|
Jan Eisenga, (Onderwijzer aan de Openbare Lagere School)
geboren op 11 maart 1908 te Kortezwaag, overleden op 5 mei 1943 te
Leeuwarden.
Jan was
onderwijzer op de lagere school in Gorredijk en wilde in verband met
de april/meistakingen van 1943 de school na de vakantie gesloten
houden. Hij sprak hier over met zijn collega's en probeerde hen over
te halen zich ook aan te sluiten bij de staking. Er werd in
Gorredijk druk gesproken over dit 'verzet' van Jan. Door verraad
werd hij gearresteerd en naar het SD hoofdkwartier aan het Zaailand
in Leeuwarden gebracht. Eisenga werd op 5 mei 1943 bij de oude
schietbaan aan het Kalverdijkje in Leeuwarden door de Duitsers
vermoord. Waarschijnlijk waren bij deze moordpartij nog twee andere
slachtoffers betrokken n.l. Bauke de Vries uit Oudega en Broer de
Witte uit Westhem. De lichamen van de drie mannen zijn echter nooit
gevonden. Op 13 juli 1946 werd in de school waar Jan les gaf een
koperen gedenkplaat voor hem onthuld.
De Meistaking van 1943, de onderzoeken
en de erfenis.
De Meistaking van 1943, de tweede grote
staking in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, was het directe
gevolg van de Proclamatie van Generaal Christiansen, de Duitse militaire
bevelhebber in Nederland. In de kranten van 29 april 1943 verscheen deze
bekendmaking, die inhield dat alle bijna 300.000 Nederlandse militairen,
die in mei 1940 tegen de Duitse invallers hadden gevochten, zich opnieuw
moesten melden en teruggevoerd zouden worden in krijgsgevangenschap. Ze
zouden vooral in Duitsland te werk worden gesteld. Hierop brak vanuit de
Machinefabriek Stork te Hengelo een wilde ongeorganiseerde staking uit,
die vooral in de noordelijke provincies met veel geweld werd onderdrukt.
In heel Nederland vielen 175 dodelijke slachtoffers, waarvan zestig in
de drie noordelijke provincies: 22 Friezen, 31 Groningers en 7 Drenten.
Van deze zestig werden zesentwintig 'op patrouille' neergeschoten en
achtergelaten. Vierendertig werden gefusilleerd, waarna hun lichamen
werden begraven 'op een plaats die niet bekend gemaakt werd', dit om de
bevolking extra te intimideren.
Tegen de Friese gearresteerden werden tien
doodvonnissen uitgesproken door het Standgerecht dat vanaf 1 mei 1943 in
het Scholtenshuis, het SD-hoofdkwartier te Groningen zetelde en vanaf 4
mei 1943 in het Oud Burger Weeshuis te Leeuwarden: Broer de Witte,
Cornelis Luinstra, Dirk Fokkens, Jan Eisenga, Bouke de Vries, Wiebe de
Witte, Symen Wiersma, Wypke Martens, Willem Scholten en Wieger Rekker.
Bij de eerste vijf is het vonnis voltrokken, bij de laatste vijf werd de
doodstraf omgezet in concentratiekamp- of gevangenisstraf. Zeventien
Friezen werden 'op patrouille' neergeschoten en achtergelaten.
Zestien Groningse slachtoffers vielen in
Trimunt (Marum, Groningen) als represaillemaatregel tegen de van
sabotage verdachte bevolking: Andries Hartholt, zijn zoons Dirk, Albert
en Hendrik Hartholt en zijn aanstaande schoonzoon Berend Assies, de
broers Uitze, Jelle en Steven van der Wier, Eeuwe de Jong, Sibbele de
Wal, de broers Karst en Jan Doornbosch, Gerrit van der Vaart, Geert Jan
Diertens en de onderduikers Frits van de Riet en Johannes Glas. Hun
lichamen werden meegenomen. Eén jonge vrouw uit Musselkanaal, Grietje
Dekker, is op haar verlovingsavond door de Duitsers koelbloedig
vermoord, zogenaamd 'op patrouille', waarna haar lichaam is meegenomen.
Tegen de gearresteerde Groningers werden standrechtelijk dertien
doodvonnissen uitgesproken in het Scholtenshuis: Jogchum van Zwol,
Rienold Terpstra, Gerrit Imbos, Egbert Thoma, Eisso Kleefman en Hermanus
Kleefman, Will van Rossum, Paulinus Nieuwold, Harm Wessels, Ate Faber,
Albert Harkema, Jan Hulshof en Garrelt Veldkamp. Bij de eerste acht is
het vonnis voltrokken, bij de laatste vijf werd de straf omgezet. Ook de
lichamen van de acht (vijf in Hoogezand bij Strokartonfabriek Beukema en
drie in Slochteren bij Aardappelmeelfabriek De Woudbloem) geëxecuteerden
verdwenen na de executies. Vijf Groningers zijn 'op patrouille'
doodgeschoten en achtergelaten.
Zes gearresteerde Drenten werden
standrechtelijk ter dood veroordeeld in het Scholtenshuis en het Oud
Burger Weeshuis: Berend Trip, Harm Bos, Harm Bakker, Jan Postema,
Lubbert van Dijk en Jacob van Dijk. De eerste drie werden gefusilleerd,
bij de twee laatsten werd de doodstraf omgezet in gevangenisstraf. Harm
Bos werd samen met de Friese onderwijzer Jan Eisenga op het Kalverdijkje
te Leeuwarden gefusilleerd, waarna hun lichamen volgens ooggetuigen
richting Groningen zijn vervoerd. De ter dood veroordeelde Jan Postema
is op 3 mei op de vlucht doodgeschoten op de Grote Markt, het plein voor
het Scholtenshuis, te Groningen. De Duitsers hebben zijn lichaam een
tijd op de Grote Markt laten liggen, ter afschrikking van de
verzetplegers. Alle lichamen verdwenen naar 'de onbekende plek'. Drie
Drentse slachtoffers werden 'op patrouille' doodgeschoten en
achtergelaten.
Alle zeventien voltrokken doodstraffen
werden tegen de gearresteerden uitgesproken voor overtreding van de
verordeningen die de Duitsers vanwege de Meistaking hadden
bekendgemaakt. Twee slachtoffers vielen voor 'verboden wapenbezit', vier
wegens het leeggooien van melkbussen, één wegens brandstichting, de
anderen wegens staken en het aanzetten tot staken. De meeste
slachtoffers werden bij toeval gekozen, uit willekeur als aanstichter
aangewezen, of in enkele gevallen verraden. Er werden straffen
uitgedeeld zonder enige vergelijking van de aard van beschuldigingen.
Rauter, de hoogste bevelhebber van de SS
en de SD in Nederland, had het bevel gegeven de losgeslagen bevolking
weer in het gareel te dwingen. Daarom hadden de Duitsers namen nodig die
op de roze, overal opgehangen aanplakbiljetten werden vermeld. En daarom
hadden de Duitsers voorbeelden nodig om de bevolking te laten zien wat
er zou gebeuren bij voortzetting van de onlusten.
Het waren de eerste doodvonnissen in de
oorlog in Noord-Nederland. Niemand had verwacht dat staken met executie
zou worden bestraft. Met de Meistaking kwam er een ommekeer naar de
grimmige helft van de Tweede Wereldoorlog.
Er werden dus in totaal vierendertig
lichamen op een onbekende plaats begraven, maar aldus Duitse
verklaringen, wel 'allemaal bij elkaar, in een moerassig gedeelte van
een militair oefengebied onder Groningen', de Appèlbergen (Haren) dus,
momenteel Staatsbosbeheerreservaat. Na de bevrijding zijn op 30 november
en 1 december 1945 negentien van de vermiste slachtoffers gevonden aan
de rand van het Grote Veen van de Appèlbergen te Haren: de zestien
slachtoffers uit Marum, Jan Postema en Berend Trip. Vanwege de Marumers
wordt het geruimde vaak het Trimuntgraf genoemd. Van de negentien
gevonden lichamen werden achttien geïdentificeerd. Het
niet-geïdentificeerde lichaam werd als onbekend begraven op
begraafplaats De Eshof te Haren. Het natuurgebied de Appèlbergen bleef
tot 1993 militair oefenterrein.
De onderzoeken.
Naar de vermiste slachtoffers werd
meerdere malen gezocht. Waarom is dat niet meteen gebeurd? Het
werd pas in 1949, toen de getuigenverklaringen tegen de bezetters werden
verzameld, bekend dat er nóg zestien slachtoffers in de Appèlbergen
moesten liggen. Inspecteur Jan Kerkhof van Politie Groningen heeft aan
het begin van de jaren '50 geprobeerd van de Duitsers informatie over de
graflocatie los te krijgen. Dit is helaas niet gelukt.
Tussen 1985 en 1993 is nogmaals een
grootscheepse poging gedaan. Dhr. C.W. Corts (vriend van de familie van
één van de vermisten), enkele nabestaanden, Stichting 1940-1945
Groningen, gemeente Haren, Technische Universiteit Delft, en de
Koninklijke Luchtmacht hebben veel in het werk gesteld om de graven van
de vermisten in de Appèlbergen te traceren. Met de toen beschikbare
informatie en technieken kon helaas geen bevredigend eindresultaat
worden gerealiseerd.
Voor de Werkgroep Appèlbergen vormden de
evaluaties van de voorgaande onderzoeken naast de gelegde contacten een
fundament om langzaam en gestaag vanaf 1995 in alle stilte verder te
gaan. Nabestaande Truus de Witte en historicus Robert Boxem startten het
onderzoek. Historicus Peter de Jong voegde zich in 1998 bij de
Werkgroep.
In 1996 en 1997 werden veel verloren
gewaande archiefdocumenten en een aantal nieuwe feiten ontdekt, die
wezen op de waarschijnlijke begraafplaatsen van de vermisten. Daarom
trachtte de Werkgroep de exacte graven opnieuw te lokaliseren. Ook
bleken technieken voor bodemonderzoek in korte tijd te zijn verbeterd en
verfijnd.
Het archiefonderzoek van de Werkgroep
Appèlbergen.
Uit het archiefonderzoek van de Werkgroep
Appèlbergen kwamen de volgende aanknopingspunten:
● De verloren gewaande Processen Verbaal van
Vermissing van 1949 zijn gevonden, met de beschrijving van de vermisten
(lengte, gebit, kleding, schoenmaat, metalen voorwerpen die ze bij zich
droegen),
● De verloren gewaande Sectierapporten van
de negentien in 1945 gevonden slachtoffers zijn gevonden, waardoor
nieuwe informatie beschikbaar kwam. Het werd duidelijk dat er
bijvoorbeeld geen ongebluste kalk is gebruikt, en dat de meeste
bezittingen niet van de slachtoffers zijn afgenomen,
● Verschillende nieuwe archiefdocumenten
zijn gevonden, die wijzen naar het Grote Veen van de Appèlbergen als
begraafplaats,er kon op grond van de Processen Verbaal van Vermissing
een lijst van metalen worden gemaakt, waarop gedetecteerd kon worden,
zelfs in moerassige grond,
● De waterstand van het Grote Veen lag
tijdens de Tweede Wereldoorlog 50 centimeter lager dan de huidige stand,
● Er is veel meer bodemkennis over de
Appèlbergen en het Grote Veen,
● Kennis over geschiedenis, documenten,
natuur, bodem, veenwater en techniek zijn aan elkaar gekoppeld, zodat
een waterdichte reconstructie van 1943 – 1945 kon worden gemaakt,
● Voorheen had bijvoorbeeld Archeologisch
Adviesbureau RAAP (Amsterdam) nog niet de beschikking over de
geavanceerde technieken die zij later hadden, waardoor pas nu aan
effectief onderzoek van moerasgebied gedacht kon worden,
● Er is nu bekend welke munitie is gebruikt
en hoeveel daarvan in de grond moet zitten.
Het stappenplan.
De Werkgroep Appèlbergen heeft het
onderzoek naar de locaties van het massagraf volgens het volgende
stappenplan gedaan:
Stap 1:
Het verzamelen, bestuderen, op elkaar afstemmen van alle archiefdocumenten,
(verslagen, verklaringen, Processen Verbaal, rapporten, krantenberichten, enz)
en overige stukken, het mogelijk opvullen van hiaten. Het verzamelen van alle
mogelijke deskundigheid op het gebied van bodem, water, vegetatie, geschiedenis,
onderzoeksmethoden en het op elkaar afstemmen hiervan. Het aanleggen van een
netwerk van betrokkenen op onderzoeksgebied en het gedegen doorspelen van alle
informatie: Bergings- en Identificatiedienst (BID) van de Koninklijke Landmacht,
Technische Universiteit (TU), Staatsbosbeheer, Regiopolitie Groningen, Stichting
Oorlogs- en Verzetsmateriaal Groningen (OVMG), Oorlogsgravenstichting, Gemeente
Haren, NIOD, Justitiële archieven en enkele belangstellende families van
vermisten.
Uit de gevonden getuigenverklaringen,
aanwijzingen, Processen Verbaal, archiefmateriaal van de bezetters en
overheidsdocumenten kan met de grootst mogelijke grote mate van zekerheid worden
afgeleid dat in mei 1943 alle vierendertig lichamen werden verborgen in het
Grote Veen van de Appèlbergen.
Eind 1945 zijn negentien van hen al
gevonden. Eén lichaam werd niet geïdentificeerd. Omdat het Grote Veen een moerassig, zeer moeilijk
begaanbaar terrein van circa tien hectare is, was het te uitgebreid en
tijdrovend om in zijn geheel door de BID te worden onderzocht. Daarom is gewerkt
naar segmentatie van het gebied en reductie van de locaties.
Stap 2: Het in kaart laten
brengen van het Grote Veen, met alle mogelijke verdachte locaties,
gebaseerd op een zo breed mogelijk onderzoek. Op advies van
Staatsbosbeheer werd samengewerkt met Aart Meijssen te Arnhem, ingenieur
voor bos, natuur en landschap en cartograaf. Hij heeft zeer gedegen de
beschikbare informatie gecombineerd met zijn eigen informatie,
kontakten, luchtfoto's, veldonderzoek en kundigheid, en met assistentie
van Staatsbosbeheer (Harry Offringa) een studie gemaakt van het Grote
Veen. Het eindverslag was in juli 1998 klaar en meldt 8495 vierkante
meter petgatencomplex en 1086 meter afwateringssloot als verdacht
gebied. De rest van het Veen viel af. Het deelproject is gefinancierd
door Stichting Fondsenwerving Militaire Oorlog- en Dienstslachtoffers (SFMO).
Stap 3: Het laten
onderzoeken van alle verdachte gebieden (waarin Meijssen overigens wel
een gradatie van verdachtheid heeft aangegeven). De BID zou een beperkt
gebied kunnen onderzoeken. Door eerst alle verdachte gebieden te
onderzoeken zouden een aantal locaties afvallen en een aantal locaties
overblijven voor grondonderzoek door de BID. Aanvankelijk werd gewacht
op een vorstperiode waarin het natte gedeelte van de Appèlbergen zou
bevriezen. Zo zou al het verdachte gebied heel simpel kunnen worden
betreden, en op wát voor manier dan ook kunnen worden onderzocht. In
ieder geval werd aan een vorm van metaaldetectie gedacht omdat er een
lijst is gemaakt van de metalen voorwerpen die de vermisten bij zich
droegen.
Ook de door de bezetters gebruikte munitie was bekend. Locatie
17 en 18 (beide langs langs het pad) zouden de voorrang krijgen. Toen
deze vorstperiode twee winters uitbleef is heeft de Werkgroep Appèlbergen in augustus 2000 contact opgenomen met Archeologisch
Adviesbureau RAAP (Alette Kattenberg en Ivar Schutte) te Amsterdam,
waarna in oktober 2000 een onderzoeksvoorstel en offerte werden
vastgesteld. Toen de subsidie (Provincie Groningen, Stichting Friesland
1940-1945, Stichting Sneek 1940-1945 en Je Maintiendrai Friesland gaven
elk een deel) voor het onderzoek in de herfst van 2001 binnen was, heeft
RAAP op 4, 5 en 6 oktober 2001 een kwart van locatie 18 gescand met
metaaldetectie (EM61), magnetometrisch onderzoek en conventionele
metaaldetectie. Dit leverde zeven anomalieën op, die wezen op de
aanwezigheid van dieptemetaal. In februari 2002 is hierover contact
geweest met de BID (aanwezig: gemeente Haren, Staatsbosbeheer, BID en
Werkgroep Appèlbergen).
De BID wilde de anomalieën onderzoeken na
drooglegging van het betreffende gebied en na officieel verzoek van de
gemeente Haren. Staatsbosbeheer heeft vervolgens een plan gemaakt,
waarbij enerzijds het te onderzoeken gebied werd drooggelegd en
anderzijds de aanwezige natuur zoveel mogelijk werd gespaard. Het plan
bestond uit het aanbrengen van een wal van verzwarende aarde rond de te
onderzoeken locatie, waarna het aanwezige water uit het gebied zou
worden gepompt. Tevens zou indien nodig een balk uit de dam van de
afwateringssloot worden gehaald, waardoor het waterpeil in het hele
Grote Veen van de Appèlbergen zo'n 15 cm zou dalen. De kosten van het
plan bedroegen € 36.000,00, waarbij het AOC Terra College (Eelde) met
een klas leerlingen (klas 4m) aanvullende grondmetingen voor haar
rekening nam.
Het plan is op 9 april 2003 overhandigd aan de
burgemeester van Haren (Arjen Gerritsen) met het verzoek of de gemeente
Haren middelen (geld, mankracht, materieel, bemiddeling) beschikbaar kon
stellen om het plan van Staatsbosbeheer te realiseren. Daarnaast is de
gemeente verzocht als officiële rechtspersoon op te treden naar de BID.
De burgemeester toonde grote betrokkenheid en zegde in het gesprek toe
als rechtspersoon te zullen optreden, de hele zaak te zullen bestuderen,
en te kijken wat de gemeente Haren kon doen aan de realisering van het
plan.
Begin juli 2003 zijn door burgemeester Gerritsen
zes subsidieverzoeken gericht aan o.a. de provinciebesturen van Friesland,
Groningen en Drenthe. Vervolgens zorgde de hittegolf en het uitblijven van regen
ervoor dat de waterstand in het Grote Veen enkele tientallen centimeters lager
kwam te staan. Nabestaanden wachtten in grote spanning. De tijd was nu rijp om
iets te ondernemen. Dit was ook de mening van burgemeester Arjen Gerritsen.Op 26 augustus 2003 is de zaak besproken in het
college van B&W van Haren.
In overleg met Staatsbosbeheer en aannemer De Roo
(Stadskanaal) werd het plan aangepast. Er zou een gleuf worden gegraven rond het
te onderzoeken gebied. Deze zou worden volgestort met leem. Vervolgens zou het
overtollige water uit het afgezette gebied worden gepompt. Door de extreme
droogte en met de nieuwe methodiek konden de kosten worden teruggebracht tot €
20.000,00. Gemeentewerken Haren zou een aantal taken op zich nemen, bijvoorbeeld
het afplaggen van de bovenste veenlaag in verband met natuurbescherming.
Staatsbosbeheer zou continu volop assisteren. Het college van B&W besloot op 26 augustus 2003
groen licht te geven. Haren zou garant staan voor de kosten, maar niet (alles)
kunnen betalen. Haren schoot dus voor, hangende de subsidieaanvragen. Al snel
werd door Groningen en Friesland gereageerd, Drenthe volgde met een
subsidiebijdrage. De drie provincies en de gemeente hebben uiteindelijk elk een
kwart van de kosten gedragen. Het graven van de gleuf gebeurde op 15 en 16
september 2003. Daarna werd de bovenlaag en begroeiing verwijderd (17 september)
en het gebied droog gepompt. Adjudant André Swerissen (BID) gaf aan in welke
staat en hoe droog hij het gebied wilde hebben. Op 22 september zijn door RAAP
(Theo ten Anscher) en Werkgroep Appèlbergen de piketten ingemeten op de
coördinaten van het gedetecteerde dieptemetaal.
Stap 4: De BID van de
Koninklijke Landmacht onderzoekt het gebied. Uiteindelijk werd dus
slechts een kwart van locatie 18 onderzocht. De BID begon met haar
onderzoek op 23 september 2003 om 10.00 uur, en sloot het op 29
september om 16.00 uur af. De inzet van de onderzoeken was een zo
haalbaar mogelijk doel: Minimaal aantonen dat er lichamen begraven
liggen in het gebied, minimaal de onzekere jaren afsluiten met het
plaatsen van een gedenksteen met daarop alle namen van alle 34
slachtoffers. Dit, om de gevoelens van de nabestaanden zo veel mogelijk
te sparen. Immers, een utopische doelstelling, het vinden, identificeren
en bergen van alle vermisten, had grote kans om na zestig jaar op een
pijnlijke teleurstelling uit te lopen.
RAAP heeft overigens in haar onderzoeken
van oktober 2001 (Kattenberg en Schutte) en september 2003 (Ten Anscher)
bevestigd wat de Technische Universiteit Delft (Fokkema) in 1993 had
geconcludeerd: bij het hekje, aan de rand van het Grote Veen, is enorm
gegraven. Dit moet het geruimde Trimuntgraf zijn geweest. Deze
conclusies komen overeen met ooggetuigenverslagen uit de jaren vlak na
de oorlog. De machinist Jannus Kruit van De Roo schraapte steeds
voorzichtig vijf centimeter van de grond af, waarna Adjudant André
Swerissen meteen de vrijgekomen grondlaag inspecteerde, en Sergeant
Willem van Es de laadbak zorgvuldig nakeek. Deskundigen van De Roo en
Staatsbosbeheer (Harry Offringa) waren continu aanwezig. Tijdens de
opgraving was het gebied niet visueel en fysiek afgeschermd, in
tegenstelling tot wat gebruikelijk is bij BID-onderzoeken. Dit werd door
belangstellende familieleden erg op prijs gesteld. Zo konden
familieleden de werkzaamheden op de voet volgen, en met elkaar en met de
deskundigen praten.
Het waren erg spannende dagen, waarin
tussen familieleden en Werkgroepleden veel heen en weer werd gebeld.
Uiteindelijk heeft de BID geen graven gevonden. Dit was erg jammer, maar
toch overheersten de gevoelens van opluchting over de zekerheid dat de
vermisten zéker op de Appèlbergen begraven lagen, over de grote
hoeveelheid gedetailleerde informatie die onder de familieleden is
verspreid, en over de erkenning dat hun vermiste familieleden
waardevolle mensen zijn die niet vergeten zijn.
De motivatie voor de keuze van locatie 18
in stap 3.
In stap 3 wordt locatie 18 genoemd als
meest waarschijnlijke graflocatie. Het voorstel om alleen locatie 18 te
onderzoeken vond haar oorsprong in diverse bronnen. Meijssen heeft in
zijn verslaglegging al een onderverdeling gemaakt in verschillende
verdachte gebieden. Zo noemde hij de in het centrum van het Grote Veen
gelegen delen van de afwateringssloten al onwaarschijnlijker dan de
petgatencomplexen langs de weg, in het bijzonder de locaties 17 en 18 en
dan ook nog die delen daarvan die het dichtst bij de berijdbare zandweg
liggen. In locatie 18 ligt één van de drie locaties die in januari 1993
door Sergeant Majoor Gringhuis (Koninklijke Luchtmacht) is aangegeven,
na de oude luchtfoto's met de nieuwe te hebben vergeleken. Vanwege de
hoge waterstand zijn alle in het Grote Veen gelegen locaties destijds,
en achteraf helaas ten onrechte, als irrelevant ter zijde geschoven. De
in 1993 door de TU Delft bepaalde Trimunt-locatie ligt ook aan de rand
van het Veen, naar nu blijkt, in locatie 18 of er tegen aan.
Kortom, locatie 18:
Is door Meijssen als de meest kansrijke
locatie aangeduid, naast 17.
Grenst aan het Trimuntgraf (geruimd op 30
november 1945 en 1 december 1945) of overlapt dit.
Ligt aan de berijdbare weg, in 1943
gemakkelijk te bereiken.
Heeft evenals het Trimuntgraf een stuk
afwateringsgreppel.
Was nu redelijk begaanbaar (en in 1943
goed begaanbaar)
Was in 1943 onzichtbaar voor de
buitenwereld.
Verbindt alle uitspraken van de bezetters
'dat de slachtoffers vlak bij elkaar liggen in een moerassig gebied in
een militair oefenterrein', en alle verschillende waarnemingen van
graafwerkzaamheden in 1943 die tot nu toe alleen naar het Trimuntgraf
hebben geleid.
Daarnaast betekende detectie van een
afgebakende locatie als 18 een afgerond onderzoek. Op 4, 5 en 6 oktober
is locatie 18 onderzocht door RAAP. Staatsbosbeheer (Harry Offringa) en
de Werkgroep Appèlbergen hebben geassisteerd, om een zo groot mogelijk
gedeelte van de locatie te onderzoeken. Helaas is het door de extreem
moeilijke omstandigheden niet gelukt de hele locatie 18 in beeld te
krijgen. Slechts een kwart is onderzocht. RAAP heeft het onderzoek tegen
kostprijs uitgevoerd.
Zestig jaar later.
Waarom zochten we de vermisten nog steeds,
na 50-60 jaar?
Na het verstoppen van de lichamen kregen
de families van de geëxecuteerden in mei 1943 een kort briefje
thuisgestuurd: '...de teraardebestelling heeft plaats gevonden doch de
plaats daarvan kon niet worden bekendgemaakt.' De gevolgen van de
verdwijning waren desastreus. Verschillende nabestaanden slingerden
jarenlang heen en weer tussen hoop en rouwproces. De hoop op terugkeer
uit bijvoorbeeld krijgsgevangenschap nam in de jaren '60 af. De hoop op
het vinden van de lichamen, op het vinden van zekerheid, bleef tot de
laatste zoekpoging. Na de bekendmaking van het voldongen feit kon de
verwerking en het rouwproces pas beginnen. De wurgende onzekerheid van
vermissing was afschuwelijk. Dood is heel erg, vermissing is echter nog
erger.
Na deze laatste, zeer goed voorbereide
zoekpoging, is een monument geplaatst. De documenten staan garant voor
de zekerheid van de graflocatie: het Grote Veen in de Appèlbergen. Het
monument bevestigt dat de 'dumpplaats' een begraafplaats is geworden. De
gevolgen van de vermissing waren desastreus voor de families.
Van de veroordeelden die in Hoogezand en
Scharmer zijn gefusilleerd, was het bij enkele families bekend dat hun
vader of broer was doodgeschoten, omdat dit voor de ogen van collega's
en andere ooggetuigen is gebeurd. Ook de koelbloedige moord op Grietje
Dekker is gezien, zodat er al een begrafenis werd gepland. De gedrukte
rouwkaarten bleven liggen, omdat de bezetters het lichaam van Grietje
Dekker meenamen en op een onbekende plaats verstopten.
De andere families wisten niet zeker óf en
wáár hun vader of broer was vermoord. Misschien was hij wel afgevoerd
naar Rusland. De schietbanen van het Kalverdijkje (Leeuwarden) en de
Rabenhauptkazerne (Groningen), waar executies hebben plaatsgevonden,
waren afgeschermd van de buitenwereld. Een ooggetuige heeft wel gezien
dat meester Jan Eisenga en Harm Bos omringd door gewapende Duitsers op
het Kalverdijkje liepen, de bevestiging van de moorden op de anderen
kwam in 1949 van de ondervraagde bezetters zelf: 'Ja, ze zijn allemaal
doodgeschoten, ze zijn allemaal begraven op dezelfde plek, in een
militair oefenterrein onder Groningen, aan de rand van een moerassig
heideachtig gebied, allemaal dicht bij elkaar, ongeveer 200 à 300 meter
ten noordoosten van een theehuisje.' Deze uitspraken werden door talloze
archiefdocumenten bevestigd.
De onzekerheid over de moorden en de
begraafplaatsen had veel invloed. Bij de meeste families mocht de deur
niet meer op slot, jarenlang. Immers, tot ver in de jaren '50 kwamen nog
treinen met terugkerende gevangenen uit het oosten? Gesprekken deden de
ronde, misschien kon hij het Russische kamp niet uit, misschien was hij
gehersenspoeld..... De theoretische leeftijd werd gevolgd, hij zou nu
45 zijn, of 85, zou hij nog in leven zijn? 'Vermist is erger dan dood',
is de titel van een boekje van de Koninklijke Landmacht. Ieder
familielid van een vermiste zal dit beamen. Het voldongen feit, dat
nodig is voor het begrijpen, verwerken en uiteindelijk accepteren van
een afschuwelijke gebeurtenis, is familieleden bewust door de Duitse
bezetters ontnomen.
In de meeste huiskamers hing een groot
portret van het vermiste familielid. Het vriendelijk glimlachende
gezicht vervulde de achterblijvers met grote pijn en een enorm
schuldgevoel. Vaders en broers hadden immers kunnen eisen dat hun zoon
of broer zou gaan onderduiken? Ze hadden zich als gijzelaar kunnen laten
meenemen, die werden toch weer vrijgelaten? Vrouwen hadden immers kunnen
eisen dat hun man aan het werk zou gaan? Moeders hadden immers hun zoons
kunnen verbieden aan de stakingsactiviteiten mee te doen? Dit
schuldgevoel was grootschalig aanwezig, achteraf.
Maar zo ging het niet, toen in 1943.
Iedereen deed immers mee. Er was een grote sfeer van saamhorigheid
tijdens de grote landelijke wilde staking. Tot die tijd waren de
bezetters redelijk schappelijk geweest, nu schrokken ze van de kracht
van verzet van Nederland. Niemand verwachtte dat de bezetter zo
gewelddadig zou optreden, de opstand met zoveel bloedvergieten zou
onderdrukken. Dat had de bezetter immers nog nooit gedaan, voor die
meidagen.
De slachtoffers.
Deze mensen liggen begraven op de
Appèlbergen. Zij zijn zestig jaar vermist geweest.
Grietje Dekker.
Grietje Dekker raakte voor haar woonhuis
in Musselkanaal gewond toen de Duitsers op zaterdagavond 1 mei 1943
zonder enige reden begonnen te schieten. Een huisarts was snel ter
plaatste en wilde haar naar het ziekenhuis laten brengen, maar de
Duitsers zeiden dat zij het wel zouden regelen. Ze namen de zwaargewonde
Grietje mee in hun auto. Een eindje buiten het dorp legden ze haar in de
berm en schoten haar vier keer door het hoofd. Daarna namen ze het
lichaam weer mee en werd het op een onbekende plaats begraven. Het was
Grietje Dekker's verlovingsdag.
Jogchum van Zwol.
Jogchum van Zwol en twee vrienden werden
door de Duitsers op straat aangehouden en gefouilleerd. Hij bleek een
boksbeugel bij zich te hebben en werd onmiddellijk meegenomen naar het
Scholtenshuis te Groningen (het SD hoofdkantoor). Jogchum werd daar
standrechtelijk tot de doodstraf veroordeeld wegens verboden wapenbezit
en opruien tot staken en op 1 mei 1943 om 21.10 uur op de schietbaan van
de Rabenhauptkazerne te Groningen gefusilleerd. Jogchum van Zwol was
ongehuwd en woonde bij zijn ouders in Leens. Hij was kwekersknecht.
Broer de
Witte.
Broer de Witte deed op zaterdagavond 1 mei
1943 met zijn 17-jarige broer Wiebe en vele anderen mee aan de
melkstaking op het fabrieksterrein van de melkfabriek te Oudega (Wymbritseradeel).
Bussen melk werden van de melkauto's getrokken en leeggegooid op het
fabrieksterrein. De volgende ochtend werd hij samen met Wiebe van huis
gehaald. Met een groot anderen werd hij gearresteerd. Vier van hen
werden op 3 mei 1943 standrechtelijk tot de doodstraf veroordeeld in het
Scholtenshuis te Groningen. Broer werd, als oudste, op de schietbaan van
de Rabenhauptkazerne te Groningen gefusilleerd op 3 mei 1943 om 15.00
uur. De drie anderen, onder andere Wiebe, kregen gevangenisstraf. Broer
woonde bij zijn ouders in Greonterp bij Blauhuis, en was student aan de
Landbouwschool.
Harm
Bakker.
Harm Bakker deed op maandag 3 mei 1943 met
zijn broer Jan en vele anderen mee aan het leeggooien van melkbussen die
langs de kant van de weg in Roderesch stonden. Later op de dag werden
zes personen gearresteerd. Vier van hen werden meegenomen naar het
Scholtenshuis te Groningen. Harm werd samen met Jan Postema, die die
middag op de vlucht is doodgeschoten, standrechtelijk ter dood
veroordeeld, en op 3 mei 1943 om 20.10 uur op de schietbaan van de
Rabenhauptkazerne te Groningen gefusilleerd. Jan Postema is in het
geruimde Trimuntgraf gevonden op 1 december 1945. Harm Bakker was
ongehuwd, was pakhuisknecht en woonde in Steenbergen.
De volgende drie vermiste slachtoffers
werden op het terrein van de Aardappelmeelfabriek De Woudbloem te
Scharmer (Slochteren) gefusilleerd, om de staking daar te breken. De
lichamen zijn volgens getuigen naar Haren gebracht.
Egbert Thomas.
Egbert Thomas werd op 4 mei 1943
gearresteerd omdat hij als één van de stakingsleiders was aangewezen van
de staking bij de Aardappelmeelfabriek De Woudbloem te Scharmer (Slochteren).
Ondanks verschillende waarschuwingen weigerde Egbert onder te duiken,
omdat hij overtuigd was van het goede van zijn daden. Hij werd
standrechtelijk op het Scholtenshuis te Groningen ter dood veroordeeld
en op 4 mei 1943 om 16.05 uur samen met de broers Eisso en Hermanus
Kleefman voor de fabriek gefusilleerd. Egbert Thoma was getrouwd, was
fabrieksarbeider bij De Woudbloem en woonde in Scharmer. Hij had een
zoontje van een half jaar.
Eisso Kleefman.
Eisso Kleefman werd in zijn woning
gearresteerd omdat hij als fabrieksarbeider had gestaakt bij De
Woudbloem te Scharmer. Dat was zijn enige fout: hij zat thuis in plaats
van op het werk. Op het Scholtenshuis te Groningen werd hij
standrechtelijk ter dood veroordeeld en samen met zijn broer Hermanus
Kleefman en Egbert Thoma voor de ogen van de andere fabrieksarbeiders op
4 mei 1943 om 16.05 uur op het terrein van De Woudbloem gefusilleerd.
Eisso Kleefman was getrouwd en woonde in Scharmer. Hij had drie
kinderen.
Hermanus Kleefman.
Hermanus Kleefman werd thuis gearresteerd
omdat hij als fabrieksarbeider had meegedaan aan de staking bij De
Woudbloem te Scharmer. Ook zijn enige fout was dat hij niet op het werk
was verschenen in verband met de staking. Op het Scholtenshuis te
Groningen werd hij standrechtelijk ter dood veroordeeld en op 4 mei 1943
om 16.05 uur samen met zijn broer Eisso Kleefman en Egbert Thoma voor de
ogen van zijn collega's gefusilleerd op het terrein van De Woudbloem.
Hermanus Kleefman was getrouwd en had drie kinderen. Hij woonde in
Scharmer.
De volgende vijf vermiste slachtoffers
werden gefusilleerd op het terrein van de Strokartonfabriek Beukema te
Hoogezand, om de staking daar te breken. De vijf jongens / mannen kenden
elkaar niet en hadden geen binding met de Strokartonfabriek. De lichamen
zijn volgens getuigen richting Haren gebracht.
Rienold Terpstra.
Rienold Terpstra deed met vele anderen mee
aan de melkstaking te Doezum. Hij weigerde op maandag 3 mei 1943 melk af
te geven. Toen de Duitsers dwongen tot melkvervoer heeft hij met twintig
anderen meegedaan met het leeggooien van melkbussen nadat deze waren
opgehaald. De volgende ochtend is hij om 5.00 uur thuis gearresteerd en
op het Scholtenshuis te Groningen standrechtelijk ter dood veroordeeld.
Hij is op 4 mei 1943 met Paulinus Nieuwold, Gerrit Imbos, Will van
Rossum en Cornelis Luinstra naar Strokartonfabriek Beukema gebracht en
daar om 18.45 uur voor de ogen van de aanwezige fabrieksarbeiders
gefusilleerd. Rienold Terpstra was veehouderhulp en ongehuwd. Hij
woonde in Doezum.
Paulinus Nieuwold.
Paulinus Nieuwold is met meerdere personen
gearresteerd omdat hij had meegedaan aan de staking op de scheepshelling
te Hoogezand. Hij was daar fabrieksarbeider. Alleen Paulinus werd
vervolgens uit de groep gehaald. Er is onzekerheid over verraad. Op het
Scholtenshuis te Groningen werd hij standrechtelijk tot de doodstraf
veroordeeld en op 4 mei 1943 om 18.45 uur met Rienold, Gerrit, Will en
Cornelis op het terrein van Strokartonfabriek Beukema gefusilleerd.
Paulinus Nieuwold was getrouwd en had een zoontje. Hij woonde in Kolham.
Gerrit Imbos.
Gerrit Imbos werd op maandagavond 3 mei
1943 met vele anderen gearresteerd omdat hij had meegedaan aan de
algehele staking van verschillende fabrieken en bedrijven in Hoogezand.
Vijf van hen werden standrechtelijk ter dood veroordeeld op het
Scholtenshuis te Groningen, en opgesloten in een cel bij de
Rabenhauptkazerne te Groningen. Gerrit werd de volgende middag uit de
cel gehaald en om 18.45 uur samen met Rienold, Paulinus, Will en
Cornelis op het terrein van de Strokartonfabriek te Hoogezand
gefusilleerd. De andere vier werden afgevoerd naar Vught. Gerrit Imbos
was hellingknecht, ongehuwd en woonde bij zijn ouders in Hoogezand.
Willem Antonie van Rossum.
Will van Rossum werd op 4 mei 1943 om half
elf uit de schoolbanken gehaald en naar het Scholtenshuis te Groningen
gebracht. Hij werd daar standrechtelijk tot de doodstraf veroordeeld
omdat hij een windbuks op zijn kamer had staan. Het 'verboden
wapenbezit' is verraden. Willem werd samen met Rienold, Paulinus, Gerrit
en Cornelis op 4 mei 1943 naar de Strokartonfabriek te Hoogezand
gebracht en daar om 18.45 uur gefusilleerd. De ouders van Will woonden
in Nederlands Indië. Omdat Will aan de Landbouwschool te Groningen
studeerde woonde hij in een pensionkamer aan de Emmasingel te
Groningen.
Cornelis Luinstra.
Cornelis Luinstra is op maandagavond 3 mei
1943 in het huis van een vriend in Warfstermolen gearresteerd omdat hij
staakte en anderen aanzette tot staking. Meerdere mensen waren
gearresteerd en meegenomen naar Groningen. Op het Scholtenshuis is hij
standrechtelijk ter dood veroordeeld. Op 4 mei 1943 is Cornelis uit de
cel gehaald en samen met Rienold, Paulinus, Gerrit en Will naar de
Strokartonfabriek te Hoogezand gebracht. Toen Cornelis zijn verloren
klomp wilde pakken kreeg hij een klap met een geweerkolf. Om 18.45 uur
zijn de veroordeelden voor de ogen van de aanwezigen gefusilleerd.
Cornelis Luinstra was landarbeider en woonde bij zijn ouders in
Warfstermolen. De volgende vier vermiste slachtoffers
zijn gefusilleerd op de schietbaan van Het Kalverdijkje te Leeuwarden.
De lichamen werden volgens getuigen richting Groningen en Haren
gebracht.
Bouke de Vries.
Bouke de Vries deed met vele anderen op
zaterdagavond 1 mei 1943 mee aan de melkstaking te Oudega-W. Hij was op
een boot gesprongen die melkbussen vervoerde en leegde de bussen in het
meer. Bouke dook onder, evenals enkele anderen die hadden meegedaan.
Toen werd zijn vrouw Grietje op maandagmorgen 3 mei 1943 meegenomen,
terwijl thuis drie kleine kinderen achterbleven. Van andere stakers
waren ook al familieleden als gijzelaar meegenomen. Dit kon Bouke niet
aanzien, en meldde zich vrijwillig op 4 mei 1943. Andere gijzelaars
waren al weer vrijgelaten, maar Bouke werd als leider gezien. Bouke werd
standrechtelijk tot de doodstraf veroordeeld op het Oud Burger Weeshuis
(SD-kantoor, waarheen het Standrecht was verhuisd vanwege de lang
aanhoudende onrusten in Friesland) te Leeuwarden en samen met Dirk
Fokkens op 4 mei 1943 om 21.30 uur op het Kalverdijkje te Leeuwarden
gefusilleerd. Bouke de Vries was vrachtrijder en woonde met zijn jonge
gezin in Oudega (Wymbritseradeel).
Dirk Fokkens.
Dirk Fokkens was op 3 mei 1943 onderweg
naar de huisarts vanwege een ontstoken vinger, toen hij voor het
stadhuis van de gemeente in de menigte bleef staan. De grote menigte was
in verband met de Meistaking naar het stadhuis in Metslawier getrokken,
om gearresteerden vrij te krijgen. Door de deur heen werd op de menigte
geschoten. Hierbij raakte Dirk gewond aan zijn hak. Later werd de
huisarts gedwongen de namen van de gewonden te noemen. Dirk werd daarna
in zijn woning gearresteerd op 3 mei 1943. In het Oud Burger Weeshuis te
Leeuwarden kreeg hij standrechtelijk de doodstraf wegens deelname aan de
staking. Samen met Bouke de Vries werd hij op 4 mei 1943 om 21.30 uur op
het Kalverdijkje te Leeuwarden gefusilleerd. Dirk Fokkens woonde in
Niawier en was net een week getrouwd.
Jan Eisenga.
Jan Eisenga werd laat in de avond van 3
mei 1943 thuis opgehaald en meegevraagd naar de Melkbussenfabriek te
Gorredijk omdat hij enkele vragen moest beantwoorden. Er werden meer
arrestanten binnengebracht. Jan Eisenga is samen met een vrouwelijke
collega naar het Oud Burger Weeshuis te Leeuwarden gebracht, waar hij
zeer openhartig voor zijn meningen uitkwam. Hij is daarna
standrechtelijk ter dood veroordeeld wegens aanzetting tot
schoolstaking. De vrouwelijke collega werd weer vrijgelaten. Samen met
Harm Bos werd Jan Eisenga op 5 mei 1943 om 10.45 uur op het Kalverdijkje
te Leeuwarden gefusilleerd. Er waren getuigen en er is door de Duitsers
een foto gemaakt. Jan Eisenga was onderwijzer, getrouwd, had twee
zoontjes, en woonde in Gorredijk.
Harm Bos.
Harm Bos werd op 3 mei 1943 bij zijn
werkgever gearresteerd en naar de Marechausseekazerne te Westerbork
gebracht en vervolgens naar het Huis van Bewaring te Assen. Hij werd met
een aantal anderen verdacht van brandstichting bij een aantal
boerderijen van NSB'ers. Op 4 mei 1943 is hij met twee anderen naar het
Oud Burger Weeshuis te Leeuwarden gebracht. Daar is Harm standrechtelijk
tot de doodstraf veroordeeld en werden de twee anderen vrijgelaten. Op 5
mei 43 is hij samen met Jan Eisenga om 10.45 uur op het Kalverdijkje te
Leeuwarden gefusilleerd. Harm was landarbeider, was ongehuwd, en woonde
bij zijn ouders in Elp.
Truus de Witte.

Foto van:
Appelbergen
- Wikipedia

Esmée Adrienne
van Eeghen.
Esmée van Eeghen, (leerling-verpleegster) geboren op
7 juli 1918 te Amsterdam, overleden op
07-09-1944 te Noorddijk.
Was een Nederlandse verzetsstrijdster
in de Tweede Wereldoorlog die model heeft gestaan voor de figuur
Rachel Stein uit de film Zwartboek. Van Eeghen geldt als
omstreden omdat zij een affaire begon met een Duitse officier, maar
heeft ondanks alles een grote rol in het verzet gespeeld, vooral in
Friesland, een rol die haar, door haar onstuimige liefdesleven,
uiteindelijk noodlottig zou worden
Levensloop
voor de oorlog.
Haar ouders waren
Reginald van Eeghen, directeur van de Amstel-brouwerij en jonkvrouw
Minette Adrienne van Lennep, beter bekend als Miesje van Lennep.
Esmée had een broer die David
Hendrik heette en twee jaar jonger was dan zij.
Ze had een fijne, beschermde jeugd, ondanks het feit dat haar vader
toen ze acht was na zijn echtscheiding naar Amerika vertrok, waar
hij in 1936 in San Francisco overleed. Haar moeder hertrouwde met
Alphert baron Schimmelpenninck van der Oye, van wie zij een derde
kind kreeg, Sander.

David Hendrik
van Eeghen, geboren op
22 december 1920 te Amsterdam, overleden op
16-04-1945 te Bergen-Belsen.
Haar broeder Dave
ging na de Nederlandse capitulatie in het verzet. Ook Esmée kwam via
een vriend in het verzet. Om onderdak te regelen voor Amsterdamse
studenten kwamen beiden veel in Leeuwarden en in contact met het
plaatselijke verzet. Na een overval door het Friese verzet op het
Arbeidsbureau aan het Zaailand in Leeuwarden op 25 juli 1943 besloot
ze voorgoed in Friesland te blijven..De regionale
Knokploeg (KP) leider Krijn van den Helm gebruikte haar in eerste
instantie als koerierster maar gaandeweg deed zij steeds
gevaarlijker werk zoals het vervoeren van joodse onderduikers en
geallieerde piloten naar onderduik adressen.
Piet Oberman, die
in de zomer van 1944 Krijn van der Helm opvolgde als KP-leider in
Friesland, heeft na de oorlog verklaard: “Esmée was buitengewoon
goed op de hoogte van alles wat betrekking had op de verzetsbeweging
in Friesland en zij kende veel leidinggevende illegale personen in
andere provincies met wie zij als hoofdkoerierster in aanraking
kwam. Zij woonde meermalen belangrijke besprekingen bij op het
hoofdkwartier van de KP, destijds gevestigd ten huize van de heer
Harm Kingma, directeur van een timmerfabriek in Leeuwarden en zijn
vrouw Annie. Geheel alleen heeft zij onder andere wapentransporten
naar Limburg en Amsterdam verzorgd.”
Over de
koelbloedigheid van Esmée doen verschillende verhalen de ronde: zo
zou zij door een Duitse officier een koffer met wapens langs een
controle hebben laten dragen en tijdens een transport van een koffer
met bonkaarten zou zij de koffer doodleuk hebben geopend met de
opmerking dat zij vertegenwoordigster was van een papierfabriek en
met papiermonsters op reis was.
Toch ontstonden
er problemen omdat Esmée een relatie kreeg met verschillende leden
van het verzet waaronder Krijn van der Helm, die getrouwd en vader
van een kind was. Het ging helemaal mis toen Esmée in opdracht van
het verzet contact moest zoeken met de SD (Sicherheitsdienst).
Hiervoor zijn een
aantal bronnen: allereerst Krijn van der Helm die heeft gezegd dat
Esmée in zijn opdracht contact met Duitse officieren zocht. Dit
wordt ook bevestigd door Pieter Wijbenga, een lid van de KP in
Leeuwarden, die na de oorlog vertelde dat hij en Krijn Esmée wilden
inzetten om twee SD'ers naar Makkum te lokken waar ze geliquideerd
zouden worden. Door omstandigheden is van dit plan nooit iets
gekomen. Er zijn ook andere voormalige KP'ers die bevestigen dat
Esmée spioneerde in opdracht van Krijn. Sommigen zeggen dat ze op
die manier informatie over haar broer Dave probeerde te krijgen die
op een trawler in IJmuiden was opgepakt toen hij probeerde om naar
Engeland over te steken. De tocht was verraden. Hij overleed kort
voor de bevrijding waarschijnlijk van uitputting in Bergen-Belsen.
Jammer genoeg
zijn de gevoelens van een vrouw niet te sturen, want Esmée werd
verliefd op een Duitse officier, Hans Schmälzlein, Oberzahlmeister
bij het Verpflegungsamt in Groningen, waar ze ook nog bij in woonde.
Dat was natuurlijk niet te combineren met een rol in het verzet.
Op 15 juli 1944
deden de Duitsers een inval in het hoofdkwartier van het verzet waar
ze een aantal belangrijke documenten buitmaakten. Esmée werd door
het verzet niet meer vertrouwd en kwam voor een veemgericht dat haar
eigenlijk ter dood wilde veroordelen maar haar op voorspraak van
Krijn van der Helm, voor de keuze stelde: Leeuwarden verlaten of
doodgeschoten worden. Uit onderzoek was ondertussen gebleken dat zij
geen verraad had gepleegd, maar dat de gewonde verzetsman Ben de
Vries in de handen van de SD was gevallen en was doorgeslagen
Esmée vertrok uit
Leeuwarden en dook onder bij haar moeder. De SD maakte jacht op haar
en het verzet vertrouwde haar ook niet. Door verraad van haar
vriendin An Jaake werd zij op 8 augustus 1944 opgepakt door de SD.
De SD probeerde haar om te draaien, maar daar is ze niet op
ingegaan. Onduidelijk is wat ze exact heeft verklaard tegen de SD.
Op de avond van 7 september 1944 werd zij samen met Luitje Kremer,
24 jaar en lid van de KP Noord-Drenthe door een executiecommando
onder leiding van Untersturmführer Knorr doodgeschoten. De volgende
dag werd zij in het van Starkenborghkanaal gevonden. Zij ligt samen
met haar broer in Baarn begraven.
De meningen over
Van Eeghen zijn lange tijd verdeeld geweest. Zo werd zij als een
dubbelspion gezien die als een soort Mata Hari het verzet in
Leeuwarden verraden zou hebben. Ook de dood van Krijn van de Helm,
die door de SD'er Pieter Johan Faber in Amersfoort werd
doodgeschoten is aan haar toegeschreven. Dit wordt echter niet door
de feiten ondersteund. Wel is duidelijk dat de wat losse levenstijl
en goede afkomst van Van Eeghen binnen het verzet in Leeuwarden niet
altijd goed begrepen werden.
De figuur Wiesje
in het boek Reis door de nacht van Anne de Vries is losjes op
Esmée van Eeghen gebaseerd. Paul Verhoeven baseerde zijn heldin
Rachel Stein in de film Zwartboek op Esmée van Eeghen. Ook is
er de musical Esmée van componist Theo Loevendie en
librettist Jan Blokker over haar affaire met Hans Schmälzlein. Door
de NCRV werd in de serie Wonderlijke wegen aandacht aan Van Eeghen
besteed.
Esmée van Eeghen
werd in eerste instantie begraven op de Algemene begraafplaats in
Noorddijk. Op 11 augustus 1945 is zij op verzoek van haar moeder
herbegraven op de
Nieuwe algemene begraafplaats
aan de Wijkamplaan in Baarn.

Sipke Ekkers, (chauffeur bij het
expeditiebedrijf van zijn vader in Holwerd) geboren op 30 oktober 1909
te Dokkum,
overleden op 31-01-1945 te Holwerd.
Door verraad van Lieuwe Braaksma, een
neef van de familie Ekkers, kwam op 31 januari 1945 een auto van de
Sicherheitsdienst bij garage Ekkers. De vrouw van Sipke Ekkers zag
de wagen aankomen en waarschuwde de mannen in de garage, die zich
vervolgens onder het hooi in een naastgelegen loods verstopten.
Sipke werd als eerste gevonden en moest zijn borst ontbloten, waarop
hij ter plaatse werd gedood door een schot in de hartstreek. Even
later werd ook vader Ekkers onder het hooi vandaan gehaald. Hij
moest mee naar Dokkum, waar hij uit de auto werd gezet met de
mededeling dat zijn zoon over drie dagen begraven moest worden.
Hierbij mochten geen buitenstaanders aanwezig zijn, zelfs niet de
dominee. Sipke Ekkers werd begraven op de hervormde begraafplaats te Holwerd.

Jonas Elzinga, (fietsenmaker) geboren op
26 november 1910 te Tietjerk,
overleden op 03-05-1943 te Noordbergum.
Op 3 mei 1943 werden de Noardburgumers Fokke Polet en
Jonas Elzinga
op de hoek Zomerweg/Kloosterlaan van hun fiets geschoten nadat ze
hadden geweigerd zich bij de Duitse instanties te melden.(2 personen ontkwamen)

Jan Emmens, (chauffeur in Zuidbroek) geboren op 2
augustus 1916 te Anloo, overleden op 15-04-1945 te
Anna Paulowna.
Fetze Elgersma werd geboren op 22
april 1900 in Wons. Hij was veehouder in Schraard. Toen op 7
april 1945 de overvalwagen van de SD binnenreed, was het de
bedoeling om Willem (de zoon van de familie Elgersma) te
arresteren. Deze was echter niet thuis, maar na een grondig
onderzoek in de boerderij werden wel enkele wapens gevonden.
Fetze en zijn twee onderduikers Jan Emmens en Hermanus
Falkena werden meegenomen en bij de kazerne gefusilleerd.

Marinus van Emst, (Boswachter
en onbezoldigd rijksveldwachter in Appelscha) geboren op 12
januari 1894 te Nunspeet, overleden op 12-08-1944 te Appelscha.
Marinus van Emst was tijdens de Tweede
Wereldoorlog actief in het verzet. Hij maakte schuilplaatsen
voor onderduikers en joden. Ook bracht hij het bos in kaart voor
de geallieerde parachutisten die bij Appelscha landden. In de
zomer van 1944 dook Van Emst onder. Toen hij op 12 augustus 1944
zijn jarige vrouw wilde bezoeken werd hij bij een razzia uit
zijn huis gehaald en buiten neergeschoten, omdat, naar men zegt
hij geen onderduikers of verzetsstrijders had willen aanwijzen.
Van Emst werd met twee gevangenen in een overvalwagen gezet en
overgebracht naar het huis van de politiecommandant aan de
Bruggelaan. Hij werd aan een verhoor onderworpen, maar liet
niets los. Kort daarna werd hij afgevoerd naar de bossen bij
camping Us Blau Hiem te Appelscha, waar hij werd doodgeschoten.
De twee andere arrestanten werden naar Groningen vervoerd,
verhoord en weer vrijgelaten. Van Emst werd op 16 augustus 1944
begraven op de begraafplaats in Nieuw-Appelscha.

Bouwe van Ens, (Was veehouder
te Nieuwehorne) geboren op 23
maart 1893 te
Slijkenburg, overleden 12-04-1945 te
Spitsendijk.
Hij had
in de tweede wereldoorlog een werkzaam aandeel in het verzet. In
het boekwerk "Friesland Annis domini 1940-1945" van de hand van
Drs. Y.N.Ypema, staat:
"H.M. werd opgejaagd en ook zijn medewerker bij de Jodenhulp,
Bouwe van Ens uit Nijehorne, liep groot gevaar, Maar van Ens was
een man, die zich alleen verantwoordelijk voelde tegenover God,
en deze houding heeft hij tot het zeerbittere einde volgehouden.
Ondanks waarschuwingen om te verdwijnen, was hij niet van zins
om ook maar één stap voor een Duitser opzij te gaan, en bleef
hij waar hij was. Op 23 januari 1945 werd hij gegrepen, naar
Crackstate gevoerd en daar op vreselijke wijze mishandeld.
Maar
geen naam werd door hem genoemd". In de nacht van 12 op 13 april
1945, luttele uren vóór de bevrijding van Heerenveen, werd hij
met Sijbren Sijtsma uit Hemelum onder Terband neergeschoten. Op
vrijdag 13 april 1945 werden twee stoffelijke overschotten in
een slootwal te Luinjeberd gevonden. Eén slachtoffer werd
geïdentificeerd als Bouwe van Ens. Op verzoek van de Canadezen
onderzocht een arts beide lichamen, waarbij zware mishandelingen
werden vastgesteld. Het nog niet geïdentificeerde lichaam bleek
van Sijtsma te zijn. Hij werd begraven op de Algemene
begraafplaats te Nieuwehorne. In Heerenveen is een straat naar
de verzetsman vernoemd. Het besluit tot de straatnaamgeving werd
genomen op 19 november 1953.

Johannes Joseph Erich,
(Ambtenaar P.T.T) geboren op 10 september 1914 te Dokkum, overleden op 26-05-1944
te Drachten. In het verzet werkte hij onder
de schuilnaam 'Schipper'. Hij werd begraven op het Ereveld Loenen.
Vier mannen waren werkzaam op
het kantoor van de belastinginspectie in Drachten, dat tijdens
de bezetting een haard van illegale activiteiten was. Eén van de
medewerkers, Marten Meijer, had een relatie met het Groningse
meisje Gepkelientje Folgerts. Dat zij ook betrekkingen
onderhield met de Sicherheitsdienst, vermoedde niemand. Op de
morgen van 26 mei 1944 kwam het meisje vragen of haar vriend ook
aanwezig was. Toen zijn collega's dit bevestigden, kwamen SD-ers
en Landwachters binnenstormden. De PTT-medewerker Erich werd ter
plaatse doodgeschoten. Zes leden van de inspectie werden naar
Duitsland gestuurd. Het waren Gerben Kraak, Sierd Zwart, Meijer,
Geert Jan Blauw, Boleij en de Leeuwarder onderduiker Johannes
Tichelaar. De drie laatstgenoemden kwamen niet uit het
concentratiekamp terug.
Geert Jan Blauw werd geboren op 23 mei 1923 in Drachten. Hij
stierf op 8 juni 1945 te Wörth an der Donau en werd begraven op
het Nederlandse Ereveld te Frankfurt.
Johannes Martinus Boleij werd
geboren op 15 januari 1914 in Duisburg (Duitsland). Hij werd via
kamp Amersfoort naar het concentratiekamp Buchenwald
gedeporteerd, waar hij op 22 april 1945 overleed.
Johannes Bartholomeus Tichelaar
werd geboren op 22 september 1915 in Leeuwarden. Hij stierf op
24 april 1945 in Buchenwald.
De overval
Op 26 mei 1944 gaat Gepkelientje
Folgerts met enkele SD-ers vanuit Groningen naar Drachten. Onder
de SD'ers bevindt zich de beruchte Duitser Lehnhoff. Bij het
tramstation stapt Gepkelientje uit de auto en gaat te voet langs
de Stationsweg naar het enkele honderden meters verderop gelegen
belastingkantoor. Daar aangekomen klopt ze aan en wordt niets
vermoedend binnen gelaten nadat ze gevraagd heeft of Meijer ook
aanwezig is. Binnen heeft ze een gesprek met Meijer waarin ze
hem verteld dat de Duitsers op hem letten en dat hij uit moet
kijken, Op dit moment was Johan Erich juist bezig zich gereed te
maken om een zending bonkaarten naar Makkinga te brengen. Tevens
waren er enkele illegale blaadjes verspreid onder het personeel
die ochtend.
Toen Gepkelientje het kantoor verliet, gaf ze met
haar hoofddoek een teken aan de Duitsers die gelijk daarop bij
het kantoor aanklopten De ambtenaar die open deed zag gelijk dat
het fout zat en vloog naar boven om het personeel te
waarschuwen. Hij werd gevolgd door een Duitser welke het
personeel onder bedreiging van een revolver de wachtkamer in
dreef. Johan Erich die klaar stond om te vertrekken werd door de
SD'er Lehnhoff vermoord.
Volgens Lehnhoff omdat Erich hem zou zijn aangevlogen met een
schaar, volgens getuigen werd hij echter in koelen bloede dood
geschoten. De Duitsers begonnen vervolgens de bureaus leeg te
halen en keken de daarin aanwezige stukken na, alles werd over
de vloer gegooid. Ook braken de Duitsers enkele planken uit de
vloer om te kijken of er onder de vloer ook iets verstopt zat.
Het personeel werd gefouilleerd en ondervraagd over alles wat
verdacht was. Ondanks het feit dat men ontzettend bang was, werd
de Duitsers niets verteld.
De Duitsers werden almaar ruwer en
dreigden zich te vergrijpen aan chef de bureau Hotze de Jong,
hij moest van boven via de trap naar beneden komen, de Duitsers
hadden echter twee planken uit de vloer gehaald zodat de Jong
door de vloer zakte. Vervolgens werd de Jong geschopt en
geslagen. Toen hij niets vertelde begon men hem ook nog eens de
keel dicht te knijpen en gooide hem vervolgens ruw op de vloer
waar hij voor dood bleef liggen.
De ambtenaren Kraak en Boleij
werkten tijdens de overval in het gebouwtje naast het kantoor en
gingen op een gegeven moment niets vermoedend naar de inspectie.
Kraak had een illegaal krantje bij zich, dat hij tevergeefs
probeerde te verstoppen in een dossierstelling. Dit werd gezien
door een SD'er en Kraak en Boleij werden direct in de boeien
geslagen en afgevoerd. Ook Geert Blauw en Marten Meijer werden
afgevoerd. De overige ambtenaren stonden in doodsangst af te
wachten wat er gebeuren ging. Onder hen was onder andere de
onderduiker S. Visser. Hij vertelde later: Toen we stonden te
wachten in de hal, kwam de leider van de SD-ers weer naar binnen
en riep: “noch zwei’, toen werden Johannes Tichelaar en Sierd
Zwart, die direct naast mij stonden, afgevoerd.
Tijdens de overval kwam ook de ontvanger de heer Hanewald aan de
deur van de inspectie, nadat hij aangeklopt had ging de deur
open en werd hem toegesist: “er is een overval van de Duitsers,
ga weg”. De ontvanger spoedde zich daarna terug naar het
ontvangkantoor in de Torenstraat om het daar aanwezige personeel
te waarschuwen.
Men stond daar namelijk klaar om een partij bonkaarten,
persoonsbewijzen enz. naar de inspectie te brengen.
Waren deze mensen niet gewaarschuwd door Hanewald dan waren de
gevolgen nog erger geweest. Nadat de Duitsers en de inmiddels
ook ten tonele verschenen landwachters waren vertrokken bleven
de niet gearresteerde personeelsleden verslagen achter.
De opgepakte ambtenaren werden afgevoerd naar het beruchte
Scholtenhuis, het SD hoofdkwartier te Groningen, om daar aan
nadere verhoren te worden onderworpen. Na een kort verblijf in
Groningen werden de mannen op transport gezet naar het kamp
Amersfoort om daar te wachten op het moment waarop ze werden
doorgevoerd naar een concentratiekamp in Duitsland. Vlak voordat
men naar Duitsland werd afgevoerd, werd Sierd Zwart ziek, hij
kreeg last van dysenterie, een uiterst besmettelijke ziekte. De
Duitsers waren als de dood voor ziektes en lieten Sierd Zwart
toen gaan. Uit een relaas van mevrouw Zwart blijkt hoede
Duitsers hem hadden behandeld en wat voor invloed deze kwestie
op zijn verdere levensloop heeft gehad. Sierd Zwart werd in
oktober 1944 vrijgelaten als een gebroken man.
Hij kon niet
lopen, was erg mager en ook zijn bloedvaten waren uitgerekt. Dit
laatste kwam door dat hij soms dagenlang op 2 linker klompen
moest staan, hier heeft hij veel last van gehouden, vooral als
het weer omsloeg. Hij heeft nog lang met zijn benen recht uit
moeten zitten en hij is het hele kampgebeuren nooit meer te
boven gekomen. De overige ambtenaren zijn overgeplaatst naar het
concentratiekamp Buchenwald. Toen de geallieerden het kamp
naderden werd besloten om Buchenwald te ontruimen en de
gevangenen naar andere kampen over te brengen. Een deel van de
gevangenen, waaronder Johannes Boleij moest te voet gaan. Wie
achterbleef werd door een achter aankomend vuurpeloton
doodgeschoten.
Boleij had net bronchitis gehad en was uitermate
zwak. Hij heeft deze reis niet kunnen volbrengen Johannes
Tichelaar behoorde tot de groep die per trein werd vervoerd ook
hij overleed tijdens de reis. Geert Blauw overleed op 8juni 1945
te Wörth ander Donau in een ziekenhuis. Nu zul je denken hoe
komt Blauw in een ziekenhuis terecht. Wel nu, zoals u weet werd
Buchenwald ontruimd toen de geallieerden naderden. Geert Blauw
moest naar Dachau. Deze tocht ging gedeeltelijk per trein en
verder te voet.
Toen men drie dagen gelopen had moest bij Bach
an der Donau dekking gezocht worden voor een geallieerde
luchtaanval. Geen Blauw en zijn vriend van Praag doken achter
een muurtje en besloten toen om niet meer terug te keren in de
stoet gevangenen. Ze wisten onopgemerkt te blijven en vonden
onderdak bij een boer die hen van eten en drinken voorzag. Na
twee dagen waagde men het om naar Bach te gaan waar inmiddels de
Amerikanen waren gearriveerd. Deze ontfermden zich over de twee
vrienden en zorgden voor schone kleding enz.
Daarna werden ze
weer aan de zorgen van de boer toevertrouwd. Na vier dagen werd
Geert ziek en opgenomen in het ziekenhuis. Ondanks een
intensieve verpleging heeft deze hulp niet meer mogen baten,
door alle ontberingen van Buchenwald en de tocht richting Dachau
was Blauw dusdanig verzwakt dat zijn Lichaam de strijd tegen de
ziekte opgaf. Geert Blauw ligt begraven op het Nederlandse
Ereveld te Frankfurt. Germ Kraak overleefde het concentratiekamp
en is na de bevrijding via een ziekenhuis in Roermond weer thuis
gekomen. Ook hij is de ervaringen van het kamp nooit meer te
boven gekomen.
Toen hij alweer aan het werk was kon zijn buik
soms in een keer beginnen op te zetten, de enige collega’s die
dan bij hem mochten komen waren Sierd Zwart en Luit de Vries.
De enige die ongeschonden uit het kamp terugkeerde was Marten
Meijer. Waar hij later terecht is gekomen is niet geheel
duidelijk, naar verluid zou hij zijn geëmigreerd.
Wat was er in de tussentijd van Gepkelientje geworden. Wel,
volgens een krantenartikel is door het Drachtster verzet
besloten om haar uit de weg te ruimen, maar toen ze in de gaten
kreeg dat ze gevolgd werd, heeft ze bij haar SD-vrienden om hulp
gevraagd. Deze lieten haar vervolgens onderduiken in Duitsland.
Hier is ze gebleven tot het einde van de oorlog. Toen ze terug
kwam in Nederland deed ze het voorkomen of ze een gevierd
illegaal werkster was geweest en diste derhalve de meest
fantastische verhalen op.
Ze liep echter tegen de lamp en werd
gearresteerd op verdenking van verraad. In 1946 moest ze zich
voor haar daden verantwoorden voor het gerechtshof. Ook hier
bleef ze liegen en tegenstrijdige verklaringen afleggen, dit tot
grote woede van de rechters.
In deze zaak werden diverse getuigen gehoord, waaronder de
SD'ers Lehnboff en Kindel. Lehnboff weigerde op het Laatste
moment zijn mond open te doen en Kindel hield Gepkelientje bij
herhaling de hand boven het hoofd.
Wel werd duidelijk uit de getuige verklaringen dat Gepkelientje
geheel uit eigen beweging is gaan samenwerken met de Duitsers,
zij wilde doen geloven dat ze onder druk was gezet. Ook Marten
Meijer werd als getuige gehoord in deze zaak. Hij nam tot ieders
verbazing de verdachte in volledige bescherming ondanks het feit
da hij in het concentratiekamp in een zogenaamde strafploeg had
gezeten. Waarom hij dit deed wist niemand, was het de liefde of
was dit om zijn eigen fouten te verdoezelen?
Hoe het ook zij, de
rechters waren briesend op Meijer, en hij moest voor straf het
hele proces bijwonen om deze vampier beter te leren kennen
oordeelde de president van de rechtbank. Of hoopte de rechter
dat Meijer zijn eigen dwaasheid in zou zien. Gepkelientje
Folgerts werd schuldig bevonden en derhalve veroordeeld tot een
gevangenisstraf van zes en een halfjaar. Ze heeft uiteindelijk
maar twee en een half jaar van haar straf uitgezeten.
Naar aanleiding van het gebeurde is door de collega’s van de
belastingdienst te Drachten na de bevrijding het initiatief
genomen om ter nagedachtenis aan de binnen het ambtsgebied van
de inspectie Drachten omgekomen belastingambtenaren een
gedenkplaat te laten vervaardigen. Dit heeft geleid tot de
huidige plaquette.

Foto van
www.erich.nu
Friesland
Zoals Het
Was - Tweede
Wereldoorlog

Gerardus Willem Hendrik Esselink,
(ambtenaar) geboren op 7
februari 1921 te
Sauwerd, overleden op 26-12-1944
te Meppen-Versen,
Neuengamme
Zoon van de burgemeester van Ferwerderadeel. Zijn illegale werk bestond uit het
verspreiden van het blad Vrij Nederland. Ook heeft hij zich
bezig gehouden met het vervalsen van persoonsbewijzen. Esselink
werd gearresteerd op 28 juni 1944 in de trein bij Arnhem en naar
het concentratiekamp Neuengamme gebracht. Daarna werd hij op
transport gesteld naar Versen, waar hij op 26 december 1944 door
uitputting stierf. Hij werd begraven op het Ereveld Loenen.

Jan Evenhuis, (Hoofdinspecteur
van de Directe Belasting) geboren op 15
januari 1896 te Groningen, overleden op 18-08-1944 te Vught.
Jan Evenhuis is tijdens de oorlog de leider van het Nationaal Steunfonds
in Friesland. Het NSF is tijdens de oorlog een bank voor het
verzet. Het NSF verdeelt tegoeden tussen verzetsgroepen, zowel
in de vorm van bijvoorbeeld bonkaarten als geld. De Friezen
dragen bij aan het NSF naar draagkracht en staan geen tegoeden
af aan het nationale NSF, het devies is in Friesland "Van volk
tot volk" zo zegt Jan.
Ook het systeem van leningen zoals dat door het NSF wordt
gehanteerd slaat in Friesland niet aan. De bijdrage moet volgens
de Friezen juist vrijwillig zijn, dit wakkert volgens hen de
verzetsgeest aan. De Friezen gebruiken een zegelactie om geld in
te zamelen. De top van de NSF kan zich hier echter niet in
vinden en verbiedt de actie. Uiteindelijk worden de zegels
vernietigd om ontdekking te voorkomen en is de actie stopgezet.
Begin 1944 wordt de dochter van Jan door de Duitsers
gearresteerd. Jan reist daarop naar Amsterdam en probeert zijn
dochter vrij te kopen door vijftigduizend gulden op tafel te
leggen. Daarop wordt Jan gearresteerd, het is zeker tijdens de
oorlog niet gewoon dat iemand een dergelijk bedrag op tafel kan
leggen. De Duitsers hebben dan nog geen idee wie ze precies in
handen hebben gekregen. Maar na een inval in het kaaspakhuis van
Tamminga aan de Schans in Leeuwarden is het de Duitsers wel
duidelijk wie Jan Evenhuis is en wat hij in Friesland voor het
verzet betekent. Tijdens deze inval vinden de Duitsers het
complete archief van het NSF Friesland. Gelukkig is de inhoud
voor de Duitsers erg onduidelijk en worden er naar aanleiding
van deze vondst maar weinig arrestaties verricht.
Jan wordt na de vondst in het kaaspakhuis zowel in Amsterdam als
Groningen hardhandig ondervraagd over zijn verzetsactiviteiten.
Daarna wordt hij overgebracht naar kamp Vught waar hij op 18
augustus 1944 samen met andere Friese verzetslieden door de
Duitsers wordt gefusilleerd. De executies zijn waarschijnlijk
een vergelding voor de liquidatie van twee SD'ers in Birdaard.
De bekende Friese verzetsstrijder
Krijn van der Helm, stond onder het commando van Evenhuis, die de organisatorische zaken regelde, zodat van der
Helm zoveel tijd kon vrijmaken voor illegale activiteiten.
Evenhuis was een topfiguur in de diverse verzetsorganisaties in
Friesland en had een deel in de NSF, LO, illegale pers,
Nationaal Comité en was medeoprichter en later ook voorzitter
van de Friese NSF. De arrestatie van Evenhuis was een gevolg van
een poging tot omkoping van Duitsers, die zijn dochter op 30
juni 1944 in Amsterdam hadden gearresteerd omdat zij als
koerierster een besmet huis had bezocht en hielden haar vast in
de Euterpestraat.
De fl. 50.000 die Evenhuis de Duitsers aanbood
voor de vrijlating van zijn dochter wekte argwaan en hij werd
gearresteerd. De SD in Amsterdam wilde Evenhuis laten gaan als
de SD in Groningen geen bezwaar maakte, maar die deed dat wel.
Op 15 juli 1944 werd bij een huiszoeking in een pakhuis aan de
Schrans in Leeuwarden een kaartsysteem en de toegangssleutel tot
het systeem gevonden. Het kaartsysteem was opgezet door
Evenhuis. Verder trof de SD het arsenaal van de KP aan. Als
gevolg van deze vondst werd de vrijlating van Evenhuis en zijn
dochter niet uitgevoerd, maar werden zij afgevoerd naar het
Scholtenshuis in Groningen. Evenhuis werd op 18 augustus 1944 in
Kamp Vught gefusilleerd
Krijn van der Helm. Beroep:
Commies bij de Belasting.
Van der Helm was commies bij de
Belastingen in diverse gemeenten, w.o. Den Haag, Leeuwarden en
Amersfoort en stond onder commando van de bekende en belangrijke
organisator van het Friese verzet Jan Evenhuis en werkte met hem
samen bij de Belastingen in Amersfoort. Tijdens de Duitse inval
vocht hij aan de Grebbelinie, waar hij gewond raakte. Tijdens de
eerste bezettingsjaren was hij de oprichter van de eerste
knokploegen in Friesland. Een belangrijke actie was o.a. de
overval op het arbeidsbureau in Leeuwarden. Later zou hij
provinciaal leider van de KP in Friesland worden. Ook was hij
medewerker bij de LO, hielp veel Joden onderduiken en was
contactpersoon voor een Amsterdamse verzetsgroep die Joodse
kinderen liet onderduiken. Verder zorgde hij voor valse papieren
en distributiebonnen. Op 25 augustus 1944 werd hij voor zijn
onderduikeradres in Amersfoort door een Nederlandse SD' er
neergeschoten. De SD' er is hiervoor in 1948 ter dood gebracht.
Van der Helm ligt begraven op de Noorder-begraafplaats in
Leeuwarden.
|