|
Frans Dalstra,
(transportarbeider) geboren op
13 april 1902
te Surhuisterveen, overleden op
15-07-1942 te Gross Rosen.
Van de wederwaardigheden van het
Noorderlicht in Friesland is het volgende bekend: Voor de
verspreiding het Noorderlicht in Friesland werden drie groepen
gevormd. De eerste bestond uit Martin Beuving, bouwvakker en
gemeenteraadslid in Leeuwarden voor de CPN; Jan Weistra, 25
jaar, CPN-er en loodgieter uit Leeuwarden; Dirk Faber, 41 jaar,
christelijk en timmerman uit Leeuwarden, Fedde de Groot uit
Leeuwarden, 20 jaar en lid van de Nederlands Jeugdfederatie;
Corrie van der Meulen uit Leeuwarden, 20 jaar en lid van de
Nederlandse Jeugdfederatie; Eds van der Heide, 32 jaar, monteur
uit Leeuwarden, partijloos, en zijn vrouw Klaaske, lid van de
CPN.
Een twee verspreidingsgroep
bestond uit Jacob de Wacht, 42 jaar, bouwvakker en CPN-er uit
Leeuwarden; Foppe Schipof, 42 jaar, vrijbuiter en
negotieverkoper uit Leeuwarden; Harry Tulp, 32 jaar, lid van de
CPN en vertegenwoordiger; Jacob de Rook, 51 jaar, visroker uit
Lemmer en lid van de CPN.
Tot de derde groep, de zogenaamde
Houtigehagegroep, behoorden Frans Dalstra uit Surhuisterveen, 39
jaar, transportarbeider en lid van de CPN; Piet Keverkamp, 33
jaar, kapper in Houtigehage, katholiek (die bij zijn arrestatie
in 1941 tegen zijn vrouw zei: “Nee ik hoef mijn jas niet aan, ik
ben zo terug.”); Siebe Bos, 32 jaar, voerman en lid van de CPN.
Toen de Noorderlichtgroep in
Groningen in februari 1941 werd opgerold werd het Noorderlicht
op 5 maart 1941 voor de eerste en laatste maal in Leeuwarden
gemaakt in de Insulindestraat bij Eds en Klaaske van der Heide
en van daaruit verspreid. Kort daarna werden vrijwel alle
medewerkers gearresteerd.
In Groningen werden ongeveer 55
mensen van de Noorderlichtgroepen gearresteerd en naar
concentratiekampen gevoerd. Slechts een klein deel daarvan heeft
het er levend van afgebracht.

Sijbrandus van Dam,
(broodbezorger) geboren op
18 december 1915 te Huizem , overleden op 11-04-1945 te Dronrijp.
SD uit Leeuwarden fusilleert
bij de brug te Dronrijp 14 gevangenen:
Johannes Nieuwland, Hendrik Jozef Spoelstra, Douwe Tuinstra, de
drie broers Egbert Mark Wierda, Klaas Jan Wypcke Wierda en
Hyltje Wierda, Sijbrandus van Dam, Heinrich Harder, Dirk
de Jong, Hendrik Jan de Jong, Ruurd Kooistra, Johannes Marinus
Ducaneaux en Oudger van Dijk. De beide laatste worden wegens
(vermeende) banden met de bezetters niet herdacht op het
monument bij de brug. Gerard de Jong overleefde de executie.
In de avond van 9 april 1945, aan de vooravond van de
bevrijding, kreeg de afdeling Leeuwarden van de Nederlandse
Binnenlandse Strijdkrachten het bevel over te gaan tot algemene
sabotage. 'Sabotage op weg, rail en water', zo luidde de order
van het hoofdkwartier van de NBS in Friesland. De bezetter mocht
niet de gelegenheid krijgen naar Duitsland te ontkomen. Het
resultaat van de sabotage was onder andere het uitschakelen van
de spoorlijnen Leeuwarden-Franeker en Leeuwarden-Buitenpost. De
gevechtsgroep Franeker draaide over een afstand van 75 meter
alle schroeven uit de rails. Een dag later ontspoorde een
Wehrmachtslocomotief met 26 wagens.
De Sicherheitsdienst uit Groningen
gelastte dat bij Dronrijp als represaille op 11 april twintig
man doodgeschoten moest worden. De geheime luisterpost van de
NBS in Leeuwarden ving dit bericht op en de verzetsgroepen
kregen opdracht zich onmiddellijk naar de sabotageplaats te
begeven om hun vrienden te ontzetten. De groep Dronrijp nam
posities in bij de spoorlijn, omdat men dacht dat de gevangenen
per trein naar het dorp zouden komen. Dit gebeurde echter niet.
Veertien gevangenen uit het Burmaniahuis in Leeuwarden werden in
wagens naar Dronrijp vervoerd. Op het moment dat zij in het dorp
aankwamen, vlogen er juist een aantal Britse jagers boven
Dronrijp. Uit angst voor de vliegtuigen besloot de bezetter de
fusillade ter plaatse uit te voeren. Bovendien was de brug over
het Van Harinxmakanaal opgehaald, waardoor zij de spoorlijn niet
konden bereiken.
In drie groepen werden de slachtoffers naar de voet van de dijk
bij het kanaal gebracht. Nadat driemaal een salvo had geklonken,
lagen er dertien stoffelijke overschotten in het gras die een
etmaal moesten blijven liggen. Eén van de mannen, Gerard de Jong
uit Leeuwarden, overleefde de executie door zich 'dood' te
houden. De gewonde verzetsman werd nadat de bezetter vertrokken
was, in veiligheid gebracht.
Ynze Dikkerboom, (Opzichter
wegen) geboren op 10
augustus 1914 te Oudehaske, overleden In de nacht van 13 op
14 oktober 1944 te Harfsen..
Ynze Dikkerboom was leider van de
knokploeg Harfsen-Gorssel. Dikkerboom was zoon van een Friese
aannemer en was in het begin van de oorlog opgeroepen om voor de
Duitsers te gaan werken. Hij negeerde alle oproepen, maar werd
in 1942 opgepakt en naar Duitsland gebracht. Hij wist de
Duitsers wijs te maken dat hij voor zijn vaders bedrijf een
aantal zaken moest regelen en kreeg een week verlof. Na een week
bij zijn ouders te hebben doorgebracht, vertrok Dikkerboom
echter niet naar Duitsland, maar nam hij de trein naar Zutphen,
waar zijn zuster Sytske woonde. Op 10 februari 1943 kwam Ynze
terecht op de boerderij van de familie Koeslag in Harfsen.
Hier
werkte hij als boerenknecht en raakte betrokken bij het
verzetswerk. "Kleine" Oorlogstragedies: Het Hol als laatste
rustplaats' in: Deventer Dagblad 4 mei 2002 "Het Hol" - Een
oorlogsgraf in Harfsen (door René ten Dam). In de Tweede
Wereldoorlog zijn honderden, misschien wel duizenden mensen om
het leven gebracht op verlaten plekken in bossen of duinen. Soms
kregen deze mensen vervolgens een laatste rustplaats op een
plaatselijke begraafplaats, maar veelal werden ze ter plekke
begraven. Na de oorlog kregen ze vaak alsnog, na een
fatsoenlijke en eervolle herbegrafenis, een graf op een
begraafplaats. Het gemeenschappelijke graf van Ynze Dikkerboom
en (Chris)Tine van Heesch in het bos bij Harfsen is een
uitzondering. Het monument op het graf.
In de oorlogsjaren
verbleven veel onderduikers in de omgeving van het landelijk
gelegen Harfsen, niet ver van Deventer en Zutphen. Alleen al op
de boerderij van de familie Slagman bevonden zich soms meer dan
veertig onderduikers. Sommigen van hen waren betrokken bij de
lokale verzetsgroep Laren-Noord. Ynze Dikkerboom was leider van
de knokploeg Harfsen-Gorssel. Dikkerboom was zoon van een Friese
aannemer en was in het begin van de oorlog opgeroepen om voor de
Duitsers te gaan werken. Hij negeerde alle oproepen, maar werd
in 1942 opgepakt en naar Duitsland gebracht.
Hij wist de
Duitsers wijs te maken dat hij voor zijn vaders bedrijf een
aantal zaken moest regelen en kreeg een week verlof. Na een week
bij zijn ouders te hebben doorgebracht, vertrok Dikkerboom
echter niet naar Duitsland, maar nam hij de trein naar Zutphen,
waar zijn zuster Sytske woonde. Op 10 februari 1943 kwam Ynze
terecht op de boerderij van de familie Koeslag in Harfsen. Hier
werkte hij als boerenknecht en raakte betrokken bij het
verzetswerk. Niet veel later ontmoette Dikkerboom Appie Nauta,
eveneens afkomstig uit Friesland. Met hem raakte hij meer en
meer betrokken bij het verzetswerk, van het in veiligheid
brengen van piloten tot het repareren van radio's en het
uitzoeken van terreinen voor wapendroppings. Overdag verbleven
de beide mannen bij de familie Wilgenhof van boerderij
Achterkamp, 's avonds verbleven ze in een ondergrondse
schuilhut, "Het Hol" genaamd.
Deze hut was verscholen in het bos
en gemaakt met delen van een werkkeet en een kippenhok en bood
onderdak aan maximaal zeven mensen. Op de grond van de hut lag
stro. In de nacht van 13 op 14 oktober 1944 vertrokken zo'n
zestig SD'ers, SS'ers en landwachters vanuit Deventer naar
Harfsen om onderduikers op te pakken.
Als eerste vielen ze de
boerderij van Slagman binnen, waar zich op dat moment een groot
aantal onderduikers bevond. De boerderij werd omsingeld,
leeggeroofd en in brand gestoken. Gerrit Slagman werd met tal
van onderduikers gearresteerd en weggevoerd. In de tussentijd
wist Tine van Heesch, koerierster en vriendin van Ynze
Dikkerboom, "Het Hol" te bereiken om daar Ynze Dikkerboom en
Appie Nauta te waarschuwen voor de op handen zijnde overval.
Nauta vluchtte direct na aankomst van Tine van Heesch en wist zo
te ontkomen aan de Duitsers.
Dikkerboom was echter overtuigd dat
de Duitsers "Het Hol" niet zouden weten te vinden en trok zich,
samen met Tine van Heesch, terug in het derde, geheime,
compartiment. Hier hadden ze hun belangrijkste spullen en
geheime documenten verborgen. Na enig speurwerk wisten de
Duitsers uiteindelijk de ingang van "Het Hol" te traceren,
gingen naar binnen, maar vonden niet het derde compartiment. De
twee onderduikers leken gered, maar voordat de Duitsers
weggingen, wierpen deze nog enkele handgranaten in de
ondergrondse schuilplaats. Hierdoor en door ontploffende munitie
zijn Ynze en Tine waarschijnlijk om het leven gekomen. Er
ontstond een hevige brand en een deel van de schuilplaats
stortte in.
Nadat de Duitsers waren verdwenen, werd de plek nog
bezocht door mensen uit het verzet. Wat ze nog konden vinden,
namen ze mee, daarna werd de kuil dichtgegooid met aarde. Eind
april 1945 zijn de lichamen herbegraven. Op 13 oktober 1945 werd
de grafsteen onthuld.

Grafmonument
Ynze Dikkerboom en Tine van Heesch.
Op de plaats van dit graf was
tijdens de tweede wereldoorlog een schuilplaats voor
onderduikers. Er was plaats voor 7 mensen. Ynze was de leider
van de knokploeg in Harfsen-Gorssel.

Johannes Doornbos,
(leerling MTS) geboren
op 30 december 1921,
overleden op 24-4-1945 te Ferwerd.
Overleed als gevolg van een
ongeluk tijdens een bijeenkomst van een groep oude leden van de
BS gebeurde een ongeluk met een vuurwapen. Doornbos werd
dodelijk getroffen. Hij werd begraven op de Hervormde
Begraafplaats in Blija.
Rinze Joukes Douma, (Predikant)
werd geboren op 28 april 1910 te Bergum, overleden
op 09-03-1945 te Bergen Belsen (Dtsl). Huwde te Franeker
op 23 juli1936 Minke van der Veen. Ds. Rinze Douma was een zoon
van Jouke Rinzes Douma en Hinke Jans Kuperus. Rinze Douma
speelde in de oorlogsjaren 40-45 een belangrijke rol in de LO
(Landelijke Organisatie) van het verzet).
Hij was gereformeerd predikant in
Emmercompascum, waar hij in het verzet onder de schuilnaam 'ds.
De Groot' opereerde. In augustus 1943 verhuisde zijn gezin naar
Groningen. In deze stad verspreidde hij illegale bladen en
zorgde hij ervoor dat onderduikers een veilige verblijfplaats
kregen. Verder heeft hij meegewerkt aan wapentransporten. Op 30
mei 1944 zag hij op het Amersfoortse station hoe gevangenen in
spoorwagons werden gepropt. Douma ontstak in woede. Toen de
bezetter hem fouilleerde, werden illegale papieren gevonden. Via
de gevangenissen van Assen en Groningen werd Douma op 17
augustus 1944 op transport gesteld naar kamp Vught en een maand
later naar het Kommando Oraniënburg van het concentratiekamp
Sachsenhausen. Op 4 februari 1945 werd Douma naar Bergen-Belsen
overgebracht, waar hij op 9 maart 1945 aan vlektyfus overleed.
In ca. 1990 is in Groningen een straat naar hem vernoemd.
Bote Lieuwe Dijk,
(Adj.
commies N.S.)
geboren op 6 februari 1899
te Hardergarijp, overleden op 18 november
1944 te Herbaijum.
Enkele jaren geleden
werd de Johannes de Dooperkerk in Hilaard
gerestaureerd. Hierbij vond men de restanten van het
“onderduikershol” terug. Daarmee ontstond het idee
om de herinnering aan de periode dat de kerk en de
Hilaarder dorpsgemeenschap onderdak boden aan een
aantal onderduikers, levend te houden. In totaal
zijn 13 personen in wisselende samenstelling in de
Johannes de Dooperkerk ondergedoken geweest.
Daarnaast hebben ook anderen zich op diverse
locaties in Hilaard moeten verbergen. Van de dertien
onderduikers heeft één persoon de oorlog niet
overleefd. Bote Lieuwe Dijk uit Leeuwarden werd in
november 1944 bij Herbayum door de bezetter
gefusilleerd.
Als treindienstleider van het station
in Leeuwarden deed hij in september 1944 mee aan de
spoorwegstaking. Daartoe was hij opgeroepen door
Radio Oranje, om de geallieerden te ondersteunen in
hun poging bruggenhoofden te slaan over de grote
rivieren in het kader van operatie 'Market Garden'
(een grootscheeps bevrijdingsoffensief van 17 tot 26
september 1944 waarmee de geallieerden een doorstoot
naar Duitsland wilden forceren). De bezetter
reageerde furieus op de staking en probeerde zo veel
mogelijk stakers op te pakken. Bote Lieuwe Dijk dook
onder in Hilaard. Hij werd bij toeval ontdekt door
leden van een fietspatrouille van de
Sicherheitsdienst. Op 9 januari 1945, werden
tijdens een razzia alle onderduikers uit de kerk
gehaald en gevangen genomen. Enkele van hen zijn
later op transport gesteld naar het kamp
Wilhelmshafen in Duitsland.

Jitze Pieter van
Dijk, geboren op 16 november 1922 te Gauw, overleden op
15-04-1945 te Franeker.
De Hitzumer familie
Van Dijk was in de tweede wereldoorlog bijzonder
actief in het verzet. Op de boerderij aan de weg
naar Sopsum lagen wapens onder het hooi verborgen en
vonden onderduikers een vertrouwd adres. Altijd was
er de angst voor ontdekking, maar dat kon ook
moeilijk anders wanneer men bedenkt dat er op een
goede ochtend liefst 23 (!) mensen aan de
ontbijttafel verschenen. Drijvende kracht achter het
verzet op de boerderij was een van de zoons van de
boer: Jitze Pieter van Dijk. Alleen al daarom was
het wrang dat juist hij op de dag van de bevrijding
in de buurt van Franeker nog om het leven kwam.
Jitze woonde bij zijn
ouders aan de Koudenburgerlaan in Hitzum. Op de
boerderij waren onderduikers gehuisvest en werd een
wapendepot van de Binnenlandse Strijdkrachten in
stand gehouden. Tegen de bevrijding op 15 april 1945
kregen Jitze en zijn vrienden van de BS de opdracht
de brug bij Kiesterzijl te bewaken. Na een tijdje
besloten ze wat dichter bij de Harlingerstaatweg in
een hinderlaag te gaan liggen, terwijl ze zagen dat
de Duitsers de aftocht bliezen. Toen de Duitsers de
Slachtedijk bij Kiesterzijl waren gepasseerd gingen
de meeste BS'ers aan de andere kant van de
Slachtedijk liggen. Jitze besloot aan de kant van
Harlingen te blijven, een keuze die hem noodlottig
werd, want hij werd in het hoofd geraakt en was op
slag dood. Zijn lichaam is door zijn vader met paard
en wagen geborgen. Jitze is begraven op de Hervormde
Begraafplaats in Sybrandaburen.

Jan van Dijken,
(directeur
van het Dokkumer postkantoor)
geboren op 25 juni 1903
te Opwierde, overleden op 22-01-1945 te Dokkum.
De 41-jarige
directeur van het Dokkumer postkantoor werd op 22 januari 1945 aan de Woudweg
gefusilleerd. Van Dijken stond in Dokkum niet bekend als verzetsman, maar is
waarschijnlijk door de bezetter verantwoordelijk gesteld voor de clandestiene
telefoonaansluiting in de apotheek van de verzetsman dr. Gunster aan de Zijl.
Van Dijken werd begraven op de Algemene begraafplaats in Dokkum.
Durk Dijkstra, (Groentehandelaar)
geboren 26 april 1915 te Terzool, overleden op
06-04-1945 te
Nijemirdum.
Tijdens de
bezetting sloot Dijkstra zich aan bij het verzet.
Hij hield zich met name bezig met het vervoer en
verbergen van gedropte wapens. Op 29 maart 1945 werd
hij door de Grüne Polizei uit Sneek thuis op 29
maart 1945 gearresteerd, samen met zijn onderduiker
Herre Winia. In Sneek werden de twee gevangenen
verhoord. De bezetter was echter al op de hoogte van
de verzetsbeweging in die streek. De volgende dag is
de bezetter weer naar Terzool gegaan. Het interieur
van Dijkstra's woning werd vernield met een
handgranaat. De waardevolle dingen werden
meegenomen. Mevrouw Dijkstra en de kinderen waren
toen al elders ondergebracht. Toen de wapens niet
werden achterhaald is Durk aan de IJsselmeerdijk op
de Zandvoorderhoek tussen Sondel en Nijermirdum
samen met vier anderen
op
6 april 1945
door de bezetter
gefusilleerd. Dijkstra
werd in oktober 1946 herbegraven op de N.H.
begraafplaats in Terzool. In dit dorp is een straat
naar hem vernoemd.

Het monument
op de Zandvoorderhoek bij het IJsselmeer .
HIER
WERDEN OP 6 APRIL 1945 DOOR DE VIJAND
GEFUSILLEERD
HERRE
WINIA Jr.
HENDRIK HUIZENGA
DURK DIJKSTRA
GERRIT VLIETSTRA
JURJEN HOOMANS.

Hobbes (Bob) Dijkstra,
(student
in de chemie)
geboren op 4
september 1923 te Rotterdam, overleden op 07-04-1945 te Makkum.
Hij
was student in de chemie aan de Vrije Universiteit
te Amsterdam. Tijdens de bezetting was hij in Makkum
ondergedoken. Dijkstra werd begraven op de Hervormde
begraafplaats te Makkum.
Op zaterdagmorgen 7
april gebeurt er een drama in Makkum. Er is een
massale razzia gehouden, waarbij vele Makkumers
werden gearresteerd. Daarvan werden 6 jongemannen,
na een zwaar verhoor, gefusilleerd: Sjoerd Adema
(broer van Otto), Hobbes Dijkstra, Fetze Elgersma,
Hermanus Falkena, Jacobus Keller en Hendrik Lemson.
Naderhand werd de gearresteerde Jan Emmens
meegenomen door de Duitsers, over de Afsluitdijk.
Ook hij werd gedood, en wel bij Anna Paulowna.
Verraad
sloeg toe in
Makkum.
Toen de
Afsluitdijk
zou worden
aangelegd,
werd er van
militaire
zijde op
gewezen, dat
deze
verbinding
van
uitermate
groot
strategisch
belang zou
worden.
Hiermee
kreeg
Holland een
nieuwe
invalspoort,
die
onverhoopt
ook gebruikt
kon worden
door
vijandelijke
legers.
Daarom
werden op
Kornwerderzand
zware
kazematten,
die bij de
Duitse inval
hun waarde
bewezen. de
vijand kwam
er niet
langs,
totdat
Nederland
capituleerde.
Het
strategisch
belang
bleef; nu
voor de
bevrijding
van ons
vaderland,
aldus de
militairen.
Zoals we al
schreven
(deel I,
hoofdstuk I)
kwam het
Legioen
Oud-Frontstrijders
(LOF) in
1940 al in
actie, via
burgemeester
mr. S. M.
van Haersma
Buma te
IJsbrechtum.
Deze stuurde
zijn chef
van politie,
Sikke de
Jong, die
daar zijn
vrouw
gevonden
had, naar
Makkum, het
grootste
dorp in de
gemeente
Wonseradeel,
gelegen op
vier
kilometer
afstand van
de
Afsluitdijk
aan de kust.
De Jong ging
zeer
voorzichtig
te werk. Hij
charterde
voor het
verzamelen
van
inlichtingen
onder andere
Jan F. M. H.
Bergsma en
Feike W. de
Boer, twee
jonge
ondernemende,
en de wat
oudere Romke
P. de Boer -
allen
zakenlieden.
Al spoedig
bleek deze
actie
prematuur te
zijn, maar
de mannen
bleven de
bezetter
waar
mogelijk
afbreuk
doen, samen
met
vrienden,
ook in de
omliggende
dorpen.
Het
eigenlijke
verzet in
Makkum begon
met de
verspreiding
van illegale
vlugschriften
met de naam
Stormvogel
onder
leiding van
Bergsma en
met hulp van
onderduikers.
De illegale
actie nam
een grote
vlucht onder
de
bezielende
leiding van
de
gereformeerde
predikant
ds. L.
Touwen, zijn
hervormde
collega ds.
A. E. van
Baalen en
pastoor L.
H. L. de
Jong. Vooral
het
onderbrengen
van Joden
vroeg veel
inspanning.
Langzaam
maar zeker
groeide
Makkum uit
tot een
broeinest
van
verzetsactiviteiten.
Tot maart
1944 ging
alles goed.
Toen werden
in Bolsward,
Wommels,
Witmarsum en
Franeker
zestien
mannen
gearresteerd,
wegens
NC-activiteiten
(Nationaal
Comité).
Tevoren was
afgesproken
dat zij in
zo'n geval
de naam van
Jan Bergsma
mochten
noemen als
de grote
boosdoener
(zie deel II,
blz. 34 vv.)
en na enkele
dagen deden
ze dat ook,
maar toen
was Bergsma
al buiten
Friesland
ondergedoken.
Het nadeel
voor Makkum
was, dat
hiermee de
aandacht van
de SD meer
op deze
plaats was
gevallen.
Een
bijzondere
verzetsfiguur
was Tijmen
van den
Berg, die
samen met
zijn broer
Aart een
handel had
in
zoetwatervis,
met
daarnaast
een rokerij
en een
conservenfabriekje.
Hij kon de
Duitsers in
hun eigen
taal te
woord staan
en deed dit
met grote
vrijmoedigheid.
De bezetters
vonden al
spoedig de
weg naar hem
en zijn
gerookte
paling.
Tijmen was
nogal
scheutig met
de paling,
maar
weigerde
grote
hoeveelheden
aan
Leeuwarden
te leveren.
In Makkum
was hij voor
de bonzen
een royaal
gastheer,
waardoor hij
een goede
verstandhouding
wist te
kweken met
vrijwel alle
alle Duitse
prominenten.
Zelfs
Beauftragte
Ross deelde
in zijn
gunsten, die
temeer
gewaardeerd
werden,
omdat Tijmen
altijd
voldoende
sterke drank
achter de
hand had. En
niemand die
iets vergat
op deze
festijnen
behoefde
zich
daarover
zorgen te
maken, omdat
het
verlorene
ofwel terug
bezorgd
werd, of tot
zijn
beschikking
werd
gehouden. De
firma Van
den Berg was
zeer
correct!
Maar dit
alles had
een
bedoeling.
Tijmen trad
op als
beschermheer
van de
Makkumers.
Werd iemand
gearresteerd
wegens
illegale
handelingen,
dan ging hij
naar het hol
van de leeuw
met drank en
vette
paling. Was
daardoor de
sfeer
vriendschappelijk
genoeg
geworden,
dan werd het
tere
onderwerp
als
toevallig
ter sprake
gebracht en
vaak waren
de moffen
dan bereid
zich ook
niet te
laten kennen
en schreven
een bewijsje
voor
vrijlating
of bepaalden
hoeveel
losgeld er
betaald moet
worden. Het
was
opmerkelijk
dat dit
nooit lukte
bij Lammers;
die goot
liever zijn
glaasje leeg
op de grond
dan onder
invloed te
raken en
ondoordachte
dingen te
doen. Maar
uiteraard
kon hij zich
niet
verzetten
tegen
beslissingen
van de
Duitsers, al
probeerde
hij het wel.
We
beschreven
al, hoe door
de
activiteiten
van Tijmen
een groot
gevaar
afgewend
werd (deel
II, blz. 359
vv). daarbij
vermeldden
we ook, dat
ds. Touwen
later toch
gearresteerd
en
gefusilleerd
werd. Van
die tijd af
paste de
leefwijze
van R. P. de
Boer en
pastoor De
Jong zich
geheel aan
bij de
gevaren die
hen
bedreigden.
Gelukkig
kregen zij
veel hulp en
veilige
adressen.
Door dit
alles werd
echter
duidelijk
dat de
gevaren voor
Makkum
steeds
groter
werden en
Tijmen was
erg bezorgd
over de
onderduikers
die hij in
zijn fabriek
te werk
gesteld had.
Daarom
besloot hij
naar
Leeuwarden
te gaan om
de
opperslavendrijver
Hendriock
over te
halen hem
Ausweise te
verstrekken.
Het lukte.
Toen
Hendriock in
de juiste
stemming
gebracht
was, gaf hij
Tijmen een
aantal
blanco
Ausweise
mee, zonder
dat de namen
van de
onderduikers
genoteerd
werden. Er
waren te
weinig, maar
valse
zorgden voor
aanvulling.
Weer een
zorg minder.
Na Dolle
Dinsdag [5
september
1944 - te
vroege
viering van
aanstaande
bevrijding
die veel
Duitsers en
NSBers in
paniek
bracht -ab]
veranderde
er veel in
Makkum door
de opbouw
van de NBS
(Nederlandse
Binnenlandse
Strijdkrachten).
In september
keerde Jan Bergsma naar
Wonseradeel
terug. Hij
was al veel
eerder
aangewezen
als
districtcommandant,
maar omdat
hij slechts
als
onderofficier
had gediend
en met het
oog op
strategisch
belang van
de
Afsluitdijk
vroeg met
drs. S. P.
van Tuinen,
toen wonende
in Bolsward,
deze functie
over te
nemen. Deze
was
reserve-officier
en als
leraar uit
Leeuwarden
ondergedoken.
Omdat
hierbij
steeds meer
de nadruk
werd gelegd
op de
militaire
dan op de
bestuurlijke
taak, vroeg
hij
ontheffing
en werd in
zijn plaats
benoemd het
hoofd van de
O.L. school
te Jubbega,
Jan Gorter.
Bergsma werd
toen
gemeentelijk
commandant
en de nog
niet
gezochte J.
P. Tichelaar
plaatselijk
commandant
te Makkum.
Hoofd van de
districtinlichtingendienst
werd R. P.
de Boer, die
zich nog
steelsgewijze
[stiekum -
ab] door
Makkum
bewoog.
Diens
rechterhand
was de
politieman
C. Krijger,
wiens vrouw
uit
Kornwerderzand
afkomstig
was en die
sinds de
herfst '42
gestationeerd
was op de
Kop van de
Afsluitdijk.
Krijger
(Rob), die
later
gemeentelijk
operatielijder
werd,
rapporteerde
alle Duitse
troepenbewegingen
en had zich
verzekerd
van de
medewerking
van de
waterstaatsambtenaar
W. van
Krieken,
wiens
tekeningen
opvielen
door
volledigheid
en
nauwkeurigheid,
mede doordat
hij de
beschikking
had over het
waterstaatsarchief.
Het
conservenfabriekje
van Van den
Berg kreeg
het steeds
drukker.
Tevoren was
daar vooral
vis
ingeblikt,
die
verzonden
werd naar
gevangenen
in kampen.
Tijdens de
hongerwinter
werd de zaak
uitgebreid
met
vleesconserven,
vooral
gehakt. Op
grond van
zijn
relaties
kreeg Tijmen
Duitse
vervoersvergunningen;
toen de
officiële
vergunningen
onvoldoende
bleken voor
de wassende
stroom,
werden ze
nagemaakt.
N. J. Popma,
directuer
van de
Hollandiafabriek
in Bolsward,
was de grote
stimulator
van deze
tochten. Hij
liep ook het
eerst tegen
de lamp. De
Grenzschutz
te Harlingen
hield een
auto aan,
waarin hij
en pater Van
Straaten
meereden en
constateerde
dat de
transportpapieren
vals waren.
Ogenblikkelijk
ging Van den
berg er op
af met
twintig pond
gerookte
paling en de
nodige
sterke drank
en het
gelukte hem
de chauffeur
uit Schettens en
de beide
passagiers
vrij te
krijgen. Een
week later
werd Popma
weer
gearresteerd,
ditmaal
samen met
Van den
Berg, weer
om die valse
papieren,
maar ook nu
kwamen ze na
een week
weer vrij.
De
voedseltransporten
werden
voorgezet,
ook met
schepen.
Volgens
IJpma vond
de eerste
wapendropping
in district
VI plaats in
de nacht
19/20
oktober op
Pankoeken
onder
Witmarsum,
op het land
van boer
Leijendekker.
Ook hier
werd de
ontvangstploeg
verrast door
de
hoeveelheid
en zwaarte
van de
containers,
die over een
vrij grote
afstand
vervoerd
moesten
worden naar
een praam in
de
Harlingervaart.
Het lukte
nog net voor
het licht
werd af te
varen, maar
besloten
werd de
volgende
dropping
dichter bij
de vaart te
doen plaats
vinden.
daardoor
liep er iets
mis; twee
containers
kwamen ver
buiten het
veld
terecht,
waarvan één
tenslotte
nog gevonden
werd in een
haag bij een
boer, maar
de tweede
zoek bleef.
Nu was in
het land een
veulen door
een
container
gedood en de
eigenaar gaf
dat aan bij
de politie.
Hoewel de
(NSB!)
burgemeester
nog
probeerde de
zaak te
sussen, was
de boer
onverzettelijk.
Toen de duitsers bij
hun
onderzoek de
ontbrekende
container
vonden was
het terrein
ongeschikt
geworden en
werden de
activiteiten
verplaatst
naar
Tjerkwerd.
Het is
aannemelijk
dat het
vinden van
de container
onder
Witmarsum de
aandacht van
de Duitse
contraspionage
des te
scherper op
de Kop van
de
Afsluitdijk
heeft
gevestigd.
In ieder
geval
besloot zij
een
zwaargewicht
verrader
daarheen af
te zenden om
uit te
zoeken wat
daar op
militair
gebied
precies aan
de hand was.
deze was
Matthijs
Adolf
Ridderhof,
koopman te
Amsterdam.
Al vroeg in
de oorlog
was hij
betrapt op
zwarte
handel in
goud en
diamanten en
in de cel
had dit
onguur
individu
zich
verkocht aan
de Duitse
contraspionage.
Zijn
grootste
'succes' is
geweest het
opsporen van
een
Nederlandse
zender naar
Londen,
waardoor het Engelandspiel
[Duitse
contraspionagedienst
krijgt twee
Engelse SOE
spionnen in
handen met
wie ze de
SOE lange
tijd om de
tuin leiden
waardoor
rond de
vijftig
Nederlandse
geheim
agenten
vermoord
worden - ab]
ontstond. De
gevolgen van
zijn
werkzaamheden
werden
slechts in
kleine kring
bekend en
door zijn
werkterrein
geregeld te
verleggen
naar
plaatsen
waar hij een
contactpersoon
had die hem
als illegale
werker
beschouwde,
kon hij
steeds
nieuwe
slachtoffers
maken. Als
de klap
viel, was
hij al
vertrokken.
Na een
bezoek aan
zo'n contact
in Groningen
kwam
Ridderhof in
Makkum al
spoedig
terecht bij
de fabriek
van Van den
Berg, met
zijn vele
onderduikers.
Daartoe
behoorde ook
J. Keman (of
Keeman) uit
Amsterdam,
die dubbel
kwetsbaar
was: als
officier en
omdat hij
getrouwd was
met en
Joodse
vrouw. Van
den Berg had
hem
aangesteld
als
procuratiehouder,
maar hij
bleef niet
lang in
Makkum
wonen. Keman
(Engelbert)
huurde een
landarbeiderswoning
bij Piaam en
besteedde
meer tijd
aan de NBS
dan aan het
bedrijf.
Ridderhof
kreeg al
spoedig het
vermoeden
dat hij een
belangrijk
contact
aangeboord
had. Maar
Keman gaf
zich niet
bloot.
Ridderhof,
'een dikke
pafferige
kerel met
een verlopen
gezicht',
gaf zijn
referentie
op, zwaaide
met het
pistool dat
hij altijd
bij zich
droeg,
praatte over
het vele
geld dat hij
bezat en
schepte op
over het
illegale
werk dat hij
verrichtte.
de
referentie
klopte;
Keman kreeg
een gustig
getuigschrift.
Toch
vertrouwde
hij de zaak
niet geheel
en gaf door
dat men
tegenover
Ridderhof,
of 'ome
Gerrit'
zoals hij
zich noemde,
moets
zwijgen over
alles wat
met de NBS
samenhing.
Bij de
bezoeken die Ridderhof
aan Makkum
bracht, liep
hij overal
tegen de
muur van
stilzwijgen,
zodat hij
tenslotte
begreep een
andere weg
te moeten
inslaan.
Daarom
verzocht hij
een
onderduikadres
te zoeken
voor een
'zware
jongen' uit
het
Groningse
verzet die
dringend
enige tijd
rust moest
hebben. Dat
kwam wel in
orde.
Vanzelfsprekend
was deze
onderduiker
een
handlanger
van
Ridderhof:
de 32-jarige
machinist
Jan Harm
Brouwer uit
Groningen.
Deze hoopte
met hulp van
de Duitsers
op de
maatschappelijke
ladder te
kunnen
stijgen,
hetgeen zijn
domheid
eerder had
belet. Moest
hij daarvoor
over lijken
gaan, dan
was dat voor
hem evenmin
als voor
Ridderhof
bezwaarlijk,
maar evenals
deze stootte
hij bij de
leiders op
een muur van
terughoudendheid.
Het enige
wat hij
gewaar werd
was een
aantal namen
en adressen
van NBS'erss
uit de
lagere
regionen,
die zelf ook
niet veel
wisten.
Ridderhof
besloot eind
februari
zelf nog
eens een
poging te
doen.
Hij
reisde naar Makkum en
verzocht om
een
onderhoud
met de
districts-operatieleider.
Deze was
echter ziek;
zijn
plaatsvervanger,
de
rechercheur
C. van Wijk
uit Sneek,
hoorde de
voorstellen
van
Ridderhof
aan. Deze
vertelde
door
omkoping in
het bezit te
zijn gekomen
van een
lijst van
Makkumers
die door de
Duitsers
verdacht
werden. Als
Van Wijk nu
een lijst
van leiders
van de NBS
overlegde,
zou hij de
namen met
elkaar
kunnen
vergelijken
en de
verdachten
kunnen
waarschuwen.
Bovendien
zouden de
Duitsers van
plan zijn
een razzia
te houden,
maar
Ridderhof
beloofde
tijdig te
zullen
waarschuwen,
vooral de
mensen die
op de lijst
stonden.
Onnodig dat
dit verzoek
'van ome
Gerrit'
beslist
afgewezen
werd, al kon
men
Ridderhof
concreet nog
geen
verraadplannen
verwijten.
En toen,
volkomen
onverwacht,
kreeg
Brouwer zijn
kans. Hij
hoorde dat
de NBS zich
ernstig
zorgen
maakte over
de
activiteit
van de
Zollkommandant
in Harlingen,
deze zou
verraders
gebruiken. 'Swarte
Jan' te Arum
was
gearresteerd
wegens
kolendiefstal
en de
politie had
op hem
verdachte
gegevens
gevonden,
waaronder
namen van
illegale
werkers.
Leden van de
sabotageploeg
hadden hem
voor zijn
huis
neergeschoten,
maar het
vermoeden
bestond dat
de Zoll meer
van
dergelijke
individuen
gebruikte.
Kon de
commandant
niet
uitgeschakeld
worden?
Brouwer bood
aan dat
karweitje op
te knappen:
in Groningen
had hij
zoiets ook
wel gedaan.
Er was
aarzeling
dit aanbod
te
aanvaarden,
maar Brouwer
nam op zich
dit
geruisloos
te doen. Nog
waren er
bedenkingen,
maar omdat
men
zogenaamd om
wapens
verlegen
zat, ging
men met hem
in zee op
voorwaarde
dat hij het
pistool, de
koppelriem
en de pet
van het
slachtoffer
zou
meebrengen.
Onnodig te
zeggen dat
Brouwer zich
met zijn
superieuren
te Groningen
in
verbinding
stelde. De
commandant
van
Harlingen
kreeg
opdracht
geruisloos
te
verdwijnen
en de
gevraagde
bewijsstukken
af te geven.
Zelfs zijn
soldaten,
die wisten
dat hun
commandant
geregeld
dronken was,
namen aan
dat hij in
de haven was
gevallen en
verdronken
was. Het
tekent de
leiding van
de NBS in
deze streek
dat men
desondanks
uitermate
gereserveerd
bleef
tegenover
Brouwer,
maar bij de
jongere
leden was
deze nu een
veelbesproken
figuur. Kort
na zijn
'heldendaad'
verdween
Brouwer een
tijdje van
het toneel.
Hij wist nog
steeds te
weinig van
de
wapenopslagplaatsen,
al had hij
van horen en
zeggen wel
het een en
ander
opgestoken.
Die wapens
waren over
verschillende
dorpen
verspreid,
deels ook
naar andere
districten
gebracht.
In Makkum had
men ze eerst
naar de
fabriek van
Van den Berg
willen
brengen,
maar bij
nader inzien
besloot
Feike W. de
Boer ze te
verbergen op
de zolder
van een
garage, die
behoorde aan
bakker
Zondervan,
maar
verhuurd was
geweest aan
Willem de
Boer en
vanuit diens
pand te
bereiken was
- zonder dat
de beide
mannen
daarvan
wisten.
Inmiddels
kwam er een
Duitse
bezetting (Wehrmacht)
te Makkum.
Het gaf een
schok toen
men hoorde
dat deze de
garage in
gebruik
wilde nemen;
de wapens
moesten
onmiddelijk
overgebracht
worden. Boer
Jan
Werkhoven
reed met
paard en
wagen de
garage
binnen,
Feike de
Boer en
sabotageleider
Hobbes
Dijkstra
laadden de
gevaarlijke
spullen op
de wagen,
geholpen
door bakker
Zondervan,
die geen
enkele vraag
stelde.
Werkhoven
reed weg met
Feike en Hobbes (Bob)
achterop.
Onderweg
passeerden
zij de
Ortskommandant
die hen
scherp
opnam, maar
niets deed.
Nu werden de
wapens
opgeslagen
in een
schuurtje in
het weiland.
Op 27 maart
werd Makkum
onderworpen
aan een
grote razzia
grotendeels
uitgevoerd
door de
Wehrmacht.
Er werd
minder naar
onderduikers
dan naar
wapens
gezocht,
maar ze
werden niet
gevonden.
Achteraf
viel het wel
op dat
vooral
gezocht was
op plaatsen
waar wapens
verborgen
waren
geweest,
maar op dat
moment had
men er
nauwelijks
erg in. Ook
bracht men
de razzia
niet in
verband met
de
verdwijning
van Brouwer,
een dag of
wat eerder.
Een week
later kwam
deze,
kennelijk op
Duits bevel,
weer terug
en verzocht
toen
commandant
van een
gevechtsgroep
te mogen
worden. Van
Wijk
arrangeerde
een afspraak
met hem,
maar verborg
zich in een
ander huis
om Brouwers
komst af te
wachten.
Maar deze
verscheen
niet; hij
was bang
geworden en
naar
Groningen
gegaan om
verslag uit
te brengen.
Om 3 uur in
de morgen
van 7 april
kwam de
bloeddorstige
bende van de
SD uit
Groningen,
onder
aanvoering
van de
beruchte
Lehnhoff,
bij de SD te
Sneek, waar
Ströbel
opdracht
kreeg om al
zijn
beschikbare
manschappen,
de
Grenzschutz-soldaten
en de
landwachters
uit hun bed
te halen
voor een
grote Aktion
te Makkum.
Het vroege
uur en het
besef dat
het nu ook
om hun eigen
aftochtslijn
ging zal wel
de
hoofdverklaring
zijn voor de
ongewone
wreedheid
waarmee ze
optraden.
Ströbel
voegde het
weinige dat
hij wist
over Makkum
bij hetgeen
Lehnhoff te
weten was
gekomen en
met groot
vertoon van
macht trok
de bende
naar
Wonseradeel.
Ströbel
deelde de
patrouilles
in en gaf de
briefjes af
met de
adressen van
mannen die
gearresteerd
moesten
worden. Hij
gaf de
uitdrukkelijke
opdracht ze
allemaal
levend te
vangen,
omdat ze
verhoord
moesten
worden over
de
wapenopslagplaats(en).
Er moest
rekening
worden
gehouden met
gewapende
tegenstand;
waarschijnlijk
was de
mareschausseekazerne
het centrum
van de NBS
en daarom
moest die in
de
tirailleurslinie
worden
omsingeld en
ingenomen.
Vervolgens
moesten alle
gevangenen
daar
heengebracht
worden.
Besloten
werd eerst
Keman te
arresteren,
omdat diens
'schuld' wel
vaststond.
Ridderhof
had niet
alleen
verteld wat
hij wist uit
Makkum, maar
ook dat
Keman in
contact
stond met de
koopvaardijkapitein
J. Bottema
uit
Zoutkamp,
die onder de
schuilnaam
Brandy voor
de Engelse
geheime
dienst
werkte en in
Makkum
ondergedoken
was geweest.
Maar toen ze
bij het huis
te Piaam
kwamen, was
de vogel
gevlogen;
Keman had
juist op
tijd een
andere
woning
betrokken.
Dit
oponthoud
gaf een
verzetsman,
Nammen
Buwalda, uit
Piaam, de
tijd om snel
naar Makkum
te gaan om
R. P. de
Boer te
waarschuwen.
Deze was om
half zes al
in de winkel
bezig en
waarschuwde
zijn
vrienden.
Voor
sommigen
kwam dat nog
op tijd; zo
kon
Tichelaar
nog ontkomen
naar
Kornwerd.
Voor anderen
was het te
laat.
De vijand
was met
grote vaart
naar Makkum
gereden. De
marechausseekazerne
bleek leeg.
R. P. de
Boer begreep
dat het ook
zijn tijd
werd, toen
hij zijn
vriend
Tijmen van
den Berg zag
wegvoeren.
Hij fietste
als een
oudere
koopman, die
zijn klanten
moest
bedienen,
door de
afzetting.
Onderweg
kwam hij
Keman tegen,
die nog van
niks wist en
ogenblikkelijk
rechtsomkeert
maakte. Kort
daarna was
de hele staf
van gemeente
en district
gewaarschuwd.
Feike W. de
Boer zou
juist op de
fiets er op
uit, maar
kreeg een
lekke band.
Bij de
rijwielhandelaar
vertelde een
jongen hem
dat de
Duitsers
juist zijn
huis waren
binnengedrongen
en alles
overhoop
haalden.
Verraad van
Brouwer,
flitste het
door hem
heen, omdat
een
gedienstige
onderduiker
deze eens
voor
papieren
naar hem toe
had
gebracht.
Hij vluchtte
naar de
christelijke
school en
bracht daar
de hele dag
op zolder
door.
Tijdens de
huiszoeking
in de
fabriek
werden een
paar
handgranaten
en een
machinepistool
gevonden.
Tijmen van
den Berg
wist eerlijk
niet dat die
daar
verborgen
waren en
vertelde dat
ook tegen de
Duitsers,
die hem
natuurlijk
niet
geloofden.
'Had ik die
wapens hier
verstopt,
dan hadden
jullie die
niet
gevonden',
zei hij,
'net zo min
als het
radiotoestel
dat wel met
mijn
toestemming
is
opgeborgen'.
Hij moest de
schuilplaats
daarvan
aanwijzen en
zijn
bereidwilligheid
bracht de
Duitsers aan
het
twijfelen
omtrent zijn
schuld en
dit redde
zijn leven.
Wellicht
speelde
daarbij ook
mee, dat ze
Keman
aanzagen
voor de
belangrijkste
man in de
NBS.
Helaas kende
Brouwer een
aantal namen
en adressen
heel zeker.
In Makkum
had hij
onderdak
gevonden bij
Johannes
Adema, vader
van een
groot gezin
en een adres
waar vele
onderduikers
verbleven of
samenkwamen.
De vader,
zijn zoon
Sjoerd en de
onderduiker
J. P. Keller
(Koos)
werden
gearresteerd.
Waarschijnlijk
hebben de
jongeren
Brouwer wel
vertrouwd en
namen en
adressen
genoemd van
jonge mannen
die ook tot
de NBS
behoorden.
Voorzover
grijpbaar
werden allen
gevangen
genomen,
zelfs al
wist de
verrader
niet
concreets
over hen mee
te delen,
zoals van de
doopsgezinde
predikant A.
H. van
Drooge, die
alleen
onderduikers
hielp. Soms
wist Brouwer
het ook niet
goed. Zo
noemde hij
een arts,
die de
NBS'erss een
cursus EHBO
gaf. Dat was
dokter J. D.
Sibie, maar
Brouwer wist
niet dat er
twee artsen
in Makkum
woonden. De
Duitsers
overvielen
het huis van
de huis- en
tandarts F.
N. Bogtstra,
die hen in
pyjama zag
aankomen.
Snel dook
hij in een
schuilplaats
en hoewel
die geopend,
doorgelicht
en opgemeten
werd, vonden
ze hem niet.
Na het
vertrek van
de barbaren
wist hij
ongezien een
boerderij te
bereiken,
van waaruit
hij het
vervolg kon
afwachten.
tegen de
middag
kwamen de SD'ers
terug,
haalden het
hele huis
overhoop en
stalen als
eksters.
Bijzonder
van pas kwam
de sterke
drank die
snel door de
kelen werd
gegoten; ook
werd het
geweckte
varkensvlees
verorberd.
Toen de
rovers het
belangrijkste
bij elkaar
hadden
gestolen,
sloegen ze
vrouw en
kinderen van
Bogtstra het
huis uit,
overgoten
dat met
benzine en
staken het
in brand.
Bogtstra kon
duidelijk
zien wat er
gebeurde,
woedend,
maar
machteloos.
Doch luttele
uren later
zou hij aan
eigen
materieel
verlies
nauwelijks
meer denken.
Toen hij
hoorde wat
zich in en
bij de
kazerne had
afgespeeld.
Daar waren
de (meest
jonge)
mensen
samengebracht,
wier namen
Brouwer had
doorgegeven.
Sommigen
hadden
belastende
verklaringen
tegenover
hem geuit,
van andere
had de
verrader
alleen maar
vermoedens.
Dat kwam er
niet op aan:
Mee! In de
marechausseekazerne
[ligt op het
terrein van
David Visser
aan de Ds.
L.
Touwenlaan -
ab] zouden
ze het wel
uitzoeken.
Wat zich
daar toen
afgespeeld
heeft is
onbeschrijfelijk.
Voor
overlevenden
was het
later een
nachtmerrie.
De Duitsers
gingen als
beesten
tekeer - en
dan moeten
we ons
verontschuldigen
tegenover
echte
beesten.
Het
was 7 april.
De
geallieerden
rukten snel
op naar het
noorden; de
vorige dag
was Zuid-Drenthe
al bereikt.
De Duitsers
zagen hun
noordelijkste
oost-west
verbinding
bedreigd en
op het
kritieke
punt Kop
Afsluitdijk
stonden
vrijwilligers
klaar van de
NBS om
gewapenderhand
hun de voet
dwars te
zetten. Ze
vingen
mensen, maar
waar waren
de wapens?
Dat moest
uit de
gevangenen
geslagen
worden en
snel! Vooral
zij die er
over
gesproken
hadden met
de verrader
moesten het
ontgelden,
maar ook de
anderen
werden niet
gespaard.
verscheidene
beulen waren
heel of half
dronken en
leefden hun
sadisme met
wellust uit.
Overlevenden
vertelden
later dat
sommige
slachtoffers
er
ontoonbaar
uitzagen,
met
onherkenbare
gezichten en
inwendige
kneuzingen.
Geen wonder
dat
tenslotte
enigen van
hen door de
mand vielen
en namen en
adressen
begonnen te
noemen.
In deze
sfeer werd
ook de
plaats
genoemd waar
de wapens
waren
opgeslagen:
in een
schuurtje in
het weiland.
Onmiddellijk
werd een
patrouille
uitgezonden,
die het na
lang zoeken
gelukte het
schuurtje te
vinden. De
wapens
werden naar
Makkum
meegenomen.
Voorzover
ons bekend
werden er
geen nieuwe
namen uit
Makkum
genoemd,
maar wel van
NBS'erss uit
de
buitendorpen,
waarschijnlijk
door
koeriers.
Ook daarheen
werden
meteen
patrouilles
uitgezonden.
In
Idsegahuizen
vingen ze
bot. Daar
was het
begonnen om
H. Schrale,
al lang lid
van de OD,
die zijn
boerderij
beschikbaar
had gesteld
voor
wapeninstructie
door de
Vlaming
Groenewoud;
gelukkig
wist hij
door de
landerijen
te ontkomen
aan een
welhaast
zekere dood.
In Gaast
vonden ze
onderwijzer
Bruggenkamp
wel thuis,
de wapens
die hij
verondersteld
werd te
hebben
opgeslagen
werden niet
gevonden.
Bruggenkamp
verklaarde
dat zijn
verdacht
zijn een
uitvloeisel
was van
kinderpraat:
schoolkinderen
hadden
enkele
patronen
gevonden en
aan hem
overhandigd,
maar hij had
het spul
meteen in
een vaart
gegooid.
Toch werd
ook hij
meegenomen,
evenals zijn
plaatsgenoot Yde de Boer.
Ernstige
gevolgen had
het noemen
van de naam
Fetse
Elgersma te
Schraard. De
Elgersma's
waren
verzetters
van het
eerste uur
en bereid
tot grote
risico's. De
gevangen
onderduiker
H. L. Th.
Lemson,
twintig jaar
oud, moest
mee om de
boerderij
aan te
wijzen. Daar
werden twee
stens
gevonden;
Elgersma en
de
onderduiker
Hermanus
Falkena
werden
gearresteeerd.
Jan Emmens,
een anders
NBS'ers, zou
juist op de
fiets
vertrekken
toen ze hem
aanhielden.
Hij
vertoonde
zijn vals PB
en
verklaarde
evacué te
zijn. Een
tijd lang
hebben de
Duitsers dit
geloofd,
maar hij
kwam niet
vrij.
Intussen
ging het
beulswerk in
de kazerne
door.
Naarmate er
meer
gedronken
werd, nam de
wreedheid
toe, maar
tenslotte
moest wel
aangenomen
worden dat
hetgeen er
uitgeslagen
was, vrijwel
alles was
wat de SD
weten wilde.
Door de
wapenvondst
was de
verzetshaard
Makkum
uitgeschakeld
en de
verbinding
met Holland
gewaarborgd.
Wat nog
restte was
wraak.
Lehnhoff,
die al bijna
dronken was,
besloot snel
'recht' te
doen en
gelastte een
executie
voor te
bereiden.
Ondanks het
feit dat
sommigen van
zijn
ondergeschikten
(volgens één
verklaring
ook de
verrader
Brouwer)
aandrongen
op matiging,
bepaalde hij
dat zes man
hun verzet
met hun
leven
moesten
betalen.
Alle
gevangenen
was het aan
te zien, dat
zij zwaar
mishandeld
waren, maar
zij die
kennelijk
het zwaarst
geleden
hadden,
werden door Lehnhoff
aangewezen
en apart
gezet. Met
veel haast
werd een
vuurpeleton
gevormd,
waarvan
sommige
leden
helemaal
dronken
waren. De
zes
slachtoffers
stonden nog
niet eens op
hun
aangewezen
plaatsen,
toen Ströbel
al
commandeerde:
Vuur! Het
gevolg was
afschuwelijk;
de meeste
getroffene
waren niet
meteen dood,
doch in de
buik en
borst
getroffen
wentelden
zij zich in
doodsstrijd
over de
grond.
Daarop
werden ze
met
pistoolschoten
afgemaakt.
De
slachtoffers
waren:
Sjoerd Adema,
25 jaar;
Hobbes
Dijkstra,
21 jaar;
Fetse
Elgersma,
bijna 45
jaar;
Hermanus
Falkena, 24
jaar;
Jacobus P.
Keller, 23
jaar;
Hendrik L.
Th. Lemson,
19 jaar.
En toen
moest hun
wraak ook
nog gekoeld
worden op
dood goed.
De helden
waren nog
niet
vergeten dat
zij in de
ogen van de
Makkumers
een figuur
hadden
geslagen
doordat ze
met uiterste
voorzichtigheid
en groot
vertoon van
macht de
marechausseekazerne
die leeg
bleek te
zijn hadden
beslopen en
bestormd.
Daarin was
een vat
benzine
gevonden,
dat nu
uitgegoten
werd over de
brandbaarste
plaatsen.
Toen werd er
een lucifer
ingegooid en
van het
gebouw bleef
slechts een
puinhoop
over.
Daarop
trokken de
helden zich
terug, een
dorp in rouw
achterlatend.
Uiteraard
namen ze de
gevonden
wapens mee.
Maar ook
alle
gevangenen
werden
ingeladen en
naar Sneek
vervoerd. De
bevrijding
was
aanstaande.
Zouden zij
die nog alle
levend
halen?
Helaas...
R. P. de
Boer wilde
er wat aan
doen. Een
filiaalhouder
te Staveren
was
indertijd
opgejaagd en
De Boer had
er orde op
zaken moeten
stellen. De
Ortskommandant
daar had hem
voor een
onschuldige
oude koopman
aangezien en
hem
tegemoetkomend
behandeld.
Zou die? De
Boer ging er
heen en de
vijand
beloofde er
wat aan te
zullen doen.
Zondag 10
april kwam
zijn zoon
Pier vrij.
In de loop
van de week
volgden er
meer: op 13
april kwamen
er nog twee
vrij en toen
zat alleen
jan Emmens
nog
gevangen,
terwijl
Ströbel c.s.
zich klaar
maakten voor
de vlucht.
Emmens werd
als het
zwaarste
geval
beschouwd.
Toen zijn
schuilnaam
bekend werd
bleek die
ook voor te
komen op de
papieren van
kapitein
Pander. Er
schijnt nog
wel over
zijn lot
onderhandeld
te zijn:
voor
vrijlating
was zijn
vergrijp te
zwaar; hem
laten zitten
bij het
vertrek werd
eveneens
verworpen;
dan moest
hij maar
mee. Zo
althans
stelden de SD'ers het
voor hun
eerste
verhoor,
maar de
mannen van
de Politieke
Opsporingsdienst
(POD)
geloofden
dit simpele
verhaal
niet. Al
spoedig
bleek toen
dat de
SD'ers
precies
wisten wat
de bedoeling
van hun
commandant
was: Emmens
moest
vermoord
worden, niet
in Sneek
maar
onderweg.
Emmens kwam
in de wagen
van de
Duitsers
Walter
Michels en
Richard Paul
Unger met de
Nederlandse
SD-er
Grootjans.
Het was de
bedoeling in
colonne naar
Holland te
rijden, maar
bij de
Afsluitdijk
moest Emmens
weer aan
Ströbel
overgeleverd
worden. Toen
wist ik al
dat Emmens
doodgeschoten
zou worden,
aldus
Michels.
Maar door
het drukke
verkeer
raakte de
colonne uit
elkaar. Bij
de
Afsluitdijk
werd nog een
tijd op
Ströbel
gewacht,
maar
tenslotte
werd
doorgereden.
In Noord
Holland
aangekomen
namen de
SD'ers de
tijd om een
plasje te
doen. Emmens
kreeg daar
ook
toestemming
voor en de
handboeien
werden
afgedaan.
Terwijl
Emmens stond
te wateren
schoot
Grootjans en
Emmens viel
voorover,
waarschijnlijk
meteen dood.
de volgende
dag werd
zijn lichaam
in een
kanaal bij
Anna
Paulowna
gevonden.
Hij is 28
jaar oud
geworden en
liet een
vrouw en een
kind na.
Onmiddellijk
na de
bevrijding
van hun dorp
op 18 april
kwamen de
Makkumers in
het geweer
om de
verraders op
te sporen.
Brouwer had
zich bij de
overval als
landwachter
verkleed en
een bril
opgezet. Hij
was door
meer dan één
herkend;
doch men
wist geen
adres,
alleen dat
hij uit de
stad
Groningen
kwam en dat
daar het
onderzoek
moest
beginnen.
Velen hadden
weinig
vertrouwen
dat hij daar
aanwezig zou
zijn, maar
de vier
mannen die
er heen
trokken
hadden
geluk:
Brouwer was
al als
NSB-er
gearresteerd
en toen de
Makkumers
uitlegden
wat hij had
uitgespookt,
mochten ze
hem meteen
meenemen.
Uiteraard
kon hij niet
ontkennen,
alleen zijn
handelswijze
zo
onschuldig
mogelijk
voorstellen.
Er waren
aanwijzingen
dat hij voor
het verraad
500 gulden
had
ontvangen,
maar dat
bleef hij
tegen
spreken;
waarom hij
het dan wel
gedaan had,
werd zelfs
voor de
rechters,
die hem tot
levenslang
veroordeelden,
niet
duidelijk.
Bij zijn
verhoor had
Brouwer een
belangrijk
feit
losgelaten:
het adres
waarop hij
Ridderhof te
Amsterdam
kon
bereiken.
Nauwelijks
was het
Westen
bevrijd of
Van Wijk en
Keman
trokken met
een pas van
de Canadezen
naar het
opgegeven
adres. Daar
stond
inderdaad
Ridderhof op
de deur en
een vrouw
riep door
het raam wat
er aan de
hand was.
De
beide jagers
stoven de
trap op, het
pistool in
de vuist,
maat het
bleek dat de
vrouw een
zuster van
Matthijs
was, die
daar woonde
met haar
moeder.
Angstig
vroegen de
vrouwen of
de mannen
wel 'goed'
waren, want
Matthijs was
een paar
dagen eerder
weg gegaan
uit vrees
voor
communisten,
die hem wel
eens konden
vermoorden.
Toen de
zuster het
nieuwe adres
opgegeven
had,
vertelden de
mannen haar
waarom
Matthijs
gezocht
werd, wat
haar
zichtbaar
verbijsterde.
Bij het
nieuwe adres
aangekomen
vertelde een
kruidenier
dat daar
juist een
'dikke
kerel' was
gearresteerd;
dat moest
Ridderhof
zijn,
dachten de
mannen, maar
onder de
gevangenen
bleek hij
niet
aanwezig.
Toen terug;
ze moesten
drie hoog
zijn,
vertelden de
buren, daar
woonde een
NBS'ers die
altijd om
zes uur
thuis kwam,
maar van
gasten
hadden ze
nooit iets
vernomen.
Toen de man
thuiskwam,
in een
overal met
NBS-armband,
kreeg hij de
opdracht de
deur te
openen en
zich meteen
weer op de
gang terug
te trekken.
Van Wijk en
Keman,
pistool in
de hand,
stoven naar
binnen en...
daar stond
Ridderhof in
de verste
hoek.
Handen
omhoog,
schreeuwde
Van Wijk,
maar aan dit
bevel werd
niet
voldaan.
Langzaam
liep 'Ome
Gerrit' in
zijn
richting.
Van Wijk nam
geen risico
en schoot
hem in de
borst. Toen
hij over de
vloer lag
had Ridderhof
nog de
brutaliteit
te zeggen: '
Moet dat nu
zo Herman?
Ik heb toch
niets
gedaan.' Hij
voegde er
nog vele
smoesjes aan
toe, maar
zei
uiteindelijk:
'Ja, ik
moest'. Toen
werd hij
naar het
ziekenhuis
gebracht,
waar hij
veertien
dagen
verbleef en
toen naar de
gevangenis
overgebracht
werd.
Bij het
verhoor door
de
Nederlanders
en de
Engelsen
gezamenlijk
kwam zijn
schuld
onomstotelijk
vast te
staan. Zijn
verraad was
begonnen in
1941, toen
hij gevangen
zat. Hij
werd
vrijgelaten
om voor de
Duitsers te
werken. Bij
de
illegaliteit
wist hij
vertrouwen
te wekken.
Zijn
belangrijkste
verraad was,
toen hij zei
waar de
Nederlandse
ontvangstorganisatie
agenten en
sabotagemateriaal
uit de lucht
verwachtte.
Zijn verhaal
klonk zo
ongeloofwaardig
dat Giskes
zei: ' Gehen
Sie zum
Nordpol mit
solchen
Geschichten'.
Vandaar de
naam '
Nordpolspiel':
het
Engelandspel.
Vergeleken
met de
daarbij
gemaakte
slachtoffers
waren die te
Makkum
slechts een
toegift.
Het
bijzonder
gerechtshof
veroordeelde
deze
kwabbige
vetzak tot
de dood. Het
vonnis aan
de toen
51-jarige
werd op 1
maart 1947
voltrokken.
P Wijbenga -
Bezettingstijd
in Friesland
(dl 3 -
hfdstk 94)

Jan Dijkstra,
(medefirmant van Dijkstra's kleiwaren-fabriek) geboren op 2 december 1919
te Sneek, overleden op 09-04-1945 te Sneek.
De Sneker sabotagegroep van de NBS, waar Dijkstra lid
van was, was op 9 april 1945 bijeen. Toen de mannen
de vergaderplaats aan de Oppenhuizerweg bij de
Houkesloot verlieten, ontdekten ze enkele leden van
de Grüne Polizei. De verzetsmannen vluchtten. Toen
Jan Dijkstra en Jan Willem van der Kouwe in een
roeiboot sprongen, werd het vuur op hen geopend. Het
tweetal liet zich overboord vallen en zwom naar de
overkant van de sloot. Toen Van der Kouwe uit het
water kroop, werd hij in zijn rug getroffen door een
kogel. Hij bleef gewond op de wal liggen. Dijkstra
zocht dekking achter de polderdijk. Toen het stil
bleef, kroop hij naar zijn vriend. Inmiddels had de
schildwacht opdracht gekregen om Dijkstra neer te
schieten. De schildwacht weigerde, waarop een lid
van de Grüne Polizei het geweer pakte en Dijkstra
door zijn longen schoot. Hij stierf ter plaatse en
werd begraven op de Algemene begraafplaats in Sneek.
Van der Kouwe werd jarenlang verpleegd, maar is
nooit geheel hersteld.
|