde maakte
aan zijn bruisende activiteiten. Hij
was toen 34 jaar oud en liet een
vrouw met drie kinderen achter. De
vierde werd 10 mei 1945 geboren en
kreeg de naam Jacobus Johannes
Karel. De laatste naam was Koos’
alias, waaronder hij in heel
Friesland bekend werd.
De winkel in Sondel was door zijn
vader opgewerkt en van alles wat in
een dorp nodig was werd er in
verkocht; kruidenierswaren,
manufacturen, brandstof,
drogisterijartikelen, fourage. De
fouragehandel was door een broer
overgenomen, de rest door Koos. De
handel zat de hele familie in het
bloed, de handel met z’n drukte,
geroep, beweging, praten,
organiseren en argumenteren. Maar
Koos was niet van plan om zijn leven
lang in de winkel te Sondel te
slijten; hij bekwaamde zich voor een
administratieve functie met
organisatorische kanten. Maar
ondertussen behartigde hij zijn zaak
goed, de zaak die voor een groot
deel de omzet haalde met uitbreng in
een wijd rayon. En daardoor kende
hij de gemeente Gaasterland als zijn
broekzak.
Dat
maakte hem zo geschikt voor het
illegale werk. Koos stak zijn afkeer
van de Duitsers niet onder stoelen
en banken, zodat hij door iedereen
vertrouwd werd als vaderlander. Toen
dan ook een jonge dominee uit
Holland plaats zocht voor een stel
joden, vroeg hij Koos. Het was in
1942 en het kwam spoedig klaar. Dit
was het begin, maar spoedig volgden
er meer. Sjouke van Joure was
begonnen met het afvoeren van joden,
eerst vooral kinderen, uit Holland.
Al spoedig hadden beide mannen een
warm contact tot heil van de
vervolgden. Een onderduiker uit de
omgeving van Sneek, ,,Homme”, was
een tijdje in Beverwijk geweest,
maar daar was het nog groter
heksenketel dan in Friesland. Hij
kwam terug en dook, tot het einde
van de oorlog, onder bij Koos.
Joden, die daar niet meer veilig
waren, kwamen naar Gaasterland en
werden vanuit Sondel verzorgd. En
natuurlijk waren er talloze andere
onderduikers, zoals Jan Schotanus
uit Oudemirdum, die geruild werd
tegen die uit andere plaatsen. Zij
allen moesten van bonkaarten en
andere papieren worden voorzien. Het
werd langzamerhand een heel bedrijf.
In
Sondel was een moffenkamp met
radarapparatuur enzovoort. De
Duitsers die zich daar ophielden,
waren tamelijk ongevaarlijk voor het
illegale werk. Zij wisten wel dat er
onderduikers waren en kenden zelfs
adressen, doch verraden deden ze
niets, zolang er geen sprake of
schijn was van militaire sabotage.
Maar onder de Nederlanders bleek wel
een verrader te zitten. Eind april
’43 moesten de Nederlandse
militairen zich weer in
krijgsgevangenschap begeven.
Gesteund door de meistaking dacht
Koos er niet aan om zich te melden.
Onderduiken vond hij ook onnodig –
alles leek hem veilig. Een half jaar
lang was dat ook het geval.
Maar op 5 november ’43 meldde zich
een Duitser in de winkel, die
vertelde opdracht te hebben de
voormalige sergeant J.J. Boomsma mee
te nemen naar De Lemmer – als
krijgsgevangene. Koos stond de man
zelf te woord en vertelde hem dat
hij zich vergiste. Er woonden veel
Boomsma’s in Sondel en de sergeant
die hij moest hebben woonde
vijfhonderd meter verderop. De
plaatsaanduiding was heel precies,
maar toen de mof daar kwam stond er
geen huis. Hij terug, maar
,,toevallig” was Koos toen net even
weg.
De Duitser, die overigens de
kwaadste niet leek, was woedend dat
hij bij de neus was genomen. Mevrouw
Boomsma keek heel onschuldig: nee,
zij wist niet waar haar man heen
gegaan was. Een knecht die
terugkwam, wist het evenmin. De
Duitser brieste en wilde mevrouw
meenemen toen het wachten hem
verveelde. Op dat moment kwam de
dokter, door Koos gewaarschuwd. De
Duitser liet mevrouw geen ogenblik
alleen, maar toch wist de dokter
haar toe te fluisteren: Ga een tijd
van huis. Dat wilde zij ook wel,
want haar zoontje moest geopereerd
worden. De dokter onderzocht het
opnieuw en wist de Duitser over te
halen mevrouw thuis te laten om het
zieke kind. Diezelfde avond nog
werden vrouw en kind naar Leeuwarden
gebracht, waar ze bleven tot het
volledige herstel van Piet.
Het was aan alle kanten duidelijk,
dat Koos verraden was. Een Duitser
zei tegen zijn vrouw: U zou er van
opkijken als u wist wie het
overbriefde, maar hij noemde geen
naam. De dader is nooit met
zekerheid bekend geworden, maar
vermoedelijk is het geen NSB-er
geweest.
Terwijl zijn vrouw met toegewijde
hulp de zaken voortzette, dook Koos
onder op een bevriend en veilig
adres in Sneek. Nu kon hij zich
helemaal wijden aan het illegale
werk en hij deed dat met inzet van
zijn volle, sterke persoonlijkheid.
Spoedig viel hij op om zijn
organisatievermogen en
leiderstalent.
Hij kwam precies op tijd. Juist toen
hij ingewerkt raakte, werd U.
Boonstra te Joure gearresteerd en
moest Sjouke duiken. Van een afstand
probeerde die het werk nog wat te
regelen, maar zijn voornaamste zorg
was opvolgers te vinden. Zijn
oomzegger kreeg de leiding van de KP
(Knokploeg) en die van de LO kwam
grotendeels op Koos’ brede schouders
terecht. Het ging, zoals het steeds
ging in de illegaliteit. Een
benoeming vond niet plaats; men werd
het, omdat men er geschikt voor
bevonden werd. Al spoedig werd hij
de leider van het district Sneek
genoemd, door de organisatie die
zich principieel tegen het
leidersbeginsel verzette.
Maar het leiderschap van Karel – zo
werd hij toen genoemd en later, toen
ook uit Drachten een Karel op het
provinciale toneel verscheen: Karel
1 - had ’n heel ander karakter dan
dat bij de NSB. Toen hij nog Koos
heette, had hij door zijn joviaal
gemoedelijk optreden zijn
medewerkers in de zaak aan zich
weten te binden en tot zelfstandig
optreden gestimuleerd.
In
zijn omspringen met de illegale
medewerkers deed hij hetzelfde. Men
herkende in hen de koopman, die met
goed getroffen woorden tot ,,zaken”
wist te komen. Nonchalant
gemoedelijk sprong hij met de mannen
om, sloeg de één joviaal op de rug,
beurde de ander met een stimulerende
opmerking op, maakte allen
enthousiast, en wist de overmoedige
op tijd ,,del te bêdzjen”. Maar de
teamgeest die hij op die wijze
bevorderde, zou hij nooit bereikt
hebben, wanneer hij niet
gelijkertijd telkens bereid was de
mannen bij te staan en te helpen in
moeilijke of gevaarlijke opdrachten.
Men wist dat men op Karel kon
rekenen en daarom werkte men zo hard
voor en met hem.
Zij
grootste talenten ontplooide Karel
als organisator van het district.
Tot dan toe was alles uit Joure met
de losse teugel geleid. Dat had in
het begin goede vruchten afgeworpen,
maar door de uitbreiding van het
werk tot een ,,bedrijf” moest er
meer organisatie geschapen worden.
Karel was er juist de man voor om
dit in te zien.
Het district Sneek omvatte 21
gemeenten. Die werden nu ingedeeld
in rayons, elk bestaande uit één of
meer grietenijen. Het rayonhoofd
onderhield de contacten met Sneek en
met de gemeentelijke en/of
plaatselijke contacten. Zoals elders
ook was er een nauw en hecht contact
met de KP-en die over het district
verspreid zaten. Koeriersters
onderhielden de verbindingen.
Uiteraard volbracht Karel dit niet
alleen. Hij was zo gelukkig een kern
van medewerkers bij zich te hebben,
die stuk voor stuk ook zelfstandig
konden opereren. In zeker opzicht
was dit goed ook, want vanuit Sneek
was alles beslist niet te dirigeren.
De grondslag van het verzet lag in
de plaatselijke medewerkers, die
terug moesten kunnen vallen op een
centrale, die de moeilijkheden uit
eigen ervaring kenden. Daarvoor
waren velen nodig die ieder hun
eigen bijdrage leverden aan het
geheel. Ze waren er, die felle
mannen serieus en consciëntieus, die
af en toe ook wat gemoedelijke
nonchalance van Karel ook
corrigeerden.
Het is de grote verdienste van Karel
geweest, dat hij al deze
uiteenlopende types die snel
reageerden en voortvarend handelden
tot een efficiënt werkend team wist
te vormen en te bewaren, gebaseerd
op goede persoonlijke verhoudingen.
De moed, die hij als het er op aan
kwam toonde en de opgewekte toon die
hij wiste te treffen, smeedde Sneek
aaneen tot een hecht en zeer
zelfstandig district.
Geen rancune.
Toen Karel in de schoenen van
Wiersma stapte, had men mogen
verwachten dat hij deze ook zou
opvolgen als lid van de provinciale
top. Hoewel Drachten dit voorstelde,
wensten de drie Leeuwarders een
ander systeem, namelijk het
instituut van reizende
,,inspecteurs” voor het onderhouden
met het contact met de
districtshoofden. Die "zware"
figuren behoefden dan niet elke week
naar Leeuwarden te reizen in ’t
steeds gevaarlijker wordende
Friesland. Bovendien was Karel nogal
opvallend door zijn lengte (bijna
twee meter).
Dit
systeem bracht niet wat men er van
verwachtte. De verhoudingen in de
illegaliteit werden hoofdzakelijk
bepaald door het persoonlijk
contact, waardoor men elkaars
persoonlijkheid en kundigheid leerde
kennen en waarderen. Waren die
voldoende, dan accepteerde men ook
het leiderschap. Dit contact ging nu
verloren en dit werd al een groot
bezwaar gevoeld, vooral in Sneek,
waar nieuwe mannen de leiding namen,
die de provinciale leiders
nauwelijks persoonlijk kenden.
Dit passeren van het grootste
district wekte bij deze mannen
ernstige ontstemming en spoorde hen
tot des te groter inspanning.
Langzaam maar zeker ontstond een
verwijdering. Dat voelde ook De Jong
uit Leeuwarden, toen die de leiding
van de Friese LO in augustus
overnam. Deze gaf zich veel moeite
om de oude vertrouwelijke
samenwerking te herstellen. In een
onderhoud dat hij met het district
voerde bleek, dat Karel geen rancune
voelde tegen Leeuwarden en kwam
spoedig tot overeen stemming: de
vertegenwoordigers van de districten
werden weer in de top opgenomen en
daaronder Karel.
Het kwaad was echter al geschied,
want spoedig kwamen andere leiders
uit het district met het bezwaar,
dat Karel teveel tegen Leeuwarden
aanleunde. Zij wensten eigen
voorzieningen, zoals op ’t gebied
van de falsificatie en financiën en
zetten dit door op een
voortreffelijke wijze. Maar deze
onderlinge verschillen van inzicht
deden geen afbreuk aan de goede
verhoudingen in het district. Karel
bleef de spil en voelde zich
verantwoordelijk voor al z’n
vrienden,medewerkers. En het was
juist de bezorgdheid over drie van
hem, die de aanleiding werd tot zijn
dood, zoals nu zal blijken.
In
Hennaarderadeel zat verraad, het kon
niet anders. Maar wie was de
verrader? Peter, Jaap en Gelf
besloten een onderzoek in te
stellen. De eerstgenoemde twee
hadden besloten hun wapens thuis te
laten en toen Gelf zijn pistool wel
bij zich gestoken had, werd hem
gevraagd dit ook in Bolsward achter
te laten. Hij stemde hiermee in,
maar vergat iets. En dat bracht
later de hele expeditie in gevaar.
In Hennaarderadeel opereerde in die
tijd een afdeling Duitse Zoll
(douane) die sterke steun kreeg van
de beruchte Mous, die door het
veemgericht ter dood werd
veroordeeld en in Dokkum
neergeschoten, en diens helper Van
Dijk. De Duitsers hadden hun
kwartier gemaakt in een café in
Wommels en daar waren ook hun
handlangers regelmatig bij hen.
Vermoed werd, dat daar de verrader
ook wel kwam. In ieder geval werden
afspraken gemaakt om toezicht te
houden en zo de aanbrenger te
ontmaskeren. Die nacht sliepen de
drie mannen in Spannum. Er waren in
die tijd telkens veel Duitsers in
actie, wellicht omdat zij een
vermoeden hadden omtrent
wapendroppings op Pankoeken onder
Witmarsum. Hoe dit zij, de volgende
morgen werden de illegale vrienden
alle drie in Wommels gearresteerd en
voor verhoor meegenomen.
Het was op dat moment dat twee
hunner zich realiseerden dat zij
zeer bezwarend materiaal bij zich
hadden. Peter had een brief
meegekregen voor een onderduiker en
twee persoonsbewijzen teveel op zak.
En Gelf schoot het te binnen, dat
hij wel zijn pistool, maar niet zijn
gevulde patroonhouder weggelegd had.
Die zat nog in een vakje in zijn
beurs……
Natuurlijk begonnen de Duitsers
meteen met ondervraging en
fouillering. Jaap kwam er goed af,
die had niets bij zich. Een tijdlang
ging het ook met Gelf goed, totdat
ze zijn beurs openmaakten. Hij stond
doodsangsten uit. Straks, dacht hij,
vinden ze wat ik door mijn
vergeetachtigheid bij mij gehouden
heb en dan is alles uit. Niet alleen
mijn eigen leven is dan verloren,
maar eveneens dat van mijn beide
vrienden.
En toen gebeurde het wonder. Terwijl
de onderzoeker van de beurs één
vakje daarvan had gecontroleerd,
werd hij door de commandant
weggeroepen. Hij deed met gewoonte
gebaar de beurs dicht en legde die
op tafel. Toen hij terug kwam zag
hij er niet meer in. Kennelijk
verkeerde hij in de veronderstelling
die al helemaal nagezien te
hebben…..
Peter had ondertussen kans gezien de
brief en de twee overige
persoonsbewijzen onder een
tafelkleedje te frommelen. Daardoor
leverde fouillering ook bij hem
niets op. Toen hij weer bij dat
tafeltje kwam, wist hij ze weer bij
zich te steken. De drie mannen
werden afgevoerd naar een cel op het
gemeentehuis, waar Peter meteen
begon met de bezwarende papieren op
te eten. Uiteraard kon Gelf niet zo
gemakkelijk van zijn belastend
materiaal afkomen. De mannen hadden
juist weer moed gegrepen, toen alles
opnieuw misliep. Een boerendochter,
bij wie Peter al eens een gezellige
zomeravond doorbracht, was getuige
geweest van diens wegleiding door de
Duitsers. Meteen herinnerde zij zich
de oude liefde en ze besloot hem in
de cel te verrassen. Ze maakte een
pakketje levensmiddelen klaar en
verzocht de bewaker dat af te geven
aan …..Havinga. dat was zijn
werkelijke naam, maar die was de
Duitsers onbekend. Vandaar dat zij
gevraagd werd even mee te komen!
Toen bij de cel Havinga geroepen
werd, verroerde Peter zich niet. Wel
schoten allerlei gedachten door hem
heen en hij vroeg zich af, wat de
Duitsers van Havinga wisten en hoe
ze achter zijn identiteit gekomen
waren. Lang behoefte hij niet te
wachten, want de boerendochter, die
inmiddels een vermoeden kreeg van
wat er speelde, werd geprest hem
ondanks haar tegenzin aan te wijzen.
En toen volgde een nieuw en
hardhandig verhoor. Hoe kon hij
Havinga heten en een persoonsbewijs
hebben op naam van Smedema,
aangevuld met beschermende papieren
als vrijstelling van d arbeidsinzet?
Het is niet te zeggen wat men in
zo’n geval harder doet: bidden of
nadenken. Peter deed beiden tegelijk
en had zijn verhaal op tijd klaar.
Hij vertelde de Duitsers dat hij
inderdaad Havinga was. Toen hij een
oproep kreeg om zich voor het
verrichten van persoonlijke arbeid
te melden, was hij bang geworden.
Hij kon zo moeilijk van huis.
Terwijl hij daar mee ompakte, was
hij onder Nijland een kennis tegen
gekomen, een zekere Zijlstra,
politieman uit Franeker. Die had om
zijn angst gelachen en gezegd dat
hij hem wel kon helpen. Hij kon hem
een absoluut betrouwbaar stel
papieren leveren, maar de prijs was
vijfhonderd gulden. De koop was
gesloten en nu meende Havinga
volkomen veilig te zijn, mits hij
zich maar Smedema noemde.
Dat was het verhaal dat hij zo
aannemelijk mogelijk voordroeg en
ook onder verdere mishandelingen
volhield. Zijlstra was een goede
medewerker in Franeker geweest, maar
hij had zich tijdig uit de voeten
gemaakt, toen het gevaar te dichtbij
kwam. Een politieman die onderdook,
had in de ogen van de Duitsers toch
al een doodzonde begaan en dus nam
Peter de vrijheid daar nog maar een
schepje op te doen – Zijstra bleek
dit achteraf ook volkomen
begrijpelijk te vinden.
Natuurlijk werd geprobeerd het
verhaal te controleren, maar
Zijlstra bleef onvindbaar. De drie
mannen waren inmiddels naar
Leeuwarden overgebracht en daar
opgesloten, behalve wanneer Peter
weer verhoord werd. Hij kreeg drie
dagen de tijd om zich nog maar eens
te bedenken, maar hoorde daarna
niets meer. Bewakers zorgden weer
voor contact met de buitenwereld.
Tenslotte werden de mannen op
transport gesteld naar Drente, waar
ze moesten graven. Twee dagen later
liepen ze weg naar Drachten en waren
spoedig weer thuis en aan het werk.
En een van hem schreef aan zijn
moeder: als ik later ongelovig word,
ben ik de ondankbaarste hond die er
bestaat….
Ondertussen had zich in Sneek een
verschrikkelijk drama afgespeeld.
Een heel enkele keer kwam Karel een
zondag thuis. Sinds hij ondergedoken
was, hadden de Duitsers geen inval
weer gedaan en af en toe werd het
verlangen hem te sterk. Dan kwam hij
’s zaterdags bij donker thuis, bleef
de hele zondag binnen en verdween
maandagmorgen in de vroegte weer.
Dat gebeurde ook op de morgen van 6
november. Ongehinderd fietste hij
naar Sneek. Normaal nam hij eerst
polshoogte op zijn onderduikadres,
dat nog steeds veilig was. Nu dreef
de bezorgdheid over zijn vrienden
hem naar een adres dat alleen voor
dit doeleinde jongste informatie
over Peter, Jaap en Gelf hoopte te
krijgen. Ook dit was een adres dat
alleen voor dit doeleind gebruikt
werd en overigens "schoon" was.
Wat
Karel niet kon weten was, dat bij
een willekeurige razzia daar
huiszoeking was gedaan en daar werd
een radio gevonden. De eigenaar was
op het politiebureau ingesloten. Het
feit zelf werd niet streng
beoordeeld en daarom maakten de
illegale leider in Sneek zich niet
al te ongerust over het lot van deze
man. Wel deed dat een politieman.
Zonder overleg met de illegaliteit
nam hij het moedige besluit om de
man los te laten en zelf ook onder
te duiken. Pas toen kwamen de
Duitsers op de gedachten, dat het
hier wellicht een illegale werker
betrof. Zij betrokken de wacht in
het huis…..
Toen Karel aanbelde, werd opengedaan
door een mof. Karel begreep dat het
mis was en zette het op een lopen.
De Duitser schoot, miste en schoot
nogmaals. Karel stortte neer en was
meteen dood, zijn vrienden in grote
verslagenheid achter latend.
De
Duitsers bepaalden dat het lichaam
zonder kist begraven moest worden.
Men slaagde er in dit gebod in
zoverre te overtreden, dat er een
noodkist gebruikt werd. Spoedig na
de moord raasde een Duitse auto naar
Sondel. Een officier stapte uit om
met zijn mannen huiszoeking te doen.
Mevrouw Boomsma begreep dat het mis
was en toen zij hoorde dat haar man
gedood was, trad zij de moffen met
de grootste brutaliteit tegemoet. De
stamkaarten in een tas wist zij nog
in een wasmachine te deponeren, waar
ze niet gevonden werden. De werkster
gaf zij opdracht de geldkist op de
boenstoep tussen de potten en pannen
te zetten. Ook die werd niet
gevonden, maar vrijwel al het
overige werd door de Duitsers
weggesleept. Daarna kreeg mevrouw de
opdracht het huis te verlaten, maar
dat weigerde zij. Met wat hulp werd
via de burgemeester bereikt dat zij
mocht blijven. Ook bij de ouders van
Koos werd huiszoeking gedaan, maar
bezwarend materiaal werd niet
gevonden. Uit de verhoren bleek, dat
de Duitsers nog steeds twijfelden of
Koos en Karel dezelfde persoon
waren.
Donderdagmorgen om vijf uur stapte
mevrouw Boomsma op de fiets en begaf
zich naar Sneek. Daar hadden
vrienden van haar man diens lichaam
in de nacht opgegraven. Toen het dag
werd, zag zij hem voor de laatste
maal. Zijn gezicht was ontspannen en
vredig, een bloedstreep langs de
hals toonde aan waar de eerste kogel
gemist had. De tweede was hem van
achteren in het ruggemerg gedrongen.
Zwijgend werd het lichaam in een
zware eiken kist gelegd en toen
opnieuw begraven. De kleren, de ring
en het horloge waren door de goede
zorgen van ,,Bontje” goed bewaard en
aan Koos’ vrouw ter hand gesteld.
Op 12 juni 1945 werd de kist opnieuw
uitgegraven en onder grote
belangstelling en talloze familie en
vrienden opnieuw op het kerkhof van
Sondel begraven.
Bron:
Friesch Dagblad 1964

Sijbren Jan Boersma, geboren op 5
augustus 1920 te Hallum, overleden
op 21-7-1945 te Nijmegen.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog was
hij lid van de Nederlandse
Binnenlandse Strijdkrachten. Tijdens
het opstellen van een groepsfoto van
oud-leden van de Nederlandse
Binnenlandse Strijdkrachten in
Ferwerd ging een vuurwapen af,
waardoor Boersma ernstig werd
verwond. Hij stierf in het
ziekenhuis van Nijmegen op 21 juli
1945 en werd begraven op de
hervormde begraafplaats in Hallum.

Uilke Boonstra, (Bouwkundig
opzichter) geboren te Huizum op 9
januari 1899. Omgebracht in
Kamp Vught op 18 augustus 1944.
Hij
was bouwkundig opzichter en makelaar
in Joure. Tijdens de bezetting was
Boonstra lid van de leiding van de
Landelijke Organisatie voor hulp aan
Onderduikers in Friesland en van de
regionale Knokploeg. Op 1 februari
1944 werd hij gearresteerd. Na een
halfjaar werd hij weer vrijgelaten,
waarna hij doorging met zijn
verzetswerk. Op 8 augustus 1944 werd
hij op terugweg van Holland, waar
hij een vluchtroute voor geallieerde
piloten via Delfzijl-Engelsmanplaat
naar Engeland had voorbereid,
tijdens een controle op het station
in Heerenveen gearresteerd.
Vermoedelijk werd hij na zijn eerste
vrijlating geschaduwd en vervolgens
opgepakt op beschuldiging van
spionage en sabotage. Op 18 augustus
werd hij gefusilleerd in Vught,
samen met de ter dood veroordeelde
leden van de Evenhuisgroep te
Leeuwarden. Met Krijn van den Helm
en Jan Evenhuis behoorde Boonstra
tot de grote figuren van het
Nationaal Steunfonds en de L.O. In
Joure is een laan naar Uilke
Boonstra vernoemd.
Uilke Boonstra is na de
dood van zijn vrouw in
zijn
eentje verantwoordelijk
voor de opvoeding van
zijn kinderen, hij
staat bekend als
bedachtzaam, zwijgzaam,
wijs en bescheiden en
is zeer godsdienstig.
Boonstra is bevriend met
S. Wiersma, die hem
polst om joden op te
vangen. Eerst twijfelt
Uilke uit hoofde van
zijn geloof, maar
Wiersma weet hem toch te
overtuigen. Vanaf die
tijd zijn de
twee onafscheidelijk.
In het begin wordt de
opvang vaak uit eigen
zak betaald, wat echter
niet volgehouden kan
worden. De twee
vrienden komen dan in
contact met Piet van
Doorn, die hen
financieel ondersteunt.
Het werk wordt steeds
intensiever en de
contacten steeds
uitgebreider.
Zo komen Boonstra en
Wiersma in contact met
"opa" Casper ten Boom,
die in Haarlem een
klokkenwinkel heeft.
Door verraad van
waarschijnlijk een
koerier uit Joure
wordt het onderduikadres
van Ten Boom verraden en
wordt bijna de hele
groep opgerold. Ook
Uilke is slachtoffer van
het verraad.
Casper ten Boom
begint met de Duitsers
te onderhandelen en
weet zich vrij te kopen
en bedingt daarbij ook
dat Uilke
Boonstra vrijkomt, zij
hebben elkaar in het
Oranjehotel goed leren
kennen.
Boonstra en Wiersma
komen in de top van de
LO-LKP in Friesland
terecht. Tot 1
februari 1944 heeft die
groep goed gewerkt, tot
Uilke wordt opgepakt en
Wiersma maar net aan de
greep van de Duitsers
weet te ontkomen. Het
verzet in Joure loopt
een zware klap op.
Boonstra heeft veel
contacten in en buiten
Joure. Ze werken in de
Haarlemmermeer samen met
Boogaard en in Haarlem
met de Barteljorisgroep.
Omdat bonnen nodig zijn,
besluit Boonstra een
KP-groep op te richten.
De eerste overval op een
distributiekantoor wordt
gepleegd op 10 september
1943 in St.
Jansklooster. De overval
verloopt niet geheel
vlekkeloos, omdat de
auto het op de vlucht
laat afweten, zodat de
groep ordeloos uit
elkaar gaat. Al met al
komt de buit toch op de
juiste plaats terecht.
De overval is voor Uilke
een goede les en hij
neemt de organisatie van
de KIP stevig terhand.
Een torpedomaker, Herman
Teroele, wordt bij de KP
gehaald om de KP-ers met
wapens om te leren gaan.
Teroele past eigenlijk
niet goed in de groep.
Hij wordt koerier voor
Holland, maar knoopt
daar pleziertjes aan
vast, wat in Joure
twijfels oproept. Op een
zo'n reisje loopt hij
een jonge vrouw tegen
het lijf, die ook
contacten onderhoudt met
de Duitsers. De vrouw
weet hem uit te horen,
die het op haar beurt
aan de Duitsers
doorspeelt.
Herman krijgt geen
nieuwe informatie meer
van het verzet. Hij komt
hier achter en
verdwijnt. De top denkt
geen moment aan verraad.
Of Herman alleen de zaak
aan het rollen heeft
gebracht is de vraag. Op
1 februari 1944 komen
Boonstra en Wiersma
vanuit Holland met de
trein terug naar
Friesland. In Heerenveen
moeten beiden
overstappen, maar
Wiersma heeft een naar
gevoel. In Heerenveen
staat D. Zijlstra uit
Joure Boonstra op te
wachten, om een
belangrijke zaak met hem
te bespreken. Boonstra
en Zijlstra lopen
vooruit en Wiersma volgt
op een afstand. Net
buiten het station wordt
Boonstra aangehouden.
De SD-er Grundmann heeft
na de oorlog verklaard,
dat Boonstra aangehouden
moet worden, koste
wat het kost. De
instructies kwamen uit
Den Haag. Lammers en
Wolters deden ook mee
aan de arrestatie.
Zijlstra was speciaal
meegekomen om Boonstra
aan te wijzen en is na
de oorlog hiervoor
veroordeeld. Wiersma
wist te ontkomen en
moest onderduiken.
Zijn huis werd overhoop
gehaald en zijn vrouw
werd mishandeld. Maar de
joodse baby die ze in
huis hadden werd
gelukkig niet
meegenomen.
Ook bij Uilke wordt het
huis overhoop gehaald en
hij moet zelf toekijken.
Ook zes andere mannen
werden in Joure
opgepakt, waarvan
slechts een persoon de
kampen weet te
overleven. Volgens
Wiersma moet Teroele ook
het adres aan de
Barteljorisstraat van
Casper ten Boom in
Haarlem hebben verraden.
Hier worden 28 mensen
aangehouden, onder
wie de
gefortuneerde financier
Sturing. Allen worden
naar Scheveningen
gebracht.
De arrestanten uit Joure
hebben een misleidend
verhaal is elkaar kunnen
zetten. Ze
zijn actief met bonnen
en voedselpakketten voor
het Rode Kruis, is hun
verhaal. Boonstra
is hoofd van de
Luchtbeschermingsdienst
en de anderen zijn
leden. De bonnen uit St.
Jansklooster waren een
zwakke plek in het
verhaal, maar door hun
onschuld te blijven
volhouden gaan de
Duitsers dat
verhaal geloven. Wiersma
is de grote man en die
hebben de Duitsers laten
ontsnappen.
Boonstra speelt het spel
mee, dat hij voor
Wiersma als aas dient.
Uilke weet Wiersma wel
te waarschuwen dat de
tussenpersoon niet
zuiver is. Boonstra
weet het spel zo te
spelen dat hij
"zogenaamd" meedoet.
De rijke financier
Sturing weet de Duitsers
ondertussen te verleiden
met zijn geld. Boonstra
wordt vrijgekocht, maar
krijgt na zijn
vrijlating de volle laag
van Wiersma.
Wiersma
echter gaat uit van de
voorzichtigheid van Uilke. Wiersma
waarschuwt Uilke het
rustiger aan te doen,
wat Uilke echter niet
doet. Wanneer
Boonstra voor de
tweede keer
wordt opgepakt is niet
bekend. Op 18 augustus
1944 sterft Uilke
Boonstra voor het
vuurpeloton in Kamp
Vught. Als gevolg
hiervan wordt Joure als
verzetscentrum van de
Zuidwesthoek opgeheven.
Het verzet heeft nog
geprobeerd Uilke
Boonstra te bevrijden
tijdens zijn transport
naar
het concentratiekamp,
maar de bewaking was te
streng.
Bezettingstijd in
Friesland, P. Wybenga.

Gerben Bootsma, (Kapitein op de
vrachtboot "Holland Friesland IV")
geboren op 21 februari 1894 te
Lemmer, overleden op 02-04-1945 te
Butzbach, Landkreis Friedberg.
In de
nacht van 23/24 maart 1943 heeft hij
de bemanning van een neergeschoten
Engelse bommenwerper, die in een
rubberboot ronddreven op het
IJsselmeer opgepikt en aan boord
genomen. De engelsen moesten twee
gehiem agenten (Gerbrands en Berman)
droppen in de omgeving van Koudum of
Workum. Het vliegtuig,
waarschijnlijk een Halifax van het
Special Duties Squadron dat was
opgetegen van de basis Tempsford
werd bij Enkhuizen door Duitse
jagers neergeschoten en kwma tussen
Stavoren en Enkhuizen in het
IJsselmeer terecht. Eén geheim agent
(Bergman) en een lid van de
bemanning kwamen om het leven.
De
kapitein liet Gerbrands ontsnappen.
Op 3 april 1943 werden de kapitein
en de bemanning in Lemmer
gearresteerd door de beruchte Joseph
Schreieder, hoofd van de
contraspionagedienst van de SD in
Den Haag en door zijn handlanger
Anton van der Waals. De bemanning
werd snel vrijgelaten maar de
kapitein bleef op verdenking van
spionage gevangen en werd
veroordeeld tot levenslange
tuchthuisstraf. Bootsma werd eerst
opgesloten in het Oranjehotel en
daarna in het Huis van Bewaring aan
de Gansstraat in Utrecht. Via deze
gevangenis werd hij afgevoerd naar
het tuchthuis in Diez am Lahn (D).
Op 20 mei 1944 kwam hij in Butzbach
terecht waar hij op 2 april 1945 aan
ontbering bezweek. Bootsma werd
begraven op het Nederlands Ereveld
bij Frankfurt am Main.
Gerben Bootsma uit Lemmer stierf
drie dagen na zijn bevrijding
aan ontberingen op 2 april 1945.
Door Albert Hendriks. Uit het
boek van Evert de Jong
"Straatnamen zijn ook
Monumenten"
ZWOLLE. Bij de
gemeentepolitie in de
hoofdplaats van Overijssel werkt
bij de recherche adjudant Fimme
Bootsma, een zoon van de man
waarnaar een straat in het
Rienplan is genoemd: Gerben
Bootsma. Fimme Bootsma vonden we
bereid een en ander te vertellen
over hetgeen zijn vader in de
oorlog gedaan heeft.
Gerben Bootsma werd 3 april 1943
In Lemmer gearresteerd, nadat
hij als kapitein van de
Holland-Friesland IV van rederij
"Stanfries" in de haven van
Enkhuizen een Nederlandse geheim
agent de gelegenheid had gegeven
te ontvluchten; Hij werd
veroordeeld tot levenslange
gevangenisstraf en naar
Duitsland overgebracht, waar hij
drie dagen na zijn bevrijding,
op 2 aprll1945 te Butzbach, kwam
te overlijden als gevolg van een
zeer slechte behandeling door de
Duitsers.
Fimme Bootsma.
De
man die over Gerben Bootsma
vertelt is zoon Fimme, die een
studie heeft gemaakt van hetgeen
zijn vader in de oorlog is
overkomen. Fimme werd 21 oktober
1930 geboren en was dus negen
jaar oud toen de oorlog uitbrak.
Zijn vader was toen kapitein van
de Holland-Friesland 4, één van
de boten van de rederij
"Stanfries".
Fimme ging na het doorlopen van
de openbare lagere school naar
de openbare ULO, daar waar later
het dorpshuis "De Helling"
stond. Na de ULO trad hij in
dienst van juwelier Jacob
Gorter, die toen nog aan de
Langestreek was gevestigd.
Fimme
maakte de verhuizing van Gorter
naar de Kortestreek nog mee.
Zijn ouders, Gerben Bootsma en
Sjoerdje de Boer woonden eerst
aan de Lijnbaan tegenover Slager
Sijswerda en zijn later naar de
Cornelis Houtmanstraat verhuisd.
"Via mijn zuster Boukje, die
eens bij Gorter werkte, ben ik
bij de horlogemaker terecht
gekomen. Ik kon er voor f 7,50
in de week een vak leren.
Na
vijf jaar Gorter wist ik wel hoe
laat het was. Op een dag bracht
ik eens een klok bij de familie
Jaap Scholten, die bij de
Houtmolen werkte. Bij zijn zoon
Arend had ik in de klas gezeten.
Die vroeg mij of ik bij de
klokkenmaker wilde blijven. Ik
zei hem, dat ik graag bij de
politie wilde, Dochter Johanna
zei: goh, in de Leeuwarder
Courant staat een advertentie
waarin een aspirant-agent bij de
politie in Zwolle wordt
gevraagd. Ik heb gesolliciteerd
en zo kwam ik in 1952 bij de
politie terecht".
Fimme Bootsma is al 28 jaar uit
Lemmer, maar is nog steeds
abonnee op de "Zuid-Friesland:
"Ik denk nog in het Fries. Mijn
gedachten blijven bij Lemmer, de
plaats waar ik geboren ben. Ik
kijk positief op mijn jaren in
Lemmer terug, ondanks alle
ellende die ik daar in de oorlog
als kind heb meegemaakt".

De Flevo vrachtboot
Lemmer-Sneek ± 1935. Links
machinist Simon Grasman, in
het midden kapitein Gerben
Bootsma en rechts
stuurman-lader-losser
Lammert Schothorst.
Fimme was in de oorlog onder
andere werkzaam bij bakker
Hennie Haveman, waar hij vijf
gulden in de week verdiende.
Hij herinnert zich nog goed hoe
hij met drie kisten brood op de
bakfiets vanaf Lemmer tot
Doniaga brood ventte. "Mijn
laatste klanten waren de
schoonouders van Hennie Haveman,
de familie Scheenstra in Doniaga.
Ik at onderweg altijd bij de
boeren. Ook heb ik eens een big
tegen twee broden geruild".
Wat de adjudant bij de afdeling
recherche van de Zwolse
gemeentepolitie in de oorlog
enorm heeft aangegrepen, is de
arrestatie van zijn vader op 3
april 1943 in Lemmer. Over het
hoe en waarom van die arrestatie
gaat het volgende verhaal.
Rubberboot met vliegers.
In
de nacht van 25 op 26 maart 1943
vaart kapitein Gerben Bootsma
met zijn 3-koppige bemanning met
de Holland-Friesland, in de
buurt van Enkhuizen op het
IJsselmeer. Op een afstand ziet
hij vuurpijlen en zet koers in
de richting vanwaar de
vuurpijlen worden afgeschoten.
Na even zoeken ontdekt hij een
rubberboot met acht mensen aan
boord: zeven Engelse vliegers en
een Nederlander, die vertellen
met een Lancaster bommenwerper
boven het IJsselmeer neergehaald
te zijn. Hij neemt de Tommies en
de Nederlander aan boord en laat
de rubberboot zinken door 'm lek
te steken.
Kapitein Bootsma besluit de
mannen naar de haven van
Enkhuizen te brengen. Hij
verneemt dat de Nederlander een
geheim agent is, die boven de
Noordwesthoek van Friesland had
moeten worden gedropt, net als
zijn collega-agent, die dodelijk
werd getroffen door het Duitse
afweergeschut en met het
vliegtuig naar de bodem van het
IJsselmeer is afgezonken.
Pieter Roelof Gerbrands heet de
man die met Bootsma in de
stuurhut staat. De andere agent,
die de confrontatie met het
afweergeschut niet overleefde,
is ene meneer Bergman. Zij
zouden als eerste Nederlandse
geheime agenten zonder
aankondiging via Radio Oranje op
vaderlandse bodem worden
gedropt, nadat duidelijk was
geworden dat de Duitsers eerdere
aankondigingen via de radio
doorhadden.
In
de haven van Enkhuizen.
Gerben Bootsma vaart naar de
haven van Enkhuizen. Dichtbij de
kade aangekomen geeft hij de
geheim agent de kans te
ontsnappen voordat de Duitsers
komen. Als Pieter Roelof
Gerbrands in de duisternis is
verdwenen geeft Bootsma een paar
geluidssignalen.
De reeds op de haven afgekomen
Duitsers, die ook de vuurpijlen
hadden waargenomen en er vrijwel
zeker van waren drenkelingen op
Bootsma's schip te kunnen
aantreffen. stormen op de
Holland-Friesland af. De
kapitein vertelt zeven Engelse
vliegers aan boord te hebben. De
Duitsers worden vergezeld van
een Nederlandse politieman, die
van een havenbeambte hoort, dat
hij een doornatte man op de kade
is tegengekomen.
De Duitsers vangen iets op, maar
begrijpen het niet helemaal. De
politieman tegen de
havenbeambte: man, had je mond
maar gehouden. De
afleidingsmanoeuvre van de
politieman lijkt geslaagd; de
Duitsers houden zich meer bezig
met de Holland-Friesland 4 en de
Engelse vliegeniers, die geen
droge draad textiel aan hun lijf
hebben. De Duitsers vragen
of-Bootsma niet meer mannen op
het IJsselmeer heeft opgepikt
Nadat de kapitein de Duitse
officier heeft kunnen
overtuigen, dat hij maar zeven
Engelsen heeft gered, mag hij
weer van wal steken. Wel moet
Gerben Bootsma even de plaats
aanwijzen, waar hij de
rubberboot heeft lek gestoken en
laten zinken. Dat wordt gedaan
en de Holland-Friesland mag haar
reis naar Stavoren vervolgen.
Waar is geheim agent nummer
twee?
Een paar dagen later komt Gerben
Bootsma thuis in Lemmer en
vertelt, zoals gewoonlijk,
helemaal niets over zijn
illegale activiteiten. Inmiddels
hebben de Duitsers de
neergestorte Lancaster met
daarin de dode Nederlandse
geheime agent, boven water
gehaald.
Ze vinden in de hakken van de
schoenen van de agent voor
Bootsma belastend materiaal. Uit
de microfilms blijkt dat er twee
geheime agenten boven Nederland
hadden moeten worden
neergelaten.
Bovendien bevinden zich op de
films een aantal geheime
contactadressen. Eén geheim
agent is in handen van de
Duitsers, maar die is zo dood
als een pier. Waar is nummer
twee? vond die ook de dood bij
de landing? Of heeft kapitein
Bootsma hem aan boord van de
Holland-Friesland verstopt en
hem na het aandoen van de haven
van Enkhuizen afgezet op Friese
bodem? De Duitsers willen
kapitein Gerben Bootsma zo snel
mogelijk in de vingers zien te
krijgen.
Arrestatie.
Zaterdagmiddag 3 april om twee
uur staat Fimme achter het huis
van de Bootsma's aan de CorneIis
Houtmanstraat. De tram is juist
gearriveerd en stopt voor de
brug over de Zijlroede op de
trambaan, die achter de CorneIis
Houtmanstraat loopt.
Brugwachter Sibbele de Boer
maakt aanstalten om de tram over
het water te laten rijden.
Moeder verzoekt Fimme het eten
uit de kelder te halen, omdat
vader er aankomt. Terwijl Gerben
Bootsma uit de tram stapt wordt
er aan de deur gebeld.
Moeder doet open en ziet een
voor haar onbekende man staan,
die later de landverrader
Antonius van der Waals (was een
Nederlandse spion in dienst van
de Duitse Sicherheitsdienst (SD)
blijkt te zijn. De man vraagt
naar de kapitein.
Moeder vraagt hem even te
wachten, omdat haar man er zo
aankomt. Een paar tellen later
arriveert Gerben Bootsma met een
zak vuil wasgoed in de CorneIis
Houtmanstraat. Zijn vrouw
Sjoerdje zegt hem, dat de man
voor de deur naar hem heeft
gevraagd. De onbekende man
vraagt hem even mee te lopen.
Beiden lopen richting Lijnbaan.
Fimme's zuster Boukje ligt ziek
op bed. De komst van haar vader
volgt ze vanuit het raam. Als
haar vader met die onbekende man
is weggelopen, zegt ze tegen
haar moeder "wat kijkt die kerel
raar"
Moeder vertrouwt het ook al niet
en zegt tot Fimme: hup jongen,
de klompen aan en er achter aan!
Zo gezegd, zo gedaan. Fimme
sluipt achter de mannen aan tot
op de Lijnbaan, waar plotseling
een tweede voor Fimme onbekende
man opduikt.
Het is de leider van de Duitse
contraspionage, Jozef Schreieder
(Kriminaldirector en
SS-Sturmbannfüher Joseph
Schreieder was chef op de
afdeling Amt IV-E van de
Sicherheitsdienst(SD). Amt IV
was onder andere
verantwoordelijk voor
contraspionage en politieke
aangelegenheden. De SD was een
onderdeel van de SS. Schreieder
had een kamer op de eerste etage
van het Binnenhof in Den Haag).
Ter hoogte van bakker Geert
Hoekstra op de Lijnbaan
verschijnen er nog twee
Duitsers, Karl Grimm en Nico
Johannsen (voormalige
beroepsvechter Nico Johannsen).
Zij pakken Fimme's vader vast en
voeren hem af. Fimme rent als de
weerga naar huis en vertelt dat
ze zijn vader hebben meegenomen.
Dan ziet Fimme al meer Duitsers
in het huis. Alles wordt
overhoop gehaald. Jozef
Schreieder is ervan overtuigd
dat de tweede, nog levende
Nederlandse geheim agent in het
huis van de Bootsma's verborgen
wordt gehouden. De moffen treden
ruw op. Ze willen de agent
vinden, maar ze vinden hem niet,
doodgewoon omdat hij er niet is.
De gevangenis.
Gerben Bootsma wordt naar de
beruchte gevangenis Oranje-hotel
aan de Pompstation weg in
Scheveningen overgebracht.
Hij verblijft daar tot half
december 1943 in een isoleercel
en wordt zwaar mishandeld.
Dan wordt hij naar de gevangenis
voor politieke gevangenen aan de
Gansstraat in Utrecht
overgebracht, waar hij op 24
februari 1944 tot levenslange
tuchthuisstraf wordt
veroordeeld. Gerben Bootsma
wordt daar bezocht door zijn
vrouw, zoon Fimme en dochter
Fetsje. Het is koud en
regenachtig weer als het drietal
weer voor de poort staat.


Envelop van een brief die
Gerben Bootsma, heeft
geschreven vanuit
Scheveningen.

Document dat Gerben Bootsma, in
Utrecht gevangen werd gehouden.
Moeder Sjoerdje heeft veel eten
voor haar man meegenomen. Een
Duitse soldaat ziet dat de drie
Lemsters buiten verrekken van de
kou en wenkt ze naar binnen. Hij
toont medelijden. Op een gegeven
moment worden moeder Sjoerdje,
Fimme en Fetsje naar een zaal
met veel blauw glas geloodst.
Het klinkt er naar. Vooral de
ijzeren trappen maken een akelig
lawaai. Fimme voelt zich
allerminst op zijn gemak. Aan
een tafel zit zijn vader,
gestoken in een bruin wollen
gevangenispak met grijze banden
om de mouwen en de pijpen. Noch
moeder noch Fimme en Fetsje
kunnen de emoties de baas.
Moeder Sjoerdje probeert een
gesprek in het Fries te
beginnen. Holländisch sprechen!"
dondert de bewaker.
Het gesprek verloopt moeizaam.
Er wordt over thuis gesproken;
over de kinderen. Vader Gerben
is bezorgd over zijn jeugd. Hoe
maken zij het? Leren ze goed op
school?
Als het veel te vroeg tijd voor
afscheid nemen is, zegt vader
Gerben: "Geef die twee jongens
in de hoek, die hun ouders op
bezoek hebben, een hand Ze
worden morgen gefusilleerd".
Moeder Sjoerdje, Fimme en Fetsje
zijn geschokt. Tranen schieten
hen in de ogen. Ze geven de twee
mannen, die ook mee hebben
geholpen de oorlog in te korten,
een hand Dan verlaten ze de
Utrechtse gevangenis. Het komt
allemaal wel goed, heeft vader
Gerben gezegd. Niet meer huilen.
Maar de familie zou Gerben
Bootsma nooit meer zien.

Moeder Sjoerdje Bootsma-de
Boer met haar kroost in het
jaar 1931 in de Schans op de
foto.
Op de foto van links naar
rechts: Pieter - werd
zakenman en woont in
Amerika, Franke - hoofdagent
gemeentepolitie te
Leeuwarden. In de
kinderwagen zoon Fimme, hij
werd adjudant bij de
gemeentepolitie te Zwolle,
naast de kinderwagen dochter
Boukje en geheel rechts zoon
Gerben (geb. 1921) genoemd
naar zijn vader - hij werd
drukker bij de 'Zuid-Friesland'
en woonde in het voormalig
en verbouwde
schippersinternaat aan de
Langestreek.
In de oorlog is zoon Pieter
ondergedoken en zoon Gerben
werd verplicht in Duitsland
te werkgesteld. Het echtpaar
Gerben Bootsma en Sjoerdje
Bootsma-de Boer kregen 11
kinderen. Moeder Bootsma
overleed in augustus 1967.
Het einde.
Op
20 mei 1944 wordt Gerben Bootsma
overgebracht naar de Duitse
gevangenissen in Kleef,
Rheinbach (30 mei 1944) en Diez
am Lahn (12 september 1944). In
Diez maakt de Lemster een
strenge winter mee. Half
februari 1945 krijgt hij
geelzucht Gerben Bootsma wordt
ernstig ziek. De Duitsers laten
hem verrekken.
Géén medische verzorging, géén
humane behandeling voor de
Nederlander die het leven van
anderen redde. Gerben Bootsma
blijft zich wapenen tegen de kou
en de ziekte. Met optimisme moet
hij het kunnen redden.
De
oorlog zal niet lang meer duren.
De Amerikanen komen zo.
Drie dagen voor de bevrijding
worden de gevangenen in Diez am
Lahn allemaal op transport
gesteld naar Butzbach, enige
kilometers ten noorden van
Frankfurt am Main. 0ok de
doodzieke Gerben Bootsrna. In
Butzbach wordt hij bevrijd door
de Amerikanen. Hij is aan het
einde van zijn krachten. Slechts
drie dagen mag hij van zijn
vrijheid genieten. Een moedige
Nederlander, kapot gemaakt door
onmensen.

Gerben Bootsma werd na zijn
dood begraven op het
Nederlands ereveld te
Frankfurt am Main,
Frankfurt-Oberrad. Aan de
Burgenlandweg te
Frankfurt-Oberrad (B.R.D.)
Vak E: Rij 2: Nummer 15.
Boven zijn graf verscheen
geen kruis maar kreeg
onkruid alle kans. Wel werd
elders op het kerkhof bij
vergissing een kruis voor de
heer Bootsma geplaatst.

Het graf van Gerben Bootsma
op het Waldfriedhof in
Frankfurt am Main.

Nederlands ereveld te
Frankfurt am Main,
Frankfurt-Oberrad.
De ruim 750
Nederlandse
oorlogsslachtoffers, die
verspreid begraven lagen in
Zuid-Duitsland, werden in
1954 hier samengebracht en
herbegraven.
Op een gedenksteen zijn de
namen gememoreerd van hen,
die niet opgespoord konden
worden.
Ook hier staat een monument
in de vorm van een vallende
mannenfiguur, opgericht ter
herdenking van de
Nederlanders, die zijn
omgekomen in de
concentratiekampen Dachau,
Flossenbürg en Natzweilet.
Gerben Bootsma werd na zijn
dood begraven op het kerkhof
van Butzbach.
Later in '45 is de
Nederlandse
Oorlogsgravenstichting
achter het werkelijke graf
gekomen via een
graven-locatieteken ing.
De stoffelijke resten werden
door de stichting opgegraven
en geïdentificeerd als die
van Gerben Bootsma, dit aan
de hand van zijn gebit. De
heer Bootsma werd
herbegraven op het
Waldfriedhof in Frankfurt om
Main. Hel graf wordt nog
regelmatig door de familie
bezocht, met name door Fimme
en zijn vrouwen kinderen.


Deze brief ontving weduwe
Bootsma de Boer begin juli
1947 van Koningin
Wilhelmina.

Overlijden's akte van Gerben
Bootsma.
Anno Sjoerd
(Titus) Brandsma, (Hoogleraar
aan de universiteit te
Nijmegen)
geboren op 23 februari
1881 te
Oegeklooster.
Overleden op
26-07-1942 te Dachau.
Verzet
Al in
een
vroeg
stadium
waarschuwde
Brandsma
via
publicaties
in dag-
en
weekbladen
en
tijdens
lezingen
en
colleges
voor de
gevaren
van het
nationaal-socialisme,
rassenhaat
en
ophitsing.
Hij
veroordeelde
de
anti-joodse
maatregelen
van het
Hitler-regime
zowel
reeds
voor als
tijdens
de
bezettingstijd.
Zo was
hij
medio
1936
enige
tijd lid
van het
door
Nederlandse
geleerden
en
kunstenaars
opgericht
Comité
van
Waakzaamheid
tegen
het
nationaal-socialisme.
Tijdens
de
oorlog
verzette
hij zich
tegen
het
verwijderen
van
Joodse
leerlingen
en
bekeerlingen
van
katholieke
middelbare
scholen
en was
hij de
architect
van het
verbod
dat de
Utrechtse
aartsbisschop
Jan de
Jong
uitvaardigde
tegen
het
opnemen
van
NSB-advertenties
in de
r.k.
dagbladen.
Arrestatie
en
overlijden
Als
gevolg
daarvan
arresteerde
de
Gestapo
pater
prof.
Brandsma
op 19
januari
1942.
Via een
tocht
langs de
'Oranje'-gevangenis
in
Scheveningen,
kamp
Amersfoort
en de
strafgevangenis
van
Kleef
kwam hij
tenslotte
in het
beruchte
concentratiekamp
Dachau
terecht.
Ook hier
was,
aldus
latere
getuigenissen
van
voormalige
kampgenoten,
deze
'alledaagse'
mysticus
een
grote
morele,
spirituele
en
daadwerkelijke
steun
voor
zijn
medegevangenen.
Na
enkele
weken
vol
ontberingen
en
mishandelingen
werd hij
-
levenslang
behept
met een
wankele
gezondheid
-
uitgeput
en
doodziek
in het
kamphospitaal
opgenomen.
Met een
dodelijke
injectie
maakte
een
kamparts
daar een
einde
aan zijn
leven.
In 1986
werd
pater
Titus na
een
jarenlang
onderzoek
door de
RK kerk
zalig
verklaard.
In de
Tweede
Wereldoorlog
sloten
de
Nazi’s
in het
Oranjehotel
Nederlanders
op die
zich, op
wat voor
manier
dan ook,
tegen de
Duitsers
verzetten.
Het
verblijf
in het
Oranjehotel
was
meestal
niet
langdurig:
gevangenen
werden
vrijgelaten,
of op
een
andere
plaats,
vaak in
Duitsland,
gevangen
gezet.
734
gevangenen
van het
Oranjehotel
zijn
omgekomen.
Een deel
daarvan
is ter
dood
veroordeeld
en
geëxecuteerd
op de
Waalsdorpervlakte,
maar
velen
zijn op
andere
plaatsen
om het
leven
gekomen.
Ongeveer
25.000
Nederlanders
zaten
tijdens
de
Tweede
Wereldoorlog
gevangen
in het
Oranjehotel,
waaronder
priester
en
hoogleraar
wijsbegeerte
Titus
Brandsma
en
hoogleraar
rechten
Rudolph
Cleveringa.

Titus
Brandsma
op
18
februari
1942,
een
half
jaar
voor
zijn
dood,
vanuit
het
‘Oranjehotel’
in
Scheveningen.
Jan. L. van den
Broek, geboren in 1905,
overleden op 14-04-1945
te Ureterp.
Jan was één van de vier
slachtoffers van een
schietpartij bij café
Gorter op 14 april 1945.
De namen van de
slachtoffers luiden: De
soldaten Jan L. van
den Broek, Aalzen de
Jager, C. Tump en een
jongen, de zoon van C.
Hempenius. De drie
soldaten zijn op 18
april 1945 met militaire
eer begraven.
Hotze Brouwer,
geboren 28 mei 1910 te
Akmarijp, overleden op
17 maart 1945 te
Doniga.
Als veehouder op de
Beatrixhoeve te
Haskerhorne bij het
Nannewijd had Brouwer
een aandeel in het
verbergen van de daar
gedropte wapens in zijn
boerderij. Verder was
hij medewerker van de LO
in de gemeente
Haskerland.
De slagzin die bij dit
droppingsveld werd
gebruikt, luidde: 'Wie
de schoen past, trekke
hem aan. Brouwer werd op
8 februari 1945
gearresteerd en
overgebracht naar de
gevangenis Crackstate in
Heerenveen. Op 17 maart
1945 werd hij naar
Doniaga overgebracht en
daar samen met negen
andere politieke
gevangenen gefusilleerd.
Brouwer werd begraven op
de Hervormde
begraafplaats in
Haskerhorne.
Harmen Brouwer,
(melkventer) geboren op
5 maart 1922 te
Twijzelerheide,
overleden op 15-04-1945
te 1922-1945 Dantumadeel.
Lid van een Knokploeg.
Tijdens de bevrijding
wilde hij samen met Jan
Kaper, een Marechaussee,
een tweetal Nederlandse
SS'ers arresteren in de
buurt van Akkerswoude.
Beide sneuvelden bij
deze poging waarna de
SS'ers naar een
boerderij vluchtten,
waarvan het gezin wist
te ontkomen en waar zij
zich als wilden
verweerden, tot ze
beiden sneuvelden. Een
SS'er overigens pas,
nadat de Canadezen de
boerderij in brand
hadden geschoten.
Hein de Bruin,
geboren op 2 maart1920
te Oudwoude, overleden
op 16-4-1945 te Kollum.
Lid van de sabotagegroep
in Oudwoude. Vaak
verzorgde hij het
vervoer van wapens van
de droppingplaats naar
de boerderij van zijn
vader, waar deze werden
verstopt. in
gecamoufleerde betonnen
bunkers achter de
boerderij. Toen de
streek werd bevrijd
werden de wapens
tevoorschijn gehaald.
Tijdens een gevecht met
de Duitsers op 16 april
1945 aan de Soensterdijk
kwamen twee auto's in
volle vaart af op de
post van deze dijk uit
de richting van
Kollumerpomp. De
bewakers van de dijk
namen aan dat het
Canadezen waren, maar
merkte te laat dat het
om Duitse auto's ging.
Gevechtsgroep 2 die ter
aflossing onderweg was
werd door de Duitsers
overrompeld en de
plaatsvervangend
commandant, Hein de
Bruin werd dodelijk
getroffen. De veehouder
werd begraven op de N.H.
begraafplaats te
Oudwoude. In dit dorp is
een straat naar hem
vernoemd.
Johannes ten Brug,
(student) geboren op 3
juni 1924, overleden op
09-01-1945 te Neuengamme.
Zoon van de
hoofdonderwijzer van de
School met de Bijbel in
Hulsen, die tot de
topfiguren van het
verzet behoorde. Eerst
was hij leerling van het
Christelijk Lyceum in
Almelo en daarna van de
H.B.S. in Leeuwarden,
waar hij steeds meer bij
het verzet betrokken
raakte, m.n. bij de
pilotenhulp. Bij het
Wehrmachtsheim in
Leeuwarden haalde hij
alle fietsen van de
Duitsers weg en stelde
deze ter beschikking van
het verzet. Al in 1942
hadden de Duitsers een
beloning van fl.2000,-
op zijn hoofd uitstaan
wegens het laten
ontsporen van een trein.
Toen hem de grond te
heet onder de voeten
werd ging hij op weg
naar Engeland. Hij
bereikt Dijon in
Frankrijk, waar hij via
binnenwegen probeerde de
Zwitserse grens te
passeren. Dit lukte
echter niet en hij kwam
terecht in een kamp van
de Franse Maquis. Dit
kamp werd door Franse
Vichy gendarmes
omsingeld en Hans werd
op 11 november 1943
gevangen genomen. Hij
was in het bezit van een
geladen geweer en werd
overgebracht naar Lyon,
waar hij door toedoen
van de Nederlandse
consul een betrekkelijk
lichte straf kreeg. Hij
werd veroordeeld tot
twee jaar met aftrek van
voorarrest in een
gevangenkamp. Toen de
consul hem daar twee
maanden later wilde
bezoeken bleek hij te
zijn getransporteerd
naar een gevangenkamp in
Compiégne. Vandaar werd
hij doorgestuurd naar
Natzweiler en naar
Dachau. Uiteindelijk
kwam hij op 20 oktober
1944 in het kamp
Neuengamme aan waar hij
op 9 januari 1945 aan
uitputting en ziekte
overleed.
Enne Bruinsma,
(Rijksveldwachter)
geboren op 30 mei 1890
te Tzum, overleden op
28-04-1945.
Tijdens de bezetting had
hij een groot aandeel in
het schoolverzet,
waarvoor hij voor de
gemeente Hennarderadeel
de contactman was. Hij
werkte op dit terrein
nauw samen met de
Bolswarder
gemeentesecretaris,
Hendrik Haitsma.
Bruinsma was als
ouderleerling van de
hervormde gemeente in
Oosterend vooral de man
van het geestelijk
verzet, die het met de
bezetter niet op een
akkoordje gooide. In
zijn functie als
rijksveldwachter had hij
het vaak erg moeilijk.
Om niet met zijn geweten
in conflict te komen
verliet Bruinsma de
politiedienst. Hij werd
controleur bij de
brandstoffen
distributiedienst in
Sneek.
Op 25 januari 1945 deed
de Sicherheitsdienst een
inval in het huis van
Bruinsma om zijn zoon
Steffen te arresteren.
Steffen Bruinsma was
medewerker van de
Landelijke Organisatie
voor hulp aan
Onderduikers en was op
dat moment niet thuis.
Enne Bruinsma's
anti-nationaal-socialistische
gezindheid was algemeen
bekend en toen de SD'ers
van post Wommels bij de
huiszoeking ook nog
mouwbanden van de
Nederlandse Binnenlandse
Strijdkrachten vonden,
werd Enne gearresteerd.
Hij werd naar het
concentratiekamp
Neuengamme gedeporteerd.
Toen de oorlog ten einde
liep, werd op 20 april
1945 het
concentratiekamp
ontruimd. De gevangenen
werden in spoorwagens
geperst en afgevoerd
naar Lübeck. In de
Lübeckerbocht lagen de
restanten van de Duitse
koopvaardij vloot. Op
een van de schepen, de
Cap d'Arcona werden 4600
slachtoffers in de
ruimen opgeborgen. Het
eens zo luxe
passagiersschip was een
drijvend
concentratiekamp
geworden. Vele
gevangenen stierven aan
boord. Op 28 april 1945
overleed ook Bruinsma.
Hij werd begraven op het
stedelijk kerkhof in
Neustadt.
Voor Enne Bruinsma is
een monument geplaatst
in Oosterend (gemeente
Littenseradeel) is een
ingemetselde plaquette
van natuursteen. Op de
gedenkplaat is in reliëf
een staande mannenfiguur
en een kruis
aangebracht.
De Friese insciptie op
de plaquette luidt:
'ENNE BRUINSMA . BERNE
TSJOM 30 MAEIJE 1890
FORSTOARN NEUENGAMME
28 APRIL 1945 .
BLOEDTSJUGE
FOAR CHRISTUS'.
Het monument hangt in
het portaal aan de
achterzijde van de N.H.
kerk te Oosterend
(gemeente Littenseradeel).
www.verzetsmuseum.nl

Schelte Bruinsma,
(aardappelhandelaar)
geboren op 8 september
1912 te Pingjum,
overleden op 16-04-1945
te Makkum.
Op maandag 16 april 1945
was een sectie van de
NBS van het district
Bolsward geconcentreerd
in Kievitshorne. Samen
met de Canadezen werd
Wons bezet en in de loop
van de middag werd met
een tweede groep een
hooggelegen boerderij
bij Makkum aangevallen,
waarin de bezetter zich
had verschanst. Het open
terrein bood vrijwel
geen dekking. Schelte
Bruinsma en Simon Sipma
raakten bij dit
vuurgevecht zo zwaar
gewond dat ze aan de
gevolgen overleden. Op
17 april kreeg een groep
van de NBS opdracht om
op te rukken naar de
brug bij boerderij
Laanzigt onder Makkum om
deze te bezetten of zo
nodig op te blazen. De
groep ging iets te ver
vooruit en kwam in het
schootsveld van de
bezetter terecht.
Rinnert Anema en Roelof
van der Meer sneuvelden
bij deze actie. Om de
rest van de groep de
gelegenheid te geven
zich terug te trekken,
hield de brenschutter
Hendrik Postma de
bezetter onder vuur.
Deze heldhaftige poging
kostte hem echter wel
het leven.

Nolle Wypke Bruinsma,
(veehouder) geboren 31
oktober 1919 te
Tjerkwerd, overleden op
11-04-1945 te
Scharnegoutum.
Marten Bruinsma werd
geboren op 25 mei 1890
in Burgwerd en zijn zoon
Nolle Wypke op 31
oktober 1919 in
Tjerkwerd. Op woensdag
11 april 1945 was een
groep mensen van de
Nederlandse Binnenlandse
Strijdkrachten bezig een
wegversperring aan te
brengen. Toen de
bezetter plotseling
verscheen, vluchtten de
mannen. Vervolgens
gingen de Duitse
soldaten de boerderij
van Bruinsma binnen en
schoten boer Marten
Bruinsma en zijn zoon
Nolle dood. Beiden
werden begraven op de
N.H. begraafplaats te
Scharnegoutum.

Sybrand Marinus van
Haersma Buma
(burgemeester) geboren
op 30 december 1903 in
Den Haag, overleden op
11-12-1942 te Conc. kamp
Neuengamme te Hamburg.
Ter gelegenheid van 'Tresoar
op toernee' kwam de zoon
van de naamgever,
oud-burgemeester van
Sneek mr. Bernhardus van
Haersma Buma, in school
vertellen over zijn
vader.
Hij was burgemeester van
Wymbritseradeel, toen
hij op 7 mei 1941 door
de Duitse bezetters werd
gearresteerd. Van
Haersma Buma maakte deel
uit van de O.D. en het
L.O.F, organisaties van
het verzet. Meer dan een
jaar zat hij in het
"Oranjehotel", de
gevangenis in
Scheveningen. Toen werd
hij overgebracht naar
Amersfoort en kwam hij
via Oberhausen in het
concentratiekamp
Neuengamme, waar hij op
11 december 1942 is
gestorven.

Foto van
Jenne de
Haan:
Willem
van der
Bij.
Willem van der Bij,
(hoofd van school) geboren op 18 april 1897
te Berlikum, overleden
op 23-11-1944 te
Neuengamme op 47-jarige
leeftijd.
Willem van der Bij werd
geboren op 18 april 1897
in Berlikum. Hij was het
hoofd van de
christelijke lagere
school (sinds 1961 de
Dr. Wumkesskoalle) te
Joure van 1 september
1929 tot 1 februari 1944
. Van der Bij was lid
van de L.O. in de
gemeente Haskerland. Hij
was een principieel man,
die precies zei hoe hij
over de maatschappij
dacht, wat hem door de
bezetter niet in dank
werd afgenomen. In de
nacht van 1 op 2
februari 1944 werd hij
gearresteerd. Hij stierf
in het concentratiekamp
Neuengamme op 23
november 1944 en werd
begraven op het
Nederlandse ereveld van
Friedhof an der
Seelhorst te Hannover.
Bij de gedenksteen in de
'Jouster toer', de
markante toren van de
hervormde kerk (1644)
aan de Midstraat in het
centrum van Joure, staat
tussen de namen van de
in de Tweede
Wereldoorlog gevallen
inwoners ook die van
Willem van der Bij.
De
"Midstraat
64" te
Mildam,
was het
woonhuis
van het
vroegere
schoolhoofd.
Jenne de
Haan,
uit
Mildam
verteld:
Willem
van der
Bij, was
een man
die
ronduit
zijn
mening
gaf over
de
Duitse
bezetting/ideologie
enz.
enz. Dat
heeft
hem zijn
leven
gekost.
Op de
marmeren
gedenkplaat
in de
school
stond/staat:
"Steunende
op het
Woord,
verdedigde
hij de
Vrijheid."
● Over
wapendroppings
en
stille
helden.
Door:
Wim
Slagter.
'Steunende
op het
Woord
verdedigde
hij de
Vrijheid.'
Vaak heb
ik voor
de
witmarmeren
plaquette
met die
woorden
in de
hal van
mijn
oude
lagere
school
gestaan.
Bij de
gedenksteen
in de
'Jouster
toer',
de
markante
toren
van de
hervormde
kerk
(1644)
aan de
Midstraat
in het
centrum
van
Joure,
staat
tussen
de namen
van de
in de
Tweede
Wereldoorlog
gevallen
inwoners
ook die
van
Willem
van der
Bij.
Hij was
de
hoofdmeester
aan wie
de
gedenkplaat
in de
school
was
gewijd,
omdat
hij zijn
mening
over de
bezetter
niet
onder
stoelen
of
banken
stak. Op
1
februari
1944
werd hij
door de
Duitsers
opgehaald
en pas
anderhalf
jaar
later
hoorde
zijn
familie
dat hij
al in
november
1944 in
het
concentratiekamp
Neuengamme
moest
zijn
vermoord.
Veel
plaatsen
hebben
zo hun
eigen
stille
helden.
Behalve
Van der
Bij
waren
dat in
Joure en
omgeving,
naast
vele
anderen,
de
politieman
Geert
Knol, de
architect
Uilke
Boonstra
en de
veehouder
Jetze
Veldstra,
die op
enige
wijze
bij
verzetsactiviteiten
waren
betrokken.
Naar hen
werden
straten
genoemd
(merkwaardigerwijze
ontbreekt
Van der
Bij
daarbij)
die we
op onze
tocht
nog
zullen
tegenkomen,
maar het
is
belangrijker
om te
weten
dat geen
van
allen de
oorlog
overleefde.
Door
verraad
of na
een
'gewone'
arrestatie
verdwenen
ze uit
het
Jouster
straatbeeld
om er
nooit
meer
terug te
keren...
Knol
werd
doodgeschoten
in
Garmerwolde,
Boonstra
stierf
in kamp
Vught en
Veldstra
had men
in zijn
woonplaats
Ouwsterhaule
na de
oorlog
een warm
welkom
bereid
-toen
het
bericht
kwam dat
hij in
Neuengamme
was
omgebracht.
Buiten
de
bebouwde
kom van
Joure
-in
oostelijke
richting
rijdend
vanaf de
kerk aan
de
Midstraat
komen we
daar via
de Geert
Knolweg-
rijden
we
'boven'
het
verkeersplein
langs en
bij het
eerstvolgende
viaduct
gaan we
steil
naar
boven.
We laten
de
drukke
A7 onder
en
achter
ons en
komen in
het
dorpje
Haskerhorne.
Bij de
kerk
slaan we
rechtsaf
en
meteen
daarna
linksaf,
het
Tsjerkepaed
(Kerkpad)
op. Als
we even
later
rechtsaf
slaan
zien we
nog net
een
boerderij
met een
hoog,
wit
voorhuis
staan.
Daar
woonde
in de
oorlog
een
beruchte,
maar
volgens
de
overlevering
ook niet
al te
slimme
NSB'er:
hoewel
de
normen
voor een
speciale
NSB-burgemeesterscursus
bepaald
niet
hoog
gesteld
waren,
zakte de
man keer
op keer
voor het
examen.
Bij het
eerstvolgende
kruispunt
van
(fiets)paden
gaan we
eerst
even
naar
rechts,
de
Bosweg
op. Na
een paar
honderd
meter is
er
linksaf
een pad
dat naar
een
voormalige
droppingplaats
leidt.
In de
winter
van
1944/1945
hadden
hier
regelmatig
wapendroppings
plaats,
waarbij
een
enkele
keer ook
parachutisten
landden.
Een van
hen was
Peter
Tazelaar
('Tony'),
uit deze
streek
afkomstig
en een
bekende
Engelandvaarder.
Via een
naar hem
genoemd
schelpenpad
gaat het
in de
richting
van
Sintjohannesga.
Een
aantal
boerderijen
in de
omgeving
diende
als
opslagplaats
voor de
gedropte
wapens.
De route
lijkt
bij
voorkeur
geschikt
voor een
tochtje
in de
lente.
Afwisselend
rijden
we door
bossen,
over
boomrijke
singels
en over
smalle
weggetjes
door de
grazige
Friese
weiden,
waar de
eerste
lammetjes
van dit
jaar
over
elkaar
heen
tuimelen
en waar
het echt
naar
voorjaar
'ruikt'.
Dat ook
in deze
landelijke
omgeving
de
bezetter
dikwijls
meedogenloos
optrad,
kan zo
al snel
worden
vergeten.
We zijn
inmiddels
een paar
keer
rechtsaf
geslagen
en via
de
Veenscheiding
op de
Kadijk
beland.
De
eerste
afslag
links is
de
Kerkhoflaan
en
waarom
deze weg
zo is
genoemd,
wordt al
spoedig
duidelijk.
Achter
op de
begraafplaats
van
Sintjohannesga
-waarvan
de naam
eerder
op het
voormalige
St.-Jansklooster
bij
Sneek,
dan op
de
bekende
evangelist
terug te
voeren
zou
zijn-
staat
een
opvallend
monument,
met
bijzondere
aandacht
voor een
aantal
plaatselijke
slachtoffers
én een
soldaat,
luisterend
naar de
on-Nederlandse
naam
Richard
Jung.
Deze
Tsjech
van
geboorte
deserteerde
uit het
Duitse
leger en
belandde
na vele
omzwervingen
in
Friesland,
waar hij
zich
voor de
Nederlandse
Binnenlandse
Strijdkrachten
(NBS)
inzette.
Bij de
bevrijding
door de
Canadezen
van
Joure,
op 15
april
1945,
sneuvelde
Jung in
het
nabijgelegen
Scharsterbrug.
Hij ligt
hier
overigens
niet
(meer):
Jungs
stoffelijk
overschot
werd
vorig
jaar
-zonder
medeweten
van de
gemeentelijke
autoriteiten-
opgegraven
en
herbegraven
op het
militaire
ereveld
te
Loenen.
Terug
naar de
Kadijk.
Tegen
een
straffe
zuidwester
in
fietsen
we naar
het
Tjeukemeer.
Onderweg
(rechtsaf
het
Bospad,
daarna
links
over de
Wolvedyk)
steken
we de
Kampweg
over. Er
is niets
meer van
te zien,
maar op
dit
kruispunt
stonden
vroeger
de
barakken
van het
kamp 'De
Wite
Peal'.
In de
jaren
dertig
waren er
arbeiders
gehuisvest
die in
een van
de
destijds
gebruikelijke
werkloosheidsprojecten
werkzaam
waren.
Van
augustus
tot
oktober
1942
hielden
de
Duitsers
hier
ruim 120
Friese
joden
vast,
voordat
ze via
Westerbork
verder
werden
gedeporteerd.
Ná de
oorlog
fungeerde
het kamp
nog een
tijdlang
als
opvang
voor
tientallen
Molukse
gezinnen.
Via de
Meerweg
wordt
het
Tjeukemeer
bereikt.
Op dit
meer
speelde
zich in
de
herfst
van 1940
een
tragisch
voorval
af, toen
vijf
verzetsmensen
'snachts
met een
watervliegtuig
voor de
overtocht
naar
Engeland
zouden
worden
opgepikt.
Een bij
het meer
wonende
vrouw
vertrouwde
het
zaakje
niet en
alarmeerde
de
politie.
Het
vijftal
werd,
nadat
een
eerste
poging
wegens
de mist
was
afgeblazen,
de
volgende
ochtend
gearresteerd.
De
piloot
van het
watervliegtuigje,
de uit
Joure
afkomstige
Haye
Schaper,
kon de
volgende
avond
slechts
ternauwernood
aan de
door de
Duitsers
opgezette
hinderlaag
ontsnappen.
Twee van
de vijf
'Engelandvaarders'
overleefden
de
oorlog
niet.
Fietsend
over de
Skrédyk,
linksaf
de Jetze
Veldstraweg
op en
daarna
het
mooie
stuk
langs de
Skarsterrien
kiezend,
arriveren
we in
Scharsterbrug
waar in
april
1945
hevige
gevechten
tussen
Duitsers
en
geallieerde
troepen
plaatshadden
en waar
Richard
Jung ver
van zijn
vaderland
de dood
vond.
Teruggekeerd
in Joure
(door
twee
tunneltjes,
daarna
op de
Scheen
de
tweede
weg
links
nemen:
Uilke
Boonstralaan,
aan het
einde:
rechtsaf)
rijden
we ten
slotte
nog op
de
Harddraversweg
-enigszins
achter
de
rooilijn,
huisnummers
23-25-
langs
het
voormalig
distributiekantoor
dat, als
eerste
in
Nederland,
op 14
oktober
1942
door
verzetsmensen
van zijn
bonkaarten
werd
beroofd.
Eenmaal
in de
Midstraat
komen we
weer uit
bij ons
startpunt,
de
gedenksteen
aan de
kerktoren.
'Hwant
mei God
en mei
minsken
haste
striden
en dou
hast
oermastere.'
Die
tekst
uit
Genesis
draagt
in de
meidagen
eigenlijk
altijd
een
bijzonder
tintje.
Bron:
www.trouw.nl