|
Tjalling Talma, geboren op 24 juli 1907 te Wouterswoude,
overleden op 15 april 1945 te Bergum.
Negen uur ’s avonds, Noord Bergum. BS-aanvoerder Wim van
Oosten wil versterking van de groep Bergum om het
Toutenburg-bos uit te kammen. Teade Kingma wordt naar Bergum
gestuurd. Als Tade terugkomt, ziet hij geen wachten meer
staan bij de boerderij van Oostenbrug. Hij ziet koerierster
Griet van der Meulen met een schaal water van de regenbak
komen.
Binnen in de woonkamer van de boerderij ziet Kingma een
tafereel dat hij nooit zal vergeten. Zes verzetslieden staan
verslagen rond twee lichamen op de grond. Evert Sybesma uit
Tzummarum, in de groep bekend als Bouke Kingma, is er slecht
aan toe. Hij is door een kogel geraakt. Tjalling Talma
uit Feanwâldsterwâl is geraakt in het linkerdijbeen.
Talma en Sybesma hebben op wacht gestaan op de dam voor de
boerderij.
Toen drie fietsende Duitsers, met daarachter een
auto met soldaten, kwamen aanrijden is Talma naar binnen
gerend om Wim van Oosten te waarschuwen. Die heeft opdracht
gegeven aan de wachten om zich terug te trekken. Maar toen
Talma weer kwam werd al geschoten. Rennend naar de dam heeft
hij geprobeerd te vuren, maar zijn stengun weigerde. Een
Duitse kogel sloeg hem tegen de grond. De anderen die naar
buiten kwamen, konden de Duitser enkel nog achterna
schieten. Evert Sybesma hebben ze bloedend bij een van de
hekpalen op de dam gevonden.
  
Drie leden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, die
in de aprildagen van 1945 zijn omgekomen
v.l.n.r: Evert Sijbesma (18 mei 1918 te Tzummarum) Tjalling Talma en Harmen de Vries
(4 mei 1918 te Bergum).
Oorlogsmonumenten - Monument-detail

H.J. Textor,
september 1936.
H.J. Textor (destijds huisarts in Rotsterhaule)
overleden in het “Oranjehotel” te Scheveningen
op 29 mei 1942.
Zoon van de heer
H.J. Textor, de heer
A.S.E.P. Textor,
geeft de volgende toelichting: Mijn vader
Hendrik Jan Textor (Okt.1885- mei 1942) was
betrokken bij het communistische verzet. Duitse
communisten vluchtten voor het nazi regiem nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen. Om deze
zogenaamde Deutsche Emigranten in ons land
onderdak te geven was er al voor de oorlog een
netwerk opgezet om ze te begeleiden.
Eind 1941 zochten mijn ouders een tweede
dienstmeisje en hadden daarvoor een advertentie
geplaatst in een van de lokale kranten. Hierop
reageerde A.O, een Poolse, die
met haar man en dochters in Tjalleberd woonde.
Een van haar dochters wilde solliciteren. Mijn
ouders reden naar moeder en dochter. Terwijl
mijn moeder buiten in de Chevrolet wachtte met
mij als jochie op de achterbank, ontstond er in
de arbeiderswoning grote ruzie nadat mijn vader
zag dat de moeder een NSB speldje droeg en in
het onderhoud van haar sympathieën ook blijk
gaf. Die ruzie liep zo hoog op. dat mijn moeder
naar binnenging en mijn vader naar buiten duwde.
Mijn vader had natuurlijk geen blad voor de mond
genomen.
A.O, ging na het bezoek naar veldwachter Maus. Ook hij was een beruchte NSB'er. Zijn lot
zou het een paar jaar later worden door het
verzet te worden geliquideerd.
Maus rapporteerde aan de Sicherheitsdienst (SD)
in Crackstate (Heerenveen). Daarop kwamen twee
Nederlandse veldwachters per fiets naar het
doktershuis in Rotsterhaule, waar mijn vader
huisarts was. Zij verzochten hem met hen mee
terug te rijden naar Heerenveen.
Mijn vader werd
daar op Crackstate ingesloten, later
overgebracht naar de strafgevangenis in
Leeuwarden, waar o.a. verhoor plaats vond door
de beruchte SD-er Schleiffer. Voorjaar 1942 werd
hij met medegevangenen per vrachtwagen
overgebracht naar de Deutsche Straf und
Untersuchungsgefaengnis in Scheveningen, het
beruchte “Oranjehotel”. Hij zou op 2 of 3 juni
1942 worden berecht maar overleed op 29 mei 1942
rond 05.00 uur aan een hartaanval. De aanklacht
luidde “Belediging van de Fuehrer”. Hij wordt
genoemd in het
"Gedenkboek
van het Oranjehotel"
Mijn vader is begraven op de algemene
begraafplaats in St.Johannesga te midden van
dorpsgenoten/oud-patiënten.
Zijn beide celgenoten heb ik in de jaren tachtig
weten op te sporen en met hen heb ik over zijn
laatste uren gesproken.
Rond 1980 besloot ik A.O, in Tjalleberd
een bezoek te brengen. Door Justitie is zij
naoorlogs wel vervolgd maar heeft nauwelijks
vrijheidsberoving ondergaan. De kleine bejaarde
vrouw vertelde me een voorgevoel te hebben gehad
dat ze door de zoon van de huisarts ooit zou
worden bezocht. Ze toonde iets van berouw. Als
Poolse kon ze prachtig borduren en ze bood me
een aantal geborduurde kussens aan die op haar
zitbank lagen. Daar ben ik niet op in gegaan.
Ze is 10 jaar geleden overleden en haar graf op
het kerkhof in Tjalleberd is dit jaar geruimd.
Naar mijn vader is een straatnaam vernoemd in
St.Johannesga.

Textorstraat. St.Johannesga.
Op de kerktoren aan de Midstraat in Joure is
ook een gedenkplaat aangebracht als
verzetsmonument waarop de naam van mijn vader te
lezen is.

Gedenksteen in de toren Ned. Herv. kerk te Joure,
onthuld 3 mei 1952 door P. Kuindersma en S. Wiersma.
HWANT MEI GOD EN
MEI MINSKEN HASTE
STRIDEN EN DOU HAST
OERMASTERE
1940 _ 1945
Het monument is bevestigd op de noord-muur van de N.H.
kerk, gevestigd aan de Midstraat in Joure.
Meer
foto's

Johannes Bartholomeus Tichelaar, geboren
op 22 september 1915 te Leeuwarden, overleden op 24-04-1945 te Buchenwald.
Johannes Bartholomeus Tichelaar werd geboren
op 22 september 1915 in Leeuwarden. Hij stierf op 24 april
1945 in Buchenwald. De vier mannen waren werkzaam op het kantoor van de
belastinginspectie in Drachten, dat tijdens de bezetting een
haard van illegale activiteiten was. Eén van de medewerkers,
Marten Meijer, had een relatie met het Groningse meisje
Gepkelientje Folgerts. Dat zij ook betrekkingen onderhield
met de Sicherheitsdienst, vermoedde niemand.
Op de morgen
van 26 mei 1944 kwam het meisje vragen of haar vriend ook
aanwezig was. Toen zijn collega's dit bevestigden, kwamen SD-ers en Landwachters binnenstormden. De PTT-medewerker
Erich werd ter plaatse doodgeschoten. Zes leden van de
inspectie werden naar Duitsland gestuurd. Het waren Gerben
Kraak, Sierd Zwart, Meijer, Geert Jan Blauw, Boleij en de
Leeuwarder onderduiker Johannes Tichelaar. De drie
laatstgenoemden kwamen niet uit het concentratiekamp terug.
De overval

George Christiaan Tinkelenberg, geboren
op 31 augustus 1901 te Hoorn, overleden 8 maart 1945 te Dongjum.
Hij was onderwijzer in Zierikzee en werd hoofd van
de Openbare school in Sijbrandaburen. Als oud-officier van
het Nederlands leger werd hem gevraagd de leiding op zich te
nemen van het 9e district van de Nederlandse Binnenlandse
Strijdkrachten. Hij verrichte zijn verzetswerk onder de
schuilnaam 'Schuman'.
Op 8 februari 1945 hield de Grüne
Polizei een razzia in de Legeäen, de streek tussen Sneek en
Rauwerd. Tinkelenberg werd samen met vijf andere mannen
gearresteerd en overgebracht naar het
het SD-bolwerk
Crackstate, samen met Pieter Glastra
van Loon, Bauke van der Pal, Jacob Hijlkema en Willy
Heinrich Röth werd Tinkelenberg gefusilleerd als represaille
voor de aanslag op de SD-tolk en secretaresse Grietje
Sinnema. Tinkelenberg werd begraven op de N.H.
begraafplaats in Sijbrandaburen.

Lourens Touwen, geboren op
22 augustus 1894 te Zwolle,
overleden op 08-09-1944 te Vries (Dr.)
Dominee Lourens Touwen
was lid van het verzet en behoorde tot de LO-Wonseradeel.
Touwen zorgde in het bijzonder voor huisvesting van
onderduikers en hulp aan joden (Waaronder Riekje
Kreh-Philipsen uit Tel Aviv, ze was zeven toen ze in dominee
Touwens huis kwam. Haar drie broers en ene zuster en hun
moeder hebben het overleefd en zijn in 1947 naar Israël
gegaan. Hun vader en diens familie zijn in de kampen
omgekomen) In de nacht van 22 op 23 juni 1944 werd de
onderwijzer F. van der Velde uit Idsegahuizen, die met
Touwen binnen de LO werkte, door de SD gearresteerd.
Touwen
bepleitte vrijlating van Van der Velde. Dit wekte argwaan
bij de SD, die daarop de dominee ongeveer twee maanden
later, op 18 augustus 1944, ook inrekende. Hij werd
overgebracht naar het beruchte SD-bolwerk Scholtenshuis in
Groningen en daar zwaar verhoord. Er was zoveel belastend
materiaal tegen hem gevonden dat tot zijn liquidatie werd
bevolen. Samen met de verzetsvrouw Cornelia Johanna van den
Berg-van der Vlis werd de predikant gefusilleerd.
Cornelia van den Berg
van der Vlis, (schuilnaam Annie
Westland) geboren op 28 oktober 1892 te Den Haag,
overleden op 8 september 1944, lid van de OD en ter dood veroordeeld
tijdens het 2e OD proces. Haar man werd gefusilleerd op 29
juli 1943.
Cornelia was nauw betrokken bij de illegale
activiteiten van de OD en werd op 6 maart eveneens
gearresteerd. Na twee weken Oranjehotel werd ze in vrijheid
gesteld, maar gedwongen Den Haag te verlaten. Ze vestigde
zich in Leeuwarden aan de Verstolkstraat 2. Zij werkte hier
niet alleen voor de OD, maar ook voor de LO, waar zij
koeriersdiensten verrichtte en later hoofdkoerierster werd.
Op 9 augustus 1944 werd zij door verraad van 'Edith' (Miep
van Oranje) door de Sipo gearresteerd in de koerierscentrale
gevestigd in Huize Liana aan de Oude Gracht in Utrecht.
Zij
werd gevangen gehouden in het Huis van Bewaring in Utrecht en
werd later overgebracht naar Groningen, waar zij werd
verhoord. Zij gaf haar geheimen echter nooit prijs. Op last
van SS-Sturmbannführer B.G. Haas, hoofd van de Aussenstelle
der Sicherheitspolizei und SD in Groningen werd van den Berg
van der VLis samen met oud marineofficier ds. L. Touwen uit
Makkum op 8 september 1944 op de heide bij Vires ten noorden
van Assen doodgeschoten. Op 1 februari 1946 werd zij
herbegraven in het graf van haar echtgenoot op de
Begraafplaats Rusthof in Amersfoort (Vak 12, nr. 138A). Haar
werd het Verzetskruis 1940 - 1945 verleend.

Douwe Tuinstra, geboren op
9 maart 1919 te Parrega, overleden op 11-04-1945 te Dronrijp.
Douwe weigerde zich aan te melden voor
verplichte tewerkstelling in Duitsland en dook onder in
zowel Parrega als Leeuwarden. Hij werd na verraad
gearresteerd en met een groep met andere slachtoffers
gefusilleerd. (11 april
1945 Fusillade bij Dronrijp ) In drie
groepen werden de slachtoffers naar de voet van de dijk bij
het kanaal gebracht. Nadat driemaal een salvo had geklonken,
lagen er dertien stoffelijke overschotten in het gras die
een etmaal moesten blijven liggen. Eén van de mannen, Gerard
de Jong uit Leeuwarden, overleefde de executie door zich
'dood' te houden. De gewonde verzetsman werd nadat de
bezetter vertrokken was, in veiligheid gebracht. De
fusillade vond plaats aan de dijk bij het Van Harinxmakanaal
in Dronrijp als represaille voor sabotage aan het
spoorwegtraject Leeuwarden-Franeker en de lijn
Leeuwarden-Buitenpost.
SD uit Leeuwarden fusilleert bij de brug te Dronrijp 14
gevangenen.
Johannes Nieuwland, Hendrik Jozef Spoelstra,
Douwe
Tuinstra, de drie broers Egbert Mark Wierda, Klaas Jan
Wypcke Wierda en Hyltje Wierda, Sijbrandus van Dam, Heinrich
Harder, Dirk de Jong, Hendrik Jan de Jong, Ruurd Kooistra,
Johannes Marinus Ducaneaux en Oudger van Dijk.
Sybren
Tulp, geboren op 29 maart 1891 te Leeuwarden, overleden op
22-10-1942 te Amsterdam.
Jeugd
en opleiding
Hij was
het oudste kind van Anne Sjoerd Tulp, afkomstig uit een
leerlooiers familie uit Leeuwarden, en Wimke van der Goot die
uit een boerengeslacht uit Grouw (gem. Idaarderadeel) kwam.
In september 1905, Sybren Tulp was toen 14, scheidden zijn
ouders waarna zijn vader een jaar later trouwde met een 12
jaar jongere vrouw.
Na de
eerste 3 jaar van de HBS in Leeuwarden, ging hij in 1907
studeren aan de cadettenschool in Alkmaar waar voorbereidend
onderwijs werd gegeven voor toelating tot de Koninklijke
Militaire Academie (KMA) in Breda en waarvan het
wetenschappelijk onderwijs overeenkwam met de 4e en 5e klas
van de HBS. In 1909 vervolgde hij zijn studie aan de KMA
waar hij de officiersopleiding volgde in de richting
Infanterie Oost-Indië. In mei 1910 werd hij bevorderd van
cadet tot cadet-korporaal. Tijdens de zomer van dat jaar
werd hij gedetacheerd bij de infanterie in Doesburg en de
volgende zomer in Nijmegen.
KNIL-officier.
In juni
1912 slaagde hij voor de KMA en de maand erop werd hij
bevorderd tot tweede luitenant bij het wapen der infanterie
van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). In
oktober ging hij als medegeleider van een groep militairen
per stoomschip naar Nederlands-Indië en daar aangekomen werd
hij geplaatst bij de troepenmacht in Sumatra's westkust.
Anderhalf jaar later werd hij geplaatst bij de
garnizoenscompagnie van Tapanoeli (Noord-Sumatra). In juli
1916 werd hij bevorderd tot eerste luitenant en in die
periode werd Tulp overgeplaatst van Taroetoeng naar het
korpsgedeelte Sidikalang. Vanwege een 7-jarige onafgebroken
dienst, kreeg hij 9 maanden verlof waarop hij in december
1920 tijdelijk terugkeerde in Nederland. In februari 1922
ging hij weer naar Nederlands-Indië. Eerste luitenant Tulp
werd begin 1926 overgeplaatst van Meester Cornelis (vlakbij
Batavia op Java) naar Timor en in oktober van dat jaar
volgde zijn bevordering tot kapitein bij het wapen der
infanterie. Dankzij een verlof van acht maanden verleend
wegens zesjarige onafgebroken dienst in Nederlands-Indië,
kon hij in mei 1928 opnieuw tijdelijk naar Nederland
terugkeren. In december werd dat verlof verlengd waarna hij
eind mei 1929 per boot vanuit Rotterdam naar
Nederlands-Indië ging waar hij geplaatst werd te Bandoeng
waar hij adjudant van de generaal inspecteur der infanterie
werd.
In mei
1932 volgde zijn aanstelling als commandant van de Troepen
in Suriname en commandant van het garnizoen daar. Sinds ca.
1904 werd deze functie niet langer vervuld door een officier
van het Nederlandse leger maar door officier van de KNIL.
Voorgangers zoals H.L. Bierman en B.A.W. Schlimmer waren dus
eveneens vanuit Nederlands-Indië in Suriname gedetacheerd.
Kort na aankomst vanuit Nederlands Indië in Nederland
vertrok hij eind juli naar Suriname waar hij voor ten minste
3 en ten hoogste 5 jaar gedetacheerd zou worden. Een jaar
later was hij betrokken bij de oprichting van een Surinaamse
burgerwacht die bedoeld was om in woelige tijden militairen
en politie te ontlasten van bewakingsdiensten.
Troepencommandant Tulp gaf toen aan dat hij niet veel gaf om
drillen van deze burgerwacht, als ze maar kunnen schieten en
het geweer uit elkaar kunnen halen. Midden 1935 werd hij
bevorderd tot majoor en in december van dat jaar werd
duidelijk dat kapitein van de infanterie van het Koninklijk
Nederlandsch-Indisch Leger J.W. Sluijter hem zou opvolgen in
Suriname.
Begin
1936 werd Tulp eervol van zijn detachering in West-Indië
ontheven, waarna hij in februari met een stoomschip in
Amsterdam aankwam om daarna in april Nederland alweer te
verlaten om per schip naar Oost-Indië te gaan. Daar
aangekomen werd hij ingedeeld bij de Plaatselijke Staf te
Weltevreden (regeringswijk ten zuiden van Batavia) waarna
Tulp in juni bevorderd werd tot luitenant-kolonel en hem het
plaatselijk commando van Batavia werd opgedragen. In verband
met gezondheidsproblemen die het werken in de tropen
bemoeilijkte, werd hij op 31 augustus 1938 op eigen verzoek
ontslagen uit de militaire dienst en ging hij voortijdig met
pensioen. Hiermee kwam een einde aan een 26-jarige carrière
bij de KNIL waarvan hij 5 jaar naast zijn militaire functie
belast was met het civiel bestuur over de onderafdelingen
Dairilanden (Sumatra), Boven Matan (W. afd. Borneo) en Zuid
Midden Timor.
Hoofdcommissaris.
Na
terugkeer in Europa eind 1938 reisde hij samen met zijn
vrouw gedurende 8 maanden door Nazi-Duitsland en Italië.
Hierna vestigde hij zich in Den Haag en werd in 1939 lid van
de Nationaal Socialistische Beweging (NSB). Een jaar later
in mei 1940 begon de Duitse bezetting van Nederland. Na de
Februaristaking in 1941 wilde de Duitse bezetters hun
invloed vergroten op steden waar op grote schaal gestaakt
was. Begin maart 1941 werden de burgemeesters van Amsterdam
(W. de Vlugt) en Zaandam (J. in 't Veld) vervangen door
pro-Duitse burgemeesters; voor Amsterdam E.J. Voûte en voor
Zaandam C. van Ravenswaaij. Eveneens als gevolg van de
Februaristaking werd Tulp in april van dat jaar door A.
Seyss-Inquart, rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse
gebied, benoemd tot hoofdcommissaris van politie van
Amsterdam.
Voorgangers als A.J. Marcusse en H.J. Versteeg
hadden een lange carrière bij de Amsterdamse politie voor ze
hoofdcommissaris werden. Hoewel Tulp dus als een
buitenstaander binnenkwam, lukte het hem om snel
geaccepteerd te worden binnen de Amsterdamse politie
organisatie. In tegenstelling tot Versteeg die nauwelijks
achter zijn bureau vandaan kwam en neerkeek op zijn
ondergeschikten, was hoofdcommissaris S. Tulp regelmatig
persoonlijk aanwezig bij politie acties en vroeg hij vaak
advies aan zijn ondergeschikten. Omdat hij geliefd was
binnen de Amsterdamse politie kon hij een niet onbelangrijk
deel van de weerstand binnen die politie tegen het optreden
tegen de joden in Amsterdam wegnemen. Op aandrang van Höhere
SS-und Polizeiführer H.A. Rauter werd Tulp lid van de
Nederlandsche SS.
Vanaf 6
augustus 1942 werd er onder Tulps bevel een Nederlands
politiebataljon ingezet om Joden op te pakken. Vanaf
september waren er ook regelmatig nachtelijke razzia's onder
de Joodse bevolking van Amsterdam, waarbij Tulp gewoonlijk
zelf aanwezig was.
Op 3
oktober werd hij ernstig ziek en op 22 oktober overleed hij,
waarschijnlijk als gevolg van zijn reuma, op 51-jarige
leeftijd in een Amsterdams ziekenhuis.
Zijn
weduwe ontving hierop van Heinrich Himmler persoonlijk een
telegram waarin hij haar overleden echtgenoot prees. Bij de
crematie op 26 oktober sprak onder andere Rauter die
meedeelde dat in opdracht van Seyss-Inquart de eerste
compagnie van het Amsterdamse politiebataljon de naam van de
overleden hoofdcommissaris zou dragen: de Sybren
Tulp-compagnie. Als gevolg van die naamswijziging werd door
de Amsterdamse bevolking het personeel van van dit
politiebataljon de 'Zwarte tulpen' genoemd en het
gebouwencomplex aan het Cornelis Troostplein waar ze
gehuisvest waren kreeg de bijnaam 'de Tulp-kazerne'.

Haring Tulp.
Zijn in mei 1909 geboren halfbroer Haring Tulp was lid van
het verzet en stierf op 19 oktober 1942, dus 3 dagen voor
het overlijden van Sybren Tulp, in het concentratiekamp
Buchenwald. Haring is geboren
op 26 mei 1909 te Leeuwarden,
overleden op 19-10-1942 te Buchenwald (medewerker
van het illegale blad Het Noorderlicht)

Leonardus
Lambertus Twijnstra, geboren
op 18 maart 1904, overleden op 09-07-1942 te Leusden.
In maart
1942 werden tientallen leden van de verzetsgroep Oranjewacht
vanuit Scheveningen naar Amersfoort gebracht.
De Oranjewacht werd in juni
1940 in Arnhem opgericht door Petrus Hoefsloot en Frans
Heinekamp. Twijnstra behoorde tot deze Oranjewacht,
een illegale organisatie die tussen december 1940 tot begin
januari 1942 wapens en explosieven bijeenbracht,
verbindingen met Engeland zocht, spionage op het vliegveld
Leeuwarden pleegde en zich verder bezighield met sabotage
van allerlei aard.
In augustus
1940 verenigde de groep zich met de groep van Folmer in
Zeist. Ook de groep "Pogno Pro Patria" onder leiding van
Onnekink, sloot zich aan bij De Oranjewacht uit Arnhem.
Willem den Boer uit Dordrecht werd leider van De Oranjewacht
toen De Oranjewacht uit Arnhem en De Oranjewacht in het
westen van het land, aansluiting vonden. Na de arrestatie van Jan Werkman - een van de leiders van De
Oranjewacht in Arnhem - volgden nog vele arrestaties binnen
De Oranjewacht. Van
27 oktober tot 15 november 1941 hield het Feldkriegsgericht
im Luftgau Holland zich in het gebouw van de Hoge Raad der
Nederlanden in Den Haag zich bezig met het proces rondom de
veertien gearresteerde verzetslieden. Uiteindelijk werden
negen man, onder wie Twijnstra, ter dood veroordeeld wegens
verboden wapenbezit en vliegveldspionage. Deze vonnissen
vielen op 4 juli 1942 in het Lloydsgebouw in Amsterdam.
In maart
1942 werden tientallen leden van De Oranjewacht vanuit
Scheveningen naar Kamp Amersfoort gebracht in afwachting van
de verdere gang van zaken want de bezetter was niet tevreden
met de uitspraak. Er volgde een tweede proces dat plaatsvond
op 4, 5 en 6 juni 1942 in Amsterdam. Het resultaat van het
tweede proces was dat tegen negen van de 45 beklaagden de
doodstraf werd uitgesproken. Totdat het vonnis werd
bekrachtigd, verbleven de veroordeelden in Kamp Amersfoort.
De negen doodvonnissen werden op negen juli 1942 in Fort
Rijnauwen voltrokken.
De namen van de negen slachtoffers zijn:
Evert (Eddy) van den
Berg. Johan Herman Jacobus Boerrigter. Johan
(John) Dons. Frans (Spaan) Heinekamp .
Petrus Frederikus
Antonius Hoefsloot. Hendrik Marinus Emanuel Pieter Maertens.
George Hendrik van der Ploeg (Van der Pas).
Leonardus Lambertus Twijnstra. Petrus Walter Gerardus van de Weijer.
|