|
Friese Verzetsstrijders - bevrijders en andere
betrokkenen.
A |
B | C |
D | E |
F | G |
H | J |
K | L |
M | N |
O | P |
R | S |
T | V |
W | IJ |
Z |
Sipke Jacob Baarsma,
(Onderwijzer) geboren 11 augustus
1920 te Zwaagwesteinde, overleden op 10 april 1945 te
Katerveer.
Sipke Jacob
Baarsma
is op 11
april 1945 bij de brug van Katerveer (bij Zwolle) samen met
negen anderen gefusilleerd, geboren 11 augustus 1920
(Onderwijzer te Emmen). Hij sloot zich al vroeg aan bij het
verzet (Hij was ondercommandant van de Nederlandse
Binnenlandse Strijdkrachten) en toen de eerste onderduikers
in Dalfsen aankwamen werden zij ondergebracht bij boeren.
Toen er steeds meer kwamen werden er tenten in de bossen
opgeslagen en gaf Baarsma zijn vrije tijd aan het verzorgen
van deze onderduikers. Toen de hongerwinter aanbrak en de
scholen dicht waren was hij onophoudelijk bezig met het
verzamelen van eten en was hij voortdurend bij hen. De
meeste onderduikers in de tenten waren aangesloten bij de
BS. Na enige tijd moest Baarsma zelf ook onderduiken, waarna
hij zich aansloot bij het verzet in Zwolle (KP Zwolle). Zijn
schuilnaam was 'Sip'. Op 31 maart 1945 woonde hij in Zwolle
een vergadering bij in het huis van een andere
verzetsdeelnemer. De vraag hoe de bevrijding van Willem
Lindenboom (leider KP Zwolle) uit het ziekenhuis te
bewerkstelligen stond centraal. De vergadering werd echter
verraden en de deelnemers werden gearresteerd. Baarsma is op
11 april 1945 gefusilleerd, samen met negen anderen. Hij
licht begraven met militaire eer op 24 April 1945 te Dalfsen.
Dalfsen, grafmonument voor S.J.
Baarsma.
Jhr. Paul Marinus van Baerdt van
Sminia, geboren op 27 maart 1901 te Leeuwarden, overleden op
24-04-1945 te Sandbostel,
Neuengamme.
Sinds 1
augustus 1934 burgemeester van Utingeradeel. Streefde er
naar om de uitgave van de tweede distributiestamkaart te
saboteren. Hielp piloten en andere onderduikers en steunde
deze financieel. Begin 1944 werd het rayonhoofd van de LO
gearresteerd en de burgemeester reed op zijn bromfiets naar
Akkrum om het rayonhoofd persoonlijk te helpen te
ontvluchten. Toen de SD de man een uur later wilde ophalen
was hij al gevlogen. De volgende dag werd hij zelf
gearresteerd. Hij ging niet in op het aanbod van het verzet
om hem te bevrijden uit de gevangenis van Leeuwarden. Hij
wilde niet dat anderen hun leven zouden wagen voor hem. In
april 1945 toen de Canadezen zijn gemeente hadden bevrijd
ging hij op transport en kwam terecht in Sandbostel. Veel
mensen uit het transport stierven onderweg en veel andere
bleken te lijden aan vlektyfus. Zo ook de burgemeester. Hij
overleed aan de gevolgen van vlektyfus.
Paul Marinus jonkheer van Baerdt van Sminia werd in 1901 geboren in Leeuwarden. De familie woonde op landgoed De Klinze in Oudwoude. Van Sminia studeerde in 1927 af en vertrok meteen naar Nederlands-Indië waar hij particulier secretaris van de gouverneur-generaal werd, eerst De Graeff en later De Jonge. In 1934 kwam hij terug naar Fryslân, om burgemeester van Utingeradeel te worden. Utingeradeel valt tegenwoordig onder Boarnsterhim en omvatte de plaatsen Akkrum, Aldeboarn, Terkaple en Terherne.
De suggestie dat Van Beardt van Sminia zou heulen met de vijand is te gek voor woorden, vindt zoon Hobbe. Zijn vader wist juist als een van de eersten hoe verwerpelijk het Duitse regime was. De burgemeester had dat meegekregen van zijn oom Van Limburg Stirum, die Nederlands gezant in Berlijn was en die al vroeg door had wat Hitler van plan was. De anti-Duitse Van Limburg Stirum stak zijn mening niet onder stoelen of banken en werd het land uitgezet omdat hij volgens de nazi’s ‘te oorlogzuchtig’ was, vertelt Hobbe van Sminia.
Tijdens de bezetting van Nederland hielp de burgemeester neergestorte geallieerde piloten het land uit te komen. Hiervoor is hij postuum onderscheiden door de Canadese regering. Van Sminia liep begin 1944 tegen de lamp toen hij de reservesleutel van de cel in het gemeentehuis van Akkrum ter beschikking stelde zodat verzetsman Sjerp de Vries kon vluchten. De burgemeester werd verraden. Hobbe van Sminia, toen tien jaar, kan zich het nog goed herinneren dat hun huis in Aldeboarn door de Duitsers werd omsingeld en zijn vader werd weggevoerd. Het was de laatste keer dat hij hem in leven zag.
De Duitsers vonden in de gemeentekluis belastend materiaal dat de burgemeester in verband bracht met de pilotensmokkel. Van Sminia werd opgesloten in de Leeuwarder gevangenis. Het verzet bood aan hem te bevrijden, maar dat sloeg hij af omdat hij vreesde dat represailles het leven zou kosten van vele onschuldigen. Van Sminia werd met de trein naar Amersfoort gebracht en belandde uiteindelijk in kamp Neuengamme in Duitsland. Over zijn tijd in het kamp is niet veel bekend, behalve dat hij er is gemarteld.
Het verhaal dat het verzet Van Sminia wilde bevrijden tijdens de treinreis van Leeuwarden naar Amersfoort én tijdens het vervoer naar Neuengamme, wijst Hobbe van Sminia naar het land der fabelen. Een aanval op het transport naar Neuengamme lijkt zoon Hobbe onmogelijk. ,,Bovendien, zo belangrijk was mijn vader nou ook weer niet.’’ Wel heeft het verzet zijn moeder gevraagd zijn vader achterna te reizen. Zij zag dat haar man door bewakers naar Amersfoort werd gebracht.
Een inwoner van Akkrum die ook vastzat in Neuengamme, vertelde dat de burgemeester in het kamp door de Duitsers was gefusilleerd. Volgens de officiële lezing stierf hij aan vlektyfus. Geen van deze twee lezingen klopt. Aan het einde van de oorlog gebeurde het geregeld dat de Duitsers gevangenen op een schip zetten met de bedoeling dat het door de geallieerden tot zinken zou worden gebracht. Ook gevangenen uit Neuengamme werden op de trein naar havenstad Lübeck gezet om daar scheep te gaan. Hobbe van Sminia heeft begrepen dat de geallieerden hier lucht van kregen en luchtlandingstroepen in de regio hadden gedropt. ,,Maar ook dat heb ik niet zwart op wit’’, zegt hij. De Duitsers besloten hoe dan ook de trein te laten keren, richting Hamburg. De trein stopte op het station van Sandbostel. Daar werd een aantal gevangenen, onder wie burgemeester Paul Marinus jonkheer van Baerdt van Sminia, op een dag in april doodgeschoten en in een massagraf begraven.
Een arts, een kennis van de familie, was getuige van de moord op Van Sminia. ,,Mijn vader had vlektyfus en was hoe dan ook gestorven maar de arts heeft hem nog gesproken, en gezien dat hij werd doodgeschoten’’, zegt Hobbe van Sminia. Verrassend snel kregen zijn moeder, zijn broer Frank en hij het bericht dat vader bij Sandbostel was gedood. ,,Dat zal rond 15 april zijn geweest’’ – precies de dagen dat Fryslân werd bevrijd.

Jan Bakker, geboren op
13 februari 1912
te Den Helder,
overleden op 15-11-1944 te Leeuwarden.
Jan Hendrik Bakker,
(bakker) geboren op
2 juli 1894
te Sneek, overleden in de nacht van 13 op 14 juli 1944 te Sneek.
Douwe Sikke Bangma,
(Keurmeester) geboren
op 21 mei 1897 te Munnekeburen, overleden op 02-05-1945 te Trelleborg
(Zweden).
Nam al vroeg in 1940 deel aan verzetsactiviteiten
en was vooral betrokken bij verschaffen van
onderduikadressen aan Joden. Op 2 maart 1945 werd zijn
verzetsgroep opgerold door de de Grenzschutz op verzoek van
de SD in Leeuwarden. Bangma zat eerst gevangen in Leeuwarden
en Groningen en ging later naar Neuengamme, waar hij ernstig
ziek werd. Door toedoen van het Zweedse Rode Kruis werden
hij en een groot aantal medegevangenen uit het kamp per
schip naar Zweden overgebracht. Deze hulpoperatie stond
onder leiding van de bekende graaf Bernadotte. Bangma kwam
erg verzwakt aan in Zweden en is daar kort na zijn aankomst
op 2 mei 1945 overleden. In eerste instantie is hij ook in
Zweden begraven. Later is hij herbegraven op de Centrale
Begraafplaats in Stockholm. In Roordahuizum is een straat naar hem vernoemd.
Sijtze Bartsma, (aannemer-timmerman) geboren op 26 januari
1887 te Wolsum, overleden op 03-05-1945 te Lübeck.
Bartsma had een zender in huis
ten behoeve van contacten met de BS. Een gearresteerde heeft
waarschijnlijk tijdens een mishandeling zijn naam prijsgegeven, want
op 9 februari 1945 viel de SD het huis binnen. Op dat tijstip was
Bartsma niet thuis, maar hij werd later op de Oostgrachtswal in
Leeuwarden gearresteerd en afgevoerd naar het beruchte Scholtenshuis
in Groningen. Vandaar kwam hij terecht in in het concentratiekamp
Neuengamme. Tijdens de oorlog werd dit kamp ontruimd en veel
gevangenen werden naar Lübeck afgevoerd. In de Lübeckerbocht lagen
een aantal koopvaardijschepen die dienst deden als drijvend
concentratiekamp. Bartsma werd op de Athen ondergebracht, maar later
wegens dysenterie naar de Cap d'Ancona overgebracht, waar
benedendeks 4600 gevangenen zaten samengeperst. De Duitsers schoten
vanaf deze schepen met luchtdoelraketten op overvliegende
geallieerde vliegtuigen, die daarop de boten bombardeerde. Bij een
bombardement op 3 mei 1945 kwam Bartsma om het leven. Hij is
vermoedelijk verdronken.
Ids. de Beer, (koopman) geboren op 7 juni
1916 te Nes, overleden op 02-02-1945 te Leeuwarden.
De Beer was handelsreiziger en woonde in Nes. Hij was lid van de
LO van Dokkum. Zijn verzetsnaam was "Viervoeter". Nadat door een
massa executie aan de Woudweg te Dokkum twintig gevangenen op 22
januari 1945 waren doodgeschoten, zochten alle verzetsmensen uit de
regio zo snel mogelijk een veilig heenkomen en doken onder. Ook De
Beer stond op de lijst met gezochte en werd uiteindelijk op 2
februari ontdekt op een schuiladres in Leeuwarden. Hij poogde te
vluchten, maar werd neergeschoten en overleed nog diezelfde dag aan
zijn verwondingen. (Wiebe Baron zat ook in het verzet, op 22 januari 1945 is hij aan de dood ontsnapt, maar Ids de Beer
werd doodgeschoten voor de ogen van de vrouw van Wiebe Baron).
De Beer was gereformeerd en handelde vanuit zijn bijbelse
overtuigingen tegen het onrecht. Hij was getrouwd en liet een vrouw
en twee kinderen na. Hij ligt begraven op de Hervormde Begraafplaats
te Nes. In dit dorp is voor hem en anderen een gedenkteken
opgericht.
Nicolaas
Herman Bergsteijn, (gemeenteambtenaar) geboren op 4 oktober 1919 te Naarden.
Overleden op 8 maart 1945 te Apeldoorn.
Hij was ambtenaar op het gemeentesecretarie
van Woudenberg. Door zijn toedoen kregen velen een vals
persoonsbewijs bovendien werden er in augustus 1942 250 blanco
persoonsbewijzen, een register en stempels gestolen. Daarnaast werd
het hele bevolkingsregister vermist. Bergsteijn werd verdacht van de
diefstal en op 7 augustus 1942 moest hij onderduiken. Sindsdien
werkte hij in de illegaliteit in oost en noord Nederland. Hij was
lid van de groep Theo Dobbe en werkte mee aan diverse overvallen op
distributiekantoren en hielp onderduikers in Friesland en Twente. In
1944 werd hij lid van de raad van verzet en werkte hij voor de
Engelse inlichtingendienst. Hij was belast met de organisatie van
provinciale inlichten diensten in Groningen, Friesland, Drenthe en
Overijssel. Op 19 februari 1945 viel hij door verraad in Duitse
handen en werd naar Kamp Amersfoort gebracht. Op 8 maart 1945 werd
hij als represaille voor de aanslag op Rauter bij de Woeste Hoeve
gefusilleerd. Hij ligt begraven op de begraafplaats 'de Rusthof' bij
Amersfoort.
G. J. Blauw, (Ambtenaar) geboren 23 mei 1923
te Drachten,
overleden op 08-06-1945 te Worth aan de Donau, hij werd begraven op het Nederlandse Ereveld te Frankfurt.
Ereveld Frankfurt am Main.
Het ereveld telt 756 graven van Nederlanders
die omkwamen in Zuid-Duitsland. Op het ereveld is een stenen
drieluik met de namen van nog eens 242 slachtoffers die hier
niet konden worden begraven.
Gerrit Bleeker, (Kandidaat notaris, res 1 luitenant, 3 RI) geboren op 20
februari 1909 te Leeuwarden,
overleden op 15-4-1945 te Kollumerland.
Tijdens de meidagen vocht hij mee als militair maar
na de capitulatie verbond hij zich aan de OD. Tijdens de bevrijding
van Friesland trad hij actief op. Op zondag 15 april 1945 was hij in
Kollumerland aan de Soesterdijk waar een motor met een Duitse
soldaat aankwam rijden. De Duitser stak zijn handen omhoog alsof hij
zich wilde overgeven. Het was echter alleen maar tijdrekken, hetgeen
bleek, toen een vrachtwagen met Duitse soldaten aan kwam rijden. De
Duitse motorrijder zag kans de vrachtwagen te waarschuwen waarna er
een vuurgevecht ontstond. Twee mensen werden dodelijk getroffen,
Gerrit Bleeker en Jakob de Graaf overleden diezelfde dag. De kandidaat-notaris te Kollum werd begraven op de
Algemene begraafplaats te Kollum. In dit dorp is een straat naar hem
vernoemd.
Franke Bles, (kantoorbediende te Heerenveen) geboren op 4 juli 1923
te Terband, overleden op 31-05-1945 te Bergen-Belsen.
In verband met zijn verzetsactiviteiten, zoals het
wegbrengen van bonkaarten en valse persoonsbewijzen, sliep Bles
doorgaans niet in het ouderlijk huis. Toen dit door omstandigheden
op 10 mei 1944 wel gebeurde, deden Landwachters een huiszoeking.
Bles werd gearresteerd toen in zijn jaszak bezwarende papieren
werden gevonden. Via het Huis van Bewaring in Leeuwarden kwam hij
terecht in kamp Amersfoort. Uiteindelijk werd hij gedeporteerd naar
het concentratiekamp Bergen-Belsen, waar hij op 31 mei 1945 stierf.
Pieter Blom, geboren op 30 september 1912
te Murmerwoude
(thans Damwoude),
overleden op 26-11-1944 bij de Engelsmanplaat.
Hij was nachtwaker
in het gemeentehuis in Drachten. Tijdens de bezetting gaf hij onder
de schuilnaam 'Sjors' leiding aan de Knokploeg in Drenthe. Eind
november 1944 was hij met een helper en twee piloten die bij Diever
waren neergeschoten, op weg naar het drenkelingenhuisje op de
Engelsmanplaat tussen Ameland en Schiermonnikoog. Met Engeland was
de afspraak gemaakt, dat hier een boot de vliegers zou oppikken. Er
was een sein afgesproken, maar toen de boot verscheen klopte dit
teken niet helemaal. Het schip verdween weer en de vier mannen
bleven op het eiland tot het voedsel opraakte. Toen ging Blom het
Wad op om hulp te halen. Hij verdween op 26 november 1944. Zijn
stoffelijke overschot spoelde aan op het strand van het Duitse
Borkum. Men constateerde dat Piet Blom was neergeschoten. Tot op de
dag van vandaag is niet duidelijk wie hiervoor verantwoordelijk is.
Blom werd begraven op de Algemene Zuiderbegraafplaats in Drachten.
De drie overgebleven mannen op de Engelsmanplaat zijn op eigen
gelegenheid naar de vaste wal gelopen. De twee piloten hebben de
bevrijding van Friesland in de omgeving van Drachten afgewacht.
|
Vluchten via Engelsmanplaat.
Een van de bijzondere landschappen in Noord-Nederland is het
waddengebied. Al meer dan zestig jaar gaan er verhalen rond
dat dit gebied een bijzondere rol zou hebben gespeeld in de
oorlog. Twee kleine eilanden aan weerszijde van
Schiermonnikoog, Engelsmanplaat en Simonszand, zouden
vluchtroutes zijn voor neergeschoten Amerikanen op weg naar
Engeland. Waarschijnlijk is er maar één poging geweest en
die is op een tragische manier mislukt.
In de winter van 1941 verscheen een Küstenverordnung van de
Rijkscommissaris, waarbij de kust en dus ook het gehele
waddengebied tot verboden gebied werden verklaard, slechts
toegankelijk met een Ausweis. De eilanden hadden alle een
bezetting, alleen de kale zandplaten Engelsmanplaat en
Simonszand waren onbezet gebied en te voet bereikbaar. In de
boeken over de bekende verzetsgroep Zwaantje te Delfzijl van
dokter Allard Oosterhuis en coasterkapitein Harry Roossien
staat dat er plannen zijn geweest om via Simonszand
geallieerde piloten en andere personen, die naar Engeland
moesten uitwijken, bij nacht over het wad te leiden en hen
vervolgens op te pikken met een duikboot. De bekende
wadloper Derk Schortinghuis, die ook in het verzet zat, zou
hierbij een belangrijke rol spelen. In Engeland moest men
uiteraard meewerken door een boot op de afgesproken tijd
gereed te houden. In codeberichten droeg Engelsmanplaat de
naam Transvaal en Simonszand de naam Oranje Vrijstaat. In de
literatuur hierover staat echter nergens dat een dergelijke
vlucht naar de vrijheid via Simonszand is gerealiseerd,
zelfs niet in het boek dat Schortinghuis schreef over het
verzet en zijn bemoeienis daarmee. De bekende
Schiermonnikoog en Engelsmanplaat-kenner Durk Reitsma heeft
in gesprekken met vissers en reddingbootschippers gehoord
dat het ‘indianenverhalen’ waren. Lopen naar Simonszand was
veel te riskant. ‘Wie zou er genoeg kennis van het wad
hebben om ’s nachts deze dertien kilometer lange tocht te
maken en wie zou er van de Engelse kant voldoende kennis
hebben van de Lauwersgronden om Simonszand te bereiken?’, zo
luiden de uitspraken van deze zegslieden.
Anders is dat bij Engelsmanplaat. Daar is één keer een
poging geweest om twee neergeschoten Amerikanen te laten
ontsnappen naar Engeland. Een van die Amerikanen was Harry
Dolph, een boordschutter van de bommenwerper True Love. Op
15 augustus 1944 werd het vliegtuig boven Havelte
neergehaald door een Messerschmitt van Oberleutenant Ernst
Scheufele. Dolph wist zich te redden met een parachute en
werd opgevangen door mensen van de ondergrondse, die hem via
Steenwijk naar Meppel brachten, waar hij een persoonsbewijs
kreeg van Peter van den Hurk. Van daaruit verbeef hij een
tijd in het onderduikershol Wigwam in de bossen bij Diever,
waar hij op 17 september Jim Moulton ontmoette, een
staartschutter die eveneens met zijn vliegtuig was
neergeschoten. Een maand later ontmoetten beide Amerikanen
Sjors, schuilnaam voor Piet Blom uit Drachten, en Nico uit
Rotterdam. Beide heren zeiden lid te zijn van een
ondergrondse verzetsbeweging en hadden plannen om Dolph en
Moulton via Engelsmanplaat naar Groot-Brittannië te brengen.
Op 30 oktober verlieten ze Diever en via Hoornsterzwaag,
Olterterp, Rottevalle en Oostermeer bereikten ze Suameer. In
het boek The Evader schrijft Harry Dolph dat hij hier de
koerierster Greta Rusk (schuilnaam) ontmoette, waarop hij
verliefd werd, en die hem meedeelde dat Nico lid was van de
NSB en voor de SD werkte. Sjors was wel te vertrouwen.
Via Noordoost-Friesland kwamen de vier mannen uiteindelijk
aan in Paesens, het vertrekpunt voor de wadlooptocht naar
Engelsmanplaat. Een bericht van de BBC zou een aanwijzing
geven als er een boot kwam om ze op te halen.
Harry Dolph is op 19 juni 1984 teruggeweest op de
Engelsmanplaat en heeft toen een persconferentie gegeven. De
mededelingen die hij toen gedaan heeft, kloppen niet met het
verhaal uit zijn boek dat is verschenen in 1991. Hij liet op
die bijeenkomst ook niet het achterste van zijn tong zien.
Volgens zijn boek zouden de vier mannen op 15 november om
22.30 uur naar de Engelsmanplaat gebracht zijn door Teun de
Jong en Jan Visser. Op de persbijeenkomst vertelt Dolph dat
ze gebracht zijn door de vissers Monte de Vries en Kees
Vanger; dit laatste blijkt ook uit de vele interviews die in
de loop der jaren met de De Vries en Vanger zijn gemaakt.
Met koffers met proviand en wapens vertrokken ze in de
nacht. De maan verlichtte bij vlagen door de wolken het
grillige waddenlandschap en er stond weinig wind. Langs de
strekdammen van de landaanwinning was het zwaar in het
slibrijke en ijskoude water. De vaargeul moest worden
overgestoken en een van de gidsen waarschuwde voor de steile
rand. Dolph plaatste zijn koffer op het hoofd en viel min of
meer in de geul. Hij ging kopje onder en de koffer dreef mee
met de stroom. Nadat ze nog een geultje gepasseerd waren,
kwamen ze op het zandige wad ten zuiden van de plaat. Daar
stond een reddingshuisje waar ze de dagen zouden
doorbrengen. Onderweg zagen ze een gestrande
tweemansduikboot en een aangespoelde Duitse zeemijn. De
mannen betrokken hun verblijf. Ze mochten ’s nachts geen
vuur stoken en overdag niet op de plaat wandelen, want de
bewaking vanaf de vuurtoren van Schiermonnikoog hield het
gehele zeegat tussen Ameland en Schiermonnikoog in de gaten.
De twee gidsen gingen de volgende dag terug naar Paesens.
Er was afgesproken dat als de boot de mannen zou oppikken de
wapens begraven zouden worden op vijf meter afstand van de
voorste paal van het huisje. Tussen het reddingshuisje en
het Wierumer Gat, waar de snelboot zou landen, bedroeg de
afstand maar vijfhonderd meter. De volgende nacht zaten de
mannen vol spanning te wachten op een afgesproken teken van
de Engelse boot. Sjors, die de leiding had, zag een boot en
wachtte op het teken. Vanaf het schip zou een V-teken
geseind worden, maar tot hun verbazing was het een omgekeerd
V-teken. De verhalen via de interviews en volgens het boek
van Dolph zijn hierover zeer verschillend. Volgens het boek
hebben de Amerikanen de lichten niet gezien omdat ze
sliepen. Uit interviews blijkt dat Sjors het niet
vertrouwde, terwijl Nico en de Amerikanen Sjors probeerden
over te halen om gezamenlijk naar het schip te gaan.
Uiteindelijk is dit niet gebeurd.
De Vries en Vanger kwamen de volgende nacht terug om de
revolvers te halen en troffen de vier mannen in het huisje.
Sjors schreef een nieuw briefje voor een koerierster met de
tekst ‘Code verkeerd, we zitten nog steeds te wachten.’ De
koerierster moest naar Hoogezand om daar de mensen in
Engeland op de hoogte te stellen.
Ondertussen zaten de vier mannen al twaalf dagen op het
eiland. Ze werden bevoorraad door Jan Visser en door De
Vries en Vanger. In al die tijd is er geen boot uit Engeland
meer gekomen. De situatie op het eilandje werd er niet beter
op. Overdag zaten ze in het huisje en alleen ’s nachts
konden ze naar buiten. De kans dat ze ontdekt werden werd
steeds groter, want Duitse militairen kwamen regelmatig op
de plaat om te zoeken naar aangespoelde lijken.
Toen De Vries en Vanger weer eten en drinken brachten,
liepen Nico en de Amerikanen hen tegemoet. Sjors was er niet
bij. Volgens Nico was Sjors de dag daarvoor naar de vaste
wal gelopen om hulp te halen, maar daar is hij nooit
aangekomen. De drie wilden met alle geweld mee naar de
overkant. Vanger en De Vries wisten hen echter te overtuigen
dat ze niet overdag mee konden, omdat ze dan regelrecht in
de handen van de Duitsers zouden vallen.
De volgende dag, 1 december, werden ze opgehaald door Sieb
Visser. Deze toen 24-jarige bakkersknecht woonde in Nes en
wilde een Ausweis hebben; daarom werkte hij als timmerman op
de bunkers tussen Wierum en Nes bij de Wehrmacht. Tijdens
het aanbrengen van de prikkeldraadversperring zag hij kans
om de zendmast drie keer onklaar te maken. Hij was een
zwager van Jan Visser, zeehondenjager, visser en jutter.
Ondanks het verbod gingen ze samen vaak jutten op
Engelsmanplaat.
Op 20 juni 1984 interview ik hem in zijn woning in Lekkum.
‘Op de plaat spoelden lijken aan, maar ook zaken die van
onze gading waren, zoals 48 jerrycans met benzine en blikjes
thee en sigaretten. Overdag zat ik in het huisje.’ Hoewel
sommige bronnen zeggen dat Sieb en Jan Visser de Amerikanen
van de wal hebben gehaald, vertelt Sieb uitdrukkelijk dat
hij dat alleen heeft gedaan, nadat hij van Jan gehoord had
dat de mensen van de plaat gehaald moesten worden. ‘Toen ik
op de plaat kwam waren ze allemaal uitgeput en ik heb ze
eten en drinken gegeven. Ze vertelden dat Sjors met Nico
geprobeerd had de wal te bereiken. De terugtocht ’s nachts
duurde wel vier uur. Het eerste deel vanaf het huisje naar
de vaargeul ging redelijk goed, maar door de geul en de
slikkige gronden naar de kust ging het tempo van de totaal
uitgeputte mannen omlaag. Uiteindelijk bracht ik ze naar het
huis van mijn vader en broer.’
De Amerikanen brachten de laatste oorlogsmaanden door bij de
dames Liezenberg in Dokkum en op een adres in Birdaard.
Tijdens de opmars van de Canadese bevrijders voegden ze zich
bij de troepen en vochten zelfs nog mee tegen de Duitsers.
Het bleek achteraf onmogelijk dat Sjors op het door Nico
vermelde tijdstip naar de kust was gelopen, omdat er te veel
water stond. Enkele weken later werd het lijk van Sjors
gevonden op Rottumeroog met een kogelgat in zijn hoofd. Wat
er zich precies heeft afgespeeld op de Engelsmanplaat is
nooit onthuld. Sieb Visser: ‘Volgens mijn zwager Jan was
Nico een NSB’er. Na de oorlog is Nico doodgeschoten als
collaborateur.’ Ook Dolph schrijft in zijn boek dat Nico in
april 1945 is geëxecuteerd, omdat hij Sjors zou hebben
doodgeschoten. Volgens Dolph is dat laatste niet waar. Durk
Reitsma, die de komst van Dolph in 1984 op Engelsmanplaat
mede had georganiseerd, vertelt dat hij Harry Dolph op de
plaat had zien lopen: ‘Die man liep met een gebogen hoofd
over de plaat, de armen op z’n rug. Hij praatte met z’n
vrouw en zei vervolgens laten we deze zaak maar niet meer
moesten aankaarten. Het is duidelijk dat hij er niet over
wilde praten.’
Er bestaat nog een andere versie over de dood van Sjors. In
het zojuist verschenen standaardwerk ‘Een laatste saluut,
Fryslân in de oorlog’, schrijft Jack Kooistra, journalist
van het Friesch Dagblad, dat Piet Blom (Sjors)
vrijwel zeker is doodgeschoten door Sieb Visser. Jack
Kooistra weet mij te vertellen dat hij meerdere versies
hierover heeft gehoord en dat hij tot deze toch zeer
stellige bewering is gekomen uit de vele interviews die hij
heeft gedaan in deze zaak. ‘Doorslaggevend voor mij was een
bandopname van een inmiddels overleden bron, waarop Sieb
Visser huilend bekende dat hij Piet Blom had doodgeschoten
op Engelsmanplaat.’ Kooistra weet verder te vermelden dat
Visser een omstreden figuur was en dat het bekend was dat
het tussen hem en Blom niet boterde. Alle personen zijn
inmiddels overleden en het verhaal dat Harry Dolph in zijn
testament opheldering zou geven, bleek niet te kloppen;
daarmee heeft hij het geheim rond de dood van Sjors
meegenomen in zijn graf.
Duidelijk is dat het waddengebied van Engelsmanplaat en
Simonszand geen gestroomlijnde vluchtlijn was naar de
vrijheid.
Jan Abrahamse. |
Andries de Boer, (veearts) geboren op
3 maart 1888 te Gorredijk,
overleden op 13-04-1945 te Wolterdingen.
Tijdens de Tweede
Wereldoorlog was hij lid van het verzet en bood hij hulp aan
onderduikers. Op 29 december 1944 werd De Boer door de bezetter
opgepakt. Hij kwam om het leven in het Duitse Wolterdingen op 13
april 1945.
Op het kerkhof in
Wolterdingen staan 3 grote houten kruizen van een der laatste
massagraven van het Hitler Fascisme.
Gedeporteerde
Concentratiegevangenen. Verhongert en murw geslagen kort voor de
Britse troepen in het oord aankwamen. Achterop de grafsteen staat
geschreven, Andries de Boer geboren 3 maart 1888 in Gorredijk,
gestorven 13 april 1945 in Woltersdingen. Eén van 269 doden..


Andries de Boer,één
van 269.
Dit is een
biografie van Andries de Boer één van 269 doden ,die op het
Wolterdingen kerkhof werd begraven.
Samengesteld door
familie, vrienden en historica uit Friesland.
Andries de Boer werd
3 maart 1888 in het kleine stadje Gorredijk geboren. In het hart van
Friesland,als tweede zoon van de familie. Zijn vader was bakker die
stierf toen Andries 11 jaar oud was aan kanker. Zijn moeder runde
de bakkerij alleen verder en heeft dan niet veel tijd meer voor de
kinderen. Andries is erg in zichzelf gekeerd een dromer, hij leest
veel boeken en verzorgt graag dieren. Met dieren wou hij ook later
nog te doen hebben. Hij wil dierenarts worden en laat zich van dit
besluit niet meer afbrengen.... school studie een huwelijk en een
eigen praktijk in de buurt gelukte hem dan ook. Verder gaf hij nog
enige artikelen uit in tijdschriften over dieren.
Voor een Nederlander
was in die tijd Zuid-Afrika het land der dromen voor een ieder die
iets voor dieren overhad. De Boer geeft zijn
goedlopende praktijk op en vertrekt met zijn familie naar
Zuid-Afrika om in opdracht van de regering te werken. Doch de
realiteit was niet zo zaligmakend, hij had hiervan veel meer
verwacht het reizen van de farm naar zijn familie, en de soms ook
wekenlange afwezigheid van de familie. Voor de Engelse boeren
blijft de Fries een mens van andere klasse.
De Boer kan zich
daardoor slecht aanpassen hem bevalt de arrogantie en de brutaliteit
van deze bewoners niet en zijn heimwee wordt steeds groter. Het
echtpaar de Boer kunnen de omgeving van het Friese landschap niet
vergeten ook niet de liedjes die ze avonds zongen ze gaan dan weer
terug naar Friesland.
In Noordwolde in het
zuidelijke deel van Friesland wordt een huis gekocht,waarin ook een
dierenartspraktijk is. Andries gaat er vol tegenaan in zijn beroep,
zijn vrouw Roelofje doet de huishouding. Dochter Tine en de
buurjongen genieten volop de vriendschap van deze zwijgzame man, hij
neemt de kinderen af en toe mee als hij naar de boerderijen gaat, ze
helpen thuis mee in het kippenhok waar hij bezig is om nieuwe
mooiere rassen te kweken. Naast zijn werk als dierenarts speelt hij
ook eenmaal in de week in een Cafe een paar rondjes biljard, tennist
met zijn collega's, hengelen en kievietseieren zoeken. Zo vult
Andries zijn vrije tijd in en in de wintermaanden leest hij graag,
hierbij steeds een pijp of een sigaar tussen zijn vingers geklemd.
Hij gaat niet veel uit om muziek of het theater te bezoeken, de
radio geeft hem genoeg informatie.
Sociale en politieke activiteiten,
zoals door zijn vader in een socialistische organisatie werd
gehandhaafd, is niet zijn ding. Door middel van het lezen en door
het radionieuws geïnformeerd blijft Andries de Boer sceptisch over
de toespraken en acties van de Kerk en Staat. Als de
Duitsers in 1940 Holland bezetten wordt hem bewust wat het betekenen
kan in de handen van de nazi's te vallen. Hij kent deze energie der
beweging hij heeft gehoord van de haat tegenover de joden en het
vermoorden van deze mensen. Hij heeft angst om zijn familie en wil
dat zijn dochter na haar tandarts studie in de buurt blijft wonen.
Inmiddels over de 50 jaren oud, donkerblond met grijze haren
vermengd.. maak hij zich geen illusies over de machten die nu ook
zijn wereld in de macht hebben.
Vol angst is moeder
Roelofje als zij hoort dat haar dochter in 1943 joodse onderduikers
heeft. Een jaar later 1944.. duizenden Nederlanders zijn uit angst
voor gevangenschap en werk op het land gevlucht en houden zich hier
verborgen. Nu nemen ook de Boers twee onderduikers op in hun huis,
daar deze ook verre familie was van de Boer wist hij dat dit niet
levensgevaarlijk was. Ondersteund werden ze door illegale groepen
die levenmiddelen op de bon en voor valse papieren zorgden.
In Noordwolde zijn arbeiders, artsen, griffiers en handelaren, die
een geheime kring hebben georganiseerd. De Boer is niet daarbij.
Sommige die hem kennen, weten dat hij zwijgend toestemde en wegkeek
als zijn voertuig in de kleine uurtjes weg was en voor clandestien
vervoer werd gebruikt.
Eind 1944....Sinds
eind september zijn de engelse en de Amerikanen aan de Duitse grens,
maar het landen in Arnhem is mislukt en al de hoop op de bevrijding
door de geallieerden is vervlogen. De
vijfde kerst in oorlog in Nederland is voorbij
en iedere nacht vallen de bommen over Friesland. Het verzet is in de
bevolking is gegroeid, de SS (Security
Service) heeft
zich in de stad geplaatst en wil met geweld de verzetsgroep
vernietigen. Een man die opgepakt werd door de SD werd geprest en
zwaar mishandeld door hen.. en hij praat, geeft namen aan en wil
hiermee een einde maken aan zijn martelingen. Hij noemt namen van
dokters ook de Boers naam is erbij.. de SD sluiten nu om velen in
het net.
29 December 1944 10
uur in de ochtend is het moment waarop
de Handlangers van de veiligheidsdienst naar het huis gaan van
De Boer... door
het lawaai van de motoren in aantocht werden de bewoners opmerkzaam
gemaakt. Jan de buurjongen en Gerke de jongen van de overkant
spoeden zich naar huis van De Boer...maar even later worden ze
verzocht met hun onderduikers het huis te verlaten De boer schreeuwt
schiet mij toch dood. Twee mannen stellen het geweer in aanslag aan
de overkant van de straat, daar ontdekt een de bewakers de
nieuwsgierige Gerke die vlabij zijn huis in een greppel beschutting
gezocht had. De man schiet en treft Gerke. De Boer wordt opgedragen
de wond aan zijn hals te verzorgen. Dan volgt zijn arrestatie... het
einde van een razzia.
In Noordwolde en
omgeving heeft het hetzelfde tafereel zich meermalen herhaald. Die
mensen werden gevangen genomen. De Crackstate gevangenis in
Heerenveen werd in de volgende weken de ergste fase van hun leven.
Verhoor, marteling, de mensen werden geslagen verhoord en tot
zelfmoord gedreven. Zo ook De Boer, die blijft bij zijn mening niets
met het verzet te doen te hebben gehad. Na vele folteringen gaan ze
De Boer die koppig blijft zwijgen psychisch aanpakken. Wij weten dat
jij niets hebt gedaan zegt een der SS mannen. Waarom laat je me dan
niet vrij vraagt De Boer aan hem. Alle dommen laten wij naar huis
gaan alleen de intellectuele houden wij als Duits-vijandig vast, was
het antwoord van de SS'er. Andries werd vervoert via Amersfoort naar
Duitsland waar hij in een kamp terecht kwam, hier maakte hij enkele
vrienden waar hij goed mee kon praten. Het leven was er slecht, maar
hij werd niet meer gemarteld....Hij wist nog een brief het kamp uit
te smokkelen.... De brief kwam maanden na zijn overlijden aan bij
zijn vrouw Roelofje.
Crackstate 1944-1945.
De periode 1944-1945 vormt
een trieste dissonant in de geschiedenis van Crackstate.
Het in 1890 achter het pand gebouwde Huis van Bewaring
was toen de uitvalsbasis van een niets ontziend Duits
SD-Kommando, dat bijna acht maanden lang in
Friesland,Drenthe en de Kop van Overijssel dood en
verderf zaaide. Veel gevangen genomen en hier opgesloten
leden van de illegaliteit (het georganiseerde verzet)
zouden de martelingen niet overleven. Van de gevangenen
vonden enkele tientallen de dood; ze werden
geëxecuteerd, stierven onder helse
ondervragingstechnieken, pleegden zelfmoord of kwamen om
in Duitse concentratiekampen.
Het Commando Kronberger
arriveerde op 14 oktober 1944 in Heerenveen
(Zuid-Nederland was toen al bevrijd) met als voornaamste
opdracht het Duitse bezettingsleger te beschermen tegen
sabotage en spionage. Commandant van de gevreesde
politie-eenheid was de Oostenrijkse SS-Hauptsturmführer
Erich Karl Kronberger, een voormalige goudsmid uit
Wenen. Hij voerde het bevel over zo'n veertig man, die
het noordelijke platteland gewetenloos terroriseerden.
In de eerste oorlogsjaren
verbleven er hoofdzakelijk gevangen genomen Joden,
alsmede mensen die op verdenking van economische
delicten waren opgepakt, zoals zwarthandelaren. Na
aankomst van de SS-eenheid werd het Nederlandse
bewakingspersoneelonmiddellijk op straat gezet.
Door de gewelddadige
verhoormethoden sloegen veel gevangenen door met als
gevolg dat in de winter van 1944/1945 honderden
verzetsmensen werden opgepakt. Vooral de ondergrondse in
de omgeving van Noordwolde, Wolvega en Echtenerbrug leed
onder deze golf van arrestaties. Op het hoogtepunt van
de aanhoudingen zaten tussen de twee- en driehonderd
mannen en vrouwen achter Crackstate, dichtopeengepakt in
veel te kleine cellen en onder onvoorstelbaar slechte
hygiënische omstandigheden. Een overval op de gevangenis
is door het verzet wel overwogen, maar de risico's
werden vanwege de zeer zware bewaking te groot geacht.
Slechts eenmaal slaagde men er in om twee gevangenen uit
Crackstate te bevrijden. Dat was in september 1944, vlak
voor de overname door de gevreesde SD.
Douwe de Boer, (postbode), geboren op
4 april 1890 te Gaast,
omgekomen in Kamp Vught op 2 juni 1944, 54 jaar.
|
Jouke de Boer, (Student in
veeartsenijkunde) (zoon
van het hoofd van de Landbouwschool in Sneek),
geboren op 26 augustus 1922 te
Rinsumageest,
overleden op 10-04-1945
in het Concentratiekamp Sachsenhausen te
Oranienburg.
Jelle Boersma, (veehouder in
Karlijk) geboren op 17
februari 1910 te Oosterzee, overleden op 17-3-1945 te Doniaga.
Zijn
boerderij lag in de buurt van het afwerpterrein van geallieerde
wapens en munitie in het Katlijker Schar (Elke
afwerpplek had een eigen code. Zo luidde de slagzin voor het
Ketliker Skar 'De worm heeft rode haren'. Wanneer verzetsmensen
deze code voor de Belgische uitzending van de BBC hadden
gehoord, konden zij 's nachts een dropping verwachten. De wapens
werden ondergebracht in de hier vlakbij gelegen boerderij
'Moskou' van de familie Lykle Mulder en van daaruit
gedistribueerd. Boersma hoorde bij de ontvangstploeg, die na de
dropping de wapens distribueerde)Verschillende
containers gingen naar de Knokploeg Echtenerbrug, waar op 3
januari 1945 arrestaties volgden. Op 23 januari arresteerde de
Sicherheitsdienst Boersma in Katlijk. De gevangenen werden naar
Crackstate in Heerenveen gebracht, waar ze zwaar werden
verhoord. Op 17 maart 1945 werd Boersma samen met negen andere
gevangenen in Doniaga gefusilleerd,
35 jaar oud.
Hij werd begraven op de Algemene begraafplaats in Nieuwehorne.
De gedenksteen in de boerderij
van Schotanus herinnert de inwoners van Doniaga (gemeente
Scharsterland) aan de fusillade op 17 maart 1945 van tien
gevangenen uit de Heerenveense gevangenis Crackstate.
De namen van de tien slachtoffers luiden:
Roelof Knol, 22 jaar. uit Meppel.
Wiepke Hof, 28 jaar, uit Echtenerbrug.
Yde Yntema, 43 jaar, uit Hemelum.
Siebe de Ruiter, 63 jaar, uit Oudehaske.
Dirk de Ruiter zijn zoon, 23 jaar, uit Oudehaske.
Albert Koopman, 28 jaar, uit Echten.
Jan Hornstra, 44 jaar, uit Wijkel.
Hotse Brouwer, 34 jaar, uit Haskerhorne.
Thomas Kuurstra, 21 jaar, uit Harlingen.
Jelle Boersma, 34 jaar, uit Katlijk.
Doniaga,
gedenksteen in de boerderij van Schotanus ...
Sij(y)bren Jan Boersma, geboren op
5 augustus 1920 te Hallum, overleden op 21-07-1945 te Nijmegen.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog
was hij lid van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten.
Tijdens het opstellen van een groepsfoto van oud-leden van de
Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten in Ferwerd ging een
vuurwapen af, waardoor Boersma ernstig werd verwond. Hij stierf
in het ziekenhuis van Nijmegen op 21 juli 1945 en werd begraven
op de N.H. begraafplaats in Hallum.
Willem Boeijenga, (bakker) geboren op 25
september 1909 te Lollum, overleden op 08-08-1944 te Gauw.
Boeijenga was lid van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers Wymbritseradeel. Hij werd op 8 augustus 1944 gearresteerd voor
het huisvesten van een Joodse vrouw Suze (door verraad van Pieter
Bergsma, de veldwachterconciërge van het Akkrumer gemeentehuis)
Hij is meteen na zijn arrestatie gefusilleerd. Suze werd naar een
concentratiekamp gedeporteerd. Willem ligt begraven op de N.H.
begraafplaats bij de kerk in Gauw.
Oorlogsmonumenten.
Jan Bokma, (boekhouder) geboren
op 11 maart 1924 te Grouw, overleden op
12-11-1944 te Husum-Schwesing,
Neuengamme
Hij werd gearresteerd in de trein tussen Meppel en Zwolle, toen hij als boekhouder van een Meppeler
bouwonderneming op weg was naar Wezep om de lonen uit te betalen
aan de daar werkzame arbeiders. Hoewel hij een persoonsbewijs
kon tonen dat in orde was, werd Bokma toch naar kamp Ommen
gebracht. Via kamp Amersfoort kwam hij terecht in het
concentratiekamp Neuengamme, waar hij ten gevolge van
ontberingen op 12 november 1944 is overleden. Bokma werd
begraven op Ereveld Loenen.
Ereveld Loenen.
Gedenkplaats Neuengamme.
Het gedenkteken te Neuengamme
kan nu 20.400 mensen met een naam aangeven. Met zekerheid kan
worden afgeleid dat 42.900 gevangenen Neuengamme niet
overleefden.
Johannes Martinus Boleij,
(Ambt. belastingen) geboren op 15 januari1914
te Duisburg,
overleden op 22-04-1945 te Buchenwald.
Johannes Martinus Boleij werd geboren op 15
januari 1914 in Duisburg (Duitsland). Hij werd via kamp
Amersfoort naar het concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd,
waar hij op 22 april 1945 overleed.
De overval.
Jacobus Johannes Boomsma
(Kruidenier), geboren op 6 juli 1910 te Sondel, overleden op
06-11-1944 te Sneek.
Deed aan Jodenhulp en bracht veel
Joden onder op de verschillende plaatsen. Zijn verzetsnaam was
Karel I. Op een dag werd hij bijna gearresteerd door een Duitser
die in zijn winkel kwam en zich afvroeg waarom hij zich niet als
krijgsgevangenen had gemeld. Een snelle ingeving redde Boomsma
en hij verwees de Duitsers naar een niet bestaand adres enkele
honderden meters verderop. Toen de woedende Duitser terugkwam
was Boomsma reeds gevlucht. In de herfst van 1943 moest hij
onderduiken wegens verraad. Als ondergedoken oud-militair en
districtleider van de Landelijke Organisatie voor hulp aan
Onderduikers in de Zuidwesthoek van Friesland, wist Boomsma
(onder de schuilnaam 'Karel I') vele onderduikers en joden onder
te brengen op schuiladressen in Gaasterland. Later werd hij
vanwege zijn goede leidinggevende kwaliteiten en
organisatorische kwaliteiten districtleider van van de LO in
Sneek. Op maandagmorgen 6 november 1944 vervoegde hij zich tot
het huis van J. Volkers, dat op dat moment door de SD was bezet.
Toen hij aan de Oosterkade in Sneek, waar de centrale van de
Knokploeg was gevestigd, aanbelde, deed de bezetter open. Toen
die hem sommeerde binnen te komen riep Boomsma: 'Dat nooit!' en
hij vluchtte. Daarbij werd hij echter geraakt door Duitse kogels
en hij overleed ter plekke. De Duitsers bepaalde dat hij zonder
kist begraven moest worden, iets dat door zijn vrienden werd
voorkomen. Zij begroeven hem in een noodkist, die enkele dagen
daarna werd opgegraven en werd vervangen door een echte kist.
Deze werd in het bijzijn van zijn vrouw (Sietske Boomsma-Van der Werff,
die op maandag 6 november 1944 in hun winkel in Sondel de papieren
kreeg overhandigd van haar man: Jacobus Johannes Boomsma, dat
hij was doodgeschoten door de Duitsers) begraven. Op 12 juni 1945 werd
deze kist onder zeer grote belangstelling herbegraven op de N.H.
begraafplaats in Sondel. In dit dorp werd tevens een straat naar
hem vernoemd, net als in de stad Bolsward. Zijn zoon, die enkele
dagen na de bevrijding werd geboren, kreeg de namen Jacobus
Johannes Karel, de doopnamen én de verzetsnaam van zijn vader.
Jacobus Johannes Boomsma
(roepnaam Koos) uit Sondel was precies twee jaar getrouwd, toen
in 1939 weer gemobiliseerd werd. Met de tijd van zijn
krijgsgevangenschap er bij, was hij negen maanden uit de zaak –
een lelijke tegenvaller voor een jongeman, al had hij een flinke
vrouw en toegewijd personeel. Maar dat was niet de voornaamste
reden waarom hij in het verzet ging. Koos was jong en sterk en
kon geen onrecht verdragen. Alles in hem verzette zich tegen de
Duitse terreur en de jacht op Joden en arbeidsslaven. Als
vanzelf begon hij in 1942 joden onder te brengen en van die tijd
af raakte hij hoe langer hoe dieper verzeild in het illegale
werk. Tot die treurige maandagmorgen, 6 november 1944, toen een
Duitse kogel een einde maakte aan zijn bruisende activiteiten.
Hij was toen 34 jaar oud en liet een vrouw met drie kinderen
achter. De vierde werd 10 mei 1945 geboren en kreeg de naam
Jacobus Johannes Karel. De laatste naam was Koos’ alias,
waaronder hij in heel Friesland bekend werd.
De winkel in Sondel was door zijn vader opgewerkt en van alles
wat in een dorp nodig was werd er in verkocht; kruidenierswaren,
manufacturen, brandstof, drogisterijartikelen, fourage. De
fouragehandel was door een broer overgenomen, de rest door Koos.
De handel zat de hele familie in het bloed, de handel met z’n
drukte, geroep, beweging, praten, organiseren en argumenteren.
Maar Koos was niet van plan om zijn leven lang in de winkel te
Sondel te slijten; hij bekwaamde zich voor een administratieve
functie met organisatorische kanten. Maar ondertussen behartigde
hij zijn zaak goed, de zaak die voor een groot deel de omzet
haalde met uitbreng in een wijd rayon. En daardoor kende hij de
gemeente Gaasterland als zijn broekzak.
Dat maakte hem zo geschikt voor het illegale werk. Koos stak
zijn afkeer van de Duitsers niet onder stoelen en banken, zodat
hij door iedereen vertrouwd werd als vaderlander. Toen dan ook
een jonge dominee uit Holland plaats zocht voor een stel joden,
vroeg hij Koos. Het was in 1942 en het kwam spoedig klaar. Dit
was het begin, maar spoedig volgden er meer. Sjouke van Joure
was begonnen met het afvoeren van joden, eerst vooral kinderen,
uit Holland. Al spoedig hadden beide mannen een warm contact tot
heil van de vervolgden. Een onderduiker uit de omgeving van
Sneek, ,,Homme”, was een tijdje in Beverwijk geweest, maar daar
was het nog groter heksenketel dan in Friesland. Hij kwam terug
en dook, tot het einde van de oorlog, onder bij Koos. Joden, die
daar niet meer veilig waren, kwamen naar Gaasterland en werden
vanuit Sondel verzorgd. En natuurlijk waren er talloze andere
onderduikers, zoals Jan Schotanus uit Oudemirdum, die geruild
werd tegen die uit andere plaatsen. Zij allen moesten van
bonkaarten en andere papieren worden voorzien. Het werd
langzamerhand een heel bedrijf.
In Sondel was een moffenkamp
met radarapparatuur enzovoort. De Duitsers die zich daar
ophielden, waren tamelijk ongevaarlijk voor het illegale werk.
Zij wisten wel dat er onderduikers waren en kenden zelfs
adressen, doch verraden deden ze niets, zolang er geen sprake of
schijn was van militaire sabotage. Maar onder de Nederlanders
bleek wel een verrader te zitten. Eind april ’43 moesten de
Nederlandse militairen zich weer in krijgsgevangenschap begeven.
Gesteund door de meistaking dacht Koos er niet aan om zich te
melden. Onderduiken vond hij ook onnodig – alles leek hem
veilig. Een half jaar lang was dat ook het geval.
Maar op 5 november ’43 meldde zich een Duitser in de winkel, die
vertelde opdracht te hebben de voormalige sergeant J.J. Boomsma
mee te nemen naar De Lemmer – als krijgsgevangene. Koos stond de
man zelf te woord en vertelde hem dat hij zich vergiste. Er
woonden veel Boomsma’s in Sondel en de sergeant die hij moest
hebben woonde vijfhonderd meter verderop. De plaatsaanduiding
was heel precies, maar toen de mof daar kwam stond er geen huis.
Hij terug, maar ,,toevallig” was Koos toen net even weg.
De Duitser, die overigens de kwaadste niet leek, was woedend dat
hij bij de neus was genomen. Mevrouw Boomsma keek heel
onschuldig: nee, zij wist niet waar haar man heen gegaan was.
Een knecht die terugkwam, wist het evenmin. De Duitser brieste
en wilde mevrouw meenemen toen het wachten hem verveelde. Op dat
moment kwam de dokter, door Koos gewaarschuwd. De Duitser liet
mevrouw geen ogenblik alleen, maar toch wist de dokter haar toe
te fluisteren: Ga een tijd van huis. Dat wilde zij ook wel, want
haar zoontje moest geopereerd worden. De dokter onderzocht het
opnieuw en wist de Duitser over te halen mevrouw thuis te laten
om het zieke kind. Diezelfde avond nog werden vrouw en kind naar
Leeuwarden gebracht, waar ze bleven tot het volledige herstel
van Piet.
Het was aan alle kanten duidelijk, dat Koos verraden was. Een
Duitser zei tegen zijn vrouw: U zou er van opkijken als u wist
wie het overbriefde, maar hij noemde geen naam. De dader is
nooit met zekerheid bekend geworden, maar vermoedelijk is het
geen NSB-er geweest.
Terwijl zijn vrouw met
toegewijde hulp de zaken voortzette, dook Koos onder op een
bevriend en veilig adres in Sneek. Nu kon hij zich helemaal
wijden aan het illegale werk en hij deed dat met inzet van zijn
volle, sterke persoonlijkheid. Spoedig viel hij op om zijn
organisatievermogen en leiderstalent.
Hij kwam precies op tijd. Juist toen hij ingewerkt raakte, werd
U. Boonstra te Joure gearresteerd en moest Sjouke duiken. Van
een afstand probeerde die het werk nog wat te regelen, maar zijn
voornaamste zorg was opvolgers te vinden. Zijn oomzegger kreeg
de leiding van de KP (Knokploeg) en die van de LO kwam
grotendeels op Koos’ brede schouders terecht. Het ging, zoals
het steeds ging in de illegaliteit. Een benoeming vond niet
plaats; men werd het, omdat men er geschikt voor bevonden werd.
Al spoedig werd hij de leider van het district Sneek genoemd,
door de organisatie die zich principieel tegen het
leidersbeginsel verzette.
Maar het leiderschap van Karel – zo werd hij toen genoemd en
later, toen ook uit Drachten een Karel op het provinciale toneel
verscheen: Karel 1 - had ’n heel ander karakter dan dat bij de
NSB. Toen hij nog Koos heette, had hij door zijn
joviaal gemoedelijk optreden zijn medewerkers in de zaak aan
zich weten te binden en tot zelfstandig optreden gestimuleerd.
In zijn omspringen met de illegale medewerkers deed hij
hetzelfde. Men herkende in hen de koopman, die met goed
getroffen woorden tot ,,zaken” wist te komen. Nonchalant
gemoedelijk sprong hij met de mannen om, sloeg de één joviaal op
de rug, beurde de ander met een stimulerende opmerking op,
maakte allen enthousiast, en wist de overmoedige op tijd ,,del
te bêdzjen”. Maar de teamgeest die hij op die wijze bevorderde,
zou hij nooit bereikt hebben, wanneer hij niet gelijkertijd
telkens bereid was de mannen bij te staan en te helpen in
moeilijke of gevaarlijke opdrachten. Men wist dat men op Karel
kon rekenen en daarom werkte men zo hard voor en met hem.
Zij grootste talenten
ontplooide Karel als organisator van het district. Tot dan toe
was alles uit Joure met de losse teugel geleid. Dat had in het
begin goede vruchten afgeworpen, maar door de uitbreiding van
het werk tot een ,,bedrijf” moest er meer organisatie geschapen
worden. Karel was er juist de man voor om dit in te zien.
Het district Sneek omvatte 21 gemeenten. Die werden nu ingedeeld
in rayons, elk bestaande uit één of meer grietenijen. Het
rayonhoofd onderhield de contacten met Sneek en met de
gemeentelijke en/of plaatselijke contacten. Zoals elders ook was
er een nauw en hecht contact met de KP-en die over het district
verspreid zaten. Koeriersters onderhielden de verbindingen.
Uiteraard volbracht Karel dit niet alleen. Hij was zo gelukkig
een kern van medewerkers bij zich te hebben, die stuk voor stuk
ook zelfstandig konden opereren. In zeker opzicht was dit goed
ook, want vanuit Sneek was alles beslist niet te dirigeren. De
grondslag van het verzet lag in de plaatselijke medewerkers, die
terug moesten kunnen vallen op een centrale, die de
moeilijkheden uit eigen ervaring kenden. Daarvoor waren velen
nodig die ieder hun eigen bijdrage leverden aan het geheel. Ze
waren er, die felle mannen serieus en consciëntieus, die af en
toe ook wat gemoedelijke nonchalance van Karel ook corrigeerden.
Het is de grote verdienste van Karel geweest, dat hij al deze
uiteenlopende types die snel reageerden en voortvarend handelden
tot een efficiënt werkend team wist te vormen en te bewaren,
gebaseerd op goede persoonlijke verhoudingen. De moed, die hij
als het er op aan kwam toonde en de opgewekte toon die hij wiste
te treffen, smeedde Sneek aaneen tot een hecht en zeer
zelfstandig district.
Geen rancune.
Toen Karel in de schoenen van
Wiersma stapte, had men mogen verwachten dat hij deze ook zou
opvolgen als lid van de provinciale top. Hoewel Drachten dit
voorstelde, wensten de drie Leeuwarders een ander systeem,
namelijk het instituut van reizende ,,inspecteurs” voor het
onderhouden met het contact met de districtshoofden. Die "zware" figuren behoefden dan niet elke week naar Leeuwarden te
reizen in ’t steeds gevaarlijker wordende Friesland. Bovendien
was Karel nogal opvallend door zijn lengte (bijna twee meter).
Dit systeem bracht niet wat men er van verwachtte. De
verhoudingen in de illegaliteit werden hoofdzakelijk bepaald
door het persoonlijk contact, waardoor men elkaars
persoonlijkheid en kundigheid leerde kennen en waarderen. Waren
die voldoende, dan accepteerde men ook het leiderschap. Dit
contact ging nu verloren en dit werd al een groot bezwaar
gevoeld, vooral in Sneek, waar nieuwe mannen de leiding namen,
die de provinciale leiders nauwelijks persoonlijk kenden.
Dit passeren van het grootste district wekte bij deze mannen
ernstige ontstemming en spoorde hen tot des te groter
inspanning. Langzaam maar zeker ontstond een verwijdering. Dat
voelde ook De Jong uit Leeuwarden, toen die de leiding van de
Friese LO in augustus overnam. Deze gaf zich veel moeite om de
oude vertrouwelijke samenwerking te herstellen. In een onderhoud
dat hij met het district voerde bleek, dat Karel geen rancune
voelde tegen Leeuwarden en kwam spoedig tot overeen stemming: de
vertegenwoordigers van de districten werden weer in de top
opgenomen en daaronder Karel.
Het kwaad was echter al geschied, want spoedig kwamen andere
leiders uit het district met het bezwaar, dat Karel teveel tegen
Leeuwarden aanleunde. Zij wensten eigen voorzieningen, zoals op
’t gebied van de falsificatie en financiën en zetten dit door op
een voortreffelijke wijze. Maar deze onderlinge verschillen van
inzicht deden geen afbreuk aan de goede verhoudingen in het
district. Karel bleef de spil en voelde zich verantwoordelijk
voor al z’n vrienden,medewerkers. En het was juist de
bezorgdheid over drie van hem, die de aanleiding werd tot zijn
dood, zoals nu zal blijken.
In Hennaarderadeel zat verraad,
het kon niet anders. Maar wie was de verrader? Peter, Jaap en
Gelf besloten een onderzoek in te stellen. De eerstgenoemde twee
hadden besloten hun wapens thuis te laten en toen Gelf zijn
pistool wel bij zich gestoken had, werd hem gevraagd dit ook in
Bolsward achter te laten. Hij stemde hiermee in, maar vergat
iets. En dat bracht later de hele expeditie in gevaar. In
Hennaarderadeel opereerde in die tijd een afdeling Duitse Zoll
(douane) die sterke steun kreeg van de beruchte Mous, die door
het veemgericht ter dood werd veroordeeld en in Dokkum
neergeschoten, en diens helper Van Dijk. De Duitsers hadden hun
kwartier gemaakt in een café in Wommels en daar waren ook hun
handlangers regelmatig bij hen. Vermoed werd, dat daar de
verrader ook wel kwam. In ieder geval werden afspraken gemaakt
om toezicht te houden en zo de aanbrenger te ontmaskeren. Die
nacht sliepen de drie mannen in Spannum. Er waren in die tijd
telkens veel Duitsers in actie, wellicht omdat zij een vermoeden
hadden omtrent wapendroppings op Pankoeken onder Witmarsum. Hoe
dit zij, de volgende morgen werden de illegale vrienden alle
drie in Wommels gearresteerd en voor verhoor meegenomen.
Het was op dat moment dat twee hunner zich realiseerden dat zij
zeer bezwarend materiaal bij zich hadden. Peter had een brief
meegekregen voor een onderduiker en twee persoonsbewijzen teveel
op zak. En Gelf schoot het te binnen, dat hij wel zijn pistool,
maar niet zijn gevulde patroonhouder weggelegd had. Die zat nog
in een vakje in zijn beurs……
Natuurlijk begonnen de Duitsers
meteen met ondervraging en fouillering. Jaap kwam er goed af,
die had niets bij zich. Een tijdlang ging het ook met Gelf goed,
totdat ze zijn beurs openmaakten. Hij stond doodsangsten uit.
Straks, dacht hij, vinden ze wat ik door mijn vergeetachtigheid
bij mij gehouden heb en dan is alles uit. Niet alleen mijn eigen
leven is dan verloren, maar eveneens dat van mijn beide
vrienden.
En toen gebeurde het wonder. Terwijl de onderzoeker van de beurs
één vakje daarvan had gecontroleerd, werd hij door de commandant
weggeroepen. Hij deed met gewoonte gebaar de beurs dicht en
legde die op tafel. Toen hij terug kwam zag hij er niet meer in.
Kennelijk verkeerde hij in de veronderstelling die al helemaal
nagezien te hebben…..
Peter had ondertussen kans gezien de brief en de twee overige
persoonsbewijzen onder een tafelkleedje te frommelen. Daardoor
leverde fouillering ook bij hem niets op. Toen hij weer bij dat
tafeltje kwam, wist hij ze weer bij zich te steken. De drie
mannen werden afgevoerd naar een cel op het gemeentehuis, waar
Peter meteen begon met de bezwarende papieren op te eten.
Uiteraard kon Gelf niet zo gemakkelijk van zijn belastend
materiaal afkomen. De mannen hadden juist weer moed gegrepen,
toen alles opnieuw misliep. Een boerendochter, bij wie Peter al
eens een gezellige zomeravond doorbracht, was getuige geweest
van diens wegleiding door de Duitsers. Meteen herinnerde zij
zich de oude liefde en ze besloot hem in de cel te verrassen. Ze
maakte een pakketje levensmiddelen klaar en verzocht de bewaker
dat af te geven aan …..Havinga. dat was zijn werkelijke naam,
maar die was de Duitsers onbekend. Vandaar dat zij gevraagd werd
even mee te komen!
Toen bij de cel Havinga
geroepen werd, verroerde Peter zich niet. Wel schoten allerlei
gedachten door hem heen en hij vroeg zich af, wat de Duitsers
van Havinga wisten en hoe ze achter zijn identiteit gekomen
waren. Lang behoefte hij niet te wachten , want de
boerendochter, die inmiddels een vermoeden kreeg van wat er
speelde, werd geprest hem ondanks haar tegenzin aan te wijzen.
En toen volgde een nieuw en hardhandig verhoor. Hoe kon hij
Havinga heten en een persoonsbewijs hebben op naam van Smedema,
aangevuld met beschermende papieren als vrijstelling van d
arbeidsinzet?
Het is niet te zeggen wat men in zo’n geval harder doet: bidden
of nadenken. Peter deed beiden tegelijk en had zijn verhaal op
tijd klaar. Hij vertelde de Duitsers dat hij inderdaad Havinga
was. Toen hij een oproep kreeg om zich voor het verrichten van
persoonlijke arbeid te melden, was hij bang geworden. Hij kon zo
moeilijk van huis. Terwijl hij daar mee ompakte, was hij onder
Nijland een kennis tegen gekomen, een zekere Zijlstra,
politieman uit Franeker. Die had om zijn angst gelachen en
gezegd dat hij hem wel kon helpen. Hij kon hem een absoluut
betrouwbaar stel papieren leveren, maar de prijs was vijfhonderd
gulden. De koop was gesloten en nu meende Havinga volkomen
veilig te zijn, mits hij zich maar Smedema noemde.
Dat was het verhaal dat hij zo aannemelijk mogelijk voordroeg en
ook onder verdere mishandelingen volhield. Zijlstra was een
goede medewerker in Franeker geweest, maar hij had zich tijdig
uit de voeten gemaakt, toen het gevaar te dichtbij kwam. Een
politieman die onderdook, had in de ogen van de Duitsers toch
al een doodzonde begaan en dus nam Peter de vrijheid daar nog
maar een schepje op te doen – Zijstra bleek dit achteraf ook
volkomen begrijpelijk te vinden.
Natuurlijk werd geprobeerd het verhaal te controleren, maar
Zijlstra bleef onvindbaar. De drie mannen waren inmiddels naar
Leeuwarden overgebracht en daar opgesloten, behalve wanneer
Peter weer verhoord werd. Hij kreeg drie dagen de tijd om zich
nog maar eens te bedenken, maar hoorde daarna niets meer.
Bewakers zorgden weer voor contact met de buitenwereld.
Tenslotte werden de mannen op transport gesteld naar Drente,
waar ze moesten graven. Twee dagen later liepen ze weg naar
Drachten en waren spoedig weer thuis en aan het werk. En een van
hem schreef aan zijn moeder: als ik later ongelovig word, ben ik
de ondankbaarste hond die er bestaat….
Ondertussen had zich in Sneek
een verschrikkelijk drama afgespeeld. Een heel enkele keer kwam
Karel een zondag thuis. Sinds hij ondergedoken was, hadden de
Duitsers geen inval weer gedaan en af en toe werd het verlangen
hem te sterk. Dan kwam hij ’s zaterdags bij donker thuis, bleef
de hele zondag binnen en verdween maandagmorgen in de vroegte
weer.
Dat gebeurde ook op de morgen van 6 november. Ongehinderd
fietste hij naar Sneek. Normaal nam hij eerst polshoogte op zijn
onderduikadres, dat nog steeds veilig was. Nu dreef de
bezorgdheid over zijn vrienden hem naar een adres dat alleen
voor dit doeleinde jongste informatie over Peter, Jaap en Gelf
hoopte te krijgen. Ook dit was een adres dat alleen voor dit
doeleind gebruikt werd en overigens "schoon" was.
Wat Karel niet kon weten was, dat bij een willekeurige razzia
daar huiszoeking was gedaan en daar werd een radio gevonden. De
eigenaar was op het politiebureau ingesloten. Het feit zelf werd
niet streng beoordeeld en daarom maakten de illegale leider in
Sneek zich niet al te ongerust over het lot van deze man. Wel
deed dat een politieman. Zonder overleg met de illegaliteit nam
hij het moedige besluit om de man los te laten en zelf ook onder
te duiken. Pas toen kwamen de Duitsers op de gedachten, dat het
hier wellicht een illegale werker betrof. Zij betrokken de wacht
in het huis…..
Toen Karel aanbelde, werd opengedaan door een mof. Karel begreep
dat het mis was en zette het op een lopen. De Duitser schoot,
miste en schoot nogmaals. Karel stortte neer en was meteen dood,
zijn vrienden in grote verslagenheid achter latend.
De Duitsers bepaalden dat het
lichaam zonder kist begraven moest worden. Men slaagde er in dit
gebod in zoverre te overtreden, dat er een noodkist gebruikt
werd. Spoedig na de moord raasde een Duitse auto naar Sondel.
Een officier stapte uit om met zijn mannen huiszoeking te doen.
Mevrouw Boomsma begreep dat het mis was en toen zij hoorde dat
haar man gedood was, trad zij de moffen met de grootste
brutaliteit tegemoet. De stamkaarten in een tas wist zij nog in
een wasmachine te deponeren, waar ze niet gevonden werden. De
werkster gaf zij opdracht de geldkist op de boenstoep tussen de
potten en pannen te zetten. Ook die werd niet gevonden, maar
vrijwel al het overige werd door de Duitsers weggesleept. Daarna
kreeg mevrouw de opdracht het huis te verlaten, maar dat
weigerde zij. Met wat hulp werd via de burgemeester bereikt dat
zij mocht blijven. Ook bij de ouders van Koos werd huiszoeking
gedaan, maar bezwarend materiaal werd niet gevonden. Uit de
verhoren bleek, dat de Duitsers nog steeds twijfelden of Koos en
Karel dezelfde persoon waren.
Donderdagmorgen om vijf uur stapte mevrouw Boomsma op de fiets
en begaf zich naar Sneek. Daar hadden vrienden van haar man
diens lichaam in de nacht opgegraven. Toen het dag werd, zag zij
hem voor de laatste maal. Zijn gezicht was ontspannen en vredig,
een bloedstreep langs de hals toonde aan waar de eerste kogel
gemist had. De tweede was hem van achteren in het ruggemerg
gedrongen. Zwijgend werd het lichaam in een zware eiken kist
gelegd en toen opnieuw begraven. De kleren, de ring en het
horloge waren door de goede zorgen van ,,Bontje” goed bewaard en
aan Koos’ vrouw ter hand gesteld.
Op 12 juni 1945 werd de kist opnieuw uitgegraven en onder grote
belangstelling en talloze familie en vrienden opnieuw op het
kerkhof van Sondel begraven.
Bron: Friesch Dagblad 1964
Sijbren Jan Boersma, geboren op
5 augustus 1920 te Hallum, overleden op 21-7-1945 te Nijmegen.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog
was hij lid van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten.
Tijdens het opstellen van een groepsfoto van oud-leden van de
Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten in Ferwerd ging een
vuurwapen af, waardoor Boersma ernstig werd verwond. Hij stierf
in het ziekenhuis van Nijmegen op 21 juli 1945 en werd begraven
op de hervormde begraafplaats in Hallum.
Uilke Boonstra, (Bouwkundig
opzichter) geboren te Huizum op 9 januari 1899. Omgebracht in Kamp Vught op 18
augustus 1944.
Hij was
bouwkundig opzichter en makelaar in Joure. Tijdens de bezetting
was Boonstra lid van de leiding van de Landelijke Organisatie
voor hulp aan Onderduikers in Friesland en van de regionale
Knokploeg. Op 1 februari 1944 werd hij gearresteerd. Na een
halfjaar werd hij weer vrijgelaten, waarna hij doorging met zijn
verzetswerk. Op 8 augustus 1944 werd hij op terugweg van
Holland, waar hij een vluchtroute voor geallieerde piloten via
Delfzijl-Engelsmanplaat naar Engeland had voorbereid, tijdens
een controle op het station in Heerenveen gearresteerd.
Vermoedelijk werd hij na zijn eerste vrijlating geschaduwd en
vervolgens opgepakt op beschuldiging van spionage en sabotage.
Op 18 augustus werd hij gefusilleerd in Vught, samen met de ter
dood veroordeelde leden van de Evenhuisgroep te Leeuwarden. Met
Krijn van den Helm en Jan Evenhuis behoorde Boonstra tot de
grote figuren van het Nationaal Steunfonds en de L.O. In Joure
is een laan naar Uilke Boonstra vernoemd.
Uilke Boonstra is na
de dood van zijn vrouw in zijn
eentje verantwoordelijk voor de opvoeding van zijn
kinderen, hij staat bekend als bedachtzaam,
zwijgzaam, wijs en bescheiden en is zeer
godsdienstig.
Boonstra is bevriend met S. Wiersma, die hem polst
om joden op te vangen. Eerst twijfelt Uilke uit
hoofde van zijn geloof, maar Wiersma weet hem toch
te overtuigen. Vanaf die tijd zijn de
twee onafscheidelijk.
In het begin wordt de opvang vaak uit eigen zak
betaald, wat echter niet volgehouden kan worden. De
twee vrienden komen dan in contact met Piet van
Doorn, die hen financieel ondersteunt.
Het werk wordt steeds intensiever en de
contacten steeds uitgebreider.
Zo komen Boonstra en Wiersma in contact met "opa" Casper
ten Boom, die in Haarlem een klokkenwinkel heeft.
Door verraad van waarschijnlijk een koerier uit
Joure wordt het onderduikadres van Ten Boom verraden
en wordt bijna de hele groep opgerold. Ook Uilke
is slachtoffer van het verraad.
Casper ten Boom begint met de Duitsers te
onderhandelen en weet zich vrij te kopen en bedingt
daarbij ook dat Uilke Boonstra vrijkomt, zij
hebben elkaar in het Oranjehotel goed leren kennen.
Boonstra en Wiersma
komen in de top van de LO-LKP in Friesland terecht.
Tot 1 februari 1944 heeft die groep goed gewerkt,
tot Uilke wordt opgepakt en Wiersma maar net aan de
greep van de Duitsers weet te ontkomen. Het verzet
in Joure loopt een zware klap op. Boonstra
heeft veel contacten in en buiten Joure. Ze werken
in de Haarlemmermeer samen met Boogaard en in
Haarlem met de Barteljorisgroep.
Omdat bonnen nodig zijn, besluit Boonstra een
KP-groep op te richten. De eerste overval op een
distributiekantoor wordt gepleegd op 10 september
1943 in St. Jansklooster. De overval verloopt niet
geheel vlekkeloos, omdat de auto het op de vlucht
laat afweten, zodat de groep ordeloos uit elkaar
gaat. Al met al komt de buit toch op de juiste
plaats terecht.
De overval is voor Uilke een goede les en hij
neemt de organisatie van de KIP stevig terhand. Een
torpedomaker, Herman Teroele, wordt bij de KP
gehaald om de KP-ers met wapens om te leren gaan.
Teroele past eigenlijk niet goed in de groep. Hij
wordt koerier voor Holland, maar knoopt daar
pleziertjes aan vast, wat in Joure twijfels oproept.
Op een zo'n reisje loopt hij een jonge vrouw tegen
het lijf, die ook contacten onderhoudt met de
Duitsers. De vrouw weet hem uit te horen, die het op
haar beurt aan de Duitsers doorspeelt. Herman krijgt
geen nieuwe informatie meer van het verzet. Hij komt
hier achter en verdwijnt. De top denkt geen moment
aan verraad.
Of Herman alleen de zaak aan het rollen
heeft gebracht is de vraag. Op 1 februari 1944 komen
Boonstra en Wiersma vanuit Holland met de trein
terug naar Friesland. In Heerenveen moeten beiden
overstappen, maar Wiersma heeft een naar gevoel. In
Heerenveen staat D. Zijlstra uit Joure Boonstra op
te wachten, om een belangrijke zaak met hem te
bespreken. Boonstra en Zijlstra lopen vooruit en
Wiersma volgt op een afstand. Net buiten het station
wordt Boonstra aangehouden.
De SD-er Grundmann heeft na de oorlog verklaard, dat
Boonstra aangehouden moet worden, koste wat het
kost. De instructies kwamen uit Den Haag. Lammers
en Wolters deden ook mee aan de arrestatie. Zijlstra
was speciaal meegekomen om Boonstra aan te wijzen en
is na de oorlog hiervoor veroordeeld. Wiersma wist
te ontkomen en moest onderduiken.
Zijn huis werd overhoop gehaald en zijn
vrouw werd mishandeld. Maar de joodse baby die ze in
huis hadden werd gelukkig niet meegenomen.
Ook bij Uilke wordt het huis overhoop gehaald en hij
moet zelf toekijken. Ook zes andere mannen werden in
Joure opgepakt, waarvan slechts een persoon de
kampen weet te overleven. Volgens Wiersma moet
Teroele ook het adres aan de Barteljorisstraat van
Casper ten Boom in Haarlem hebben verraden. Hier
worden 28 mensen aangehouden, onder wie de
gefortuneerde financier Sturing. Allen worden naar
Scheveningen gebracht.
De arrestanten uit Joure hebben een
misleidend verhaal is elkaar kunnen zetten. Ze
zijn actief met bonnen en voedselpakketten voor het
Rode Kruis, is hun verhaal. Boonstra is hoofd van de
Luchtbeschermingsdienst en de anderen zijn leden.
De bonnen uit St. Jansklooster waren een zwakke plek
in het verhaal, maar door hun onschuld te blijven
volhouden gaan de Duitsers dat verhaal geloven.
Wiersma is de grote man en die hebben de Duitsers
laten ontsnappen.
Boonstra speelt het
spel mee, dat hij voor Wiersma als aas dient. Uilke
weet Wiersma wel te waarschuwen dat de tussenpersoon
niet zuiver is. Boonstra weet het spel zo te spelen
dat hij "zogenaamd" meedoet.
De rijke financier Sturing weet de Duitsers
ondertussen te verleiden met zijn geld. Boonstra
wordt vrijgekocht, maar krijgt na zijn vrijlating de
volle laag van Wiersma. Wiersma echter gaat uit van
de voorzichtigheid van Uilke. Wiersma waarschuwt
Uilke het rustiger aan te doen, wat Uilke echter
niet doet. Wanneer Boonstra voor de tweede keer
wordt opgepakt is niet bekend. Op 18 augustus
1944 sterft Uilke Boonstra voor het vuurpeloton in
Kamp Vught. Als gevolg hiervan wordt Joure als
verzetscentrum van de Zuidwesthoek opgeheven. Het
verzet heeft nog geprobeerd Uilke Boonstra te
bevrijden tijdens zijn transport naar
het concentratiekamp, maar de bewaking was te
streng.
Bezettingstijd in
Friesland, P. Wybenga.
Gerben Bootsma, (Kapitein
op de
vrachtboot
"Holland
Friesland
IV") geboren op 21
februari 1894 te Lemmer,
overleden op 02-04-1945 te
Butzbach, Landkreis Friedberg.
In
de nacht
van
23/24
maart
1943
heeft
hij de
bemanning
van een
neergeschoten
Engelse
bommenwerper,
die in
een
rubberboot
ronddreven
op het IJsselmeer
opgepikt
en aan
boord
genomen.
De
engelsen
moesten
twee
gehiem
agenten
(Gerbrands
en
Berman)
droppen
in de
omgeving
van
Koudum
of
Workum.
Het
vliegtuig,
waarschijnlijk
een
Halifax
van het
Special
Duties
Squadron
dat was
opgetegen
van de
basis
Tempsford
werd bij
Enkhuizen
door
Duitse
jagers
neergeschoten
en kwma
tussen
Stavoren
en
Enkhuizen
in het
IJsselmeer
terecht.
Eén
geheim
agent
(Bergman)
en een
lid van
de
bemanning
kwamen
om het
leven.
De
kapitein
liet
Gerbrands
ontsnappen.
Op 3
april
1943
werden
de
kapitein
en de
bemanning
in
Lemmer
gearresteerd
door de
beruchte
Joseph
Schreieder,
hoofd
van de
contraspionagedienst
van de
SD in
Den Haag
en door
zijn
handlanger
Anton
van der
Waals.
De
bemanning
werd
snel
vrijgelaten
maar de
kapitein
bleef op
verdenking
van
spionage
gevangen
en werd
veroordeeld
tot
levenslange
tuchthuisstraf.
Bootsma
werd
eerst
opgesloten
in het
Oranjehotel
en
daarna
in het
Huis van
Bewaring
aan de
Gansstraat
in
Utrecht.
Via deze
gevangenis
werd hij
afgevoerd
naar het
tuchthuis
in Diez
am Lahn
(D). Op
20 mei
1944
kwam hij
in
Butzbach
terecht
waar hij
op 2
april
1945 aan
ontbering
bezweek.
Bootsma
werd
begraven
op het
Nederlands
Ereveld
bij
Frankfurt
am Main.
Gerben
Bootsma
uit
Lemmer
stierf
drie
dagen na
zijn
bevrijding
aan
ontberingen
op 2
april
1945.
Door
Albert
Hendriks.
Uit het
boek van
Evert de
Jong
"Straatnamen
zijn ook
Monumenten"
ZWOLLE.
Bij de
gemeentepolitie
in de
hoofdplaats
van
Overijssel
werkt
bij de
recherche
adjudant
Fimme
Bootsma,
een zoon
van de
man
waarnaar
een
straat
in het
Rienplan
is
genoemd:
Gerben
Bootsma.
Fimme
Bootsma
vonden
we
bereid
een en
ander te
vertellen
over
hetgeen
zijn
vader in
de
oorlog
gedaan
heeft.
Gerben
Bootsma
werd 3
april
1943 In
Lemmer
gearresteerd,
nadat
hij als
kapitein
van de
Holland-Friesland
IV van
rederij
"Stanfries"
in de
haven
van
Enkhuizen
een
Nederlandse
geheim
agent de
gelegenheid
had
gegeven
te
ontvluchten;
Hij werd
veroordeeld
tot
levenslange
gevangenisstraf
en naar
Duitsland
overgebracht,
waar hij
drie
dagen na
zijn
bevrijding,
op 2
aprll1945
te
Butzbach,
kwam te
overlijden
als
gevolg
van een
zeer
slechte
behandeling
door de
Duitsers.
Fimme
Bootsma.
De man
die over
Gerben
Bootsma
vertelt
is zoon
Fimme,
die een
studie
heeft
gemaakt
van
hetgeen
zijn
vader in
de
oorlog
is
overkomen.
Fimme
werd 21
oktober
1930
geboren
en was
dus
negen
jaar oud
toen de
oorlog
uitbrak.
Zijn
vader
was toen
kapitein
van de
Holland-Friesland
4, één
van de
boten
van de
rederij
"Stanfries"
. Fimme
ging na
het
doorlopen
van de
openbare
lagere
school
naar de
openbare
ULO,
daar
waar
later
het
dorpshuis
"De
Helling" stond.
Na de
ULO trad
hij in
dienst
van
juwelier
Jacob
Gorter,
die toen
nog aan
de
Langestreek
was
gevestigd.
Fimme
maakte
de
verhuizing
van
Gorter
naar de
Kortestreek
nog mee.
Zijn
ouders,
Gerben
Bootsma
en
Sjoerdje
de Boer
woonden
eerst
aan de
Lijnbaan
tegenover
Slager
Sijswerda
en zijn
later
naar de
Cornelis
Houtmanstraat
verhuisd. "Via
mijn
zuster
Boukje,
die eens
bij
Gorter
werkte,
ben ik
bij de
horlogemaker
terecht
gekomen.
Ik kon
er voor
f 7,50
in de
week een
vak
leren.
Na vijf
jaar
Gorter
wist ik
wel hoe
laat het
was. Op
een dag
bracht
ik eens
een klok
bij de
familie
Jaap
Scholten,
die bij
de
Houtmolen
werkte.
Bij zijn
zoon
Arend
had ik
in de
klas
gezeten.
Die
vroeg
mij of
ik bij
de
klokkenmaker
wilde
blijven.
Ik zei
hem, dat
ik graag
bij de
politie
wilde,
Dochter
Johanna
zei:
goh, in
de
Leeuwarder
Courant
staat
een
advertentie
waarin
een
aspirant-agent
bij de
politie
in
Zwolle
wordt
gevraagd.
Ik heb
gesolliciteerd
en zo
kwam ik
in 1952
bij de
politie
terecht". Fimme
Bootsma
is al 28
jaar uit
Lemmer,
maar is
nog
steeds
abonnee
op de
"Zuid-Friesland:
"Ik denk
nog in
het
Fries.
Mijn
gedachten
blijven
bij
Lemmer,
de
plaats
waar ik
geboren
ben. Ik
kijk
positief
op mijn
jaren in
Lemmer
terug,
ondanks
alle
ellende
die ik
daar in
de
oorlog
als kind
heb
meegemaakt".
De
Flevo
vrachtboot
Lemmer-Sneek
±
1935.
Links
machinist
Simon
Grasman,
in
het
midden
kapitein
Gerben
Bootsma
en
rechts
stuurman-lader-losser
Lammert
Schothorst.
Fimme
was in
de
oorlog
onder
andere
werkzaam
bij
bakker
Hennie
Haveman,
waar hij
vijf
gulden
in de
week
verdiende. Hij
herinnert
zich nog
goed hoe
hij met
drie
kisten
brood op
de
bakfiets
vanaf
Lemmer
tot
Doniaga
brood
ventte.
"Mijn
laatste
klanten
waren de
schoonouders
van
Hennie
Haveman,
de
familie
Scheenstra
in
Doniaga.
Ik at
onderweg
altijd
bij de
boeren.
Ook heb
ik eens
een big
tegen
twee
broden
geruild". Wat de
adjudant
bij de
afdeling
recherche
van de
Zwolse
gemeentepolitie
in de
oorlog
enorm
heeft
aangegrepen,
is de
arrestatie
van zijn
vader op
3 april
1943 in
Lemmer.
Over het
hoe en
waarom
van die
arrestatie
gaat het
volgende
verhaal.
Rubberboot
met
vliegers.
In de
nacht
van 25
op 26
maart
1943
vaart
kapitein
Gerben
Bootsma
met zijn
3-koppige
bemanning
met de
Holland-
Friestand 4 in de
buurt
van
Enkhuizen
op het
IJsselmeer.
Op een
afstand
ziet hij
vuurpijlen
en zet
koers in
de
richting
vanwaar
de
vuurpijlen
worden
afgeschoten.
Na even
zoeken
ontdekt
hij een
rubberboot
met acht
mensen
aan
boord:
zeven
Engelse
vliegers
en een
Nederlander,
die
vertellen
met een
Lancaster
bommenwerper
boven
het
IJsselmeer
neergehaald
te zijn.
Hij
neemt de
Tommies
en de Nederlander aan boord en laat de rubberboot zinken
door 'm lek te steken. Kapitein
Bootsma
besluit
de
mannen
naar de
haven
van
Enkhuizen
te
brengen.
Hij
verneemt
dat de
Nederlander
een
geheim agent
is, die
boven de
Noordwesthoek
van
Friesland
had
moeten
worden
gedropt,
net als
zijn
collega-agent,
die
dodelijk
werd getroffen
door het
Duitse
afweergeschut
en met
het
vliegtuig
naar de
bodem
van het
IJsselmeer
is
afgezonken.
Pieter
Roelof
Gerbrands
heet de
man die
met
Bootsma
in de
stuurhut
staat.
De
andere
agent,
die de
confrontatie
met het
afweergeschut
niet
overleefde,
is ene
meneer
Bergman.
Zij
zouden
als
eerste
Nederlandse
geheime
agenten
zonder
aankondiging
via
Radio
Oranje
op
vaderlandse
bodem
worden
gedropt,
nadat
duidelijk
was
geworden
dat de
Duitsers
eerdere
aankondigingen
via de
radio
doorhadden.
In de
haven
van
Enkhuizen.
Gerben
Bootsma
vaart
naar de
haven
van
Enkhuizen.
Dichtbij
de kade
aangekomen
geeft
hij de
geheim
agent de
kans te
ontsnappen
voordat
de
Duitsers
komen.
Als
Pieter
Roelof
Gerbrands
in de
duisternis
is
verdwenen
geeft
Bootsma
een paar
geluidssignalen. De reeds
op de
haven
afgekomen
Duitsers,
die ook
de
vuurpijlen
hadden
waargenomen
en er
vrijwel
zeker
van
waren
drenkelingen
op
Bootsma's
schip te
kunnen
aantreffen.
stormen
op de
Holland-Friesland
af. De
kapitein
vertelt
zeven
Engelse
vliegers
aan
boord te
hebben.
De
Duitsers
worden
vergezeld
van een
Nederlandse
politieman,
die van
een
havenbeambte
hoort,
dat hij
een
doornatte man op
de kade
is
tegengekomen.
De
Duitsers
vangen
iets op,
maar
begrijpen
het niet
helemaal.
De
politieman
tegen de
havenbeambte:
man, had
je mond
maar
gehouden.
De
afleidingsmanoeuvre
van de
politieman
lijkt
geslaagd;
de
Duitsers
houden
zich
meer
bezig
met de
Holland-Friesland
4 en de
Engelse
vliegeniers,
die geen
droge
draad
textiel
aan hun
lijf
hebben.
De
Duitsers
vragen
of-Bootsma
niet
meer
mannen
op het
IJsselmeer
heeft
opgepikt
Nadat de
kapitein
de
Duitse
officier
heeft
kunnen
overtuigen,
dat hij
maar
zeven
Engelsen
heeft
gered,
mag hij
weer van
wal
steken.
Wel moet
Gerben
Bootsma
even de
plaats
aanwijzen,
waar hij
de
rubberboot
heeft
lek
gestoken
en laten
zinken.
Dat
wordt
gedaan
en de
Holland-Friesland
mag haar
reis
naar
Stavoren
vervolgen.
Waar is
geheim
agent
nummer
twee?
Een paar
dagen
later
komt
Gerben
Bootsma
thuis in
Lemmer
en
vertelt,
zoals
gewoonlijk,
helemaal
niets
over
zijn
illegale
activiteiten.
Inmiddels
hebben
de
Duitsers
de
neergestorte
Lancaster
met
daarin
de dode
Nederlandse
geheime
agent,
boven
water
gehaald. Ze
vinden
in de
hakken
van de
schoenen
van de
agent
voor
Bootsma
belastend
materiaal.
Uit de
microfilms
blijkt
dat er
twee
geheime
agenten
boven
Nederland
hadden
moeten
worden
neergelaten. Bovendien
bevinden
zich op
de films
een
aantal
geheime
contactadressen.
Eén
geheim
agent is
in
handen
van de
Duitsers,
maar die
is zo
dood als
een
pier.
Waar is
nummer
twee?
vond die
ook de
dood bij
de
landing?
Of heeft
kapitein
Bootsma
hem aan
boord
van de
Holland-Friesland
verstopt
en hem
na het
aandoen
van de
haven
van
Enkhuizen
afgezet
op
Friese
bodem?
De
Duitsers
willen
kapitein
Gerben
Bootsma
zo snel
mogelijk
in de
vingers
zien te
krijgen.
Arrestatie.
Zaterdagmiddag
3 april
om twee
uur
staat
Fimme
achter
het huis
van de
Bootsma's
aan de
CorneIis
Houtmanstraat.
De tram
is juist
gearriveerd
en stopt
voor de
brug
over de
Zijlroede
op de
trambaan,
die
achter
de
CorneIis
Houtmanstraat
loopt. Brugwachter
Sibbele
de Boer
maakt
aanstalten
om de
tram
over het
water te
laten
rijden.
Moeder
verzoekt
Fimme
het eten
uit de
kelder
te
halen,
omdat
vader er
aankomt.
Terwijl
Gerben
Bootsma
uit de
tram
stapt
wordt er
aan de
deur
gebeld. Moeder
doet
open en
ziet een
voor
haar
onbekende
man
staan,
die
later de
landverrader
Antonius
van der
Waals (was
een
Nederlandse
spion in
dienst
van de
Duitse
Sicherheitsdienst
(SD)
blijkt
te zijn.
De man
vraagt
naar de
kapitein. Moeder
vraagt
hem even
te
wachten,
omdat
haar man
er zo
aankomt.
Een paar
tellen
later
arriveert
Gerben
Bootsma
met een
zak vuil
wasgoed
in de
CorneIis
Houtmanstraat.
Zijn
vrouw
Sjoerdje
zegt
hem, dat
de man
voor de
deur
naar hem
heeft
gevraagd.
De
onbekende
man
vraagt
hem even
mee te
lopen.
Beiden
lopen
richting
Lijnbaan.
Fimme's
zuster
Boukje
ligt
ziek op
bed. De
komst
van haar
vader
volgt ze
vanuit
het
raam.
Als haar
vader
met die
onbekende
man is
weggelopen,
zegt ze
tegen
haar
moeder
"wat
kijkt
die
kerel
raar"
Moeder
vertrouwt
het ook
al niet
en zegt
tot
Fimme:
hup
jongen,
de
klompen
aan en
er
achter
aan! Zo
gezegd,
zo
gedaan.
Fimme
sluipt
achter
de
mannen
aan tot
op de
Lijnbaan,
waar
plotseling
een
tweede
voor
Fimme
onbekende
man
opduikt. Het is
de
leider
van de
Duitse
contraspionage,
Jozef
Schreieder
(Kriminaldirector
en
SS-Sturmbannfüher
Joseph
Schreieder
was chef
op de
afdeling
Amt IV-E
van de
Sicherheitsdienst(SD).
Amt IV
was
onder
andere
verantwoordelijk
voor
contraspionage
en
politieke
aangelegenheden.
De SD
was een
onderdeel
van de
SS.
Schreieder
had een
kamer op
de
eerste
etage
van het
Binnenhof
in Den
Haag).
Ter
hoogte
van
bakker
Geert
Hoekstra
op de
Lijnbaan
verschijnen
er nog
twee
Duitsers,
Karl
Grimm en
Nico
Johannsen
(voormalige
beroepsvechter
Nico
Johannsen).
Zij
pakken
Fimme's
vader
vast en
voeren
hem af.
Fimme
rent als
de
weerga
naar
huis en
vertelt
dat ze
zijn
vader
hebben
meegenomen.
Dan ziet
Fimme al
meer
Duitsers
in het
huis.
Alles
wordt
overhoop
gehaald.
Jozef
Schreieder
is ervan
overtuigd
dat de
tweede,
nog
levende
Nederlandse
geheim
agent in
het huis
van de
Bootsma's
verborgen
wordt
gehouden.
De
moffen
treden
ruw op.
Ze
willen
de agent
vinden,
maar ze
vinden
hem
niet,
doodgewoon
omdat
hij er
niet is.
|

Antonius van der Waals. |

Jozef Schreieder |
De
gevangenis.
Gerben
Bootsma wordt naar de beruchte gevangenis Oranje-hotel
aan de Pompstation weg in Scheveningen overgebracht. Hij verblijft daar tot half december 1943 in een
isoleercel en wordt zwaar mishandeld. Dan wordt hij naar de gevangenis voor politieke
gevangenen aan de Gansstraat in Utrecht overgebracht,
waar hij op 24 februari 1944 tot levenslange
tuchthuisstraf wordt veroordeeld. Gerben Bootsma wordt
daar bezocht door zijn vrouw, zoon Fimme en dochter
Fetsje. Het is koud en regenachtig weer als het drietal
weer voor de poort staat.
Een brief die Gerben Bootsma heeft geschreven vanuit
Scheveningen (Den Haag)

Document dat Gerben Bootsma in Utrecht gevangen werd
gehouden.
Moeder
Sjoerdje heeft veel eten voor haar man meegenomen. Een
Duitse soldaat ziet dat de drie Lemsters buiten
verrekken van de kou en wenkt ze naar binnen. Hij toont
medelijden. Op een gegeven moment worden moeder Sjoerdje,
Fimme en Fetsje naar een zaal met veel blauw glas
geloodst. Het klinkt er naar. Vooral de ijzeren trappen maken een
akelig lawaai. Fimme voelt zich allerminst op zijn
gemak. Aan een tafel zit zijn vader, gestoken in een
bruin wollen gevangenispak met grijze banden om de
mouwen en de pijpen. Noch moeder noch Fimme en Fetsje
kunnen de emoties de baas. Moeder Sjoerdje probeert een
gesprek in het Fries te beginnen. Holländisch sprechen!" dondert de bewaker. Het gesprek
verloopt moeizaam. Er wordt over thuis gesproken; over de kinderen. Vader
Gerben is bezorgd over zijn jeugd. Hoe maken zij het?
Leren ze goed op school? Als het veel te vroeg tijd voor afscheid nemen is, zegt
vader Gerben: "Geef die twee jongens in de hoek, die hun
ouders op bezoek hebben, een hand Ze worden morgen
gefusilleerd". Moeder Sjoerdje, Fimme en Fetsje zijn
geschokt. Tranen schieten hen in de ogen. Ze geven de
twee mannen, die ook mee hebben geholpen de oorlog in te
korten, een hand Dan verlaten ze de Utrechtse
gevangenis. Het komt allemaal wel goed, heeft vader
Gerben gezegd. Niet meer huilen. Maar de familie zou
Gerben Bootsma nooit meer zien.
Moeder Sjoerdje
Bootsma-de Boer met haar kroost in het jaar 1931 in
de Schans op de foto. Op de foto van links naar rechts: Pieter - werd
zakenman en woont in Amerika, Franke - hoofdagent
gemeentepolitie te Leeuwarden. In de kinderwagen
zoon Fimme, hij werd adjudant bij de gemeentepolitie
te Zwolle, naast de kinderwagen dochter Boukje en
geheel rechts zoon Gerben (geb. 1921) genoemd naar
zijn vader - hij werd drukker bij de 'Zuid-Friesland'
en woonde in het voormalig en verbouwde
schippersinternaat aan de Langestreek. In de oorlog is zoon Pieter ondergedoken en zoon
Gerben werd verplicht in Duitsland te werkgesteld. Het echtpaar Gerben Bootsma en Sjoerdje Bootsma-de
Boer kregen 11 kinderen. Moeder Bootsma overleed in
augustus 1967.
Het einde.
Op 20 mei 1944 wordt
Gerben Bootsma overgebracht naar de Duitse gevangenissen
in Kleef, Rheinbach (30 mei 1944) en Diez am Lahn (12
september 1944). In Diez maakt de Lemster een strenge
winter mee. Half februari 1945 krijgt hij geelzucht
Gerben Bootsma wordt ernstig ziek. De Duitsers laten hem
verrekken. Géén medische verzorging, géén humane behandeling voor
de Nederlander die het leven van anderen redde. Gerben
Bootsma blijft zich wapenen tegen de kou en de ziekte.
Met optimisme moet hij het kunnen redden.
De oorlog zal niet lang
meer duren. De Amerikanen komen zo. Drie dagen voor de bevrijding worden de gevangenen in
Diez am Lahn allemaal op transport gesteld naar Butzbach,
enige kilometers ten noorden van Frankfurt am Main. 0ok
de doodzieke Gerben Bootsrna. In Butzbach wordt hij
bevrijd door de Amerikanen. Hij is aan het einde van
zijn krachten. Slechts drie dagen mag hij van zijn
vrijheid genieten. Een moedige Nederlander, kapot
gemaakt door onmensen.
Gerben Bootsma werd na
zijn dood begraven op het Nederlands ereveld te
Frankfurt am Main, Frankfurt-Oberrad. Aan de
Burgenlandweg te Frankfurt-Oberrad (B.R.D.) Vak E: Rij
2: Nummer 15.
Boven zijn graf verscheen geen kruis maar kreeg
onkruid alle kans. Wel werd elders op het kerkhof
bij vergissing een kruis voor de heer Bootsma
geplaatst.
Het graf van
Gerben Bootsma op het Waldfriedhof in Frankfurt am
Main.
Nederlands ereveld te
Frankfurt am Main, Frankfurt-Oberrad.
De ruim 750 Nederlandse oorlogsslachtoffers, die
verspreid begraven lagen in Zuid-Duitsland, werden in
1954 hier samengebracht en herbegraven.
Op een gedenksteen zijn de namen gememoreerd van hen,
die niet opgespoord konden worden.
Ook hier staat een monument in de vorm van een vallende
mannenfiguur, opgericht ter herdenking van de
Nederlanders, die zijn omgekomen in de
concentratiekampen Dachau, Flossenbürg en Natzweilet.
Gerben Bootsma werd na zijn dood begraven op het kerkhof
van Butzbach.
Later in '45 is de Nederlandse Oorlogsgravenstichting
achter het werkelijke graf gekomen via een
graven-locatieteken ing.
De stoffelijke resten werden door de stichting
opgegraven en geïdentificeerd als die van Gerben Bootsma,
dit aan de hand van zijn gebit. De heer Bootsma werd
herbegraven op het Waldfriedhof in Frankfurt om Main.
Hel graf wordt nog regelmatig door de familie bezocht,
met name door Fimme en zijn vrouwen kinderen.


Deze brief
ontving weduwe Bootsma de Boer begin juli 1947 van
Koningin Wilhelmina.

Overlijden's akte van
Gerben Bootsma.
|
Anno Sjoerd
(Titus) Brandsma, (Hoogleraar
aan de universiteit te Nijmegen)
geboren op 23 februari 1881 te
Oegeklooster. Overleden
op
26-07-1942 te Dachau.
Verzet
Al in
een vroeg stadium waarschuwde
Brandsma via publicaties in dag- en
weekbladen en tijdens lezingen en
colleges voor de gevaren van het
nationaal-socialisme, rassenhaat en
ophitsing. Hij veroordeelde de
anti-joodse maatregelen van het
Hitler-regime zowel reeds voor als
tijdens de bezettingstijd. Zo was
hij medio 1936 enige tijd lid van
het door Nederlandse geleerden en
kunstenaars opgericht Comité van
Waakzaamheid tegen het
nationaal-socialisme. Tijdens de
oorlog verzette hij zich tegen het
verwijderen van Joodse leerlingen en
bekeerlingen van katholieke
middelbare scholen en was hij de
architect van het verbod dat de
Utrechtse aartsbisschop Jan de Jong
uitvaardigde tegen het opnemen van
NSB-advertenties in de r.k.
dagbladen.
Arrestatie
en overlijden
Als
gevolg daarvan arresteerde de
Gestapo pater prof. Brandsma op 19
januari 1942. Via een tocht langs de
'Oranje'-gevangenis in Scheveningen,
kamp Amersfoort en de
strafgevangenis van Kleef kwam hij
tenslotte in het beruchte
concentratiekamp Dachau terecht. Ook
hier was, aldus latere getuigenissen
van voormalige kampgenoten, deze
'alledaagse' mysticus een grote
morele, spirituele en daadwerkelijke
steun voor zijn medegevangenen. Na
enkele weken vol ontberingen en
mishandelingen werd hij - levenslang
behept met een wankele gezondheid -
uitgeput en doodziek in het
kamphospitaal opgenomen. Met een
dodelijke injectie maakte een
kamparts daar een einde aan zijn
leven. In 1986 werd pater Titus na
een jarenlang onderzoek door de RK
kerk zalig verklaard.
In de
Tweede Wereldoorlog sloten de Nazi’s
in het Oranjehotel Nederlanders op
die zich, op wat voor manier dan
ook, tegen de Duitsers verzetten.
Het verblijf in het Oranjehotel was
meestal niet langdurig: gevangenen
werden vrijgelaten, of op een andere
plaats, vaak in Duitsland, gevangen
gezet. 734 gevangenen van het
Oranjehotel zijn omgekomen. Een deel
daarvan is ter dood veroordeeld en
geëxecuteerd op de Waalsdorpervlakte,
maar velen zijn op andere plaatsen
om het leven gekomen. Ongeveer
25.000 Nederlanders zaten tijdens de
Tweede Wereldoorlog gevangen in het
Oranjehotel, waaronder priester en
hoogleraar wijsbegeerte Titus
Brandsma en hoogleraar rechten
Rudolph Cleveringa.
Titus Brandsma op 18
februari 1942, een half jaar voor zijn dood, vanuit het ‘Oranjehotel’ in
Scheveningen.
Jan. L. van den
Broek, geboren in 1905, overleden op 14-04-1945 te
Ureterp.
Jan was één van de
vier slachtoffers van een schietpartij bij café
Gorter op 14 april 1945.
De namen van de slachtoffers luiden:
De soldaten Jan L. van den Broek, Aalzen de
Jager, C. Tump en een jongen, de zoon van C.
Hempenius. De drie soldaten zijn op 18 april 1945
met militaire eer begraven.
Hotze Brouwer,
geboren 28 mei 1910 te Akmarijp, overleden op 17
maart 1945 te
Doniga.
Als veehouder op
de Beatrixhoeve te Haskerhorne bij het Nannewijd had
Brouwer een aandeel in het verbergen van de daar
gedropte wapens in zijn boerderij. Verder was hij
medewerker van de LO in de gemeente Haskerland.
Tijdens de bevrijding wilde hij samen met Jan Kaper,
een Marechaussee, een tweetal Nederlandse SS'ers
arresteren in de buurt van Akkerswoude. Beide
sneuvelden bij deze poging waarna de SS'ers naar een
boerderij vluchtten, waarvan het gezin wist te
ontkomen en waar zij zich als wilden verweerden, tot
ze beide sneuvelden.
De slagzin die bij dit
droppingsveld werd gebruikt, luidde: 'Wie de schoen
past, trekke hem aan. Brouwer werd op 8 februari
1945 gearresteerd en overgebracht naar de gevangenis
Crackstate in Heerenveen. Op 17 maart 1945 werd hij
naar Doniaga overgebracht en daar samen met negen
andere politieke gevangenen gefusilleerd. Brouwer
werd begraven op de Hervormde begraafplaats in
Haskerhorne.
Harmen Brouwer, (melkventer)
geboren op 5 maart 1922 te Twijzelerheide, overleden op 15-04-1945
te 1922-1945 Dantumadeel.
Lid van een
Knokploeg. Tijdens de bevrijding wilde hij samen met Jan Kaper, een
Marechaussee, een tweetal Nederlandse SS'ers arresteren in de buurt
van Akkerswoude. Beide sneuvelden bij deze poging waarna de SS'ers
naar een boerderij vluchtten, waarvan het gezin wist te ontkomen en
waar zij zich als wilden verweerden, tot ze beiden sneuvelden. Een
SS'er overigens pas, nadat de Canadezen de boerderij in brand hadden
geschoten.
Hein de
Bruin, geboren op 2 maart1920 te Oudwoude, overleden op
16-4-1945 te Kollum.
Lid van de
sabotagegroep in Oudwoude. Vaak verzorgde hij het
vervoer van wapens van de droppingplaats naar de
boerderij van zijn vader, waar deze werden verstopt.
in gecamoufleerde betonnen bunkers achter de
boerderij. Toen de streek werd bevrijd werden de
wapens tevoorschijn gehaald. Tijdens een gevecht met
de Duitsers op 16 april 1945 aan de Soensterdijk
kwamen twee auto's in volle vaart af op de post van
deze dijk uit de richting van Kollumerpomp. De
bewakers van de dijk namen aan dat het Canadezen
waren, maar merkte te laat dat het om Duitse auto's
ging. Gevechtsgroep 2 die ter aflossing onderweg was
werd door de Duitsers overrompeld en de
plaatsvervangend commandant, Hein de Bruin werd
dodelijk getroffen. De veehouder werd begraven op de
N.H. begraafplaats te Oudwoude. In dit dorp is een
straat naar hem vernoemd.
Johannes ten Brug,
(student) geboren op 3 juni 1924, overleden op 09-01-1945 te Neuengamme.
Zoon van de
hoofdonderwijzer van de School met de Bijbel in
Hulsen, die tot de topfiguren van het verzet
behoorde. Eerst was hij leerling van het Christelijk
Lyceum in Almelo en daarna van de H.B.S. in
Leeuwarden, waar hij steeds meer bij het verzet
betrokken raakte, m.n. bij de pilotenhulp. Bij het
Wehrmachtsheim in Leeuwarden haalde hij alle fietsen
van de Duitsers weg en stelde deze ter beschikking
van het verzet. Al in 1942 hadden de Duitsers een
beloning van fl.2000,- op zijn hoofd uitstaan wegens
het laten ontsporen van een trein. Toen hem de grond
te heet onder de voeten werd ging hij op weg naar
Engeland. Hij bereikt Dijon in Frankrijk, waar hij
via binnenwegen probeerde de Zwitserse grens te
passeren. Dit lukte echter niet en hij kwam terecht
in een kamp van de Franse Maquis. Dit kamp werd door
Franse Vichy gendarmes omsingeld en Hans werd op 11
november 1943 gevangen genomen. Hij was in het bezit
van een geladen geweer en werd overgebracht naar
Lyon, waar hij door toedoen van de Nederlandse
consul een betrekkelijk lichte straf kreeg. Hij werd
veroordeeld tot twee jaar met aftrek van voorarrest
in een gevangenkamp. Toen de consul hem daar twee
maanden later wilde bezoeken bleek hij te zijn
getransporteerd naar een gevangenkamp in Compiégne.
Vandaar werd hij doorgestuurd naar Natzweiler en
naar Dachau. Uiteindelijk kwam hij op 20 oktober
1944 in het kamp Neuengamme aan waar hij op 9
januari 1945 aan uitputting en ziekte overleed.
Enne Bruinsma,
(Rijksveldwachter) geboren op 30 mei 1890 te Tzum,
overleden op 28-04-1945.
Tijdens de bezetting had hij een groot aandeel in het schoolverzet,
waarvoor hij voor de gemeente Hennarderadeel de contactman was. Hij werkte op
dit terrein nauw samen met de Bolswarder gemeentesecretaris, Hendrik Haitsma.
Bruinsma was als ouderleerling van de hervormde gemeente in Oosterend vooral de
man van het geestelijk verzet, die het met de bezetter niet op een akkoordje
gooide. In zijn functie als rijksveldwachter had hij het vaak erg moeilijk. Om
niet met zijn geweten in conflict te komen verliet Bruinsma de politiedienst.
Hij werd controleur bij de brandstoffen distributiedienst in Sneek.
Op 25 januari 1945 deed de Sicherheitsdienst een inval in het huis van Bruinsma
om zijn zoon Steffen te arresteren. Steffen Bruinsma was medewerker van de
Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers en was op dat moment niet
thuis. Enne Bruinsma's anti-nationaal-socialistische gezindheid was algemeen
bekend en toen de SD'ers van post Wommels bij de huiszoeking ook nog mouwbanden
van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten vonden, werd Enne gearresteerd.
Hij werd naar het concentratiekamp Neuengamme gedeporteerd.
Toen de oorlog ten einde liep, werd op 20 april 1945 het concentratiekamp
ontruimd. De gevangenen werden in spoorwagens geperst en afgevoerd naar Lübeck.
In de Lübeckerbocht lagen de restanten van de Duitse koopvaardij vloot. Op een
van de schepen, de Cap d'Arcona werden 4600 slachtoffers in de ruimen
opgeborgen. Het eens zo luxe passagiersschip was een drijvend concentratiekamp
geworden. Vele gevangenen stierven aan boord. Op 28 april 1945 overleed ook
Bruinsma. Hij werd begraven op het stedelijk kerkhof in Neustadt.
Voor Enne Bruinsma is
een monument geplaatst in Oosterend (gemeente
Littenseradeel) is een ingemetselde plaquette van
natuursteen. Op de gedenkplaat is in reliëf een
staande mannenfiguur en een kruis aangebracht.
De Friese insciptie op de plaquette luidt:
'ENNE BRUINSMA . BERNE
TSJOM 30 MAEIJE 1890
FORSTOARN NEUENGAMME
28 APRIL 1945 . BLOEDTSJUGE
FOAR CHRISTUS'.
Het monument hangt in het portaal aan de achterzijde
van de N.H. kerk te Oosterend (gemeente
Littenseradeel).
www.verzetsmuseum.nl
Schelte Bruinsma,
(aardappelhandelaar) geboren op 8 september 1912 te
Pingjum, overleden op 16-04-1945 te Makkum.
Op maandag 16 april 1945 was
een sectie van de NBS van het district Bolsward
geconcentreerd in Kievitshorne. Samen met de Canadezen werd
Wons bezet en in de loop van de middag werd met een tweede
groep een hooggelegen boerderij bij Makkum aangevallen,
waarin de bezetter zich had verschanst. Het open terrein
bood vrijwel geen dekking. Schelte Bruinsma en Simon Sipma
raakten bij dit vuurgevecht zo zwaar gewond dat ze aan de
gevolgen overleden. Op 17 april kreeg een groep van de NBS
opdracht om op te rukken naar de brug bij boerderij Laanzigt
onder Makkum om deze te bezetten of zo nodig op te blazen.
De groep ging iets te ver vooruit en kwam in het schootsveld
van de bezetter terecht. Rinnert Anema en Roelof van der
Meer sneuvelden bij deze actie. Om de rest van de groep de
gelegenheid te geven zich terug te trekken, hield de
brenschutter Hendrik Postma de bezetter onder vuur. Deze
heldhaftige poging kostte hem echter wel het leven. |
|
Nolle Wypke
Bruinsma, (veehouder) geboren 31 oktober 1919 te
Tjerkwerd, overleden op
11-04-1945 te Scharnegoutum.
Marten Bruinsma werd geboren op 25
mei 1890 in Burgwerd en zijn zoon Nolle Wypke op 31
oktober 1919 in Tjerkwerd. Op woensdag 11 april 1945
was een groep mensen van de Nederlandse Binnenlandse
Strijdkrachten bezig een wegversperring aan te
brengen. Toen de bezetter plotseling verscheen,
vluchtten de mannen. Vervolgens gingen de Duitse
soldaten de boerderij van Bruinsma binnen en schoten
boer Marten Bruinsma en zijn zoon Nolle dood. Beiden
werden begraven op de N.H. begraafplaats te
Scharnegoutum.
Sybrand Marinus van
Haersma Buma (burgemeester) geboren op 30 december
1903 in Den Haag, overleden op
11-12-1942 te Conc.
kamp Neuengamme te Hamburg.
Ter gelegenheid van 'Tresoar
op toernee' kwam de zoon van de naamgever,
oud-burgemeester van Sneek mr. Bernhardus van
Haersma Buma, in school vertellen over zijn vader.
Hij was burgemeester van Wymbritseradeel, toen hij op 7 mei 1941 door de
Duitse bezetters werd gearresteerd. Van Haersma Buma
maakte deel uit van de O.D. en het L.O.F,
organisaties van het verzet. Meer dan een jaar zat
hij in het "Oranjehotel", de gevangenis in
Scheveningen. Toen werd hij overgebracht naar
Amersfoort en kwam hij via Oberhausen in het
concentratiekamp Neuengamme, waar hij op 11 december
1942 is gestorven.
Willem van der
Bij, (hoofd van school) geboren op 18 april 1897 te Berlikum, overleden op 23-11-1944
te Neuengamme op 47-jarige leeftijd.
Willem van der
Bij werd geboren op 18 april 1897 in Berlikum. Hij was het hoofd van
de christelijke lagere school (sinds 1961 de Dr. Wumkesskoalle) te
Joure van 1 september 1929 tot 1 februari 1944 . Van der Bij was lid
van de L.O. in de gemeente Haskerland. Hij was een principieel man,
die precies zei hoe hij over de maatschappij dacht, wat hem door de
bezetter niet in dank werd afgenomen. In de nacht van 1 op 2
februari 1944 werd hij gearresteerd. Hij stierf in het
concentratiekamp Neuengamme op 23 november 1944 en werd begraven op
het Nederlandse ereveld van Friedhof an der Seelhorst te Hannover.
Bij de gedenksteen in de 'Jouster toer', de markante toren van de
hervormde kerk (1644) aan de Midstraat in het centrum van Joure,
staat tussen de namen van de in de Tweede Wereldoorlog gevallen
inwoners ook die van Willem van der Bij.
Home |
|
Niets uit deze
website mag worden
verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt
of op andere wijze gebruikt worden
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.
|