Friese Verzetsstrijders - bevrijders en andere betrokkenen.

 

A | B | C | D | E | F | G | H | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | V | W | IJ | Z |

 

 

Bauke van der Pal, geboren op 4 augustus 1918 te Joure, overleden op 08-03-1945 te Dongjum.

Bauke van der Pal werd geboren op 4 augustus 1918 in Joure. In 1942 sloot hij zich aan bij de verzetsbeweging in Grouw. Hij deed koeriersdiensten en organiseerde wapentransporten. Hij is gearresteerd op 3 maart 1945 in verband met het verbergen en vervoeren van gedropte wapens. Op 8 maart werden hij en vier andere verzetsstrijders, Pieter Ane Glastra van Loon, Jacob Hijlkema, Willy Heinrich Röth en George Christiaan Tinkelenberg gefusilleerd.

Na zware martelingen ondergaan te hebben, meegenomen naar het dorp Dongjum. Hier werden ze standrechtelijk geëxecuteerd op de akker van een boer. Op de plek van de executie is later een klein gedenkteken geplaatst. Bauke is gefusilleerd als represaille voor de aanslag op de tolk/secretaresse van de staf van de Abteilung für Ernährung und Landwirtschaft te Franeker Grietje Sinnema.die tolk was voor de Duitsers in Franeker en verantwoordelijk voor de vordering van paarden bij de boeren in de omgeving.


Gerrit Pierik, geboren op 13 mei 1883 te Harlingen, overleden op 07-02-1945 te Neuengamme. Over Gerrit is verder niks bekend.


Sijbrandus Pietersma, geboren op 26 oktober 1904 te Bolsward, overleden 01-04-1945 te Leeuwarden. Over Sijbrandus is verder niks bekend.


Jacob van der Plaats, geboren op 17 juli 1924 te Beetgum, overleden op 20-10-1944 te Leeuwarden.

De bijna 20-jarige was lid van de L.O. Ook had hij via onderduikers in het ouderlijke huis contact met een Knokploeg uit Meppel, Tevens was Jacob contactpunt voor de Knokploeg uit Leeuwarden. In de nacht van 14 op 15 augustus 1943 werd het plaatselijke bureau van de gemeente Menaldumadeel gekraakt. Van der Plaats nam ook deel aan deze actie. In de morgen van 20 oktober 1944 ging hij naar het land om arbeiders koffie te brengen. Onderweg werd hij door een peloton van de Grenzschutz van de bezetter teruggeroepen. Jacob reageerde niet en werd van grote afstand neergeschoten en overleed aan zijn verwondingen. Hij werd begraven op de N.H. begraafplaats in Beetgum.


Fokke Polet, geboren op 3 januari 1905 te Stiens, overleden op 03-05-1943 te Noordbergum.

In Tytsjerksteradiel lieten enige mensen het leven door het agressief optreden van de Duitsers. Fokke was tijdens de meidagen van 1940 in militaire dienst en moest zich eind april 1943 weer als krijgsgevangene melden bij de bezetter. Dat heeft hij geweigerd. Op 3 mei 1943 werden Fokke Polet en Jonas Elzinga op de hoek Zomerweg/Kloosterlaan van hun fiets geschoten, 2 andere personen ontkwamen.


Leendert Poot, geboren op 15 december 1924 te Delft, overleden op 04-04-1945 te Terzool.

Hij woonde in Naaldwijk en was ondergedoken bij veehouder A. K. de Boer in Terzool. Op 4 april 1945 werd de boerderij door de bezetter omsingeld. Poot probeerde zijn schuilplaats in de schuur te bereiken, maar hij werd ontdekt. Toen hij na een verhoor in de huiskamer werd weggevoerd, heeft hij nog een vluchtpoging ondernomen. Ter plaatse werd hij door drie schoten in het hoofd gedood. Zijn gastheer De Boer moest mee naar Sneek en kon na enkele dagen weer naar huis terugkeren. Leendert Poot werd begraven op de N.H. begraafplaats in Terzool en na de bevrijding herbegraven op de Algemene begraafplaats aan de Geestweg te  Naaldwijk.


Johannes Post, (landbouwer) (verzetsnamen Hemke van der Zwaag en Johannes van Setten), verzetsman,  geboren op 4 oktober 1906 te (Hollandscheveld Dr.) overleden op 16-07-1944 te Overveen (N.H.)

Johannes Post stamde uit een geslacht van kleine Drentse landbouwers. Na de lagere school bezocht hij gedurende één jaar de MULO, waarna hij werkzaam was op het bedrijf van zijn vader. Behorend tot de gereformeerde kerk werd Post op zestienjarige leeftijd lid van de Jongelingsvereniging op Gereformeerde Grondslag in de afdeling van Hollandscheveld, waarvan hij in 1926 voorzitter werd. In 1929, het jaar van zijn huwelijk, vestigde Post zich als landbouwer in Nieuwlande.

Hij hield zich eveneens bezig met de handel in pluimvee, eieren en paarden. Ook zette hij een vrachtdienst op voor de pluimveehouders uit zijn streek. Hij trad toe tot de Antirevolutionaire Partij (ARP) en werd in 1935 raadslid en wethouder van de gemeente Oosterhesselen. Hij liet zich kennen als een hardwerkende, intelligente, non-conformistische en zeer principiële persoonlijkheid, die het avontuur niet schuwde. Hoewel geschokt door de Duitse inval op 10 mei 1940 en zeer antinationaal-socialistisch ingesteld raakte Post pas medio 1942 direct bij het verzet betrokken.

Een door de Sicherheitspolizei gezochte onderduiker vond toen een veilig onderkomen in zijn boerderij. In de winter van dat jaar ging Post op pad om onderduikadressen voor joden te zoeken. Hij deed dat samen met zijn broer Marinus, die al eerder joden verborgen had gehouden op zijn boerderij te Kampen. Door zijn betrokkenheid bij de ARP onderhield Post nauwe contacten met de leiders van die partij en met de verzetsgroep rond het illegale blad Trouw . De grote verzetsperiode van Post begon in de zomer van 1943, na de april-mei stakingen van dat jaar.

Deze waren een reactie op het voornemen van de bezetter de leden van de voormalige Nederlandse krijgsmacht als krijgsgevangenen naar Duitsland af te voeren, met de bedoeling hen in het kader van de Arbeitseinsatz in Duitsland tewerk te stellen. De plaatselijke registratiekantoren werden al spoedig doelwit van overvallen door gewapende verzetsgroepen, aangeduid als knokploegen. Naarmate het aantal onderduikers toenam, groeide de behoefte aan distributiebonnen en andere bescheiden, wat leidde tot het ontstaan van nieuwe knokploegen voor het plegen van overvallen. De overgang van Post - die zich eerst van de schuilnaam Hemke van der Zwaag en vervolgens van die van Johannes van Setten bediende - naar het gewapend verzet begon op 23 juni 1943 met overvallen op registratiekantoren in Sleen, Zweeloo,  Oosterhesselen en Nieuweroord.

Zijn verzetsgroep, waartoe de in Nieuwlande ondergedoken wachtmeestervlieger J.W. Wildschut behoorde, werkte voornamelijk voor de Trouw -groep. Toen hem de grond te heet onder de voeten werd, dook Post onder. Niettemin werd hij op 16 juli 1943 te Ugchelen op de Veluwe door de Sicherheitspolizei gearresteerd en opgesloten in het politiebureau van Apeldoorn, waar hij de volgende dag een vergeefse poging deed te ontsnappen. Op 18 juli wist een agent van de verkeerspolitie hem uit zijn cel te halen en naar buiten te brengen. Post vond een veilige toevlucht in Rijnsburg bij Leiden, waar zijn broer Henk gereformeerd predikant was.

Inmiddels was zijn gehele gezin ondergedoken. Samen met zijn broer Marinus en Wildschut voerde Post tal van acties uit. In het najaar van 1943 trok hij het land door en legde hij binnen het verzet veel contacten. Vervolgens vestigde hij zich in januari 1944 in Breda, van waaruit hij overvallen pleegde in West-Brabant en Zuid-Holland. Een van Posts opmerkelijkste wapenfeiten is de overval die hij uitvoerde op 19 februari 1944 op het politiebureau in de Archimedesstraat in Den Haag. De buit bestond uit een zestigtal pistolen, patroonhouders en scherpe munitie.

In augustus 1943 werden de verschillende knokploegen samengebracht in één organisatie: de Landelijke Knokploegen (LKP). Het was deze LKP die de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers onder meer van distributiebonnen voorzag. Hoewel Post zich vooral betrokken voelde bij de Trouw -groep, werden zijn banden met de zo hecht dat hij medio maart 1944 werd opgenomen in de top van deze organisatie, met als taak leiding te geven in de noordelijke provincies. In april 1944 reisde hij naar het noorden om de samenwerking tussen de knokploegen van Friesland, Groningen en Drenthe tot stand te brengen.

In mei/juni 1944 kreeg de LKP zware slagen te verduren door de arrestatie van enkele leiders. Voor Post was dit een van de redenen om in de laatste week van mei naar Amsterdam te gaan voor nader overleg. Begin juni arresteerde de Sicherheitspolizei een aantal leden van de knokploegen in Groningen en Drenthe, waardoor een terugkeer naar het noorden voor Post te gevaarlijk werd. Zijn aanwezigheid in het westen was trouwens meer dan noodzakelijk, omdat door de arrestaties in de leiding van de LKP een vacuüm was ontstaan. Hoewel de verdeling van taken en competenties de nodige problemen opleverde, kreeg hij in zekere zin de supervisie over de LKP in westelijk Nederland.

Hij vestigde zijn hoofdkwartier in Amsterdam. Juist in juni 1944 werd Post betrokken bij de coördinatie van het verzet in Nederland. In februari van dat jaar hadden namelijk verschillende verzetsorganisaties de 'Kern' gevormd, een orgaan om te komen tot een betere technische afstemming van de verschillende verzetsactiviteiten. Tevens ging Post namens de LKP deelnemen aan de 'donderdagmiddagbesprekingen', waarin onder meer de chef-staf van de Orde Dienst (OD), jhr. P.J. Six en Gerben Wagenaar van de Raad van Verzet als representanten van het gewapende verzet overleg pleegden.

Juist door dit contact ontstond bij Post waardering voor Six en de OD, wat hem door de LKP'ers niet in dank werd afgenomen. Een zware slag voor Post was het mislukken op 23 juni 1944 van de overval op het distributiekantoor in Haarlem, waarbij Wildschut gevangen werd genomen. Onder grote druk trof Post voorbereidingen om zijn vriend uit het huis van bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam te bevrijden. Een Nederlandse SS-bewaker, die voorgaf de zijde van het verzet te kiezen, zou zijn medewerking verlenen, maar verraadde het plan aan de Sicherheitspolizei.

Toen in de nacht van 14 op 15 juli 1944 een knokploeg de gevangenis binnendrong, viel deze in een hinderlaag. Na een vuurgevecht werden zes overvallers gevangengenomen. De volgende dag werd onder meer Post, die volgens plan zelf niet aan de overval had deelgenomen, gearresteerd en op 16 juli, tezamen met twaalf anderen, gefusilleerd in de duinen bij Overveen. Na de bevrijding is het stoffelijk overschot van Post herbegraven op de Erebegraafplaats Overveen te Bloemendaal.


Pieter Postma, geboren op 2 april 1913 te Buitenpost, overleden op 15-04-1945 te Dokkumer Nieuwe Zijlen

In de nacht van 13 op 14 april 1945 namen de strijders van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS) in de gemeente Kollumerland de sluizen bij Dokkumer Nieuwe Zijlen in bezit met de opdracht deze te beveiligen. Ongeveer een kilometer ten zuiden van de sluizen bezetten een viertal groepen van de NBS de driesprong. Zij hielden ruim 36 uur stand. In het kader van deze actie werd op de Soensterdijk een autobus van de bezetter, die naar het westen probeerde te ontkomen, aangevallen. Hierbij ontstond een hevig gevecht, waarbij Pieter Postma dodelijk werd getroffen.


Gaele Postma, geboren op 16 februari 1921 te Driesum, overleden op 22-01-1945 te Dokkum.

Hoe verantwoord is om iemand uit de handen van de Duitse bezetters te houden, die volledig was geïnformeerd over het verzet en waar men vanuit ging dat hij de Duitse verhoormethode niet zou doorstaan, met de kans dat de Duitsers represailles (wraak) zouden nemen. Voor de meeste nabestaanden van de twintig slachtoffers van de grootste massa-executie in Friesland zal het antwoord ongetwijfeld zijn dat dit "achteraf" onverantwoord is geweest. Gaele Postma was één van die twintig personen die in koelen bloede is geëxecuteerd. Dit was de wraak van de Duitser voor het feit dat bij de bevrijding van de Dokkumer apotheker Gunster die bij de brug van De Valom plaatsvond, twee Duitsers werden vermoord. De wreedheid van de Duitsers werd bij het executieproces benadrukt. Op bevel van de commandant van de Sicherheits Dienst Arthur Wilhelm Albrecht, waren alle soldaten van de Dienststelle verplicht aan deze door hem genoemde "wraak" deel te nemen. Te Dokkum werden de 20 personen op de grond gelegd en werd de burgemeester opgetrommeld als ooggetuige. De gevangene werden in ploegen van vijf terechtgesteld. Gedurende deze handelingen ontpopte Albrecht zich als een ware Sadist. In plaats van bevelen kort en bondig te geven, liet hij alles opzettelijk lang duren. De burgemeester kreeg opdracht om ter afschrikking de lijken 24 uur te laten liggen. Zelfs een landgenoot, Jan Meekhof, behoorde tot het Duitse vuurpeloton. In het proces-verbaal van Albrecht kunnen we geen enkel spoor van spijt terugvinden. Hij wordt tot de doodstraf veroordeeld. Dit lot was Jan Meekhof ook beschoren, maar deze straf werd omgezet in 22 jaar gevangenisstraf, waarvan hij een aantal jaren heeft uitgezeten. De vraag die blijft hoe kan een mens zich verlagen tot een niveau dat bijna met geen pen is te beschrijven. Velen dachten dat na de tweede oorlog dit nooit meer plaats zou vinden. Intussen weten wij wel beter. De boerefeint Geale Postma, werd begraven in Dokkum en op 19 juli 1945 herbegraven in Wouterswoude. Friesland was inmiddels bevrijd een bevrijding die hem op de valreep op brute wijze is ontnomen. Geale Postma werd slechts 23 jaar jong.


Johannes Prins, geboren op 17 september 1901 te Dokkum, overleden op 19-09-1944 te St. Nicolaasga.

Johannes Prins werd gearresteerd op 9 september 1944 te Veenwouden samen met de stationschef Berend Julius. Beiden zijn daarna overgebracht naar het SD-bolwerk Burmaniahuis in Leeuwarden voor verhoor. Als represaille wegens sabotage op de tramlijn tussen Sint Nicolaasga en Lemmer zijn Johannes Prins en Berend Julius gefusilleerd.

 

 

Home


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.