Friese Verzetsstrijders - bevrijders en andere betrokkenen.

 

A | B | C | D | E | F | G | H | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | V | W | IJ | Z |

 

 

Frans Dalstra, (transportarbeider) geboren op 13 april 1902 te Surhuisterveen, overleden op 15-07-1942 te Gross Rosen.

Van de wederwaardigheden van het Noorderlicht in Friesland is het volgende bekend: Voor de verspreiding het Noorderlicht in Friesland werden drie groepen gevormd. De eerste bestond uit Martin Beuving, bouwvakker en gemeenteraadslid in Leeuwarden voor de CPN; Jan Weistra, 25 jaar, CPN-er en loodgieter uit Leeuwarden; Dirk Faber, 41 jaar, christelijk en timmerman uit Leeuwarden, Fedde de Groot uit Leeuwarden, 20 jaar en lid van de Nederlands Jeugdfederatie; Corrie van der Meulen uit Leeuwarden, 20 jaar en lid van de Nederlandse Jeugdfederatie; Eds van der Heide, 32 jaar, monteur uit Leeuwarden, partijloos, en zijn vrouw Klaaske, lid van de CPN.

Een twee verspreidingsgroep bestond uit Jacob de Wacht, 42 jaar, bouwvakker en CPN-er uit Leeuwarden; Foppe Schipof, 42 jaar, vrijbuiter en negotieverkoper uit Leeuwarden; Harry Tulp, 32 jaar, lid van de CPN en vertegenwoordiger; Jacob de Rook, 51 jaar, visroker uit Lemmer en lid van de CPN.

Tot de derde groep, de zogenaamde Houtigehagegroep, behoorden Frans Dalstra uit Surhuisterveen, 39 jaar, transportarbeider en lid van de CPN; Piet Keverkamp, 33 jaar, kapper in Houtigehage, katholiek (die bij zijn arrestatie in 1941 tegen zijn vrouw zei: “Nee ik hoef mijn jas niet aan, ik ben zo terug.”); Siebe Bos, 32 jaar, voerman en lid van de CPN.

Toen de Noorderlichtgroep in Groningen in februari 1941 werd opgerold werd het Noorderlicht op 5 maart 1941 voor de eerste en laatste maal in Leeuwarden gemaakt in de Insulindestraat bij Eds en Klaaske van der Heide en van daaruit verspreid. Kort daarna werden vrijwel alle medewerkers gearresteerd.

In Groningen werden ongeveer 55 mensen van de Noorderlichtgroepen gearresteerd en naar concentratiekampen gevoerd. Slechts een klein deel daarvan heeft het er levend van afgebracht.


Sijbrandus van Dam, (broodbezorger) geboren op 18 december 1915 te Huizem , overleden op 11-04-1945 te Dronrijp.

SD uit Leeuwarden fusilleert bij de brug te Dronrijp 14 gevangenen:

Johannes Nieuwland, Hendrik Jozef Spoelstra, Douwe Tuinstra, de drie broers Egbert Mark Wierda, Klaas Jan Wypcke Wierda en Hyltje Wierda, Sijbrandus van Dam, Heinrich Harder, Dirk de Jong, Hendrik Jan de Jong, Ruurd Kooistra, Johannes Marinus Ducaneaux en Oudger van Dijk. De beide laatste worden wegens (vermeende) banden met de bezetters niet herdacht op het monument bij de brug. Gerard de Jong overleefde de executie.

In de avond van 9 april 1945, aan de vooravond van de bevrijding, kreeg de afdeling Leeuwarden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten het bevel over te gaan tot algemene sabotage. 'Sabotage op weg, rail en water', zo luidde de order van het hoofdkwartier van de NBS in Friesland. De bezetter mocht niet de gelegenheid krijgen naar Duitsland te ontkomen. Het resultaat van de sabotage was onder andere het uitschakelen van de spoorlijnen Leeuwarden-Franeker en Leeuwarden-Buitenpost. De gevechtsgroep Franeker draaide over een afstand van 75 meter alle schroeven uit de rails. Een dag later ontspoorde een Wehrmachtslocomotief met 26 wagens.


De Sicherheitsdienst uit Groningen gelastte dat bij Dronrijp als represaille op 11 april twintig man doodgeschoten moest worden. De geheime luisterpost van de NBS in Leeuwarden ving dit bericht op en de verzetsgroepen kregen opdracht zich onmiddellijk naar de sabotageplaats te begeven om hun vrienden te ontzetten. De groep Dronrijp nam posities in bij de spoorlijn, omdat men dacht dat de gevangenen per trein naar het dorp zouden komen. Dit gebeurde echter niet. Veertien gevangenen uit het Burmaniahuis in Leeuwarden werden in wagens naar Dronrijp vervoerd. Op het moment dat zij in het dorp aankwamen, vlogen er juist een aantal Britse jagers boven Dronrijp. Uit angst voor de vliegtuigen besloot de bezetter de fusillade ter plaatse uit te voeren. Bovendien was de brug over het Van Harinxmakanaal opgehaald, waardoor zij de spoorlijn niet konden bereiken.


In drie groepen werden de slachtoffers naar de voet van de dijk bij het kanaal gebracht. Nadat driemaal een salvo had geklonken, lagen er dertien stoffelijke overschotten in het gras die een etmaal moesten blijven liggen. Eén van de mannen, Gerard de Jong uit Leeuwarden, overleefde de executie door zich 'dood' te houden. De gewonde verzetsman werd nadat de bezetter vertrokken was, in veiligheid gebracht.


Ynze Dikkerboom, (Opzichter wegen) geboren op 10 augustus 1914 te Oudehaske, overleden In de nacht van 13 op 14 oktober 1944 te Harfsen..

Ynze Dikkerboom was leider van de knokploeg Harfsen-Gorssel. Dikkerboom was zoon van een Friese aannemer en was in het begin van de oorlog opgeroepen om voor de Duitsers te gaan werken. Hij negeerde alle oproepen, maar werd in 1942 opgepakt en naar Duitsland gebracht. Hij wist de Duitsers wijs te maken dat hij voor zijn vaders bedrijf een aantal zaken moest regelen en kreeg een week verlof. Na een week bij zijn ouders te hebben doorgebracht, vertrok Dikkerboom echter niet naar Duitsland, maar nam hij de trein naar Zutphen, waar zijn zuster Sytske woonde. Op 10 februari 1943 kwam Ynze terecht op de boerderij van de familie Koeslag in Harfsen.

Hier werkte hij als boerenknecht en raakte betrokken bij het verzetswerk. "Kleine" Oorlogstragedies: Het Hol als laatste rustplaats' in: Deventer Dagblad 4 mei 2002 "Het Hol" - Een oorlogsgraf in Harfsen (door René ten Dam). In de Tweede Wereldoorlog zijn honderden, misschien wel duizenden mensen om het leven gebracht op verlaten plekken in bossen of duinen. Soms kregen deze mensen vervolgens een laatste rustplaats op een plaatselijke begraafplaats, maar veelal werden ze ter plekke begraven. Na de oorlog kregen ze vaak alsnog, na een fatsoenlijke en eervolle herbegrafenis, een graf op een begraafplaats. Het gemeenschappelijke graf van Ynze Dikkerboom en (Chris)Tine van Heesch in het bos bij Harfsen is een uitzondering. Het monument op het graf.

In de oorlogsjaren verbleven veel onderduikers in de omgeving van het landelijk gelegen Harfsen, niet ver van Deventer en Zutphen. Alleen al op de boerderij van de familie Slagman bevonden zich soms meer dan veertig onderduikers. Sommigen van hen waren betrokken bij de lokale verzetsgroep Laren-Noord. Ynze Dikkerboom was leider van de knokploeg Harfsen-Gorssel. Dikkerboom was zoon van een Friese aannemer en was in het begin van de oorlog opgeroepen om voor de Duitsers te gaan werken. Hij negeerde alle oproepen, maar werd in 1942 opgepakt en naar Duitsland gebracht.

Hij wist de Duitsers wijs te maken dat hij voor zijn vaders bedrijf een aantal zaken moest regelen en kreeg een week verlof. Na een week bij zijn ouders te hebben doorgebracht, vertrok Dikkerboom echter niet naar Duitsland, maar nam hij de trein naar Zutphen, waar zijn zuster Sytske woonde. Op 10 februari 1943 kwam Ynze terecht op de boerderij van de familie Koeslag in Harfsen. Hier werkte hij als boerenknecht en raakte betrokken bij het verzetswerk. Niet veel later ontmoette Dikkerboom Appie Nauta, eveneens afkomstig uit Friesland. Met hem raakte hij meer en meer betrokken bij het verzetswerk, van het in veiligheid brengen van piloten tot het repareren van radio's en het uitzoeken van terreinen voor wapendroppings. Overdag verbleven de beide mannen bij de familie Wilgenhof van boerderij Achterkamp, 's avonds verbleven ze in een ondergrondse schuilhut, "Het Hol" genaamd.

Deze hut was verscholen in het bos en gemaakt met delen van een werkkeet en een kippenhok en bood onderdak aan maximaal zeven mensen. Op de grond van de hut lag stro. In de nacht van 13 op 14 oktober 1944 vertrokken zo'n zestig SD'ers, SS'ers en landwachters vanuit Deventer naar Harfsen om onderduikers op te pakken.

Als eerste vielen ze de boerderij van Slagman binnen, waar zich op dat moment een groot aantal onderduikers bevond. De boerderij werd omsingeld, leeggeroofd en in brand gestoken. Gerrit Slagman werd met tal van onderduikers gearresteerd en weggevoerd. In de tussentijd wist Tine van Heesch, koerierster en vriendin van Ynze Dikkerboom, "Het Hol" te bereiken om daar Ynze Dikkerboom en Appie Nauta te waarschuwen voor de op handen zijnde overval. Nauta vluchtte direct na aankomst van Tine van Heesch en wist zo te ontkomen aan de Duitsers.

Dikkerboom was echter overtuigd dat de Duitsers "Het Hol" niet zouden weten te vinden en trok zich, samen met Tine van Heesch, terug in het derde, geheime, compartiment. Hier hadden ze hun belangrijkste spullen en geheime documenten verborgen. Na enig speurwerk wisten de Duitsers uiteindelijk de ingang van "Het Hol" te traceren, gingen naar binnen, maar vonden niet het derde compartiment. De twee onderduikers leken gered, maar voordat de Duitsers weggingen, wierpen deze nog enkele handgranaten in de ondergrondse schuilplaats. Hierdoor en door ontploffende munitie zijn Ynze en Tine waarschijnlijk om het leven gekomen. Er ontstond een hevige brand en een deel van de schuilplaats stortte in.

Nadat de Duitsers waren verdwenen, werd de plek nog bezocht door mensen uit het verzet. Wat ze nog konden vinden, namen ze mee, daarna werd de kuil dichtgegooid met aarde. Eind april 1945 zijn de lichamen herbegraven. Op 13 oktober 1945 werd de grafsteen onthuld.

 

Grafmonument Ynze Dikkerboom en Tine van Heesch.

Op de plaats van dit graf was tijdens de tweede wereldoorlog een schuilplaats voor onderduikers. Er was plaats voor 7 mensen. Ynze was de leider van de knokploeg in Harfsen-Gorssel.


Johannes Doornbos, (leerling MTS) geboren op 30 december 1921, overleden op 24-4-1945 te Ferwerd.

Overleed als gevolg van een ongeluk tijdens een bijeenkomst van een groep oude leden van de BS gebeurde een ongeluk met een vuurwapen. Doornbos werd dodelijk getroffen. Hij werd begraven op de Hervormde Begraafplaats in Blija.


Rinze Joukes Douma, (Predikant) werd geboren op 28 april 1910 te Bergum, overleden op 09-03-1945 te Bergen Belsen (Dtsl). Huwde te Franeker op 23 juli1936 Minke van der Veen. Ds. Rinze Douma was een zoon van Jouke Rinzes Douma en Hinke Jans Kuperus. Rinze Douma speelde in de oorlogsjaren 40-45 een belangrijke rol in de LO (Landelijke Organisatie) van het verzet).

Hij was gereformeerd predikant in Emmercompascum, waar hij in het verzet onder de schuilnaam 'ds. De Groot' opereerde. In augustus 1943 verhuisde zijn gezin naar Groningen. In deze stad verspreidde hij illegale bladen en zorgde hij ervoor dat onderduikers een veilige verblijfplaats kregen. Verder heeft hij meegewerkt aan wapentransporten. Op 30 mei 1944 zag hij op het Amersfoortse station hoe gevangenen in spoorwagons werden gepropt. Douma ontstak in woede. Toen de bezetter hem fouilleerde, werden illegale papieren gevonden. Via de gevangenissen van Assen en Groningen werd Douma op 17 augustus 1944 op transport gesteld naar kamp Vught en een maand later naar het Kommando Oraniënburg van het concentratiekamp Sachsenhausen. Op 4 februari 1945 werd Douma naar Bergen-Belsen overgebracht, waar hij op 9 maart 1945 aan vlektyfus overleed. In ca. 1990 is in Groningen een straat naar hem vernoemd.


Bote Lieuwe Dijk, (Adj. commies N.S.) geboren op 6 februari 1899 te Hardergarijp, overleden op 18 november 1944 te Herbaijum.

Enkele jaren geleden werd de Johannes de Dooperkerk in Hilaard gerestaureerd. Hierbij vond men de restanten van het “onderduikershol” terug. Daarmee ontstond het idee om de herinnering aan de periode dat de kerk en de Hilaarder dorpsgemeenschap onderdak boden aan een aantal onderduikers, levend te houden. In totaal zijn 13 personen in wisselende samenstelling in de Johannes de Dooperkerk ondergedoken geweest. Daarnaast hebben ook anderen zich op diverse locaties in Hilaard moeten verbergen. Van de dertien onderduikers heeft één persoon de oorlog niet overleefd. Bote Lieuwe Dijk uit Leeuwarden werd in november 1944 bij Herbayum door de bezetter gefusilleerd.

Als treindienstleider van het station in Leeuwarden deed hij in september 1944 mee aan de spoorwegstaking. Daartoe was hij opgeroepen door Radio Oranje, om de geallieerden te ondersteunen in hun poging bruggenhoofden te slaan over de grote rivieren in het kader van operatie 'Market Garden' (een grootscheeps bevrijdingsoffensief van 17 tot 26 september 1944 waarmee de geallieerden een doorstoot naar Duitsland wilden forceren). De bezetter reageerde furieus op de staking en probeerde zo veel mogelijk stakers op te pakken. Bote Lieuwe Dijk dook onder in Hilaard. Hij werd bij toeval ontdekt door leden van een fietspatrouille van de Sicherheitsdienst.  Op 9 januari 1945, werden tijdens een razzia alle onderduikers uit de kerk gehaald en gevangen genomen. Enkele van hen zijn later op transport gesteld naar het kamp Wilhelmshafen in Duitsland.


Jitze Pieter van Dijk, geboren op 16 november 1922 te Gauw, overleden op 15-04-1945 te Franeker.

De Hitzumer familie Van Dijk was in de tweede wereldoorlog bijzonder actief in het verzet. Op de boerderij aan de weg naar Sopsum lagen wapens onder het hooi verborgen en vonden onderduikers een vertrouwd adres. Altijd was er de angst voor ontdekking, maar dat kon ook moeilijk anders wanneer men bedenkt dat er op een goede ochtend liefst 23 (!) mensen aan de ontbijttafel verschenen. Drijvende kracht achter het verzet op de boerderij was een van de zoons van de boer: Jitze Pieter van Dijk. Alleen al daarom was het wrang dat juist hij op de dag van de bevrijding in de buurt van Franeker nog om het leven kwam.

Jitze woonde bij zijn ouders aan de Koudenburgerlaan in Hitzum. Op de boerderij waren onderduikers gehuisvest en werd een wapendepot van de Binnenlandse Strijdkrachten in stand gehouden. Tegen de bevrijding op 15 april 1945 kregen Jitze en zijn vrienden van de BS de opdracht de brug bij Kiesterzijl te bewaken. Na een tijdje besloten ze wat dichter bij de Harlingerstaatweg in een hinderlaag te gaan liggen, terwijl ze zagen dat de Duitsers de aftocht bliezen. Toen de Duitsers de Slachtedijk bij Kiesterzijl waren gepasseerd gingen de meeste BS'ers aan de andere kant van de Slachtedijk liggen. Jitze besloot aan de kant van Harlingen te blijven, een keuze die hem noodlottig werd, want hij werd in het hoofd geraakt en was op slag dood. Zijn lichaam is door zijn vader met paard en wagen geborgen. Jitze is begraven op de Hervormde Begraafplaats in Sybrandaburen.


Jan van Dijken, (directeur van het Dokkumer postkantoor) geboren op 25 juni 1903 te Opwierde, overleden op 22-01-1945 te Dokkum.

De 41-jarige directeur van het Dokkumer postkantoor werd op 22 januari 1945 aan de Woudweg gefusilleerd. Van Dijken stond in Dokkum niet bekend als verzetsman, maar is waarschijnlijk door de bezetter verantwoordelijk gesteld voor de clandestiene telefoonaansluiting in de apotheek van de verzetsman dr. Gunster aan de Zijl. Van Dijken werd begraven op de Algemene begraafplaats in Dokkum.


Durk Dijkstra, (Groentehandelaar) geboren 26 april 1915 te Terzool, overleden op 06-04-1945 te Nijemirdum.

Tijdens de bezetting sloot Dijkstra zich aan bij het verzet. Hij hield zich met name bezig met het vervoer en verbergen van gedropte wapens. Op 29 maart 1945 werd hij door de Grüne Polizei uit Sneek thuis op 29 maart 1945 gearresteerd, samen met zijn onderduiker Herre Winia. In Sneek werden de twee gevangenen verhoord. De bezetter was echter al op de hoogte van de verzetsbeweging in die streek. De volgende dag is de bezetter weer naar Terzool gegaan. Het interieur van Dijkstra's woning werd vernield met een handgranaat. De waardevolle dingen werden meegenomen. Mevrouw Dijkstra en de kinderen waren toen al elders ondergebracht. Toen de wapens niet werden achterhaald is Durk aan de IJsselmeerdijk op de Zandvoorderhoek tussen Sondel en Nijermirdum samen met vier anderen op 6 april 1945 door de bezetter gefusilleerd. Dijkstra werd in oktober 1946 herbegraven op de N.H. begraafplaats in Terzool. In dit dorp is een straat naar hem vernoemd.

 

Het monument op de Zandvoorderhoek bij het IJsselmeer .

HIER WERDEN OP 6 APRIL 1945 DOOR DE VIJAND GEFUSILLEERD

HERRE WINIA Jr.
HENDRIK HUIZENGA
DURK DIJKSTRA
GERRIT VLIETSTRA
JURJEN HOOMANS.

 


Hobbes (Bob) Dijkstra, (student in de chemie) geboren op 4 september 1923 te Rotterdam, overleden op 07-04-1945 te Makkum.

Hij was student in de chemie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Tijdens de bezetting was hij in Makkum ondergedoken. Dijkstra werd begraven op de Hervormde begraafplaats te Makkum.

Op zaterdagmorgen 7 april gebeurt er een drama in Makkum. Er is een massale razzia gehouden, waarbij vele Makkumers werden gearresteerd. Daarvan werden 6 jongemannen, na een zwaar verhoor, gefusilleerd: Sjoerd Adema (broer van Otto), Hobbes Dijkstra, Fetze Elgersma, Hermanus Falkena, Jacobus Keller en Hendrik Lemson. Naderhand werd de gearresteerde Jan Emmens meegenomen door de Duitsers, over de Afsluitdijk. Ook hij werd gedood, en wel bij Anna Paulowna.

Verraad sloeg toe in Makkum.

Toen de Afsluitdijk zou worden aangelegd, werd er van militaire zijde op gewezen, dat deze verbinding van uitermate groot strategisch belang zou worden. Hiermee kreeg Holland een nieuwe invalspoort, die onverhoopt ook gebruikt kon worden door vijandelijke legers. Daarom werden op Kornwerderzand zware kazematten, die bij de Duitse inval hun waarde bewezen. de vijand kwam er niet langs, totdat Nederland capituleerde. Het strategisch belang bleef; nu voor de bevrijding van ons vaderland, aldus de militairen.
Zoals we al schreven (deel I, hoofdstuk I) kwam het Legioen Oud-Frontstrijders (LOF) in 1940 al in actie, via burgemeester mr. S. M. van Haersma Buma te IJsbrechtum. Deze stuurde zijn chef van politie, Sikke de Jong, die daar zijn vrouw gevonden had, naar Makkum, het grootste dorp in de gemeente Wonseradeel, gelegen op vier kilometer afstand van de Afsluitdijk aan de kust. De Jong ging zeer voorzichtig te werk. Hij charterde voor het verzamelen van inlichtingen onder andere Jan F. M. H. Bergsma en Feike W. de Boer, twee jonge ondernemende, en de wat oudere Romke P. de Boer - allen zakenlieden.

Al spoedig bleek deze actie prematuur te zijn, maar de mannen bleven de bezetter waar mogelijk afbreuk doen, samen met vrienden, ook in de omliggende dorpen.
Het eigenlijke verzet in Makkum begon met de verspreiding van illegale vlugschriften met de naam Stormvogel onder leiding van Bergsma en met hulp van onderduikers. De illegale actie nam een grote vlucht onder de bezielende leiding van de gereformeerde predikant ds. L. Touwen, zijn hervormde collega ds. A. E. van Baalen en pastoor L. H. L. de Jong. Vooral het onderbrengen van Joden vroeg veel inspanning. Langzaam maar zeker groeide Makkum uit tot een broeinest van verzetsactiviteiten.


Tot maart 1944 ging alles goed. Toen werden in Bolsward, Wommels, Witmarsum en Franeker zestien mannen gearresteerd, wegens NC-activiteiten (Nationaal Comité). Tevoren was afgesproken dat zij in zo'n geval de naam van Jan Bergsma mochten noemen als de grote boosdoener (zie deel II, blz. 34 vv.) en na enkele dagen deden ze dat ook, maar toen was Bergsma al buiten Friesland ondergedoken. Het nadeel voor Makkum was, dat hiermee de aandacht van de SD meer op deze plaats was gevallen.

Een bijzondere verzetsfiguur was Tijmen van den Berg, die samen met zijn broer Aart een handel had in zoetwatervis, met daarnaast een rokerij en een conservenfabriekje. Hij kon de Duitsers in hun eigen taal te woord staan en deed dit met grote vrijmoedigheid. De bezetters vonden al spoedig de weg naar hem en zijn gerookte paling. Tijmen was nogal scheutig met de paling, maar weigerde grote hoeveelheden aan Leeuwarden te leveren. In Makkum was hij voor de bonzen een royaal gastheer, waardoor hij een goede verstandhouding wist te kweken met vrijwel alle alle Duitse prominenten. Zelfs Beauftragte Ross deelde in zijn gunsten, die temeer gewaardeerd werden, omdat Tijmen altijd voldoende sterke drank achter de hand had. En niemand die iets vergat op deze festijnen behoefde zich daarover zorgen te maken, omdat het verlorene ofwel terug bezorgd werd, of tot zijn beschikking werd gehouden. De firma Van den Berg was zeer correct!


Maar dit alles had een bedoeling. Tijmen trad op als beschermheer van de Makkumers. Werd iemand gearresteerd wegens illegale handelingen, dan ging hij naar het hol van de leeuw met drank en vette paling. Was daardoor de sfeer vriendschappelijk genoeg geworden, dan werd het tere onderwerp als toevallig ter sprake gebracht en vaak waren de moffen dan bereid zich ook niet te laten kennen en schreven een bewijsje voor vrijlating of bepaalden hoeveel losgeld er betaald moet worden. Het was opmerkelijk dat dit nooit lukte bij Lammers; die goot liever zijn glaasje leeg op de grond dan onder invloed te raken en ondoordachte dingen te doen. Maar uiteraard kon hij zich niet verzetten tegen beslissingen van de Duitsers, al probeerde hij het wel.

We beschreven al, hoe door de activiteiten van Tijmen een groot gevaar afgewend werd (deel II, blz. 359 vv). daarbij vermeldden we ook, dat ds. Touwen later toch gearresteerd en gefusilleerd werd. Van die tijd af paste de leefwijze van R. P. de Boer en pastoor De Jong zich geheel aan bij de gevaren die hen bedreigden. Gelukkig kregen zij veel hulp en veilige adressen. Door dit alles werd echter duidelijk dat de gevaren voor Makkum steeds groter werden en Tijmen was erg bezorgd over de onderduikers die hij in zijn fabriek te werk gesteld had. Daarom besloot hij naar Leeuwarden te gaan om de opperslavendrijver Hendriock over te halen hem Ausweise te verstrekken. Het lukte. Toen Hendriock in de juiste stemming gebracht was, gaf hij Tijmen een aantal blanco Ausweise mee, zonder dat de namen van de onderduikers genoteerd werden. Er waren te weinig, maar valse zorgden voor aanvulling. Weer een zorg minder.
Na Dolle Dinsdag [5 september 1944 - te vroege viering van aanstaande bevrijding die veel Duitsers en NSBers in paniek bracht -ab] veranderde er veel in Makkum door de opbouw van de NBS (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten).

In september keerde Jan Bergsma naar Wonseradeel terug. Hij was al veel eerder aangewezen als districtcommandant, maar omdat hij slechts als onderofficier had gediend en met het oog op strategisch belang van de Afsluitdijk vroeg met drs. S. P. van Tuinen, toen wonende in Bolsward, deze functie over te nemen. Deze was reserve-officier en als leraar uit Leeuwarden ondergedoken. Omdat hierbij steeds meer de nadruk werd gelegd op de militaire dan op de bestuurlijke taak, vroeg hij ontheffing en werd in zijn plaats benoemd het hoofd van de O.L. school te Jubbega, Jan Gorter. Bergsma werd toen gemeentelijk commandant en de nog niet gezochte J. P. Tichelaar plaatselijk commandant te Makkum.

Hoofd van de districtinlichtingendienst werd R. P. de Boer, die zich nog steelsgewijze [stiekum - ab] door Makkum bewoog. Diens rechterhand was de politieman C. Krijger, wiens vrouw uit Kornwerderzand afkomstig was en die sinds de herfst '42 gestationeerd was op de Kop van de Afsluitdijk. Krijger (Rob), die later gemeentelijk operatielijder werd, rapporteerde alle Duitse troepenbewegingen en had zich verzekerd van de medewerking van de waterstaatsambtenaar W. van Krieken, wiens tekeningen opvielen door volledigheid en nauwkeurigheid, mede doordat hij de beschikking had over het waterstaatsarchief.

Het conservenfabriekje van Van den Berg kreeg het steeds drukker. Tevoren was daar vooral vis ingeblikt, die verzonden werd naar gevangenen in kampen. Tijdens de hongerwinter werd de zaak uitgebreid met vleesconserven, vooral gehakt. Op grond van zijn relaties kreeg Tijmen Duitse vervoersvergunningen; toen de officiële vergunningen onvoldoende bleken voor de wassende stroom, werden ze nagemaakt. N. J. Popma, directuer van de Hollandiafabriek in Bolsward, was de grote stimulator van deze tochten. Hij liep ook het eerst tegen de lamp. De Grenzschutz te Harlingen hield een auto aan, waarin hij en pater Van Straaten meereden en constateerde dat de transportpapieren vals waren.

Ogenblikkelijk ging Van den berg er op af met twintig pond gerookte paling en de nodige sterke drank en het gelukte hem de chauffeur uit Schettens en de beide passagiers vrij te krijgen. Een week later werd Popma weer gearresteerd, ditmaal samen met Van den Berg, weer om die valse papieren, maar ook nu kwamen ze na een week weer vrij. De voedseltransporten werden voorgezet, ook met schepen.
Volgens IJpma vond de eerste wapendropping in district VI plaats in de nacht 19/20 oktober op Pankoeken onder Witmarsum, op het land van boer Leijendekker. Ook hier werd de ontvangstploeg verrast door de hoeveelheid en zwaarte van de containers, die over een vrij grote afstand vervoerd moesten worden naar een praam in de Harlingervaart. Het lukte nog net voor het licht werd af te varen, maar besloten werd de volgende dropping dichter bij de vaart te doen plaats vinden. daardoor liep er iets mis; twee containers kwamen ver buiten het veld terecht, waarvan één tenslotte nog gevonden werd in een haag bij een boer, maar de tweede zoek bleef.

Nu was in het land een veulen door een container gedood en de eigenaar gaf dat aan bij de politie. Hoewel de (NSB!) burgemeester nog probeerde de zaak te sussen, was de boer onverzettelijk. Toen de duitsers bij hun onderzoek de ontbrekende container vonden was het terrein ongeschikt geworden en werden de activiteiten verplaatst naar Tjerkwerd.
Het is aannemelijk dat het vinden van de container onder Witmarsum de aandacht van de Duitse contraspionage des te scherper op de Kop van de Afsluitdijk heeft gevestigd. In ieder geval besloot zij een zwaargewicht verrader daarheen af te zenden om uit te zoeken wat daar op militair gebied precies aan de hand was. deze was Matthijs Adolf Ridderhof, koopman te Amsterdam.

Al vroeg in de oorlog was hij betrapt op zwarte handel in goud en diamanten en in de cel had dit onguur individu zich verkocht aan de Duitse contraspionage. Zijn grootste 'succes' is geweest het opsporen van een Nederlandse zender naar Londen, waardoor het Engelandspiel [Duitse contraspionagedienst krijgt twee Engelse SOE spionnen in handen met wie ze de SOE lange tijd om de tuin leiden waardoor rond de vijftig Nederlandse geheim agenten vermoord worden - ab] ontstond. De gevolgen van zijn werkzaamheden werden slechts in kleine kring bekend en door zijn werkterrein geregeld te verleggen naar plaatsen waar hij een contactpersoon had die hem als illegale werker beschouwde, kon hij steeds nieuwe slachtoffers maken. Als de klap viel, was hij al vertrokken.

Na een bezoek aan zo'n contact in Groningen kwam Ridderhof in Makkum al spoedig terecht bij de fabriek van Van den Berg, met zijn vele onderduikers. Daartoe behoorde ook J. Keman (of Keeman) uit Amsterdam, die dubbel kwetsbaar was: als officier en omdat hij getrouwd was met en Joodse vrouw. Van den Berg had hem aangesteld als procuratiehouder, maar hij bleef niet lang in Makkum wonen. Keman (Engelbert) huurde een landarbeiderswoning bij Piaam en besteedde meer tijd aan de NBS dan aan het bedrijf. Ridderhof kreeg al spoedig het vermoeden dat hij een belangrijk contact aangeboord had. Maar Keman gaf zich niet bloot.
Ridderhof, 'een dikke pafferige kerel met een verlopen gezicht', gaf zijn referentie op, zwaaide met het pistool dat hij altijd bij zich droeg, praatte over het vele geld dat hij bezat en schepte op over het illegale werk dat hij verrichtte. de referentie klopte; Keman kreeg een gustig getuigschrift. Toch vertrouwde hij de zaak niet geheel en gaf door dat men tegenover Ridderhof, of 'ome Gerrit' zoals hij zich noemde, moets zwijgen over alles wat met de NBS samenhing.

Bij de bezoeken die Ridderhof aan Makkum bracht, liep hij overal tegen de muur van stilzwijgen, zodat hij tenslotte begreep een andere weg te moeten inslaan. Daarom verzocht hij een onderduikadres te zoeken voor een 'zware jongen' uit het Groningse verzet die dringend enige tijd rust moest hebben. Dat kwam wel in orde.
Vanzelfsprekend was deze onderduiker een handlanger van Ridderhof: de 32-jarige machinist Jan Harm Brouwer uit Groningen. Deze hoopte met hulp van de Duitsers op de maatschappelijke ladder te kunnen stijgen, hetgeen zijn domheid eerder had belet. Moest hij daarvoor over lijken gaan, dan was dat voor hem evenmin als voor Ridderhof bezwaarlijk, maar evenals deze stootte hij bij de leiders op een muur van terughoudendheid. Het enige wat hij gewaar werd was een aantal namen en adressen van NBS'erss uit de lagere regionen, die zelf ook niet veel wisten.
Ridderhof besloot eind februari zelf nog eens een poging te doen.

Hij reisde naar Makkum en verzocht om een onderhoud met de districts-operatieleider. Deze was echter ziek; zijn plaatsvervanger, de rechercheur C. van Wijk uit Sneek, hoorde de voorstellen van Ridderhof aan. Deze vertelde door omkoping in het bezit te zijn gekomen van een lijst van Makkumers die door de Duitsers verdacht werden. Als Van Wijk nu een lijst van leiders van de NBS overlegde, zou hij de namen met elkaar kunnen vergelijken en de verdachten kunnen waarschuwen. Bovendien zouden de Duitsers van plan zijn een razzia te houden, maar Ridderhof beloofde tijdig te zullen waarschuwen, vooral de mensen die op de lijst stonden. Onnodig dat dit verzoek 'van ome Gerrit' beslist afgewezen werd, al kon men Ridderhof concreet nog geen verraadplannen verwijten.

En toen, volkomen onverwacht, kreeg Brouwer zijn kans. Hij hoorde dat de NBS zich ernstig zorgen maakte over de activiteit van de Zollkommandant in Harlingen, deze zou verraders gebruiken. 'Swarte Jan' te Arum was gearresteerd wegens kolendiefstal en de politie had op hem verdachte gegevens gevonden, waaronder namen van illegale werkers. Leden van de sabotageploeg hadden hem voor zijn huis neergeschoten, maar het vermoeden bestond dat de Zoll meer van dergelijke individuen gebruikte. Kon de commandant niet uitgeschakeld worden?
Brouwer bood aan dat karweitje op te knappen: in Groningen had hij zoiets ook wel gedaan. Er was aarzeling dit aanbod te aanvaarden, maar Brouwer nam op zich dit geruisloos te doen. Nog waren er bedenkingen, maar omdat men zogenaamd om wapens verlegen zat, ging men met hem in zee op voorwaarde dat hij het pistool, de koppelriem en de pet van het slachtoffer zou meebrengen.

Onnodig te zeggen dat Brouwer zich met zijn superieuren te Groningen in verbinding stelde. De commandant van Harlingen kreeg opdracht geruisloos te verdwijnen en de gevraagde bewijsstukken af te geven. Zelfs zijn soldaten, die wisten dat hun commandant geregeld dronken was, namen aan dat hij in de haven was gevallen en verdronken was. Het tekent de leiding van de NBS in deze streek dat men desondanks uitermate gereserveerd bleef tegenover Brouwer, maar bij de jongere leden was deze nu een veelbesproken figuur. Kort na zijn 'heldendaad' verdween Brouwer een tijdje van het toneel. Hij wist nog steeds te weinig van de wapenopslagplaatsen, al had hij van horen en zeggen wel het een en ander opgestoken.
Die wapens waren over verschillende dorpen verspreid, deels ook naar andere districten gebracht.

In Makkum had men ze eerst naar de fabriek van Van den Berg willen brengen, maar bij nader inzien besloot Feike W. de Boer ze te verbergen op de zolder van een garage, die behoorde aan bakker Zondervan, maar verhuurd was geweest aan Willem de Boer en vanuit diens pand te bereiken was - zonder dat de beide mannen daarvan wisten. Inmiddels kwam er een Duitse bezetting (Wehrmacht) te Makkum. Het gaf een schok toen men hoorde dat deze de garage in gebruik wilde nemen; de wapens moesten onmiddelijk overgebracht worden. Boer Jan Werkhoven reed met paard en wagen de garage binnen, Feike de Boer en sabotageleider Hobbes Dijkstra laadden de gevaarlijke spullen op de wagen, geholpen door bakker Zondervan, die geen enkele vraag stelde.

Werkhoven reed weg met Feike en Hobbes (Bob) achterop. Onderweg passeerden zij de Ortskommandant die hen scherp opnam, maar niets deed. Nu werden de wapens opgeslagen in een schuurtje in het weiland.
Op 27 maart werd Makkum onderworpen aan een grote razzia grotendeels uitgevoerd door de Wehrmacht. Er werd minder naar onderduikers dan naar wapens gezocht, maar ze werden niet gevonden. Achteraf viel het wel op dat vooral gezocht was op plaatsen waar wapens verborgen waren geweest, maar op dat moment had men er nauwelijks erg in. Ook bracht men de razzia niet in verband met de verdwijning van Brouwer, een dag of wat eerder.

Een week later kwam deze, kennelijk op Duits bevel, weer terug en verzocht toen commandant van een gevechtsgroep te mogen worden. Van Wijk arrangeerde een afspraak met hem, maar verborg zich in een ander huis om Brouwers komst af te wachten. Maar deze verscheen niet; hij was bang geworden en naar Groningen gegaan om verslag uit te brengen.

Om 3 uur in de morgen van 7 april kwam de bloeddorstige bende van de SD uit Groningen, onder aanvoering van de beruchte Lehnhoff, bij de SD te Sneek, waar Ströbel opdracht kreeg om al zijn beschikbare manschappen, de Grenzschutz-soldaten en de landwachters uit hun bed te halen voor een grote Aktion te Makkum. Het vroege uur en het besef dat het nu ook om hun eigen aftochtslijn ging zal wel de hoofdverklaring zijn voor de ongewone wreedheid waarmee ze optraden. Ströbel voegde het weinige dat hij wist over Makkum bij hetgeen Lehnhoff te weten was gekomen en met groot vertoon van macht trok de bende naar Wonseradeel.

Ströbel deelde de patrouilles in en gaf de briefjes af met de adressen van mannen die gearresteerd moesten worden. Hij gaf de uitdrukkelijke opdracht ze allemaal levend te vangen, omdat ze verhoord moesten worden over de wapenopslagplaats(en). Er moest rekening worden gehouden met gewapende tegenstand; waarschijnlijk was de mareschausseekazerne het centrum van de NBS en daarom moest die in de tirailleurslinie worden omsingeld en ingenomen. Vervolgens moesten alle gevangenen daar heengebracht worden.

Besloten werd eerst Keman te arresteren, omdat diens 'schuld' wel vaststond. Ridderhof had niet alleen verteld wat hij wist uit Makkum, maar ook dat Keman in contact stond met de koopvaardijkapitein J. Bottema uit Zoutkamp, die onder de schuilnaam Brandy voor de Engelse geheime dienst werkte en in Makkum ondergedoken was geweest. Maar toen ze bij het huis te Piaam kwamen, was de vogel gevlogen; Keman had juist op tijd een andere woning betrokken.
Dit oponthoud gaf een verzetsman, Nammen Buwalda, uit Piaam, de tijd om snel naar Makkum te gaan om R. P. de Boer te waarschuwen. Deze was om half zes al in de winkel bezig en waarschuwde zijn vrienden. Voor sommigen kwam dat nog op tijd; zo kon Tichelaar nog ontkomen naar Kornwerd. Voor anderen was het te laat.

De vijand was met grote vaart naar Makkum gereden. De marechausseekazerne bleek leeg. R. P. de Boer begreep dat het ook zijn tijd werd, toen hij zijn vriend Tijmen van den Berg zag wegvoeren. Hij fietste als een oudere koopman, die zijn klanten moest bedienen, door de afzetting. Onderweg kwam hij Keman tegen, die nog van niks wist en ogenblikkelijk rechtsomkeert maakte. Kort daarna was de hele staf van gemeente en district gewaarschuwd.
Feike W. de Boer zou juist op de fiets er op uit, maar kreeg een lekke band. Bij de rijwielhandelaar vertelde een jongen hem dat de Duitsers juist zijn huis waren binnengedrongen en alles overhoop haalden. Verraad van Brouwer, flitste het door hem heen, omdat een gedienstige onderduiker deze eens voor papieren naar hem toe had gebracht. Hij vluchtte naar de christelijke school en bracht daar de hele dag op zolder door.

Tijdens de huiszoeking in de fabriek werden een paar handgranaten en een machinepistool gevonden. Tijmen van den Berg wist eerlijk niet dat die daar verborgen waren en vertelde dat ook tegen de Duitsers, die hem natuurlijk niet geloofden. 'Had ik die wapens hier verstopt, dan hadden jullie die niet gevonden', zei hij, 'net zo min als het radiotoestel dat wel met mijn toestemming is opgeborgen'. Hij moest de schuilplaats daarvan aanwijzen en zijn bereidwilligheid bracht de Duitsers aan het twijfelen omtrent zijn schuld en dit redde zijn leven. Wellicht speelde daarbij ook mee, dat ze Keman aanzagen voor de belangrijkste man in de NBS.
Helaas kende Brouwer een aantal namen en adressen heel zeker. In Makkum had hij onderdak gevonden bij Johannes Adema, vader van een groot gezin en een adres waar vele onderduikers verbleven of samenkwamen. De vader, zijn zoon Sjoerd en de onderduiker J. P. Keller (Koos) werden gearresteerd.

Waarschijnlijk hebben de jongeren Brouwer wel vertrouwd en namen en adressen genoemd van jonge mannen die ook tot de NBS behoorden. Voorzover grijpbaar werden allen gevangen genomen, zelfs al wist de verrader niet concreets over hen mee te delen, zoals van de doopsgezinde predikant A. H. van Drooge, die alleen onderduikers hielp. Soms wist Brouwer het ook niet goed. Zo noemde hij een arts, die de NBS'erss een cursus EHBO gaf. Dat was dokter J. D. Sibie, maar Brouwer wist niet dat er twee artsen in Makkum woonden. De Duitsers overvielen het huis van de huis- en tandarts F. N. Bogtstra, die hen in pyjama zag aankomen. Snel dook hij in een schuilplaats en hoewel die geopend, doorgelicht en opgemeten werd, vonden ze hem niet.

Na het vertrek van de barbaren wist hij ongezien een boerderij te bereiken, van waaruit hij het vervolg kon afwachten. tegen de middag kwamen de SD'ers terug, haalden het hele huis overhoop en stalen als eksters. Bijzonder van pas kwam de sterke drank die snel door de kelen werd gegoten; ook werd het geweckte varkensvlees verorberd. Toen de rovers het belangrijkste bij elkaar hadden gestolen, sloegen ze vrouw en kinderen van Bogtstra het huis uit, overgoten dat met benzine en staken het in brand. Bogtstra kon duidelijk zien wat er gebeurde, woedend, maar machteloos. Doch luttele uren later zou hij aan eigen materieel verlies nauwelijks meer denken.

Toen hij hoorde wat zich in en bij de kazerne had afgespeeld.
Daar waren de (meest jonge) mensen samengebracht, wier namen Brouwer had doorgegeven. Sommigen hadden belastende verklaringen tegenover hem geuit, van andere had de verrader alleen maar vermoedens. Dat kwam er niet op aan: Mee! In de marechausseekazerne [ligt op het terrein van David Visser aan de Ds. L. Touwenlaan - ab] zouden ze het wel uitzoeken. Wat zich daar toen afgespeeld heeft is onbeschrijfelijk. Voor overlevenden was het later een nachtmerrie. De Duitsers gingen als beesten tekeer - en dan moeten we ons verontschuldigen tegenover echte beesten.

Het was 7 april. De geallieerden rukten snel op naar het noorden; de vorige dag was Zuid-Drenthe al bereikt. De Duitsers zagen hun noordelijkste oost-west verbinding bedreigd en op het kritieke punt Kop Afsluitdijk stonden vrijwilligers klaar van de NBS om gewapenderhand hun de voet dwars te zetten. Ze vingen mensen, maar waar waren de wapens? Dat moest uit de gevangenen geslagen worden en snel! Vooral zij die er over gesproken hadden met de verrader moesten het ontgelden, maar ook de anderen werden niet gespaard. verscheidene beulen waren heel of half dronken en leefden hun sadisme met wellust uit. Overlevenden vertelden later dat sommige slachtoffers er ontoonbaar uitzagen, met onherkenbare gezichten en inwendige kneuzingen. Geen wonder dat tenslotte enigen van hen door de mand vielen en namen en adressen begonnen te noemen.

In deze sfeer werd ook de plaats genoemd waar de wapens waren opgeslagen: in een schuurtje in het weiland. Onmiddellijk werd een patrouille uitgezonden, die het na lang zoeken gelukte het schuurtje te vinden. De wapens werden naar Makkum meegenomen.
Voorzover ons bekend werden er geen nieuwe namen uit Makkum genoemd, maar wel van NBS'erss uit de buitendorpen, waarschijnlijk door koeriers. Ook daarheen werden meteen patrouilles uitgezonden. In Idsegahuizen vingen ze bot. Daar was het begonnen om H. Schrale, al lang lid van de OD, die zijn boerderij beschikbaar had gesteld voor wapeninstructie door de Vlaming Groenewoud; gelukkig wist hij door de landerijen te ontkomen aan een welhaast zekere dood.

In Gaast vonden ze onderwijzer Bruggenkamp wel thuis, de wapens die hij verondersteld werd te hebben opgeslagen werden niet gevonden. Bruggenkamp verklaarde dat zijn verdacht zijn een uitvloeisel was van kinderpraat: schoolkinderen hadden enkele patronen gevonden en aan hem overhandigd, maar hij had het spul meteen in een vaart gegooid. Toch werd ook hij meegenomen, evenals zijn plaatsgenoot Yde de Boer.
Ernstige gevolgen had het noemen van de naam Fetse Elgersma te Schraard. De Elgersma's waren verzetters van het eerste uur en bereid tot grote risico's. De gevangen onderduiker H. L. Th. Lemson, twintig jaar oud, moest mee om de boerderij aan te wijzen. Daar werden twee stens gevonden; Elgersma en de onderduiker Hermanus Falkena werden gearresteeerd. Jan Emmens, een anders NBS'ers, zou juist op de fiets vertrekken toen ze hem aanhielden. Hij vertoonde zijn vals PB en verklaarde evacué te zijn. Een tijd lang hebben de Duitsers dit geloofd, maar hij kwam niet vrij.

Intussen ging het beulswerk in de kazerne door. Naarmate er meer gedronken werd, nam de wreedheid toe, maar tenslotte moest wel aangenomen worden dat hetgeen er uitgeslagen was, vrijwel alles was wat de SD weten wilde. Door de wapenvondst was de verzetshaard Makkum uitgeschakeld en de verbinding met Holland gewaarborgd. Wat nog restte was wraak.
Lehnhoff, die al bijna dronken was, besloot snel 'recht' te doen en gelastte een executie voor te bereiden. Ondanks het feit dat sommigen van zijn ondergeschikten (volgens één verklaring ook de verrader Brouwer) aandrongen op matiging, bepaalde hij dat zes man hun verzet met hun leven moesten betalen.

Alle gevangenen was het aan te zien, dat zij zwaar mishandeld waren, maar zij die kennelijk het zwaarst geleden hadden, werden door Lehnhoff aangewezen en apart gezet. Met veel haast werd een vuurpeleton gevormd, waarvan sommige leden helemaal dronken waren. De zes slachtoffers stonden nog niet eens op hun aangewezen plaatsen, toen Ströbel al commandeerde: Vuur! Het gevolg was afschuwelijk; de meeste getroffene waren niet meteen dood, doch in de buik en borst getroffen wentelden zij zich in doodsstrijd over de grond. Daarop werden ze met pistoolschoten afgemaakt.

De slachtoffers waren:

Sjoerd Adema, 25 jaar;
Hobbes Dijkstra, 21 jaar;
Fetse Elgersma, bijna 45 jaar;
Hermanus Falkena, 24 jaar;
Jacobus P. Keller, 23 jaar;
Hendrik L. Th. Lemson, 19 jaar.

En toen moest hun wraak ook nog gekoeld worden op dood goed. De helden waren nog niet vergeten dat zij in de ogen van de Makkumers een figuur hadden geslagen doordat ze met uiterste voorzichtigheid en groot vertoon van macht de marechausseekazerne die leeg bleek te zijn hadden beslopen en bestormd. Daarin was een vat benzine gevonden, dat nu uitgegoten werd over de brandbaarste plaatsen. Toen werd er een lucifer ingegooid en van het gebouw bleef slechts een puinhoop over.
Daarop trokken de helden zich terug, een dorp in rouw achterlatend. Uiteraard namen ze de gevonden wapens mee. Maar ook alle gevangenen werden ingeladen en naar Sneek vervoerd. De bevrijding was aanstaande. Zouden zij die nog alle levend halen? Helaas...

R. P. de Boer wilde er wat aan doen. Een filiaalhouder te Staveren was indertijd opgejaagd en De Boer had er orde op zaken moeten stellen. De Ortskommandant daar had hem voor een onschuldige oude koopman aangezien en hem tegemoetkomend behandeld. Zou die? De Boer ging er heen en de vijand beloofde er wat aan te zullen doen. Zondag 10 april kwam zijn zoon Pier vrij. In de loop van de week volgden er meer: op 13 april kwamen er nog twee vrij en toen zat alleen jan Emmens nog gevangen, terwijl Ströbel c.s. zich klaar maakten voor de vlucht.
Emmens werd als het zwaarste geval beschouwd.

Toen zijn schuilnaam bekend werd bleek die ook voor te komen op de papieren van kapitein Pander. Er schijnt nog wel over zijn lot onderhandeld te zijn: voor vrijlating was zijn vergrijp te zwaar; hem laten zitten bij het vertrek werd eveneens verworpen; dan moest hij maar mee. Zo althans stelden de SD'ers het voor hun eerste verhoor, maar de mannen van de Politieke Opsporingsdienst (POD) geloofden dit simpele verhaal niet. Al spoedig bleek toen dat de SD'ers precies wisten wat de bedoeling van hun commandant was: Emmens moest vermoord worden, niet in Sneek maar onderweg.

Emmens kwam in de wagen van de Duitsers Walter Michels en Richard Paul Unger met de Nederlandse SD-er Grootjans. Het was de bedoeling in colonne naar Holland te rijden, maar bij de Afsluitdijk moest Emmens weer aan Ströbel overgeleverd worden. Toen wist ik al dat Emmens doodgeschoten zou worden, aldus Michels. Maar door het drukke verkeer raakte de colonne uit elkaar. Bij de Afsluitdijk werd nog een tijd op Ströbel gewacht, maar tenslotte werd doorgereden.

In Noord Holland aangekomen namen de SD'ers de tijd om een plasje te doen. Emmens kreeg daar ook toestemming voor en de handboeien werden afgedaan. Terwijl Emmens stond te wateren schoot Grootjans en Emmens viel voorover, waarschijnlijk meteen dood. de volgende dag werd zijn lichaam in een kanaal bij Anna Paulowna gevonden. Hij is 28 jaar oud geworden en liet een vrouw en een kind na.

Onmiddellijk na de bevrijding van hun dorp op 18 april kwamen de Makkumers in het geweer om de verraders op te sporen. Brouwer had zich bij de overval als landwachter verkleed en een bril opgezet. Hij was door meer dan één herkend; doch men wist geen adres, alleen dat hij uit de stad Groningen kwam en dat daar het onderzoek moest beginnen. Velen hadden weinig vertrouwen dat hij daar aanwezig zou zijn, maar de vier mannen die er heen trokken hadden geluk: Brouwer was al als NSB-er gearresteerd en toen de Makkumers uitlegden wat hij had uitgespookt, mochten ze hem meteen meenemen.

Uiteraard kon hij niet ontkennen, alleen zijn handelswijze zo onschuldig mogelijk voorstellen. Er waren aanwijzingen dat hij voor het verraad 500 gulden had ontvangen, maar dat bleef hij tegen spreken; waarom hij het dan wel gedaan had, werd zelfs voor de rechters, die hem tot levenslang veroordeelden, niet duidelijk.
Bij zijn verhoor had Brouwer een belangrijk feit losgelaten: het adres waarop hij Ridderhof te Amsterdam kon bereiken. Nauwelijks was het Westen bevrijd of Van Wijk en Keman trokken met een pas van de Canadezen naar het opgegeven adres. Daar stond inderdaad Ridderhof op de deur en een vrouw riep door het raam wat er aan de hand was.

De beide jagers stoven de trap op, het pistool in de vuist, maat het bleek dat de vrouw een zuster van Matthijs was, die daar woonde met haar moeder. Angstig vroegen de vrouwen of de mannen wel 'goed' waren, want Matthijs was een paar dagen eerder weg gegaan uit vrees voor communisten, die hem wel eens konden vermoorden. Toen de zuster het nieuwe adres opgegeven had, vertelden de mannen haar waarom Matthijs gezocht werd, wat haar zichtbaar verbijsterde.
Bij het nieuwe adres aangekomen vertelde een kruidenier dat daar juist een 'dikke kerel' was gearresteerd; dat moest Ridderhof zijn, dachten de mannen, maar onder de gevangenen bleek hij niet aanwezig. Toen terug; ze moesten drie hoog zijn, vertelden de buren, daar woonde een NBS'ers die altijd om zes uur thuis kwam, maar van gasten hadden ze nooit iets vernomen. Toen de man thuiskwam, in een overal met NBS-armband, kreeg hij de opdracht de deur te openen en zich meteen weer op de gang terug te trekken. Van Wijk en Keman, pistool in de hand, stoven naar binnen en... daar stond Ridderhof in de verste hoek.

Handen omhoog, schreeuwde Van Wijk, maar aan dit bevel werd niet voldaan. Langzaam liep 'Ome Gerrit' in zijn richting. Van Wijk nam geen risico en schoot hem in de borst. Toen hij over de vloer lag had Ridderhof nog de brutaliteit te zeggen: ' Moet dat nu zo Herman? Ik heb toch niets gedaan.' Hij voegde er nog vele smoesjes aan toe, maar zei uiteindelijk: 'Ja, ik moest'. Toen werd hij naar het ziekenhuis gebracht, waar hij veertien dagen verbleef en toen naar de gevangenis overgebracht werd.

Bij het verhoor door de Nederlanders en de Engelsen gezamenlijk kwam zijn schuld onomstotelijk vast te staan. Zijn verraad was begonnen in 1941, toen hij gevangen zat. Hij werd vrijgelaten om voor de Duitsers te werken. Bij de illegaliteit wist hij vertrouwen te wekken. Zijn belangrijkste verraad was, toen hij zei waar de Nederlandse ontvangstorganisatie agenten en sabotagemateriaal uit de lucht verwachtte. Zijn verhaal klonk zo ongeloofwaardig dat Giskes zei: ' Gehen Sie zum Nordpol mit solchen Geschichten'. Vandaar de naam ' Nordpolspiel': het Engelandspel. Vergeleken met de daarbij gemaakte slachtoffers waren die te Makkum slechts een toegift.
Het bijzonder gerechtshof veroordeelde deze kwabbige vetzak tot de dood. Het vonnis aan de toen 51-jarige werd op 1 maart 1947 voltrokken.

P Wijbenga - Bezettingstijd in Friesland (dl 3 - hfdstk 94)


Jan Dijkstra, (medefirmant van Dijkstra's kleiwaren-fabriek) geboren op 2 december 1919 te Sneek, overleden op 09-04-1945 te Sneek.

De Sneker sabotagegroep van de NBS, waar Dijkstra lid van was, was op 9 april 1945 bijeen. Toen de mannen de vergaderplaats aan de Oppenhuizerweg bij de Houkesloot verlieten, ontdekten ze enkele leden van de Grüne Polizei. De verzetsmannen vluchtten. Toen Jan Dijkstra en Jan Willem van der Kouwe in een roeiboot sprongen, werd het vuur op hen geopend. Het tweetal liet zich overboord vallen en zwom naar de overkant van de sloot. Toen Van der Kouwe uit het water kroop, werd hij in zijn rug getroffen door een kogel. Hij bleef gewond op de wal liggen. Dijkstra zocht dekking achter de polderdijk. Toen het stil bleef, kroop hij naar zijn vriend. Inmiddels had de schildwacht opdracht gekregen om Dijkstra neer te schieten. De schildwacht weigerde, waarop een lid van de Grüne Polizei het geweer pakte en Dijkstra door zijn longen schoot. Hij stierf ter plaatse en werd begraven op de Algemene begraafplaats in Sneek. Van der Kouwe werd jarenlang verpleegd, maar is nooit geheel hersteld.

 

 

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.