Friese Verzetsstrijders - bevrijders en andere betrokkenen.

 

A | B | C | D | E | F | G | H | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | V | W | IJ | Z |

 

 

Tjalling Wagenaar, (Hoofdcommies gemeentesecretarie Smallingerland) geboren op 17 februari 1908 te Tolkamer, overleden op 16-10-1944 te Neuengamme.

De gemeenteambtenaar was lid van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers. Ook was hij betrokken bij de uitgave van het illegale dagblad Vrij Nederland. In de nacht van 5 juli 1943 werd hij gevangen genomen tengevolge van arrestaties in de groep van Vrij Nederland. Daarbij werden de door hem verzorgde onderduikers gearresteerd. Via Groningen werd Wagenaar op transport gezet naar het concentratiekamp Neuengamme. Hier overleed hij op 16 oktober 1944. In Drachten is een straat naar hem genoemd.


Gerhardus Wagenaar, (NTM-conducteur) geboren op 28 december 1907 te Drogeham, overleden op 21-11-1944 te Opeinde.

Hij was arbeider bij de N.T.M., met als standplaats Drachten. Ten gevolge van de spoor en tramstaking was Wagenaar ondergedoken bij de familie De Vries op Legauke, onder Opeinde. Op 21 november 1944 werd hij samen met de broers Jan en Marten de Vries tijdens een vuurgevecht met de bezetter doodgeschoten. Hij werd begraven op de Algemene begraafplaats in Opeinde.


Fokelinus van der Wal, (belastingambtenaar) geboren op 28 november 1899 te Stedum, overleden op 18-04-1943 te Vught.


Fokelinus van der Wal is kind in een groot gezin. Fokelinus zit maar korte tijd op school omdat hij mee moet helpen het gezin te onderhouden. Al op jonge leeftijd werkt Fokelinus dan ook voor een boer in de omgeving. Fokelinus wil meer. Hij gaat in zijn vrije tijd studeren en komt als douanier aan de grens terecht. Later wordt hij belastingambtenaar.
In 1924 trouwt Fokelinus op zijn verjaardag, 28 november, met Alke Steenwijk. In het gezin Van der Wal worden vervolgens tien kinderen geboren, de jongste op 4 januari 1942.
Fokelinus van der Wal wordt na zijn huwelijk lid van de gereformeerde kerk. Hij is al snel lid van de kerkenraad, als diaken en later als ouderling. In deze jaren is Fokelinus tevens bestuurslid van de christelijke bouwvereniging Patrimonium.

In 1943 wordt Fokelinus gevraagd de namen te geven van mensen die voor de bezetter zouden kunnen werken. Fokelinus weigert dit. Een politieagent geeft dit door aan de SD in Leeuwarden en al snel doorzoekt de SD de woning van het gezin Van der Wal. Fokelinus wordt meegenomen. Hij zit eerst in Leeuwarden vast, daarna in Groningen en wordt van daar naar Kamp Vught gebracht. In Kamp Vught wordt Fokelinus ziek en overlijdt aan de ontberingen. De officiële lezing maakt melding van hart en vaatproblemen.

Op 22 april 1943 krijgt het gezin Van der Wal van het Rode Kruis en een predikant het bericht dat Fokelinus op 18 april 1943 in Kamp Vught is overleden.


Tjalke van der Wal, geboren op 13 september 1891 te Kolderwolde, overleden op 16-08-1944 te Koudum.

Tjalke van de Wal, Koudum


Klaas Nicolaas Weitenberg, geboren op 7 oktober 1920 te Harlingen, te Harlingen, overleden op 17-02-1945 te Neuengamme.

Klaas Nicolaas Weitenberg | Erelijst van Gevallenen 1940-1945


Jan Welfing, geboren op 19 mei 1920 te Wijnjewoude (gewoond hebbende in Hemrik)  overleden op 14-04-1945 te Ureterp. In Wijnjewoude is een straat vernoemd naar Jan de "Welfingstrjitte"

Jan is gesneuveld tijdens de bevrijdingsgevechten.

Dood door misverstand.

Omstreeks drie uur ’s nachts zijn de Ureterpers Tump en Leenes doorgedrongen tot de streek

Haulerwijk en Haule. In het donker voor zich ontwaren ze twee naderende silhouetten. Een stem spreekt hen in het Frans aan. Tump is in zijn illegale werk gewend in het donker te zeggen dat hij van de politie is. Het heeft hem altijd geholpen. Nu niet meer. De Franse parachutist voor hem schiet onmiddellijk. Door het hoofd van Tump. Dodelijk getroffen valt de politieman neer. Zijn metgezel duikt het weiland in en zet het op een rennen naar een voor hem liggend stuk bos. Hij komt daar veilig aan en ontsnapt.

In Ureterp zelf kijken Grytsje Veentra e Maaike de Wit kort na vijven boven uit het slaapkamerraam. Ze ontwaren in het donker een wagen met paarden ervoor, die van de oostkant het dorp binnenkomt. Ook de BS’ers zien de wagen en fietsers die er achteraan komen. Piet Lourens roept de onbekenden toe te stoppen. Een geweersalvo is het antwoord. Het blijkt een troep van zo’n 45 bewapende Duitse soldaten te zijn. De BS’ers schieten terug. De Duitsers gaan in dekking achter de paarden die door het vuur van de BS zijn geraakt.

De Veenstra’s verschuilen zich zodra het schieten begint in de kelder. Iedereen is bang. Door het kelderraam kunnen ze naar buiten kijken. Ze zien niet veel, maar er wordt hevig geschoten. Er vallen doden en gewonden. Vier Duitse soldaten laten het leven, de BS-leden Aalzen de Jager (45), Jan L. van der Broek (40), Jan Welfing (24) uit Hemrik en J. Visser (25) uit Drachten sneuvelen eveneens. De twintigjarige Jacobus ten Berge heeft de pech, dat zijn geweer weigert als hij de Duitsers onder vuur wil nemen. Een Duitser krijgt hem te pakken en doodt hem met een nekschot. Dan ontploffen er Duitse granaten en worden pantservuisten afgeschoten. De BS wijkt terug voor zoveel geweld. De Veenstra’s horen Duitsers het huis binnenkomen. Ze besluiten eerst zich stil te houden, maar als er van boven wordt geschreeuwd of er ook mensen zijn, antwoordt vader Hoekstra: „Ja.” Foppe gaat voorop, zijn handen in de nek. De anderen volgen. Ze lopen achter elkaar naar buiten en worden op een rij tegen de muur geplaatst. De Duitsers hebben de geweren in de aanslag. Ze beschuldigen Durk Veenstra op hen te hebben geschoten. Veenstra ontkent. Hij heeft de schijn tegen, aangezien enkele BS’ers op zijn erf vanachter stropakken lagen te schieten. Hij wordt niet geloofd. De Duitse officier besluit de Veenstra’s dood te schieten.

Maar dan komt er een soldaat het erf oplopen, die zijn kameraden toeroept dat ze nieuwe paarden nodig hebben, want de Canadezen komen er aan. De man die hem nog net wilde doodschieten, stuurt Durk Veenstra er op uit om paarden te halen. Durk trekt Foppe mee, de Duitser laat hem begaan. De rest van de familie blijft achter als gijzelaar.

Op de Weibuorren zien ze de chaos. Dode paarden en gesneuvelde mannen; de gewonden kermen. De Duitser hebben de gevangenen collaborateurs bij Gorter vrijgelaten. Die zoeken samen met drie Duitsers een goed heenkomen. Durk brengt zijn zoon onder bij Antje Bron en vindt na veel moeite een paard bij Durk Nijboer. Hij legt uit wat er aan de hand is en mag het paard meenemen.

Als hij terugloopt naar Gorter naderen over de Mounleane zes Canadese gevechtswagens. De bevrijders zijn in de vroege zaterdagochtend aan hun opmars naar Dokkum begonnen, die oostelijk Friesland deze dag de bevrijding zal brengen. De Canadezen hebben het lawaai even tevoren in Ureterp gehoord en beginnen nog voor ze het dorp binnenrijden te schieten. Durk Veenstra is net bij café Gorter aangekomen. Hij laat het paard los en vlucht het weiland in. De Canadezen schieten op hem, maar zigzaggend weet hij weg te komen.

Grytsje Veenstra staat achter haar huis, met de Duitser bij zich. Hij dreigt haar dood te schieten, maar gaat er vandoor als de Canadezen verder doordringen in het dorp. Het vuurgevecht duurt circa tien minuten. Dan geven zesentwintig Duitse soldaten en vier landwachters zich over. De drie Duitse soldaten die met de bevrijde collaborateurs naar een boerderij zijn gegaan, worden ook gevangen genomen.

Korte tijd later breekt er bij het kerkhof, westelijk van het dorp, opnieuw een vuurgevecht uit. Daarbij komt een jonge Ureterper om het leven: Gerard Hempenius. De gesneuvelden worden van de weg gehaald. Dan blijkt dat niet iedereen zich even waardig heeft gedragen. Twee dagen lang zoekt de vriendin van de gesneuvelde BS’er Jan Welfing naar de verlovingsring die haar aanstaande droeg. Zonder resultaat.


Rients Westra, geboren op 1 december 1895 te Sexbierum, overleden op 30-11-1944 te ?.

Door verraad van Frans Michon (een van de medewerkers van de verzetsgroep) werden Lolle Rondaan, Folkert Bergsma, Gerrit Schuil, Gerben Oswald en Rients Westra op 22 november 1943 op Liauckama State te Sexbierum gearresteerd. Michon was volledig op de hoogte van de gang van zaken en heeft de Sicherheitsdienst in Groningen ingeschakeld. Op 14 februari 1944 werden Rondaan, Bergsma, Schuil door het Polizei Standgericht te Assen ter dood veroordeeld. Zij werden op 16 februari 1944 gefusilleerd in een uithoek van het vliegveld Schiphol. Oswald werd op 18 februari gefusilleerd. Zij werden op het ereveld in Bloemendaal begraven.


Pieter van der Wey, (drukkers, o.m. van de illegale bladen Trouw en Vrij Nederland) geboren op 25 september 1910 te Huizem, overleden op 16-12-1944 te Hamburg.

Pieter zat bij de LO Leeuwarden. Tevens was Pieter medewerker van het illegale blad Trouw. Hij is gearresteerd op 20 maart 1944, na een inval in de drukkerij van Van der Wey in Huizum, zo ook zijn vader Tiede (geb. 1884) en zijn broers Sjouke (geb. 1916) en Theunis (geb. 1920) van der Wey, zij zijn allen omgekomen in de concentratiekampen.

 

Theunis van der Wey.


Egbert Mark Wierda, geboren op 26 april 1918 te Leeuwarden, overleden op 11-04-1945 te Dronrijp.

Na het gymnasium, studeerde hij aan de Technische Hogeschool te Delft. Later verkoos hij de theologische studie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Wierda was een veelzijdig verzetsman. Als lid van een sabotage- en spionagegroep was hij vaak aanwezig bij wapendroppings. Voor de overval op het huis van bewaring op 8 december 1944 leverde Wierda de nodige plattegronden. Zijn broer Klaas Jan Wypke Wierda werd geboren op 21 mei 1921 in Leeuwarden. Klaas hield zich bezig met het vervalsen van persoonsbewijzen. In de nacht van 8 op 9 april 1945 werd Egbert door de bezetter opgepakt. Wierda moest mee, maar omdat hij enkel een pyjama en overjas droeg, moest hij zijn kleren van huis aan de Emmakade halen. De SD'ers die hem bewaakten, gingen mee naar binnen en ontdekten ook zijn broers Klaas en Hyltje. De drie mannen werden voor verhoor overgebracht naar het Burmaniahuis. De broers werden op 11 april 1945, samen met elf anderen, gefusilleerd bij de brug over het Van Harinxmakanaal te Dronrijp.

Hijltje Wierda, geboren op 3 januari 1925 te Leeuwarden, overleden op 11-04-1945 te Dronrijp.

Klaas Jan Wypcke Wierda, geboren op 21 mei 1921 te Leeuwarden, overleden op 11-04-1945 te Dronrijp.

 

Egbert Mark Wierda, Hijltje Wierda en Klaas Jan Wijpcke Wierda

Die zondagavond is Mark Wierda alleen in zijn cel in Leeuwarden. De vorige nacht is hij opgepakt. De 27-jarige theologie-student, binnen de BS Leeuwarden belast met inlichtingen en spionage, schrijft een brief. Het valt hem zwaar, zijn handen zijn geboeid. De Duitsers hebben hem niet ontzien. Hij is gebeukt, geschopt, bijna gewurgd, bijna verdronken in de waterkist. Zijn lichaam is kapot. Maar hij is blijven zwijgen. Zijn kameraden heeft hij niet verraden.

„Ik ben bijna zo ver geweest om ja te zeggen, om van dit afschuwelijke lijden af te komen”, schrijft hij moeizaam. „Ik moet vaak aan onze Heiland denken en het was mij rijk, dat kruis Hem na te mogen dragen. Ik ga vol vertrouwen de toekomst tegemoet. Er zal geen haar van ons hoofd vallen zonder de wil van onze Hemelse Vader, want Hij regeert…Zelfs nu is Hij nog ons lied, ons psalmgezang. Hij zal het maken dat we ons verwonderen moeten.”

Fusillade bij Dronrijp.

De SD uit Leeuwarden fusilleert bij de brug te Dronrijp 13 gevangenen:

Johannes Nieuwland, Hendrik Jozef Spoelstra, Douwe Tuinstra, de drie broers Egbert Mark Wierda, Klaas Jan Wypcke Wierda en Hyltje Wierda, Sijbrandus van Dam, Heinrich Harder, Dirk de Jong, Hendrik Jan de Jong, Ruurd Kooistra, Johannes Marinus Ducaneaux en Oudger van Dijk.


Folkert Wierda (beroepsmilitair) geboren op 21 maart 1890 te Woudsend, overleden op 10-04-1945 te Dronrijp.

Folkert was oud-militair en hoofdrolspeler in het verzet. Folkert en Willem Pander waren o.a. verantwoordelijk voor wapendroppings. Na verraad op 3 februari 1945 werden zij gearresteerd waarbij ook hun administratie in beslag genomen werd. Hiermee wisten de Duitsers, waar ze de wapens van de illegaliteit verborgen hielden. Diezelfde dag werden 8 arrestaties verricht. Folkert Wierda en Willem Pander werden op 10 april 1945 doodgeschoten. Folkert Wierda was een familielid van bovenstaande broers Wierda.


Jan Wiersma, geboren op 22 maart 1906 te Harlingen, overleden op 16-02-1945 te Neuengamme. Van Jan is verder niks bekend.


Jouke Louw Wiersma, geboren op 8 november 1920 te Baard, overleden op 17-04-1945 te Groningen.

Hij was ambtenaar van de brandstoffencommissie van de distributiedienst in Drachten. Als lid van de Binnenlandse Strijdkrachten kwam hij op 17 april 1945 tengevolge van een auto-ongeluk bij Eelde om het leven. Wiersma werd begraven op de Algemene Zuiderbegraafplaats te Drachten.


Jacob  Wilbers, geboren op 4 mei 1918 te Oudega, overleden op 27-02-1945 te Oudemirdum (Fr.) in het geniep zijn twee verzetsstrijders na executie door de Duitsers begraven in het Jolderenbos aan de rand van Oudemirdum. (Even ten zuidwesten van Oudemirdum ligt het hoog gelegen Jolderenbos)

Hij was onderwijzer aan de christelijke lagere school in Abbega. In het verzet bekleedde hij de functie van officier van bewapening van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten in de gemeente Wymbritseradeel. Wilbers werd gearresteerd op 23 februari 1945 te Woudsend waar hij was ondergedoken. Op 27 februari 1945 is hij overgebracht naar Oudemirdum en en vier dagen later in het Jolderenbos gefusilleerd samen met Johannes Wissink. Hij werd op 9 juli 1945 herbegraven op de N.H. begraafplaats in Oudega.

Heel zorgzaam kijkt David Landsheer (18) af en toe om of ik hem nog bijhoud. We fietsen door het Jolderenbos aan de rand van Oudemirdum (Fr.) over een bospaadje met om de tien meter een verraderlijk haakse bocht. Het gaat in een moordend tempo heuveltje op heuveltje af. Mijn knieën kraken. Ik ben al snel buiten adem. Gelukkig stapt David even af om me iets te laten zien. We moeten lopend het bos in, met de fiets lukt het verder niet. Na een meter of tien staat tussen de bomen een onopvallend monumentje ter nagedachtenis aan het feit dat hier op 27 februari 1945 in het geniep twee verzetsstrijders na executie door de Duitsers zijn begraven. Allebei pas in de twintig, Jacob Wilbers en Johannes Wissink (zie hieronder).

David Landsheer: ’Een bosarbeider heeft alles gezien. Toen de Duitsers verdwenen waren, heeft hij met zijn blote handen de lichamen weer opgegraven om te kijken of hij iets in hun kleren kon vinden, een adres of zo, zodat de familie gewaarschuwd kon worden. Ook heeft hij de precieze plek in zijn kop geprent. Konden ze na de bevrijding snel opgegraven worden.

Kees Willemen.


Johannes Wissink, (Bouwkundig opzichter en scheepstimmerman bij de Koninklijke Marine in Den Helder) geboren op 4 april 1920 te Scheveningen, overleden op 28-02-1945 te Oudemirdum.

Na de oorlogsdagen in mei 1940 vertrok Wissink naar Sneek, waar hij als oud-onderofficier commandant van de sabotagegroep werd. In het verzet stond hij bekend onder de schuilnaam 'Alex'. Hij is gefusilleerd in het Jolderenbos samen met Jacob Wilbers. Zijn in augustus 2003 overleden verzetsmakker Johannes Walinga uit Oudega (W) schreef na Wissinks dood het gedicht ‘It Offer’. Zijn herbegrafenis met militaire eer volgde op 10 juli 1945 op Nieuw Eykenduynen te 's-Gravenhage.


Johannes Wildeboer, (Hoofd christelijke uloschool) geboren op 12 september 1908 te Eindhoven, overleden op 19-12-1944 te Neuengamme.

Tijdens de bezetting was Wildeboer lid van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers. Daarnaast had hij een groot aandeel in allerlei facetten van het illegale werk. Wildeboer werd op 19 november 1943 door verraad gearresteerd. Johannes is via de gevangenis in Leeuwarden overgebracht naar het concentratiekamp Vught, vervolgens naar het Duitse concentratiekamp Sachsenhausen/Oranienburg. Vervolgens werd hij naar Neuengamme getransporteerd, waar hij op 19 december 1944 stierf.


Herre Winia, geboren op 4 november 1910 te Amsterdam, overleden op 06-04-1945 bij de Zandvoorderhoek bij het IJsselmeer.

HET VERHAAL VAN DE WAPENS VOOR DISTRICT IX

Verschillende personen hebben over dit onderwerp al geschreven, zoals Pieter Wijbenga (‘Geale’) in deel III van Bezettingstijd in Friesland. Verder heeft Wijbenga in de Zondagskrant van het Friesch Dagblad op 17 december 1966 en de daarop volgende zaterdagen een duidelijk en op feiten berustend verslag gedaan van de gang van zaken zoals die zich toen heeft afgespeeld in District IX (de gemeenten Rauwerderhem, Idaarderadeel en Utingeradeel).
Dan is het ook de KP’er ‘Cor’, Piet Stavast, in zijn boek Vlucht en verzet die erover schrijft, maar hij is plaats en naam van sommige betrokkenen vergeten.
Ook mevrouw Fr. Schuurmans-Koudenberg geeft in Mids Fryslân een overzicht van de gebeurtenissen in Terzool in 1940-1945, maar ook hier ontbreken vaak de data en soms namen van personen.
 

En tot slot heeft ook Yge Damstra in het boek Dit hebben wij beleefd in ’40-‘45 niet alle details boven water kunnen krijgen, vooral voor wat betreft de wapens in de Lege Geaën.
Omdat ik er ook bij betrokken was, heb ik getracht een reconstructie te maken op basis van de informatie van deze schrijvers en mijn eigen herinneringen en bevindingen.

Na de dropping van de wapens op drie december 1944 in de Deelen, tussen Oldeboorn en De Tynje, hebben Ferdinand Keulen en Pieter Sikkema, onder zeer barre weersomstandigheden, deze opgehaald met een praam. De praam moest met de boom worden voortbewogen, of lopend met een lijn worden getrokken vanaf de wal. Keulen en Sikkema gingen via de Brekken door het Terzoolster sluisje langs Terhorne naar Akkrum, vandaar naar Oldeboorn en  naar de Deelen, waar zij zich moesten melden bij de woonboot van Popke Zwerver. Daar ontvingen zij de voor District IX bestemde wapens. Natuurlijk werden deze goed gecamoufleerd, eerst onder een laag riet, dan onder een laag turf. Zo konden beide mannen voor turfhalers doorgaan…

Op de terugweg ging het eerst naar Grouw, daar werd het deel van de wapens bestemd voor de Grouwster BS overgenomen door Sikke Bangma en Pieter Eisinga. Die hebben de wapens bij boer Hendrik van der Meer te Goïngahuizen ondergebracht (helaas hebben de Duitsers deze partij later in handen gekregen). Daarna naar Akkrum. Dat was bepaald niet zonder gevaar, want zij moesten de spoorbrug tussen Grouw en Akkrum passeren die bezet was door Duitse bewakers. Gelukkig was de camouflage van turf voldoende om ongemoeid te worden gelaten.

In Akkrum wachtte een teleurstelling: de boer bij wie Keulen en Sikkema dachten het voor de BS van Utingeradeel bestemde deel te kunnen lossen, weigerde ontvangst. Na Akkrum werd de terugtocht aanvaard via Terhorne en het Terzoolster sluisje naar de Brekken. Daar werden ze opgewacht en gewaarschuwd dat er een razzia in de Lege Geaën gaande was en dat dominee Boerlage in Rauwerd was opgepakt. Dit moet ongeveer rond 12 december 1944 gebeurd zijn. Ferdinand en Pieter hebben toen gewacht tot het donker was en zijn vervolgens naar de boerderij van Age Dijkstra op de Kleine Wieren gevaren, waar het grootste deel van de wapens onder het hooi werd verborgen.

Een klein gedeelte (1 brengun, 7 stenguns en 30 revolvers met bijbehorende munitie werd meegenomen en in een hooiberg verstopt (bij M. Tjeerdsma in Sijbrandaburen?). Kort daarna zijn deze wapens door de KP-groep van ‘Cor’ opgehaald en naar boer Hoekstra in Friens gebracht (de groep van Cor had onderdak gevonden in Tienserburen, en zo waren de wapens dichter in de buurt van de groep.

P. Stavast beschrijft deze operatie. Het werd een gevaarlijke tocht, die vanuit Sijbrandaburen in de schemer werd uitgevoerd. Omdat zij langs weggedeelten moesten waar geregeld door de Groene Politie en de Landwacht werd gepatrouilleerd, zetten zij overal langs de weg posten uit en daartussen reed Teye de Boer op en neer als koerier om de volgende post te waarschuwen. Het transport kwam veilig op de bestemde plaats aan. Daar werden de wapens gebruiksklaar gemaakt, dat wil zeggen, vetvrij. De Engelsen waren bepaald niet zuinig met vet!

Als gevolg van de arrestatie van de Gewestelijk Operatieleider kapitein Pander en zijn adjudant F. Wierda, in de avond van 3 februari in Tjerkwerd, waren de Duitsers in het bezit gekomen van gegevens over de gehele organisatie van het Friese verzet. Wierda had de bewapening en de opslagplaatsen van de tien districten geregistreerd. Gelukkig heeft een aantal commandanten hun wapens meteen op andere plaatsen ondergebracht.
Toen bekend werd wat er in Tjerkwerd was gebeurd, werd groot alarm geslagen en zochten velen een ander adres.

Ook Herre Winia, onze Districts-operatieleider (DOL) die bij de Terzoolster groenteman Durk Dijkstra ‘gast’ was, verdween en sloot zich aan bij de KP-groep in Hempens. Eerst gebeurde er niets. Maar de 8ste februari was het raak. De Duitsers voerden een grote reeks goed voorbereidde arrestaties uit
In Sijbrandburen werd onze Districtscommandant, meester Tinkelenberg, hoofd van de openbare school, opgepakt. Tegelijkertijd werden in Terzool onze gemeentelijk commandant Ferdinand Keulen en Kees van Balen gepakt. Ferdinand probeerde nog te ontkomen, maar werd net buiten ons dorp gegrepen. Wij zagen vanuit ons huis hoe hij met de handen in de nek naar zijn woning terugliep.

De Duitsers wisten ook dat er in het elektrische gemaal een partij kaas en gesmolten vet was opgeslagen. Ze wilden de boot van Yde Beeksma gebruiken om de buit op te halen. Het noodlot sloeg opnieuw toe: toen ze in de boot stapten, zagen ze twee revolvers die onder de golfplaten van het boothuis waren gestoken. Daardoor werd Beeksma gearresteerd, hoewel hij van de prins geen kwaad wist. Ook Sjoerd de Jong werd aangesproken. Die was bezig in zijn kippenhok op de groentetuin achter ons dorp. Geheel overstuur begon De Jong in het Engels te praten (hij had een aantal jaren in Canada gewerkt). De Duitsers hielden hem voor een piloot. Dus moest hij ook mee. En tot slot werd in Poppingawier nog Watse Buiteveld opgepakt.

Allen werden overgebracht naar het politiebureau van Sneek en daar opgesloten. De volgende dag werd Tinkelenberg overgebracht naar Crackstate in Heerenveen. Sjoerd de Jong en Kees van Balen (hij was evacué, stond in zijn persoonsbewijs) werden naar Drenthe gestuurd om loopgraven te maken. Na een aantal dagen zijn ze gevlucht.  Gelukkig voor Ferdinand hadden de Duitsers niet meteen door wie hij in werkelijkheid was. En in de avond van de 11e februari wist de Sneker KP hen te bevrijden.

Intussen had men in Terzool van onder andere Pieter Sikkema, die aan de Duitsers was ontkomen, wel begrepen dat de wapens die bij Age Dijkstra onder het hooi zaten, van plaats moesten veranderen. In de nacht van 9 op 10 februari hebben Pieter Sikkema, Durk Dijkstra, Hette Keulen (een broer van Ferdinand) en waarschijnlijk Leen Poot de wapens bij Age Dijkstra opgehaald en naar een boot gebracht, die achter het land van de boerderij van Bouwe Elzinga lag.

Deze boot was in de zomer gebruikt door de vier onderduikers bij Elzinga, die er in sliepen.  Zij hadden er een soort kajuitboot van gemaakt. Mocht de boerderij worden overvallen, dan waren daar in ieder geval geen onderduikers aanwezig. Maar in de koude natte herfst van 1944 was de boot ongeschikt geworden om in te slapen. Bovendien was die door het hoge water moeilijk bereikbaar geworden. Drie van de vier onderduikers hebben een andere plek gevonden. Alleen Freerk Abma bleef als knecht achter.

De boot was afgedekt met een dekzeil van de Gebr. Sikkema, gecamoufleerd met bossen riet, verscholen achter de polderdijk, omringd met riet en onder een begroeiing van een dichte haag van kruipwilgen haast onzichtbaar geworden. Toch werden de wapens ook daar niet veilig geacht. Bovendien waren ze te ver van de groep verwijderd. Ze zijn toen in de nacht van 17 op 18 februari door Durk Dijkstra en Jelle Feenstra met een te kleine boot opgehaald. Door de duisternis en het hoge water – alles was één grote watervlakte – raakten zij de weg kwijt. Bovendien maakten ze water. Ze zagen zich genoodzaakt de wapens overboord te zetten, de plaats werd gemerkt. Ze hebben toen boer Elzinga uit bed gehaald en zijn daar wat op verhaal gekomen. De volgende nacht hebben ze de wapens weer opgevist en naar Sijbrandburen bij Mintje Tjeerdsma gebracht. Daar werden ze in een mestbak in het varkenshok opgeborgen.

Net op tijd: op 21 februari werd de boerderij van Age Dijkstra overvallen. Het bleek dat de Duitsers al veel wisten, zodat Dijkstra wel moest toegeven dat er wapens waren geweest. Jammer dat hij ook wist waar de wapens naar toe waren gebracht. Na enig stevig aandringen heeft hij de Duitsers naar de boot bij Elzinga gebracht. Maar gelukkig: ook daar waren de wapens toen niet meer. Het is een wonder dat de Duitsers hem toen niet hebben meegenomen. Ook voerden zij hun dreigement niet uit om de boerderij in brand te steken.

Op dat moment hadden de Duitsers niets meer in handen. Geen wapens en geen gevangenen, die hen konden informeren. Die waren immers op 11 februari ontkomen. De Duitsers wisten dat er wapens waren, maar waar?
Mintje Tjeerdsma maakte zich zorgen dat de wapens zouden gaan roesten, vooral de stens. Via de koerierster Reino van der Veer werd ‘Cor’ daar bericht van gedaan en gevraagd maatregelen te treffen. ‘Cor’ en ‘Witte Jaap’ gingen die avond naar Tjeerdsma om de wapens te drogen en opnieuw in te vetten. Tjeerdsma was al heel vroeg betrokken bij de verzorging van joden en onderduikers.

Hij was de contactpersoon van de LO. Ook had hij een Duitse jood in huis wiens drie kinderen in de omgeving waren ondergebracht. Bovendien waren er sinds november ’44 twee Duitsers bij hem ingekwartierd. Beide hadden gediend in de Eerste Wereldoorlog. Een van hen was 71 jaar, maar toch, beide mannen waren in de kamer aan de andere kant van de gang. De situatie was verre van aangenaam, schrijft Piet Stavast. De kachel werd flink opgestookt en het wapentuig werd uit elkaar gehaald, gedroogd en opnieuw ingevet, tot diep in de nacht zijn ze met z’n vieren bezig geweest. Een paar dagen later zijn de wapens door Durk Dijkstra en Jelle Feenstra met de bakfiets opgehaald en naar de zuster van Feenstra in Offingawier gebracht en daar verstopt.

De 5e maart werd Age Dijkstra toch nog gearresteerd en in het Sneker politiebureau opgesloten, maar de 6e maart wist de Sneker KP voor de tweede keer een bevrijdingsactie uit te voeren. Werkelijk een huzarenstukje. Intussen probeerde het overgebleven kader van de BS de schade te herstellen en zich te hergroeperen. Ook werden waar mogelijk wapeninstructies gegeven.

Voor onze groep was dat op 27 maart, ’s middags, bij Durk Dijkstra, onder leiding van Herre Winia. Jaap van het Zet en Bauke van der Weit waren onze instructeurs. Aanwezig waren Anne Hoekstra, Yme Raap, Freerk Abma, Leen Poot, Albert Hogedoorn en ikzelf. Hoewel we zoveel mogelijk van verschillende kanten kwamen, is het haast onmogelijk dat dit onopgemerkt is gebleven. We kregen uitleg over het geweer, de sten en de handgranaat. Het was een geweldige ervaring, wapens in handen te hebben waarmee je je zou kunnen verdedigen. Spannend!

We werden echter de 29ste maart weer geconfronteerd met de harde werkelijkheid. Het werd een rampdag voor onze groep. In de vroege ochtend werden Durk Dijkstra en zijn ‘gast’ Herre Winia van bed gelicht. Winia was na een kort verblijf in Hempens weer teruggekeerd naar zijn vorige adres bij Dijkstra in Terzool. Of het toeval is geweest of dat de Duitsers over nieuwe informatie beschikten zal altijd wel een raadsel blijven. Dezelfde morgen probeerden zij ook Jelle Feenstra in Gauw te arresteren.

Maar dat liep anders. Jelle, hoewel gewond, ontkwam en wist de boerderij van Elzinga te bereiken.
Bouwe Elzinga en ik hebben beide ons verhaal over die dag opgeschreven, Elzinga op 27 februari 1979 naar aanleiding van het verschijnen van het derde deel van Bezettingstijd in Friesland, waarop hij enige aanvullende informatie gaf op wat er de 29ste februari en daarna gebeurd was. Zelf gaf ik ons verhaal weer in januari 1983, om in aanmerking te komen voor het Verzetsherdenkingskruis, dat mij later werd uitgereikt.

In de vroege morgen van 29 maart 1945 ging ik met een polsstok vanuit mijn ouderlijk huis door de weilanden naar de Grote Wieren en de boerderij van Elzinga om daar in de groentetuin te werken. Toen ik omstreeks zeven uur aankwam, zag ik een hoopje natte kleren buiten op de gierkolk liggen. Ik vermoedde meteen dat er een vluchteling was. Nadat de kinderen naar school waren gegaan, werd ik binnengeroepen en zag daar Jelle Feenstra zitten met een been in verband.

Hij vertelde dat hij ontkomen was aan de SD, maar dat Durk Dijkstra en Herre Winia in de vroege ochtend van bed waren gelicht. Hij maakte zich grote zorgen over zijn zuster in Offingawier en de wapens die hij samen met Durk een paar weken eerder bij haar had gebracht en die in haar kelder waren opgeslagen. Deze moesten daar zo snel mogelijk vandaan. Er was al een bericht door een van de meisjes van Elzinga naar het dorp gebracht, maar daar zag men toen direct geen oplossing omdat er zeer intensief door de Duitsers werd gepatrouilleerd. Bovendien was Age Schuurmans net terug van een lang niet ongevaarlijk avontuur.

Nadat Durk en Herre waren gearresteerd is mevr. Dijkstra naar Schuurmans gegaan, omdat de wapens die gebruikt waren voor de instructie, nog verborgen zaten in hun kippenhok.  Schuurmans is toen samen met vermoedelijk Leen Poot met die wapens naar Gauw gefietst, met de bedoeling deze bij Feenstra te brengen. Maar toen ze bij de oprit naar de woning kwamen – Jelle woonde een honderd meter van de weg af – en deze wilden inrijden, hoorden ze dat er geschoten werd. Hals over kop zijn ze teruggefietst en hebben de wapens achtergelaten bij boer Minne Jansma in Sijbrandburen. Dus het was te begrijpen dat zij de schrik nog in de benen hadden.

Wat nu? Ik stelde voor om de wapens met een boot op te halen. Een roeiboot was te klein, zei Feenstra, dat hadden zij al ondervonden! Mijn idee was een melkpraam (een Giethoornse punter) te gebruiken, deze voer licht en had voldoende ruimte. Dit werd uitvoerbaar geacht.
Wij, dat wil zeggen Freerk Abma, J. de Ridder (een evacué) en ik gingen naar Terzool en vorderden a.h.w. de praam. Daarmee gingen we via de Oudvaart richting Sneek-Offingawier, na ongeveer een uur waren wij vlakbij het dorp, we spraken af dat ik me zou melden omdat Froukje, de zuster van Feenstra, mij wel kende. Maar wij werden al verwacht. Elzinga was per fiets naar Offingawier gegaan om haar op de hoogte te stellen.

Terwijl Freerk en De Ridder de wapens uit de kelder haalden liep ik met twee handgranaten in de zak van het ene naar het andere eind van het dorp om te zien of de kust veilig was. Niets te zien, meldde ik, maar toen we met de stenguns van het huis over de weg naar de boot wilden lopen, kregen we de schrik van ons leven.
Op de weg stond een Duitse soldaat, het geweer op de boot gericht. Hij was op eendenjacht en schoot op een eend, die hij maar half raakte en die achter de kerk verdween. Die Duitser erachteraan. Wij zijn teruggeweken achter het huis, terwijl de stens voor ons gevoel een heidens lawaai maakten. De Duitser had niets in de gaten. Toen hij weg was hebben we zo snel we konden de wapens ingeladen en zijn ervandoor gegaan.

Door de anderen werd voorgesteld via het Snekermeer terug te gaan, maar ik kon ze ervan overtuigen dat we dezelfde route moesten nemen als we gekomen waren, dan hadden we betere vluchtmogelijkheden. Nauwelijks buiten het dorp zagen we een overvalcolonne van de Duitsers aankomen. Een auto reed voorop, daarachter twee motoren met zijspan waaraan touwen waren gebonden, met aan weerskanten fietsers. Terwijl Freerk de boot duwde en De Ridder aan de lijn trok, vulde ik de stenhouders met patronen en maakte een aantal stens schietklaar. Het miezerige weer ging over in mist en weldra waren wij vanuit de dorpen niet meer te zien.

Bij Gauw gingen we richting het Snekermeer en naar de Gauwster sluis, dit om een dwaalspoor uit te zetten (ik wist hier goed de weg, omdat ik er was opgegroeid). Bij de Gauwster sluis zijn we via de dijksgracht richting Terhorne gegaan en bij de Terzoolster sluis afgezwaaid naar de boerderij van Elzinga. Kort daarvoor ontmoetten we nog de landwachter Punter uit Irnsum in vol ornaat. Hij was bezig kievitseieren te zoeken. Na een groet liet hij ons ongemoeid.
  Rond vier uur waren we weer terug en konden we ons tegoed doen aan de warme hutspot van mevrouw Elzinga. Daarna ben ik naar huis gegaan. Jelle Feenstra was toen al vertrokken.

De wapens zijn ’s avonds door Elzinga naar de Tolhuisbrug gebracht en door Jochem Postma en Pieter Sikkema overgenomen en bij Kooistra op Harstaburen ondergebracht. Deze wapens zijn op de middag van de 14e april door Jan Kooistra op een wagen afgedekt met mest vanaf Deersum via de straatweg naar Wirdum gebracht. Hij moest met de wagen langs de Duitsers die zich terugtrokken naar de Afsluitdijk. In de wagen bevonden zich de wapens voor ongeveer dertig man, verzameld in de boerderij van Boonstra. Zo zijn ze uiteindelijk toch op   het bestemde doel terechtgekomen en is de moeite niet voor niets geweest.

De Duitsers in de overvalcolonne, bij Froukje Koldijk-Feenstra aangekomen, hadden Dijkstra en Winia bij zich. Er werd tegen haar gezegd: ‘Ontken maar niets, zij weten alles.’ Maar ze hield haar hoofd koel en wist de Duitsers op het verkeerde been te zetten. Ze stuurde de colonne in de richting van het Snekermeer. Maar Terpstra bij de sluis kon niet anders zeggen dan dat er die ochtend niemand de sluis was gepasseerd, en dat was ook aantoonbaar, dus moesten de Duitsers onverricht terzake naar Sneek terug.

Ze gaven het echter niet op. Op vrijdag de 30ste hebben ze vanuit Sijbrandburen de visser Scholten opgezocht, die met een woonark midden in het veld lag. Misschien dat zij daar wat konden vinden, of wellicht kon hij inlichtingen geven. Maar helaas voor hen, het was een vergeefse reis. Zonder dat ze het wisten, hadden ze ons wel weer de schrik op het lijf gejaagd. Wat was het geval? Toen ik bij Elzinga vandaan thuis kwam, vertelde ik mijn vader in het kort wat we uitgehaald hadden. Hij begreep meteen het gevaar, vertelde me dat toen hij ’s middags bezig was met werk achter in het land tussen beide dorpen, hij het al zo vreemd vond dat er iemand een hele tijd achter de mestvaalt waar hij bezig was, met een verrekijker de omgeving afzocht. We besloten naar Tjeerdsma te gaan en hem om raad en hulp te vragen. Ik ben daar tot 4 april gebleven.

Op die bewuste vrijdag de 30ste kwamen de Duitsers, over het erf van de huisarts, recht op onze woning af. We schrokken hevig en wisten niet hoe vlug we in de schuilplaats moesten komen. Al snel bleek dat het niet om ons te doen was, maar dat ze naar de ark van visser Scholten wilden. Waar ze niets te weten kwamen.
Toch leek het ons beter even weg te gaan. Achter de zuivelfabriek woonde oom Bertus, mijn vaders jongste broer. Met de roeiboot konden we om de zuivelfabriek heen naar hem toe varen. Terwijl we daar waren, kwam een zwager van hem op visite, die in geuren en kleuren vertelde dat er in Offingawier bij Koldijk een overval was geweest en dat kort tevoren drie mannen met een boot daar wapens hadden weggehaald.

Een hele consternatie. Gelukkig hadden ze Koldijk en zijn vrouw Froukje niet meegenomen. De mannen waren zomaar opeens verdwenen. Wij vonden het allemaal een prachtig verhaal.
In Grouw hadden de Duitsers in diezelfde weken meer succes. De ‘bende van Grouw’ wist de complete leiding van de BS in handen te krijgen en daarna ook nog de wapens. In Grouw is een hoge prijs betaald. Dit moet dik worden onderstreept en we mogen het niet vergeten.

De Paasdagen verliepen rustig, maar woensdag 4 april deden de Duitsers weer een poging om ons te pakken en natuurlijk de wapens. Wij, dat waren Tjeerdsma, oom Wim, de onderduiker Johannes, de buurman en ik. We zijn naar land gegaan dat een flink eind buiten het dorp lag, richting Snekermeer, om turf te steken. Om twaalf uur gingen we terug naar huis voor de warme maaltijd en toen we vlak bij het dorp kwamen, zagen we net op tijd dat de Duitsers bij Hoekstra een inval deden. Ik heb me toen verscholen in de stal bij boer Deelstra. Het was om Anne te doen, maar hij had kans gezien om in de schuilplaats onder de vloer te verdwijnen. Gelukkig vonden ze hem niet.

Verder ging het, naar het volgende adres, dat was de boerderij van Aant de Boer. Daar was het om Leen Poot te doen. Deze zag geen kans om op tijd in de schuilplaats te komen. Toen hij ze vroeg of hij z’n bril even kon halen, mocht dat. In de stal zette hij het op een lopen en werd doodgeschoten. Aant de Boer werd meegenomen.
Het huis van Dijkstra werd ook nog bezocht en door een paar handgranaten van binnen vernield. Omdat ze Pieter Sikkema nog niet te pakken konden krijgen, hebben ze het huis van zijn broer Jabik in brand gestoken. Ook bij ons zijn de heren geweest.

Toen ze binnen kwamen, zat de hele familie aan tafel. Mijn vader kreeg meteen een paar klappen. Dat gaf natuurlijk grote opschudding. Moeder stoof op en sprak de heren in het Duits toe. Zij meende dat Duitse officieren heren waren. Dat verbaasde de man wel. Hij wou weten waar ik was. Moeder antwoordde: ‘Jullie hebben hem opgeroepen, wij hebben in tijden niets van hem gehoord.’ Ze zijn bovenop de zolder wezen kijken en hebben wat tuintekeningen verscheurd. Ik volgde een cursus tuintekenen bij het PBNA, maar die was na Slag om Arnhem gestopt.

Bij Catrinus Sysling, waar Yme Raap zat te spinnen, hadden ze meer geluk. Hij moest mee en Jentje Abma (de vader van Freerk) werd eveneens gepakt en in Sneek gevangen gezet. In de vroege morgen van 12 april zijn alle gevangenen vrijgelaten, onder wie Yme, Jentje en vrouw Visser uit Irnsum met het joodse meisje Roos die ze een week tevoren bij een razzia hadden gepakt.

Zelf had ik de 4e april meer geluk. Ik kreeg bericht dat de kust vrij was, maar toen ik naast de ingang van de fabriek was, kwamen mij twee vreemde fietsers tegemoet. Het bleken twee SD’ers te zijn. Ze hadden het over Yme Raap. Ik ben toen, net of het zo hoorde, het fabrieksterrein opgelopen en nadat de heren uit zicht waren, zo vlug mogelijk naar huis gegaan, heb een hapje gegeten, en ben toen vlug terug naar het turfgat gegaan waar ik me bij onraad in verschool. Kort daarna kwam vader met Freerk en hoorden we wat er zich allemaal in Terzool had afgespeeld.

We begrepen dat het behoorlijk gevaarlijk was geworden en besloten uit te wijken naar een oom van Freerk in Akmarijp, aan de overkant van het meer. Er was echter een gevaarlijk punt, dat was het passeren van de sluis. De bewaking liet ons ongemoeid en zo bereikten wij veilig Akmarijp. We zijn daar maar een dag gebleven. Daarna werden we naar de boerderij van Bakker langs het kanaal gebracht en zijn dinsdag 9 april weer teruggegaan naar Akmarijp, om ’s avonds met een bootje het meer over te varen naar de Gauwster sluis.

Van Hallema, de sluiswachter, hebben we een roeiboot geleend en zijn naar Elzinga geroeid. We werden toen in de knechtenkamer boven de stal als het ware opgesloten, de kinderen mochten niet weten dat we er waren. Op een avond, toen het goed donker was, hebben we ons gemeld bij Ine Keulen, de zus van Ferdinand. Die joeg ons als het ware terug naar Elzinga omdat er doorlopend werd gepatrouilleerd. Daar hebben we ons schuilgehouden tot we zaterdag de 14e bericht kregen dat we een fiets moesten vorderen en naar Wirdum gaan. Daar zouden we worden opgevangen en naar boer Boonstra worden gestuurd.

We fietsten twee bij twee via Rauwerd. Vandaar moesten we langs de straatweg naar Oosterwierum. Dat stukje straatweg was lang niet prettig want het wemelde van de Duitsers met paard en wagen, fietsers bepakt en bezakt, allemaal richting Sneek. Daartussen reed Jan Kooistra met een wagen mest in dezelfde richting als wij.
Wij verbaasden ons daarover: op zaterdagmiddag nog aan het mesten, en dan met al die Duitsers om hem heen? Wat mankeerde die vent toch? Toen we al een tijdje in Wirdum waren, kwam Jan daar met de wagen mest het erf oprijden. Onze commandant Ferdinand Keulen zei: ‘Kom mannen, de schuurdeuren open, de wagen naar binnen, de kruiwagen erbij, de mest eraf.’

En daar kwamen de wapens tevoorschijn waar zoveel om te doen was geweest. Ieder kreeg zijn wapen en we werden ingedeeld in groepen met een commandant. De eerste wacht werd meteen uitgezet. Het was een blij weerzien. Ferdinand K., Pieter S., Jochem P. Maar we misten ook enkelen. Op 6 maart was meester Tinkelenberg bij Dongjum vermoord. Over Durk Dijkstra en Herre Winia wist niemand iets, en dat zou nog een tijdje zo blijven. Pas ruim een jaar later, in oktober 1946, werden ze op aanwijzingen van een Duitser gevonden. Zij zijn, met drie anderen, op de Zandvoorderhoek bij het IJsselmeer doodgeschoten.

Tsjitse Dotinga.


 

Gerrit Wissink, (typograaf) geboren op 15 augustus 1907 te Apeldoorn, overleden op 4 september 1944 te Vught.

Gerrit Wissink trouwt op 15 mei 1935 met Catharina de Boer. Het paar woont in Apeldoorn, Kanaalstraat nummer 30. Hij wordt actief lid van het verzet. Hij verblijft een groot deel van de oorlog echter als onderduiker bij zijn moeder in Beetsterzwaag. Gerrit wordt op 4 september 1944 in Kamp Vught gefusilleerd.

 

Sijbrandus de Wit, geboren 25 mei 1889 te Baard, overleden 10-02-1945 te Neuengamme. Van Sijbrandus is verder niks bekend.


Broer de Witte, geboren op 7 juli 1923 te Workum, overleden op 05-05-1943 te Leeuwarden.

In 1943 werd door 'Wehrmachtsbefehlshaber' generaal F. Christiansen aangekondigd dat 300.000 Nederlandse militairen alsnog in krijgsgevangenschap zouden worden afgevoerd. Dit nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje door Nederland, nog voordat de officiële bekendmaking in de avondbladen van donderdag 29 april 1943 verscheen. Drukkerij Smit aan de Telgen in Hengelo had diezelfde middag het nieuws namelijk al op de ruiten van de drukkerij geplakt, zodat iedere voorbijganger het onheilspellende bericht kon lezen. Als protest tegen deze maatregel brak spontaan overal in Nederland de April-Meistaking uit. De bezetter reageerde furieus. Met goedkeuring van dr. Seyss-Inquart werd het 'Polizei-Standgericht' ingevoerd. Bedrijfsfunctionarissen kregen het bevel om maandag 3 mei 1943 het werk te hervatten. Mensen die geen gehoor gaven aan deze oproep, konden op zware straffen rekenen.

In de drie noordelijke provincies werden zestig mensen omgebracht om de wilde staking neer te slaan. Van 34 werd het lichaam meegenomen 'naar een onbekende plek' om de bevolking extra te intimideren. Verschillende ooggetuigen wezen eind 1945 een plek aan in het voormalige militaire oefenterrein de Appèlbergen. Daar werden toen negentien slachtoffers gevonden. Vier jaar later bleek dat er nog meer vermisten in de Appèlbergen begraven moesten liggen. Verschillende zoekpogingen mislukten. Volgens een gedetailleerde reconstructie van de gebeurtenissen in 1943 en 1945 liggen de omgebrachte slachtoffers begraven in het Grote Veen van de Appèlbergen.

Deze reconstructie is gemaakt op grond van vele documenten die in verschillende archieven werden bewaard, gecombineerd met studie van omgeving, bodem en geschiedenis. Er zijn vervolgens verschillende onderzoeken gedaan naar de plaats waar de vermisten zouden zijn begraven. In 1991 hebben de Koninklijke Luchtmacht en de Technische Universiteit van Delft met behulp van speciale apparatuur bodemonderzoek gedaan, maar geen sporen van een begraafplaats kunnen ontdekken. Ook tijdens vervolgonderzoek, dat in 2003 mogelijk werd toen delen van het moeras werden drooggelegd, konden de graven evenwel niet worden gevonden.

De namen van de 34 slachtoffers luiden:

Berend Assies, Harm Bakker, Harm Bos, Grietje Dekker, Geert Jan Diertens, Jan Doornbosch, Karst Doornbosch, Jan Eisenga, Dirk Fokkens, Johannes Glas, Albert Hartholt, Andries Hartholt, Dirk Hartholt, Hendrik Hartholt, Gerrit Imbos, Eeuwe de Jong, Eisso Kleefman, Hermanus Kleefman, Cornelis Luinstra, Paulinus Nieuwold, Jan Postema, Friedrich Ludwig van de Riet, Willem Antonie van Rossum, Rienold Terpstra, Egbert Thoma, Berend Trip, Gerrit van der Vaart, Bouke de Vries, Sibbele de Wal, Jelle van der Wier, Steven van der Wier, Uitze van der Wier, Broer de Witte en Jogchum van Zwol.

Een vermist slachtoffer van de Tweede Wereldoorlog is teruggevonden in het oorlogsgraf op de begraafplaats West in het Groningse Marum. Het gaat om Broer de Witte uit Greonterp die in 1943 op negentienjarige leeftijd werd doodgeschoten omdat hij had meegedaan aan de melkstaking.
Na de oorlog werd bij de identificatie van de zestien Marumers die na de melkstaking werden gefusilleerd een vergissing gemaakt. Broer de Witte werd geïdentificeerd als een van de Marumers. Hij lag met hen in een massagraf in Appelbergen, een bos bij het dorp Glimmen.
De Marumer met wie De Witte werd verwisseld is daardoor ter aarde besteld als onbekende op de Erevelden van de oorlogsgravenstichting in Loenen en Broer de Witte werd begraven in Marum.
Binnenkort wordt de naam van De Witte toegevoegd aan het oorlogsmonument in Marum en wordt de man die Loenen begraven ligt naar Marum overgebracht.
Naspeuringen van Truus de Witte uit Noordhorn bracht bovenstaand verhaal aan het licht.

Leeuwarder Courant, 6 oktober 2008

Lêzing Aldegea.

Ik bin Truus de Witte, de dochter fan Wiebe en Roely de Witte. Ik haw fan berns ôf oan meimakke dat ús heit enoarm lijt hat ûnder de Maaiestaking en de dea en fermissing fan syn broer Broer. Hij waard slim siik doe ‘t ik 16 jier wie. Nachtmerjes gyngen oer de oarloch. Ik wie krekt 18 doe ‘t er stoar.

Omke Broer wie fermist. Dat wie slim. It hat in enoarm swiere lêst foar ús heit west.

Tsien jier lien begûn ik te sykjen, ik murk dat de herinnering oan ús heit syn lijden my ek tige sear die. Ik woe witte wat ús heit meimakke hie. Hoe siet dat mei omke Broer? Ik socht yn boeken, en socht minsken op dy’t my oer de Maaiestaking fertelle koenen. It oangripendste gesprek wie mei Wypke Martens, dy’t mei ús heit, omke Broer en Symen Wiersma yn de deadesel sitten hie en op it Scholtenshús west hat. Wypke hat 3 nachten nei it gesprek net sliepen, sei er letter.

Ik kriich tagong ta fertroulike argiven yn Ljouwert, Grins, Amsterdam en Den Haag om’t ik famylje wie. Der bliek folle mear ynformaasje te wêzen dan ik ea ferwachte hie, en doe socht ik troch. Ik woe ek it grêf fine fan myn omke Broer. It bliek in grêf mei 16 fermisten te wêzen. Ek Bouke wie der by. It grêf wer ‘t de Dútsers alle slachtoffers yn dumpt hawwe is fûn troch in rekonstruksje fan alle mogelike dokuminten út ferskillende Dútske en Nederlânske argiven. Ik haw alle ynformaasje, dy’t ik fûn, ferspraat ûnder de 16 famyljes dy ‘t it oangiet. Der is maaie 2004 in monumint pleatst (foto). En as ôfslúting haw ik ferskillende neibesteanden ynterviewd, en harren gesprekken binne ferspraat ûnder de 16 famyljes en oerheidsynstellings (bondel). Sa kinne se wat oan elkoar hawwe, en sa kin de oerheid lêze wat der allegear ûnbedoeld ferkeard gien is yn de ôfrûne 60 jier.

Bouke de Vries en Broer de Witte binne yn de oarloch deasketten troch de Dútsers. Se hienen, mei hûnderttûzenen oaren yn Nederlân, meidien oan de Maaiestaking fan 1943.

Yn ‘e oarloch wienen trije grutte stakingen. De earste wie de Februarystaking fan 1941 yn Amsterdam. De Maaiestaking wie de twadde, en de iennige massale, troch de befolking sels ûntketene staking. En de Spoorwegstaking fan 1944 wie de tredde, troch de Regearing útroppen.

Oer dy Maaiestaking, oer it sykjen nei Bouke en Broer om’t se fermist wienen, en oer hoe’t de fermissing in stimpel op it libben fan de famyljes drukt hat, sil ik it dit heal oere hawwe.

De Maaiestaking kaam net út ‘e loft fallen. In lytse 3 jier wie it betreklik rêstich west yn ‘e oarloch. Mar yn ‘e maaitiid fan 1943 waard it wat spannender. Stalingrad wie fallen, Berlyn waard bombardearre, reserves fan de Dútsers rekken op, yn Nederlân waard it earmer. Der wienen te min arbeiders yn Dútslân, want alle Dútsers wienen foar it leger nedich. Mei razzia’s waarden wurkkrêften oppakt. De spanningen rûnen oer de hiele liny op.

Doe betochten de Dútsers ek noch in plan: As we no ris alle 300.000 âld kriichsgefangenen wer oproppe, dan kinne dy moai yn Dútslân oan it wurk. Úteinlik moasten dy ommers wachtsje op ‘nadere maatregelen’. En sa kaam der op tongersdei 29 april 1943 in teleks yn by de kranten: de proklamaasje fan Friedrich Christiansen. ‘Kriichsgefangenen, meld jim, jim moatte nei Dútslân, en wa’t it net docht kin rekkenje op de strangste maatregels.’

In drukkerij yn Hengelo hong de proklamaasje foar it rút. Krekt doe’t de arbeiders fan Stork skafttiid hienen. Dat wie de “druppel” foar de befolking. De spanning ûntplofte. It wurk waard del lein, op grutte skaal, jong en âld die mei, hege en lege rangen staakten. As in rinnend fjoerke gyng it nijs fan de massale staking troch Twente, en fanôf freed 30 april troch de rest fan Nederlân.

It nijs beriek fansels ek Aldegea. Yn ‘e middei, nei it melken, waard de molke nei de molkfabryk brocht. En dat mocht net, fûnen Bouke de Vries, Wypke Martens, Symen Wiersma, Johannes Walinga, Tjitte Verbeek, Willem Bakker en in grutte groep oare jonges en famkes. Se fregen de molkefarders om de molke net ôf te leverjen. Doe dat net slagge sprongen se op de pream en legen se de molkbussen yn de Brekken en op strjitte.

Broer en Wiebe de Witte hearden fan de opstân yn Aldegea, en woenen ek meidwaan. ‘Jonges, fersichtich’, sei beppe noch, mar elkenien die dochs mei? Se troffen in molkrider, en fregen him net nei de fabryk te gean. Ek sy sprongen op de wein en legen de molkbussen.

Hiel Nederlân stie op ‘e kop. It wie in grut ûnorganisearre ferset, in ûntladen fan spanning. Einlings koe de hiele befolking sjen litte dat se net alles pikten fan de Dútsers.

Wa hie tocht dat it sa ferskrikkelik ôfrinne soe?

De Dútsers wienen frij rêstich west oan’t dy tiid, it libben wie net altyd like makkelik, mar alles gie syn gonkje noch. Foaral yn in doarpke as Aldegea. Deastraffen wienen noch nea útsprutsen yn it Noarden.

De Dútsers hienen sa’n massale aksje net ferwachte, en tochten dat er in flink ûndergrûns netwurk efter siet. Se skrokken. De opstân moast daliks brutsen wurde. Op it Skoltenshús yn Grins waard op sneon 1 maaie in Stânrjocht ynsteld, foar Fryslân, Grins en Drinte. Ek de deastraf waard doe as straf ynfierd. Mar dat soe wol bluf wêze, dat wie noch nea bard. En hielendal net foar sa’n lyts fergryp. En soenen se al die hûnderttûzenen no deasjitte, dat koe dochs net?

Hans Rauter, de grutte polysjebaas yn Den Haach, beneamde daliks in spesjale polysjemacht. Foar it Noarden waard dat Johann Mechels. Hy waard de baas oer alle polysje. Hij moast hurd optrede om de befolking wer yn it gareel te twingen.

De Dútsers moasten ek daliks alle ûnrêst witte, wie it befel. En die ûnrêst wie massaal. Bouke, Broer, Wypke, Symen, Johannes, Willem, Tjitte, Wiebe en de oaren seagen fanwegen dy massaliteit gjin gefaar yn harren dieden.

De ûnrêst is trochjûn oan NSB-boargemaster Schut yn Snits, sneontejûn.

Schut hat de SD yn Ljouwert belle, en de sneins 2 maaie wie it mis. De SD kaam út Ljouwert, mei Lammers as saneamde tolk. Underweis hellen se Schut op. In oerfalwein mei sa’n 25 Grüne Polizei kaam mei, mei Lottmann as polysjebaas ûnder Mechels.

In nijsgjirrige boerehelp hong om bij de molkfabryk, en waard oppakt. Hij hie net meidien, mar fan wa wist der it dan? Neam nammen! Arbeiders waren nammen frege. Direkteur Faber waard nammen frege. En doe’t de earsten oppakt wienen waren oan hun nammen frege.

Stel je foar, geraas, unifoarmen, gewearen, wat dogge je dan? Fan Johannes en Willem waren de jongere broers Hiele en Sikke as gijzelaar meinommen.

Fan Broer en Wiebe soenen se hun heit meinimme, mar se fûnen de jonges ûnder de bedstee. Fan Bouke is syn frou Grietje meinommen. Dat koe Bouke net ferneare, en hat himsels oanjûn.

Ut de hiele groep waren Bouke, Broer, Wypke, Siemen en Wiebe pikt as haaddieders. Bouke hienen se earst noch net te pakken. Alle fiif krigen se de deastraf, sei Lammers al yn Aldegea, Bouke ek alvast. En dat advys hat hij trochjûn oan it Stânrjocht yn it Scholtenshus yn Grins

De fjouwer jonges waarden nei de nacht yn de gefangenis fan Ljouwert, nei Grins brocht.

De foarsitter, rjochter Wendt, wie it mei Lammers syn advys iens. Hij stjoerde moandei 3 maaie in teleks nei Hans Rauter yn Den Haag, mei it fersyk de fjouwer jonges dea sjitten te maaien, en de meidieling dat de Aufhetzer Bouke de Vries noch socht waard. Rauter belle werom, dat allinnich de âldste deasjitten wurde moest, dat wie Broer. Hij wie 19 jier. Hij is op 3 maaie om 3 ure deasjitten op de pistoalbaan fan de Rabenhauptkazerne ûnder Grins. Wypke en Symen binne oan inoar festketene nei Vught ôfvoert. Wiebe is earst frijlitten en belâne letter yn de gefangenis. Op 6 desimber 1945 kamen se alletrije frij út de gefangenis fan Utrecht.

De tiisdeis, 4 maaie, is it noardelike Stânrjocht ferhuze nei it Aldburgerweeshus yn Ljouwert. Der is Bouke terjochte kaam. Foarsitter Wendt koe telexe dat de Aufhetzer fûn wie. Bouke is jûns op 4 maaie om hjelve 10 deasjitten op it Kalverdykje by Ljouwert.

Bouke wie 35, de âldste fan de molkepream-aksje, Broer wie 19, de âldste fan de molkewein-aksje.

In soad minsken brekke hun holle oer it ferried en de willekeur. Foaral wij as neibesteanden, om alles in bytsje snappe te kinnen. De stikken bij Justitie jouwe gjin útslútsel oer ferried.

De minsken, dy’t letter ûnder twang nammen neamt hawwe, seagen gjin gefaar yn hun útspraken. Sels de minsken dy’t de aksjes trochjûn hawwe oan NSB-boargemaster Schut hienen net ferwachte dat der deaden falle soenen. Want dat wie noch nea bart. De ûnrêst is oan NSB-boargemaster Schut trochjûn troch wol 3-4 minsken, en yn Aldegea binne nammen neamt, dat wol. Mar net ien die dit op syn geweten hie, ferwachte dat alles sa ferskrikkelik ôfrinne soe, blykt út de stikken. De ienige die de deastraf foar eagen hie wie Lammers.

En oer de willekeur?

Rauter sei letter dat it net belangryk wie wa oppakt en deasjitten waard, mar dat op it goeie momint deaden foelen. Arrestaasjes wienen willekeurich. Frijlittingen wienen willekeurich. Straffen wienen willekeurich. Der siet gjin inkele lijn yn. Soe dat ek in foarm fan yntimidaasje wêze? De befolking fiele litte dat se mei de Dútsers nea witte koenen wer se oan ta wienen? Om sa ekstra macht te krijen? De Dútsers hienen nammen noadig, foar de grutte rôze oanplakbiljetten (laten zien). Wat dy nammen dien hienen wie net sa belangryk. De befolking moast witte wat der barre soe as se troch gyngen.

Op moandei 3 maaie kamen de earste berjochten yn ‘e krante, dat stakers fusilleerd wienen (laten zien). De 4 jonges sieten doe al yn Grins.

De lichamen fan de deasjitten slachtoffers waren meinommen en op in ûnbekende plak begroeven. Dit, om de befolking ekstra te yntimidearjen. Mar net allegear. Ek dit wie willekeurich, krek as de arrestaasjes en de strafmaten.

Fan de 60 minsken, dy’t yn de 3 noardelike provinsjes deasjitten binne, binne 34 yn ‘e Appèlbergen ferstoppe, 26 lieten se lizze op strjitte. Mar dat fan de Appèlbergen wisten allinnich in pear Dútsers en hun hantlangers. Ek Bouke en Broer wienen bij die ferstoppen.

De Appèlbergen wie in militair oefenterrein bij Glimmen, en dat hearde bij de Rabenhauptkazerne fan Grins, wer Broer deasjitten is. It wie in ôflein gebiet, en Sperrgebiet, men mocht er net komme. In prachtige ferstopplak.

Op 18 maaie stjoerde boargemaster Tjaberings een koart briefke nei frou De Vries en nei pake en beppe De Witte (laten zien, 2 sinnen).

De Maaiestaking wie de oergong nei de twadde, grimmige helt fan de oarloch, en de start fan it grutte en bewapene ferset.

Bouke en Broer wienen fermist. Wienen se wol dea? Wienen se net nei Dútslân of nei it Oostfront brocht? De Dútsers koenen doch safolle arbeidskrachten brûke? Om sa’n lytsichheid as it fuortgoaien fan molke wurde je doch net deasjitten? Wer wienen se? As se dea wienen moast der tooch in grêf wêze? De doar mocht net mear op slot. Stel dat se yniens thús kamen.

Nei de oarloch kamen se net werom. Mar se koenen hersenpjild wêze as se yn Ruslân sieten, en se koenen miskien de grins net oer? Soenen se echt dea wêze? Mar der waard gjin grêf fûn. Frou De Vries en de bern, Pake en Beppe De Witte en de bern, koenen gjin kant út. Mem de Vries libbe mei de swiere wetenskap dat har man sich foar har opoffere hat. Wiebe frege sich of: werom Broer, werom ik net. Pake de Witte sil ûnder de fraach lijt hawwe: hienen se mei mar meinommen as gijselaar.

Fragen, fragen, fragen, yn alle stilte, en der kaam gjin antwurd.

En sa gau kamen die antwurden ek net.

Want nei de befrijing lei de hoofdprioriteit fan de Regearing op het herstellen fan oarde en rust, snelle berjochting fan de fouten, en het op gang bringe fan it gewoane libben. ‘Sjoch foarút, bou wer op, ferjit wat bart is.’

Dieders, kollaborateurs en ferrieders waren oppakt. It wie in gekkeboel, safolle minsken waren oppakt troch allegear ferskillende ynstânsjes, yn een gaoatyske tiid. Berjochting fan allegear koe nooit yn koarte tiid. In lytse 90.000 binne úteindelik frijlitten soender ferhear en straf. Sa gong ynformaasje oer ûnder oare de begraafplak fan Bouke en Broer ferlern. Amearika stjoerde oan op freonskip mei Dútslân, want der wie in nije fijand: Ruslân. Dútsers waren amper útlevere, en ek sa kaam ynformaasje oer it grêf fan Bouke en Broer net boppe tafel. Oare ynformaasje en bewiismateriaal wie ferbrân, of fuortmoffele.

Ein 1945 waard der yn grêf fûn yn ‘e Appélbergen. 19 slachtoffers fan de Maaiestaking waren identifisearre, uit Grins en Drinte. Der waren mear grêven fûn, dus sa besûnders wie dat net, en der wienen hûnderten fermisten, swervende, daklozen, hongerevacuées, weromkearende gefangenen. Dus de Appèlbergen rakke wer út it fizier.

Nei in skoftsje waren troch it RIOD teleksen fan it Scholtenshus en ferslagen fan Dútsers fûn. En polysjebaas Mechels waard ein 1948 oppakt en ferhoart. Mechels fertelde dat alle slachtoffers fan de Maaiestaking út Fryslan, Grins en Drinte bij elkoar op de Appèlbergen begroeven wienen. Mechels wie de ferantwurdlike persoan fan die aksje.

Sa kaam de Appèlbergen op ‘e nij yn it ljocht, as plak wer se allegear leinen, alle ferstopte slachtoffers fan de Maaiestaking, dus ek Bouke en Broer. Der wienen al 19 fûn yn 1945. De oare 16 leinen der dus flakbij.

Mar wer wie dat grêf fan 1945 ek al wer? Men wist it net mear. Polysje Kerkhof is persoanlik nei Dútslân reizge, om de mannen te ûnderfreegjen dy’t de lichamen begroeven hawwe. Hij beloofde se dat se gjin straf krigen, as se asjeblyft de grêflokaasje mar oanwiisden. Dat waard neat. It geheugen liet hun sageneamd yn ‘e steek. Mar de Appèlbergen, dat wie seker. Yn 1949.

No is it akelige, dat al disse ynformaasje bij Justitie en Polysje en oare Oerheid bekend wie, mar dat partikulieren der gjin tagong ta hienen. Stel je voor dat die partikulieren foar eigen rjochter spylje soenen, en bij de deaders een stien troch de rúten smite soenen?

De befolking moest foarút sjen en de Dútsers sjen as nije freonen tsjin de Russen. De ynformaasje oer Mechels en de Appèlbergen bliuw yn de argiven. Nei de dea fan de dieders mochten partikulieren de argiven ynsjen nei spesjaal fersyk, en tekenje foar geheimhâlding. Dat haw ik dien. No ja. Ik haw de ynformaasje fansels daliks trochspile oan de famyljes dy ‘t er wat oan hienen. It giet ús net om dieders mar om greep.

Want wylst de ynformaasje oer Bouke en Broer yn de argiven siet, droegen de famyljes een enoarm swiere lêst. De ûnsekerheid. De skuldgefoelens. Wat wie der krekt bard, en wer wienen Bouke en Broer? Se koenen gjin kant út, se koenen it ferhaal net pleatse, se koene nergens hinne mei harren fertriet. De wûne koe net hele. En moasten se sykje of rouwe? Wie rouwe net ûntrou oan de fermiste? Mar wêr moasten se sykje? En mei wa koene se prate?

Fragen dy’t net beantwurde wurde, pine dy’t net ferwurke wurd, bliuwt aktueel, bliuwt malen, en wurd elke kear wer oprakele.

Neibesteanden fan fermisten hawwe it ûndraachlik swier.

Yn ‘e earste plak is it net seker of hun dierbere dea is. Dus dat binne al twa ferhalen: hij libbet, of hij libbet net mear. Hokker ferhaal kinne se yn harren libben yn pasje?

Ten twadde is it plak wer ‘t hij is net seker. Dat binne ek al talleaze ferhalen: hij is begroeven, en wer dan, of hij libbet yn gefangenskip of hij is harsens spielt?

Ten tredde hawwe se gjin idee wat der bard is. Se misse ynformaasje, en kinne neat in plak jaan. Alle mooglike ferhalen spylje troch de holle.

En dan komt der ten fjierde fanwege de oorloch en de Maaiestaking noch de willekeur fan de Dútsers bij: Werom is de iene oppakt en de oare net? Werom kriech de iene gefangenisstraf en is de oare frijlitten? Werom is it iene lichem meinommen en lieten se it oare lizze. De únsekerheid oer dizze fragen wie in ekstra taktyk fan de Dútsers om de befolking yn it gareel te twingen. Mar it binne slopende fragen.

Neibesteanden kinne nea ôfslute sûnder antwurd op dizze fragen .

En wat net ôfsluten wurde kin, kin ek nea in plak jûn wurde, en dan bliuwe de fragen mar mealen, en kinne se it libben fan alledei totaal behearskjen bliuwe.

En as dan blykt dat de ynformaasje oer de dea, de tadracht en it grêf al in heale ieu bekend is by in oantal Ynstânsjes, komt de klap hurd oan. De neibesteanden koene de wierheid net pakke, se koene dus net ferwurkje, en dy ynformaasje oer de wierheid is hun ek noch ûntholden.

It is fijn dat Aldegea daliks in betinkingsmonumint foar Bouke delsetten hat. Yn elts gefal in plak om bij stil te stean, in rêstplak, ek al leit er der net begroeven.

Tiidsgeast spilet yn dit alles een hiele belangrike rol. De nei-oarlogse tiid wie in tiid fan wederopbouw en takomsttinken en barmhertigheidspolityk nei de dieders. Mar ek de gesinnen wienen mear sluten. Bern wienen bern. No is alles iepener, der wurd folle mear praten. Der is fan alles op ‘e tillefysje, der is Ynternet. De tiid is oars.

Jan, Tryntsje en Auke wienen lytse bern, doe hun heit fermoarde is. Se begripen de grutte minskenwrâld noch net. Sa krigen se, krekt as wij, de bern dy’t nei de oarloch berne binne, in soad gefoelsynformaasje fan de âlderen. Mar dy koenen se net stave oan feitelijke ynformaasje. Deels omdat dy ûntbruts, deels omdat de weinige ynformaasje allinnich foar de grutte misken wie. En die grutte minsken sparren de bern. En de bern fielden dat de âlden it swier hienen, dus dy ûtseagen de âderen wer. It wie mear in tiidgeast fan ûtsjen, elkoar sparje, rekkening hâlde mei inoar, bern wienen bern. Mar by dy bern koe gefoelsynformaasje woekerje tot grutte hichten. As heit of mem der net oer prate kin, moat it wol ferskrikkelik wêze.

En die tiidgeast soarge der ek foar dat de argiven sluten bliuwden. Troch neibesteanden ynformaasje, dy’t se sa nedich hienen, te ûnthâlden, binne se ekstra kwetst.

De tiidgeest is no oars. En it blykt ek noch dat fragen en pine sich net fuortstopje litte.

Tante Brechtsje sei in pear jier lyn: ‘Truus, fertel my alles, alles, hoe erch it ek is. Witten is better dan ûnsekerheid, hoe erch de wierheid ek is. Froeger hienen we ôflieding, mar no komt alles boppe, no tink je nei, no wolle je witte.’

In argyfbaas hat no mappen it gebou útsmokkele, mei gefaar foar syn baan. By in oar argyf omsylden se no de strange proseduereregels. Gjin muoite is no sparre, tûzenen gûnen binne resentelik troch Ynstansjes en Oerheid beskikbaar steld om de fout in bytsje goed te meitsjen: de ferskriklike fout fan de Dútsers troch de lichamen te ferstopjen, en de goed bedoelde fout fan de Oerheid de ynformaasje ferstopt te hâlden.

De ynformaasje dy ‘t resent sammele en ferspraat is kin antwurd jaan de measte fragen. Ik haw mei myn undersyk-kollega’s besike it slutende bewiis fan de ynformaasje oer de tadracht en it grêf gear te stallen. Dat is slagge. Dat kin in plak krije. It keihurde konkrete bewiis fan it grêf, de bonken dus, slagge net. Mar de sekerheid oer it grêf is er wol.

De Appèlbergen, it plak wer se neffens alle ferklearings lizze moatte, is helaas mar foar in gedeelte ûndersocht. Een gedeelte, omdat it de lêste desinnia sa’n drassich gebiet is. It wie hast net te dwaan. Yn it lytse stikje dat de Lânmacht ûndersocht hat binne se net fûn. We moatte it dus dwaan mei de slutende sekerheid út de dokuminten. En dat is gelokkich een hiele stapel, en allegear sizze se itselde. Niks wiist in oare kant út. En dat plak is no markearre mei in monumint mei alle nammen.

It lichem fan Bouke leit yn ‘e Appèlbergen. It lichem fan Broer blykt ein 1945 fûn te wezen. Hij is identifisearre as de ûnderdîker Frits van der Riet en is as Frits herbegroeven yn in Grinzer doarpke. Dat witte we pas in pear jier. De Oarlochsgrêvenstichting en de Lânmacht hawwe it befestige. Syn grêfstien stiet net bij syn grêf, mar is yn de harten fan syn famylje.

Bouke en Broer binne teplak, we witte wer se lizze. Oer de Maaiestaking, it ferried, it neamen fan nammen, de strafmaat, sille altyd fragen bliuwe. It wie folstrekt willekeurich wat der bard is. Krekt sa as de Dútsers it bedoeld hienen. Mar it briefke, dat se troch boargemaster Taberings stjoere litten hawwe, is ûntkrêften. De plaats wordt niet bekend gemaakt. It grêf en it ferhaal fan Bouke en Broer is boppe wetter. Se wienen altyd yn ús midden, no binne se yn ús midden mei in dúdlike skiednis en een oanwiisber grêf.

As der tiid extra is:

Hoe wie de berjuchting fan de grutte dieders?

Lottmann, de polysje Hauptmann die yn Aldegea wie, is der útnaait nei de DDR doe Mechels oppakt waard. Lottmann is net oppakt en forhoord.

Voorzitter Wendt fan it Standgericht is net oppakt, ferhoord en foroordielt foar it útsprekken fan de deastraffen.

Lammers is ferhoord, mar dat ging amper oer de Maaiestaking. Hij krieg eerst de deastraf, letter libbenslang. Hij kaam yn 1964 frij.

Schut is ferhoord oer de Maaiestaking. Ynformaasje sprekt elkoar tsjin. Minsken prate sichsels skjin en jouwe oaren de skuld. Ek Schut sels. Hij krieg 7 jier, wer der inkele fan sitten hat. Mechels hat 20 jier gefangenisstraf kriegen. Der hat er dik 6 jier fan sitten.

Rauter hat (nest 5 oare dútsers) de deastraf krigen yn Nederlan.

 


Petrus (Pé) Woudsma, geboren 12 november 1919 te Damwoude, overleden op 03-04-1945 te Leeuwarden.

Hij was ambtenaar op het bureau van de brandstoffencommissie in Dokkum. Woudsma was lid van de Knokploeg en samen met zijn broer Wytze deed hij koerierswerk voor de L.O. Woudsma is gearresteerd tijdens een razzia te Brantgum op 27 maart 1945 en voor verhoor overgebracht naar het huis van bewaring in Leeuwarden. Op 3 april werd hij in de gevangenwagen naar het Paleis van Justitie gebracht, waar hij kort verbleef. Nadat hij weer was ingestapt, stopte de wagen bij de Noorderplantage. Hij werd uit de auto gehaald en bij de stadsgracht neergeschoten door de SD’er Wilhelm Arthur Albrecht en de Belgische rexist Emile de Gendt. Woudsma werd begraven op het erehof van de Algemene begraafplaats in Dokkum.


Wijtze Woudsma, geboren op 12 februari 1921 te Damwoude, overleden op 04-09-1944 te Vught.

Wytze was politieagent en werd in 1942 tewerkgesteld in Duitsland. Door de slechte omstandigheden werd hij ziek en mocht hij terugkeren naar Nederland. Teruggekeerd schrijft Wytze het pamflet "Ik zag Duitsland".

Door zijn kontakten komt Wytze makkelijk met het verzet in aanraking. Hij begint als koerier maar door zijn enorme doorzettingsvermogen stijgt hij snel in aanzien. Wytze werkt dan voor de verzetsgroep Van der Meulen en verricht spionagewerk. Onder andere in Nes waar de Duitsers een militair kamp bouwen en bij het vliegveld Leeuwarden. Wytze is in 1944 een van de belangrijkste medewerkers. Er zijn dan al contacten gelegd met Londen. Dokkum wordt een van de belangrijkste informatiecentra van het verzet. Als in 1944 een afdeling Landwacht in Dokkum gelegerd wordt moet Wytze onderduiken.

Wytze belandt in Wassenaar en komt hier met de plaatselijke LO in contact. Via de leider van deze verzetsgroep, Freark Leijstra (Omke Freark) uit Burdaard krijgt Wytze werk bij het Bedrijfschap voor Vee en Vlees. Wytze raakt echter in psychische moeilijkheden en wordt in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen. Desondanks gaat hij door met zijn verzetswerk.

Op 22 juni 1944 is het psychiatrisch ziekenhuis door 28 SD-ers omsingeld en toch ziet Wytze nog kans om spullen te verbergen. Na zijn arrestatie laat Wytze niets los. Leystra wordt naar Duitsland gestuurd en gooit een briefje uit de trein waarop staat dat Wytze Woudsma op 4 september 1944 is omgebracht.

Wytze wordt in Vught gefusilleerd op 4 september 1944, de dag voor dat alle gevangenen naar Duitsland worden getransporteerd vanwege het naderen van de geallieerde troepen. 
Zijn broer Doeke komt om op 3 april 1945 in Leeuwarden en wordt begraven op de Gemeentelijke begraafplaats in Dokkum.

Nobuts drummer Wyzte Woudsma kruipt in de huid van zijn oom, de in 1944 op 23 jarige leeftijd omgebrachte verzetstijder Wytze Woudsma. Een indringend document over vrijheid, verantwoordelijkheid en vertrouwen.

Bekijk hier de clip.


 

Freerk Wijma, geboren op 24 september 1907 te Opende, overleden op 04-05-1943 te Suameer.

In maart 1943 kwamen de artsen in het verzet tegen de Duitse overheid. Zij deden afstand van hun bevoegdheid. Dit voorbeeld van de doktoren gaf de bevolking grote moed en in april kwam er een geweldige staking.
De april/meistaking van 1943 in de gemeente ontstond na de aankondiging van generaal Christiansen dat alle officieren en manschappen van leger en vloot zich voor krijgsgevangenschap moesten melden. Van 30 april tot ongeveer 3 of 4 mei werd in verschillende bedrijven in deze gemeente niet gewerkt.

De zuivelfabrieken kregen weinig of geen melk aangevoerd (de melkstaking). Want de melkrijders bleven thuis en als er toch boeren waren die melk bij de weg zetten, werden de melkbussen omgesmeten. De auto’s van de Ned. Thermochemische fabriek te Sumar zijn een paar dagen niet uitgereden uit vrees voor molestatie.

De bezetter stelde het standrecht in onmiddellijk nadat de eerste stakingen waren uitgebroken. In Tytsjerksteradiel lieten enige mensen het leven door het agressief optreden van de Duitsers. Op 3 mei 1943 werden de Noardburgumers Fokke Polet en Jonas Elzinga op de hoek Zomerweg/Kloosterlaan van hun fiets geschoten. Op die zelfde dag werd ook in Burgum geschoten. Dit gebeurde door Duitsers die door Friesland reisden per auto om de staking de kop in te drukken. Op die zelfde dag werd ook in Burgum door deze Duitsers geschoten. Hierbij werd de vrouw S. Beukenkamp door een ricocherende kogel in haar huis getroffen.

Na een ernstige ziekte herstelde zij niet meer geheel en overleed later. Na dit voorval reed op 4 mei 1943 een Duitse overvalwagen naar de boerderij van Freerk Wijma en de inzittenden omsingelde het erf. Wijma werd gevraagd of hij die morgen melk aan de fabriek had geleverd. Wijma antwoordde ontkennend en verklaarde de avondmelk wel te zullen leveren. Toen Wijma weigerde mee te gaan naar Leeuwarden, gaf de commandant het bevel om de jonge boer neer te schieten. De volgende dag werd de melkstaking in Sumar beëindigd. In de vroege morgen van 6 mei werd Wijma in alle stilte in het dorp begraven.

 

 

Home

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt  of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.