Friese Verzetsstrijders - bevrijders en andere betrokkenen.

 

A | B | C | D | E | F | G | H | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | V | W | IJ | Z |

 

 

Sipke Jacob Baarsma, (Onderwijzer) geboren 11 augustus 1920 te Zwaagwesteinde, overleden op 10 april 1945 te Katerveer.

Sipke Jacob Baarsma is op 10 april 1945 bij de brug van Katerveer (bij Zwolle) samen met negen anderen gefusilleerd, geboren 11 augustus 1920 (Onderwijzer te Emmen). Hij sloot zich al vroeg aan bij het verzet (Hij was ondercommandant van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) en toen de eerste onderduikers in Dalfsen aankwamen werden zij ondergebracht bij boeren. Toen er steeds meer kwamen werden er tenten in de bossen opgeslagen en gaf Baarsma zijn vrije tijd aan het verzorgen van deze onderduikers.

Toen de Hongerwinter aanbrak en de scholen dicht waren was hij onophoudelijk bezig met het verzamelen van eten en was hij voortdurend bij hen. De meeste onderduikers in de tenten waren aangesloten bij de BS. Na enige tijd moest Baarsma zelf ook onderduiken, waarna hij zich aansloot bij het verzet in Zwolle (KP Zwolle). Zijn schuilnaam was 'Sip'. Op 21 maart 1945 woonde hij in Zwolle een vergadering bij in het huis van een andere verzetsdeelnemer. De vraag hoe de bevrijding van Willem Lindenboom (leider KP Zwolle) uit het ziekenhuis te bewerkstelligen stond centraal. De vergadering werd echter verraden en de deelnemers werden gearresteerd. Baarsma is op 10 april 1945 gefusilleerd, samen met negen anderen. Hij is begraven met militaire eer op 24 April 1945 te Dalfsen.

Aanvulling van de heer Paul Harmens: Er zijn op 10 april 1945 10 mensen aangeschoten, een heeft het overleefd, om zich dood te houden namelijk de heer Lamarche.

www.historischcentrumoverijssel.nl

 

Dalfsen, grafmonument voor S.J. Baarsma.

Oorlogsmonumenten - Monument-detail.


 

Jhr. Paul Marinus van Baerdt van Sminia, geboren op 27 maart 1901 te Leeuwarden, overleden op 24-04-1945 te Sandbostel, Neuengamme.

Sinds 1 augustus 1934 burgemeester van Utingeradeel. Streefde er naar om de uitgave van de tweede distributiestamkaart te saboteren. Hielp piloten en andere onderduikers en steunde deze financieel. Begin 1944 werd het rayonhoofd van de LO gearresteerd en de burgemeester reed op zijn bromfiets naar Akkrum om het rayonhoofd persoonlijk te helpen te ontvluchten. Toen de SD de man een uur later wilde ophalen was hij al gevlogen. De volgende dag werd hij zelf gearresteerd. Hij ging niet in op het aanbod van het verzet om hem te bevrijden uit de gevangenis van Leeuwarden. Hij wilde niet dat anderen hun leven zouden wagen voor hem. In april 1945 toen de Canadezen zijn gemeente hadden bevrijd ging hij op transport en kwam terecht in Sandbostel. Veel mensen uit het transport stierven onderweg en veel andere bleken te lijden aan vlektyfus. Zo ook de burgemeester. Hij overleed aan de gevolgen van vlektyfus.

Paul Marinus jonkheer van Baerdt van Sminia werd in 1901 geboren in Leeuwarden. De familie woonde op landgoed De Klinze in Oudwoude. Van Sminia studeerde in 1927 af en vertrok meteen naar Nederlands-Indië waar hij particulier secretaris van de gouverneur-generaal werd, eerst De Graeff en later De Jonge. In 1934 kwam hij terug naar Fryslân, om burgemeester van Utingeradeel te worden. Utingeradeel valt tegenwoordig onder Boarnsterhim en omvatte de plaatsen Akkrum, Aldeboarn, Terkaple en Terherne.

De suggestie dat Van Beardt van Sminia zou heulen met de vijand is te gek voor woorden, vindt zoon Hobbe. Zijn vader wist juist als een van de eersten hoe verwerpelijk het Duitse regime was. De burgemeester had dat meegekregen van zijn oom Van Limburg Stirum, die Nederlands gezant in Berlijn was en die al vroeg door had wat Hitler van plan was. De anti-Duitse Van Limburg Stirum stak zijn mening niet onder stoelen of banken en werd het land uitgezet omdat hij volgens de nazi’s ‘te oorlogzuchtig’ was, vertelt Hobbe van Sminia.

Tijdens de bezetting van Nederland hielp de burgemeester neergestorte geallieerde piloten het land uit te komen. Hiervoor is hij postuum onderscheiden door de Canadese regering. Van Sminia liep begin 1944 tegen de lamp toen hij de reservesleutel van de cel in het gemeentehuis van Akkrum ter beschikking stelde zodat verzetsman Sjerp de Vries kon vluchten. De burgemeester werd verraden. Hobbe van Sminia, toen tien jaar, kan zich het nog goed herinneren dat hun huis in Aldeboarn door de Duitsers werd omsingeld en zijn vader werd weggevoerd. Het was de laatste keer dat hij hem in leven zag.

De Duitsers vonden in de gemeentekluis belastend materiaal dat de burgemeester in verband bracht met de pilotensmokkel. Van Sminia werd opgesloten in de Leeuwarder gevangenis. Het verzet bood aan hem te bevrijden, maar dat sloeg hij af omdat hij vreesde dat represailles het leven zou kosten van vele onschuldigen. Van Sminia werd met de trein naar Amersfoort gebracht en belandde uiteindelijk in kamp Neuengamme in Duitsland. Over zijn tijd in het kamp is niet veel bekend, behalve dat hij er is gemarteld.

Het verhaal dat het verzet Van Sminia wilde bevrijden tijdens de treinreis van Leeuwarden naar Amersfoort én tijdens het vervoer naar Neuengamme, wijst Hobbe van Sminia naar het land der fabelen. Een aanval op het transport naar Neuengamme lijkt zoon Hobbe onmogelijk. ,,Bovendien, zo belangrijk was mijn vader nou ook weer niet.’’ Wel heeft het verzet zijn moeder gevraagd zijn vader achterna te reizen. Zij zag dat haar man door bewakers naar Amersfoort werd gebracht.

Een inwoner van Akkrum die ook vastzat in Neuengamme, vertelde dat de burgemeester in het kamp door de Duitsers was gefusilleerd. Volgens de officiële lezing stierf hij aan vlektyfus. Geen van deze twee lezingen klopt. Aan het einde van de oorlog gebeurde het geregeld dat de Duitsers gevangenen op een schip zetten met de bedoeling dat het door de geallieerden tot zinken zou worden gebracht. Ook gevangenen uit Neuengamme werden op de trein naar havenstad Lübeck gezet om daar scheep te gaan. Hobbe van Sminia heeft begrepen dat de geallieerden hier lucht van kregen en luchtlandingstroepen in de regio hadden gedropt. ,,Maar ook dat heb ik niet zwart op wit’’, zegt hij. De Duitsers besloten hoe dan ook de trein te laten keren, richting Hamburg. De trein stopte op het station van Sandbostel. Daar werd een aantal gevangenen, onder wie burgemeester Paul Marinus jonkheer van Baerdt van Sminia, op een dag in april doodgeschoten en in een massagraf begraven.

Een arts, een kennis van de familie, was getuige van de moord op Van Sminia. ,,Mijn vader had vlektyfus en was hoe dan ook gestorven maar de arts heeft hem nog gesproken, en gezien dat hij werd doodgeschoten’’, zegt Hobbe van Sminia. Verrassend snel kregen zijn moeder, zijn broer Frank en hij het bericht dat vader bij Sandbostel was gedood. ,,Dat zal rond 15 april zijn geweest’’ – precies de dagen dat Fryslân werd bevrijd.


 

Jan Bakker, geboren op 13 februari 1912 te Den Helder, overleden op 15-11-1944 te Leeuwarden.


Jan Hendrik Bakker, (bakker) geboren op 2 juli 1894 te Sneek, overleden in de nacht van 13 op 14 juli 1944 te Sneek.


Douwe Sikke Bangma, (Keurmeester) geboren op 21 mei 1897 te Munnekeburen, overleden op 02-05-1945 te Trelleborg (Zweden).

Nam al vroeg in 1940 deel aan verzetsactiviteiten en was vooral betrokken bij verschaffen van onderduikadressen aan Joden. Op 2 maart 1945 werd zijn verzetsgroep opgerold door de de Grenzschutz op verzoek van de SD in Leeuwarden. Bangma zat eerst gevangen in Leeuwarden en Groningen en ging later naar Neuengamme, waar hij ernstig ziek werd. Door toedoen van het Zweedse Rode Kruis werden hij en een groot aantal medegevangenen uit het kamp per schip naar Zweden overgebracht. Deze hulpoperatie stond onder leiding van de bekende graaf Bernadotte. Bangma kwam erg verzwakt aan in Zweden en is daar kort na zijn aankomst op 2 mei 1945 overleden. In eerste instantie is hij ook in Zweden begraven. Later is hij herbegraven op de Centrale Begraafplaats in Stockholm. In Roordahuizum is een straat naar hem vernoemd.


Sijtze Bartsma, (aannemer-timmerman) geboren op 26 januari 1887 te Wolsum, overleden op 03-05-1945 te Lübeck.

Bartsma had een zender in huis ten behoeve van contacten met de BS. Een gearresteerde heeft waarschijnlijk tijdens een mishandeling zijn naam prijsgegeven, want op 9 februari 1945 viel de SD het huis binnen. Op dat tijstip was Bartsma niet thuis, maar hij werd later op de Oostgrachtswal in Leeuwarden gearresteerd en afgevoerd naar het beruchte Scholtenshuis in Groningen. Vandaar kwam hij terecht in in het concentratiekamp Neuengamme. Tijdens de oorlog werd dit kamp ontruimd en veel gevangenen werden naar Lübeck afgevoerd. In de Lübeckerbocht lagen een aantal koopvaardijschepen die dienst deden als drijvend concentratiekamp. Bartsma werd op de Athen ondergebracht, maar later wegens dysenterie naar de Cap d'Ancona overgebracht, waar benedendeks 4600 gevangenen zaten samengeperst. De Duitsers schoten vanaf deze schepen met luchtdoelraketten op overvliegende geallieerde vliegtuigen, die daarop de boten bombardeerde. Bij een bombardement op 3 mei 1945 kwam Bartsma om het leven. Hij is vermoedelijk verdronken.


Ids. de Beer, (koopman) geboren op 7 juni 1916 te Nes, overleden op 02-02-1945 te Leeuwarden.

De Beer was handelsreiziger en woonde in Nes. Hij was lid van de LO van Dokkum. Zijn verzetsnaam was "Viervoeter". Nadat door een massa executie aan de Woudweg te Dokkum twintig gevangenen op 22 januari 1945 waren doodgeschoten, zochten alle verzetsmensen uit de regio zo snel mogelijk een veilig heenkomen en doken onder. Ook De Beer stond op de lijst met gezochte en werd uiteindelijk op 2 februari ontdekt op een schuiladres in Leeuwarden. Hij poogde te vluchten, maar werd neergeschoten en overleed nog diezelfde dag aan zijn verwondingen. (Wiebe Baron zat ook in het verzet, op 22 januari 1945 is hij aan de dood ontsnapt, maar Ids de Beer werd doodgeschoten voor de ogen van de vrouw van Wiebe Baron).

De Beer was gereformeerd en handelde vanuit zijn bijbelse overtuigingen tegen het onrecht. Hij was getrouwd en liet een vrouw en twee kinderen na. Hij ligt begraven op de Hervormde Begraafplaats te Nes. In dit dorp is voor hem en anderen een gedenkteken opgericht.


Nicolaas Herman Bergsteijn, (gemeenteambtenaar) geboren op 4 oktober 1919 te Naarden. Overleden op 8 maart 1945 te Apeldoorn.

Hij was ambtenaar op het gemeentesecretarie van Woudenberg. Door zijn toedoen kregen velen een vals persoonsbewijs bovendien werden er in augustus 1942 250 blanco persoonsbewijzen, een register en stempels gestolen. Daarnaast werd het hele bevolkingsregister vermist. Bergsteijn werd verdacht van de diefstal en op 7 augustus 1942 moest hij onderduiken. Sindsdien werkte hij in de illegaliteit in oost en noord Nederland. Hij was lid van de groep Theo Dobbe en werkte mee aan diverse overvallen op distributiekantoren en hielp onderduikers in Friesland en Twente. In 1944 werd hij lid van de raad van verzet en werkte hij voor de Engelse inlichtingendienst. Hij was belast met de organisatie van provinciale inlichten diensten in Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel. Op 19 februari 1945 viel hij door verraad in Duitse handen en werd naar Kamp Amersfoort gebracht. Op 8 maart 1945 werd hij als represaille voor de aanslag op Rauter bij de Woeste Hoeve gefusilleerd. Hij ligt begraven op de begraafplaats 'de Rusthof' bij Amersfoort.


G. J. Blauw, (Ambtenaar) geboren 23 mei 1923 te Drachten, overleden op 08-06-1945 te Worth aan de Donau, hij werd begraven op het Nederlandse Ereveld te Frankfurt.

 

Ereveld Frankfurt am Main.

Het ereveld telt 756 graven van Nederlanders die omkwamen in Zuid-Duitsland. Op het ereveld is een stenen drieluik met de namen van nog eens 242 slachtoffers die hier niet konden worden begraven.
 


Gerrit Bleeker, (Kandidaat notaris, res 1 luitenant, 3 RI) geboren op 20 februari 1909 te Leeuwarden, overleden op 15-4-1945 te Kollumerland.

Tijdens de meidagen vocht hij mee als militair maar na de capitulatie verbond hij zich aan de OD. Tijdens de bevrijding van Friesland trad hij actief op. Op zondag 15 april 1945 was hij in Kollumerland aan de Soesterdijk waar een motor met een Duitse soldaat aankwam rijden. De Duitser stak zijn handen omhoog alsof hij zich wilde overgeven. Het was echter alleen maar tijdrekken, hetgeen bleek, toen een vrachtwagen met Duitse soldaten aan kwam rijden. De Duitse motorrijder zag kans de vrachtwagen te waarschuwen waarna er een vuurgevecht ontstond. Twee mensen werden dodelijk getroffen, Gerrit Bleeker en Jakob de Graaf overleden diezelfde dag. De kandidaat-notaris te Kollum werd begraven op de Algemene begraafplaats te Kollum. In dit dorp is een straat naar hem vernoemd.


Franke Bles, (kantoorbediende te Heerenveen) geboren op 4 juli 1923 te Terband, overleden op 31-05-1945 te Bergen-Belsen.

In verband met zijn verzetsactiviteiten, zoals het wegbrengen van bonkaarten en valse persoonsbewijzen, sliep Bles doorgaans niet in het ouderlijk huis. Toen dit door omstandigheden op 10 mei 1944 wel gebeurde, deden Landwachters een huiszoeking. Bles werd gearresteerd toen in zijn jaszak bezwarende papieren werden gevonden. Via het Huis van Bewaring in Leeuwarden kwam hij terecht in kamp Amersfoort. Uiteindelijk werd hij gedeporteerd naar het concentratiekamp Bergen-Belsen, waar hij op 31 mei 1945 stierf.
 


Pieter Blom, geboren op 30 september 1912 te Murmerwoude (thans Damwoude), overleden op 26-11-1944 bij de Engelsmanplaat.

Hij was nachtwaker in het gemeentehuis in Drachten. Tijdens de bezetting gaf hij onder de schuilnaam 'Sjors' leiding aan de Knokploeg in Drenthe. Eind november 1944 was hij met een helper en twee piloten die bij Diever waren neergeschoten, op weg naar het drenkelingenhuisje op de Engelsmanplaat tussen Ameland en Schiermonnikoog. Met Engeland was de afspraak gemaakt, dat hier een boot de vliegers zou oppikken. Er was een sein afgesproken, maar toen de boot verscheen klopte dit teken niet helemaal. Het schip verdween weer en de vier mannen bleven op het eiland tot het voedsel opraakte. Toen ging Blom het Wad op om hulp te halen. Hij verdween op 26 november 1944. Zijn stoffelijke overschot spoelde aan op het strand van het Duitse Borkum. Men constateerde dat Piet Blom was neergeschoten. Tot op de dag van vandaag is niet duidelijk wie hiervoor verantwoordelijk is. Blom werd begraven op de Algemene Zuiderbegraafplaats in Drachten. De drie overgebleven mannen op de Engelsmanplaat zijn op eigen gelegenheid naar de vaste wal gelopen. De twee piloten hebben de bevrijding van Friesland in de omgeving van Drachten afgewacht.

Vluchten via Engelsmanplaat.

Een van de bijzondere landschappen in Noord-Nederland is het waddengebied. Al meer dan zestig jaar gaan er verhalen rond dat dit gebied een bijzondere rol zou hebben gespeeld in de oorlog. Twee kleine eilanden aan weerszijde van Schiermonnikoog, Engelsmanplaat en Simonszand, zouden vluchtroutes zijn voor neergeschoten Amerikanen op weg naar Engeland. Waarschijnlijk is er maar één poging geweest en die is op een tragische manier mislukt.

In de winter van 1941 verscheen een Küstenverordnung van de Rijkscommissaris, waarbij de kust en dus ook het gehele waddengebied tot verboden gebied werden verklaard, slechts toegankelijk met een Ausweis. De eilanden hadden alle een bezetting, alleen de kale zandplaten Engelsmanplaat en Simonszand waren onbezet gebied en te voet bereikbaar. In de boeken over de bekende verzetsgroep Zwaantje te Delfzijl van dokter Allard Oosterhuis en coasterkapitein Harry Roossien staat dat er plannen zijn geweest om via Simonszand geallieerde piloten en andere personen, die naar Engeland moesten uitwijken, bij nacht over het wad te leiden en hen vervolgens op te pikken met een duikboot. De bekende wadloper Derk Schortinghuis, die ook in het verzet zat, zou hierbij een belangrijke rol spelen.

In Engeland moest men uiteraard meewerken door een boot op de afgesproken tijd gereed te houden. In codeberichten droeg Engelsmanplaat de naam Transvaal en Simonszand de naam Oranje Vrijstaat. In de literatuur hierover staat echter nergens dat een dergelijke vlucht naar de vrijheid via Simonszand is gerealiseerd, zelfs niet in het boek dat Schortinghuis schreef over het verzet en zijn bemoeienis daarmee. De bekende Schiermonnikoog en Engelsmanplaat-kenner Durk Reitsma heeft in gesprekken met vissers en reddingbootschippers gehoord dat het ‘indianenverhalen’ waren. Lopen naar Simonszand was veel te riskant. ‘Wie zou er genoeg kennis van het wad hebben om ’s nachts deze dertien kilometer lange tocht te maken en wie zou er van de Engelse kant voldoende kennis hebben van de Lauwersgronden om Simonszand te bereiken?’, zo luiden de uitspraken van deze zegslieden.

Anders is dat bij Engelsmanplaat. Daar is één keer een poging geweest om twee neergeschoten Amerikanen te laten ontsnappen naar Engeland. Een van die Amerikanen was Harry Dolph, een boordschutter van de bommenwerper True Love. Op 15 augustus 1944 werd het vliegtuig boven Havelte neergehaald door een Messerschmitt van Oberleutenant Ernst Scheufele. Dolph wist zich te redden met een parachute en werd opgevangen door mensen van de ondergrondse, die hem via Steenwijk naar Meppel brachten, waar hij een persoonsbewijs kreeg van Peter van den Hurk. Van daaruit verbeef hij een tijd in het onderduikershol Wigwam in de bossen bij Diever, waar hij op 17 september Jim Moulton ontmoette, een staartschutter die eveneens met zijn vliegtuig was neergeschoten.

Een maand later ontmoetten beide Amerikanen Sjors, schuilnaam voor Piet Blom uit Drachten, en Nico uit Rotterdam. Beide heren zeiden lid te zijn van een ondergrondse verzetsbeweging en hadden plannen om Dolph en Moulton via Engelsmanplaat naar Groot-Brittannië te brengen. Op 30 oktober verlieten ze Diever en via Hoornsterzwaag, Olterterp, Rottevalle en Oostermeer bereikten ze Suameer. In het boek The Evader schrijft Harry Dolph dat hij hier de koerierster Greta Rusk (schuilnaam) ontmoette, waarop hij verliefd werd, en die hem meedeelde dat Nico lid was van de NSB en voor de SD werkte. Sjors was wel te vertrouwen.
Via Noordoost-Friesland kwamen de vier mannen uiteindelijk aan in Paesens, het vertrekpunt voor de wadlooptocht naar Engelsmanplaat. Een bericht van de BBC zou een aanwijzing geven als er een boot kwam om ze op te halen.

Harry Dolph is op 19 juni 1984 teruggeweest op de Engelsmanplaat en heeft toen een persconferentie gegeven. De mededelingen die hij toen gedaan heeft, kloppen niet met het verhaal uit zijn boek dat is verschenen in 1991. Hij liet op die bijeenkomst ook niet het achterste van zijn tong zien. Volgens zijn boek zouden de vier mannen op 15 november om 22.30 uur naar de Engelsmanplaat gebracht zijn door Teun de Jong en Jan Visser. Op de persbijeenkomst vertelt Dolph dat ze gebracht zijn door de vissers Monte de Vries en Kees Vanger; dit laatste blijkt ook uit de vele interviews die in de loop der jaren met de De Vries en Vanger zijn gemaakt.
Met koffers met proviand en wapens vertrokken ze in de nacht. De maan verlichtte bij vlagen door de wolken het grillige waddenlandschap en er stond weinig wind. Langs de strekdammen van de landaanwinning was het zwaar in het slibrijke en ijskoude water.

De vaargeul moest worden overgestoken en een van de gidsen waarschuwde voor de steile rand. Dolph plaatste zijn koffer op het hoofd en viel min of meer in de geul. Hij ging kopje onder en de koffer dreef mee met de stroom. Nadat ze nog een geultje gepasseerd waren, kwamen ze op het zandige wad ten zuiden van de plaat. Daar stond een reddingshuisje waar ze de dagen zouden doorbrengen. Onderweg zagen ze een gestrande tweemansduikboot en een aangespoelde Duitse zeemijn. De mannen betrokken hun verblijf. Ze mochten ’s nachts geen vuur stoken en overdag niet op de plaat wandelen, want de bewaking vanaf de vuurtoren van Schiermonnikoog hield het gehele zeegat tussen Ameland en Schiermonnikoog in de gaten. De twee gidsen gingen de volgende dag terug naar Paesens.

Er was afgesproken dat als de boot de mannen zou oppikken de wapens begraven zouden worden op vijf meter afstand van de voorste paal van het huisje. Tussen het reddingshuisje en het Wierumer Gat, waar de snelboot zou landen, bedroeg de afstand maar vijfhonderd meter. De volgende nacht zaten de mannen vol spanning te wachten op een afgesproken teken van de Engelse boot. Sjors, die de leiding had, zag een boot en wachtte op het teken. Vanaf het schip zou een V-teken geseind worden, maar tot hun verbazing was het een omgekeerd V-teken. De verhalen via de interviews en volgens het boek van Dolph zijn hierover zeer verschillend. Volgens het boek hebben de Amerikanen de lichten niet gezien omdat ze sliepen. Uit interviews blijkt dat Sjors het niet vertrouwde, terwijl Nico en de Amerikanen Sjors probeerden over te halen om gezamenlijk naar het schip te gaan. Uiteindelijk is dit niet gebeurd.


De Vries en Vanger kwamen de volgende nacht terug om de revolvers te halen en troffen de vier mannen in het huisje. Sjors schreef een nieuw briefje voor een koerierster met de tekst ‘Code verkeerd, we zitten nog steeds te wachten.’ De koerierster moest naar Hoogezand om daar de mensen in Engeland op de hoogte te stellen.
Ondertussen zaten de vier mannen al twaalf dagen op het eiland. Ze werden bevoorraad door Jan Visser en door De Vries en Vanger. In al die tijd is er geen boot uit Engeland meer gekomen. De situatie op het eilandje werd er niet beter op. Overdag zaten ze in het huisje en alleen ’s nachts konden ze naar buiten. De kans dat ze ontdekt werden werd steeds groter, want Duitse militairen kwamen regelmatig op de plaat om te zoeken naar aangespoelde lijken.

Toen De Vries en Vanger weer eten en drinken brachten, liepen Nico en de Amerikanen hen tegemoet. Sjors was er niet bij. Volgens Nico was Sjors de dag daarvoor naar de vaste wal gelopen om hulp te halen, maar daar is hij nooit aangekomen. De drie wilden met alle geweld mee naar de overkant. Vanger en De Vries wisten hen echter te overtuigen dat ze niet overdag mee konden, omdat ze dan regelrecht in de handen van de Duitsers zouden vallen.
De volgende dag, 1 december, werden ze opgehaald door Sieb Visser. Deze toen 24-jarige bakkersknecht woonde in Nes en wilde een Ausweis hebben; daarom werkte hij als timmerman op de bunkers tussen Wierum en Nes bij de Wehrmacht. Tijdens het aanbrengen van de prikkeldraadversperring zag hij kans om de zendmast drie keer onklaar te maken. Hij was een zwager van Jan Visser, zeehondenjager, visser en jutter. Ondanks het verbod gingen ze samen vaak jutten op Engelsmanplaat.

Op 20 juni 1984 interview ik hem in zijn woning in Lekkum. ‘Op de plaat spoelden lijken aan, maar ook zaken die van onze gading waren, zoals 48 jerrycans met benzine en blikjes thee en sigaretten. Overdag zat ik in het huisje.’ Hoewel sommige bronnen zeggen dat Sieb en Jan Visser de Amerikanen van de wal hebben gehaald, vertelt Sieb uitdrukkelijk dat hij dat alleen heeft gedaan, nadat hij van Jan gehoord had dat de mensen van de plaat gehaald moesten worden. ‘Toen ik op de plaat kwam waren ze allemaal uitgeput en ik heb ze eten en drinken gegeven. Ze vertelden dat Sjors met Nico geprobeerd had de wal te bereiken. De terugtocht ’s nachts duurde wel vier uur. Het eerste deel vanaf het huisje naar de vaargeul ging redelijk goed, maar door de geul en de slikkige gronden naar de kust ging het tempo van de totaal uitgeputte mannen omlaag. Uiteindelijk bracht ik ze naar het huis van mijn vader en broer.’
De Amerikanen brachten de laatste oorlogsmaanden door bij de dames Liezenberg in Dokkum en op een adres in Birdaard. Tijdens de opmars van de Canadese bevrijders voegden ze zich bij de troepen en vochten zelfs nog mee tegen de Duitsers.

Het bleek achteraf onmogelijk dat Sjors op het door Nico vermelde tijdstip naar de kust was gelopen, omdat er te veel water stond. Enkele weken later werd het lijk van Sjors gevonden op Rottumeroog met een kogelgat in zijn hoofd. Wat er zich precies heeft afgespeeld op de Engelsmanplaat is nooit onthuld. Sieb Visser: ‘Volgens mijn zwager Jan was Nico een NSB’er. Na de oorlog is Nico doodgeschoten als collaborateur.’ Ook Dolph schrijft in zijn boek dat Nico in april 1945 is geëxecuteerd, omdat hij Sjors zou hebben doodgeschoten. Volgens Dolph is dat laatste niet waar. Durk Reitsma, die de komst van Dolph in 1984 op Engelsmanplaat mede had georganiseerd, vertelt dat hij Harry Dolph op de plaat had zien lopen: ‘Die man liep met een gebogen hoofd over de plaat, de armen op z’n rug.

Hij praatte met z’n vrouw en zei vervolgens laten we deze zaak maar niet meer moesten aankaarten. Het is duidelijk dat hij er niet over wilde praten.’
Er bestaat nog een andere versie over de dood van Sjors. In het zojuist verschenen standaardwerk ‘Een laatste saluut, Fryslân in de oorlog’, schrijft Jack Kooistra, journalist van het Friesch Dagblad, dat Piet Blom (Sjors) vrijwel zeker is doodgeschoten door Sieb Visser. Jack Kooistra weet mij te vertellen dat hij meerdere versies hierover heeft gehoord en dat hij tot deze toch zeer stellige bewering is gekomen uit de vele interviews die hij heeft gedaan in deze zaak.

‘Doorslaggevend voor mij was een bandopname van een inmiddels overleden bron, waarop Sieb Visser huilend bekende dat hij Piet Blom had doodgeschoten op Engelsmanplaat.’ Kooistra weet verder te vermelden dat Visser een omstreden figuur was en dat het bekend was dat het tussen hem en Blom niet boterde. Alle personen zijn inmiddels overleden en het verhaal dat Harry Dolph in zijn testament opheldering zou geven, bleek niet te kloppen; daarmee heeft hij het geheim rond de dood van Sjors meegenomen in zijn graf.
Duidelijk is dat het waddengebied van Engelsmanplaat en Simonszand geen gestroomlijnde vluchtlijn was naar de vrijheid.

Jan Abrahamse.

 


Andries de Boer, (veearts) geboren op 3 maart 1888 te Gorredijk, overleden op 13-04-1945 te Wolterdingen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij lid van het verzet en bood hij hulp aan onderduikers. Op 29 december 1944 werd De Boer door de bezetter opgepakt. Hij kwam om het leven in het Duitse Wolterdingen op 13 april 1945.

Op het kerkhof in Wolterdingen staan 3 grote houten kruizen van een der laatste massagraven van het Hitler Fascisme.

Gedeporteerde Concentratiegevangenen. Verhongert en murw geslagen kort voor de Britse troepen in het oord aankwamen. Achterop de grafsteen staat geschreven, Andries de Boer geboren 3 maart 1888 in Gorredijk, gestorven 13 april 1945 in Woltersdingen. Eén van 269 doden..

             

 

 

Andries de Boer,één van 269.

Dit is een biografie van Andries de Boer één van 269 doden ,die op het Wolterdingen kerkhof werd begraven.

Samengesteld door familie, vrienden en historica uit Friesland.

Andries de Boer werd  3 maart 1888 in het kleine stadje Gorredijk geboren. In het hart van Friesland,als tweede zoon van de familie. Zijn vader was bakker die stierf toen Andries 11 jaar oud was aan kanker. Zijn moeder runde de  bakkerij alleen verder en heeft dan niet veel tijd meer voor de kinderen. Andries is erg in zichzelf gekeerd een dromer, hij leest veel boeken en verzorgt graag dieren. Met dieren wou hij ook later nog te doen hebben. Hij wil dierenarts worden en laat zich van dit besluit niet meer afbrengen.... school studie een huwelijk en een eigen praktijk in de buurt gelukte hem dan ook. Verder gaf hij nog enige artikelen uit in tijdschriften over dieren.

Voor een Nederlander was in die tijd Zuid-Afrika het land der dromen voor een ieder die iets voor dieren overhad. De Boer geeft zijn goedlopende praktijk  op en vertrekt met zijn familie naar Zuid-Afrika om in opdracht van de regering te werken. Doch de realiteit was niet zo zaligmakend, hij had hiervan veel meer verwacht het reizen van de farm naar zijn familie, en de soms ook wekenlange afwezigheid van de familie. Voor de Engelse boeren blijft de Fries een mens van andere klasse.

De Boer kan zich daardoor slecht aanpassen hem bevalt de arrogantie en de brutaliteit van deze bewoners niet en zijn heimwee wordt steeds groter. Het echtpaar de Boer kunnen de omgeving van het Friese landschap niet vergeten ook niet de liedjes die ze avonds zongen ze gaan dan weer terug naar Friesland.

In Noordwolde in het zuidelijke deel van Friesland wordt een huis gekocht,waarin ook een dierenartspraktijk is. Andries gaat er vol tegenaan in zijn beroep, zijn vrouw Roelofje doet de huishouding. Dochter Tine en de buurjongen genieten volop de vriendschap van deze zwijgzame man, hij neemt de kinderen af en toe mee als hij naar de boerderijen gaat, ze helpen thuis mee in het kippenhok waar hij bezig is om nieuwe mooiere rassen te kweken. Naast zijn werk als dierenarts speelt hij ook eenmaal in de week in een Cafe een paar rondjes biljard, tennist met zijn collega's, hengelen en kievietseieren zoeken. Zo vult Andries zijn vrije tijd in en in de wintermaanden leest hij graag, hierbij steeds een pijp of een sigaar tussen zijn vingers geklemd. Hij gaat niet veel uit om muziek of het theater te bezoeken, de radio geeft hem genoeg informatie.

Sociale en politieke activiteiten, zoals door zijn vader in een socialistische organisatie werd gehandhaafd, is niet zijn ding. Door middel van het lezen en door het radionieuws geïnformeerd blijft Andries de Boer sceptisch over de toespraken en acties van de Kerk en Staat. Als de Duitsers in 1940 Holland bezetten wordt hem bewust wat het betekenen kan in de handen van de nazi's te vallen. Hij  kent deze energie der beweging hij heeft gehoord van de haat tegenover de joden en het vermoorden van deze mensen. Hij heeft angst om zijn familie en wil dat zijn dochter na haar tandarts studie in de buurt blijft wonen. Inmiddels over de 50 jaren oud, donkerblond met grijze haren vermengd.. maak hij zich geen illusies over de machten die nu ook zijn wereld in de macht hebben.

Vol angst is moeder Roelofje als zij hoort dat haar dochter in 1943 joodse onderduikers heeft. Een jaar later 1944.. duizenden Nederlanders zijn uit angst voor gevangenschap en werk op het land gevlucht en houden zich hier verborgen. Nu nemen ook de Boers twee  onderduikers op in hun huis, daar deze ook verre familie was van de Boer wist hij dat dit niet levensgevaarlijk was. Ondersteund werden ze door illegale groepen die levenmiddelen op de bon en voor valse papieren zorgden. In Noordwolde zijn arbeiders, artsen, griffiers en handelaren, die een geheime kring hebben georganiseerd. De Boer is niet daarbij. Sommige die hem kennen, weten dat hij zwijgend toestemde en wegkeek als zijn voertuig in de kleine uurtjes weg was en voor clandestien vervoer werd gebruikt.

Eind 1944....Sinds eind september zijn de engelse en de Amerikanen aan de Duitse grens, maar het landen in Arnhem is mislukt en al de hoop op de bevrijding  door de geallieerden is vervlogen. De vijfde kerst in oorlog in Nederland is voorbij en iedere nacht vallen de bommen over Friesland. Het verzet is in de bevolking is gegroeid, de SS (Security Service) heeft zich in de stad geplaatst en wil met geweld de verzetsgroep vernietigen. Een man die opgepakt werd door de SD werd geprest en zwaar mishandeld door hen.. en hij praat, geeft namen aan en wil hiermee een einde maken aan zijn martelingen. Hij noemt namen van dokters ook de Boers naam is erbij.. de SD sluiten nu om velen in het net.

29 December 1944 10 uur in de ochtend is het moment waarop de Handlangers van de veiligheidsdienst naar het huis gaan van De Boer... door het lawaai van de motoren in aantocht werden de bewoners opmerkzaam gemaakt. Jan de buurjongen en Gerke de jongen van de overkant spoeden zich naar huis van De Boer...maar even later worden ze verzocht met hun onderduikers het huis te verlaten De boer schreeuwt schiet mij toch dood. Twee mannen stellen het geweer in aanslag aan de overkant van de straat, daar ontdekt een de bewakers de nieuwsgierige Gerke die vlabij zijn huis in een greppel beschutting gezocht had. De man schiet en treft Gerke. De Boer wordt opgedragen de wond aan zijn hals te verzorgen. Dan volgt zijn arrestatie... het einde van een razzia.

In Noordwolde en omgeving heeft het hetzelfde tafereel zich meermalen herhaald. Die mensen werden gevangen genomen. De Crackstate gevangenis in Heerenveen werd in de volgende weken de ergste fase van hun leven. Verhoor, marteling, de mensen werden geslagen verhoord en tot zelfmoord gedreven. Zo ook De Boer, die blijft bij zijn mening niets met het verzet te doen te hebben gehad. Na vele folteringen gaan ze De Boer die koppig blijft zwijgen psychisch aanpakken. Wij weten dat jij niets hebt gedaan zegt een der SS mannen. Waarom laat je me dan niet vrij vraagt De Boer aan hem. Alle dommen laten wij naar huis gaan alleen de intellectuele houden wij als Duits-vijandig vast, was het antwoord van de SS'er. Andries werd vervoert via Amersfoort naar Duitsland waar hij in een kamp terecht kwam, hier maakte hij enkele vrienden waar hij goed mee kon praten. Het leven was er slecht, maar hij werd niet meer gemarteld....Hij wist nog een brief het kamp uit te smokkelen.... De brief kwam maanden na zijn overlijden aan bij zijn vrouw Roelofje.

 

Crackstate 1944-1945.

De periode 1944-1945 vormt een trieste dissonant in de geschiedenis van Crackstate. Het in 1890 achter het pand gebouwde Huis van Bewaring was toen de uitvalsbasis van een niets ontziend Duits SD-Kommando, dat bijna acht maanden lang in Friesland,Drenthe en de Kop van Overijssel dood en verderf zaaide. Veel gevangen genomen en hier opgesloten leden van de illegaliteit (het georganiseerde verzet) zouden de martelingen niet overleven. Van de gevangenen vonden enkele tientallen de dood; ze werden geëxecuteerd, stierven onder helse ondervragingstechnieken, pleegden zelfmoord of kwamen om in Duitse concentratiekampen.

Het Commando Kronberger arriveerde op 14 oktober 1944 in Heerenveen (Zuid-Nederland was toen al bevrijd) met als voornaamste opdracht het Duitse bezettingsleger te beschermen tegen sabotage en spionage. Commandant van de gevreesde politie-eenheid was de Oostenrijkse SS-Hauptsturmführer Erich Karl Kronberger, een voormalige goudsmid uit Wenen. Hij voerde het bevel over zo'n veertig man, die het noordelijke platteland gewetenloos terroriseerden.

In de eerste oorlogsjaren verbleven er hoofdzakelijk gevangen genomen Joden, alsmede mensen die op verdenking van economische delicten waren opgepakt, zoals zwarthandelaren. Na aankomst van de SS-eenheid werd het Nederlandse bewakingspersoneelonmiddellijk op straat gezet.

Door de gewelddadige verhoormethoden sloegen veel gevangenen door met als gevolg dat in de winter van 1944/1945 honderden verzetsmensen werden opgepakt. Vooral de ondergrondse in de omgeving van Noordwolde, Wolvega en Echtenerbrug leed onder deze golf van arrestaties. Op het hoogtepunt van de aanhoudingen zaten tussen de twee- en driehonderd mannen en vrouwen achter Crackstate, dichtopeengepakt in veel te kleine cellen en onder onvoorstelbaar slechte hygiënische omstandigheden. Een overval op de gevangenis is door het verzet wel overwogen, maar de risico's werden vanwege de zeer zware bewaking te groot geacht. Slechts eenmaal slaagde men er in om twee gevangenen uit Crackstate te bevrijden. Dat was in september 1944, vlak voor de overname door de gevreesde SD.

 


Douwe de Boer, (postbode), geboren op 4 april 1890 te Gaast, omgekomen in Kamp Vught op 2 juni 1944, 54 jaar.


Gerrit de Boer,

“Herinneringen uit mijn kampleven Vught-Dachau 1943-1945”  van Gerrit de Boer thans wonende in Canada.

Gerrit de Boer, geboren op 30 juli 1921 was in 1943 inwonend boerenknecht bij Sietze Reitsma te Sandfirden. Gerrit was afkomstig van, toen Idzega, thans Rigedyk 12 Oudega (W)

Wegens zijn daadwerkelijk aandeel aan de Mei-staking in 1943 werd hij door de Duitsers opgepakt. Na zijn terugkomst uit Dachau in juni 1945 werd hij van verschillende kanten verzocht zijn belevenissen op schrift te stellen. In de loop van 1945 heeft Gerrit de Boer zijn wederwaardigheden met potlood in een schrift geschreven en op verzoek werd dit dan voor diverse verenigingen vooral J.V.’s en M.V.’s voorgelezen. Na 40 jaar was dit potloodschrift zodanig verbleekt dat alleen hijzelf dit nog kon lezen. Op mijn verzoek heeft Gerrit de Boer dit overgeschreven en mij toestemming gegeven dit te plaatsen in de “Nijsljochter”.

De aantekeningen zijn sober en is een relaas van feitelijkheden. Tussen de regels staat vaak meer dan er in. “Hier werd ik kort verhoord en ter dood veroordeeld direct of morgenvroeg” zo vertelt Gerrit de Boer in deze eerste aflevering, maar wat hij dan denkt en wat hij dan heeft doorgemaakt in die dagen daarna, geen woord daarover. Wanneer er iemand in het kamp werd opgehangen moesten ze er in een boog om heen staan en dan zegt Gerrit de Boer “veel indruk maakte het niet, want we hadden zo langzamerhand al aardig wat meegemaakt.”

Voor de aandachtige lezer zijn deze “herinneringen uit mijn kampleven” een indrukwekkend verhaal. Een verhaal van een getekende, kaalgeknipt, zebrakleding. Een verhaal over treiteren, martelen, hard werken, honger, altijd honger, moorden, bitter kou, luizen. Dat alles heeft Gerrit de Boer overleefd, toen een jongen onder ons, en nu vertelt hij zijn ontberingen in elf afleveringen in de Nijsljochter, 41 jaar later (1986).

Bewaar deze afleveringen.

Hiele Walinga.
 

1.

’t Was een prachtige zonnige morgen, de morgen van de 3e mei 1943. Doch wreed werd onze rust verstoord, want voordat we erop verdacht waren was de boerderij van S. Reitsma, waar ik toen werkte, door de leden van de Grüne Polizei met medewerking van de beruchte handlanger der S.D., Lammerts, omsingeld. Wegens sabotage met de Meistaking werd ik toen gearresteerd en meegenomen in de overvalwagen die in Sandfirden gereed stond. Met nog een paar bekenden, n.l. Hieltje Walinga en Sikke Bakker gingen we naar Oudega waar ook nog de vrouw van Bouke de Vries werd meegenomen, vervolgens gingen we naar Woudsend waar we de hele dag zijn geweest en toen naar Leeuwarden. Allereerst naar de gevangenis en de volgende dag naar het Oldburger weeshuis waar de S.D. was ondergebracht. Hier werd ik kort verhoord door het Standgericht en ter dood veroordeeld, direct of morgenvroeg. Met zo goed als ik weet met nog vijf anderen o.a. ook onze dorpsgenoot Bouke de Vries, met wie ik nog even heb gepraat. Alhoewel, die is toen ook direct opgehaald met nog iemand, hoogstwaarschijnlijk een zekere Fokkens, die zo goed als ik weet denkelijk direct zijn doodgeschoten. Daarna werd ik met drie anderen, een zekere Eisinga een onderwijzer uit Gorredijk, die ’s nachts nog is doodgeschoten, en nog twee uit Berlikum, die in Dachau zijn overleden, naar het Huis van Bewaring gebracht.

Na een tijdlang in onzekerheid te hebben gezeten werd de doodstraf in 15 jaar Tuchthuisstraf omgezet. Vijf weken heb ik daar gezeten alleen in een cel, wat eerst niet best was, vooral daar ik absoluut niets had te doen, ook niets te lezen. Later werd dat beter, maar met Gods hulp ben ik daar ook doorgekomen. Daarna werd ik met die twee uit Berlikum naar het Scholtenshuis in Groningen gestuurd om de volgende dag met een heel transport naar Vught te gaan. Toen we daar aankwamen regende het en lieten ze ons een poos buiten staan om te wennen. Daarna werden onze bezittingen afgenomen b.v. geld, brieven, horloges enz. Na geregistreerd te zijn, kaalgeknipt, kregen we kampkleding met blauwe en witte strepen (zebra). Vervolgens gingen we het kamp in, een der eersten die ik ontmoette was Jan Elzinga, nog een oude schoolkameraad, om toen naar een der barakken ondergebracht te worden.

2.

De andere dag gingen we naar een andere barak (Blok 15) waar alleen zwaar gestraften, joden en ter dood veroordeelden waren. In ’t eerst deden we niks en zaten we de hele dag binnen en verveelden ons best. Negen uur ’s avonds was het bedtijd en 4 uur ’s morgens opstaan. Er werd eerst nog behoorlijk geslagen, we hadden 3 keer per dag appèl, wat ze om te pesten aardig konden rekken vooral als het regende, en wee als het niet klopte of als er eens iemand tussen uitgeknepen was dan kon het tot in de nacht duren. Ook ’s middags om 12 uur duurde het wel eens zolang dat het eten er bij in schoot. Wat dat eten betrof, dat was in één woord slecht, het smaakte verschrikkelijk. Ik heb wel eens gehoord dat dat met opzet werd gedaan, daar de S.S. officier die over de keuken ging een geweldige haat jegens de gevangenen koesterde. Dan werd het geringste vergrijp zwaar gestraft b.v. 25 stokslagen die niet mals waren, een tijd in de bunker en soms ook een tijd lang op hurken huppen totdat het slachtoffer erbij neerviel.

Toch zeiden diegenen die er als een tijd waren geweest dat het een sanatorium was vergeleken bij wat het geweest was. Nou dat vond ik in het begin alles behalve, maar alles went gelukkig, en ook dit leven. Na een poosje kon ik me er ook best inschikken, vooral toen we aan het werk werden gezet gaf dat heel wat afleiding. Eerst begonnen we met ijver, maar dat duurde niet lang toen volgende we het voorbeeld van anderen om zo weinig mogelijk te doen. Ze noemden dat drukken. eerst bestond het werk uitsluitend uit zand kruien, we hadden altijd de kruiwagen vol. Maar in het zand zat altijd zo’n verdacht kuiltje dat was van het zitten erin en er waren altijd van die mooie sprekers die voor de afwisseling zorgden. Maar als er gevaar was dan was het plotseling een en al bedrijvigheid. In de regel hadden we een Hollandse SS-er over ons gesteld, maar die was in de regel niet te zien en over het algemeen hadden we daar helemaal geen last van, die hadden al lang in de gaten dat ze op het verkeerde paard hadden gewed. Maar je moest daarom altijd voorzichtig wezen wie je kon en wie je niet vertrouwen kon. Dan was er nog een Duitse gevangene een zgn. Capo over ons gesteld als voorman die meestal een goed heenkomen had gezocht. Echter op veel commando’s en vooral buiten het kamp waren die Duitse Capo’s beestachtig slecht dat hebben we later genoeg ondervonden.

3.

Meest waren dat de communisten en beroepsmisdadigers die daar voor moord zaten en die vooral tijdens hun kampleven er nog heel wat doodgeranseld hebben. En waar ze vaak door hun gedrag hun leven weer aan te danken hadden. Dit soort waren dan ook onze Blok leiders die ons het leven in de barakken soms danig lastig maakten, alhoewel ze later aardig bij draaiden toen ze zagen dat de Duitse oorlogskansen er niet beter op werden. Onze kampcommandant, Smylevsky, een Hauptsturmführer, hadden we nog niet eens zo heel veel last van, ’t was niet een best persoon maar hij had veel meer belang bij zijn eigen “pretjes”.

Zo nu en dan kwam er een houten bok op de appèlplaats, dan werden een aantal uitgeroepen die wat op hun geweten hadden en met een zeer buigzaam leren ztok werd er op onmenselijke manier geranseld, een obersharführer (Etlingen) was daar een meester in, wat luider er gekermd werd wat meer de commandant met zijn staf genoot.

Doch na enige tijd maakten ze het zo bont door hun liederlijk leven, om maar wat te noemen, door ’s nachts in gevangenenkleren de Joden vrouwen met een bezoek te vereren, toen is de commandant met zijn aanhang naar Berlijn opgeroepen.

Later in Dachau zagen we hen doch niet meer met hun rang en tekens op de kraag doch als gevangenen (dit waren de zgn Gevallen Engelen). Toen kwam er een andere commandant (Grünewald) en dat was ook vooral niet een beste, toen moesten we werken. Want als mens het niet verwachte dook hij plotseling op en zijn straffen waren niet mals. Zondag ’s morgens was het stenen sjouwen en dat was niet best alhoewel er joden bij waren en die waren er in de regel genoeg, nou dan hadden we nog niet te klagen. Soms werd er ook wel eens een jood doodgeschoten op het werk die niet meer kon. De reden was dan “werkweigering”. Ook richtte hij een zogenaamds strafbarak op als strafblok. Die daar inkwamen kregen verzwaring van straf, ook ik ben daar een maand of 5 in geweest, met alle zwaar gestraften. Het volgende werd hier o.a. verboden, geen levensmiddelenpakketten ontvangen, minder eten, niet roken, extra zwaar werk, niet in contact met ander gevangenen en zondags de gehele dag werken. Doch ook deze commandant werd gearresteerd en volgens de geruchten doodgeschoten. Hij had een aantal vrouwen in 2 kleine cellen in de gevangenis opgesloten voor een nacht. De deuren moesten worden dichtgetrapt anders konden ze er niet in.

4.

De andere morgen waren sommigen gestikt, bewusteloos of krankzinnig. Hij zou het feitelijk stil houden, maar de lager arts, ook een Duitse, dat een goed mens was, dacht er anders over. Maar na verloop van tijd werd het beter voor het strafcommando. We moesten toen werken op een plaats achter in het kamp waar neergeschoten Amerikaanse en Engelse vliegtuigen gesloopt werden. Dit was best uit te houden en ook wel interessant. We stonden onder toezicht van de “Luftwaffe”en die waren niet ongeschikt, daar hadden we het best uit kunnen houden tot het einde van de oorlog. Maar zo was het niet. Op de morgen van 25 mei 1944 werd plotseling de appèlplaats afgezet met zwaar bewapende SS-ers, 700 tot 800 nummers uitgeroepen om vervolgens in beestenwagens gebracht en in Duitsland ingevoerd. Waarheen vroegen we elkander af. Niemand wist het antwoord en veel hoop hadden we niet, daar we al heel wat van de Duitse kampen gehoord hadden, wat niet veel goeds was.

Een oude communist uit Rotterdam zei: “Ik ben bang dat we naar Natzweler gaan, daar ergens in de Elzas”. Daar waren ook twee van zijn jongens heen gestuurd en nooit weer iets van gehoord. Dit was een zgn. “Nacht und Nebell kamp”, met andere woorden, een vernietigingslager met steengroeven. Dit was niet zo opbeurend, want wij hadden genoeg van die verhalen gehoord en we gingen ook eerst aardig die richting uit. Maar na ongeveer een nacht en een dag gespoord te hebben stonden we voor de poort van Dachau. Daar aangekomen te zijn, het was inmiddels al donker geworden, moesten we eerst een poos buiten het kamp wachten.

Maar om een uur of tien gingen we het kamp binnen. Toen werden de nummers uitgeroepen. Maar toen dat niet vlug genoeg ging, wat eigenlijk de schuld was van de gevangenen, want die hadden in het geheel geen haast, werd er iemand om een stok gestuurd en aan de rapportführer overhandigd. Nou toen kwamen ze wel en toch was deze Duitser lang de slechtste niet, want de volgende dag zagen we hem weer en toen was hij niet onvriendelijk tegen ons. Daarna mochten we slapen in het badhuis zomaar op de cementen vloer. De andere dag kregen we andere kleren en gingen we naar een “quarantaine barak“. Hierin was ruimte voor 400 man, doch ze stopten er 1000 in. Met slapen lagen we om en om, zodat we met het gezicht tegen de ander zijn tenen lagen.

5.

Toen hebben we vaak gedacht hoe goed we het destijds thuis wel hadden. Overdag liepen we tussen 2 barakken in, het straatje was ongeveer 200 meter lang en 5 meter breed, dus niet veel “lebensraum”voor zo’n 1000 man. Na 3 weken gingen we naar één der vrije blokken en mochten we in het kamp waar het vrij rustig toe ging. Het eten hoewel niet genoeg, was veel beter en smakelijker dan in Vught. ’s Zondags in het bijzonder. Maar lang zijn we hier toen niet meer gebleven. Toen werden we gesorteerd en naar een buitenlager gestuurd ongeveer 8 km. van Dachau, Allach genoemd. Voor die tijd werd ons afgenomen wat we volgens hun niet mochten bezitten. ik had een Nieuw Testament, dat ik overal nog mee had kunnen smokkelen, maar hier was dat niet mogelijk. Een Duitse officier nam het me af met de belofte als ik weer vrij kwam, kreeg ik dat terug, en warempel, na ik weer een paar maanden thuis was, werd het me vanuit Dachau toegestuurd.

De aankomst in Allach ging weer met de stok gepaard, alhoewel, het maakt wel verschil wat voor nationaliteit je was, de Russen hadden het harder te verduren dan wij.

Reeds de volgende dag maakte ik mijn eerste vliegtuigbombardement mee, bestemd voor de BMW fabriek, waar vliegtuigmotoren werden gemaakt. De andere dag moesten we helpen om bij de getroffen keuken van de fabriek opruimingswerk te verrichten. Het kon slechter, want hier viel nog wel iets af dat we best konden gebruiken, daar we de laatste tijd niet waren verwend wat de kost betrof. Maar dit was maar voor één dag en toen moesten we naar de fabriek. veel hoefden we eerst niet te doen. Maar de tijd viel verschrikkelijk lang. Vaak hadden we last van bombardementen, dan lagen we in het open veld midden in een regen van granaatscherven.

Maar ook hier zijn we niet zo heel lang geweest, want de Duitsers zagen wel dat er zo ook niet veel van hun machines over bleef, zodat ze alles op treinen zetten en naar Elzas-Lotharingen stuurden, waar een tunnel was door de Vogezen. Daarin werd alles opgesteld. ook ik moest met enige honderden daarheen. Het was jammer dat het onder deze omstandigheden was, maar we reisden met een elektrische trein en vooral door het Zwarte Woud was het in een woord schitterend. We kwamen ’s morgens in Straatsburg aan, daarna nog een half uur sporen en kwamen we in het stadje Markirch aan en werden we ondergebracht in een oud afgedankt weeffabriek waar we met een 1000 man verbleven. Hier was de bewaking niet zo slecht, de commandant van de Luftwaffe was niet ongeschikt en gaf helemaal geen last.

6.

De minste daar was een Duitse gevangene, een beroepsmisdadiger, die dan ook de lageroudste was. Die moest altijd slaan en commanderen zonder redenen. Ik heb het gezien dat soms gevangenen in bescherming werden genomen door de “rapportführer, die een Duitse SS-er was. Emil heette die lageroudste. Hij is later ontsnapt, anders had hij het aan het eind van de oorlog ook gekregen. Ook een Hollandse gevangene heeft zich ook niet zo best gedragen, zijn naam was Niks. Die naam deed hij ook alle eer aan. Wij moesten hier werken in de 1 ½ km tunnel, aan de ene kant reed een trein, terwijl daarnaast de draaibanken stonden om onderdelen voor de vliegtuigmotoren te maken. Dat was tenminste de bedoeling. Maar als ergens werd gesaboteerd dan is het daar geweest. Werken werd er praktisch niet gedaan en toezicht was er weinig, gevaar was er feitelijk ook niet. Op beide einden van de tunnel stonden wachtposten. De Russen waren nog het ijverigst, die maakten stiekum ringen e.d. artikelen van het chroomstaal waar de Duitsers zo erg zuinig op waren. Deze dingen verkochten ze weer voor sigaretten en brood aan de civiele arbeiders die daar werkten.

Ook waren daar Hollandse arbeiders die daar tewerk gesteld waren. Daar hebben we heel wat aan gehad. Ze gaven ons geregeld brood en ander eten dat ze uit hun kamp meenamen. Nou dat kwam ons heel wel van pas. En ook andere buitenlandse arbeiders deden hun best voor ons. We kwamen in aanraking o.a. met een Griek, iemand van Kreta en ook een Armeniër die daar bij Perzië vandaan kwam. In dit geval deed de Duitse taal wonderen. Dus vielen de dagen ons niet zwaar. ’s Zondags was het erger, dan moesten we vaak stenen sjouwen buiten de tunnel dan natuurlijk in een behoorlijke warmte dan was het vloeken slaan en trappen en het waren in de regel gevangenen, veelal Polen, die dat deden. Jammer dat de omstandigheden zo waren want de Elzas met zijn woeste Vogezen gebergte is schitterend mooi. Een keer op een morgen heb ik hier ook een terechtstelling meegemaakt. Een Ciciliaan die gevlucht was en weer gepakt, werd in front voor iedereen opgehangen, want vluchten uit en kamp in Duitsland betekende de strop.

Eerst moesten we er met een boog omheen staan terwijl de Gestapo zijn werk deed. Daarna moesten we bij het lijk langs lopen, dit was voor afschrik. We hadden medelijden met het slachtoffer, maar veel indruk maakte het niet. We hadden zo langzamerhand al aardig wat meegemaakt.

7.

Intussen waren we verhuisd naar een ander kamp, dichter bij de tunnel zgn “hondehokkenlager” want de barakken waren net hondehokken. Ruimte was er niet . Aan de ene kant wat stro om te slapen en aan de andere kant konden we staan of zitten. Stoelen en tafels waren er niet in. De toestand was bijzonder slecht daar. Vooral zondagsnachts dan waren de dag en nachtploeg bijelkaar en dan was het een gevecht van je welste om onderdak te krijgen. Vooral de Russen die gooiden je er zo uit. Eindelijk kwamen de Amerikanen zo dicht bij zodat wij ’s nachts het schieten konden horen. Volgens de geruchten was Straatsburg al gevallen dus waren we afgesloten. Maar dat was niet waar, en misschien maar goed ook, want ze hadden ons toen vast niet levend in de handen der Amerikanen laten vallen. En we hebben ook later gehoord dat ons kamp finaal kapot is geschoten.

Plotseling werden we weer op transport gesteld en werden we in een goederentrein gepakt en Duitsland weer ingereden. Drie dagen en nachten duurde deze reis. Onze reiskost bestond uit droog brood en vlees, Maar wegens gebrek aan drinkwater konden we het niet naar binnen krijgen. Slapen kwam ook niets van want we konden amper zitten laat staan liggen.

Doodmoe en uitgeput kwamen we eindelijk in Allach bij Dachau aan. Dit was op 3 oktober 1944. Daar aangekomen hadden we geen kans om wat water te drinken, maar gelukkig werden we het badhuis ingedreven. We kregen een koud bad, maar niemand voelde het. We dronken alsof het leven er van afhing toen het water van boven kwam.

De eerste vier weken hoefden we niets te doen alleen zo nu en dan wat sport maken voor de een of andere SS-er hardlopen, over de natte grond kruipen of iets dergelijks. Daarna heb ik een tijd gewerkt bij de bouw van de Bunkerhallen waar geheime wapens werden gemaakt. De muren daarvan waren 3 meter dik van cement en het dak 6 meter met veel staal in de cement. Dit moest bomvrij zijn.

We moesten ’s avonds 6 tot ’s morgens 6 in de cement werken in de koude novemberstormen, regen en soms sneeuw. Luchtalarm was altijd een welkome verrassing want dan moesten de lichten uit en mochten we naar binnen.

Doodmoe, koud en uitgehongerd kwamen we ’s morgens weer in het kamp aan. Deze fabriek was berucht vanwege het aantal doden die er gevallen zijn tijdens de bouw daarvan. Daarna werden we in het eind van november weer op transport gesteld. Naar een stadje Trostberg gelegen in Salsburg vlakbij de Oostenrijkse grens.

8.

Hier hebben we een verschrikkelijke winter meegemaakt. Niet dat de bewaking nog zo slecht was, geslagen werd er praktische niet, maar het was de koude en de honger die er werd geleden. Kleren en schoenen waren hopeloos. Papier was hier een kostbaar ding, dat werd bij de kleren ingeduwd. Het was daar bergachtig. Het vroor soms van 20 tot 25 graden. Het waren hier feitelijk alleen jonge mensen tot een jaar f 30, enkele oudere, maar boven de 40 jaar zouden hier niet veel kunnen leven.

Veel zijn hier echter niet gestorven. Dan waren ze voor die tijd wel naar Dachau teruggestuurd. Vaak om daar te sterven. Wat ook niet aangenaam was was dat de onder de luizen zaten, want schone kleren kregen we nooit. Kerstfeest 1944 hebben we als Holanders met elkaar gevierd te midden van al die ellende. We hoefden een paar dagen niet te werken en het eten was toen ook goed. Alleen veel te weinig. Ook heb ik een tijd alleen tussen de buitenlanders gezeten. Meest tussen de Russen en dat was niet best. Toen ben ik de wanhoop weleens nabij geweest. Maar dat kon ook niet, want ik moest hier weer levend vandaan komen. Daarna werd ik voor 3 weken opgenomen in de ziekenbarak vanwege een abces dat ik had opgelopen. Hierin moest ik Gods leiding ook weer zien. Want deze tijd heeft me voor heel wat ellende bewaard. Daarna, begin maart, gingen we weer op transport naar Allach. Hier aangekomen werden we ingedeeld bij het opruimingswerk in München. ’s Morgens 5 uur vertrokken we met de trein uit het kamp. ’s Avonds om 9 uur kwamen we weer terug. Maar ook wel eens later. Ook wel eens middernacht, vooral als we veel vliegeralarm meemaakten.

Daarna zag ik de kans om een week vrij van werken te komen. Later kwam ik bij de zgn. Moorexpres. Dit was een grote wagen die door 25 gevangenen werd getrokken waar vracht voor het kamp mee werd gehaald. Meest uit Dachau. De afstand was een km. of 8. Dus 16 heen en terug. ’s Morgens vertrokken we en ’s avonds om een uur of 4 waren we terug. Dan kregen we voor het eerst eten. ¾ liter aardappelensoep en een klein stuk brood. Het was feitelijk niet genoeg om er van in het leven te blijven, laat staan om er op te werken.

Eens werden we naar het station gestuurd. Het heette om een wagen vol wortels te halen waar natuurlijk wel animo voor was. Toen we aankwamen bleken het lijken te zijn afkomstig van een Jodentransport uit Oraniënberg bij Sachsenhausen die waren 3 weken in de trein geweest.

9.

Eerst kwamen de doden in de wagen en daar de zieken bovenop en die nog lopen konden daar weer achteraan. De andere morgen zou dat weer gebeuren maar ik zag kans om me aan sluiten bij een ploeg die op de tuinderij werkte waar het niet slecht was.

De commando-führer, een SS-er, was de kwaadste niet en zag veel door de vingers. Vaak was er luchtalarm en volgden er duikvliegers die kwistig met mitrailleurkogels omgingen. daar waren de Duitsers vaak banger voor dan wij. We lagen tenminste rustig onder de bomen. Het weer was inmiddels ook beter geworden. De schildwachten der SS waren vervangen door oudere weermachtsoldaten en die gaven helemaal geen last. Ik heb ook wel eens sigaretten met hen geruild tegen brood, er was ook wel een één die me zo een stuk brood gaf. Dit waren natuurlijk de wachtposten op het werk. Het kamp was nog volledig onder de leiding van de SS. Overdag voelden we ons niet zozeer gevangenen meer. Maar ’s avonds moesten we weer naar het kamp waar de ellende ons weer toegrijnsde. Waar ook vlektyfus heerste. Ook al door het slechte eten en ongedierte.

Wat ook nog mooi was op het werk dat we van de mensen die de tuinderij in eigendom hadden extra eten kregen wat geweldig van pas kwam.

Doch het was toen zo, wat we ook kregen het was nooit genoeg. Intussen wachten we altijd nog op de bevrijding, doch hoe lang nog. we wisten wel dat het goed ging, maar dat dat nog eens zou gebeuren leek ons bijna onmogelijk. En dat scheen zeker een gewoon verschijnsel te zijn, want ik heb veel boeken gelezen van andere gevangenen die er net zo over hebben gedacht. We waren al zo lang verdrukt en vertrapt en een nummer geweest, zodat je dacht dat het misschien altijd weleens zo kon blijven.

Er waren genoeg Duitse gevangenen die al een jaar op twaalf hadden gezeten. Eén zelfs 20 jaar, Noah genaamd, maar dat was een misdadiger. En als het al eens zover kwam, wat zou de SS dan doen. Ze waren best in staat om op het laatste moment de mitrailleurs op ons te zetten.

Doch steeds kwamen de Amerikanen nader. Toen ze bij Augsburg was, zo ‘n 85 km. van ons vandaan, konden we het geschut horen. Toen plotseling mochten we niet meer uitrukken om buiten het kamp te werken. Later hoorden we dat er bericht was gekomen in Dachau dat niet één gevangene levend in de handen der Amerikanen moacht vallen, dat gelukkig gesaboteerd is. Toen de Amerikanen in Dachau kwamen gaf de commandant de brief van Himmler, waar dat bericht in stond, over aan de Amerikaanse commandant.

10.

Doch hebben we inderdaad klaar gestaan om op transport te worden gesteld. er waren SS-ers bij en heus niet van die besten. Echt, degenen die tot alles in staat waren met machtige geweren en honden. We waren klaar om weg en ik denk dat er bericht uit Dachau is gekomen, wan in enen was het “in de barakken, mars, mars”. Plotseling om een uur of 10 die avond werden we opgeschrikt door het bevel dat alle Duitse en Russische gevangenen direct moesten aantreden voor transport. Velen zijn toen gegaan. Maar ook velen zijn in het kamp ondergedoken. Met elkaar zijn uit Allach en Dachau 6500 gegaan. Later hoorden we van een die terug kwam dat er die nacht 3000 waren neergeschoten in een bos. De rest wist te ontsnappen. Dit had ons deel ook kunnen zijn. Ik heb gehoord dat de reden was dat ze deze gevangenen uitkozen omdat Duitsland en Rusland niet lid waren van het Internationale Rode Kruis en misschien waren ze ook wel wat banger van deze gevangenen. En van hun kant bekeken misschien ook wel een beetje met recht, doch verschrikkelijk was het.

Vrijdagmorgen 27 april hadden we appèl. Vele van de Russen die in het kamp waren gebleven hadden in plaats van een R een F voor hun nummer, dan konden ze nog voor een Fransman er op door en het werkte ook nog. De Duitsers hadden het niet in de gaten. ’s Middags werden we schift en werden alle nationaliteiten afzonderlijk in de barakken ingedeeld. ’s Avonds was er weer appèl om een uur of 5. Doch toen er een regenbui kwam, liepen we allemaal van de appèlplaats weg en ook de SS-ers liepen weg. Om een uur of 11 werden we gewekt en werd bekend gemaakt dat de hele SS was gevlucht en dat binnen enkele uren de Amerikanen verwacht konden worden. Doch de andere morgen waren ze er evenwel niet en het werd zo langzamerhand wel een benauwde boel wat eten betrof.

Vooral voor de Hollanders. De Fransen en de Belgen kregen volop levensmiddelenpakketten en ook die van andere landen wel. Behalve dan de Russen natuurlijk, maar die kregen wel van de Fransen omdat ze het anders toch wel stalen.

Van de Belgen hadden we evenwel al een keer een pakket van 15 pond gehad. Deze pakketten werden door het Rode Kruis van deze landen geregeld. De plannen zijn er wl geweest voor de Hollanders, maar niet uitgevoerd.

11.

Zaterdags gebeurde er niets en zondags niets. De spanning steeg behoorlijk. in de verte daar om Dachau heen, terwijl we op het dak van een barak stonden, konden we branden waarnemen. Daar werd gevochten. We konden niet uit het kamp komen, want nadat de SS vertrokken waren stonden er nog 8 soldaten van de weermacht op de torens rond het kamp. Doch deze werden door een stuk of wat vooraanstaande gevangenen ontwapend en naar huis gestuurd. Die gevangenen namen de bewaking over, wat maar goed was anders was er wanorde gekomen.

Die zondagavond beleefden we nog angstige ogenblikken. De Duitsers waren teruggekeerd bij het afweergeschut en beschoten de Amerikanen die inmiddels Dachau hadden bevrijd en onderweg waren om ons te bevrijden. Maar daar die er niet voor voelden om zich door de Duits “Flak”kapot te laten schieten waren deze weer terug gekeerd.

De andere morgen waren de Duitsers voorgoed vertrokken en om 12 uur maandag 30 april kwamen de pantsers en jeeps van de Amerikanen aanrollen. Of ze met gejuich werden ingehaald laat zich natuurlijk indenken. Eindelijk de lang begeerde vrijheid. De Amerikaanse commandant, een farmer uit het gebied der Ohio-rivier, wordt op de schouders gedragen.

We mochten evenwel niet buiten het kamp komen. Wie het al probeerde had kans dat hij door Amerikaanse posten werd neer geschoten. Maar ja, orde moest er zijn.

Het werd natuurlijk vooral wat eten betrof direct beter. Alhoewel er na de bevrijding nog heel wat gestorven zijn aan tyfus en de geleden ontberingen. Direct na de bevrijding ben ik zelf ook nog behoorlijk ziek geweest, maar ben er gelukkig door heen gekomen.

Zo nu en dan hadden we wat afwisseling als er weer een truck vol gevangen SS-ers werd binnengebracht, en in de zgn. bunker werd gestopt.

Ook onze ex-kampcommandant, Jarlin, was gevlucht, doch een dag of wat later gepakt en werd op de motorkap van een jeep bij het kamp langsgereden. Onder luid gejuich van de gevangenen. En vervolgens naar Dachau vervoerd, werd hij tewerk gesteld om mee lijken op te ruimen. Maar het wachten in het kamp werd tenslotte vervelend, doch eindelijk op 24 mei brak de dag aan dat 100 Hollanders met 3 van de Duitse georganiseerde bussen het kamp verlieten.

5 dage duurde deze reis en met veel belevenissen en avonturen bereikten we na ook voor ons weer een prachtige reis de Hollandse grens.

Hier aangekomen werden we opgevangen in R.K-ziekenhuis, waar we op een geweldige maaltijd werden onthaald.

Vandaar gingen we naar Eindhoven waar we een paar dagen in het Veemgebouw vertoefden, vanwaar we toen naar huis gingen. Nu is het beurt aan degenen die zoveel leed veroorzaakt hebben om hun straf te ondergaan. Maar het ligt niet op onze weg om wraakgevoelens te koesteren. God zal hen straffen.

Gerrit de Boer.

Bron: www.oudega-wymb.nl


Jouke de Boer, (Student in veeartsenijkunde) (zoon van het hoofd van de Landbouwschool in Sneek), geboren op 26 augustus 1922 te Rinsumageest, overleden op 10-04-1945 in het Concentratiekamp Sachsenhausen te Oranienburg.


Jelle Boersma, (veehouder in Karlijk) geboren op 17 februari 1910 te Oosterzee, overleden op 17-3-1945 te Doniaga.

Zijn boerderij lag in de buurt van het afwerpterrein van geallieerde wapens en munitie in het Katlijker Schar (Elke afwerpplek had een eigen code. Zo luidde de slagzin voor het Ketliker Skar 'De worm heeft rode haren'. Wanneer verzetsmensen deze code voor de Belgische uitzending van de BBC hadden gehoord, konden zij 's nachts een dropping verwachten. De wapens werden ondergebracht in de hier vlakbij gelegen boerderij 'Moskou' van de familie Lykle Mulder en van daaruit gedistribueerd.

Boersma hoorde bij de ontvangstploeg, die na de dropping de wapens distribueerde)Verschillende containers gingen naar de Knokploeg Echtenerbrug, waar op 3 januari 1945 arrestaties volgden. Op 23 januari arresteerde de Sicherheitsdienst Boersma in Katlijk. De gevangenen werden naar Crackstate in Heerenveen gebracht, waar ze zwaar werden verhoord. Op 17 maart 1945 werd Boersma samen met negen andere gevangenen in Doniaga gefusilleerd, 35 jaar oud. Hij werd begraven op de Algemene begraafplaats in Nieuwehorne.

 

De gedenksteen in de boerderij van Schotanus herinnert de inwoners van Doniaga (gemeente Scharsterland) aan de fusillade op 17 maart 1945 van tien gevangenen uit de Heerenveense gevangenis Crackstate.

De namen van de tien slachtoffers luiden:

Roelof Knol, 22 jaar. uit Meppel.
Wiepke Hof, 28 jaar, uit Echtenerbrug.
Yde Yntema, 43 jaar, uit Hemelum.
Siebe de Ruiter, 63 jaar, uit Oudehaske.
Dirk de Ruiter zijn zoon, 23 jaar, uit Oudehaske.
Albert Koopman, 28 jaar, uit Echten.
Jan Hornstra, 44 jaar, uit Wijkel.
Hotse Brouwer, 34 jaar, uit Haskerhorne.
Thomas Kuurstra, 21 jaar, uit Harlingen.
Jelle Boersma, 34 jaar, uit Katlijk.

Doniaga, gedenksteen in de boerderij van Schotanus ...


Sij(y)bren Jan Boersma, geboren op 5 augustus 1920 te Hallum, overleden op 21-07-1945 te Nijmegen.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog was hij lid van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Tijdens het opstellen van een groepsfoto van oud-leden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten in Ferwerd ging een vuurwapen af, waardoor Boersma ernstig werd verwond. Hij stierf in het ziekenhuis van Nijmegen op 21 juli 1945 en werd begraven op de N.H. begraafplaats in Hallum.


Willem Boeijenga, (bakker) geboren op 25 september 1909 te Lollum, overleden op 08-08-1944 te Gauw.

Boeijenga was lid van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers Wymbritseradeel. Hij werd op 8 augustus 1944 gearresteerd voor het huisvesten van een Joodse vrouw Suze (door verraad van Pieter Bergsma, de veldwachterconciërge van het Akkrumer gemeentehuis) Hij is meteen na zijn arrestatie gefusilleerd. Suze werd naar een concentratiekamp gedeporteerd. Willem ligt begraven op de N.H. begraafplaats bij de kerk in Gauw.

 

Oorlogsmonumenten.


Jan Bokma, (boekhouder) geboren op 11 maart 1924 te Grouw, overleden op 12-11-1944 te Husum-Schwesing, Neuengamme

Hij werd gearresteerd in de trein tussen Meppel en Zwolle, toen hij als boekhouder van een Meppeler bouwonderneming op weg was naar Wezep om de lonen uit te betalen aan de daar werkzame arbeiders. Hoewel hij een persoonsbewijs kon tonen dat in orde was, werd Bokma toch naar kamp Ommen gebracht. Via kamp Amersfoort kwam hij terecht in het concentratiekamp Neuengamme, waar hij ten gevolge van ontberingen op 12 november 1944 is overleden. Bokma werd begraven op Ereveld Loenen.

 

Ereveld Loenen.

 

Gedenkplaats Neuengamme.

Het gedenkteken te Neuengamme kan nu 20.400 mensen met een naam aangeven. Met zekerheid kan worden afgeleid dat 42.900 gevangenen Neuengamme niet overleefden.


Johannes Martinus Boleij, (Ambt. belastingen) geboren op 15 januari1914 te Duisburg, overleden op 22-04-1945 te Buchenwald.

Johannes Martinus Boleij werd geboren op 15 januari 1914 in Duisburg (Duitsland). Hij werd via kamp Amersfoort naar het concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd, waar hij op 22 april 1945 overleed.

De overval.


Jacobus Johannes  Boomsma (Kruidenier), geboren op 6 juli 1910 te Sondel, overleden op 06-11-1944 te Sneek.

Deed aan Jodenhulp en bracht veel Joden onder op de verschillende plaatsen. Zijn verzetsnaam was Karel I. Op een dag werd hij bijna gearresteerd door een Duitser die in zijn winkel kwam en zich afvroeg waarom hij zich niet als krijgsgevangenen had gemeld. Een snelle ingeving redde Boomsma en hij verwees de Duitsers naar een niet bestaand adres enkele honderden meters verderop. Toen de woedende Duitser terugkwam was Boomsma reeds gevlucht. In de herfst van 1943 moest hij onderduiken wegens verraad. Als ondergedoken oud-militair en districtleider van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers in de Zuidwesthoek van Friesland, wist Boomsma (onder de schuilnaam 'Karel I') vele onderduikers en joden onder te brengen op schuiladressen in Gaasterland.

Later werd hij vanwege zijn goede leidinggevende kwaliteiten en organisatorische kwaliteiten districtleider van van de LO in Sneek. Op maandagmorgen 6 november 1944 vervoegde hij zich tot het huis van J. Volkers, dat op dat moment door de SD was bezet. Toen hij aan de Oosterkade in Sneek, waar de centrale van de Knokploeg was gevestigd, aanbelde, deed de bezetter open. Toen die hem sommeerde binnen te komen riep Boomsma: 'Dat nooit!' en hij vluchtte. Daarbij werd hij echter geraakt door Duitse kogels en hij overleed ter plekke. De Duitsers bepaalde dat hij zonder kist begraven moest worden, iets dat door zijn vrienden werd voorkomen.

Zij begroeven hem in een noodkist, die enkele dagen daarna werd opgegraven en werd vervangen door een echte kist. Deze werd in het bijzijn van zijn vrouw (Sietske Boomsma-Van der Werff, die op maandag 6 november 1944 in hun winkel in Sondel de papieren kreeg overhandigd van haar man: Jacobus Johannes Boomsma, dat hij was doodgeschoten door de Duitsers) begraven. Op 12 juni 1945 werd deze kist onder zeer grote belangstelling herbegraven op de N.H. begraafplaats in Sondel. In dit dorp werd tevens een straat naar hem vernoemd, net als in de stad Bolsward. Zijn zoon, die enkele dagen na de bevrijding werd geboren, kreeg de namen Jacobus Johannes Karel, de doopnamen én de verzetsnaam van zijn vader.

 

 

Jacobus Johannes Boomsma (roepnaam Koos) uit Sondel was precies twee jaar getrouwd, toen in 1939 weer gemobiliseerd werd. Met de tijd van zijn krijgsgevangenschap er bij, was hij negen maanden uit de zaak – een lelijke tegenvaller voor een jongeman, al had hij een flinke vrouw en toegewijd personeel. Maar dat was niet de voornaamste reden waarom hij in het verzet ging. Koos was jong en sterk en kon geen onrecht verdragen. Alles in hem verzette zich tegen de Duitse terreur en de jacht op Joden en arbeidsslaven.

Als vanzelf begon hij in 1942 joden onder te brengen en van die tijd af raakte hij hoe langer hoe dieper verzeild in het illegale werk. Tot die treurige maandagmorgen, 6 november 1944, toen een Duitse kogel een einde maakte aan zijn bruisende activiteiten. Hij was toen 34 jaar oud en liet een vrouw met drie kinderen achter. De vierde werd 10 mei 1945 geboren en kreeg de naam Jacobus Johannes Karel. De laatste naam was Koos’ alias, waaronder hij in heel Friesland bekend werd.

De winkel in Sondel was door zijn vader opgewerkt en van alles wat in een dorp nodig was werd er in verkocht; kruidenierswaren, manufacturen, brandstof, drogisterijartikelen, fourage. De fouragehandel was door een broer overgenomen, de rest door Koos. De handel zat de hele familie in het bloed, de handel met z’n drukte, geroep, beweging, praten, organiseren en argumenteren. Maar Koos was niet van plan om zijn leven lang in de winkel te Sondel te slijten; hij bekwaamde zich voor een administratieve functie met organisatorische kanten. Maar ondertussen behartigde hij zijn zaak goed, de zaak die voor een groot deel de omzet haalde met uitbreng in een wijd rayon. En daardoor kende hij de gemeente Gaasterland als zijn broekzak.


Dat maakte hem zo geschikt voor het illegale werk. Koos stak zijn afkeer van de Duitsers niet onder stoelen en banken, zodat hij door iedereen vertrouwd werd als vaderlander. Toen dan ook een jonge dominee uit Holland plaats zocht voor een stel joden, vroeg hij Koos. Het was in 1942 en het kwam spoedig klaar. Dit was het begin, maar spoedig volgden er meer. Sjouke van Joure was begonnen met het afvoeren van joden, eerst vooral kinderen, uit Holland.

Al spoedig hadden beide mannen een warm contact tot heil van de vervolgden. Een onderduiker uit de omgeving van Sneek, ,,Homme”, was een tijdje in Beverwijk geweest, maar daar was het nog groter heksenketel dan in Friesland. Hij kwam terug en dook, tot het einde van de oorlog, onder bij Koos. Joden, die daar niet meer veilig waren, kwamen naar Gaasterland en werden vanuit Sondel verzorgd. En natuurlijk waren er talloze andere onderduikers, zoals Jan Schotanus uit Oudemirdum, die geruild werd tegen die uit andere plaatsen. Zij allen moesten van bonkaarten en andere papieren worden voorzien. Het werd langzamerhand een heel bedrijf.

In Sondel was een moffenkamp met radarapparatuur enzovoort. De Duitsers die zich daar ophielden, waren tamelijk ongevaarlijk voor het illegale werk. Zij wisten wel dat er onderduikers waren en kenden zelfs adressen, doch verraden deden ze niets, zolang er geen sprake of schijn was van militaire sabotage. Maar onder de Nederlanders bleek wel een verrader te zitten. Eind april ’43 moesten de Nederlandse militairen zich weer in krijgsgevangenschap begeven. Gesteund door de meistaking dacht Koos er niet aan om zich te melden. Onderduiken vond hij ook onnodig – alles leek hem veilig. Een half jaar lang was dat ook het geval.

Maar op 5 november ’43 meldde zich een Duitser in de winkel, die vertelde opdracht te hebben de voormalige sergeant J.J. Boomsma mee te nemen naar De Lemmer – als krijgsgevangene. Koos stond de man zelf te woord en vertelde hem dat hij zich vergiste. Er woonden veel Boomsma’s in Sondel en de sergeant die hij moest hebben woonde vijfhonderd meter verderop. De plaatsaanduiding was heel precies, maar toen de mof daar kwam stond er geen huis. Hij terug, maar ,,toevallig” was Koos toen net even weg.

De Duitser, die overigens de kwaadste niet leek, was woedend dat hij bij de neus was genomen. Mevrouw Boomsma keek heel onschuldig: nee, zij wist niet waar haar man heen gegaan was. Een knecht die terugkwam, wist het evenmin. De Duitser brieste en wilde mevrouw meenemen toen het wachten hem verveelde. Op dat moment kwam de dokter, door Koos gewaarschuwd. De Duitser liet mevrouw geen ogenblik alleen, maar toch wist de dokter haar toe te fluisteren: Ga een tijd van huis. Dat wilde zij ook wel, want haar zoontje moest geopereerd worden. De dokter onderzocht het opnieuw en wist de Duitser over te halen mevrouw thuis te laten om het zieke kind. Diezelfde avond nog werden vrouw en kind naar Leeuwarden gebracht, waar ze bleven tot het volledige herstel van Piet.

Het was aan alle kanten duidelijk, dat Koos verraden was. Een Duitser zei tegen zijn vrouw: U zou er van opkijken als u wist wie het overbriefde, maar hij noemde geen naam. De dader is nooit met zekerheid bekend geworden, maar vermoedelijk is het geen NSB-er geweest.

Terwijl zijn vrouw met toegewijde hulp de zaken voortzette, dook Koos onder op een bevriend en veilig adres in Sneek. Nu kon hij zich helemaal wijden aan het illegale werk en hij deed dat met inzet van zijn volle, sterke persoonlijkheid. Spoedig viel hij op om zijn organisatievermogen en leiderstalent.

Hij kwam precies op tijd. Juist toen hij ingewerkt raakte, werd U. Boonstra te Joure gearresteerd en moest Sjouke duiken. Van een afstand probeerde die het werk nog wat te regelen, maar zijn voornaamste zorg was opvolgers te vinden. Zijn oomzegger kreeg de leiding van de KP (Knokploeg) en die van de LO kwam grotendeels op Koos’ brede schouders terecht. Het ging, zoals het steeds ging in de illegaliteit. Een benoeming vond niet plaats; men werd het, omdat men er geschikt voor bevonden werd. Al spoedig werd hij de leider van het district Sneek genoemd, door de organisatie die zich principieel tegen het leidersbeginsel verzette.

Maar het leiderschap van Karel – zo werd hij toen genoemd en later, toen ook uit Drachten een Karel op het provinciale toneel verscheen: Karel 1 - had ’n heel ander karakter dan dat bij de NSB. Toen hij nog Koos heette, had hij door zijn joviaal gemoedelijk optreden zijn medewerkers in de zaak aan zich weten te binden en tot zelfstandig optreden gestimuleerd.


In zijn omspringen met de illegale medewerkers deed hij hetzelfde. Men herkende in hen de koopman, die met goed getroffen woorden tot ,,zaken” wist te komen. Nonchalant gemoedelijk sprong hij met de mannen om, sloeg de één joviaal op de rug, beurde de ander met een stimulerende opmerking op, maakte allen enthousiast, en wist de overmoedige op tijd ,,del te bêdzjen”. Maar de teamgeest die hij op die wijze bevorderde, zou hij nooit bereikt hebben, wanneer hij niet gelijkertijd telkens bereid was de mannen bij te staan en te helpen in moeilijke of gevaarlijke opdrachten. Men wist dat men op Karel kon rekenen en daarom werkte men zo hard voor en met hem.

Zij grootste talenten ontplooide Karel als organisator van het district. Tot dan toe was alles uit Joure met de losse teugel geleid. Dat had in het begin goede vruchten afgeworpen, maar door de uitbreiding van het werk tot een ,,bedrijf” moest er meer organisatie geschapen worden. Karel was er juist de man voor om dit in te zien.

Het district Sneek omvatte 21 gemeenten. Die werden nu ingedeeld in rayons, elk bestaande uit één of meer grietenijen. Het rayonhoofd onderhield de contacten met Sneek en met de gemeentelijke en/of plaatselijke contacten. Zoals elders ook was er een nauw en hecht contact met de KP-en die over het district verspreid zaten. Koeriersters onderhielden de verbindingen.


Uiteraard volbracht Karel dit niet alleen. Hij was zo gelukkig een kern van medewerkers bij zich te hebben, die stuk voor stuk ook zelfstandig konden opereren. In zeker opzicht was dit goed ook, want vanuit Sneek was alles beslist niet te dirigeren. De grondslag van het verzet lag in de plaatselijke medewerkers, die terug moesten kunnen vallen op een centrale, die de moeilijkheden uit eigen ervaring kenden. Daarvoor waren velen nodig die ieder hun eigen bijdrage leverden aan het geheel. Ze waren er, die felle mannen serieus en consciëntieus, die af en toe ook wat gemoedelijke nonchalance van Karel ook corrigeerden.

Het is de grote verdienste van Karel geweest, dat hij al deze uiteenlopende types die snel reageerden en voortvarend handelden tot een efficiënt werkend team wist te vormen en te bewaren, gebaseerd op goede persoonlijke verhoudingen. De moed, die hij als het er op aan kwam toonde en de opgewekte toon die hij wiste te treffen, smeedde Sneek aaneen tot een hecht en zeer zelfstandig district.

Geen rancune.

Toen Karel in de schoenen van Wiersma stapte, had men mogen verwachten dat hij deze ook zou opvolgen als lid van de provinciale top. Hoewel Drachten dit voorstelde, wensten de drie Leeuwarders een ander systeem, namelijk het instituut van reizende ,,inspecteurs” voor het onderhouden met het contact met de districtshoofden. Die "zware" figuren behoefden dan niet elke week naar Leeuwarden te reizen in ’t steeds gevaarlijker wordende Friesland. Bovendien was Karel nogal opvallend door zijn lengte (bijna twee meter).

Dit systeem bracht niet wat men er van verwachtte. De verhoudingen in de illegaliteit werden hoofdzakelijk bepaald door het persoonlijk contact, waardoor men elkaars persoonlijkheid en kundigheid leerde kennen en waarderen. Waren die voldoende, dan accepteerde men ook het leiderschap. Dit contact ging nu verloren en dit werd al een groot bezwaar gevoeld, vooral in Sneek, waar nieuwe mannen de leiding namen, die de provinciale leiders nauwelijks persoonlijk kenden.

Dit passeren van het grootste district wekte bij deze mannen ernstige ontstemming en spoorde hen tot des te groter inspanning. Langzaam maar zeker ontstond een verwijdering. Dat voelde ook De Jong uit Leeuwarden, toen die de leiding van de Friese LO in augustus overnam. Deze gaf zich veel moeite om de oude vertrouwelijke samenwerking te herstellen. In een onderhoud dat hij met het district voerde bleek, dat Karel geen rancune voelde tegen Leeuwarden en kwam spoedig tot overeen stemming: de vertegenwoordigers van de districten werden weer in de top opgenomen en daaronder Karel.

Het kwaad was echter al geschied, want spoedig kwamen andere leiders uit het district met het bezwaar, dat Karel teveel tegen Leeuwarden aanleunde. Zij wensten eigen voorzieningen, zoals op ’t gebied van de falsificatie en financiën en zetten dit door op een voortreffelijke wijze. Maar deze onderlinge verschillen van inzicht deden geen afbreuk aan de goede verhoudingen in het district. Karel bleef de spil en voelde zich verantwoordelijk voor al z’n vrienden,medewerkers. En het was juist de bezorgdheid over drie van hem, die de aanleiding werd tot zijn dood, zoals nu zal blijken.

In Hennaarderadeel zat verraad, het kon niet anders. Maar wie was de verrader? Peter, Jaap en Gelf besloten een onderzoek in te stellen. De eerstgenoemde twee hadden besloten hun wapens thuis te laten en toen Gelf zijn pistool wel bij zich gestoken had, werd hem gevraagd dit ook in Bolsward achter te laten. Hij stemde hiermee in, maar vergat iets. En dat bracht later de hele expeditie in gevaar. In Hennaarderadeel opereerde in die tijd een afdeling Duitse Zoll (douane) die sterke steun kreeg van de beruchte Mous, die door het veemgericht ter dood werd veroordeeld en in Dokkum neergeschoten, en diens helper Van Dijk. De Duitsers hadden hun kwartier gemaakt in een café in Wommels en daar waren ook hun handlangers regelmatig bij hen. Vermoed werd, dat daar de verrader ook wel kwam. In ieder geval werden afspraken gemaakt om toezicht te houden en zo de aanbrenger te ontmaskeren. Die nacht sliepen de drie mannen in Spannum. Er waren in die tijd telkens veel Duitsers in actie, wellicht omdat zij een vermoeden hadden omtrent wapendroppings op Pankoeken onder Witmarsum. Hoe dit zij, de volgende morgen werden de illegale vrienden alle drie in Wommels gearresteerd en voor verhoor meegenomen.

Het was op dat moment dat twee hunner zich realiseerden dat zij zeer bezwarend materiaal bij zich hadden. Peter had een brief meegekregen voor een onderduiker en twee persoonsbewijzen teveel op zak. En Gelf schoot het te binnen, dat hij wel zijn pistool, maar niet zijn gevulde patroonhouder weggelegd had. Die zat nog in een vakje in zijn beurs……

Natuurlijk begonnen de Duitsers meteen met ondervraging en fouillering. Jaap kwam er goed af, die had niets bij zich. Een tijdlang ging het ook met Gelf goed, totdat ze zijn beurs openmaakten. Hij stond doodsangsten uit. Straks, dacht hij, vinden ze wat ik door mijn vergeetachtigheid bij mij gehouden heb en dan is alles uit. Niet alleen mijn eigen leven is dan verloren, maar eveneens dat van mijn beide vrienden.

En toen gebeurde het wonder. Terwijl de onderzoeker van de beurs één vakje daarvan had gecontroleerd, werd hij door de commandant weggeroepen. Hij deed met gewoonte gebaar de beurs dicht en legde die op tafel. Toen hij terug kwam zag hij er niet meer in. Kennelijk verkeerde hij in de veronderstelling die al helemaal nagezien te hebben…..

Peter had ondertussen kans gezien de brief en de twee overige persoonsbewijzen onder een tafelkleedje te frommelen. Daardoor leverde fouillering ook bij hem niets op. Toen hij weer bij dat tafeltje kwam, wist hij ze weer bij zich te steken. De drie mannen werden afgevoerd naar een cel op het gemeentehuis, waar Peter meteen begon met de bezwarende papieren op te eten. Uiteraard kon Gelf niet zo gemakkelijk van zijn belastend materiaal afkomen. De mannen hadden juist weer moed gegrepen, toen alles opnieuw misliep. Een boerendochter, bij wie Peter al eens een gezellige zomeravond doorbracht, was getuige geweest van diens wegleiding door de Duitsers. Meteen herinnerde zij zich de oude liefde en ze besloot hem in de cel te verrassen. Ze maakte een pakketje levensmiddelen klaar en verzocht de bewaker dat af te geven aan …..Havinga. dat was zijn werkelijke naam, maar die was de Duitsers onbekend. Vandaar dat zij gevraagd werd even mee te komen!

Toen bij de cel Havinga geroepen werd, verroerde Peter zich niet. Wel schoten allerlei gedachten door hem heen en hij vroeg zich af, wat de Duitsers van Havinga wisten en hoe ze achter zijn identiteit gekomen waren. Lang behoefte hij niet te wachten, want de boerendochter, die inmiddels een vermoeden kreeg van wat er speelde, werd geprest hem ondanks haar tegenzin aan te wijzen. En toen volgde een nieuw en hardhandig verhoor. Hoe kon hij Havinga heten en een persoonsbewijs hebben op naam van Smedema, aangevuld met beschermende papieren als vrijstelling van d arbeidsinzet?

Het is niet te zeggen wat men in zo’n geval harder doet: bidden of nadenken. Peter deed beiden tegelijk en had zijn verhaal op tijd klaar. Hij vertelde de Duitsers dat hij inderdaad Havinga was. Toen hij een oproep kreeg om zich voor het verrichten van persoonlijke arbeid te melden, was hij bang geworden. Hij kon zo moeilijk van huis. Terwijl hij daar mee ompakte, was hij onder Nijland een kennis tegen gekomen, een zekere Zijlstra, politieman uit Franeker. Die had om zijn angst gelachen en gezegd dat hij hem wel kon helpen. Hij kon hem een absoluut betrouwbaar stel papieren leveren, maar de prijs was vijfhonderd gulden. De koop was gesloten en nu meende Havinga volkomen veilig te zijn, mits hij zich maar Smedema noemde.

Dat was het verhaal dat hij zo aannemelijk mogelijk voordroeg en ook onder verdere mishandelingen volhield. Zijlstra was een goede medewerker in Franeker geweest, maar hij had zich tijdig uit de voeten gemaakt, toen het gevaar te dichtbij kwam. Een politieman die onderdook, had in de ogen van de Duitsers toch al een doodzonde begaan en dus nam Peter de vrijheid daar nog maar een schepje op te doen – Zijstra bleek dit achteraf ook volkomen begrijpelijk te vinden.


Natuurlijk werd geprobeerd het verhaal te controleren, maar Zijlstra bleef onvindbaar. De drie mannen waren inmiddels naar Leeuwarden overgebracht en daar opgesloten, behalve wanneer Peter weer verhoord werd. Hij kreeg drie dagen de tijd om zich nog maar eens te bedenken, maar hoorde daarna niets meer. Bewakers zorgden weer voor contact met de buitenwereld. Tenslotte werden de mannen op transport gesteld naar Drente, waar ze moesten graven. Twee dagen later liepen ze weg naar Drachten en waren spoedig weer thuis en aan het werk. En een van hem schreef aan zijn moeder: als ik later ongelovig word, ben ik de ondankbaarste hond die er bestaat….

Ondertussen had zich in Sneek een verschrikkelijk drama afgespeeld. Een heel enkele keer kwam Karel een zondag thuis. Sinds hij ondergedoken was, hadden de Duitsers geen inval weer gedaan en af en toe werd het verlangen hem te sterk. Dan kwam hij ’s zaterdags bij donker thuis, bleef de hele zondag binnen en verdween maandagmorgen in de vroegte weer.

Dat gebeurde ook op de morgen van 6 november. Ongehinderd fietste hij naar Sneek. Normaal nam hij eerst polshoogte op zijn onderduikadres, dat nog steeds veilig was. Nu dreef de bezorgdheid over zijn vrienden hem naar een adres dat alleen voor dit doeleinde jongste informatie over Peter, Jaap en Gelf hoopte te krijgen. Ook dit was een adres dat alleen voor dit doeleind gebruikt werd en overigens "schoon" was.


Wat Karel niet kon weten was, dat bij een willekeurige razzia daar huiszoeking was gedaan en daar werd een radio gevonden. De eigenaar was op het politiebureau ingesloten. Het feit zelf werd niet streng beoordeeld en daarom maakten de illegale leider in Sneek zich niet al te ongerust over het lot van deze man. Wel deed dat een politieman. Zonder overleg met de illegaliteit nam hij het moedige besluit om de man los te laten en zelf ook onder te duiken. Pas toen kwamen de Duitsers op de gedachten, dat het hier wellicht een illegale werker betrof. Zij betrokken de wacht in het huis…..

Toen Karel aanbelde, werd opengedaan door een mof. Karel begreep dat het mis was en zette het op een lopen. De Duitser schoot, miste en schoot nogmaals. Karel stortte neer en was meteen dood, zijn vrienden in grote verslagenheid achter latend.

De Duitsers bepaalden dat het lichaam zonder kist begraven moest worden. Men slaagde er in dit gebod in zoverre te overtreden, dat er een noodkist gebruikt werd. Spoedig na de moord raasde een Duitse auto naar Sondel. Een officier stapte uit om met zijn mannen huiszoeking te doen. Mevrouw Boomsma begreep dat het mis was en toen zij hoorde dat haar man gedood was, trad zij de moffen met de grootste brutaliteit tegemoet. De stamkaarten in een tas wist zij nog in een wasmachine te deponeren, waar ze niet gevonden werden. De werkster gaf zij opdracht de geldkist op de boenstoep tussen de potten en pannen te zetten. Ook die werd niet gevonden, maar vrijwel al het overige werd door de Duitsers weggesleept. Daarna kreeg mevrouw de opdracht het huis te verlaten, maar dat weigerde zij. Met wat hulp werd via de burgemeester bereikt dat zij mocht blijven. Ook bij de ouders van Koos werd huiszoeking gedaan, maar bezwarend materiaal werd niet gevonden. Uit de verhoren bleek, dat de Duitsers nog steeds twijfelden of Koos en Karel dezelfde persoon waren.

Donderdagmorgen om vijf uur stapte mevrouw Boomsma op de fiets en begaf zich naar Sneek. Daar hadden vrienden van haar man diens lichaam in de nacht opgegraven. Toen het dag werd, zag zij hem voor de laatste maal. Zijn gezicht was ontspannen en vredig, een bloedstreep langs de hals toonde aan waar de eerste kogel gemist had. De tweede was hem van achteren in het ruggemerg gedrongen. Zwijgend werd het lichaam in een zware eiken kist gelegd en toen opnieuw begraven. De kleren, de ring en het horloge waren door de goede zorgen van ,,Bontje” goed bewaard en aan Koos’ vrouw ter hand gesteld.

Op 12 juni 1945 werd de kist opnieuw uitgegraven en onder grote belangstelling en talloze familie en vrienden opnieuw op het kerkhof van Sondel begraven.

Bron: Friesch Dagblad 1964


Sijbren Jan Boersma, geboren op 5 augustus 1920 te Hallum, overleden op 21-7-1945 te Nijmegen.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog was hij lid van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Tijdens het opstellen van een groepsfoto van oud-leden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten in Ferwerd ging een vuurwapen af, waardoor Boersma ernstig werd verwond. Hij stierf in het ziekenhuis van Nijmegen op 21 juli 1945 en werd begraven op de hervormde begraafplaats in Hallum.


Uilke Boonstra, (Bouwkundig opzichter) geboren te Huizum op 9 januari 1899. Omgebracht in Kamp Vught op 18 augustus 1944.

Hij was bouwkundig opzichter en makelaar in Joure. Tijdens de bezetting was Boonstra lid van de leiding van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers in Friesland en van de regionale Knokploeg. Op 1 februari 1944 werd hij gearresteerd. Na een halfjaar werd hij weer vrijgelaten, waarna hij doorging met zijn verzetswerk. Op 8 augustus 1944 werd hij op terugweg van Holland, waar hij een vluchtroute voor geallieerde piloten via Delfzijl-Engelsmanplaat naar Engeland had voorbereid, tijdens een controle op het station in Heerenveen gearresteerd. Vermoedelijk werd hij na zijn eerste vrijlating geschaduwd en vervolgens opgepakt op beschuldiging van spionage en sabotage. Op 18 augustus werd hij gefusilleerd in Vught, samen met de ter dood veroordeelde leden van de Evenhuisgroep te Leeuwarden. Met Krijn van den Helm en Jan Evenhuis behoorde Boonstra tot de grote figuren van het Nationaal Steunfonds en de L.O. In Joure is een laan naar Uilke Boonstra vernoemd.

Uilke Boonstra is na de dood van zijn vrouw in zijn eentje verantwoordelijk voor de opvoeding van zijn kinderen, hij staat bekend als bedachtzaam, zwijgzaam, wijs en bescheiden en is zeer godsdienstig.
Boonstra is bevriend met S. Wiersma, die hem polst om joden op te vangen. Eerst twijfelt Uilke uit hoofde van zijn geloof, maar Wiersma weet hem toch te overtuigen. Vanaf die tijd zijn de twee onafscheidelijk.
In het begin wordt de opvang vaak uit eigen zak betaald, wat echter niet volgehouden kan worden. De twee vrienden komen dan in contact met Piet van Doorn, die hen financieel ondersteunt.

Het werk wordt steeds intensiever en de contacten steeds uitgebreider.
Zo komen Boonstra en Wiersma in contact met "opa" Casper ten Boom, die in Haarlem een klokkenwinkel heeft. Door verraad van waarschijnlijk een koerier uit Joure wordt het onderduikadres van Ten Boom verraden en wordt bijna de hele groep opgerold. Ook Uilke is slachtoffer van het verraad.

Casper ten Boom begint met de Duitsers te onderhandelen en weet zich vrij te kopen en bedingt daarbij ook dat Uilke Boonstra vrijkomt, zij hebben elkaar in het Oranjehotel goed leren kennen.

Boonstra en Wiersma komen in de top van de LO-LKP in Friesland terecht. Tot 1 februari 1944 heeft die groep goed gewerkt, tot Uilke wordt opgepakt en Wiersma maar net aan de greep van de Duitsers weet te ontkomen. Het verzet in Joure loopt een zware klap op. Boonstra heeft veel contacten in en buiten Joure. Ze werken in de Haarlemmermeer samen met Boogaard en in Haarlem met de Barteljorisgroep.

Omdat bonnen nodig zijn, besluit Boonstra een KP-groep op te richten. De eerste overval op een distributiekantoor wordt gepleegd op 10 september 1943 in St. Jansklooster. De overval verloopt niet geheel vlekkeloos, omdat de auto het op de vlucht laat afweten, zodat de groep ordeloos uit elkaar gaat. Al met al komt de buit toch op de juiste plaats terecht.
De overval is voor Uilke een goede les en hij neemt de organisatie van de KIP stevig terhand. Een torpedomaker, Herman Teroele, wordt bij de KP gehaald om de KP-ers met wapens om te leren gaan.

Teroele past eigenlijk niet goed in de groep. Hij wordt koerier voor Holland, maar knoopt daar pleziertjes aan vast, wat in Joure twijfels oproept. Op een zo'n reisje loopt hij een jonge vrouw tegen het lijf, die ook contacten onderhoudt met de Duitsers. De vrouw weet hem uit te horen, die het op haar beurt aan de Duitsers doorspeelt. Herman krijgt geen nieuwe informatie meer van het verzet. Hij komt hier achter en verdwijnt. De top denkt geen moment aan verraad.

Of Herman alleen de zaak aan het rollen heeft gebracht is de vraag. Op 1 februari 1944 komen Boonstra en Wiersma vanuit Holland met de trein terug naar Friesland. In Heerenveen moeten beiden overstappen, maar Wiersma heeft een naar gevoel. In Heerenveen staat D. Zijlstra uit Joure Boonstra op te wachten, om een belangrijke zaak met hem te bespreken. Boonstra en Zijlstra lopen vooruit en Wiersma volgt op een afstand. Net buiten het station wordt Boonstra aangehouden.

De SD-er Grundmann heeft na de oorlog verklaard, dat Boonstra aangehouden moet worden, koste wat het  kost. De instructies kwamen uit Den Haag. Lammers en Wolters deden ook mee aan de arrestatie. Zijlstra was speciaal meegekomen om Boonstra aan te wijzen en is na de oorlog hiervoor veroordeeld. Wiersma wist te ontkomen en moest onderduiken.

Zijn huis werd overhoop gehaald en zijn vrouw werd mishandeld. Maar de joodse baby die ze in huis hadden werd gelukkig niet meegenomen.
Ook bij Uilke wordt het huis overhoop gehaald en hij moet zelf toekijken. Ook zes andere mannen werden in Joure opgepakt, waarvan slechts een persoon de kampen weet te overleven. Volgens Wiersma moet Teroele ook het adres aan de Barteljorisstraat van Casper ten Boom in Haarlem hebben verraden. Hier worden 28 mensen aangehouden, onder wie de gefortuneerde financier Sturing. Allen worden naar Scheveningen gebracht.

De arrestanten uit Joure hebben een misleidend verhaal is elkaar kunnen zetten. Ze zijn actief met bonnen en voedselpakketten voor het Rode Kruis, is hun verhaal. Boonstra is hoofd van de Luchtbeschermingsdienst en de anderen zijn  leden. De bonnen uit St. Jansklooster waren een zwakke plek in het verhaal, maar door hun onschuld te blijven volhouden gaan de Duitsers dat verhaal geloven. Wiersma is de grote man en die hebben de Duitsers laten ontsnappen.

Boonstra speelt het spel mee, dat hij voor Wiersma als aas dient. Uilke weet Wiersma wel te waarschuwen dat de tussenpersoon niet zuiver is. Boonstra weet het spel zo te spelen dat hij "zogenaamd" meedoet.
De rijke financier Sturing weet de Duitsers ondertussen te verleiden met zijn geld. Boonstra wordt vrijgekocht, maar krijgt na zijn vrijlating de volle laag van Wiersma. 

Wiersma echter gaat uit van de voorzichtigheid van Uilke. Wiersma waarschuwt Uilke het rustiger aan te doen, wat Uilke echter niet doet. Wanneer Boonstra voor de tweede keer wordt opgepakt is niet bekend. Op 18 augustus 1944 sterft Uilke Boonstra voor het vuurpeloton in Kamp Vught. Als gevolg hiervan wordt Joure als verzetscentrum van de Zuidwesthoek opgeheven. Het verzet heeft nog geprobeerd Uilke Boonstra te bevrijden tijdens zijn transport naar het concentratiekamp, maar de bewaking was te streng.

Bezettingstijd in Friesland, P. Wybenga.

 


Gerben Bootsma, (Kapitein op de vrachtboot "Holland Friesland IV") geboren op 21 februari 1894 te Lemmer, overleden op 02-04-1945 te Butzbach, Landkreis Friedberg.

In de nacht van 23/24 maart 1943 heeft hij de bemanning van een neergeschoten Engelse bommenwerper, die in een rubberboot ronddreven op het IJsselmeer opgepikt en aan boord genomen. De engelsen moesten twee gehiem agenten (Gerbrands en Berman) droppen in de omgeving van Koudum of Workum. Het vliegtuig, waarschijnlijk een Halifax van het Special Duties Squadron dat was opgetegen van de basis Tempsford werd bij Enkhuizen door Duitse jagers neergeschoten en kwma tussen Stavoren en Enkhuizen in het IJsselmeer terecht. Eén geheim agent (Bergman) en een lid van de bemanning kwamen om het leven.

De kapitein liet Gerbrands ontsnappen. Op 3 april 1943 werden de kapitein en de bemanning in Lemmer gearresteerd door de beruchte Joseph Schreieder, hoofd van de contraspionagedienst van de SD in Den Haag en door zijn handlanger Anton van der Waals. De bemanning werd snel vrijgelaten maar de kapitein bleef op verdenking van spionage gevangen en werd veroordeeld tot levenslange tuchthuisstraf. Bootsma werd eerst opgesloten in het Oranjehotel en daarna in het Huis van Bewaring aan de Gansstraat in Utrecht. Via deze gevangenis werd hij afgevoerd naar het tuchthuis in Diez am Lahn (D). Op 20 mei 1944 kwam hij in Butzbach terecht waar hij op 2 april 1945 aan ontbering bezweek. Bootsma werd begraven op het Nederlands Ereveld bij Frankfurt am Main.

Gerben Bootsma uit Lemmer stierf drie dagen na zijn bevrijding aan ontberingen op 2 april 1945. Door Albert Hendriks. Uit het boek van Evert de Jong "Straatnamen zijn ook Monumenten"

ZWOLLE. Bij de gemeentepolitie in de hoofdplaats van Overijssel werkt bij de recherche adjudant Fimme Bootsma, een zoon van de man waarnaar een straat in het Rienplan is genoemd: Gerben Bootsma. Fimme Bootsma vonden we bereid een en ander te vertellen over hetgeen zijn vader in de oorlog gedaan heeft.

Gerben Bootsma werd 3 april 1943 In Lemmer gearresteerd, nadat hij als kapitein van de Holland-Friesland IV van rederij "Stanfries" in de haven van Enkhuizen een Nederlandse geheim agent de gelegenheid had gegeven te ontvluchten; Hij werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf en naar Duitsland overgebracht, waar hij drie dagen na zijn bevrijding, op 2 aprll1945 te Butzbach, kwam te overlijden als gevolg van een zeer slechte behandeling door de Duitsers.

Fimme Bootsma.

De man die over Gerben Bootsma vertelt is zoon Fimme, die een studie heeft gemaakt van hetgeen zijn vader in de oorlog is overkomen. Fimme werd 21 oktober 1930 geboren en was dus negen jaar oud toen de oorlog uitbrak. Zijn vader was toen kapitein van de Holland-Friesland 4, één van de boten van de rederij "Stanfries".
Fimme ging na het doorlopen van de openbare lagere school naar de openbare ULO, daar waar later het  dorpshuis "De Helling" stond. Na de ULO trad hij in dienst van juwelier Jacob Gorter, die toen nog aan de Langestreek was gevestigd.

Fimme maakte de verhuizing van Gorter naar de Kortestreek nog mee. Zijn ouders, Gerben Bootsma en Sjoerdje de Boer woonden eerst aan de Lijnbaan tegenover Slager Sijswerda en zijn later naar de Cornelis Houtmanstraat verhuisd.
"Via mijn zuster Boukje, die eens bij Gorter werkte, ben ik bij de horlogemaker terecht gekomen. Ik kon er voor f 7,50 in de week een vak leren.

Na vijf jaar Gorter wist ik wel hoe laat het was. Op een dag bracht ik eens een klok bij de familie Jaap Scholten, die bij de Houtmolen werkte. Bij zijn zoon Arend had ik in de klas gezeten. Die vroeg mij of ik bij de klokkenmaker wilde blijven. Ik zei hem, dat ik graag bij de politie wilde, Dochter Johanna zei: goh, in de Leeuwarder Courant staat een advertentie waarin een aspirant-agent bij de politie in Zwolle wordt gevraagd. Ik heb gesolliciteerd en zo kwam ik in 1952 bij de politie terecht".
 

Fimme Bootsma is al 28 jaar uit Lemmer, maar is nog steeds abonnee op de "Zuid-Friesland: "Ik denk nog in het Fries. Mijn gedachten blijven bij Lemmer, de plaats waar ik geboren ben. Ik kijk positief op mijn jaren in Lemmer terug, ondanks alle ellende die ik daar in de oorlog als kind heb meegemaakt".

 

De Flevo vrachtboot Lemmer-Sneek ± 1935. Links machinist Simon Grasman, in het midden kapitein Gerben Bootsma en rechts stuurman-lader-losser Lammert Schothorst.

 

Fimme was in de oorlog onder andere werkzaam bij bakker Hennie Haveman, waar hij vijf gulden in de week verdiende.
Hij herinnert zich nog goed hoe hij met drie kisten brood op de bakfiets vanaf Lemmer tot Doniaga brood ventte. "Mijn laatste klanten waren de schoonouders van Hennie Haveman, de familie Scheenstra in Doniaga. Ik at onderweg altijd bij de boeren. Ook heb ik eens een big tegen twee broden geruild".
Wat de adjudant bij de afdeling recherche van de Zwolse gemeentepolitie in de oorlog enorm heeft aangegrepen, is de arrestatie van zijn vader op 3 april 1943 in Lemmer. Over het hoe en waarom van die arrestatie gaat het volgende verhaal.

Rubberboot met vliegers.

In de nacht van 25 op 26 maart 1943 vaart kapitein Gerben Bootsma met zijn 3-koppige bemanning met de Holland-Friesland, in de buurt van Enkhuizen op het IJsselmeer. Op een afstand ziet hij vuurpijlen en zet koers in de richting vanwaar de vuurpijlen worden afgeschoten. Na even zoeken ontdekt hij een rubberboot met acht mensen aan boord: zeven Engelse vliegers en een Nederlander, die vertellen met een Lancaster bommenwerper boven het IJsselmeer neergehaald te zijn. Hij neemt de Tommies en de Nederlander aan boord en laat de rubberboot zinken door 'm lek te steken.
Kapitein Bootsma besluit de mannen naar de haven van Enkhuizen te brengen. Hij verneemt dat de Nederlander een geheim agent is, die boven de Noordwesthoek van Friesland had moeten worden gedropt, net als zijn collega-agent, die dodelijk werd getroffen door het Duitse afweergeschut en met het vliegtuig naar de bodem van het IJsselmeer is afgezonken.

Pieter Roelof Gerbrands heet de man die met Bootsma in de stuurhut staat. De andere agent, die de confrontatie met het afweergeschut niet overleefde, is ene meneer Bergman. Zij zouden als eerste Nederlandse geheime agenten zonder aankondiging via Radio Oranje op vaderlandse bodem worden gedropt, nadat duidelijk was geworden dat de Duitsers eerdere aankondigingen via de radio doorhadden.

In de haven van Enkhuizen.

Gerben Bootsma vaart naar de haven van Enkhuizen. Dichtbij de kade aangekomen geeft hij de geheim agent de kans te ontsnappen voordat de Duitsers komen. Als Pieter Roelof Gerbrands in de duisternis is verdwenen geeft Bootsma een paar geluidssignalen.
De reeds op de haven afgekomen Duitsers, die ook de vuurpijlen hadden waargenomen en er vrijwel zeker van waren drenkelingen op Bootsma's schip te kunnen aantreffen. stormen op de Holland-Friesland af. De kapitein vertelt zeven Engelse vliegers aan boord te hebben. De Duitsers worden vergezeld van een Nederlandse politieman, die van een havenbeambte hoort, dat hij een doornatte man op de kade is tegengekomen.

De Duitsers vangen iets op, maar begrijpen het niet helemaal. De politieman tegen de havenbeambte: man, had je mond maar gehouden. De afleidingsmanoeuvre van de politieman lijkt geslaagd; de Duitsers houden zich meer bezig met de Holland-Friesland 4 en de Engelse vliegeniers, die geen droge draad textiel aan hun lijf hebben. De Duitsers vragen of-Bootsma niet meer mannen op het IJsselmeer heeft opgepikt Nadat de kapitein de Duitse officier heeft kunnen overtuigen, dat hij maar zeven Engelsen heeft gered, mag hij weer van wal steken. Wel moet Gerben Bootsma even de plaats aanwijzen, waar hij de rubberboot heeft lek gestoken en laten zinken. Dat wordt gedaan en de Holland-Friesland mag haar reis naar Stavoren vervolgen.

Waar is geheim agent nummer twee?

Een paar dagen later komt Gerben Bootsma thuis in Lemmer en vertelt, zoals gewoonlijk, helemaal niets over zijn illegale activiteiten. Inmiddels hebben de Duitsers de neergestorte Lancaster met daarin de dode Nederlandse geheime agent, boven water gehaald.
Ze vinden in de hakken van de schoenen van de agent voor Bootsma belastend materiaal. Uit de microfilms blijkt dat er twee geheime agenten boven Nederland hadden moeten worden neergelaten.
Bovendien bevinden zich op de films een aantal geheime contactadressen. Eén geheim agent is in handen van de Duitsers, maar die is zo dood als een pier. Waar is nummer twee? vond die ook de dood bij de landing? Of heeft kapitein Bootsma hem aan boord van de Holland-Friesland verstopt en hem na het aandoen van de haven van Enkhuizen afgezet op Friese bodem? De Duitsers willen kapitein Gerben Bootsma zo snel mogelijk in de vingers zien te krijgen.

Arrestatie.

Zaterdagmiddag 3 april om twee uur staat Fimme achter het huis van de Bootsma's aan de CorneIis Houtmanstraat. De tram is juist gearriveerd en stopt voor de brug over de Zijlroede op de trambaan, die achter de CorneIis Houtmanstraat loopt.
Brugwachter Sibbele de Boer maakt aanstalten om de tram over het water te laten rijden. Moeder verzoekt Fimme het eten uit de kelder te halen, omdat vader er aankomt. Terwijl Gerben Bootsma uit de tram stapt wordt er aan de deur gebeld.
Moeder doet open en ziet een voor haar onbekende man staan, die later de landverrader Antonius van der Waals (was een Nederlandse spion in dienst van de Duitse Sicherheitsdienst (SD) blijkt te zijn. De man vraagt naar de kapitein.

Moeder vraagt hem even te wachten, omdat haar man er zo aankomt. Een paar tellen later arriveert Gerben Bootsma met een zak vuil wasgoed in de CorneIis Houtmanstraat.  Zijn vrouw Sjoerdje zegt hem, dat de man voor de deur naar hem heeft gevraagd. De onbekende man vraagt hem even mee te lopen. Beiden lopen richting Lijnbaan. Fimme's zuster Boukje ligt ziek op bed. De komst van haar vader volgt ze vanuit het raam. Als haar vader met die onbekende man is weggelopen, zegt ze tegen haar moeder "wat kijkt die kerel raar"

Moeder vertrouwt het ook al niet en zegt tot Fimme: hup jongen, de klompen aan en er achter aan! Zo gezegd, zo gedaan. Fimme sluipt achter de mannen aan tot op de Lijnbaan, waar plotseling een tweede voor Fimme onbekende man opduikt.
Het is de leider van de Duitse contraspionage, Jozef Schreieder (Kriminaldirector en SS-Sturmbannfüher Joseph Schreieder was chef op de afdeling Amt IV-E van de Sicherheitsdienst(SD). Amt IV was onder andere verantwoordelijk voor contraspionage en politieke aangelegenheden. De SD was een onderdeel van de SS. Schreieder had een kamer op de eerste etage van het Binnenhof in Den Haag).

Ter hoogte van bakker Geert Hoekstra op de Lijnbaan verschijnen er nog twee Duitsers, Karl Grimm en Nico Johannsen (voormalige beroepsvechter Nico Johannsen). Zij pakken Fimme's vader vast en voeren hem af. Fimme rent als de weerga naar huis en vertelt dat ze zijn vader hebben meegenomen. Dan ziet Fimme al meer Duitsers in het huis. Alles wordt overhoop gehaald. Jozef Schreieder is ervan overtuigd dat de tweede, nog levende Nederlandse geheim agent in het huis van de Bootsma's verborgen wordt gehouden. De moffen treden ruw op. Ze willen de agent vinden, maar ze vinden hem niet, doodgewoon omdat hij er niet is.

De gevangenis.

Gerben Bootsma wordt naar de beruchte gevangenis Oranje-hotel aan de Pompstation weg in Scheveningen overgebracht.
Hij verblijft daar tot half december 1943 in een isoleercel en wordt zwaar mishandeld.
Dan wordt hij naar de gevangenis voor politieke gevangenen aan de Gansstraat in Utrecht overgebracht, waar hij op 24 februari 1944 tot levenslange tuchthuisstraf wordt veroordeeld. Gerben Bootsma wordt daar bezocht door zijn vrouw, zoon Fimme en dochter Fetsje. Het is koud en regenachtig weer als het drietal weer voor de poort staat.

Envelop van een brief die Gerben Bootsma, heeft geschreven vanuit Scheveningen.

 

Document dat Gerben Bootsma, in Utrecht gevangen werd gehouden.

 

Moeder Sjoerdje heeft veel eten voor haar man meegenomen. Een Duitse soldaat ziet dat de drie Lemsters buiten verrekken van de kou en wenkt ze naar binnen. Hij toont medelijden. Op een gegeven moment worden moeder Sjoerdje, Fimme en Fetsje naar een zaal met veel blauw glas geloodst.
Het klinkt er naar. Vooral de ijzeren trappen maken een akelig lawaai. Fimme voelt zich allerminst op zijn gemak. Aan een tafel zit zijn vader, gestoken in een bruin wollen gevangenispak met grijze banden om de mouwen en de pijpen. Noch moeder noch Fimme en Fetsje kunnen de emoties de baas. Moeder Sjoerdje probeert een gesprek in het Fries te beginnen. Holländisch sprechen!" dondert de bewaker.

Het gesprek verloopt moeizaam. Er wordt over thuis gesproken; over de kinderen. Vader Gerben is bezorgd over zijn jeugd. Hoe maken zij het? Leren ze goed op school?
Als het veel te vroeg tijd voor afscheid nemen is, zegt vader Gerben: "Geef die twee jongens in de hoek, die hun ouders op bezoek hebben, een hand Ze worden morgen gefusilleerd". Moeder Sjoerdje, Fimme en Fetsje zijn geschokt. Tranen schieten hen in de ogen. Ze geven de twee mannen, die ook mee hebben geholpen de oorlog in te korten, een hand Dan verlaten ze de Utrechtse gevangenis. Het komt allemaal wel goed, heeft vader Gerben gezegd. Niet meer huilen. Maar de familie zou Gerben Bootsma nooit meer zien.

 

Moeder Sjoerdje Bootsma-de Boer met haar kroost in het jaar 1931 in de Schans op de foto.
Op de foto van links naar rechts: Pieter - werd zakenman en woont in Amerika, Franke - hoofdagent gemeentepolitie te Leeuwarden. In de kinderwagen zoon Fimme, hij werd adjudant bij de gemeentepolitie te Zwolle, naast de kinderwagen dochter Boukje en geheel rechts zoon Gerben (geb. 1921) genoemd naar zijn vader - hij werd drukker bij de 'Zuid-Friesland' en woonde in het voormalig en verbouwde schippersinternaat aan de Langestreek.
In de oorlog is zoon Pieter ondergedoken en zoon Gerben werd verplicht in Duitsland te werkgesteld. Het echtpaar Gerben Bootsma en Sjoerdje Bootsma-de Boer kregen 11 kinderen. Moeder Bootsma overleed in augustus 1967.

 

Het einde.

Op 20 mei 1944 wordt Gerben Bootsma overgebracht naar de Duitse gevangenissen in Kleef, Rheinbach (30 mei 1944) en Diez am Lahn (12 september 1944). In Diez maakt de Lemster een strenge winter mee. Half februari 1945 krijgt hij geelzucht Gerben Bootsma wordt ernstig ziek. De Duitsers laten hem verrekken.
Géén medische verzorging, géén humane behandeling voor de Nederlander die het leven van anderen redde. Gerben Bootsma blijft zich wapenen tegen de kou en de ziekte. Met optimisme moet hij het kunnen redden.

De oorlog zal niet lang meer duren. De Amerikanen komen zo.
Drie dagen voor de bevrijding worden de gevangenen in Diez am Lahn allemaal op transport gesteld naar Butzbach, enige kilometers ten noorden van Frankfurt am Main. 0ok de doodzieke Gerben Bootsrna. In Butzbach wordt hij bevrijd door de Amerikanen. Hij is aan het einde van zijn krachten. Slechts drie dagen mag hij van zijn vrijheid genieten. Een moedige Nederlander, kapot gemaakt door onmensen.

 

Gerben Bootsma werd na zijn dood begraven op het Nederlands ereveld te Frankfurt am Main, Frankfurt-Oberrad. Aan de Burgenlandweg te Frankfurt-Oberrad (B.R.D.) Vak E: Rij 2: Nummer 15. Boven zijn graf verscheen geen kruis maar kreeg onkruid alle kans. Wel werd elders op het kerkhof bij vergissing een kruis voor de heer Bootsma geplaatst.

 

Het graf van Gerben Bootsma op het Waldfriedhof in Frankfurt am Main.

 

Nederlands ereveld te Frankfurt am Main, Frankfurt-Oberrad.


De ruim 750 Nederlandse oorlogsslachtoffers, die verspreid begraven lagen in Zuid-Duitsland, werden in 1954 hier samengebracht en herbegraven.
Op een gedenksteen zijn de namen gememoreerd van hen, die niet opgespoord konden worden.
Ook hier staat een monument in de vorm van een vallende mannenfiguur, opgericht ter herdenking van de Nederlanders, die zijn omgekomen in de concentratiekampen Dachau, Flossenbürg en Natzweilet.

Gerben Bootsma werd na zijn dood begraven op het kerkhof van Butzbach.
Later in '45 is de Nederlandse Oorlogsgravenstichting achter het werkelijke graf gekomen via een graven-locatieteken ing. De stoffelijke resten werden door de stichting opgegraven en geïdentificeerd als die van Gerben Bootsma, dit aan de hand van zijn gebit. De heer Bootsma werd herbegraven op het Waldfriedhof in Frankfurt om Main. Hel graf wordt nog regelmatig door de familie bezocht, met name door Fimme en zijn vrouwen kinderen.

 

 

Deze brief ontving weduwe Bootsma de Boer begin juli 1947 van Koningin Wilhelmina.

Overlijden's akte van Gerben Bootsma.


Anno Sjoerd (Titus) Brandsma, (Hoogleraar aan de universiteit te Nijmegen)  geboren op 23 februari 1881 te Oegeklooster. Overleden op 26-07-1942 te Dachau.

Verzet

Al in een vroeg stadium waarschuwde Brandsma via publicaties in dag- en weekbladen en tijdens lezingen en colleges voor de gevaren van het nationaal-socialisme, rassenhaat en ophitsing. Hij veroordeelde de anti-joodse maatregelen van het Hitler-regime zowel reeds voor als tijdens de bezettingstijd. Zo was hij medio 1936 enige tijd lid van het door Nederlandse geleerden en kunstenaars opgericht Comité van Waakzaamheid tegen het nationaal-socialisme. Tijdens de oorlog verzette hij zich tegen het verwijderen van Joodse leerlingen en bekeerlingen van katholieke middelbare scholen en was hij de architect van het verbod dat de Utrechtse aartsbisschop Jan de Jong uitvaardigde tegen het opnemen van NSB-advertenties in de r.k. dagbladen.

Arrestatie en overlijden

Als gevolg daarvan arresteerde de Gestapo pater prof. Brandsma op 19 januari 1942. Via een tocht langs de 'Oranje'-gevangenis in Scheveningen, kamp Amersfoort en de strafgevangenis van Kleef kwam hij tenslotte in het beruchte concentratiekamp Dachau terecht. Ook hier was, aldus latere getuigenissen van voormalige kampgenoten, deze 'alledaagse' mysticus een grote morele, spirituele en daadwerkelijke steun voor zijn medegevangenen. Na enkele weken vol ontberingen en mishandelingen werd hij - levenslang behept met een wankele gezondheid - uitgeput en doodziek in het kamphospitaal opgenomen. Met een dodelijke injectie maakte een kamparts daar een einde aan zijn leven. In 1986 werd pater Titus na een jarenlang onderzoek door de RK kerk zalig verklaard.

In de Tweede Wereldoorlog sloten de Nazi’s in het Oranjehotel Nederlanders op die zich, op wat voor manier dan ook, tegen de Duitsers verzetten. Het verblijf in het Oranjehotel was meestal niet langdurig: gevangenen werden vrijgelaten, of op een andere plaats, vaak in Duitsland, gevangen gezet. 734 gevangenen van het Oranjehotel zijn omgekomen. Een deel daarvan is ter dood veroordeeld en geëxecuteerd op de Waalsdorpervlakte, maar velen zijn op andere plaatsen om het leven gekomen. Ongeveer 25.000 Nederlanders zaten tijdens de Tweede Wereldoorlog gevangen in het Oranjehotel, waaronder priester en hoogleraar wijsbegeerte Titus Brandsma en hoogleraar rechten Rudolph Cleveringa.

 

Titus Brandsma op 18 februari 1942, een half jaar voor zijn dood, vanuit het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen.

 


 

Jan. L. van den Broek, geboren in 1905, overleden op 14-04-1945 te Ureterp.

Jan was één van de vier slachtoffers van een schietpartij bij café Gorter op 14 april 1945.

De namen van de slachtoffers luiden: De soldaten Jan L. van den Broek, Aalzen de Jager, C. Tump en een jongen, de zoon van C. Hempenius. De drie soldaten zijn op 18 april 1945 met militaire eer begraven.


Hotze Brouwer, geboren 28 mei 1910 te Akmarijp, overleden op 17 maart 1945 te Doniga.

Als veehouder op de Beatrixhoeve te Haskerhorne bij het Nannewijd had Brouwer een aandeel in het verbergen van de daar gedropte wapens in zijn boerderij. Verder was hij medewerker van de LO in de gemeente Haskerland.

De slagzin die bij dit droppingsveld werd gebruikt, luidde: 'Wie de schoen past, trekke hem aan. Brouwer werd op 8 februari 1945 gearresteerd en overgebracht naar de gevangenis Crackstate in Heerenveen. Op 17 maart 1945 werd hij naar Doniaga overgebracht en daar samen met negen andere politieke gevangenen gefusilleerd. Brouwer werd begraven op de Hervormde begraafplaats in Haskerhorne.


Harmen Brouwer, (melkventer) geboren op 5 maart 1922 te Twijzelerheide, overleden op 15-04-1945 te 1922-1945 Dantumadeel.

Lid van een Knokploeg. Tijdens de bevrijding wilde hij samen met Jan Kaper, een Marechaussee, een tweetal Nederlandse SS'ers arresteren in de buurt van Akkerswoude. Beide sneuvelden bij deze poging waarna de SS'ers naar een boerderij vluchtten, waarvan het gezin wist te ontkomen en waar zij zich als wilden verweerden, tot ze beiden sneuvelden. Een SS'er overigens pas, nadat de Canadezen de boerderij in brand hadden geschoten.


Hein de Bruin, geboren op 2 maart1920 te Oudwoude, overleden op 16-4-1945 te Kollum.

Lid van de sabotagegroep in Oudwoude. Vaak verzorgde hij het vervoer van wapens van de droppingplaats naar de boerderij van zijn vader, waar deze werden verstopt. in gecamoufleerde betonnen bunkers achter de boerderij. Toen de streek werd bevrijd werden de wapens tevoorschijn gehaald. Tijdens een gevecht met de Duitsers op 16 april 1945 aan de Soensterdijk kwamen twee auto's in volle vaart af op de post van deze dijk uit de richting van Kollumerpomp. De bewakers van de dijk namen aan dat het Canadezen waren, maar merkte te laat dat het om Duitse auto's ging. Gevechtsgroep 2 die ter aflossing onderweg was werd door de Duitsers overrompeld en de plaatsvervangend commandant, Hein de Bruin werd dodelijk getroffen. De veehouder werd begraven op de N.H. begraafplaats te Oudwoude. In dit dorp is een straat naar hem vernoemd.


Johannes ten Brug, (student) geboren op 3 juni 1924, overleden op 09-01-1945 te Neuengamme.

Zoon van de hoofdonderwijzer van de School met de Bijbel in Hulsen, die tot de topfiguren van het verzet behoorde. Eerst was hij leerling van het Christelijk Lyceum in Almelo en daarna van de H.B.S. in Leeuwarden, waar hij steeds meer bij het verzet betrokken raakte, m.n. bij de pilotenhulp. Bij het Wehrmachtsheim in Leeuwarden haalde hij alle fietsen van de Duitsers weg en stelde deze ter beschikking van het verzet. Al in 1942 hadden de Duitsers een beloning van fl.2000,- op zijn hoofd uitstaan wegens het laten ontsporen van een trein.

Toen hem de grond te heet onder de voeten werd ging hij op weg naar Engeland. Hij bereikt Dijon in Frankrijk, waar hij via binnenwegen probeerde de Zwitserse grens te passeren. Dit lukte echter niet en hij kwam terecht in een kamp van de Franse Maquis. Dit kamp werd door Franse Vichy gendarmes omsingeld en Hans werd op 11 november 1943 gevangen genomen. Hij was in het bezit van een geladen geweer en werd overgebracht naar Lyon, waar hij door toedoen van de Nederlandse consul een betrekkelijk lichte straf kreeg. Hij werd veroordeeld tot twee jaar met aftrek van voorarrest in een gevangenkamp. Toen de consul hem daar twee maanden later wilde bezoeken bleek hij te zijn getransporteerd naar een gevangenkamp in Compiégne. Vandaar werd hij doorgestuurd naar Natzweiler en naar Dachau. Uiteindelijk kwam hij op 20 oktober 1944 in het kamp Neuengamme aan waar hij op 9 januari 1945 aan uitputting en ziekte overleed.


Enne Bruinsma, (Rijksveldwachter) geboren op 30 mei 1890 te Tzum, overleden op 28-04-1945.

Tijdens de bezetting had hij een groot aandeel in het schoolverzet, waarvoor hij voor de gemeente Hennarderadeel de contactman was. Hij werkte op dit terrein nauw samen met de Bolswarder gemeentesecretaris, Hendrik Haitsma. Bruinsma was als ouderleerling van de hervormde gemeente in Oosterend vooral de man van het geestelijk verzet, die het met de bezetter niet op een akkoordje gooide. In zijn functie als rijksveldwachter had hij het vaak erg moeilijk. Om niet met zijn geweten in conflict te komen verliet Bruinsma de politiedienst. Hij werd controleur bij de brandstoffen distributiedienst in Sneek.

Op 25 januari 1945 deed de Sicherheitsdienst een inval in het huis van Bruinsma om zijn zoon Steffen te arresteren. Steffen Bruinsma was medewerker van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers en was op dat moment niet thuis. Enne Bruinsma's anti-nationaal-socialistische gezindheid was algemeen bekend en toen de SD'ers van post Wommels bij de huiszoeking ook nog mouwbanden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten vonden, werd Enne gearresteerd. Hij werd naar het concentratiekamp Neuengamme gedeporteerd.

Toen de oorlog ten einde liep, werd op 20 april 1945 het concentratiekamp ontruimd. De gevangenen werden in spoorwagens geperst en afgevoerd naar Lübeck. In de Lübeckerbocht lagen de restanten van de Duitse koopvaardij vloot. Op een van de schepen, de Cap d'Arcona werden 4600 slachtoffers in de ruimen opgeborgen. Het eens zo luxe passagiersschip was een drijvend concentratiekamp geworden. Vele gevangenen stierven aan boord. Op 28 april 1945 overleed ook Bruinsma. Hij werd begraven op het stedelijk kerkhof in Neustadt.

Voor Enne Bruinsma is een monument geplaatst in Oosterend (gemeente Littenseradeel) is een ingemetselde plaquette van natuursteen. Op de gedenkplaat is in reliëf een staande mannenfiguur en een kruis aangebracht.

De Friese insciptie op de plaquette luidt:

'ENNE BRUINSMA . BERNE
TSJOM 30 MAEIJE 1890
FORSTOARN NEUENGAMME
28 APRIL 1945 . BLOEDTSJUGE
FOAR CHRISTUS'.

Het monument hangt in het portaal aan de achterzijde van de N.H. kerk te Oosterend (gemeente Littenseradeel).

www.verzetsmuseum.nl


Schelte Bruinsma, (aardappelhandelaar) geboren op 8 september 1912 te Pingjum, overleden op 16-04-1945 te Makkum.

Op maandag 16 april 1945 was een sectie van de NBS van het district Bolsward geconcentreerd in Kievitshorne. Samen met de Canadezen werd Wons bezet en in de loop van de middag werd met een tweede groep een hooggelegen boerderij bij Makkum aangevallen, waarin de bezetter zich had verschanst. Het open terrein bood vrijwel geen dekking. Schelte Bruinsma en Simon Sipma raakten bij dit vuurgevecht zo zwaar gewond dat ze aan de gevolgen overleden. Op 17 april kreeg een groep van de NBS opdracht om op te rukken naar de brug bij boerderij Laanzigt onder Makkum om deze te bezetten of zo nodig op te blazen. De groep ging iets te ver vooruit en kwam in het schootsveld van de bezetter terecht. Rinnert Anema en Roelof van der Meer sneuvelden bij deze actie. Om de rest van de groep de gelegenheid te geven zich terug te trekken, hield de brenschutter Hendrik Postma de bezetter onder vuur. Deze heldhaftige poging kostte hem echter wel het leven.

 


Nolle Wypke Bruinsma, (veehouder) geboren 31 oktober 1919 te Tjerkwerd, overleden op 11-04-1945 te Scharnegoutum.

Marten Bruinsma werd geboren op 25 mei 1890 in Burgwerd en zijn zoon Nolle Wypke op 31 oktober 1919 in Tjerkwerd. Op woensdag 11 april 1945 was een groep mensen van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten bezig een wegversperring aan te brengen. Toen de bezetter plotseling verscheen, vluchtten de mannen. Vervolgens gingen de Duitse soldaten de boerderij van Bruinsma binnen en schoten boer Marten Bruinsma en zijn zoon Nolle dood. Beiden werden begraven op de N.H. begraafplaats te Scharnegoutum.


Sybrand Marinus van Haersma Buma (burgemeester) geboren op 30 december 1903 in Den Haag, overleden op 11-12-1942 te Conc. kamp Neuengamme te Hamburg.

Ter gelegenheid van 'Tresoar op toernee' kwam de zoon van de naamgever, oud-burgemeester van Sneek mr. Bernhardus van Haersma Buma, in school vertellen over zijn vader.
Hij was burgemeester van Wymbritseradeel, toen hij op 7 mei 1941 door de Duitse bezetters werd gearresteerd. Van Haersma Buma maakte deel uit van de O.D. en het L.O.F, organisaties van het verzet. Meer dan een jaar zat hij in het "Oranjehotel", de gevangenis in Scheveningen. Toen werd hij overgebracht naar Amersfoort en kwam hij via Oberhausen in het concentratiekamp Neuengamme, waar hij op 11 december 1942 is gestorven.


Foto van Jenne de Haan: Willem van der Bij.

 

Willem van der Bij, (hoofd van school) geboren op 18 april 1897 te Berlikum, overleden op 23-11-1944 te Neuengamme op 47-jarige leeftijd.

Willem van der Bij werd geboren op 18 april 1897 in Berlikum. Hij was het hoofd van de christelijke lagere school (sinds 1961 de Dr. Wumkesskoalle) te Joure van 1 september 1929 tot 1 februari 1944 . Van der Bij was lid van de L.O. in de gemeente Haskerland. Hij was een principieel man, die precies zei hoe hij over de maatschappij dacht, wat hem door de bezetter niet in dank werd afgenomen. In de nacht van 1 op 2 februari 1944 werd hij gearresteerd. Hij stierf in het concentratiekamp Neuengamme op 23 november 1944 en werd begraven op het Nederlandse ereveld van Friedhof an der Seelhorst te Hannover. Bij de gedenksteen in de 'Jouster toer', de markante toren van de hervormde kerk (1644) aan de Midstraat in het centrum van Joure, staat tussen de namen van de in de Tweede Wereldoorlog gevallen inwoners ook die van Willem van der Bij.

De "Midstraat 64" te Mildam, was het woonhuis van het vroegere schoolhoofd.

Jenne de Haan, uit Mildam verteld: Willem van der Bij, was een man die ronduit zijn mening gaf over de Duitse bezetting/ideologie enz. enz. Dat heeft hem zijn leven gekost. Op de marmeren gedenkplaat in de school stond/staat: "Steunende op het Woord, verdedigde hij de Vrijheid."

● Over wapendroppings en stille helden.

Door: Wim Slagter.

'Steunende op het Woord verdedigde hij de Vrijheid.' Vaak heb ik voor de witmarmeren plaquette met die woorden in de hal van mijn oude lagere school gestaan. Bij de gedenksteen in de 'Jouster toer', de markante toren van de hervormde kerk (1644) aan de Midstraat in het centrum van Joure, staat tussen de namen van de in de Tweede Wereldoorlog gevallen inwoners ook die van Willem van der Bij.

Hij was de hoofdmeester aan wie de gedenkplaat in de school was gewijd, omdat hij zijn mening over de bezetter niet onder stoelen of banken stak. Op 1 februari 1944 werd hij door de Duitsers opgehaald en pas anderhalf jaar later hoorde zijn familie dat hij al in november 1944 in het concentratiekamp Neuengamme moest zijn vermoord.

Veel plaatsen hebben zo hun eigen stille helden. Behalve Van der Bij waren dat in Joure en omgeving, naast vele anderen, de politieman Geert Knol, de architect Uilke Boonstra en de veehouder Jetze Veldstra, die op enige wijze bij verzetsactiviteiten waren betrokken. Naar hen werden straten genoemd (merkwaardigerwijze ontbreekt Van der Bij daarbij) die we op onze tocht nog zullen tegenkomen, maar het is belangrijker om te weten dat geen van allen de oorlog overleefde. Door verraad of na een 'gewone' arrestatie verdwenen ze uit het Jouster straatbeeld om er nooit meer terug te keren... Knol werd doodgeschoten in Garmerwolde, Boonstra stierf in kamp Vught en Veldstra had men in zijn woonplaats Ouwsterhaule na de oorlog een warm welkom bereid -toen het bericht kwam dat hij in Neuengamme was omgebracht.

Buiten de bebouwde kom van Joure -in oostelijke richting rijdend vanaf de kerk aan de Midstraat komen we daar via de Geert Knolweg- rijden we 'boven' het verkeersplein langs en bij het eerstvolgende viaduct gaan we steil naar boven. We laten de drukke A7 onder en achter ons en komen in het dorpje Haskerhorne. Bij de kerk slaan we rechtsaf en meteen daarna linksaf, het Tsjerkepaed (Kerkpad) op. Als we even later rechtsaf slaan zien we nog net een boerderij met een hoog, wit voorhuis staan. Daar woonde in de oorlog een beruchte, maar volgens de overlevering ook niet al te slimme NSB'er: hoewel de normen voor een speciale NSB-burgemeesterscursus bepaald niet hoog gesteld waren, zakte de man keer op keer voor het examen.

Bij het eerstvolgende kruispunt van (fiets)paden gaan we eerst even naar rechts, de Bosweg op. Na een paar honderd meter is er linksaf een pad dat naar een voormalige droppingplaats leidt. In de winter van 1944/1945 hadden hier regelmatig wapendroppings plaats, waarbij een enkele keer ook parachutisten landden. Een van hen was Peter Tazelaar ('Tony'), uit deze streek afkomstig en een bekende Engelandvaarder. Via een naar hem genoemd schelpenpad gaat het in de richting van Sintjohannesga. Een aantal boerderijen in de omgeving diende als opslagplaats voor de gedropte wapens.

De route lijkt bij voorkeur geschikt voor een tochtje in de lente. Afwisselend rijden we door bossen, over boomrijke singels en over smalle weggetjes door de grazige Friese weiden, waar de eerste lammetjes van dit jaar over elkaar heen tuimelen en waar het echt naar voorjaar 'ruikt'. Dat ook in deze landelijke omgeving de bezetter dikwijls meedogenloos optrad, kan zo al snel worden vergeten. We zijn inmiddels een paar keer rechtsaf geslagen en via de Veenscheiding op de Kadijk beland. De eerste afslag links is de Kerkhoflaan en waarom deze weg zo is genoemd, wordt al spoedig duidelijk. Achter op de begraafplaats van Sintjohannesga -waarvan de naam eerder op het voormalige St.-Jansklooster bij Sneek, dan op de bekende evangelist terug te voeren zou zijn- staat een opvallend monument, met bijzondere aandacht voor een aantal plaatselijke slachtoffers én een soldaat, luisterend naar de on-Nederlandse naam Richard Jung.

Deze Tsjech van geboorte deserteerde uit het Duitse leger en belandde na vele omzwervingen in Friesland, waar hij zich voor de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS) inzette. Bij de bevrijding door de Canadezen van Joure, op 15 april 1945, sneuvelde Jung in het nabijgelegen Scharsterbrug. Hij ligt hier overigens niet (meer): Jungs stoffelijk overschot werd vorig jaar -zonder medeweten van de gemeentelijke autoriteiten- opgegraven en herbegraven op het militaire ereveld te Loenen.
Terug naar de Kadijk. Tegen een straffe zuidwester in fietsen we naar het Tjeukemeer. Onderweg (rechtsaf het Bospad, daarna links over de Wolvedyk) steken we de Kampweg over. Er is niets meer van te zien, maar op dit kruispunt stonden vroeger de barakken van het kamp 'De Wite Peal'. In de jaren dertig waren er arbeiders gehuisvest die in een van de destijds gebruikelijke werkloosheidsprojecten werkzaam waren. Van augustus tot oktober 1942 hielden de Duitsers hier ruim 120 Friese joden vast, voordat ze via Westerbork verder werden gedeporteerd.

Ná de oorlog fungeerde het kamp nog een tijdlang als opvang voor tientallen Molukse gezinnen.
Via de Meerweg wordt het Tjeukemeer bereikt. Op dit meer speelde zich in de herfst van 1940 een tragisch voorval af, toen vijf verzetsmensen 'snachts met een watervliegtuig voor de overtocht naar Engeland zouden worden opgepikt. Een bij het meer wonende vrouw vertrouwde het zaakje niet en alarmeerde de politie. Het vijftal werd, nadat een eerste poging wegens de mist was afgeblazen, de volgende ochtend gearresteerd. De piloot van het watervliegtuigje, de uit Joure afkomstige Haye Schaper, kon de volgende avond slechts ternauwernood aan de door de Duitsers opgezette hinderlaag ontsnappen. Twee van de vijf 'Engelandvaarders' overleefden de oorlog niet.

Fietsend over de Skrédyk, linksaf de Jetze Veldstraweg op en daarna het mooie stuk langs de Skarsterrien kiezend, arriveren we in Scharsterbrug waar in april 1945 hevige gevechten tussen Duitsers en geallieerde troepen plaatshadden en waar Richard Jung ver van zijn vaderland de dood vond. Teruggekeerd in Joure (door twee tunneltjes, daarna op de Scheen de tweede weg links nemen: Uilke Boonstralaan, aan het einde: rechtsaf) rijden we ten slotte nog op de Harddraversweg -enigszins achter de rooilijn, huisnummers 23-25- langs het voormalig distributiekantoor dat, als eerste in Nederland, op 14 oktober 1942 door verzetsmensen van zijn bonkaarten werd beroofd.
Eenmaal in de Midstraat komen we weer uit bij ons startpunt, de gedenksteen aan de kerktoren. 'Hwant mei God en mei minsken haste striden en dou hast oermastere.' Die tekst uit Genesis draagt in de meidagen eigenlijk altijd een bijzonder tintje.
 

Bron: www.trouw.nl

 

 

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.