HET VERHAAL
VAN DE WAPENS VOOR DISTRICT
IX
Verschillende personen
hebben over dit onderwerp al
geschreven, zoals Pieter
Wijbenga (‘Geale’) in deel
III van Bezettingstijd in
Friesland. Verder heeft
Wijbenga in de Zondagskrant
van het Friesch Dagblad op
17 december 1966 en de
daarop volgende zaterdagen
een duidelijk en op feiten
berustend verslag gedaan van
de gang van zaken zoals die
zich toen heeft afgespeeld
in District IX (de gemeenten
Rauwerderhem, Idaarderadeel
en Utingeradeel).
Dan is het ook de KP’er ‘Cor’,
Piet Stavast, in zijn boek
Vlucht en verzet die
erover schrijft, maar hij is
plaats en naam van sommige
betrokkenen vergeten.
Ook mevrouw Fr.
Schuurmans-Koudenberg geeft
in Mids Fryslân een
overzicht van de
gebeurtenissen in Terzool in
1940-1945, maar ook hier
ontbreken vaak de data en
soms namen van personen.
En tot slot heeft ook Yge
Damstra in het boek Dit
hebben wij beleefd in
’40-‘45 niet alle
details boven water kunnen
krijgen, vooral voor wat
betreft de wapens in de Lege
Geaën.
Omdat ik er ook bij
betrokken was, heb ik
getracht een reconstructie
te maken op basis van de
informatie van deze
schrijvers en mijn eigen
herinneringen en
bevindingen.
Na de
dropping van de wapens op
drie december 1944 in de
Deelen, tussen Oldeboorn en
De Tynje, hebben Ferdinand
Keulen en Pieter Sikkema,
onder zeer barre
weersomstandigheden, deze
opgehaald met een praam. De
praam moest met de boom
worden voortbewogen, of
lopend met een lijn worden
getrokken vanaf de wal.
Keulen en Sikkema gingen via
de Brekken door het
Terzoolster sluisje langs
Terhorne naar Akkrum,
vandaar naar Oldeboorn en
naar de Deelen, waar zij
zich moesten melden bij de
woonboot van Popke Zwerver.
Daar ontvingen zij de voor
District IX bestemde wapens.
Natuurlijk werden deze goed
gecamoufleerd, eerst onder
een laag riet, dan onder een
laag turf. Zo konden beide
mannen voor turfhalers
doorgaan…
Op de terugweg ging het
eerst naar Grouw, daar werd
het deel van de wapens
bestemd voor de Grouwster BS
overgenomen door Sikke
Bangma en Pieter Eisinga.
Die hebben de wapens bij
boer Hendrik van der Meer te
Goïngahuizen ondergebracht
(helaas hebben de Duitsers
deze partij later in handen
gekregen). Daarna naar
Akkrum. Dat was bepaald niet
zonder gevaar, want zij
moesten de spoorbrug tussen
Grouw en Akkrum passeren die
bezet was door Duitse
bewakers. Gelukkig was de
camouflage van turf
voldoende om ongemoeid te
worden gelaten.
In Akkrum wachtte een
teleurstelling: de boer bij
wie Keulen en Sikkema
dachten het voor de BS van
Utingeradeel bestemde deel
te kunnen lossen, weigerde
ontvangst. Na Akkrum werd de
terugtocht aanvaard via
Terhorne en het Terzoolster
sluisje naar de Brekken.
Daar werden ze opgewacht en
gewaarschuwd dat er een
razzia in de Lege Geaën
gaande was en dat dominee
Boerlage in Rauwerd was
opgepakt. Dit moet ongeveer
rond 12 december 1944
gebeurd zijn. Ferdinand en
Pieter hebben toen gewacht
tot het donker was en zijn
vervolgens naar de boerderij
van Age Dijkstra op de
Kleine Wieren gevaren, waar
het grootste deel van de
wapens onder het hooi werd
verborgen.
Een klein gedeelte (1
brengun, 7 stenguns en 30
revolvers met bijbehorende
munitie werd meegenomen en
in een hooiberg verstopt
(bij M. Tjeerdsma in
Sijbrandaburen?). Kort
daarna zijn deze wapens door
de KP-groep van ‘Cor’
opgehaald en naar boer
Hoekstra in Friens gebracht
(de groep van Cor had
onderdak gevonden in
Tienserburen, en zo waren de
wapens dichter in de buurt
van de groep.
P. Stavast
beschrijft deze operatie.
Het werd een gevaarlijke
tocht, die vanuit
Sijbrandaburen in de schemer
werd uitgevoerd. Omdat zij
langs weggedeelten moesten
waar geregeld door de Groene
Politie en de Landwacht werd
gepatrouilleerd, zetten zij
overal langs de weg posten
uit en daartussen reed Teye
de Boer op en neer als
koerier om de volgende post
te waarschuwen. Het
transport kwam veilig op de
bestemde plaats aan. Daar
werden de wapens
gebruiksklaar gemaakt, dat
wil zeggen, vetvrij. De
Engelsen waren bepaald niet
zuinig met vet!
Als gevolg
van de arrestatie van de
Gewestelijk Operatieleider
kapitein Pander en zijn
adjudant F. Wierda, in de
avond van 3 februari in
Tjerkwerd, waren de Duitsers
in het bezit gekomen van
gegevens over de gehele
organisatie van het Friese
verzet. Wierda had de
bewapening en de
opslagplaatsen van de tien
districten geregistreerd.
Gelukkig heeft een aantal
commandanten hun wapens
meteen op andere plaatsen
ondergebracht.
Toen bekend werd wat er in
Tjerkwerd was gebeurd, werd
groot alarm geslagen en
zochten velen een ander
adres.
Ook Herre Winia, onze
Districts-operatieleider
(DOL) die bij de Terzoolster
groenteman Durk Dijkstra
‘gast’ was, verdween en
sloot zich aan bij de
KP-groep in Hempens. Eerst
gebeurde er niets. Maar de 8ste
februari was het raak. De
Duitsers voerden een grote
reeks goed voorbereidde
arrestaties uit
In Sijbrandburen werd onze
Districtscommandant, meester
Tinkelenberg, hoofd van de
openbare school, opgepakt.
Tegelijkertijd werden in
Terzool onze gemeentelijk
commandant Ferdinand Keulen
en Kees van Balen gepakt.
Ferdinand probeerde nog te
ontkomen, maar werd net
buiten ons dorp gegrepen.
Wij zagen vanuit ons huis
hoe hij met de handen in de
nek naar zijn woning
terugliep.
De Duitsers wisten ook dat
er in het elektrische gemaal
een partij kaas en gesmolten
vet was opgeslagen. Ze
wilden de boot van Yde
Beeksma gebruiken om de buit
op te halen. Het noodlot
sloeg opnieuw toe: toen ze
in de boot stapten, zagen ze
twee revolvers die onder de
golfplaten van het boothuis
waren gestoken. Daardoor
werd Beeksma gearresteerd,
hoewel hij van de prins geen
kwaad wist. Ook Sjoerd de
Jong werd aangesproken. Die
was bezig in zijn kippenhok
op de groentetuin achter ons
dorp. Geheel overstuur begon
De Jong in het Engels te
praten (hij had een aantal
jaren in Canada gewerkt). De
Duitsers hielden hem voor
een piloot. Dus moest hij
ook mee. En tot slot werd in
Poppingawier nog Watse
Buiteveld opgepakt.
Allen werden overgebracht
naar het politiebureau van
Sneek en daar opgesloten. De
volgende dag werd
Tinkelenberg overgebracht
naar Crackstate in
Heerenveen. Sjoerd de Jong
en Kees van Balen (hij was
evacué, stond in zijn
persoonsbewijs) werden naar
Drenthe gestuurd om
loopgraven te maken. Na een
aantal dagen zijn ze
gevlucht. Gelukkig voor
Ferdinand hadden de Duitsers
niet meteen door wie hij in
werkelijkheid was. En in de
avond van de 11e
februari wist de Sneker KP
hen te bevrijden.
Intussen
had men in Terzool van onder
andere Pieter Sikkema, die
aan de Duitsers was
ontkomen, wel begrepen dat
de wapens die bij Age
Dijkstra onder het hooi
zaten, van plaats moesten
veranderen. In de nacht van
9 op 10 februari hebben
Pieter Sikkema, Durk
Dijkstra, Hette Keulen (een
broer van Ferdinand) en
waarschijnlijk Leen Poot de
wapens bij Age Dijkstra
opgehaald en naar een boot
gebracht, die achter het
land van de boerderij van
Bouwe Elzinga lag.
Deze boot was in de zomer
gebruikt door de vier
onderduikers bij Elzinga,
die er in sliepen. Zij
hadden er een soort
kajuitboot van gemaakt.
Mocht de boerderij worden
overvallen, dan waren daar
in ieder geval geen
onderduikers aanwezig. Maar
in de koude natte herfst van
1944 was de boot ongeschikt
geworden om in te slapen.
Bovendien was die door het
hoge water moeilijk
bereikbaar geworden. Drie
van de vier onderduikers
hebben een andere plek
gevonden. Alleen Freerk Abma
bleef als knecht achter.
De boot was afgedekt met een
dekzeil van de Gebr. Sikkema,
gecamoufleerd met bossen
riet, verscholen achter de
polderdijk, omringd met riet
en onder een begroeiing van
een dichte haag van
kruipwilgen haast
onzichtbaar geworden. Toch
werden de wapens ook daar
niet veilig geacht.
Bovendien waren ze te ver
van de groep verwijderd. Ze
zijn toen in de nacht van 17
op 18 februari door Durk
Dijkstra en Jelle Feenstra
met een te kleine boot
opgehaald. Door de
duisternis en het hoge water
– alles was één grote
watervlakte – raakten zij de
weg kwijt. Bovendien maakten
ze water. Ze zagen zich
genoodzaakt de wapens
overboord te zetten, de
plaats werd gemerkt. Ze
hebben toen boer Elzinga uit
bed gehaald en zijn daar wat
op verhaal gekomen. De
volgende nacht hebben ze de
wapens weer opgevist en naar
Sijbrandburen bij Mintje
Tjeerdsma gebracht. Daar
werden ze in een mestbak in
het varkenshok opgeborgen.
Net op tijd: op 21 februari
werd de boerderij van Age
Dijkstra overvallen. Het
bleek dat de Duitsers al
veel wisten, zodat Dijkstra
wel moest toegeven dat er
wapens waren geweest. Jammer
dat hij ook wist waar de
wapens naar toe waren
gebracht. Na enig stevig
aandringen heeft hij de
Duitsers naar de boot bij
Elzinga gebracht. Maar
gelukkig: ook daar waren de
wapens toen niet meer. Het
is een wonder dat de
Duitsers hem toen niet
hebben meegenomen. Ook
voerden zij hun dreigement
niet uit om de boerderij in
brand te steken.
Op dat moment hadden de
Duitsers niets meer in
handen. Geen wapens en geen
gevangenen, die hen konden
informeren. Die waren immers
op 11 februari ontkomen. De
Duitsers wisten dat er
wapens waren, maar waar?
Mintje Tjeerdsma maakte zich
zorgen dat de wapens zouden
gaan roesten, vooral de
stens. Via de koerierster
Reino van der Veer werd
‘Cor’ daar bericht van
gedaan en gevraagd
maatregelen te treffen.
‘Cor’ en ‘Witte Jaap’ gingen
die avond naar Tjeerdsma om
de wapens te drogen en
opnieuw in te vetten.
Tjeerdsma was al heel vroeg
betrokken bij de verzorging
van joden en onderduikers.
Hij was de contactpersoon
van de LO. Ook had hij een
Duitse jood in huis wiens
drie kinderen in de omgeving
waren ondergebracht.
Bovendien waren er sinds
november ’44 twee Duitsers
bij hem ingekwartierd. Beide
hadden gediend in de Eerste
Wereldoorlog. Een van hen
was 71 jaar, maar toch,
beide mannen waren in de
kamer aan de andere kant van
de gang. De situatie was
verre van aangenaam,
schrijft Piet Stavast. De
kachel werd flink opgestookt
en het wapentuig werd uit
elkaar gehaald, gedroogd en
opnieuw ingevet, tot diep in
de nacht zijn ze met z’n
vieren bezig geweest. Een
paar dagen later zijn de
wapens door Durk Dijkstra en
Jelle Feenstra met de
bakfiets opgehaald en naar
de zuster van Feenstra in
Offingawier gebracht en daar
verstopt.
De 5e
maart werd Age Dijkstra toch
nog gearresteerd en in het
Sneker politiebureau
opgesloten, maar de 6e
maart wist de Sneker KP voor
de tweede keer een
bevrijdingsactie uit te
voeren. Werkelijk een
huzarenstukje. Intussen
probeerde het overgebleven
kader van de BS de schade te
herstellen en zich te
hergroeperen. Ook werden
waar mogelijk
wapeninstructies gegeven.
Voor onze groep was dat op
27 maart, ’s middags, bij
Durk Dijkstra, onder leiding
van Herre Winia. Jaap van
het Zet en Bauke van der
Weit waren onze
instructeurs. Aanwezig waren
Anne Hoekstra, Yme Raap,
Freerk Abma, Leen Poot,
Albert Hogedoorn en ikzelf.
Hoewel we zoveel mogelijk
van verschillende kanten
kwamen, is het haast
onmogelijk dat dit
onopgemerkt is gebleven. We
kregen uitleg over het
geweer, de sten en de
handgranaat. Het was een
geweldige ervaring, wapens
in handen te hebben waarmee
je je zou kunnen verdedigen.
Spannend!
We werden echter de 29ste
maart weer geconfronteerd
met de harde werkelijkheid.
Het werd een rampdag voor
onze groep. In de vroege
ochtend werden Durk Dijkstra
en zijn ‘gast’ Herre Winia
van bed gelicht. Winia was
na een kort verblijf in
Hempens weer teruggekeerd
naar zijn vorige adres bij
Dijkstra in Terzool. Of het
toeval is geweest of dat de
Duitsers over nieuwe
informatie beschikten zal
altijd wel een raadsel
blijven. Dezelfde morgen
probeerden zij ook Jelle
Feenstra in Gauw te
arresteren.
Maar dat liep
anders. Jelle, hoewel
gewond, ontkwam en wist de
boerderij van Elzinga te
bereiken.
Bouwe Elzinga en ik hebben
beide ons verhaal over die
dag opgeschreven, Elzinga op
27 februari 1979 naar
aanleiding van het
verschijnen van het derde
deel van Bezettingstijd
in Friesland, waarop hij
enige aanvullende informatie
gaf op wat er de 29ste
februari en daarna gebeurd
was. Zelf gaf ik ons verhaal
weer in januari 1983, om in
aanmerking te komen voor het
Verzetsherdenkingskruis, dat
mij later werd uitgereikt.
In de vroege morgen van 29
maart 1945 ging ik met een
polsstok vanuit mijn
ouderlijk huis door de
weilanden naar de Grote
Wieren en de boerderij van
Elzinga om daar in de
groentetuin te werken. Toen
ik omstreeks zeven uur
aankwam, zag ik een hoopje
natte kleren buiten op de
gierkolk liggen. Ik
vermoedde meteen dat er een
vluchteling was. Nadat de
kinderen naar school waren
gegaan, werd ik
binnengeroepen en zag daar
Jelle Feenstra zitten met
een been in verband.
Hij vertelde dat hij
ontkomen was aan de SD, maar
dat Durk Dijkstra en Herre
Winia in de vroege ochtend
van bed waren gelicht. Hij
maakte zich grote zorgen
over zijn zuster in
Offingawier en de wapens die
hij samen met Durk een paar
weken eerder bij haar had
gebracht en die in haar
kelder waren opgeslagen.
Deze moesten daar zo snel
mogelijk vandaan. Er was al
een bericht door een van de
meisjes van Elzinga naar het
dorp gebracht, maar daar zag
men toen direct geen
oplossing omdat er zeer
intensief door de Duitsers
werd gepatrouilleerd.
Bovendien was Age Schuurmans
net terug van een lang niet
ongevaarlijk avontuur.
Nadat Durk en Herre waren
gearresteerd is mevr.
Dijkstra naar Schuurmans
gegaan, omdat de wapens die
gebruikt waren voor de
instructie, nog verborgen
zaten in hun kippenhok.
Schuurmans is toen samen met
vermoedelijk Leen Poot met
die wapens naar Gauw
gefietst, met de bedoeling
deze bij Feenstra te
brengen. Maar toen ze bij de
oprit naar de woning kwamen
– Jelle woonde een honderd
meter van de weg af – en
deze wilden inrijden,
hoorden ze dat er geschoten
werd. Hals over kop zijn ze
teruggefietst en hebben de
wapens achtergelaten bij
boer Minne Jansma in
Sijbrandburen. Dus het was
te begrijpen dat zij de
schrik nog in de benen
hadden.
Wat nu? Ik stelde voor om de
wapens met een boot op te
halen. Een roeiboot was te
klein, zei Feenstra, dat
hadden zij al ondervonden!
Mijn idee was een melkpraam
(een Giethoornse punter) te
gebruiken, deze voer licht
en had voldoende ruimte. Dit
werd uitvoerbaar geacht.
Wij, dat wil zeggen Freerk
Abma, J. de Ridder (een
evacué) en ik gingen naar
Terzool en vorderden a.h.w.
de praam. Daarmee gingen we
via de Oudvaart richting
Sneek-Offingawier, na
ongeveer een uur waren wij
vlakbij het dorp, we spraken
af dat ik me zou melden
omdat Froukje, de zuster van
Feenstra, mij wel kende.
Maar wij werden al verwacht.
Elzinga was per fiets naar
Offingawier gegaan om haar
op de hoogte te stellen.
Terwijl Freerk en De Ridder
de wapens uit de kelder
haalden liep ik met twee
handgranaten in de zak van
het ene naar het andere eind
van het dorp om te zien of
de kust veilig was. Niets te
zien, meldde ik, maar toen
we met de stenguns van het
huis over de weg naar de
boot wilden lopen, kregen we
de schrik van ons leven.
Op de weg stond een Duitse
soldaat, het geweer op de
boot gericht. Hij was op
eendenjacht en schoot op een
eend, die hij maar half
raakte en die achter de kerk
verdween. Die Duitser
erachteraan. Wij zijn
teruggeweken achter het
huis, terwijl de stens voor
ons gevoel een heidens
lawaai maakten. De Duitser
had niets in de gaten. Toen
hij weg was hebben we zo
snel we konden de wapens
ingeladen en zijn ervandoor
gegaan.
Door de anderen werd
voorgesteld via het
Snekermeer terug te gaan,
maar ik kon ze ervan
overtuigen dat we dezelfde
route moesten nemen als we
gekomen waren, dan hadden we
betere vluchtmogelijkheden.
Nauwelijks buiten het dorp
zagen we een overvalcolonne
van de Duitsers aankomen.
Een auto reed voorop,
daarachter twee motoren met
zijspan waaraan touwen waren
gebonden, met aan
weerskanten fietsers.
Terwijl Freerk de boot duwde
en De Ridder aan de lijn
trok, vulde ik de
stenhouders met patronen en
maakte een aantal stens
schietklaar. Het miezerige
weer ging over in mist en
weldra waren wij vanuit de
dorpen niet meer te zien.
Bij Gauw gingen we richting
het Snekermeer en naar de
Gauwster sluis, dit om een
dwaalspoor uit te zetten (ik
wist hier goed de weg, omdat
ik er was opgegroeid). Bij
de Gauwster sluis zijn we
via de dijksgracht richting
Terhorne gegaan en bij de
Terzoolster sluis afgezwaaid
naar de boerderij van
Elzinga. Kort daarvoor
ontmoetten we nog de
landwachter Punter uit
Irnsum in vol ornaat. Hij
was bezig kievitseieren te
zoeken. Na een groet liet
hij ons ongemoeid.
Rond vier uur waren we
weer terug en konden we ons
tegoed doen aan de warme
hutspot van mevrouw Elzinga.
Daarna ben ik naar huis
gegaan. Jelle Feenstra was
toen al vertrokken.
De wapens zijn ’s avonds
door Elzinga naar de
Tolhuisbrug gebracht en door
Jochem Postma en Pieter
Sikkema overgenomen en bij
Kooistra op Harstaburen
ondergebracht. Deze wapens
zijn op de middag van de 14e
april door Jan Kooistra op
een wagen afgedekt met mest
vanaf Deersum via de
straatweg naar Wirdum
gebracht. Hij moest met de
wagen langs de Duitsers die
zich terugtrokken naar de
Afsluitdijk. In de wagen
bevonden zich de wapens voor
ongeveer dertig man,
verzameld in de boerderij
van Boonstra. Zo zijn ze
uiteindelijk toch op het
bestemde doel terechtgekomen
en is de moeite niet voor
niets geweest.
De Duitsers in de
overvalcolonne, bij Froukje
Koldijk-Feenstra aangekomen,
hadden Dijkstra en Winia bij
zich. Er werd tegen haar
gezegd: ‘Ontken maar niets,
zij weten alles.’ Maar ze
hield haar hoofd koel en
wist de Duitsers op het
verkeerde been te zetten. Ze
stuurde de colonne in de
richting van het Snekermeer.
Maar Terpstra bij de sluis
kon niet anders zeggen dan
dat er die ochtend niemand
de sluis was gepasseerd, en
dat was ook aantoonbaar, dus
moesten de Duitsers
onverricht terzake naar
Sneek terug.
Ze gaven het echter niet op. Op vrijdag de 30ste
hebben ze vanuit
Sijbrandburen de visser
Scholten opgezocht, die met
een woonark midden in het
veld lag. Misschien dat zij
daar wat konden vinden, of
wellicht kon hij
inlichtingen geven. Maar
helaas voor hen, het was een
vergeefse reis. Zonder dat
ze het wisten, hadden ze ons
wel weer de schrik op het
lijf gejaagd. Wat was het
geval? Toen ik bij Elzinga
vandaan thuis kwam, vertelde
ik mijn vader in het kort
wat we uitgehaald hadden.
Hij begreep meteen het
gevaar, vertelde me dat toen
hij ’s middags bezig was met
werk achter in het land
tussen beide dorpen, hij het
al zo vreemd vond dat er
iemand een hele tijd achter
de mestvaalt waar hij bezig
was, met een verrekijker de
omgeving afzocht. We
besloten naar Tjeerdsma te
gaan en hem om raad en hulp
te vragen. Ik ben daar tot 4
april gebleven.
Op die bewuste vrijdag de 30ste
kwamen de Duitsers, over het
erf van de huisarts, recht
op onze woning af. We
schrokken hevig en wisten
niet hoe vlug we in de
schuilplaats moesten komen.
Al snel bleek dat het niet
om ons te doen was, maar dat
ze naar de ark van visser
Scholten wilden. Waar ze
niets te weten kwamen.
Toch leek het ons beter even
weg te gaan. Achter de
zuivelfabriek woonde oom
Bertus, mijn vaders jongste
broer. Met de roeiboot
konden we om de
zuivelfabriek heen naar hem
toe varen. Terwijl we daar
waren, kwam een zwager van
hem op visite, die in geuren
en kleuren vertelde dat er
in Offingawier bij Koldijk
een overval was geweest en
dat kort tevoren drie mannen
met een boot daar wapens
hadden weggehaald.
Een hele
consternatie. Gelukkig
hadden ze Koldijk en zijn
vrouw Froukje niet
meegenomen. De mannen waren
zomaar opeens verdwenen. Wij
vonden het allemaal een
prachtig verhaal.
In Grouw hadden de Duitsers
in diezelfde weken meer
succes. De ‘bende van Grouw’
wist de complete leiding van
de BS in handen te krijgen
en daarna ook nog de wapens.
In Grouw is een hoge prijs
betaald. Dit moet dik worden
onderstreept en we mogen het
niet vergeten.
De Paasdagen verliepen
rustig, maar woensdag 4
april deden de Duitsers weer
een poging om ons te pakken
en natuurlijk de wapens.
Wij, dat waren Tjeerdsma,
oom Wim, de onderduiker
Johannes, de buurman en ik.
We zijn naar land gegaan dat
een flink eind buiten het
dorp lag, richting
Snekermeer, om turf te
steken. Om twaalf uur gingen
we terug naar huis voor de
warme maaltijd en toen we
vlak bij het dorp kwamen,
zagen we net op tijd dat de
Duitsers bij Hoekstra een
inval deden. Ik heb me toen
verscholen in de stal bij
boer Deelstra. Het was om
Anne te doen, maar hij had
kans gezien om in de
schuilplaats onder de vloer
te verdwijnen. Gelukkig
vonden ze hem niet.
Verder ging het, naar het
volgende adres, dat was de
boerderij van Aant de Boer.
Daar was het om Leen Poot te
doen. Deze zag geen kans om
op tijd in de schuilplaats
te komen. Toen hij ze vroeg
of hij z’n bril even kon
halen, mocht dat. In de stal
zette hij het op een lopen
en werd doodgeschoten. Aant
de Boer werd meegenomen.
Het huis van Dijkstra werd
ook nog bezocht en door een
paar handgranaten van binnen
vernield. Omdat ze Pieter
Sikkema nog niet te pakken
konden krijgen, hebben ze
het huis van zijn broer
Jabik in brand gestoken. Ook
bij ons zijn de heren
geweest.
Toen ze binnen
kwamen, zat de hele familie
aan tafel. Mijn vader kreeg
meteen een paar klappen. Dat
gaf natuurlijk grote
opschudding. Moeder stoof op
en sprak de heren in het
Duits toe. Zij meende dat
Duitse officieren heren
waren. Dat verbaasde de man
wel. Hij wou weten waar ik
was. Moeder antwoordde:
‘Jullie hebben hem
opgeroepen, wij hebben in
tijden niets van hem
gehoord.’ Ze zijn bovenop de
zolder wezen kijken en
hebben wat tuintekeningen
verscheurd. Ik volgde een
cursus tuintekenen bij het PBNA, maar die was na Slag
om Arnhem gestopt.
Bij Catrinus Sysling, waar
Yme Raap zat te spinnen,
hadden ze meer geluk. Hij
moest mee en Jentje Abma (de
vader van Freerk) werd
eveneens gepakt en in Sneek
gevangen gezet. In de vroege
morgen van 12 april zijn
alle gevangenen vrijgelaten,
onder wie Yme, Jentje en
vrouw Visser uit Irnsum met
het joodse meisje Roos die
ze een week tevoren bij een
razzia hadden gepakt.
Zelf had ik de 4e
april meer geluk. Ik kreeg
bericht dat de kust vrij
was, maar toen ik naast de
ingang van de fabriek was,
kwamen mij twee vreemde
fietsers tegemoet. Het
bleken twee SD’ers te zijn.
Ze hadden het over Yme Raap.
Ik ben toen, net of het zo
hoorde, het fabrieksterrein
opgelopen en nadat de heren
uit zicht waren, zo vlug
mogelijk naar huis gegaan,
heb een hapje gegeten, en
ben toen vlug terug naar het
turfgat gegaan waar ik me
bij onraad in verschool.
Kort daarna kwam vader met
Freerk en hoorden we wat er
zich allemaal in Terzool had
afgespeeld.
We begrepen dat het
behoorlijk gevaarlijk was
geworden en besloten uit te
wijken naar een oom van
Freerk in Akmarijp, aan de
overkant van het meer. Er
was echter een gevaarlijk
punt, dat was het passeren
van de sluis. De bewaking
liet ons ongemoeid en zo
bereikten wij veilig
Akmarijp. We zijn daar maar
een dag gebleven. Daarna
werden we naar de boerderij
van Bakker langs het kanaal
gebracht en zijn dinsdag 9
april weer teruggegaan naar
Akmarijp, om ’s avonds met
een bootje het meer over te
varen naar de Gauwster
sluis.
Van Hallema, de
sluiswachter, hebben we een
roeiboot geleend en zijn
naar Elzinga geroeid. We
werden toen in de
knechtenkamer boven de stal
als het ware opgesloten, de
kinderen mochten niet weten
dat we er waren. Op een
avond, toen het goed donker
was, hebben we ons gemeld
bij Ine Keulen, de zus van
Ferdinand. Die joeg ons als
het ware terug naar Elzinga
omdat er doorlopend werd
gepatrouilleerd. Daar hebben
we ons schuilgehouden tot we
zaterdag de 14e
bericht kregen dat we een
fiets moesten vorderen en
naar Wirdum gaan. Daar
zouden we worden opgevangen
en naar boer Boonstra worden
gestuurd.
We
fietsten twee bij twee via
Rauwerd. Vandaar moesten we
langs de straatweg naar
Oosterwierum. Dat stukje
straatweg was lang niet
prettig want het wemelde van
de Duitsers met paard en
wagen, fietsers bepakt en
bezakt, allemaal richting
Sneek. Daartussen reed Jan
Kooistra met een wagen mest
in dezelfde richting als
wij.
Wij verbaasden ons daarover:
op zaterdagmiddag nog aan
het mesten, en dan met al
die Duitsers om hem heen?
Wat mankeerde die vent toch?
Toen we al een tijdje in
Wirdum waren, kwam Jan daar
met de wagen mest het erf
oprijden. Onze commandant
Ferdinand Keulen zei: ‘Kom
mannen, de schuurdeuren
open, de wagen naar binnen,
de kruiwagen erbij, de mest
eraf.’
En daar kwamen de wapens
tevoorschijn waar zoveel om
te doen was geweest. Ieder
kreeg zijn wapen en we
werden ingedeeld in groepen
met een commandant. De
eerste wacht werd meteen
uitgezet. Het was een blij
weerzien. Ferdinand K.,
Pieter S., Jochem P. Maar we
misten ook enkelen. Op 6
maart was meester
Tinkelenberg bij Dongjum
vermoord. Over Durk Dijkstra
en Herre Winia wist niemand
iets, en dat zou nog een
tijdje zo blijven. Pas ruim
een jaar later, in oktober
1946, werden ze op
aanwijzingen van een Duitser
gevonden. Zij zijn, met drie
anderen, op de
Zandvoorderhoek bij het
IJsselmeer doodgeschoten.
Tsjitse
Dotinga.
Gerrit Wissink, (typograaf)
geboren op 15 augustus 1907 te Apeldoorn, overleden op 4
september 1944 te Vught.
Gerrit Wissink
trouwt op 15 mei 1935 met Catharina de
Boer. Het paar woont in Apeldoorn,
Kanaalstraat nummer 30. Hij wordt actief lid
van het verzet. Hij verblijft een groot deel
van de oorlog echter als onderduiker bij
zijn moeder in Beetsterzwaag. Gerrit wordt
op 4 september 1944 in Kamp Vught
gefusilleerd.

Sijbrandus de Wit, geboren
25 mei 1889 te Baard,
overleden 10-02-1945 te Neuengamme. Van Sijbrandus is verder
niks bekend.
Broer de Witte, geboren op
7 juli 1923 te Workum, overleden op 05-05-1943 te
Leeuwarden.
In 1943 werd door 'Wehrmachtsbefehlshaber'
generaal F. Christiansen aangekondigd dat 300.000
Nederlandse militairen alsnog in krijgsgevangenschap zouden
worden afgevoerd. Dit nieuws verspreidde zich als een lopend
vuurtje door Nederland, nog voordat de officiële
bekendmaking in de avondbladen van donderdag 29 april 1943
verscheen. Drukkerij Smit aan de Telgen in Hengelo had
diezelfde middag het nieuws namelijk al op de ruiten van de
drukkerij geplakt, zodat iedere voorbijganger het
onheilspellende bericht kon lezen. Als protest tegen deze
maatregel brak spontaan overal in Nederland de
April-Meistaking uit. De bezetter reageerde furieus. Met
goedkeuring van dr. Seyss-Inquart werd het 'Polizei-Standgericht'
ingevoerd. Bedrijfsfunctionarissen kregen het bevel om
maandag 3 mei 1943 het werk te hervatten. Mensen die geen
gehoor gaven aan deze oproep, konden op zware straffen
rekenen.
In de drie noordelijke provincies werden zestig mensen
omgebracht om de wilde staking neer te slaan. Van 34 werd
het lichaam meegenomen 'naar een onbekende plek' om de
bevolking extra te intimideren. Verschillende ooggetuigen
wezen eind 1945 een plek aan in het voormalige militaire
oefenterrein de Appèlbergen. Daar werden toen negentien
slachtoffers gevonden. Vier jaar later bleek dat er nog meer
vermisten in de Appèlbergen begraven moesten liggen.
Verschillende zoekpogingen mislukten. Volgens een
gedetailleerde reconstructie van de gebeurtenissen in 1943
en 1945 liggen de omgebrachte slachtoffers begraven in het
Grote Veen van de Appèlbergen.
Deze reconstructie is gemaakt
op grond van vele documenten die in verschillende archieven
werden bewaard, gecombineerd met studie van omgeving, bodem
en geschiedenis. Er zijn vervolgens verschillende
onderzoeken gedaan naar de plaats waar de vermisten zouden
zijn begraven. In 1991 hebben de Koninklijke Luchtmacht en
de Technische Universiteit van Delft met behulp van speciale
apparatuur bodemonderzoek gedaan, maar geen sporen van een
begraafplaats kunnen ontdekken. Ook tijdens
vervolgonderzoek, dat in 2003 mogelijk werd toen delen van
het moeras werden drooggelegd, konden de graven evenwel niet
worden gevonden.
De namen van de 34
slachtoffers luiden:
Berend Assies, Harm Bakker, Harm Bos, Grietje Dekker, Geert
Jan Diertens, Jan Doornbosch, Karst Doornbosch, Jan Eisenga,
Dirk Fokkens, Johannes Glas, Albert Hartholt, Andries
Hartholt, Dirk Hartholt, Hendrik Hartholt, Gerrit Imbos,
Eeuwe de Jong, Eisso Kleefman, Hermanus Kleefman, Cornelis
Luinstra, Paulinus Nieuwold, Jan Postema, Friedrich Ludwig
van de Riet, Willem Antonie van Rossum, Rienold Terpstra,
Egbert Thoma, Berend Trip, Gerrit van der Vaart, Bouke de
Vries, Sibbele de Wal, Jelle van der Wier, Steven van der
Wier, Uitze van der Wier, Broer de Witte en Jogchum van
Zwol.
Een vermist slachtoffer van de Tweede Wereldoorlog is
teruggevonden in het oorlogsgraf op de begraafplaats West in
het Groningse Marum. Het gaat om Broer de Witte uit
Greonterp die in 1943 op negentienjarige leeftijd werd
doodgeschoten omdat hij had meegedaan aan de melkstaking.
Na de oorlog werd bij de identificatie van de zestien
Marumers die na de melkstaking werden gefusilleerd een
vergissing gemaakt. Broer de Witte werd geïdentificeerd als
een van de Marumers. Hij lag met hen in een massagraf in
Appelbergen, een bos bij het dorp Glimmen.
De Marumer met wie De Witte werd verwisseld is daardoor ter
aarde besteld als onbekende op de Erevelden van de
oorlogsgravenstichting in Loenen en Broer de Witte werd
begraven in Marum.
Binnenkort wordt de naam van De Witte toegevoegd aan het
oorlogsmonument in Marum en wordt de man die Loenen begraven
ligt naar Marum overgebracht.
Naspeuringen van Truus de Witte uit Noordhorn bracht
bovenstaand verhaal aan het licht.
Leeuwarder Courant, 6 oktober
2008
Lêzing
Aldegea.
Ik bin Truus de Witte, de
dochter fan Wiebe en Roely de Witte. Ik haw
fan berns ôf oan meimakke dat ús heit enoarm
lijt hat ûnder de Maaiestaking en de dea en
fermissing fan syn broer Broer. Hij waard
slim siik doe ‘t ik 16 jier wie. Nachtmerjes
gyngen oer de oarloch. Ik wie krekt 18 doe
‘t er stoar.
Omke Broer wie fermist. Dat
wie slim. It hat in enoarm swiere lêst foar
ús heit west.
Tsien jier lien begûn ik te
sykjen, ik murk dat de herinnering oan ús
heit syn lijden my ek tige sear die. Ik woe
witte wat ús heit meimakke hie. Hoe siet dat
mei omke Broer? Ik socht yn boeken, en socht
minsken op dy’t my oer de Maaiestaking
fertelle koenen. It oangripendste gesprek
wie mei Wypke Martens, dy’t mei ús heit,
omke Broer en Symen Wiersma yn de deadesel
sitten hie en op it Scholtenshús west hat.
Wypke hat 3 nachten nei it gesprek net
sliepen, sei er letter.
Ik kriich tagong ta
fertroulike argiven yn Ljouwert, Grins,
Amsterdam en Den Haag om’t ik famylje wie.
Der bliek folle mear ynformaasje te wêzen
dan ik ea ferwachte hie, en doe socht ik
troch. Ik woe ek it grêf fine fan myn omke
Broer. It bliek in grêf mei 16 fermisten te
wêzen. Ek Bouke wie der by. It grêf wer ‘t
de Dútsers alle slachtoffers yn dumpt hawwe
is fûn troch in rekonstruksje fan alle
mogelike dokuminten út ferskillende Dútske
en Nederlânske argiven. Ik haw alle
ynformaasje, dy’t ik fûn, ferspraat ûnder de
16 famyljes dy ‘t it oangiet. Der is maaie
2004 in monumint pleatst (foto). En as
ôfslúting haw ik ferskillende neibesteanden
ynterviewd, en harren gesprekken binne
ferspraat ûnder de 16 famyljes en
oerheidsynstellings (bondel). Sa kinne se
wat oan elkoar hawwe, en sa kin de oerheid
lêze wat der allegear ûnbedoeld ferkeard
gien is yn de ôfrûne 60 jier.
Bouke de Vries en Broer de
Witte binne yn de oarloch deasketten troch
de Dútsers. Se hienen, mei hûnderttûzenen
oaren yn Nederlân, meidien oan de
Maaiestaking fan 1943.
Yn ‘e oarloch wienen trije
grutte stakingen. De earste wie de
Februarystaking fan 1941 yn Amsterdam. De
Maaiestaking wie de twadde, en de iennige
massale, troch de befolking sels ûntketene
staking. En de Spoorwegstaking fan 1944 wie
de tredde, troch de Regearing útroppen.
Oer dy Maaiestaking, oer it
sykjen nei Bouke en Broer om’t se fermist
wienen, en oer hoe’t de fermissing in
stimpel op it libben fan de famyljes drukt
hat, sil ik it dit heal oere hawwe.
De Maaiestaking kaam net út
‘e loft fallen. In lytse 3 jier wie it
betreklik rêstich west yn ‘e oarloch. Mar yn
‘e maaitiid fan 1943 waard it wat
spannender. Stalingrad wie fallen, Berlyn
waard bombardearre, reserves fan de Dútsers
rekken op, yn Nederlân waard it earmer. Der
wienen te min arbeiders yn Dútslân, want
alle Dútsers wienen foar it leger nedich.
Mei razzia’s waarden wurkkrêften oppakt. De
spanningen rûnen oer de hiele liny op.
Doe betochten de Dútsers ek
noch in plan: As we no ris alle 300.000 âld
kriichsgefangenen wer oproppe, dan kinne dy
moai yn Dútslân oan it wurk. Úteinlik
moasten dy ommers wachtsje op ‘nadere
maatregelen’. En sa kaam der op tongersdei
29 april 1943 in teleks yn by de kranten: de
proklamaasje fan Friedrich Christiansen.
‘Kriichsgefangenen, meld jim, jim moatte nei
Dútslân, en wa’t it net docht kin rekkenje
op de strangste maatregels.’
In drukkerij yn Hengelo hong
de proklamaasje foar it rút. Krekt doe’t de
arbeiders fan Stork skafttiid hienen. Dat
wie de “druppel” foar de befolking. De
spanning ûntplofte. It wurk waard del lein,
op grutte skaal, jong en âld die mei, hege
en lege rangen staakten. As in rinnend
fjoerke gyng it nijs fan de massale staking
troch Twente, en fanôf freed 30 april troch
de rest fan Nederlân.
It nijs beriek fansels ek
Aldegea. Yn ‘e middei, nei it melken, waard
de molke nei de molkfabryk brocht. En dat
mocht net, fûnen Bouke de Vries, Wypke
Martens, Symen Wiersma, Johannes Walinga,
Tjitte Verbeek, Willem Bakker en in grutte
groep oare jonges en famkes. Se fregen de
molkefarders om de molke net ôf te leverjen.
Doe dat net slagge sprongen se op de pream
en legen se de molkbussen yn de Brekken en
op strjitte.
Broer en Wiebe de Witte
hearden fan de opstân yn Aldegea, en woenen
ek meidwaan. ‘Jonges, fersichtich’, sei
beppe noch, mar elkenien die dochs mei? Se
troffen in molkrider, en fregen him net nei
de fabryk te gean. Ek sy sprongen op de wein
en legen de molkbussen.
Hiel Nederlân stie op ‘e kop.
It wie in grut ûnorganisearre ferset, in
ûntladen fan spanning. Einlings koe de hiele
befolking sjen litte dat se net alles pikten
fan de Dútsers.
Wa hie tocht dat it sa
ferskrikkelik ôfrinne soe?
De Dútsers wienen frij
rêstich west oan’t dy tiid, it libben wie
net altyd like makkelik, mar alles gie syn
gonkje noch. Foaral yn in doarpke as Aldegea.
Deastraffen wienen noch nea útsprutsen yn it
Noarden.
De Dútsers hienen sa’n
massale aksje net ferwachte, en tochten dat
er in flink ûndergrûns netwurk efter siet.
Se skrokken. De opstân moast daliks brutsen
wurde. Op it Skoltenshús yn Grins waard op
sneon 1 maaie in Stânrjocht ynsteld, foar
Fryslân, Grins en Drinte. Ek de deastraf
waard doe as straf ynfierd. Mar dat soe wol
bluf wêze, dat wie noch nea bard. En
hielendal net foar sa’n lyts fergryp. En
soenen se al die hûnderttûzenen no deasjitte,
dat koe dochs net?
Hans Rauter, de grutte
polysjebaas yn Den Haach, beneamde daliks in
spesjale polysjemacht. Foar it Noarden waard
dat Johann Mechels. Hy waard de baas oer
alle polysje. Hij moast hurd optrede om de
befolking wer yn it gareel te twingen.
De Dútsers moasten ek daliks
alle ûnrêst witte, wie it befel. En die
ûnrêst wie massaal. Bouke, Broer, Wypke,
Symen, Johannes, Willem, Tjitte, Wiebe en de
oaren seagen fanwegen dy massaliteit gjin
gefaar yn harren dieden.
De ûnrêst is trochjûn oan
NSB-boargemaster Schut yn Snits, sneontejûn.
Schut hat de SD yn Ljouwert
belle, en de sneins 2 maaie wie it mis. De
SD kaam út Ljouwert, mei Lammers as saneamde
tolk. Underweis hellen se Schut op. In
oerfalwein mei sa’n 25 Grüne Polizei kaam
mei, mei Lottmann as polysjebaas ûnder
Mechels.
In nijsgjirrige boerehelp
hong om bij de molkfabryk, en waard oppakt.
Hij hie net meidien, mar fan wa wist der it
dan? Neam nammen! Arbeiders waren nammen
frege. Direkteur Faber waard nammen frege.
En doe’t de earsten oppakt wienen waren oan
hun nammen frege.
Stel je foar, geraas,
unifoarmen, gewearen, wat dogge je dan? Fan
Johannes en Willem waren de jongere broers
Hiele en Sikke as gijzelaar meinommen.
Fan Broer en Wiebe soenen se
hun heit meinimme, mar se fûnen de jonges
ûnder de bedstee. Fan Bouke is syn frou
Grietje meinommen. Dat koe Bouke net
ferneare, en hat himsels oanjûn.
Ut de hiele groep waren Bouke,
Broer, Wypke, Siemen en Wiebe pikt as
haaddieders. Bouke hienen se earst noch net
te pakken. Alle fiif krigen se de deastraf,
sei Lammers al yn Aldegea, Bouke ek alvast.
En dat advys hat hij trochjûn oan it
Stânrjocht yn it Scholtenshus yn Grins
De fjouwer jonges waarden nei
de nacht yn de gefangenis fan Ljouwert, nei
Grins brocht.
De foarsitter, rjochter
Wendt, wie it mei Lammers syn advys iens.
Hij stjoerde moandei 3 maaie in teleks nei
Hans Rauter yn Den Haag, mei it fersyk de
fjouwer jonges dea sjitten te maaien, en de
meidieling dat de Aufhetzer Bouke de
Vries noch socht waard. Rauter belle werom,
dat allinnich de âldste deasjitten wurde
moest, dat wie Broer. Hij wie 19 jier. Hij
is op 3 maaie om 3 ure deasjitten op de
pistoalbaan fan de Rabenhauptkazerne ûnder
Grins. Wypke en Symen binne oan inoar
festketene nei Vught ôfvoert. Wiebe is earst
frijlitten en belâne letter yn de gefangenis.
Op 6 desimber 1945 kamen se alletrije frij
út de gefangenis fan Utrecht.
De tiisdeis, 4 maaie, is it
noardelike Stânrjocht ferhuze nei it
Aldburgerweeshus yn Ljouwert. Der is Bouke
terjochte kaam. Foarsitter Wendt koe telexe
dat de Aufhetzer fûn wie. Bouke is
jûns op 4 maaie om hjelve 10 deasjitten op
it Kalverdykje by Ljouwert.
Bouke wie 35, de âldste fan
de molkepream-aksje, Broer wie 19, de âldste
fan de molkewein-aksje.
In soad minsken brekke hun
holle oer it ferried en de willekeur. Foaral
wij as neibesteanden, om alles in bytsje
snappe te kinnen. De stikken bij Justitie
jouwe gjin útslútsel oer ferried.
De minsken, dy’t letter ûnder
twang nammen neamt hawwe, seagen gjin gefaar
yn hun útspraken. Sels de minsken dy’t de
aksjes trochjûn hawwe oan NSB-boargemaster
Schut hienen net ferwachte dat der deaden
falle soenen. Want dat wie noch nea bart. De
ûnrêst is oan NSB-boargemaster Schut
trochjûn troch wol 3-4 minsken, en yn
Aldegea binne nammen neamt, dat wol. Mar net
ien die dit op syn geweten hie, ferwachte
dat alles sa ferskrikkelik ôfrinne soe,
blykt út de stikken. De ienige die de
deastraf foar eagen hie wie Lammers.
En oer de willekeur?
Rauter sei letter dat it net
belangryk wie wa oppakt en deasjitten
waard, mar dat op it goeie momint
deaden foelen. Arrestaasjes wienen
willekeurich. Frijlittingen wienen
willekeurich. Straffen wienen willekeurich.
Der siet gjin inkele lijn yn. Soe dat ek in
foarm fan yntimidaasje wêze? De befolking
fiele litte dat se mei de Dútsers nea witte
koenen wer se oan ta wienen? Om sa ekstra
macht te krijen? De Dútsers hienen nammen
noadig, foar de grutte rôze oanplakbiljetten
(laten zien). Wat dy nammen dien hienen wie
net sa belangryk. De befolking moast witte
wat der barre soe as se troch gyngen.
Op moandei 3 maaie kamen de
earste berjochten yn ‘e krante, dat stakers
fusilleerd wienen (laten zien). De 4 jonges
sieten doe al yn Grins.
De lichamen fan de deasjitten
slachtoffers waren meinommen en op in
ûnbekende plak begroeven. Dit, om de
befolking ekstra te yntimidearjen. Mar net
allegear. Ek dit wie willekeurich, krek as
de arrestaasjes en de strafmaten.
Fan de 60 minsken, dy’t yn de
3 noardelike provinsjes deasjitten binne,
binne 34 yn ‘e Appèlbergen ferstoppe, 26
lieten se lizze op strjitte. Mar dat fan de
Appèlbergen wisten allinnich in pear Dútsers
en hun hantlangers. Ek Bouke en Broer wienen
bij die ferstoppen.
De Appèlbergen wie in
militair oefenterrein bij Glimmen, en dat
hearde bij de Rabenhauptkazerne fan Grins,
wer Broer deasjitten is. It wie in ôflein
gebiet, en Sperrgebiet, men mocht er
net komme. In prachtige ferstopplak.
Op 18 maaie stjoerde
boargemaster Tjaberings een koart briefke
nei frou De Vries en nei pake en beppe De
Witte (laten zien, 2 sinnen).
De Maaiestaking wie de
oergong nei de twadde, grimmige helt fan de
oarloch, en de start fan it grutte en
bewapene ferset.
Bouke en Broer wienen fermist.
Wienen se wol dea? Wienen se net nei Dútslân
of nei it Oostfront brocht? De Dútsers
koenen doch safolle arbeidskrachten brûke?
Om sa’n lytsichheid as it fuortgoaien fan
molke wurde je doch net deasjitten? Wer
wienen se? As se dea wienen moast der tooch
in grêf wêze? De doar mocht net mear op
slot. Stel dat se yniens thús kamen.
Nei de oarloch kamen se net
werom. Mar se koenen hersenpjild wêze as se
yn Ruslân sieten, en se koenen miskien de
grins net oer? Soenen se echt dea wêze? Mar
der waard gjin grêf fûn. Frou De Vries en de
bern, Pake en Beppe De Witte en de bern,
koenen gjin kant út. Mem de Vries libbe mei
de swiere wetenskap dat har man sich foar
har opoffere hat. Wiebe frege sich of: werom
Broer, werom ik net. Pake de Witte sil ûnder
de fraach lijt hawwe: hienen se mei mar
meinommen as gijselaar.
Fragen, fragen, fragen, yn
alle stilte, en der kaam gjin antwurd.
En sa gau kamen die antwurden
ek net.
Want nei de befrijing lei de
hoofdprioriteit fan de Regearing op het
herstellen fan oarde en rust, snelle
berjochting fan de fouten, en het op gang
bringe fan it gewoane libben. ‘Sjoch foarút,
bou wer op, ferjit wat bart is.’
Dieders, kollaborateurs en
ferrieders waren oppakt. It wie in gekkeboel,
safolle minsken waren oppakt troch allegear
ferskillende ynstânsjes, yn een
gaoatyske tiid. Berjochting fan allegear koe
nooit yn koarte tiid. In lytse 90.000 binne
úteindelik frijlitten soender ferhear en
straf. Sa gong ynformaasje oer ûnder oare de
begraafplak fan Bouke en Broer ferlern.
Amearika stjoerde oan op freonskip mei
Dútslân, want der wie in nije fijand: Ruslân.
Dútsers waren amper útlevere, en ek sa kaam
ynformaasje oer it grêf fan Bouke en Broer
net boppe tafel. Oare ynformaasje en
bewiismateriaal wie ferbrân, of fuortmoffele.
Ein 1945 waard der yn grêf
fûn yn ‘e Appélbergen. 19 slachtoffers fan
de Maaiestaking waren identifisearre, uit
Grins en Drinte. Der waren mear grêven fûn,
dus sa besûnders wie dat net, en der wienen
hûnderten fermisten, swervende, daklozen,
hongerevacuées, weromkearende gefangenen.
Dus de Appèlbergen rakke wer út it fizier.
Nei in skoftsje waren troch
it RIOD teleksen fan it Scholtenshus en
ferslagen fan Dútsers fûn. En polysjebaas
Mechels waard ein 1948 oppakt en ferhoart.
Mechels fertelde dat alle slachtoffers fan
de Maaiestaking út Fryslan, Grins en Drinte
bij elkoar op de Appèlbergen begroeven
wienen. Mechels wie de ferantwurdlike
persoan fan die aksje.
Sa kaam de Appèlbergen op ‘e
nij yn it ljocht, as plak wer se allegear
leinen, alle ferstopte slachtoffers fan
de Maaiestaking, dus ek Bouke en Broer. Der
wienen al 19 fûn yn 1945. De oare 16 leinen
der dus flakbij.
Mar wer wie dat grêf fan 1945
ek al wer? Men wist it net mear. Polysje
Kerkhof is persoanlik nei Dútslân
reizge, om de mannen te ûnderfreegjen dy’t
de lichamen begroeven hawwe. Hij beloofde se
dat se gjin straf krigen, as se asjeblyft de
grêflokaasje mar oanwiisden. Dat waard neat.
It geheugen liet hun sageneamd yn ‘e steek.
Mar de Appèlbergen, dat wie seker. Yn 1949.
No is it akelige, dat al
disse ynformaasje bij Justitie en Polysje en
oare Oerheid bekend wie, mar dat
partikulieren der gjin tagong ta hienen.
Stel je voor dat die partikulieren foar
eigen rjochter spylje soenen, en bij de
deaders een stien troch de rúten smite
soenen?
De befolking moest foarút
sjen en de Dútsers sjen as nije freonen
tsjin de Russen. De ynformaasje oer Mechels
en de Appèlbergen bliuw yn de argiven. Nei
de dea fan de dieders mochten partikulieren
de argiven ynsjen nei spesjaal fersyk, en
tekenje foar geheimhâlding. Dat haw ik dien.
No ja. Ik haw de ynformaasje fansels daliks
trochspile oan de famyljes dy ‘t er wat oan
hienen. It giet ús net om dieders mar om
greep.
Want wylst de ynformaasje oer
Bouke en Broer yn de argiven siet, droegen
de famyljes een enoarm swiere lêst. De
ûnsekerheid. De skuldgefoelens. Wat wie der
krekt bard, en wer wienen Bouke en Broer? Se
koenen gjin kant út, se koenen it ferhaal
net pleatse, se koene nergens hinne mei
harren fertriet. De wûne koe net hele. En
moasten se sykje of rouwe? Wie rouwe net
ûntrou oan de fermiste? Mar wêr moasten se
sykje? En mei wa koene se prate?
Fragen dy’t net beantwurde
wurde, pine dy’t net ferwurke wurd, bliuwt
aktueel, bliuwt malen, en wurd elke kear wer
oprakele.
Neibesteanden fan fermisten
hawwe it ûndraachlik swier.
Yn ‘e earste plak
is
it net seker of hun dierbere dea is. Dus dat
binne al twa ferhalen: hij libbet, of hij
libbet net mear. Hokker ferhaal kinne se yn
harren libben yn pasje?
Ten twadde is it plak
wer ‘t hij is net seker. Dat binne ek al
talleaze ferhalen: hij is begroeven, en wer
dan, of hij libbet yn gefangenskip of hij is
harsens spielt?
Ten tredde hawwe se
gjin idee wat der bard is. Se misse
ynformaasje, en kinne neat in plak jaan.
Alle mooglike ferhalen spylje troch de
holle.
En dan komt der
ten fjierde fanwege de oorloch en de
Maaiestaking noch de willekeur fan de
Dútsers bij: Werom is de iene oppakt en de
oare net? Werom kriech de iene
gefangenisstraf en is de oare frijlitten?
Werom is it iene lichem meinommen en lieten
se it oare lizze. De únsekerheid oer dizze
fragen wie in ekstra taktyk fan de Dútsers
om de befolking yn it gareel te twingen. Mar
it binne slopende fragen.
Neibesteanden kinne nea
ôfslute sûnder antwurd op dizze fragen .
En wat net ôfsluten wurde
kin, kin ek nea in plak jûn wurde, en dan
bliuwe de fragen mar mealen, en kinne se it
libben fan alledei totaal behearskjen bliuwe.
En as dan blykt dat de
ynformaasje oer de dea, de tadracht en it
grêf al in heale ieu bekend is by in oantal
Ynstânsjes, komt de klap hurd oan. De
neibesteanden koene de wierheid net pakke,
se koene dus net ferwurkje, en dy
ynformaasje oer de wierheid is hun ek noch
ûntholden.
It is fijn dat Aldegea daliks
in betinkingsmonumint foar Bouke delsetten
hat. Yn elts gefal in plak om bij
stil te stean, in rêstplak, ek al leit er
der net begroeven.
Tiidsgeast spilet yn dit
alles een hiele belangrike rol. De
nei-oarlogse tiid wie in tiid fan
wederopbouw en takomsttinken en
barmhertigheidspolityk nei de dieders. Mar
ek de gesinnen wienen mear sluten. Bern
wienen bern. No is alles iepener, der wurd
folle mear praten. Der is fan alles op ‘e
tillefysje, der is Ynternet. De tiid is oars.
Jan, Tryntsje en Auke wienen
lytse bern, doe hun heit fermoarde is. Se
begripen de grutte minskenwrâld noch net. Sa
krigen se, krekt as wij, de bern dy’t nei de
oarloch berne binne, in soad gefoelsynformaasje fan de âlderen. Mar
dy koenen se net stave oan feitelijke
ynformaasje. Deels omdat dy ûntbruts,
deels omdat de weinige ynformaasje allinnich
foar de grutte misken wie. En die grutte
minsken sparren de bern. En de bern fielden
dat de âlden it swier hienen, dus dy
ûtseagen de âderen wer. It wie mear in
tiidgeast fan ûtsjen, elkoar sparje,
rekkening hâlde mei inoar, bern wienen bern.
Mar by dy bern koe gefoelsynformaasje
woekerje tot grutte hichten. As heit of mem
der net oer prate kin, moat it wol
ferskrikkelik wêze.
En die tiidgeast soarge der
ek foar dat de argiven sluten bliuwden.
Troch neibesteanden ynformaasje, dy’t se sa
nedich hienen, te ûnthâlden, binne se ekstra
kwetst.
De tiidgeest is no oars. En
it blykt ek noch dat fragen en pine sich net
fuortstopje litte.
Tante Brechtsje sei in pear
jier lyn: ‘Truus, fertel my alles, alles,
hoe erch it ek is. Witten is better dan
ûnsekerheid, hoe erch de wierheid ek is.
Froeger hienen we ôflieding, mar no komt
alles boppe, no tink je nei, no wolle je
witte.’
In argyfbaas hat
no
mappen it gebou útsmokkele, mei gefaar foar
syn baan. By in oar argyf omsylden se no
de strange proseduereregels. Gjin muoite is
no sparre, tûzenen gûnen binne
resentelik troch Ynstansjes en Oerheid
beskikbaar steld om de fout in bytsje goed
te meitsjen: de ferskriklike fout fan de
Dútsers troch de lichamen te ferstopjen, en
de goed bedoelde fout fan de Oerheid de
ynformaasje ferstopt te hâlden.
De ynformaasje dy ‘t resent
sammele en ferspraat is kin antwurd jaan de
measte fragen. Ik haw mei myn
undersyk-kollega’s besike it slutende
bewiis fan de ynformaasje oer de
tadracht en it grêf gear te stallen. Dat is
slagge. Dat kin in plak krije. It keihurde konkrete bewiis fan it grêf, de
bonken dus, slagge net. Mar de sekerheid oer
it grêf is er wol.
De Appèlbergen, it plak wer
se neffens alle ferklearings lizze
moatte, is helaas mar foar in gedeelte
ûndersocht. Een gedeelte, omdat it de lêste
desinnia sa’n drassich gebiet is. It wie
hast net te dwaan. Yn it lytse stikje dat de
Lânmacht ûndersocht hat binne se net fûn. We
moatte it dus dwaan mei de slutende
sekerheid út de dokuminten. En dat is
gelokkich een hiele stapel, en allegear
sizze se itselde. Niks wiist in oare kant
út. En dat plak is no markearre mei in
monumint mei alle nammen.
It lichem fan
Bouke leit yn ‘e Appèlbergen. It lichem fan
Broer blykt ein 1945 fûn te wezen. Hij is
identifisearre as de ûnderdîker Frits van
der Riet en is as Frits herbegroeven yn in
Grinzer doarpke. Dat witte we pas in pear
jier. De Oarlochsgrêvenstichting en de
Lânmacht hawwe it befestige. Syn grêfstien
stiet net bij syn grêf, mar is yn de harten
fan syn famylje.
Bouke en Broer binne teplak,
we witte wer se lizze. Oer de Maaiestaking,
it ferried, it neamen fan nammen, de
strafmaat, sille altyd fragen bliuwe. It wie
folstrekt willekeurich wat der bard is.
Krekt sa as de Dútsers it bedoeld hienen.
Mar it briefke, dat se troch boargemaster
Taberings stjoere litten hawwe, is
ûntkrêften. De plaats wordt niet bekend
gemaakt. It grêf en it ferhaal fan Bouke
en Broer is boppe wetter. Se wienen altyd yn
ús midden, no binne se yn ús midden mei in
dúdlike skiednis en een oanwiisber grêf.
As der tiid extra is:
Hoe wie de berjuchting fan de
grutte dieders?
Lottmann,
de polysje Hauptmann die yn Aldegea wie, is
der útnaait nei de DDR doe Mechels oppakt
waard. Lottmann is net oppakt en forhoord.
Voorzitter Wendt fan
it Standgericht is net oppakt, ferhoord en
foroordielt foar it útsprekken fan de
deastraffen.
Lammers
is ferhoord, mar dat ging amper oer de
Maaiestaking. Hij krieg eerst de deastraf,
letter libbenslang. Hij kaam yn 1964 frij.
Schut
is ferhoord oer de Maaiestaking. Ynformaasje
sprekt elkoar tsjin. Minsken prate sichsels
skjin en jouwe oaren de skuld. Ek Schut sels.
Hij krieg 7 jier, wer der inkele fan sitten
hat. Mechels hat 20 jier
gefangenisstraf kriegen. Der hat er dik 6
jier fan sitten.
Rauter
hat (nest 5 oare dútsers) de deastraf krigen
yn Nederlan.
Petrus
(Pé) Woudsma, geboren 12 november 1919 te Damwoude,
overleden op 03-04-1945 te Leeuwarden.
Hij was ambtenaar op het
bureau van de brandstoffencommissie in Dokkum. Woudsma was
lid van de Knokploeg en samen met zijn broer Wytze deed hij
koerierswerk voor de L.O. Woudsma is gearresteerd tijdens
een razzia te Brantgum op 27 maart 1945 en voor verhoor
overgebracht naar het huis van bewaring in Leeuwarden. Op 3
april werd hij in de gevangenwagen naar het Paleis van
Justitie gebracht, waar hij kort verbleef. Nadat hij weer
was ingestapt, stopte de wagen bij de Noorderplantage. Hij
werd uit de auto gehaald en bij de stadsgracht neergeschoten
door de SD’er Wilhelm Arthur Albrecht en de Belgische rexist
Emile de Gendt. Woudsma werd begraven op het erehof van de
Algemene begraafplaats in Dokkum.
Wijtze
Woudsma, geboren op 12 februari 1921 te Damwoude, overleden
op 04-09-1944 te Vught.
Wytze was politieagent en werd in 1942
tewerkgesteld in Duitsland. Door de slechte
omstandigheden werd hij ziek en mocht hij
terugkeren naar Nederland. Teruggekeerd
schrijft Wytze het pamflet "Ik zag
Duitsland".
Door zijn
kontakten komt Wytze makkelijk met het
verzet in aanraking. Hij begint als koerier
maar door zijn enorme doorzettingsvermogen
stijgt hij snel in aanzien. Wytze werkt dan
voor de verzetsgroep Van der Meulen en
verricht spionagewerk. Onder andere in Nes
waar de Duitsers een militair kamp bouwen en
bij het vliegveld Leeuwarden. Wytze is in
1944 een van de belangrijkste medewerkers.
Er zijn dan al contacten gelegd met Londen.
Dokkum wordt een van de belangrijkste
informatiecentra van het verzet. Als in 1944
een afdeling Landwacht in Dokkum gelegerd
wordt moet Wytze onderduiken.
Wytze
belandt in Wassenaar en komt hier met de
plaatselijke LO in contact. Via de leider
van deze verzetsgroep, Freark Leijstra (Omke
Freark) uit Burdaard krijgt Wytze werk bij
het Bedrijfschap voor Vee en Vlees. Wytze
raakt echter in psychische moeilijkheden en
wordt in een psychiatrisch ziekenhuis
opgenomen. Desondanks gaat hij door met zijn
verzetswerk.
Op 22 juni
1944 is het psychiatrisch ziekenhuis door 28
SD-ers omsingeld en toch ziet Wytze nog kans
om spullen te verbergen. Na zijn arrestatie
laat Wytze niets los. Leystra wordt naar
Duitsland gestuurd en gooit een briefje uit
de trein waarop staat dat Wytze Woudsma op 4
september 1944 is omgebracht.
Wytze wordt in
Vught gefusilleerd op 4 september 1944, de
dag voor dat alle gevangenen naar Duitsland
worden getransporteerd vanwege het naderen
van de geallieerde troepen.
Zijn broer Doeke komt om op 3 april 1945 in
Leeuwarden en wordt begraven op de
Gemeentelijke begraafplaats in Dokkum.
Nobuts drummer
Wyzte Woudsma kruipt in de huid van zijn
oom, de in 1944 op 23 jarige leeftijd
omgebrachte verzetstijder Wytze Woudsma. Een
indringend document over vrijheid,
verantwoordelijkheid en vertrouwen.
Bekijk hier de clip.

Freerk Wijma, geboren op 24
september 1907 te Opende,
overleden op 04-05-1943 te Suameer.
In maart
1943 kwamen de artsen in het verzet tegen de Duitse
overheid. Zij deden afstand van hun bevoegdheid. Dit
voorbeeld van de doktoren gaf de bevolking grote moed en in
april kwam er een geweldige staking.
De april/meistaking van 1943 in de gemeente ontstond na de
aankondiging van generaal Christiansen dat alle officieren
en manschappen van leger en vloot zich voor
krijgsgevangenschap moesten melden. Van 30 april tot
ongeveer 3 of 4 mei werd in verschillende bedrijven in deze
gemeente niet gewerkt.
De zuivelfabrieken kregen weinig of
geen melk aangevoerd (de melkstaking). Want de melkrijders
bleven thuis en als er toch boeren waren die melk bij de weg
zetten, werden de melkbussen omgesmeten. De auto’s van de Ned. Thermochemische fabriek te Sumar zijn een paar dagen
niet uitgereden uit vrees voor molestatie.
De bezetter stelde het standrecht in onmiddellijk nadat de
eerste stakingen waren uitgebroken. In Tytsjerksteradiel
lieten enige mensen het leven door het agressief optreden
van de Duitsers. Op 3 mei 1943 werden de Noardburgumers
Fokke Polet en Jonas Elzinga op de hoek
Zomerweg/Kloosterlaan van hun fiets geschoten. Op die zelfde
dag werd ook in Burgum geschoten. Dit gebeurde door Duitsers
die door Friesland reisden per auto om de staking de kop in
te drukken. Op die zelfde dag werd ook in Burgum door deze
Duitsers geschoten. Hierbij werd de vrouw S. Beukenkamp door
een ricocherende kogel in haar huis getroffen.
Na een
ernstige ziekte herstelde zij niet meer geheel en overleed
later. Na dit voorval reed op 4 mei 1943 een Duitse
overvalwagen naar de boerderij van Freerk Wijma en de
inzittenden omsingelde het erf. Wijma werd gevraagd of hij
die morgen melk aan de fabriek had geleverd. Wijma
antwoordde ontkennend en verklaarde de avondmelk wel te
zullen leveren. Toen Wijma weigerde mee te gaan naar
Leeuwarden, gaf de commandant het bevel om de jonge boer
neer te schieten. De volgende dag werd de melkstaking in
Sumar beëindigd. In de vroege morgen van 6 mei werd Wijma in
alle stilte in het dorp begraven.