Friese Verzetsstrijders - bevrijders en andere betrokkenen.

 

A | B | C | D | E | F | G | H | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | V | W | IJ | Z |

 

 

Tjalling Talma, geboren op 24 juli 1907 te Wouterswoude, overleden op 15 april 1945 te Bergum.


Negen uur ’s avonds, Noord Bergum. BS-aanvoerder Wim van Oosten wil versterking van de groep Bergum om het Toutenburg-bos uit te kammen. Teade Kingma wordt naar Bergum gestuurd. Als Tade terugkomt, ziet hij geen wachten meer staan bij de boerderij van Oostenbrug. Hij ziet koerierster Griet van der Meulen met een schaal water van de regenbak komen.

Binnen in de woonkamer van de boerderij ziet Kingma een tafereel dat hij nooit zal vergeten. Zes verzetslieden staan verslagen rond twee lichamen op de grond. Evert Sybesma uit Tzummarum, in de groep bekend als Bouke Kingma, is er slecht aan toe. Hij is door een kogel geraakt. Tjalling Talma uit Feanwâldsterwâl is geraakt in het linkerdijbeen. Talma en Sybesma hebben op wacht gestaan op de dam voor de boerderij.

Toen drie fietsende Duitsers, met daarachter een auto met soldaten, kwamen aanrijden is Talma naar binnen gerend om Wim van Oosten te waarschuwen. Die heeft opdracht gegeven aan de wachten om zich terug te trekken. Maar toen Talma weer kwam werd al geschoten. Rennend naar de dam heeft hij geprobeerd te vuren, maar zijn stengun weigerde. Een Duitse kogel sloeg hem tegen de grond. De anderen die naar buiten kwamen, konden de Duitser enkel nog achterna schieten. Evert Sybesma hebben ze bloedend bij een van de hekpalen op de dam gevonden.

 

Drie leden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, die in de aprildagen van 1945 zijn omgekomen v.l.n.r: Evert Sijbesma (18 mei 1918 te Tzummarum) Tjalling Talma en Harmen de Vries (4 mei 1918 te Bergum).

Oorlogsmonumenten - Monument-detail

 


H.J. Textor, september 1936.

 

H.J. Textor (destijds huisarts in Rotsterhaule) overleden in het “Oranjehotel” te Scheveningen op 29 mei 1942.

Zoon van de heer H.J. Textor, de heer A.S.E.P. Textor, geeft de volgende toelichting: Mijn vader Hendrik Jan Textor (Okt.1885- mei 1942) was betrokken bij het communistische verzet. Duitse communisten vluchtten voor het nazi regiem nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen. Om deze zogenaamde Deutsche Emigranten in ons land onderdak te geven was er al voor de oorlog een netwerk opgezet om ze te begeleiden.

Eind 1941 zochten mijn ouders een tweede dienstmeisje en hadden daarvoor een advertentie geplaatst in een van de lokale kranten. Hierop reageerde A.O, een Poolse, die met haar man en dochters in Tjalleberd woonde. Een van haar dochters wilde solliciteren. Mijn ouders reden naar moeder en dochter. Terwijl mijn moeder buiten in de Chevrolet wachtte met mij als jochie op de achterbank, ontstond er in de arbeiderswoning grote ruzie nadat mijn vader zag dat de moeder een NSB speldje droeg en in het onderhoud van haar sympathieën ook blijk gaf. Die ruzie liep zo hoog op. dat mijn moeder naar binnenging en mijn vader naar buiten duwde. Mijn vader had natuurlijk geen blad voor de mond genomen.

A.O, ging na het bezoek naar veldwachter Maus. Ook hij was een beruchte NSB'er. Zijn lot zou het een paar jaar later worden door het verzet te worden geliquideerd.

Maus rapporteerde aan de Sicherheitsdienst (SD) in Crackstate (Heerenveen). Daarop kwamen twee Nederlandse veldwachters per fiets naar het doktershuis in Rotsterhaule, waar mijn vader huisarts was. Zij verzochten hem met hen mee terug te rijden naar Heerenveen.

Mijn vader werd daar op Crackstate ingesloten, later overgebracht naar de strafgevangenis in Leeuwarden, waar o.a. verhoor plaats vond door de beruchte SD-er Schleiffer. Voorjaar 1942 werd hij met medegevangenen per vrachtwagen overgebracht naar de Deutsche Straf und Untersuchungsgefaengnis in Scheveningen, het beruchte “Oranjehotel”. Hij zou op 2 of 3 juni 1942 worden berecht maar overleed op 29 mei 1942 rond 05.00 uur aan een hartaanval. De aanklacht luidde “Belediging van de Fuehrer”. Hij wordt genoemd in het "Gedenkboek van het Oranjehotel"

Mijn vader is begraven op de algemene begraafplaats in St.Johannesga te midden van dorpsgenoten/oud-patiënten.

Zijn beide celgenoten heb ik in de jaren tachtig weten op te sporen en met hen heb ik over zijn laatste uren gesproken.

Rond 1980 besloot ik A.O, in Tjalleberd een bezoek te brengen. Door Justitie is zij naoorlogs wel vervolgd maar heeft nauwelijks vrijheidsberoving ondergaan. De kleine bejaarde vrouw vertelde me een voorgevoel te hebben gehad dat ze door de zoon van de huisarts ooit zou worden bezocht. Ze toonde iets van berouw. Als Poolse kon ze prachtig borduren en ze bood me een aantal geborduurde kussens aan die op haar zitbank lagen. Daar ben ik niet op in gegaan.

Ze is 10 jaar geleden overleden en haar graf op het kerkhof in Tjalleberd is dit jaar geruimd. Naar mijn vader is een straatnaam vernoemd in St.Johannesga.

 

Textorstraat. St.Johannesga.

 

Op de  kerktoren aan de Midstraat in Joure is ook een gedenkplaat aangebracht als verzetsmonument waarop de naam van mijn vader te lezen is.

 

Gedenksteen in de toren Ned. Herv. kerk  te Joure, onthuld 3 mei 1952 door P. Kuindersma en S. Wiersma.

HWANT MEI GOD EN
MEI MINSKEN HASTE
STRIDEN EN DOU HAST
OERMASTERE
1940 _ 1945

Het monument is bevestigd op de noord-muur van de N.H. kerk, gevestigd aan de Midstraat in Joure.

Meer foto's


Johannes Bartholomeus Tichelaar, geboren op 22 september 1915 te Leeuwarden, overleden op 24-04-1945 te Buchenwald.

Johannes Bartholomeus Tichelaar werd geboren op 22 september 1915 in Leeuwarden. Hij stierf op 24 april 1945 in Buchenwald.
De vier mannen waren werkzaam op het kantoor van de belastinginspectie in Drachten, dat tijdens de bezetting een haard van illegale activiteiten was. Eén van de medewerkers, Marten Meijer, had een relatie met het Groningse meisje Gepkelientje Folgerts. Dat zij ook betrekkingen onderhield met de Sicherheitsdienst, vermoedde niemand.

Op de morgen van 26 mei 1944 kwam het meisje vragen of haar vriend ook aanwezig was. Toen zijn collega's dit bevestigden, kwamen SD-ers en Landwachters binnenstormden. De PTT-medewerker Erich werd ter plaatse doodgeschoten. Zes leden van de inspectie werden naar Duitsland gestuurd. Het waren Gerben Kraak, Sierd Zwart, Meijer, Geert Jan Blauw, Boleij en de Leeuwarder onderduiker Johannes Tichelaar. De drie laatstgenoemden kwamen niet uit het concentratiekamp terug.

De overval


George Christiaan Tinkelenberg, geboren op 31 augustus 1901 te Hoorn, overleden 8 maart 1945 te Dongjum.

Hij was onderwijzer in Zierikzee en werd hoofd van de Openbare school in Sijbrandaburen. Als oud-officier van het Nederlands leger werd hem gevraagd de leiding op zich te nemen van het 9e district van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Hij verrichte zijn verzetswerk onder de schuilnaam 'Schuman'.

Op 8 februari 1945 hield de Grüne Polizei een razzia in de Legeäen, de streek tussen Sneek en Rauwerd. Tinkelenberg werd samen met vijf andere mannen gearresteerd en overgebracht naar het het SD-bolwerk Crackstate, samen met Pieter Glastra van Loon, Bauke van der Pal, Jacob Hijlkema en Willy Heinrich Röth werd Tinkelenberg gefusilleerd als represaille voor de aanslag op de SD-tolk en secretaresse Grietje Sinnema. Tinkelenberg werd begraven op de N.H. begraafplaats in Sijbrandaburen.


Lourens Touwen, geboren op 22 augustus 1894 te Zwolle, overleden op 08-09-1944 te Vries (Dr.)

Dominee Lourens Touwen was lid van het verzet en behoorde tot de LO-Wonseradeel. Touwen zorgde in het bijzonder voor huisvesting van onderduikers en hulp aan joden (Waaronder Riekje Kreh-Philipsen uit Tel Aviv, ze was zeven toen ze in dominee Touwens huis kwam. Haar drie broers en ene zuster en hun moeder hebben het overleefd en zijn in 1947 naar Israël gegaan. Hun vader en diens familie zijn in de kampen omgekomen) In de nacht van 22 op 23 juni 1944 werd de onderwijzer F. van der Velde uit Idsegahuizen, die met Touwen binnen de LO werkte, door de SD gearresteerd.

Touwen bepleitte vrijlating van Van der Velde. Dit wekte argwaan bij de SD, die daarop de dominee ongeveer twee maanden later, op 18 augustus 1944, ook inrekende. Hij werd overgebracht naar het beruchte SD-bolwerk Scholtenshuis in Groningen en daar zwaar verhoord. Er was zoveel belastend materiaal tegen hem gevonden dat tot zijn liquidatie werd bevolen. Samen met de verzetsvrouw Cornelia Johanna van den Berg-van der Vlis werd de predikant gefusilleerd.

Cornelia van den Berg van der Vlis, (schuilnaam Annie Westland) geboren op 28 oktober 1892 te Den Haag, overleden op 8 september 1944, lid van de OD en ter dood veroordeeld tijdens het 2e OD proces. Haar man werd gefusilleerd op 29 juli 1943.

Cornelia was nauw betrokken bij de illegale activiteiten van de OD en werd op 6 maart eveneens gearresteerd. Na twee weken Oranjehotel werd ze in vrijheid gesteld, maar gedwongen Den Haag te verlaten. Ze vestigde zich in Leeuwarden aan de Verstolkstraat 2. Zij werkte hier niet alleen voor de OD, maar ook voor de LO, waar zij koeriersdiensten verrichtte en later hoofdkoerierster werd. Op 9 augustus 1944 werd zij door verraad van 'Edith' (Miep van Oranje) door de Sipo gearresteerd in de koerierscentrale gevestigd in Huize Liana aan de Oude Gracht in Utrecht.

Zij werd gevangen gehouden in het Huis van Bewaring in Utrecht en werd later overgebracht naar Groningen, waar zij werd verhoord. Zij gaf haar geheimen echter nooit prijs. Op last van SS-Sturmbannführer B.G. Haas, hoofd van de Aussenstelle der Sicherheitspolizei und SD in Groningen werd van den Berg van der VLis samen met oud marineofficier ds. L. Touwen uit Makkum op 8 september 1944 op de heide bij Vires ten noorden van Assen doodgeschoten. Op 1 februari 1946 werd zij herbegraven in het graf van haar echtgenoot op de Begraafplaats Rusthof in Amersfoort (Vak 12, nr. 138A). Haar werd het Verzetskruis 1940 - 1945 verleend.


Douwe Tuinstra, geboren op 9 maart 1919 te Parrega, overleden op 11-04-1945 te Dronrijp.

Douwe weigerde zich aan te melden voor verplichte tewerkstelling in Duitsland en dook onder in zowel Parrega als Leeuwarden. Hij werd na verraad gearresteerd en met een groep met andere slachtoffers gefusilleerd. (11 april 1945 Fusillade bij Dronrijp ) In drie groepen werden de slachtoffers naar de voet van de dijk bij het kanaal gebracht. Nadat driemaal een salvo had geklonken, lagen er dertien stoffelijke overschotten in het gras die een etmaal moesten blijven liggen. Eén van de mannen, Gerard de Jong uit Leeuwarden, overleefde de executie door zich 'dood' te houden. De gewonde verzetsman werd nadat de bezetter vertrokken was, in veiligheid gebracht. De fusillade vond plaats aan de dijk bij het Van Harinxmakanaal in Dronrijp als represaille voor sabotage aan het spoorwegtraject Leeuwarden-Franeker en de lijn Leeuwarden-Buitenpost.

SD uit Leeuwarden fusilleert bij de brug te Dronrijp 14 gevangenen.

Johannes Nieuwland, Hendrik Jozef Spoelstra, Douwe Tuinstra, de drie broers Egbert Mark Wierda, Klaas Jan Wypcke Wierda en Hyltje Wierda, Sijbrandus van Dam, Heinrich Harder, Dirk de Jong, Hendrik Jan de Jong, Ruurd Kooistra, Johannes Marinus Ducaneaux en Oudger van Dijk.


Sybren Tulp, geboren op 29 maart 1891 te Leeuwarden, overleden op 22-10-1942 te Amsterdam. 

Jeugd en opleiding

Hij was het oudste kind van Anne Sjoerd Tulp, afkomstig uit een leerlooiers familie uit Leeuwarden, en Wimke van der Goot die uit een boerengeslacht uit Grouw (gem. Idaarderadeel) kwam. In september 1905, Sybren Tulp was toen 14, scheidden zijn ouders waarna zijn vader een jaar later trouwde met een 12 jaar jongere vrouw.

Na de eerste 3 jaar van de HBS in Leeuwarden, ging hij in 1907 studeren aan de cadettenschool in Alkmaar waar voorbereidend onderwijs werd gegeven voor toelating tot de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda en waarvan het wetenschappelijk onderwijs overeenkwam met de 4e en 5e klas van de HBS. In 1909 vervolgde hij zijn studie aan de KMA waar hij de officiersopleiding volgde in de richting Infanterie Oost-Indië. In mei 1910 werd hij bevorderd van cadet tot cadet-korporaal. Tijdens de zomer van dat jaar werd hij gedetacheerd bij de infanterie in Doesburg en de volgende zomer in Nijmegen.

KNIL-officier.

In juni 1912 slaagde hij voor de KMA en de maand erop werd hij bevorderd tot tweede luitenant bij het wapen der infanterie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). In oktober ging hij als medegeleider van een groep militairen per stoomschip naar Nederlands-Indië en daar aangekomen werd hij geplaatst bij de troepenmacht in Sumatra's westkust. Anderhalf jaar later werd hij geplaatst bij de garnizoenscompagnie van Tapanoeli (Noord-Sumatra). In juli 1916 werd hij bevorderd tot eerste luitenant en in die periode werd Tulp overgeplaatst van Taroetoeng naar het korpsgedeelte Sidikalang. Vanwege een 7-jarige onafgebroken dienst, kreeg hij 9 maanden verlof waarop hij in december 1920 tijdelijk terugkeerde in Nederland. In februari 1922 ging hij weer naar Nederlands-Indië. Eerste luitenant Tulp werd begin 1926 overgeplaatst van Meester Cornelis (vlakbij Batavia op Java) naar Timor en in oktober van dat jaar volgde zijn bevordering tot kapitein bij het wapen der infanterie. Dankzij een verlof van acht maanden verleend wegens zesjarige onafgebroken dienst in Nederlands-Indië, kon hij in mei 1928 opnieuw tijdelijk naar Nederland terugkeren. In december werd dat verlof verlengd waarna hij eind mei 1929 per boot vanuit Rotterdam naar Nederlands-Indië ging waar hij geplaatst werd te Bandoeng waar hij adjudant van de generaal inspecteur der infanterie werd.

In mei 1932 volgde zijn aanstelling als commandant van de Troepen in Suriname en commandant van het garnizoen daar. Sinds ca. 1904 werd deze functie niet langer vervuld door een officier van het Nederlandse leger maar door officier van de KNIL. Voorgangers zoals H.L. Bierman en B.A.W. Schlimmer waren dus eveneens vanuit Nederlands-Indië in Suriname gedetacheerd. Kort na aankomst vanuit Nederlands Indië in Nederland vertrok hij eind juli naar Suriname waar hij voor ten minste 3 en ten hoogste 5 jaar gedetacheerd zou worden. Een jaar later was hij betrokken bij de oprichting van een Surinaamse burgerwacht die bedoeld was om in woelige tijden militairen en politie te ontlasten van bewakingsdiensten. Troepencommandant Tulp gaf toen aan dat hij niet veel gaf om drillen van deze burgerwacht, als ze maar kunnen schieten en het geweer uit elkaar kunnen halen. Midden 1935 werd hij bevorderd tot majoor en in december van dat jaar werd duidelijk dat kapitein van de infanterie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger J.W. Sluijter hem zou opvolgen in Suriname.

Begin 1936 werd Tulp eervol van zijn detachering in West-Indië ontheven, waarna hij in februari met een stoomschip in Amsterdam aankwam om daarna in april Nederland alweer te verlaten om per schip naar Oost-Indië te gaan. Daar aangekomen werd hij ingedeeld bij de Plaatselijke Staf te Weltevreden (regeringswijk ten zuiden van Batavia) waarna Tulp in juni bevorderd werd tot luitenant-kolonel en hem het plaatselijk commando van Batavia werd opgedragen. In verband met gezondheidsproblemen die het werken in de tropen bemoeilijkte, werd hij op 31 augustus 1938 op eigen verzoek ontslagen uit de militaire dienst en ging hij voortijdig met pensioen. Hiermee kwam een einde aan een 26-jarige carrière bij de KNIL waarvan hij 5 jaar naast zijn militaire functie belast was met het civiel bestuur over de onderafdelingen Dairilanden (Sumatra), Boven Matan (W. afd. Borneo) en Zuid Midden Timor.

Hoofdcommissaris.

Na terugkeer in Europa eind 1938 reisde hij samen met zijn vrouw gedurende 8 maanden door Nazi-Duitsland en Italië. Hierna vestigde hij zich in Den Haag en werd in 1939 lid van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB). Een jaar later in mei 1940 begon de Duitse bezetting van Nederland. Na de Februaristaking in 1941 wilde de Duitse bezetters hun invloed vergroten op steden waar op grote schaal gestaakt was. Begin maart 1941 werden de burgemeesters van Amsterdam (W. de Vlugt) en Zaandam (J. in 't Veld) vervangen door pro-Duitse burgemeesters; voor Amsterdam E.J. Voûte en voor Zaandam C. van Ravenswaaij. Eveneens als gevolg van de Februaristaking werd Tulp in april van dat jaar door A. Seyss-Inquart, rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied, benoemd tot hoofdcommissaris van politie van Amsterdam.

Voorgangers als A.J. Marcusse en H.J. Versteeg hadden een lange carrière bij de Amsterdamse politie voor ze hoofdcommissaris werden. Hoewel Tulp dus als een buitenstaander binnenkwam, lukte het hem om snel geaccepteerd te worden binnen de Amsterdamse politie organisatie. In tegenstelling tot Versteeg die nauwelijks achter zijn bureau vandaan kwam en neerkeek op zijn ondergeschikten, was hoofdcommissaris S. Tulp regelmatig persoonlijk aanwezig bij politie acties en vroeg hij vaak advies aan zijn ondergeschikten. Omdat hij geliefd was binnen de Amsterdamse politie kon hij een niet onbelangrijk deel van de weerstand binnen die politie tegen het optreden tegen de joden in Amsterdam wegnemen. Op aandrang van Höhere SS-und Polizeiführer H.A. Rauter werd Tulp lid van de Nederlandsche SS.

Vanaf 6 augustus 1942 werd er onder Tulps bevel een Nederlands politiebataljon ingezet om Joden op te pakken. Vanaf september waren er ook regelmatig nachtelijke razzia's onder de Joodse bevolking van Amsterdam, waarbij Tulp gewoonlijk zelf aanwezig was.

Op 3 oktober werd hij ernstig ziek en op 22 oktober overleed hij, waarschijnlijk als gevolg van zijn reuma, op 51-jarige leeftijd in een Amsterdams ziekenhuis.

Zijn weduwe ontving hierop van Heinrich Himmler persoonlijk een telegram waarin hij haar overleden echtgenoot prees. Bij de crematie op 26 oktober sprak onder andere Rauter die meedeelde dat in opdracht van Seyss-Inquart de eerste compagnie van het Amsterdamse politiebataljon de naam van de overleden hoofdcommissaris zou dragen: de Sybren Tulp-compagnie. Als gevolg van die naamswijziging werd door de Amsterdamse bevolking het personeel van van dit politiebataljon de 'Zwarte tulpen' genoemd en het gebouwencomplex aan het Cornelis Troostplein waar ze gehuisvest waren kreeg de bijnaam 'de Tulp-kazerne'.

Haring Tulp.

Zijn in mei 1909 geboren halfbroer Haring Tulp was lid van het verzet en stierf op 19 oktober 1942, dus 3 dagen voor het overlijden van Sybren Tulp, in het concentratiekamp Buchenwald. Haring is geboren op 26 mei 1909 te Leeuwarden, overleden op 19-10-1942 te Buchenwald (medewerker van het illegale blad Het Noorderlicht) 


Leonardus Lambertus Twijnstra, geboren op 18 maart 1904, overleden op 09-07-1942 te Leusden.

In maart 1942 werden tientallen leden van de verzetsgroep Oranjewacht vanuit Scheveningen naar Amersfoort gebracht.
De Oranjewacht werd in juni 1940 in Arnhem opgericht door Petrus Hoefsloot en Frans Heinekamp. Twijnstra behoorde tot deze Oranjewacht, een illegale organisatie die tussen december 1940 tot begin januari 1942 wapens en explosieven bijeenbracht, verbindingen met Engeland zocht, spionage op het vliegveld Leeuwarden pleegde en zich verder bezighield met sabotage van allerlei aard.

In augustus 1940 verenigde de groep zich met de groep van Folmer in Zeist. Ook de groep "Pogno Pro Patria" onder leiding van Onnekink, sloot zich aan bij De Oranjewacht uit Arnhem. Willem den Boer uit Dordrecht werd leider van De Oranjewacht toen De Oranjewacht uit Arnhem en De Oranjewacht in het westen van het land, aansluiting vonden.
Na de arrestatie van Jan Werkman - een van de leiders van De Oranjewacht in Arnhem - volgden nog vele arrestaties binnen De Oranjewacht.
Van 27 oktober tot 15 november 1941 hield het Feldkriegsgericht im Luftgau Holland zich in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden in Den Haag zich bezig met het proces rondom de veertien gearresteerde verzetslieden. Uiteindelijk werden negen man, onder wie Twijnstra, ter dood veroordeeld wegens verboden wapenbezit en vliegveldspionage. Deze vonnissen vielen op 4 juli 1942 in het Lloydsgebouw in Amsterdam.

In maart 1942 werden tientallen leden van De Oranjewacht vanuit Scheveningen naar Kamp Amersfoort gebracht in afwachting van de verdere gang van zaken want de bezetter was niet tevreden met de uitspraak. Er volgde een tweede proces dat plaatsvond op 4, 5 en 6 juni 1942 in Amsterdam. Het resultaat van het tweede proces was dat tegen negen van de 45 beklaagden de doodstraf werd uitgesproken. Totdat het vonnis werd bekrachtigd, verbleven de veroordeelden in Kamp Amersfoort. De negen doodvonnissen werden op negen juli 1942 in Fort Rijnauwen voltrokken.

De namen van de negen slachtoffers zijn:

Evert (Eddy) van den Berg.
Johan Herman Jacobus Boerrigter.
Johan (John) Dons.
Frans (Spaan) Heinekamp
.

Petrus Frederikus Antonius Hoefsloot.
Hendrik Marinus Emanuel Pieter Maertens.
George Hendrik van der Ploeg (Van der Pas).
Leonardus Lambertus Twijnstra.

Petrus Walter Gerardus van de Weijer.

 

 

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.