Friese Verzetsstrijders - bevrijders en andere betrokkenen.

 

A | B | C | D | E | F | G | H | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | V | W | IJ | Z |

 

 

Gerben Hallema, (boerenarbeider) geboren op 17 juni 1922 in Poppingawier, overleden op 04-02-1945 te Grouw.

(Gerben was zwakbegaafd). Hij was werkzaam als boerenknecht op Pean, onder Grouw. Hoewel hij moest onderduiken om aan de arbeidsinzet te ontkomen, ging hij op zondag wel eens op bezoek bij zijn ouders. Op zondag 4 februari 1945 stonden enkele leden van de Sicherheitsdienst langs de weg. De zwakbegaafde boerenknecht Gerben Hallema, was toen met zijn waszak op weg naar het ouderlijk huis. Bij de aanblik van een overvalwagen bij de Oosterveldsbrug van de Grüne Polizei smijt hij in paniek de plunje neer, schopt de klompen uit en rent het dorp in, waarbij hij zijn achtervolgers kwijtraakte. De Sicherheitsdienst sloeg alarm. Onmiddellijk wordt een klopjacht ingezet en toen Hallema van de Kleine Buren de Stationsweg op rende, werd hij neergeschoten. Diezelfde middag werd hij begraven te Grouw. Hierbij mochten geen familieleden aanwezig zijn.

Foute Friezen | NRC Boeken

Bitter is bijvoorbeeld het verhaal dat ons in Idaarderadeel in stormgetij wordt voorgeschoteld, over de zwakbegaafde boerenknecht Gerben Hallema, ...


Theodoor Hanselaar, geboren op 6 november 1918 te Monster, overleden op 07-05-1945 in Jutphaas, 26 jaar oud. Hij is begraven op 11-05-1945 te Jutphaas.

Na het Gymnasium in Leeuwarden ging hij naar een zeevaartschool, waar hij een opleiding als stuurman kreeg. Om zich te onttrekken aan de arbeidsinzet dook hij onder bij zijn vriendin in Utrecht. Tijdens de bevrijding, op 7 mei 1945, ging Hanselaar naar zijn ouders in Jutphaas. Hier kwam hij terecht in een vuurgevecht en hij stierf aan zijn verwondingen. Hij werd begraven op de Oude begraafplaats Kerkveld te Jutphaas.

In de zuidwesthoek van de begraafplaats ligt een vijftal verzetsstrijders uit Jutphaas begraven onder een bakstenen grafmonument. Op 7 mei 1945, twee dagen na de capitulatie, werden vijf verzetsmensen gefusilleerd. Dit naar aanleiding van een incident waarbij een dronken Duitse soldaat dreigde met zijn wapen op de bevolking te schieten. Hij werd neergeschoten door een verzetsman.
Vier van de vijf gefusilleerde verzetsmensen liggen hier begraven: Theo Hanselaar, Aard Kros, Jan Streefkerk en Willem Spies. Frans Luiten, het vijfde slachtoffer, werd begraven op de katholieke begraafplaats van Jutphaas.
Bij de vier mannen ligt nog een oorlogsslachtoffer begraven. Verzetsman Johan van Ee werd gedeporteerd naar Duitsland en kwam in november 1944 om het leven. De namen van deze mannen en vijf anderen, waaronder een Poolse piloot, worden herdacht op het oorlogsmonument aan de Nedereindseweg.

 


Hendrik Haitsma, geboren op 20 augustus 1891 te Arum, overleden op 25-04-1945  te Siegburg.

Hendrik was in de oorlog gemeentesecretaris van Bolsward, en werkte in het verzet. Dat koste hem een arrestatie voor het leven in Duitsland. een bijzonder aandenken aan hem is de straat in Bolsward die zijn naam draagt. Secr. Haitsmalaan.


Taeke Sije Halma, geboren op 6 juni 1911 te Drachten, overleden op 03-03-1945 te Neuengamme.

Hij was boekhouder en werd net als Wagenaar in de nacht van 5 juli 1943 gearresteerd. Hij werd overgebracht naar het Scholtenhuis in Groningen. Eenmaal mocht hij daar zijn hoogzwangere vrouw zien en spreken. De bevalling vond enkele dagen na de ontmoeting plaats. Moeder en kind stierven beiden. Het werd Halma niet toegestaan bij de begrafenis van zijn vrouw en kind aanwezig te zijn. De bezetter heeft hem op transport gezet naar Neuengamme, waar hij op 3 maart 1945 overleed.


Heinrich Harder, geboren op 13 april1913 te Büderich, overleden op 11-04-1945 te Dronrijp. De in Leeuwarden wonende korporaalmachinist Heinrich Harder was in de meidagen van 1940 geplaatst bij de OZD. Na de capitulatie van Nederland werd hij op 14 juli 1940 "tijdelijk ontslagen" en dook hij onder. In november 1944 werd hij lid van een Knokploeg. Op 7 april 1945 werd hij door de Duitsers gearresteerd en als represaille voor een eerdere aanslag op de spoorlijn Leeuwarden-Harlingen, met tien andere verzetstrijders op 11 april te Dronrijp gefusilleerd.

De namen van de elf slachtoffers luiden:

Sijbrandus van Dam, Heinrich Harder, Dirk de Jong, Hendrik Jan de Jong, Ruurd Kooistra, Johannes Nieuwland, Hendrik Jozef Spoelstra, Douwe Tuinstra, Onder hen ook drie broers Wierda, Egbert Mark, Klaas Jan Wijpcke en Hijljte, allen student. De laatste was net 20 jaar oud. De drie broers zijn bij elkaar begraven waardoor hun drie zuilen dicht bijeen staan.

Gerard de Jong uit Leeuwarden, overleefde de executie door zich 'dood' te houden. De gewonde verzetsman werd nadat de bezetter vertrokken was, in veiligheid gebracht.


Tedo Hartlief, geboren op 21 oktober 1910 te Appingedam, overleden op 08-03-1945 te Woeste Hoeve.

Derde stuurman (06-1940). ter Koopvaardij, Shell Tankers B.P.M, lid van het verzet.
Bekende onderscheidingen: Bronzen Kruis

K.B. no. 9 van 2 januari 1950 (postuum)


Feike van der Heide, (kleermaker) geboren op 2 december 1913 te Sneek , overleden op 14-07-1944 te Sneek. Zoon van de Kleermaker-Coupeur in Sneek. Vermoord tijdens de Sneker Bloednacht

Sneker bloednacht.

De nacht van 13 op 14 juli 1944 is de geschiedenis ingegaan als de Sneker Bloednacht. In de Sneker Bloednacht zijn vier Snekers in koelen bloede vermoord: Klaas Koelstra, J. Tekelenburg, J.H. Bakker en Feike van der Heide. De latere burgemeester Ludolf Rasterhoff stond ook op het lijstje, maar overleefde de moordpartij.

Gewond in Sneker Bloednacht Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Ludolf Rasterhoff actief betrokken bij het verzet. Dat kostte hem bijna zijn leven in de Sneker Bloednacht, de nacht van 13 op 14 juli 1944 waarin vier andere Snekers wel werden vermoord als represaille voor het liquideren van een NSB'er.
Ook Rasterhoff stond op het lijstje van personen die gedood zouden moeten worden. Die bewuste nacht werd hij in zijn
woning inderdaad in het achterhoofd geschoten, maar gelukkig was het schot niet dodelijk. Rasterhoff was ernstig verwond, echter hij bleef bij kennis en had de tegenwoordigheid van geest om te doen alsof hij dood was. Nadat de schutters waren vertrokken, werd hij naar het Sint Antonius-Ziekenhuis gebracht, waar hij van zijn verwondingen herstelde.

Op 13 juli 1944 vertrok omstreeks 22.30 uur een autobus met ongeveer 35 NSKK-mensen uit Leeuwarden. Bij hen was ook de schietgrage SD-er Jan Ale Visser (sadistische handlanger van de Sicherheitsdienst in Groningen), medisch student te Groningen. Hij was de aanstichter van het verschrikkelijke drama dat zich die nacht in de stad zou ontrollen. 

Visser had een lijst met namen van 25 vooraanstaande burgers in Sneek die als anti-Duits bekend stonden. Op hen moest de ontvoering en liquidatie van de NSB-er G. van der K. gewroken worden.
Met de hulp van een NSB'er opperluitenant werd in diens huis de lijst in tweeën gesplitst.
De groep van Visser splitste zich ook in tweeën en gewapend met de lijsten gingen ze op pad. De Sneker NSB'ers T.H. en W.V. dienden als gidsen. 

De SD-spion Jan Ale Visser, die mede verantwoordelijk was voor de dood van Hylke Watzema, werd door het bijzonder gerechtshof ter dood veroordeeld, maar hij kreeg gratie. Dat kwam toen neer op levenslang. Hij is na vijftien jaar weer op vrije voeten gekomen.

J. Tekelenburg.

"De eerste groep had geen succes. Op alle adressen waar men kwam was de gezochte afwezig of hield zich verscholen. (...) Toch maakte deze groep een slachtoffer. Het was de jonge J. Tekelenburg, die in de schaduw van de Martinikerk woonde. Door de drukte op straat gewekt, ging hij voor het raam staan om te zien wat er gebeurde. Deze nieuwsgierigheid werd zijn dood. De moordenaarsbende zag hem staan en hij werd gesommeerd de voordeur te openen. Nauwelijks had hij dit gedaan of hij werd neergeschoten".

J.H. Bakker.

"Meer 'succes' had de groep van Visser. Nadat deze drie kwartier op pad was geweest werd in de Wijde Noorderhorne aangebeld bij de familie Bakker van de broodfabriek Stad Sneek. (...) De heer J.H. Bakker moest zich aankleden. (...) Toen werd hij, tegen half twee, meegenomen. Kort daarna hoorden de angstig achterblijvende een schot. Het was spertijd en dus levensgevaarlijk naar buiten te gaan nu de dood door Sneek patrouilleerde. De volgende morgen vond de zoon het lijk". (...)

Feike van der Heide.

"Enkele minuten later stond de troep voor de woning van de heer A. van der Heide in de Kruizebroederstraat. Zoon Feike had enige dagen tevoren ruzie gehad met een NSB-er en dat vergrijp zou nu even beslecht worden. (...) Tegen Feike werd gezegd dat hij even mee moest komen naar het politiebureau. Het zou maar voor kort zijn. Zijn vader keek hem na toen ze vertrokken. Nog geen twee minuten later klonk een schot. (...) Visser had zijn tweede slachtoffer gemaakt".

Klaas Koelstra.

 "Om half drie belden ze aan op de Troelstrakade bij de heer K. Koelstra, leider van de distributiedienst. (...) Mevrouw Koelstra had een voorgevoel van wat haar man te wachten stond. 'Waar brengen jullie hem heen?', vroeg ze. Ze wilde hem nog een vulpen meegeven. (...)
Toen Koelstra nog afscheid wilde nemen van zijn schoonouders kreeg hij daartoe geen toestemming. De bende had haast. Tegen vier uur was de spertijd afgelopen en dus de geschikte tijd voor de werken der duisternis verstreken.
En weer vroeg mevrouw Koelstra: "Doen jullie mijn man niks?" De gewetenloze Visser antwoordde: "Ik weet het niet; God weet het".
Op straat namen een vijftiental mannen Koelstra tussen zich in. Zijn vrouw zag hem na. Bij de brug hoorde zij een satanische lach, die haar door merg en been ging. Via de Jachthavenstraat bereikten de mannen de Leeuwarderweg. Daar schoten ze hem neer.

De nabestaanden vonden de lijken van de slachtoffers op straat, op de plaats waar ze waren neergeschoten.

 


Hielke van der Heide, (wachtmeester) geboren op 4 maart 1919 te Beetgumermolen, overleden. 05-09-1944 te Vught.

Hielke wordt in mei 1940 onder de wapens geroepen en komt na zijn acties tijdens de meidagen van 1940 in aanmerking voor een onderscheiding. Hij weigert zijn onderscheiding met de woorden dat hij slechts zijn plicht heeft vervuld. Na de capitulatie worden Hielke en zijn vriend Wim opgeleid tot marechaussee, zij worden gestationeerd te Bedum.

In april 1943 tijdens de grote staking komt het tot onenigheid tussen Hielke, Wim en hun superieuren. Hielke en Wim weigeren het enige joodse echtpaar in Bedum te arresteren, maar waarschuwen hen juist. Hielke en Wim moeten zelf onderduiken.
Ze raken daarna betrokken bij het verzet, eerst verrichten ze spionage activiteiten maar later zijn ze ook betrokken bij het gewapend verzet en bevrijden ze onder andere verzetslieden uit de gevangenis.

Na verraad worden Hielke en Wim gearresteerd. Een postadres is door de Duitsers geïnfiltreerd en als Hielke en Wim zich daar melden probeert de SD hen te pakken te krijgen. Er volgt een vuurgevecht waarbij Hielke gewond raakt. Wim geeft zich pas over als zijn munitie op is. Wim wordt naar Duitsland gebracht en overlijdt in een Duits concentratiekamp.
Hielke word naar Vught gebracht waar hij zwaar gewond op 5 september 1944 wordt gefusilleerd. Hielke’s laatste woorden zijn aan een van zijn bewakers gericht: "Wat een tuig zijn jullie om de moed te hebben, een zwaargewonde te fusilleren".

Meer op site van H.A. Meijer.


Krijn van der Helm, geboren in 1912 te Amersfoort, overleden op 25-08-1944 te Amersfoort.

Van der Helm was commies bij de Belastingen in diverse gemeenten, w.o. Den Haag, Leeuwarden en Amersfoort en stond onder commando van de bekende en belangrijke organisator van het Friese verzet Jan Evenhuis en werkte met hem samen bij de Belastingen in Amersfoort. Tijdens de Duitse inval vocht hij aan de Grebbelinie, waar hij gewond raakte. Tijdens de eerste bezettingsjaren was hij de oprichter van de eerste knokploegen in Friesland. Een belangrijke actie was o.a. de overval op het arbeidsbureau in Leeuwarden.

Later zou hij provinciaal leider van de KP in Friesland worden. Ook was hij medewerker bij de LO, hielp veel Joden onderduiken en was contactpersoon voor een Amsterdamse verzetsgroep die Joodse kinderen liet onderduiken. Verder zorgde hij voor valse papieren en distributiebonnen. Op 25 augustus 1944 werd hij voor zijn onderduikeradres in Amersfoort door een Nederlandse SD' er neergeschoten.

De SD' er is hiervoor in 1948 ter dood gebracht. Naar het lijk van Krijn van der Helm is na de oorlog lang gezocht. Het is gevonden in een massagraf bij het kamp-Amersfoort. Op 1 december 1945 is Krijn van den Helm in aanwezigheid van het hele Friese verzet herbegraven in Leeuwarden, op de Noorderbegraafplaats bij andere gevallen verzetsstrijders. Zijn zoon Krijntje is bij hem begraven.

 

Esmée van Eeghen.

Esmée van Eeghen, werd geboren op 18 juli 1918 in Amsterdam.

Haar vader Reginald van Eeghen, van Engelse afkomst, was directeur van de Amstelbrouwerij (Reginald is na de scheiding naar Amerika gegaan en stierf in 1936 in San Francisco). Haar moeder was jonkvrouw Minette Adrienne van Lennep, beter bekend als Miesje van Lennep. (De moeder van Esmée, stierf in 1975. In de oorlog stierf haar man, werden twee van haar kinderen door de Duitsers vermoord en was haar huis aan de Spoorweglaan in Baarn door de Duitsers in beslag genomen. Ze is er nooit meer naar teruggegaan en heeft tot haar dood samen met haar broer dr. D.F.W. van Lennep in Aerdenhout gewoond).


Esmée werd opgevoed door een gouvernante, leerde verschillende talen en maakte vele buitenlandse reizen. Ze groeide op tot een sterke en avontuurlijke, intelligente en geestige, dappere, warme en royale vrouw. Tegelijkertijd werd ze later omschreven als nymfomaan. Esmée had een broer die Dave heette en twee jaar jonger was als zij. (Dave van Eeghen, Esmées broer stierf vlak voor het einde van de oorlog in concentratiekamp Bergen-Belsen. Na zijn arrestatie door de Duitsers in het voorjaar van 1943 is hij naar Vught getransporteerd en vandaar naar Natzweiler Dachau, Ottobrunn en Dautmergen, een verschrikkelijk kamp in Zuidwest-Duitsland, dat weinig Nederlanders hebben overleefd. Daar werd Dave van Eeghen voor de keus gesteld blijven of op transport. Hij koos voor het laatste en kwam terecht in Bergen-Belsen).

Ze had een fijne, beschermde jeugd, ondanks het feit dat haar vader toen ze acht was na zijn echtscheiding naar Amerika vertrok.
Miesje van Lennep hertrouwde, dit keer met Alphert, baron Schimmelpenninck van der Oye (burgemeester van Maarn en Doorn). Esmée en Dave kregen er in 1931 een broertje bij. Hij kreeg de naam Sander en werd in Bloemendaal geboren.
Twee jaar later vertrok het gezin naar Baarn waar ze een riant huis betrokken op de Spoorweglaan 14.

Esmée had talent voor muziek, kon prachtig zingen en goed piano spelen. Er werd gezegd dat ze het perfecte gehoor had. Haar broer Dave ging in dienst en tijdens de mobilisatie van 1939 deed hij dienst bij het Vierde Regiment Huzaren in Amersfoort. Na de meidagen van 1940 werd hij lid van de Orde Dienst (OD), een van de eerste verzetsgroepen, die overwegend uit oud-militairen bestond.
Na wat omzwervingen kwam Esmée te werken in het Burgerziekenhuis in Amsterdam. Het was in dit ziekenhuis dat ze in contact kwam met Henk Kluvers. Hij studeerde medicijnen, en werkte als assistent.

Henk Kluvers was betrokken bij het verzet, en al snel sleepte hij Esmée mee. Niet alleen in het verzet trouwens, maar ook in de liefde want ze kregen een verhouding. Het was het begin van een verhaal dat tragisch zou aflopen en dat zelfs vandaag nog verschillend wordt beoordeeld. Voor sommigen was Esmée een warme, loyale vrouw die nergens bang voor was en goed met een revolver kon omgaan. Voor anderen, waaronder Dr., L. de Jong, was ze niets meer dan een verraadster die het leven van een aantal van haar vrienden op haar geweten had.

Henk Kluvers besloot op een zeker moment voor de illegaliteit naar Friesland te gaan. Hij wilde onderdak regelen voor Amsterdamse studenten die hadden moeten onderduiken omdat ze geweigerd hadden om de Duitse loyaliteitsverklaring te tekenen. Esmée besloot mee te gaan naar Friesland. Dat wilde Kluvers in eerste instantie niet hebben. Hij vond dat ze niet sterk en hard genoeg was voor het verzet. Volgens hem was ze te lief.

Daar kwam nog bij dat ze in Friesland teveel zou opvallen. Maar Esmée hield voet bij stuk. Ze wilde bij Kluvers blijven en zo vertrok het stel toch richting het Noorden. Kluvers had verwacht dat er in Friesland een organisatie klaar stond om de studenten op te vangen. Maar dit viel tegen. Hij vond alleen een terughoudend contactpersoon genaamd ds. Van der Wittel. Verder was er niets voorbereid. Die nacht sliep hij met Esmée in het Oranje Hotel in Leeuwarden. De volgende dag ging Esmée terug naar Amsterdam, maar ze kwam regelmatig naar Friesland om samen te zijn met haar Henk.

Stap voor stap raakte Esmée bij het verzet betrokken en ging mee op klussen. Op 25 juli 1943, de dag dat het verzet het Arbeidsbureau aan het Zaailand in Leeuwarden overviel, besloot ze voorgoed in Friesland te blijven. Ze deed haar best om niet op te vallen, en omdat ze intelligent en vastbesloten was leerde ze in een maand tijd de Friese taal. Maar ze bleef een mooie jonge vrouw uit de Randstad en dat maakte dat ze toch als iets bijzonders werd gezien. Ook door haar verzetsvrienden, waarvan een aantal verliefd op haar werd.

Dat gaf zo af en toe problemen. Henk Kluvers had opdracht om in Friesland hulp te bieden aan de regionale Knokploeg (KP)-leider Krijn van den Helm. Henk stelde Esmée aan Krijn voor en hij zag meteen dat hij haar wel kon gebruiken. Hij stelde haar aan als koerierster, maar daar bleef het niet bij. Al snel zat Esmée in alle mogelijke soorten van verzetswerk. Ze haalde joodse kinderen uit Amsterdam en bracht die onder op duikadressen in Friesland. Ze zocht ook onderkomens voor volwassen joden en voor studenten die in Amsterdam niet veilig waren. Ze trok de hele provincie door met bonkaarten, persoonsbewijzen en andere documenten voor de onderduikers.
De risico’s werden steeds groter.

Esmée was intussen de hoofdkoerierster van Krijn van der Helm en samen met hem deed ze de meest gevaarlijke klussen. Ze gebruikten een ambulance om neergeschoten geallieerde piloten op te halen, ze vervoerde wapens en draaide haar hand ook niet om voor het meedoen aan gewapende overvallen. Bij iedere vergadering van het verzet was ze aanwezig, en ze was dus van praktisch alles op de hoogte. Daarbij kwam nog dat ze voor Krijn ook speciale opdrachten uitvoerde.

Ze wist van geen ophouden en Piet Oberman, die in de zomer van 1944 Krijn van der Helm opvolgde als KP-leider in Friesland, heeft na de oorlog verklaard: "Esmée was buitengewoon goed op de hoogte van alles wat betrekking had op de verzetsbeweging in Friesland en zij kende veel leidinggevende illegale personen in andere provincies met wie zij als hoofdkoerierster in aanraking kwam. Zij woonde meermalen belangrijke besprekingen bij op het hoofdkwartier van de KP, destijds gevestigd ten huize van de heer Harm Kingma, directeur van een timmerfabriek in Leeuwarden en zijn vrouw Annie. Geheel alleen heeft zij onder andere wapentransporten naar Limburg en Amsterdam verzorgd."


Niet iedereen kon met Esmée overweg en vooral vrouwen zagen haar als een vreemd, vrijpostig wezen, dat een bedreiging vormde. Maar anderen hielden haar de hand boven het hoofd omdat ze veel gevaarlijk werk deed en daarmee veel respect had verworven. Er gaan veel verhalen rond over de koelbloedigheid van Esmée, de meeste zijn onmogelijk te bevestigen. Zo zou ze het voor elkaar hebben gekregen om een Duitse officier een koffer vol met wapens door de controle op het Centraal Station in Amsterdam te laten dragen.

Ondanks de vele gevaren kon Esmée van Eeghen het niet laten om ook naar de lichtere kant van het leven te kijken. Ze kreeg een verhouding met Krijn van der Helm en schrok er ook niet voor terug om met andere KP’ers het bed in te duiken. KP-leider, Pieter Wijbenga, geeft toe dat hij ruzie kreeg met Krijn van der Helm over Esmée. Hij was tegen liefdesverhoudingen onder KP’ers en koeriersters en stak zijn mening niet onder stoelen of banken. Wijbenga had het gevoel dat Krijn door de verhouding met Esmée zijn ongeluk tegemoet rende. Krijn vond dit onzin en wilde er absoluut niet over discussiëren.
Het vele werk dat Esmée verzette zei genoeg, volgens hem.

Volgens een andere KPer, Piet Meerburg, was er sprake van een soort rivaliteit tussen Krijn van der Helm en Pieter Wijbenga. Dit werd door Esmée van Eeghen nog versterkt. Volgens Meerburg waren beide mannen waarschijnlijk verliefd op Esmée.
Dit alles gebeurde nadat Henk Kluvers de verhouding met Esmée had beëindigd. Zij wilde graag trouwen en zo snel mogelijk een kind. Dat durfde Kluvers midden in de oorlog, met alle bijkomende gevaren, niet aan. Hij verliet Friesland en dook onder bij de familie van Esmée in Baarn.

Daar trekt hij zich uit de illegaliteit terug als hij met tbc in een ziekenhuis wordt opgenomen en verbreekt hij de verloving. Veel verzetsmensen wilden niet geloven dat Krijn en Esmée (of Elly, zoals ze in het verzet heette) een verhouding hadden. Te meer omdat Krijn getrouwd was en een kind had. (De vrouw van Krijn van den Helm, is na de oorlog teruggegaan naar Friesland, met haar zoon Joop die na de dood van Krijn werd geboren. Ze heeft er gewoond bij de familie Kingma, haar oude onderduikadres, later kreeg ze een huis in Leeuwarden). De echte problemen begonnen in het voorjaar van 1944. Er begonnen geruchten de ronde te doen in Friesland dat Esmée met Duitsers was gezien.

Zoals dat met geruchten gaat kwam er steeds iets bij. Iemand had haar in het Duits horen telefoneren. Er zou een foto de ronde doen waar ze met feestende Duitse officieren opstond. In een trein van Groningen naar Leeuwarden zou ze in de Weermachtcoupe een fles cognac hebben leeggedronken met een groep SD’ers, met een van de mannen, een zekere Zacharias Sleijfer, zou ze de nacht hebben doorgebracht. Maar anderen verwijzen dit soort geruchten naar het land der fabelen.

Piet Meerburg gaf aan dat hij er niets van geloofde. Volgens hem was Esmée veel te kieskeurig voor dit soort dingen. Waarschijnlijk kwamen de verhalen allemaal van Sleijfer zelf. Hij was een Nederlander die in de oorlog voor de SD werkte en was een gevreesd man. Vriend en vijand had weet van de martelpraktijken die hij er als SD’er tijdens verhoren van verzetsmensen op nahield. Na de bevrijding zat hij 5 jaar vast. Uiteindelijk kwam hij in een psychiatrische inrichting terecht waar hij in 1953 is overleden.

Hij vertelde de Politieke Recherche hele verhalen over Esmée, inclusief het treinverhaal. Hij vertelde dat ze tijdens de treinreis naar de SD’er Lammers vroeg. Lammers was een Nederlandse SD’er die een grote rol speelde in de strijd tegen de illegaliteit in Friesland.
Krijn van der Helm heeft altijd gezegd dat Esmée in zijn opdracht contact met Duitse officieren zocht. Dit wordt bevestigd door Wijbenga, die na de oorlog vertelde dat hij en Krijn Esmée wilden inzetten om Sleijfer en Lammers uit de weg te ruimen. Ze moest de twee SD’ers naar Makkum lokken waar ze geliquideerd zouden worden.

Door omstandigheden is van dit plan nooit iets gekomen. Er zijn ook andere voormalige KP’ers die bevestigen dat Esmée spioneerde in opdracht van Krijn. Sommigen zeggen dat ze op die manier informatie over haar broer Dave probeerde te krijgen die op een trawler in IJmuiden was opgepakt toen hij probeerde om naar Engeland over te steken. De tocht was verraden. Hij overleed kort voor de bevrijding waarschijnlijk van uitputting in Bergen-Belsen.

In mei/juni 1944 werden steeds meer leden van de KP wantrouwig met betrekking tot Esmée van Eeghen. Het werd duidelijk dat ze contact had met een Weermachtofficier die Hans Schmälzlein heette en in Leeuwarden woonde. (Hans Schmälzlein, een anti-nazi en Oberzahlmeister bij het Verpflegungsamt, en woonachtig aan de Emmakade te Leeuwarden)Weliswaar had ze contact met de man gemaakt in opdracht van Krijn van der Helm, maar haar gedrag begon te veranderen.

Ze werd naar Amsterdam gestuurd voor een opdracht en kwam pas weken later terug. In haar gebruikelijke KP-kringen was ze nauwelijks meer te vinden. Op een zeker moment kwam de KP’er achter dat ze in het huis van Hans Schmälzlein woonde, en dat daar ook nog een andere vrouw huisde. Op een ander moment werd ze openlijk in Groningen gezien arm in arm met Hans Schmälzlein, Oberzahlmeister bij het Verpflegungsamt in Groningen.

Esmée vertelde een voormalige hospita dat ze van Hans Schmälzlein was gaan houden, en dat ze dit niet onder stoelen of banken wenste te steken. Ze bleef nog wel illegaal werk doen en gaf het ook door als ze via haar contact hoorde dat er razzia’s gepland stonden. Krijn van der Helm bleef volhouden dat alles in opdracht gebeurde, maar zijn ruzies met Wijbenga over Esmée liepen steeds hoger op.

Wijbenga wilde Esmée confronteren met de situatie, maar volgens Krijn was ze naar België voor een familiekwestie. Later zou ze met TB in het ziekenhuis liggen. Wijbenga vertrouwde de zaak steeds minder, maar na de oorlog is gebleken dat het ziekenhuisverhaal wel klopte. Waar Esmée in die tijd precies verbleef is niet meer te achterhalen, maar in juni 1944 was ze in Baarn bij haar moeder.

De KP’ers Piet Oberman en Wijbenga hebben altijd beweerd dat ze bij Hans Schmälzlein woonde. Vooral Oberman, die onder de naam Piet Kramer werkte, was erg tegen Esmée gekant en hij wilde haar eigenlijk uit de weg hebben. Hij wilde de zaak aan het veemgericht voorleggen. Dit was een verzetsrechtbank die moest voorkomen dat verzetsmensen over de schreef gingen. (Anno Houwing stelde het veemgericht samen en fungeerde als contactpersoon tussen de illegaliteit en de juristen. Houwing maakte rapporten op over 'foute' Nederlanders op basis waarvan het veemgericht het vonnis 'ja', 'nee' of 'nader onderzoek' uitspraken. Volgens Houwing zijn naar aanleiding van die rapporten, die hij tot zijn dood thuis heeft bewaard, enkele tientallen executies voltrokken. Uit naoorlogs onderzoek kan worden geconcludeerd dat in ieder geval elf doodvonnissen zijn uitgesproken. De direct betrokkenen hadden afgesproken dat er nooit meer over het veemgericht gesproken zou worden, maar het is juist Houwing die kort na de oorlog één vonnis noemde, namelijk dat tegen Esmée van Eeghen. Zij was vriendin van Krijn van den Helm, maar werd er tevens van verdacht veel contacten met Duitse legerofficieren te hebben. Houwing had Esmée in 1943 leren kennen en vond haar 'een vlotte mondaine verschijning' die hij echter niet vertrouwde).

Maar Krijn van der Helm was hier zwaar op tegen. Hij was bang dat er een doodsoordeel zou worden uitgesproken. De zaak kwam tot een soort climax op 15 juli 1944. Op die dag, het was een zaterdag, overviel de SD het Kaaspakhuis in Leeuwarden en nam de gehele administratie van het Friese verzet in beslag. De inval was het gevolg van de arrestatie van de voormalige politieman Ben de Vries die zich bij de KP had aangesloten. Hij werd tijdens een actie door de Landwacht aangeschoten en gearresteerd. Ben de Vries werd urenlang zwaar mishandeld en sloeg door. Het gevolg was een aantal invallen in huizen van verzetsmensen en een inval in het Kaaspakhuis.

Daar werden wapens, munitie, uniformen en zelfs geschut gevonden. Maar erger nog was dat de volledige administratie
in handen van de SD viel. Er waren veel brieven, een kaartsysteem met de code erbij en namenlijsten van mensen die geld gaven om onderduikers te ondersteunen. Kortom, de ramp was compleet. Omdat de KP-leden tijdig waren gewaarschuwd en er wat tijd voorbij was gegaan werden er weinig mensen opgepakt. Bijna alle leidende leden konden onderduiken.

In die zelfde tijd ontdekte men dat Esmée weer in Leeuwarden was, en er ontstond een theorie dat zij de boel verraden moest hebben. Krijn van der Helm sprak dit woedend tegen, maar toen hij ontdekte dat ze wel degelijk in het huis van Hans Schmälzlein was, moest hij toegeven dat ze voor het verzet verloren was. Wel was intussen, na onderzoek, bekend dat ze geen verraad had gepleegd.

Er werd contact opgenomen met het veemgericht en het advies was dat Esmée te gevaarlijk voor het verzet was en geliquideerd moest worden. Krijn bleef hier fel op tegen en redde zo in feite haar leven. Er werd besloten dat Esmée Friesland moest verlaten, zoniet zou ze als nog worden neergeschoten.
Een andere koerierster nam contact met haar op in het huis van Hans Schmälzlein. Esmée vertelde haar dat ze van de Duitse officier hield en met hem wilde trouwen. Ze wilde naar Duitsland verhuizen en zeker niet terug naar het verzet.

Daarna had ze nog een ontmoeting met verschillende KP’ers waaronder Krijn. Ze bleef bij haar besluit en zei dat ze bang was voor verschillende SD’ers waaronder Lammers. Hans Schmälzlein zou haar kunnen beschermen. De KP’ers maakten duidelijk dat ze de volgende dag uit Friesland weg moest wezen, anders werd ze omgelegd. Esmée beloofde dat ze zou gaan en ze hield haar woord. Ze werd uitgeleide gedaan door haar Duitse vriend en vertrok naar haar familie in Baarn.

Esmée bleef een paar weken in Baarn en ging nooit terug naar Leeuwarden. Naar Duitsland is ze ook nooit gegaan. Van alle kanten vreesde ze voor haar leven. De SD was op de hoogte van haar activiteiten en haar hospita was opgepakt. Ben de Vries had tijdens de verhoren haar naam genoemd, en er bleef weinig voor de SD verborgen. Het net begon zich langzaamaan te sluiten.

De SD’er Lammers was er erg op gebrand om Esmée in handen te krijgen, want hij verdacht haar van betrokkenheid bij de liquidatie van de foute politieman Sikke Wolters uit Heerenveen (een verrader), die op 27 juni 1944 in de fietsenstalling op het NS-station in Heerenveen is neergeschoten, en een vriend van Lammers was. (In de nacht van 29 op 30 juni 1944 werd de 59-jarige veehouder Albert Marten Rinkema in zijn woning aan de Binnendijk doodgeschoten. Deze moord was het gevolg van de moord op politieluitenant Sikke Wolters). Ben de Vries had haar betrokkenheid bevestigd. Lammers ging nu met enkele andere SD’ers echt op jacht naar Esmée.

Via An Jaakke die ook bij de Duitse officier Schmälzlein verbleef kreeg hij extra informatie. Zij was de vriendin van een andere officier die op hetzelfde adres woonde. De vrouw, ook bekend als Bep H. (Antoinette Jaake) maakte een afspraak met Esmée op het Centraal Station in Amsterdam. Ze ging met twee SD’ers, waaronder de gevreesde Faber, naar de hoofdstad en op 9 augustus 1944 werd Esmée door de SD’ers gearresteerd toen An Jaakke Esmée door middel van een judaskus op het station van Amsterdam Esmée overleverde aan de bezetter.

De twee dames werden in een café gearresteerd en na de nacht in Haarlem te hebben doorgebracht, reisde het gezelschap de volgende dag door naar Groningen. An Jaakke werd in Meppel vrijgelaten en keerde terug naar Leeuwarden. Esmée werd overgebracht naar het hoofdkwartier van de SD in Groningen. In een telefoongesprek met haar moeder kondigde ze aan dat er een paar SD’ers naar Baarn zouden komen om haar kamer te doorzoeken. Ze vroeg haar moeder om de mannen wat kleren mee te geven. Het is nooit echt duidelijk geworden waarom An Jaakke Esmée in handen van de SD speelde. Ingewijden zeggen dat jaloezie een rol speelde omdat ook zij een oogje op Schmälzlein had. Zelf heeft ze altijd gezegd dat Lammers haar had gedwongen.

Volgens verschillende Duitse bronnen nam Esmée van Eeghen in het Scholtenshuis, het Groningse SD-hoofdkwartier, een speciale plaats in. Ze zou een eigen kamer hebben gehad en ze kreeg dagelijks brood en melk. Ook sigaretten zouden tot haar beschikking hebben gestaan. Dit werd na de oorlog door SD’ers verteld die bang waren voor de doodstraf. Echt betrouwbaar zijn deze verklaringen dus niet. Volgens Lammers klopt er allemaal niets van. Hij probeerde haar over te halen om voor de SD te werken.

Maar hier kwam weinig van terecht. Lammers vertelde na de oorlog dat Esmée nooit is mishandeld en dat ze zonder veel moeite veel informatie over de illegaliteit prijs gaf. Ze zou ook namen genoemd hebben, onder meer de namen van de verzetsmensen die Wolters hadden geliquideerd. Hij verklaarde dat ze de namen van 5 belangrijke verzetsmensen had genoemd, die werden opgepakt. Ze zou ook Oberman hebben genoemd die in vrijheid bleef door van zich af te schieten. Lammers voegde er aan toe dat hij niet kon begrijpen dat het verzet zoveel vertrouwen in Esmée had gesteld.
Of Esmée van Eeghen ook echt namen heeft genoemd blijft onzeker. Volgens Pieter Wijbenga is het onwaarschijnlijk.

De vijf mensen die door Lammers werden genoemd kwamen volgens Wijbenga voor een groot deel via andere wegen in handen van de Duitsers. En maar een van deze personen Ds.Touwen, een predikant uit Makkum, werd uiteindelijk op 7 september 1944 in het Drentse Vries gefusilleerd. Volgens Wijbenga waren veel meer mensen tegen de muur gegaan als Esmée van Eeghen echt had verteld wat ze allemaal wist.

Er wordt ook beweerd dat Krijn van der Helm door Esmée in handen van de Duitsers viel. Hij was ondergedoken in Amersfoort bij zijn ouders en een brief van Esmée aan zijn vrouw zou de SD op zijn spoor hebben gezet. Krijn werd vermoord door de Nederlandse SD’er Pieter Johan Faber, die ook Esmée arresteerde. Faber kwam doormiddel van de brief van der Helm in Amersfoort op het spoor. Tijdens een confrontatie op Krijn’s tweede onderduikadres, het huis van zijn schoonouders aan de Kapelweg, schoot Faber hem dood. (Pieter Johan Faber was de broer van de oorlogsmisdadiger Klaas Carel Faber. Zelf was hij tijdens de Tweede Wereldoorlog opperwachtmeester bij de Sicherheitsdienst (SD) in het Scholtenhuis in de stad Groningen. Het gezin waarin de broers opgroeiden, was lid van de NSB. Vader Pieter, die bakker was in Heemstede, werd op 20 juni 1944 op 55-jarige leeftijd doodgeschoten door de verzetsstrijdster Hannie Schaft. De familie Faber verzette zich tegen het executeren van gijzelaars en andere willekeurig gekozen mensen als represaille voor de dood van Pieter Faber, maar de beide zoons werden erg fanatiek in het bestrijden van het Nederlandse verzet. Pieter Johan Faber werd schuldig bevonden aan 27 moorden. Na de oorlog werden de broers veroordeeld tot de doodstraf, maar alleen Pieter Johan Faber werd geëxecuteerd door een vuurpeloton. De doodstraf van zijn broer Klaas Carel Faber werd omgezet in een levenslange gevangenisstraf).

De SD in Groningen was hier niet blij mee, omdat ze van der Helm graag levend in handen hadden gekregen. Een onderduikster, Ruth de Jonge, die getuige was van de moord meldde in Friesland wat er was gebeurd. Over een brief van Esmée heeft ze trouwens nooit iets gehoord. KP’er Piet Meerburg is er van overtuigd dat Esmée van Eeghen geen verraad heeft gepleegd.

Volgens hem was zij wel het soort persoon dat een verhouding met een Weermachtofficier zou aanknopen, maar niet met een SD’er of een SS’er. En hij is er van overtuigd dat ze nooit iemand verraden zou hebben. Meerburg: Natuurlijk moet je iets zeggen als je verhoord wordt, en dat zal ze ook gedaan hebben, de SD wist al zoveel. Maar dat is geen verraad. De afspraak was dat je ten minste vierentwintig uur je mond hield, daarna kon je praten, dan was toch iedereen weg. Esmée wist alles, ze wist veel te veel. Als ze echt verraad had gepleegd, had ze onnoemelijk veel schade kunnen aanrichten. Ik vind dat ze op een twijfelachtige manier met onzuivere motieven is aangevallen.

Ze was en bleef een vreemde in Friesland, niet een van hen.’ De verklaringen over de tijd in het Scholtenshuis blijven elkaar tegenspreken. Het standpunt van Piet Meerburg lijkt het meest te passen. Esmée zal zeker wat dingen hebben verteld om te proberen haar leven te redden, maar van grootscheeps verraad is geen sprake geweest zoals sommigen beweren.

Wat er verder met Esmée is gebeurd bij de SD is moeilijk te achterhalen. Maar op 8 september 1944 vonden burgers uit Paddenpoel in de Gemeente Noorddijk het lijk van een jonge vrouw in het Van Starkenborghkanaal. De vrouw was elegant gekleed, en was om het leven gebracht met dertien kogelschoten. Een boer had die avond ervoor schoten gehoord.

De SD, die op de hoogte was van haar verzetswerk, was op zoek naar Esmée. In augustus 1944, na verraad door An Jaakke, de vriendin van de huisgenoot van Hans Schmälzlein, werd ze opgepakt. Esmée werd naar Groningen overgebracht, waar ze op 7 september door Knorr, één van de leidende figuren van de SD te Groningen, werd neergeschoten en in het Van Starkenborghkanaal gegooid.

De moordenaar van Krijn van der Helm, Pieter Johan Faber, was bij de executie aanwezig, samen met zijn broer, en vertelde na de oorlog dat zijn chef, Untersturmführer Knorr, Esmée doodschoot. We laten hem aan het woord: "Ik hoorde van Knorr dat 'Esmée en een zekere Kremer, (Luitje Kremer, 24 jaar en lid van de KP Noord-Drenthe), 'ook een politieke arrestant, die avond moesten worden doodgeschoten'. Om negen uur zijn ze in de auto van Knorr gestapt, 'We waren met z’n vijven, Knorr, mijn broer Karel , Esmée, Kremer en ik, Knorr chauffeerde.

We zijn gereden door de nieuwe Ebbingestraat en zo in de richting van Winsum. Even buiten de stad stopte de wagen, onder welk voorwendsel dit gebeurde weet ik niet. Knorr stapte uit en liet daarop Esmée uitstappen. Ik ben daarop ook uitgestapt, met Kremer. Ongeveer op hetzelfde moment schoot Knorr Esmée dood. Ik heb daarna Kremer neergeschoten. Daarop hebben wij met ons drieën beide lijken in het daar aanwezige kanaal gegooid. Een en ander gebeurde in opdracht van Knorr en ik neem aan dat zowel Knorr als Haase (Chef van de SD in Groningen) hiervoor opdracht hadden van een hogere instantie. Hier is echter niet over gesproken.”

Haase ontkende na de oorlog dat de opdracht van hem kwam en gaf aan dat er waarschijnlijk een bevel uit Den Haag moet zijn gekomen. Waarom Knorr 13 keer schoot is ook niet duidelijk. Hij heeft er nooit iets over gezegd. Na de oorlog pleegde hij zelfmoord in een Haagse gevangenis voordat hij verhoord kon worden. Intussen had de moeder van Esmée van Eeghen sinds het telefoontje uit het Scholtenshuis niets meer van haar dochter gehoord. Ook na de bevrijding niet. Henk Kluvers ging bij haar navraag doen, maar werd niets wijzer. Kluvers is toen met Esmée’s moeder naar Groningen gegaan, waar al snel bleek dat het slecht nieuws was.

Aan de hand van sieraden die op het lijk werden gevonden is Esmée uiteindelijk geïdentificeerd. Kluvers heeft daarna het proces van Faber in Groningen bijgewoond en volgens hem heeft Faber openlijk gezegd dat Esmée niemand had verraden. "Die kerel heeft mij persoonlijk gezegd dat Esmée niets heeft losgelaten. Ze hebben met haar rondgereden van het ene adres naar het andere, maar ze hebben niets uit haar gekregen. Op het laatst begon het hen te vervelen en toen hebben ze haar gezegd weg te lopen. Auf der Flucht erschossen heet dat.’

Esmée van Eeghen werd in eerste instantie op de Algemene Begraafplaats in Noorddijk begraven. Na de oorlog heeft haar moeder haar laten herbegraven op de begraafplaats aan de Wijkamplaan in Baarn. Ze ligt daar in een 'oorlogsgraf op een normale afdeling.

Het lijk van Krijn van der Helm werd uiteindelijk teruggevonden in een massagraf bij Kamp Amersfoort. Hij werd onder grote belangstelling begraven in Leeuwarden. Het hele Friese verzet was bij de uitvaart aanwezig. Bep H (Antoinette Jaake), de verraadster van Esmée kreeg in 1946 12 jaar gevangenisstraf.
Eerder was de doodstraf geëist. De moeder van Esmée ondertekende een verzoek in 1946 tot gratie voor Bep H., de verraadster van haar dochter.

Van de Duitse officier Schmälzlein is nooit meer iets vernomen. Waarschijnlijk is hij aan het Oostfront omgekomen. Van de betrokken Nederlandse SD’ers kreeg Lammers levenslang.
Hij kwam in 1964 vrij en werd voor altijd uit Friesland verbannen. Pieter Johan Faber, de man die Krijn van der Helm vermoorde kreeg de doodstraf. Hij werd in 1948 geëxecuteerd.

Na afloop van de oorlog werden de broers Klaas Carel Faber en Pieter Johan Faber, gearresteerd en in juni 1947 door de Bijzondere Rechtspleging veroordeeld tot de doodstraf. De zaken die Karel tijdens het proces ten laste werd gelegd waren:

  • 25-08-1944; Het doodschieten van Krijn van der Helm

  • 07-09-1944; Het liquideren van Esmee van Eeghen en Luitje Kremer in Noorddijk

  • 19-09-1944; Executie van 5 mensen in Exloo

  • 25-09-1944, 12-10-1944, 28-10-1944; Executie van ten minste 34 mensen in Westerbork. Het is bewezen dat hij aan de executie van 28e zeker heeft deelgenomen.

  • 05-10-1944; De moord op Johannes Treurniet, een ondergedoken politieagent.

Tweede kerstdag 1952 ontsnapt Karel samen met Herbertus Bikker, Sander Borgers en nog 4 andere oud SS'ers uit de Bredase Koepelgevangenis. Nog diezelfde avond vluchtten ze naar West-Duitsland.


Jelle Hempenius, (veehouder) geboren op 10-02-1901 te Warten, overleden op 08-12-1944 te Marum.

Jelle Hempenius, zat bij het gewapend verzet. In 1944 werd hij omdat het verzet een aanslag op een stoomtrein van de Nederlandse Tramweg Maatschappij had gepleegd en toen te zijn verraden door een NSB’er gefusilleerd, bij de voormalige trambaan in Marum.


Aris Heijdenrijk, (ober) geboren op 10 januari 1909 te Rotterdam, overleden op 22-01-1945 te Dokkum.

Twee doden bij beschieting bij de Valom.

Op 13 januari 1945 ontdekken de Duitsers bij een huiszoeking op de boerderij van Benedictus bij Aalsum wapens. Deze boerderij lag in de buurt van het wapendroppings terrein bij Aalsum en de wapens waren ook van een dropping afkomstig. De arbeider, Geale Postma uit Driesum, werd gearresteerd. Daarna volgen er een aantal arrestaties. Eén van de arrestanten is dr. Gunster de apotheker in Dokkum. Deze apotheek was het hoofdkwartier van de NBS in deze streek. De apotheker speelde een belangrijke rol in het verzet en hij kende de gehele verzetsorganisatie in deze buurt. Het verzet had er groot belang bij om de apotheker uit handen van de Duitsers te krijgen.

Op 19 januari worden drie arrestanten, waaronder Gunster, van Dokkum naar Leeuwarden vervoerd. De route gaat via De Valom, waar toen nog een opklapbrug was. 

Het verzet besluit om bij De Valom de arrestanten te bevrijden. Ze draaien de brug een klein stukje open waardoor de auto moet stoppen. Het was de bedoeling om bij deze actie geen schot te lossen maar het gaat mis. Van beide kanten wordt geschoten. Eén Duitser (Maus), een topman van de S.D. komt om en de Belgische chauffeur (De Keukelare) die voor de Duitsers werkte raakt zwaar gewond. Hij sterft  later aan zijn verwondingen. De bevrijdingsactie lukt, alleen Gunster raakt gewond aan zijn knie. 

In de auto zit ook de SD commandant Grundmann. Hij overleeft de aanslag en weet te ontkomen. Hij is woedend en wil represaille (wraak) voor wat er gebeurd is. De bevolking in De Valom houdt haar hart vast. Veel mannen duiken onder. Grundmann verzoekt de Duitse legerleiding om Dokkum te bombarderen. Dit gaat de Duitsers te ver. Ze besluiten om 20 gevangenen, afkomstig uit de gevangenis van Leeuwarden en Groningen, bij Dokkum neer te schieten. Aris is begraven op de Noorderbegraafplaats te Leeuwarden.


Wiepke Hof, geboren op 8 september 1916 in Echten, overleden op 17-03-1945 te Doniaga.

Wiepke Hof werd geboren op 8 september 1916 in Echten. De 28-jarige winkelier in Echtenbrug was medewerker van een Knokploeg. In de avond van 13 juni 1944 werd het distributiekantoor in Kuinre leeggehaald. Roelof Knol (schuilnaam 'Wim Reinders') had zich in dit kantoor laten insluiten om 's avonds zijn makkers binnen te kunnen laten. De buit zat in een brandkast die de KP'ers ter plaatse niet open konden krijgen. Daarom vervoerden ze de brandkast op een bakfiets, gesleept door een personenauto, naar Echtenbrug. Hof bestuurde de bakfiets.

Verder werkte hij mee aan het verspreiden van gedropte wapens die van het afwerpterrein in het Katlijker Schar kwamen. Op 3 januari 1945 deed de Sicherheitsdienst een inval in de woning van Hof, waar Luitjen Mulder en Roelof Knol waren ondergedoken. De drie mannen werden naar Heerenveen gebracht, waar in de gevangenis Crackstate zware verhoren volgden. Hof en Knol waren twee van de tien slachtoffers van de represaillemaatregel op het erf van de veehouder Schotanus in Doniaga op 17 maart 1945. Hof werd begraven op de N.H. begraafplaats in Echten.


Teunis Willem Hoogerdijk, geboren op 28 november 1913 te Oegstgeest, Overleden op 27 maart 1984 te Leiden.

Teunis Willem, (Scherpschutter 1e klas) heeft zijn opleiding genoten in het voorjaar van 1933 bij het Korps Luchtdoel Artillerie aan de Croeselaan in Utrecht. De opleidingsduur was een half jaar en afgezwaaid als Scherpschutter 1e klas op de wapens, het kanon, de mitrailleur, de karabijn en het pistool. Daarna vertrokken naar Friesland en betrokken bij de verdediging van de Afsluitdijk. Daarna gerepatrieerd in Wieringen en vandaar uit vertrokken naar Oegstgeest.


Hendrik Huizenga, (visser) geboren op 26 november 1909 in IJlst, overleden op 06-04-1945 te Nijemirdum.

Hendrik Huizenga, (visser) werd geboren op 26 november 1909 in IJlst. Hij  was onder de schuilnaam 'Taeke' werkzaam voor de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers. Door verraad werden hij en Hoomans op 5 april 1945 gearresteerd, omdat ze voor de Knokploeg wapens vervoerden. De volgende dag werden ze tegelijk met Herre Winia, Durk Dijkstra en Gerrit Vlietstra op de Zandvoorderhoek bij het IJsselmeer gefusilleerd. Van deze executie heeft niemand iets gezien of gehoord. De onzekerheid over het lot van de 5 slachtoffers heeft geduurd tot 18 oktober 1946. Toen heeft een van de daders, die deel uitmaakte van het vuurpeloton, de plaats aangewezen waar de mannen waren begraven.

Op 5 april 1945 werd IJlst opgeschrikt door een razzia, die door de Sneeker Sicherheitsdienst volgens de gebruikelijke methode uitgevoerd werd. Op deze dag werden Jurjen Hoomans, die op deze dag zijn 35e verjaardag vierde, en zijn maat Hendrik Huizenga door de SD opgepakt en naar de gevangenis in Sneek gebracht. Ook Jurjen z’n broer Klaas werd meegenomen. Jurjen en Henk waren leden van de Ondergrondse en behoorden tot de KP, de knokploeg.
Zomaar ineens stonden ze bij ons voor de deur, het hele huis werd werd doorzocht op wapens, maar die waren er niet, dus er werd niets gevonden.
De volgende dag ging onze moeder naar Sneek, want ze wilde een pakje afgeven bij de gevangenis, maar dit werd niet aangenomen.
Klaas kwam na een paar dagen weer thuis, maar van Jurjen en Henk werd niets meer vernomen en alle naspeuringen leverden geen enkel resultaat op.

Als familie leefden wij alle dagen tussen hoop en vrees. Tot op 18 oktober 1946, let wel: anderhalf jaar later, we bezoek kregen van politieman Van Dalfsen en nog een agent. Zij deelden ons mee dat ze voor 95% zeker waren dat ze de lichamen van de mannen gevonden hadden. De volgende avond kwamen ze weer en vertelden dat ze er nu zeker van waren; Jurjen en Henk waren twee van vijf slachtoffers, allen verzetsstrijders. Weg was onze stille hoop dat ze nog in leven zouden zijn.
Achteraf bleek dat ze al de volgende dag, 6 april, waren afgevoerd naar Gaasterland en op de Zandvoorderhoek tussen Sondel en Nijemirdum waren gefusilleerd.

Op 23 oktober 1946 vond de herbegrafenis in IJlst plaats, voorafgaande door een rouwdienst in de Hervormde kerk. De predikant stond even stil bij de woorden uit 2 Sam. 1: 19-27, “Hoe zijn de gevallenen”. Het was een indrukwekkende dienst. Ze werden met militaire eer begraven.
Het meeleven uit de bevolking was groot, ook koningin Wilhelmina betoonde haar medeleven met een brief. Elk jaar met de herdenking gaan onze gedachten terug naar dit droeve gebeuren.
Wij willen de schooljeugd van harte bedanken dat zij elk jaar weer zorgen voor het stijlvolle monument.

A. Frankena-Hoomans.

Op de begraafplaats in Drylts zijn de graven van Jurjen Hoomans en Hendrik Huizenga te zien. In WO2 opgepakt en 10 dagen voor de bevrijding in Gaasterland gefusilleerd. Na de oorlog herbegraven in IJlst.


Jacob Hylkema, geboren op 22 november 1900 in Grouw, overleden op 08-03-1945 te Dongjum.

Jacob Hylkema werd geboren op 22 november 1900 in Grouw. In 1940 was hij adjunct-directeur van de N.V. Halbertsma's fabrieken. Als verzetsman werd hij in 1944 gemeentecommandant van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Op zaterdag 3 maart 1945 werd hij gearresteerd door de Grüne Polizei in verband met, zoals werd gezegd, het in bezit hebben van wapens. Met nog vier andere verzetsmensen ( Pieter Anne Glastra van Loon, George Christiaan Tinkelenberg, Bauke van der Pal en Heinrich Röth) uit de gemeente Idaarderadeel werd Hylkema naar het Burmaniahuis in Leeuwarden gebracht.

Hylkema werd met deze vier gevangenen op 8 maart 1945 na zware martelingen ondergaan te hebben, meegenomen naar het dorp Dongjum. Hier werden ze standrechtelijk gefusilleerd op de akker van een boer. Op de plek van de executie is later een klein gedenkteken geplaatst. De fusillade was een represaillemaatregel voor de aanslag op Grietje Sinnema, de tolk en secretaresse van de staf van de 'Abteilung für Ernährung und Landwirtschaft' te Franeker. Deze 19-jarige boerendochter uit Ried regelde voor deze instantie de paardenvorderingen en hooileveringen ten behoeve van de Duitse Wehrmacht. Het fanatisme waarmee Sinnema te werk ging, leidde er uiteindelijk toe dat de boeren hun beklag deden bij Folkert de Jong, district operatieleider van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS) in Franeker.

Door de paardenvorderingen kon het bouwland voor de komende oogst niet bewerkt worden. Verzetsman De Jong schaduwde Sinnema twee weken lang om er zeker van te zijn dat een eventuele liquidatie verantwoord was. Op 3 maart 1945 werd de aanslag gepleegd door twee leden van de NBS. Grietje Sinnema werd echter niet dodelijk getroffen. Zij werd naar het Duitse lazaret in Leeuwarden gebracht, waar operatief ingegrepen werd. De baas van Sinnema drong aan op vergelding.

Hierop werden vijf mannen uit de gevangenis gehaald en op de plaats van de aanslag doodgeschoten. De ontzielde lichamen moesten 24 uur onder politiebewaking blijven liggen, als afschrikwekkend voorbeeld voor de dorpsbewoners. De volgende dag werden de slachtoffers begraven en na de bevrijding volgde de herbegrafenis in eigen dorp. Grietje Sinnema keerde op 12 april terug in haar dorp, waar ze vijf dagen later werd gearresteerd (Friesland was immers al bevrijd).Hij werd begraven op de Algemene begraafplaats te Grouw.

 

 

Home

 

Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.