|

Jacobus Gaastra, (fabrikant) geboren
op 14 augustus 1913
te Sneek,
overleden op 19-09-1944 te St. Nicolaasga.
Op 17 september 1944, de dag waarop de
geallieerde luchtlandingstroepen in het kader van operatie 'Market
Garden' bij Arnhem en Nijmegen werden neergelaten om een overgang
over de grote rivieren te forceren, werd aan het spoor- en
tramwegpersoneel order gegeven om in staking te gaan. Op 18
september reed er nog een tram bij St.Nicolaasga in de richting
van Lemmer. De plaatselijke Knokploeg greep in. De passagiers
moesten uitstappen en de vuren werden gedoofd. Het personeel kreeg
te horen dat ze voorlopig wel met vakantie konden gaan. Dit voorval
werd door de bezetter hoog opgenomen en als represaille werden op 19
september, de dag waarop de landelijke staking volledig was, bij
St.Nicolaasga drie verzetsmensen geëxecuteerd, te weten: Jacobus
Gaastra, Berend Julius en Johannes Prins.
Op 17 maart 1945 heeft de bezetter op het erf van een boerderij in
Doniaga tien politieke gevangenen uit de Heerenveense gevangenis
Crackstate gefusilleerd, te weten: Albert Koopman, Jeen Hornstra,
Hotze Brouwer, Thomas Kuurstra, Jelle Boersma, Roelof Knol, Wiepke
Hof, Yde Yntema, Dirk de Ruiter en Siebe de Ruiter.
Sint-Nicolaasga, herdenkingsmonument.
Uilke
Ganzinga, (Ambtenaar Rijksbelastingen) geboren op 28 mei 1908 te Aalsum, overleden op 28 april 1953.
Hij was een der
meest actieve personen uit het Friese verzet. Hij werkte o.a. voor
het nationaal Steunfonds en voor de LO. De gevechtsgroep
Kollumerland van de BS stond onder zijn leiding. Deze groep bestond
uit vier actieve gevechtsgroepen en één sabotagegroep. De
sabotagegroep kwam tot stand door uit de gevechtsgroepen de meest
prominente leden te selecteren. Hun acties omvatte o.a. het stremmen
van het scheepvaartverkeer tussen Friesland en Groningen. Hiervoor
werden drie schepen tot zinken gebracht. In september 1944 was hij
betrokken bij wapendroppings en gaf schietinstructie. In januari
1945 werd hij door de SD gearresteerd en naar Leeuwarden
overgebracht. Wegens gebrek aan bewijs kwam hij op vrije voeten.
Kort daarna maakten de Duitsers bewijsmateriaal buit dat zeer
bezwarend was voor Ganzinga en moest hij onderduiken. Tijdens de
bevrijdingsdagen vocht hij bij de Dokkumer Nieuwe Zijlen. Na de
oorlog was hij raadslid voor de PvdA in Hellevoetsluis. Hij overleed
aan een hartaanval en werd gecremeerd in Driehuis-Westerveld.

Hendrik Siebe van der Galien, (Opperwachtmeester
politie) geboren
op 9 november 1886 te Dantumadeel, overleden op 18-08-1944 te Vught.
Hendrik komt in 1920 in dienst bij de gemeentepolitie van
Leeuwarden. Tijdens de oorlog raakt Hendrik betrokken bij het
verzet. Hij helpt veel mensen onderduiken en hij waarschuwt mensen
van joodse afkomst voor op handen zijnde razzia’s. Daarnaast werkt
Hendrik samen met Jan Evenhuis, de belangrijkste functionaris van
het Nationaal Steunfonds in Friesland. Op 19 juli 1944 om twee uur
’s middags wordt Hendrik door de SD gearresteerd als hij aan zijn
dienst wil beginnen.
Ondertussen wordt zijn huis in aanwezigheid van zijn
tweelingdochters door de SD onderzocht. Als de vrouw van Hendrik
thuis komt is de huiszoeking nog aan de gang. Zodra de SD verdwenen
is stuurt zij haar dochters naar andere verzetslieden toe om hen te
waarschuwen. De SD komt op de andere adressen te laat aan.
Hendrik wordt overgebracht naar het Scholtenshuis in Groningen en
vandaar naar Vught. Daar wordt Hendrik op 18 augustus 1944
gefusilleerd.

Pieter Sjoerd Gerbrandy, (Minister
president) geboren
13 maart 1885 te Goingamieden (Sneek), overleden op 7 september 1961
te Den Haag
Zoon van een
landbouwer, studeerde in Amsterdam aan de Gemeentelijke Universiteit
en aan de Vrije Universiteit. Was advocaat in Leiden en Sneek en van
1920 tot 1930 lid van de Gedeputeerde Staten in Friesland. Hij werd
de rode advocaat genoemd vanwege zijn vooruitstrevende denkbeelden
op sociaal gebied. In 1930 werd hij hoogleraar Handelsrecht aan de
VU en in 1939 minister van justitie in het kabinet De Geer. In die
functie vertrok hij op 13 mei 1940 met het kabinet naar Londen en
werd daar in 1940 minister president en minister van algemene
oorlogsvoering als opvolger van De Geer, die na een conflict met
Wilhelmina en zijn defaitistische houding zijn ontslag moest
indienen. Gerbrandy was in Londen de verpersoonlijking van de hechte
verbondenheid van Nederland met de geallieerden. Hij had het
vertrouwen van Winston Churchill. na de bevrijding van Nederland
trad hij af al minister president. Daarna was hij nog 10 jaar lid
van de Tweede Kamer voor de AR. In 1955 werd hij tot minister van
staat benoemd. Hij is op 7 september 1961 in Den Haag overleden.
Izaäk
van Gelderen, (tuinman) geboren op 15 augustus 1922 te Heerenveen, Overleden op 29 november 1944 in
het kamp Husum-Schwesing. Kampnummer 49589.

Jacob de Graaf, geboren op
5 november 1902
te Kollum,
overleden op 15-04-1945 te Dokkumer Nieuwe Zijlen.
Gevecht met de Duitsers bij "Dokkumer Nieuwe Zijlen"
zijn beslecht door tussenkomst van de Canadese militairen. Gerrit Bleeker en
Jacob de Graaf van de
N.B.S. zijn gesneuveld bij het gevecht op Soensterdijk.
 
Het verzetsmonument op de
Soensterdijk bij Kollummerpomp, Kollum.

Cornelis Groendijk, (notaris) geboren op 20
september 1883 te Den Helder,
overleden op 08-03-1945 te Ternaard (Westdongeradeel).
Op 8 juni 1916 gehuwd te Hoorn
(Terschelling) met Tettje Jollema. Hij was notaris in Ternaard. In
zijn huis werden geregeld vergaderingen van de verzetsbeweging
gehouden, mede omdat daar een goede schuilplaats was. In het gezin
Groendijk was ook het joodse jongetje Leo de Smitt opgenomen (die de
oorlog heeft overleefd). Toen de bezetter begin maart 1945 een
razzia in het dorp hield, werd de schuilplaats ontdekt. Een zoon van
de notaris en Albert Douwes Nauta werden gearresteerd.
Een derde
onderduiker, S. Sikkes (zoon van de veldwachter), wist te ontkomen.
Groendijk jr. en Nauta werden opgesloten in de plaatselijke herberg,
waaruit ze wisten te ontsnappen. Ze doken onder op de boerderij van
Rinsma. Op 7 maart kreeg notaris Groendijk een waarschuwing dat men
hem ook wilde arresteren. Hij dook meteen onder. Toen hij de
volgende dag een Duitse patrouille tegenkwam, keerde hij meteen weer
om. Dit wekte argwaan. Groendijk werd gesommeerd van zijn fiets te
stappen, maar volgde dit bevel niet op, waarop de bezetter hem
neerschoot. Hij stierf ter plaatse. Groendijk werd begraven op de
N.H. begraafplaats in Hoorn op Terschelling. Grafnr. A19.
Jan Jacob de Groot, werd
geboren op 12 april 1918 in Anjum. Op 26 september 1941 is hij
omgekomen bij een luchtgevecht en een daaropvolgend bombardement
op Groningen. De Groot studeerde aan de universiteit van deze
stad. Hij werd begraven op de Algemene begraafplaats te
Veenwouden.
Een ‘Engelschen luchtaanval’ noemt het Nieuwsblad
van het Noorden van 26 juli 1940 de bommenregen, die even voor
tweeën die nacht op de Oosterparkwijk neerdaalt. Hoewel de
meningen verschillen, komen de bommen vermoedelijk inderdaad uit
een Engels vliegtuig, maar van opzet is natuurlijk geen sprake.
De bemanning van de bommenwerper zal gedacht hebben boven
Duitsland te vliegen of per ongeluk overgebleven munitie hebben
geloosd. De 11-jarige Henny Knigge en de 31-jarige Wiebe Jan
Alberts zijn die 26ste juli 1940 de eerste Groningers die zo
worden gedood.
De bommen vallen tussen de Gorechtkade en de A. Deusinglaan. Op
Gorechtkade 88b raakt P.A. Florijn gewond door een
staafbrandbom. De werktuigkundige Alberts, die met zijn vrouw in
de Gerbrand Bakkerstraat woont, wordt dodelijk gewond door een
brisantbom, die valt in het brede deel van de Jan Hissink
Jansenstraat.
Ook aan de S.S. Rosensteinlaan vallen twee van deze zware
bommen. Bomscherven komen terecht in verschillende
bovenwoningen. Op 9a breekt een binnenbrand uit, maar groter is
de schade op nummer 11a. In de slaapkamer van de oudste twee
kinderen van het echtpaar Knigge-Pel worden de 12-jarige Aafke
en de 11-jarige Hendrikje (Henny) getroffen. De eerste raakt
gewond, de tweede wordt gedood.
Groningen wordt in de oorlog meer dan tien keer door bommen
getroffen. Een tweede ‘dodelijk’ bombardement vindt plaats in de
vroege ochtend van woensdag 20 november 1940. Aan de Kerklaan
komt een grote hoeveelheid staafbrandbommen terecht, waardoor er
in vele panden brand uitbreekt. Enkele zware bommen vallen in de
omgeving van de Westersingel. Op de hoek met de Verlengde
Visserstraat wordt het pand van jonkheer J. Hora Feith volledig
verwoest, zonder overigens slachtoffers te maken.
Een andere bom komt terecht op het
volgende hoekpand: Reitdiepskade 6 gaat helemaal in puin. De
enige bewoonster – de weduwe A.A. Jensema-de Haan – overleeft,
maar er valt toch een dode. De 34-jarige Alide Adriani, die bij
haar tante logeert, komt om het leven. Beide getroffen panden
zijn dusdanig beschadigd dat volledige nieuwbouw noodzakelijk
is.
Westersingel 49 wordt in 1949-’50 gebouwd naar een onderwerp van
Overzet. De hoek Westersingel-Reitdiepskade wordt tussen ’49 en
’51 bebouwd met een door architect Klein ontworpen flatgebouw.
De meeste slachtoffers vallen in de nacht van 26 op 27 september
1941. Vanwege de opkomende mist wordt een Engels bombardement op
Emden op het laatste moment afgeblazen, maar een aantal
vliegtuigen is al onderweg. Een van deze vliegtuigen bombardeert
per ongeluk de Groningse Schildersbuurt.
De eerste bom valt aan de achterzijde van Westersingel 6, waar
Hillegonda Jacoba Torringa dodelijk gewond raakt. Ook Jozef
Israëlsstraat 38 krijgt een voltreffer, met als gevolg dat de
studenten Siemon Lambertus Steenhuisen (25), Auko Knol (25) en
Jan Jacob de Groot (23) de dood vinden. Het pand wordt al
het volgende jaar vervangen door nieuwbouw.
De jongste slachtoffers vallen die septembernacht 1941 aan het
Jozef Israëlsplein. Het blok met de nummers 7 en 8 wordt
volledig verwoest. Hier komen de drie jongsten – Abraham (11),
Bastiaantje (9) en Grietje (6) - van de acht kinderen van het
kleermakersechtpaar Dijkema- van Slijpe om het leven.
Het door Job Hansen ontworpen blok Jozef Israëlsplein 7-8
herinnert aan dit laatste grote bombardement van de oorlog.
Feanwâlden, monument bij het 'Talma Huis' - Oorlogsmonumenten
...

Dr. Pieter Engelbertus (Piet)
Gunster, Nederlands Hervormd, geboren in 1914 te Scheemda als
zoon van Jan Wilko Gunster en Zwaantina Engelina van der Broek.
Hij is getrouwd op 18 oktober 1945 te Dokkum met Martje van der
Laan. Na hun scheiding in 1966 trouwde hij op 18 augustus 1967
te Hellendoorn mat Jantje Hut. Hij promoveerde in 1943 aan de
Rijksuniversiteit Groningen op het proefschrift: 'Overzicht van
en bijdrage tot de kennis van medicinale curcuma (temoe lawak)'.
Hij vestigde zich in augustus 1944 als apotheker te Dokkum aan
De Zijl 1, het pand waarin nu 'It Blokhûs' gevestigd is. In de
oorlog was hij zeer actief in het verzet. In de kelder van zijn
apotheek was het districtshoofdkantoor van de Nederlandse
Binnenlandse Strijdkrachten gevestigd. Hier werden geregeld
vergaderingen gehouden. Op 13 januari 1945 ontdekte de bezetter
wapens op een boerderij in de buurt van het afwerpterrein onder
Aalsum bij Dokkum.
In de omgeving volgde een reeks arrestaties.
Op 19 januari zouden drie arrestanten worden overgebracht naar
Leeuwarden. Eén van hen was Gunster. Het was voor het verzet dus
van levensbelang dat Gunster zou worden bevrijd. Om hem te
bevrijden hebben verzetsstrijders de arrestantenwagen bij het
dorp De Valom gedwongen te stoppen. Een lid van het
Sonderkommando Albrecht uit Leeuwarden werd bij deze overval
gedood, evenals de Belgische chauffeur. De Duitse SD-commandant
Arthur Wilhelm Grundmann wist te ontkomen.
De gearresteerde
Gunster, die een schotwond in zijn knie had, kon worden bevrijd. De sfeer in de stad veranderde
danig na de fusillade. De Duitsers waren woedend. ,,Er
gingen zelfs geruchten dat de hoogste baas van de SD in
Leeuwarden Dokkum zelfs had willen platbranden. Represaille
was onontkoombaar. De Sicherheitsdienst
verzamelde willekeurig twintig gevangenen uit de Huizen van
Bewaring in Leeuwarden en Groningen. De fusillade
was luguber.
Op 22 januari 1945 werden ze aan de Dokkumer
Woudweg gefusilleerd. De twintig werden in groepjes van vijf
vermoord. Iedere keer wanneer er vijf waren gefusilleerd,
moest de volgende groep de lichamen recht leggen. Iedereen
kwam aan de beurt. De burgemeester moest erbij zijn en de
stoffelijke overschotten bleven liggen tot de volgende
ochtend. Waarom dat was weet niemand. Deze massa-executie
was de grootste die in de provincie Friesland heeft
plaatsgevonden. Deze gebeurtenis heeft zijn verdere leven
overschaduwd.
Bij Koninklijk Besluit van 11 december 1948 in Gunster bevorderd
tot reservemilitair apotheker 1e klasse met de rang van
kapitein. Hij was voorts bestuurslid van het zwembad te Dokkum.
Hij overleed op 21 januari 1969 tijdens een verblijf in zijn
bungalow op Texel en werd op 24 januari in zijn geboorteplaats
Scheemda begraven.
De namen van de twintig
slachtoffers luiden:
D. Adler, H.E. Blaauw, H. Boersema, J.W. Bukers, J. van Dijken,
J. Duursma, A. Frensdorf, H.I. van Gelder, A. Heudenrijk, L.
Hulshoff, H.F.W. Krohne, H. Krolis, H. Lommert, E. Meinsma, W.
Moorman, G. Postma, J. Ruinen, A.E. Sachs, F. Walters en H.
Woldring.
Tijdens de laatste herdenking
las een man een brief voor van zijn vader die op die 22ste
januari in de gevangenis in Leeuwarden zat. ,,In de brief
beschreef de man dat midden in de nacht de lichten aangingen
en er willekeurig mensen weggevoerd werden. Iedereen wist
wat er gaande was en dat zij niet meer zouden terugkomen.
Want in de gevangenis wist men al lang wat er in De Valom
was gebeurd. De zoon vond de brief van zijn vader pas na het
overlijden.”
Gunster bleef na de oorlog
apotheker in Dokkum. "Hij ging weer gewoon aan het werk.
Net als iedereen. En hoopte ook net als iedereen dat
Nederland een beter en een saamhorig land zou worden na de
opbouw. Voor de oorlog was Nederland ernstig verdeeld.
Gereformeerden en communisten keken elkaar amper aan en
verketterden elkaar zelfs. In de oorlog vonden ze elkaar
vanwege hun gezamenlijke afkeer van de Duitsers."

Dokkum, De Zijl. |