|
De Tramboten in oorlogstijd.
Na in de winter van 1939/1940 door
kruiend ijs te zijn onder gegaan, kwam
de gerepareerde 'Friesland' mei 1940
weer in de vaart tussen Lemmer en
Amsterdam in kombinatie met het
zusterschip 'Holland'. Vertrektijden
'Holland': 's morgens 9.00 uur van
Amsterdam en 's avonds 23.00 uur van
Lemmer. 'De Friesland' vertrok 's
morgens 11.00 uur van Lemmer en 23.00
uur 's avonds van Amsterdam, met
uitzondering van zondag, dan werd niet
gevaren. De bemanning van 'De Friesland'
bestond uit: kapitein Jan Bolhuis,
stuurman Evert de Roos, matroos Gerke Bootsma, machinist Feite de Jong,-stoker
Douwe Thijseling, hofmeester Durk Wedman
met de hulp van zijn vrouw Trijntje
Wedman-Prins en kelner Hendrik Dijkstra.
Het waren onzekere tijden die meidagen
van 1940, want de Tweede Wereldoorlog
brak uit. Door het laten zinken van
schepen werd de haven van Lemmer
geblokkeerd en 'De Friesland' van
Amsterdam komende, ging voor de haven
ten anker. Hendrik Dijkstra hield de
wacht aan boord en de rest van de
bemanning ging met de sloep van "De
Friesland' naar de wal. Toen het schip
kort hierna weer naar Amsterdam vertrok,
liet men de familie der bemanning in
onzekerheid achter, want niemand kon
zeggen wanneer men terug zou komen. In
Amsterdam aangekomen bleek schutten in
de Oranjesluizen niet mogelijk, daar op
militair gezag de olie opslagplaatsen in
de petroleumhaven in brand waren
gestoken. Een dikke, zwarte rook hing
over Amsterdam. Pas na de capitulatie
van Nederland kwamen de tramboten weer
tot hun geregelde diensten. Zo keerde
ook Jacob Thijseling terug uit militaire
dienst en werd weer stoker op 'De
Friesland', welke funktie zijn broer
Douwe voor hem had waargenomen. De
winter van 1940/1941 was wederom een
strenge met zware ijsgang, waardoor drie
schepen van de redderij Koppe in de
haven van Urk lagen ingevroren, te weten
'De IJssel', 'De Meppel II' en 'De
Friesland' Doordat een baken door het
kruiende ijs was verplaatst, had 'De
Meppel II vastgezeten op het
Enkhuizerzand en hiervan vlot getrokken
door 'De Friesland' en 'De IJssel',
nadat men over het ijs
lopende, de trossen had overgebracht, De
overwintering op Urk zou dertien weken
duren. Tijdens deze overwintering ging
een deel
der bemanning van de Friesland per auto
van Urk over het ijs van de
droogvallende Noord-oostpolder naar
Lemmer. Een hachelijke onderneming want
ter hoogte van de Rotterdammerhoek
zakten de voorwielen van de auto door
het ijs en was verder doorrijden
onmogelijk. Hofmeester Wedman, Hendrik
Dijkstra en machinist De Jong o.a
moesten toen lopen naar Lemmer, waar men
door en door koud aankwam. Op 16 maart
1941 vertrok men weer per fiets uit
Lemmer 'over de dijk naar Urk na eerst
naar radio Oranje geluisterd te hebben
ten huize van hofmeester Wedman. Deze
16e maart was een zondag en met veel
kommentaar van de Urkers werd men op het
christelijke Urk ontvangen. 's Maandags
vertrokken de drie schepen uit Urk om
via de IJssel en Vreeswijk Amsterdam te
bereiken. Tijdens een ekstra reis van
Amsterdam naar Kampen kon door het hoge
water en stormachtige wind de Friesland
onmogelijk op koers
gehouden worden. Men stond voor de keus
een brug te rammen of het ondergelopen
land op te varen, kapitein Bolhuis koos
voor het laatste. De volgende dag bij
het vallen van het water stond 'De
Friesland' praktisch droog. Een
stomverbaasde boer kwam eens polshoogte
nemen en stelde de onder deze
omstandigheden begrijpelijke vraag: "Wat
komen jullie doen?" Waarop een
bemanningslid antwoordde: "Hooi laden!".
Toen het
s.s. IJssel van de Zwolse dienst in
Kampen aankwam, lagen vijf sleepboten op
'De Friesland' te trekken, maar het
schip kwam niet, vlot Chef technische
dienst Arie de Jong van de rederij Koppe
gaf toen de IJssel opdracht het eens te
proberen, hetgeen lukte.
Tijdens de zomerdienst van 1942 had
hofmeester Wedman buiten zijn vrouw
Trijntje en Hendrik Dijkstra ook nog de
hulp van Tiemen Bouhuis, terwijl de
bemanning werd versterkt met lierjongen
Emylius de Hoop uit Woudsend. Het varen
tijdens de nacht was minder prettig in
die tijd, want op last van de Duitse
bezetters moesten kustverlichting en
bakens worden gedoofd en de
boordverlichting afgeschermd. Dus ekstra
uitkijken was het parool, als was de
dekbemanning wel wat gewend, want bij
mist werd altijd met volle kracht
gevaren. En dit op een druk bevaren en
bevist wordende Zuiderzee c.q.
IJsselmeer. Maar ongelikken zijn niet
voorgekomen hierdoor. En zo gingen deze
eerste oorlogsjaren voorbij zonder
noemenswaardige incidenten, al kwam het
toen al voor, dat de tramboot 's nachts
voor de haven op en neer moest koersen
i.v.m. luchtgevechten boven Lemmer.Wat
men aan boord van vliegtuigen waarnam,
waren geallieerde bommenwerpers die op
weg waren naar Duitsland of daar vandaan
kwamen. Engelse jachtvliegtuigen zag men
toen nog niet, want de beroemde Spitfire
had maar een beperkt vliegbereik en kon
bijv. vanuit Oost-Engeland niet verder
komen dan tot ongeveer Amsterdam en
moest dan weer nodig terug, anders was
de brandstof op. Maar sinds 1941 werden
in Amerika voor de RAF jagers gebouwd,
de zg. Mustangs, die wat later zou
blijken, de beste jachtvliegtuigen van
de Tweede Wereldoorlog te zijn. Met hun
grote vliegbereik, snelheid en
wendbaarheid, begeleiden en beschermden
de Mustangs o.a. de kwetsbare
bommenwerpers van de Amerikanen op hun
dagvluchten naar Duitsland. Het waren
eenpersoons vliegtuigen met een maximum
snelheid in de latere uitvoering van 703
km/uur. De bewapening bestond uit zes
127 mm mitrailleurs, terwijl men ook
raketten kon afvuren. Door de Engelsen
werden ze ondergebracht bij Army
Co-Operation Command, het RAF commando
dat speciaal in het leven was geroepen
voor samenwerking met het landleger als
ontwrichters van transporten ter land en
ter zee in vijandelijk gebied. Dat
aanvallen van de Mustangs ook zouden
plaatsvinden in Nederland bleek uit de
waarschuwing uitgesproken door Koningin
Wilhelmina via radio Oranje: "Men moest
er rekening
mee houden, dat er geschoten zou worden
op treinen, schepen enz. en voor het
openbaar vervoer!" Dus ook
niet-militaire vervoermiddelen werden
het doelwit in door Duitsland bezette
gebieden. Dit alles mede ter
ondersteuning van de Russen, die de
opmars van het Duitse leger in Rusland
tot staan hadden gebracht en derhalve
eventuele troepen- en
materiaalverplaatsingen tegengegaan
moesten worden. Machinist Feite de Jong
van 'De Friesland' werd gewaarschuwd
door zijn broer Jan, die de boodschap
uit Engeland had gehoord. Maar er werd
niets gedaan aan enige bescherming op de
tramboten voor de passagiers en
bemanning.
Beschieting s.s. Holland.
Op
woensdag 14 oktober 1942 stegen om 12.15
uur (Engelse tijd) in Duxford vier
Mustangs op voor aanvallen op
gronddoelen in Nederland. De formatie
behoorde tot squardon 268 en bestond
uit: De Mustang AG-529, gevlogen door
Wing Commander A.F. Anderson; De Mustang
AG-474, gevlogen door Flight luitenant
J.M. MacDonald; De Mustang AP-243,
gevlogen door Pilot.....? (is niet
leesbaar.
Wing
Comamander Anderson was onderscheiden
met het DFC (Distinguished Flying
Cross). Men verliet de Engelse kust om
12.30 uur bij
Southwold en vloog Nederland binnen om
13.16 uur en wel 6 mijl ten noorden van
Bergen aan Zee. Hier deed de formatie
een aanval op
een Duits barakkenkamp zonder
waarneembaar resultaat Wel werd een
geschutsstelling ontdekt in dit gebied.
De vier vliegtuigen gingen over op een
oostelijke koers tot aan het Noord
Hollands Kanaal, waarop geen schepen
werden gezien en volgden het, kanaal tot
Alkmaar. Ze zagen hier drie locomotieven
en ongeveer, honderd twintig
goederenwagons. Volgens waarneming
werden twee locomotieven flink
beschadigd na de aanval met de
boordwapens. Vanaf Alkmaar ging het over
de spoorlijn in oostelijke richting. Een
goederentrein werd beschoten en tot
stoppen gedwongen, na de aanval zag men
stoomwolken opstijgen uit de locomotief.
Verderop was weer een trein het doelwit.
Resultaat: treffers in de stoomketel van
de locomotief. Men vloog richting
Enkhuizen, waar in de haven schepen
werden beschoten. Op de rede voeren twee
schepen, gesleept door een sleepboot. Na
de beschieting waren treffers te zien op
de sleepboot en het voorste gesleepte
schip, maar niet de opvang van de
schade. Verder oostelijk zagen ze een
voor anker liggend schip en een
baggermolen, welke ook werden
beschadigd, waarbij de stoomketel van de
baggermolen schade opliep. De
vliegtuigen zetten nu koers naar Lemmer.
Onderweg deed men aanvallen op vijftien
tot twintig schepen zonder zichtbaar
resultaat. Lichtvijandelijk afweervuur
werd ondervonden vanuit Lemmer.
Noordwest van Workum zag de formatie een
groot schip met een geschatte tonnage
van 500 ton. (Dit was 'De Holland') Na
de beschieting die volgde, claimde men
vanuit de lucht treffers in de
bovenbouw; alsmede een beginnende brand,
waarschijnlijk in de bovenbouw aan
bakboord. Op noordwestelijke
koersligging ging het vervolgens
richting Vlieland
en vandaar terug naar Engeland. Om 13.00
uur had men ook twee mijl zuidwest van
de Kooi een uit zeven schepen bestaand
konvooi ontdekt, stomende in zuidelijke
richting maar niet aangevallen. De vier
Mustangs bereikten om 14.05 de Engelse
kust en landden om 14.30 in Snailwell
Gedurende deze operatie werden geen
Duitse vliegtuigen ontmoet 'De Holland'
was deze woensdagochtend om negen uur
van de Ruyterkade in Amsterdam
vertrokken naar Lemmer met als
bemanning:
Kapitein: Teun de Wit.
Stuurman: Herman Meynen.
Matroos: Arie Verwey.
Lierjongen: Cornelis den
Hartog.
Machinist: Piet Kamminga.
Stoker: Zijn zoon Jan
Kamminga.
Hofmeester: Algera.
Kelner: v.m. Johan Atsma.
Foto van dochter Karin Kamminga: Jan
Kamminga op boot.
Het was
redelijk goed weer en buiten een
behoorlijke lading had het schip veel
passagiers aan boord. Onder deze
passagiers tien leden van de familie
Tromp uit Lisse. Hun reisdoel was Akkrum,
waar de oudste zoon Govert Cornelis
Tromp zou trouwen met mej. van Woerden.
Op verzoek van mej. van Essen reisde men
vanwege het beschietingsgevaar niet met
de trein, maar met de boot naar Lemmer
en van hieruit verder met het trammetje
naar Akkrum. Tijdens de reis bevond de
familie zich in de salon onderdeks, maar
ter hoogte van Urk stelde zoon Gerrit
Tromp voor naar promenadedek te gaan om
het voorbijvaren van Urk te aanschouwen.
Hier aangekomen stond en zat men naast
de stuurhut met uitzonderding van de 61
-jarige weduwe Tromp-Slottje, deze was
beneden in de salon gebleven. Om circa 1
uur zagen ze twee aan twee, vier
vliegtuigen aankomen. Eerste gedachte
Duitse vliegtuigen, maar al gauw zag men
dat het Engelsen waren, die naar beneden
kwamen duiken en zonder een waarschuwing
vooraf 'De Holland' onder vuur namen. Na
de aanval (de vliegtuigen kwamen één
keer over) bleek de uitwerking
verschrikkelijk. De op de bank zittende
25-jarige Keimpe Tromp en zijn 21-jarige
verloofde Hennie Roodenburg uit Abbenes
waren dodelijk in het hoofd geraakt.
Mej. A. Tromp 27 jaar had een kogel in
de blaas gekregen, haar 25 jarige vriend
Jan Beekman een schot in de schouder en
borstbeen. De 25 -jarige mejuffrouw T.
van Essen had een verbrijzeld been en
een slagaderlijke bloeding. Haar 21
-jarige verloofde Gerrit Tromp voelde
dat zijn rug nat werd: toen zijn
colbertje werd opgelicht, zag men
allemaal bloed. Dat hij geraakt was had
hij niet gemerkt. De kogel had gelukkig
geen vitale delen geraakt en zit heden
ten dage nog in zijn lichaam. De oudste
dochter der familie, de 31-jarige weduwe
Niewenhuis-Tromp en haar vijfjarig
dochtertje werden niet geraakt, wel had
een 40-jarige neef, genaamd Keimpe Tromp
een scherf in zijn been. Maar nog groter
was de verschrikking op het
promenadedek, want in de stuurhut was de
42-jarige kapitein Teun de Wit uit
Zwolle en een 42-jarige passagier uit 's
-Gravenhage, genaamd Pieter Messemaker
omgekomen. In het gangboord op het
hoofdek viel de 51-jarige matroos
Adriaan Johan Verheij uit Amsterdam
dodelijk getroffen over de in dekking
liggende 22 -jarige stoker Jan Kamminga
heen, wiens rug nog door dezelfde kogel
werd verwond. Lierjongen Hermanus den
Hartog was in z'n achterwerk geraakt en
stuurman herman Meyen's lip was door een
scherf beschadigd. Ongelofelijk veel
geluk had de 44-jarige machinist Piet
Kamminga, die zich in de machinekamer
bevond tijdens de aanval. Een kogel
vloog dwars door de
machinekamertelegraaf waar Kamminga pal
naast stond. Ook de koffiepot op de
stoomketel werd doorboord. Van de
passagiers behoorden verder Aly
Bethlehem, een circa 15-jarig meisje uit
Wolvega, dat in haar arm was geraakt,
alsmede Hermanus van der Zwart uit
Amsterdam tot de gewonden.
Ziekentransport met behulp van de lier
van de heer G. Tromp op 14 oktober 1942
vanaf 'De Holland'
Het was
een nare en chaotische toestand aan
boord van de beschieting. De niet meer
gestuurd wordende Holland voer met volle
kracht in de richting van de
Noordoostpolderdijk. In de 2e klasse
kajuit in het voorschip had een
binnenschipper liggen slapen, die wakker
was geworden van het schieten. Na de
aanval op het dek gekomen, zag hij dat
men recht op de dijk aanvoer, een blijk
op de stuurhut deed hem beseffen dat het
schip niet meer werd gestuurd. Snel
begaf deze onbekende schipper zich naar
de stuurhut en bracht 'De Holland' op
een veiliger koers en voorkwam zo een
tweede ramp. Toen de deur van de
stuurhut werd geopend, zag mej. van
Essen de stoffelijke overschotten van
kapitein de Wit en de heer Messemaker
uit de stuurhut vallen. De machine werd
gestopt en met een stilliggend schip
werd provisorisch begonnen met het
verbinden der gewonden. En dan te
bedenken dat er geen verbandtrommel aan
boord was!. Door het afbinden van haar
been werd de slagaderlijke bloeding van
mej. van Essen gestopt en haar been in
de normale stand teruggedraaid. Ze was
volledig bij kennis en verwonderde zich
er over dat de mensen gewoon door
plassen liepen gevormd door water uit de
lek geschoten watertank achter de
schoorsteen en bloed, zonder dat men
hier erg in had. Nadat dit nare werk zo
goed mogelijk was gedaan ging 'De
Holland' weer op weg naar Lemmer met
stuurman Meynen aan het roer. Bij het
ronden van "Het eindje van de dam"
stelde men de daar aanwezigen van het
gebeurde op de hoogte en verzocht te
zorgen voor doktoren en ziekenauto's.
Opvallend was het zeer snelle aanwezig
zijn van ziekenauto's uit Sneek en
Heerenveen. Hadden mensen die aan de
Noordoostpolderdijk werkten Lemmer
gewaarschuwd of was het gebeurde gezien
door leden van de Lemster
luchtbescherming, die een uitkijkpost
had op de Lemstertoren? Leden van deze
luchtbescherming waren o.a.: Geert
Kooiman, Hidde Visser, Andries de Vries
en niet te vergeten wijkverpleegster
Klein. Toen 'De Holland' was afgemeerd,
werd de tramhaven voor het publiek
afgezet door de Duitsters. Aanwezig was
o.a. burgemeester Krijger van
Lemsterland. De doktoren Olivier en
Knufman Ansing verleenden assistentie
van zuster Klein de eerste hulp. De
gewonden kregen een kalmerende injectie,
welke door Gerrit Tromp werd geweigerd
en vervolgens naar Sneek en Heerenveen
vervoerd.
Bij het
van boord dragen der gewonden hielpen
o.a. ?. de Jong, Hidde Visser, Andries de
Vries, Bertus Lemstra en Linze van der
Tuin, het transport der zwaargewonden
ging middels het handgerei van 'De
Holland'. Mej. T. van Essen (sinds 1944
mevr. Tromp) zou aanvankelijk alleen de
reis naar het ziekenhuis van Heerenveen
maken. Een inwoonster uit Lemmer vond
dit erg zielig en is toen met haar
meegereisd in de ziekenauto. Mevr. Tromp
wiens been enige maanden na de
beschieting werd geamputeerd, wilde
later graag in contact komen met deze
onbekende inwoonster (of dit gelukt
is...is niet bekend) De BBC Home and
Forcess Programma meldde in een
nieuwsuitzending op 15 oktober 1942 dat
Mustangs van Army Co-Operation Command
aanvallen hadden gedaan op schepen en
gronddoelen in Holland. Het trouwen in
Akkrum van G. C. Tromp met mej. van
Woerden werd uitgesteld en een paar
dagen later in alle stilte voltrokken.
In Lisse rouwden de inwoners van de
slachtoffers uit hun gemeente. het
voorval met 'De Holland' was niet alleen
vreselijk voor de nabestaanden van de
slachtoffers, maar liet ook een diepe
indruk achter bij de bemanning van de
Friesland. Toen het schip in Lemmer
aankwam, zei mevr. D. Seldenthuis-Loen
tegen machinist Feite de Jong en stoker
Jaap Thijseling: "Jullie zijn er maar
weer gezond en wel" waarop Jaap
antwoordde: "Ja, maar volgende week zijn
wij aan de beurt". De Holland werd
voor reparatie naar het dok in Amsterdam
gebracht, zodat "De Friesland' enige,
weken alleen de trambootdienst tussen
Lemmer en Amsterdam zou moeten
onderhouden. Op het schip werd niets
gedaan aan enige bescherming tegen
luchtaanvallen, alleen was het
promenadedek verboden gebied voor de
passagiers; Men kan zich de
gemoedstoestand indenken van de
bemanning overdag met steeds het
schrikbeeldvoor ogen beschoten te kunnen
worden.
Beschieting s.s. Friesland.
En zo
breekt een donkere dag aan uit de
geschiedenis der tramboten en wel
woensdag 21 oktober 1942. het was
vliegend stormweer uit het noordwesten,
toen 'De Friesland' om 11.00 uur 's
morgens vertrok naar Amsterdam. Vanwege
de storm was 'De Groningen IV' van
Groningen-Lemmer Stoomboot Maatschappij,
reeds eerder van Lemmer vertrokken om
via Enkhuizen de reis naar Amsterdam te
maken. De bemanning van 'De Friesland'
bestond uit de gepensioneerde kapitein
Jolle Hendriksma, vervanger van Bolhuis,
wiens moeder deze dag begraven werd,
stuurman Evert de Roos, matroos Gerke Bootsma, lierjongen Emylius de Hoop,
machinist Feite de Jong, stoker Jacob
Thijseling, hofmeester Durk Wedman en
kelner Hendrik Dijkstra. Voor het
vertrek hadden zich al typische dingen
voorgedaan. Zo was het deze dag de
zestigste verjaardag van stuurman de
Roos. Toen zijn zoon hem feliciteerde en
daarbij schertsend opmerkte "Vader nu
moet je eigenlijk een koek op je arm
hebben", antwoordde de Roos: "Als het
maar geen kogels door mijn arm worden".
Later per fiets op weg naar de tramhaven
keerde hij halverwege terug en vroeg aan
zijn zoon die voer op de grote vaart,
maar door de oorlog noodgedwongen thuis
was: "Als ik gewonden aan boord heb,
hoeveel maal moet ik dan blazen met de
stoomfluit ?". Mevr. T. Wedman-Prins zou
deze reis wegens ziekte niet meemaken,
toen ze afscheid nam van haar man, begon
ze plotseling te huilen, op het waarom
kan ze heden ten dage geen antwoord
geven. Ter bescherming van de bemanning
aan dek had Gerke Bootsma op het
voorschip van lege houten biervaten een
schuilplaats gemaakt en voorts liep
Emylius de Hoop overdag vliegtuigwacht.
Maar men had de stellige overtuiging dat
vliegtuigen met dit weer niet zouden
vliegen. Helaas om 9.30 (Engelse tijd)
waren vier Mustangs van Snailwell naar
Coltishall vertrokken, waar om 9.50 werd
geland .Na te zijn bijgetankt werd om
10.00 opgestegen voor aanvallen op
gronddoelen in Nederland en
West-Duitsland. Deze formatie bestond
uit:
De AG-529.gevlogen door
Wing Command, A F. Anderson;
De AG-433, gevlogen door Flight
Lieutenant, B. P. W. Clapin;
De AM-137, gevlogen door Pilot Officer,
O. R Chapman ;
De AP-313, gevlogen door Pilot Officer,
W. T. Hawkins.

268
mustang.
Anderson
en Chapman hadden ook de vlucht van 14
oktober jl. meegemaakt, waarbij 'De
Holland' was beschoten. De koers was 78
graden en de vliegsnelheid bedroeg 370
km/uur. Ter hoogte van Texel kwamen ze
in een zware storm terecht. Men volgde
de waddeneilanden tot Oost- Terschelling
en vloog op een zuidelijke koers tussen
Terschelling en Ameland door naar het
vast land Het regende hevig en het zicht
bedroeg 450 meter. Ze bleven de
noordkust van Nederland volgen en na
passage van de Lauwerszee werd
de koers 155 graden. Na circa 5 minuten
was de spoorlijn Groningen-Winschoten
bereikt, waar een koerswijziging volgde
in 1.25 graden richting Duitsland In
Duitsland, vier mijl zuidwest van
Heede, volgde een aanval op een barakken
kamp, waarbij brand uitbrak in een rij
barakken. Op dezelfde koers bereikte men
het Dortmund Emskanaal, waar in de buurt
van Lathen een gashouder en een fabriek
werden beschoten waarbij de treffers
waren te zien. Middels een zuidelijke
koers ging het naar Meppen, waar geen
spoorwegverkeer werd waargenomen op de
lijn Aschendorf - Meppen. In de
schutsluis van Meppen was een klein
schip het doelwit, deze aanval ging wel
gepaard met afweervuur vanaf de grond
Vanaf Meppen op een koers van 270 graden
richting Nederland, waar schepen op
diverse kanalen het mikpunt waren. Het
IJsselmeer werd aangevlogen nabij Urk
waarna men overging op een
noordwestelijke koers, En toen begon de
ellende voor 'De Friesland' en 'De
Groningen IV', want, ca. 15 mijl
noordwest van Urk volgde volgens het
vliegrapport de beschieting van deze
schepen. Men claimde treffers aan
bakboord van de Friesland.
Stuurman Evert de Roos.
De herstelde Friesland heropent de
dienst Amsterdam-Lemmer v.v.
Na de
passage van de Afsluitdijk hielden de
vliegtuigen een noordelijke koers aan en
op 15 mijl zuidwest van Harlingen volgde
nog een beschieting van een schip. De
formatie vloog tussen Texel en Vlieland
door en zette op 260 graden koers naar
hun basis in Snailwell, waar ze om 12.40
landden. Ook tijdens deze operatie vond
geen ontmoeting plaats met Duitse
vliegtuigen. De vliegsnelheid boven
vijandelijk gebied bedroeg 465 km/uur en
daarbuiten 370 km/uur. Stuurman de Roos
had 'De Friesland' de Tramhaven
uitgebracht en gaf kort voor men de
Rotterdammerhoek dwars had, het roer
over aan Hendriksma en ging naar beneden
om in de kombuis het middagmaal klaar te
maken. De dek- en machinekamermensen
namen groeten en vlees kant en klaar mee
van huis. De aardappelen werden aan
boord gekookt, waar stuurman de Roos
zich mee bezig zou houden. Trouw aan de
Lemster gewoonte: "Twaalf uur warm
eten", werd de maaltijd dan gebruikt in
de tweede klas kajuit in het voorschip.
De familie Wedman en Hendrik Dijkstra
aten meestal na de aankomst in
Amsterdam. Machinist de Jong had deze
reis groente mee waar hij de meeste
hekel aan had, namelijk worteltjes, maar
van eten zou deze dag niks komen. Toen
stuurman de Roos naar beneden kwam, zei
Gerke Bootsma dat hij boven wel een
oogje in het zeil zou houden en verdween
in de stuurhut. De rest van de bemanning
bevond zich op dat moment in het
gangboord aan bakboord. De weinige
passagiers zaten in de salon op het
hoofddek vanwege het stormachtige weer.
Het was toen circa half twaalf. Op dat
tijdstip zag Emylius de Hoop twee van de
vier Mustangs over de
Noordoostpolderdijk en schreeuwde naar
achteren: "Vliegtuigen"; waarop de
32-jarige Hendrik Dijkstra vanuit het
gangboord door de (gelukkig) openstaande
deur van de kajuit sprong en daar tegen
de aanwezige passagiers riep, dat ze in
dekking moesten gaan. Jacb Thijseling,
Durk Wedman en Feite de Jong verlieten
het gangboord en gingen op weg naar de
schuilplaats die Gerke Bootsma op het
voorschip had gemaakt. Maar ter hoogte
van het luik van het ruim werden de drie
vluchtenden reeds getroffen door de
inslaande kogels. De 38-jarige Jacob
Thijseling vond hier de dood en de
?-jarige hofmeester Wedman werd in de
rug geraakt. Ook de 42-jarige Feite de
Jong was getroffen, hetgeen toen nog
niet werd gemerkt. Maar nog groter was
de tragiek, want de arme mensen in de
stuurhut hadden geen enkele kans gehad
in de ruimte, die van hout en glas was
opgebouwd. De 69-jarige Jelke Hendriksma
en de 39-jarige Gerke Bootsma waren hier
dodelijk getroffen.
Jeugdfoto kapitein J. Hendriksma.
Emylius
de Hoop.
Gerke behoorde vanaf
het in de vaart komen van 'De
Friesland'. dat was in mei 1925 tot de
vaste bemanning. Lierjongen Emylius de
Hoop, die de vliegtuigen het eerst had
waargenomen was op het voorschip
getroffen. Hendrik Dijkstra mankeerde
niets en ook onder de passagiers vielen
er geen slachtoffers, daar ze zich in de
kajuit bevonden vanwege het slechte
weer. Net als bij 'De Holland' waren ook
nu de vliegtuigen maar één keer
overgekomen voor de aanval. Na de
beschieting is de zwaargewonde
hofmeester Wedman vanaf het dek naar
zijn hut in het achterschip gestrompeld.
gelukkig was er onder de passagiers een
oud-verpleegster die hem heeft verzorgd
en verbonden. Ze was bang dat zijn
nieren waren geraakt, want zijn rug zat
vol splinters. Als verband werd een
beddelaken gebruikt, dat door Hendrik
Dijkstra op haar verzoek in repen werd
gescheurd. Op het voorschip lag de arme
Emylius de Hoop met een vreselijke wond
beneden in zijn rug. Van zitkussens uit
de kajuit maakte Hendrik ter plaatse een
bed en gaf hem iets te drinken. Stuurman
de Roos in de kombuis was niet geraakt,
al zat er wel een scherf in zijn klomp.
Vanuit de kombuis ging hij naar de
stuurhut en trok daar zeven maal aan de
stoomfluit, ten teken dat er gewonden
aan boord waren. Weer beneden gekomen
liet hij, daar inmiddels de machine was
gestopt het anker vallen, hetgeen nog
ontraden werd door Feite de Jong. Deze
vond dat men niet op zee kon blijven
wachten op hulp van de wal met de
zwaargewonden aan boord. De voor anker
liggende Friesland ging nu zwaar liggen
stampen op de hoge zee. Het fluitsignaal
van 'De Friesland' werd gehoord door de
zoon van de Roos, die aan de
Noordoostpolderdijk werkte. Deze begreep
hieruit, dat het in ieder geval goed was
met zijn vader en ging terstond op weg
om Lemmer in kennis te stellen van het
gebeurde. Aan boord van 'De Friesland'
besloot men om terug te keren naar
Lemmer, zijnde de dichtst bijgelegen
haven. Hendrik Dijkstra draaide met
behulp van een passagier het zware anker
omhoog en Feite de Jong stond aan het
roer in de stuurhut. Opnieuw een
tegenslag, want buiten het feit dat het
grote houten stuurwiel voor de helft was
weggeschoten, zat ook het stuurgerei
vast. Na inspectie bleek een kogen
tussen de tandwielen van de stuurmachine
te zitten. In het schip zaten meer dan
tweehonderd kogelgaten. En zo werd de
droeve terugvaart aangevangen waar
,,meester" Feite tot aan zijn dood last
van heeft gehad. Staande in de stuurhut
met hierin de stoffelijke overschotten
van Hendriksma en Gerke, bij het ruim
zijn stoker Jaap wiens uitspraak van een
week geleden zo akelig precies was
uitgekomen en op het voorschip de
zwaargewonde Emylius , die maar riep
"Meester, meester, help me toch", is hem
altijd bijgebleven. het gebeurde nadien
regelmatig dat hij in zijn slaap lag te
gillen, wanneer deze verschrikking weer
boven kwam. Later op de terugtocht nam
stuurman de Roos die wel een bijzonder
slechte verjaardag had en erg aangedaan
was door het gebeurde het roer over en
gingen Feite de Jong en Hendrik Dijkstra
naar de machinekamer.
F. de
Jong, de machinist van 'De Friesland'
december 1939.
Hier
aangekomen klaagde De Jong over pijn aan
z'n been. Hij dacht dat hij gestruikeld
was bij het vluchten, maar toen zijn
broekspijp werd opgerold, zagen ze dat
er door zijn been was geschoten. Tijdens
de race tegen de klok van 'De Friesland'
verzorgde Hendrik ook éénmaal de vuren
van de stoomketel en verstrekte tevens
de passagiers een kop koffie om wat op
verhaal te komen van deze droeve
gebeurtenissen en de zeeziekte. Bij het
voorbijvaren van de strekdam werd
wederom zeven maal met de stoomfluit
geblazen om Lemmer te waarschuwen dat er
gewonden aan boord waren. Maar het zou
niet meer mogen baten voor de
zwaargewonde Emylius de Hoop. Deze
achttienjarige lierjongen uit Woudsend
sinds een half jaar aan boord van 'De
Friesland' bezweek in het zicht van de
haven aan zijn verwondingen. Het was
deze dag weer zijn eerste reis na een
afwezigheid wegens ziekte. Zijn moeder
overleed een jaar later van verdriet. Ze
liggen naast elkaar begraven op het
kleine kerkhofje bij Woudsend. Bij
aankomst voer ' De Friesland direct de
Tramhaven in en niet zoals gebruikelijk
eerst draaien bij de sluis en dan
achteruit de haven in. Na het afmeren
kwamen Duitse marinemensen aan boord en
de Lemster doktoren Olivier en Knufman
met zuster Klein verleemden eerste hulp.
Hofmeester Wedman en machinist de Jong
werden naar het ziekenhuis van
Heerenveen vervoerd.
Er brak
paniek uit bij de tramhaven toen er
vliegtuigen overkwamen. De passagiers
van 'De Friesland' die net waren
overgestapt op het trammetje verlieten
deze weer snel en gingen met de
aanwezige Lemsters in dekking, maar er
werd gelukkig niet geschoten.
Dat 'De Friesland' beschoten was, werd
al gauw bekend en maakte diepe indruk in
heel de Lemmer, al werd het gebeurde wel
erg ongelukkig doorverteld Er werd
namelijk gezegd, dat de "tramboot" was
beschoten, daarom teruggekomen was en
dat ze (de bemanning) allemaal dood
waren. Al was het al erg genoeg, dat was
gelukkig niet waar, dokter Knufman kwam
persoonlijk vertellen, hoe het met Feite
de Jong was gesteld en dat hij naar het
ziekenhuis moest. Later in de middag
weer een noodkreet middels de stoomfluit
Dit maal waren het de 'Jan Nieveen' met
'De Groningen IV', beide van de
Groningen - Lemmer Stoomboot
Maatschappij, op sleeptouw die de haven
van Lemmer binnenkwamen. Zoals bekend
was de, Groningen IV eerder dan de
Friesland deze morgen van
Lemmer naar Amsterdam-vertrokken
en door dezelfde formatie Mustangs
beschoten, Hierbij werd stuurman Jaap
Stienstra getroffen. Ook de stoomketel
werd geraakt waardoor deze leeg liep en
niet verder gevaren kon worden. Met de
noodvlag in top ging 'De Groningen IV'
voor anker. Daar het schip via Enkhuizen
naar Amsterdam had willen varen en
derhalve buiten de normale vaarroute
lag, werd het pas laat ontdekt door de
Jan Nieveen. Toen de Groningen IV
werd binnengebracht kwam hulp te laat
voor de 49-jarige stuurman Stienstra.
Hij overleed tijdens het vervoer van de
boot, die in de sluis lag, naar de
gereedstaande ziekenauto. Op 22,oktober
1942 meldde de BBC via het Home and
Forces Programma, dat Mustangs van Army
Co-Operation Command aanvallen hadden
gedaan op het Dortmund- Emskanaal, een
schip op het IJsselmeer, het vliegveld
bij Laeken in België, plus militaire
kampen en vliegvelden in Nederland. De
Nederlandse pers kreeg van de Duitsers
het volgende perscommuniqué, dat op 26
oktober in de toenmalige kranten werd
gepubliceerd: Britsche Terreuraanvallen
op Nederlands gebied: "Bij
willekeurige vluchten overdag van Britse
vliegers op Nederlandsch gebied, werden
op overvallen gelijkende aanvallen met
de boordwapens gedaan voornamelijk op
burgerlijke doelen welke aanvallen
duidelijk een terroristisch karakter
droegen. Aan boord van een schip
werden drie leden van het
scheepspersoneel gedood en drie anderen
zwaar gewond. Van de bemanning van een
ander schip werd de stuurman gedood.
Voorts werden van de burgerbevolking
vier personen gedood, vijf zwaar en
verscheidenen licht gewond. De
aangerichte materiële schade is gering.
De poging om een militair doel aan te
vallen, mislukte door den krachtigen
afweer" De voorvallen met de boten was
ook koren op de molen van Duits gezinde
lieden, want zo kreeg mej. T. van Essen
uit Lisse te horen, dat ze haar prothese
maar mooi had te danken aan haar Engelse
vriendjes. Het toenmalige hoofd van de
Mulo in Lemmer vertelde in de klas, dat
de Engelsen de oorlog niet konden winnen
en daarom die kleine bootjes maar gingen
beschieten. De pro-Duitse
vertegenwoordiger van boten en tram in
Lemmer had ook een aardigheidje, dat erg
leuk was voor de familie der gewonden,
Er was op de Friesland een kogel door
een vat boter gevlogen en de boter was
groen uitgeslagen.
Zijn konklusie: "De Engelsen schoten met
vergiftigde kogels".
De
Friesland ging voor reparatie naar
Amsterdam. Van te voren hadden mevr.
Wedman en Hendrik Dijkstra de spullen
der familie Wedman van boord gehaald en,
thuis opgeslagen, ze woonden toen op de
Nieuwedijk in Lemmer. Machinist De Jong
heeft tien dagen in het ziekenhuis van
Heerenveen gelegen, hofmeester Wedman
acht weken en is daarna nog maanden
thuis verpleegd. Door het gebeurde had
hij erge last van zijn zenuwen en was
niet tot werken in staat Ook mevr.
Wedman bleef thuis gedurende de
herstelperiode van haar man. Toen na
reparatie de "tramboten" weer in de
vaart kwamen werden stuurhut en dekhuis
t.pl.v. de stoomketel omgeven met
zandzakken, en pakken stro ter
bescherming van de opvarenden en tevens
werd alleen gevaren tijdens de nacht Een
zeer wijs besluit, want de Mustangs
waren nog regelmatig aanwezig overdag.
Ze: werden vaak gezien door de heer L.
Zandstra uit Lemmer, die in die
oorlogsjaren toezicht hield op een ploeg
stenenzetters, werkzaam aan de dijk van
de Noordoostpolder.
De
Noordoostpolder in september 1942
drooggevallen, was toen woest, leeg en
bedekt met meer dan twee meter hoog riet
De Mustangs vlogen hier laag overheen,
waren praktisch ongezien en werden niet
gehinderd door Duits afweervuur. als ze
over de dijk wipten en op zoek gingen
naar schepen. Dit gold voor alle
schepen, zoals uit de vliegrapporten
blijkt en niet alleen de "tram of
Lemmerboten". Uitspraken al zouden de
tramboten Duitse troepen en
legermateriaal hebben vervoerd en daarom
zijn beschoten, berusten op onwaarheid.
Buiten het normale passagiers vervoer,
bestonden de vrachten uit goederen die
al jarenlang waren verscheept, dat er
een vat bier, ton boter, zak meel of een
kaas in Duitse handen viel was met te
vermijden. Wat nu ging gebeuren moet men
niet zien in tegenstelling met het
voorgaande, want 'De Friesland' kreeg
namelijk bescherming van een Duits
begeleidingsvaartuig. Hoe deze service
tot stand kwam is niet bekend. Misschien
door rederij Koppe zelf. Koppe Sr. was
namelijk trouw aanhanger van Duitsland.
In wezen een trieste zaak want zijn zoon
spioneerde voor de geallieerden en werd
hiervoor omgebracht door de Duitsers.
De
bemanning van 'De Friesland' bestond
toen uit o.a. Kapitein Jan
Bolhuis, stuurman Evert Roos, een
matroos met als bijnaam "het vuistje"
machinist Feite de Jong, stoker Jan
Kamminga, terwijl de heer Bosma uit
Lemmer met zijn dochter Anne de familie
Wedman verving in pantry en Hendrik
Dijkstra.
De
Friesland tijdens ijsgang aan lagerwal.
V.l.n.r: J. Thijseling, D. Wedman, F. de
Jong en G. Bootsma. (Winter 1940-1941)
Aan
boord van 'De Friesland' v.l.n.r: Tijme
Bouwhuis, stuurman Evert de Roos,
Emylius de Hoop, Trijntje Wedman-Prins,
Janke Visser en Hendrik Dijkstra. (Zomer
1942)
Het
personeel van de "Friesland". Van links
naar rechts: Johannes de Jong, Gerke
Bootsma (beide matroos) Evert de Roos
stuurman, J. Bolhuis kapitein, D. Wedman
hofmeester, Jan Kamminga, mevr. Wedman,
R. Dijkstra en geheel rechts met witte
pet Hendrik Dijkstra. De overigen zijn
niet bekend.
Men
verrichte de werkzaamheden onder grote
spanning en de schrik zat er zo in dat
het vallen van metalen voorwerpen of het
plotseling gaan rollen van steenkool in
de bunkers de bemanning al dekking deed
zoeken. Begrijpelijk na tien doden en
twaalf gewonden in een week tijd. Zo was
er in een nacht op weg naar Amsterdam
plotseling hevig geschiet, De Jong en
Kamminga zochten onmiddellijk dekking in
de machinekamer het ergste vrezende.
Toen het schieten zo'n vijf minuten had
geduurd en geen inslagen werden gehoord
besloot Jan Kamminga een polshoogte te
nemen. Door de patrijspoort kijkende zag
hij dat de Duitsers aan het oefenen
waren zonder enige waarschuwing vooraf.
Machinist De Jong werd toen vreselijk
kwaad en aan dek gekomen schold hij de
Duitsers de huid vol.
Hetzelfde begeleidingsvaartuig kon een
paar dagen later bij stormweer de
Friesland niet bijhouden. De Duitse
bemanning vond het slingeren van hun
schip prachtig en gooide er nog een
schepje bovenop door in de hekgolf van
de Friesland te gaan varen. Het
slingeren werd nu steeds heviger met als
gevolg dat het scheepje kapseisde en de
Duitsers in zee terecht kwamen. Aan
boord van de Friesland had men vol
verbazing het gevaarlijke spelletje
gevolgd en zich al afgevraagd hoelang
dit goed zou gaan. De eerlijkheid gebied
te zeggen dat er toen stemmen opgingen
om de in zee spartelende Duitsers te
laten zwemmen maar angst gearresteerd te
worden wegens sabotage weerhield hen,
zodat de Duitsers aan boord werden
genomen. Gelukkig heeft er nooit een
ontmoeting
plaats gehad met de Mustangs, want wat
dat had moeten worden. Het was dan ook
al gauw afgelopen met de Duitse
bescherming. Het 's nachts varen in de
aardedonkere nachten was ook geen
pretje, want zoals reeds eerder gezegd
was op land en zee alles verduisterd op
last van de Duitsers uitkijken bleef dus
het parool. Op een van die donkere
nachten vertrok de Friesland om elf uur'
s avonds van Lemmer. Het waaide nogal
hard en de machine stond vol aan.
Plotseling een harde klap gevolgd door
een schok door het hele schip. Machinist
Feite de Jong kon hierdoor niet op de
been blijven en schoof van de
bedieningsstand tot voor de stoomketel,
waar een vallende koffiepot hem op een
haar na miste. De oorzaak van dat alles
was een motorvrachtschip, dat in de
avond aan de gording was afgemeerd en te
ver van de kant lag. Door de intense
duisternis had men het schip niet
opgemerkt en was er bovenop gevaren.
Gelukkig bleef de schade beperkt en kon
men verder varen naar Amsterdam. Tijdens
weer zo'n aardedonkere nacht voer de
Friesland om circa half drie bovenop een
Duits vaartuig dat in de vaarroute voor
anker lag. Machinist De Jong en stoker
Jan Kamminga zaten op dat moment naast
elkaar te knikkebollen in de
machinekamer. Door de schok vlogen ze
met stoel en al van stuur- naar
bakboord. Het Duitse vaartuig werd ter
plaatse van het volksverblijf geraakt,
waar gewonden vielen. De Duitse
commandant lichtte prompt het anker na
het voorval en voer naar Lemmer. De voor
die reis voor kapitein Bolhuis
invallende Berends van de Zwolse dienst,
bracht na aankomst in Lemmer verslag uit
bij de plaatselijke commandant, die nog
al te keer ging, want hij had niets
vernomen van de commandant van het
Duitse vaartuig. Deze was nog dezelfde
ochtend vertrokken naar Emden. Zulke
voorvallen en de veelvuldige
luchtgevechten boven Lemmer waarbij
brandende vliegtuigen soms over de boten
scheerden, gaven uren vertraging. En was
de bemanning eindelijk aan wal, dan werd
men regelmatig onderweg naar huis
aangehouden door een Duitse patrouille,
die al hun papieren in moest zien,
hetgeen gebeurde bij het licht van een
verblindende zaklantaarn. Speciaal
machinist De Jong zag dan helemaal niets
meer, daar hij last had van
nachtblindheid en na de kontrole op de
tast thuis moest zien te komen. De avond
van 27 januari 1943 hoefde de Friesland
om onbekende reden niet te vertrekken
naar Amsterdam.
In de
nacht van 3 op 4 april 1943 voer de
Friesland met volle kracht op de
strekdam van Noordoostpolderdijk bij
Lemmer. Dit voorval werd in eerste
instantie veroorzaakt door de harde
noordwester storm die er waaide en ten
tweede door de algehele verduistering.
men voer toen namelijk op een bepaald
tijdschema. Als men ter hoogte van de
N.O. polderdijk kwam, was het vanaf de
Rotterdammerhoek tot de strekdam
vijftien minuten varen. Maar door de
storm en voor de wind varend was de
Friesland vijf minuten ingelopen op het
schema. Dat men nabij de strekdam kwam,
werd reeds gemerkt in de machinekamer
aan de loop van de machine. Door de hoge
achterop komende zeeën sloeg de
Friesland dwarszees tegen de strekdam
aan en al liet kapitein Bolhuis
onmiddellijk volle kracht achteruit
slaan, dit mocht niet baten, het schip
zat muurvast. Persoonlijke ongelukken
deden zich niet voor. Dagen later werd
de Friesland met behulp van twee
drijvende bokken van Goedkoop uit
Amsterdam van de strekdam gelicht. Tot
ieders verbazing had het schip geen
noemenswaardige schade opgelopen.
Zaterdag
3 april 1943 was de dag geweest dat
Gerben Bootsma, de oudere broer van de
bij de beschieting omgekomen Gerke
Bootsma werd gearresteerd. Gerben
Bootsma was kapitein op de
Holland-Friesland IV van de
Stânfriesboten en gepakt voor het
volgende "misdrijf": In de laatste week
van maart 1943 werd bij helder maanlicht
een laagvliegende Halifax van de RAF
boven Amersfoort getroffen door de
Duiste Flak. het toestel kon naar het
noordwesten afzwenken, maar verloor snel
hoogte. Kwam boven het IJsselmeer, maar
kon de kust van Noord-Holland niet
halen. het niet brandende toestel streek
neer op het rustige water van het
IJsselmeer tussen Enkhuizen en de Friese
kust. Er waren negen man aan boord,
zeven bemanningsleden en twee
Nederlandse geheime agenten. Een van de
agenten was geraakt tijdens de
beschieting en bleek na de noodlanding
niet meer in leven te zijn. De
vermoedelijk positie van het wrak werd
doorgegeven door Duitse waarnemers aan
de Abwehr...waarop Patrouilleboten zich
er heen spoedden. De zeven geallieerde
Engelsen en geheim agent Pier Gerbrands,
schuilnaam Kees Verhoef, zaten op een
rubbervlot.

VERHOEF, Pleun: 19191130 Vianen –
19440706 IJsselmeer; SOE agent; RVV;
19440705/06 (near Makkum, Friesland);
Hudson FK790 of 161 Special Duties
Squadron was shot down and Verhoef was
killed: @ code name operation FIVES I;
code name RACQUETS; L. VORSTMAN.
BOCKMA, Jan: 19210831 IJlst – 19440706
IJsselmeer; SOE agent; wireless operator
to P. Verhoef; 19440705/06 (near Makkum,
Friesland); Hudson FK790 of 161 Special
Squadron was shot down and Bockma was
killed: @ training name Jan BOREL; code
name mission FIVES I; code name HALMA;
field name Jan BOERSMA.
Dutch agents 1940 –
1945
Ze hadden
de andere dode agent in het
vliegtuigwrak moeten achterlaten, helaas
zonder de papieren uit zijn kleding te
halen. Het vlot werd opgemerkt door de
Holland-Friesland IV. Agent Gerbrands
vertelde Bootsma dat hij boven de Veluwe
met zijn marconist had willen
afspringen. kapitein Bootsma had echter
goede hoop de mensen veilig in Enkhuizen
te krijgen. Maar de Duitse
Patrouilleboten waren sneller, want toen
stuurman Dirk Buma het schip afmeerde,
stonden er gewapende Duitse
politiemensen te wachten. Hoe Gerben
Bootsma het voor elkaar heeft gekregen
is niet bekend, maar bij het tellen van
de koppen was geheim agent Gerbrands
verdwenen. De Duitsers waren niet op de
hoogte van het juiste aantal waardoor
Gerbrands dankzij Bootsma en
hulpvaardige Enkhuizers kon verdwijnen.
Helaas was een palingvisser getuige
geweest, toen de mensen uit het wrak op
het rubbervlot stapten en gaf het aantal
mensen op aan de Duisters van een
patrouilleboot. Dit aantal was één meer
dan er in Enkhuizen waren gearresteerd.
Het vliegtuigwrak jammer genoeg nog
drijvende, werd nu nauwkeurig onderzocht
en alle papieren van de dode
doorgezonden naar de S.D. in Den Haag.
De Engelse vliegers werden dagenlang
verhoord en de captain kon niet
ontkennen, dat er twee agenten waren
geweest, want men had negen parachutes
in het wrak gevonden.
Op 3
april reden de S.D.'ers
Joseph Schreieder,
Karl Grimm, Nico Johannsen en de grote
landverrader Anton van der Waals naar
Lemmer, er vanuit gaande dat Bootsma de
geheim agent had verborgen. Schreider
wist dat Bootsma die dag thuis zou komen
van een reis uit Rotterdam. Na
arrestatie werd hij naar Leeuwarden
gebracht, vandaar naar Scheveningen en
vervolgens naar Utrecht, waar hij na
vreselijke verhoren uiteindelijk aldaar
door een Duitse rechtbank tot
levenslange tuchthuisstraf werd
veroordeeld, wegens hulpverlening aan de
vijand. Ook de rest van de bemanning
werd gearresteerd, maar reeds tijdens de
bezetting in vrijheid gesteld. Buurman
Gerben Bootsma verbleef in verschillende
tuchthuizen in Duitsland en overleed
vijf dagen na zijn bevrijding in
Butzbach tengevolge van verzwakking.
De Rederij
Koppe NV te Amsterdam waartoe de
Tramboten behoorden, ging op 8 juli 1943
een verbintenis aan met de Nederlandse
Spoorwegen. Koppe had op 13 februari
1942 al Verschure en Co's Algemene
Stoomvaart Maatschappij, waarvan hij in
de directie zat overgenomen. Deze nieuwe
verbintenis hield ook een
naamverandering in voor de schepen, die
allemaal een riviernaam kregen met
daarachter de uitgaande "stroom". Zo
werd o.a. Holland _ Rijnstroom;
Friesland _ Waalstroom; IJssel _
IJsselstroom. De Duitse bezetters riepen
in dat jaar oud-militairen op zich te
melden. Ze zouden te werk worden
gesteld, in Duitsland, met alle
voordelen van dien. Maar dit was niet
het grote ideaal wat kelner Hendrik
Dijkstra voor ogen had, hij dook onder.
De
bemanning van de Waalstroom bestond toen
uit kapitein Jan Bolhuis, stuurman Evert
de Roos, matroos en stuurman Klaas
Bolhuis, zoon van de kapitein en
machinist Feite de Jong, stoker Jan
Kamminga, hofmeester Wedman, kelner
Tiemen Bouhuis, die ook als stoker
dienst deed, dit alles om tewerkstelling
in Duitsland te ontlopen. Niet alleen
voor de passagiers en vracht was de
bootverbinding van belang, mede omdat
motorbrandstof steeds schaarser werd,
maar ook voor onderduikers die naar
Friesland uitweken en als verbinding met
de illegaliteit. Soms was de bemanning
op de hoogte, als een belangrijk persoon
uit het verzet de overtocht moest maken
en buiten de kontrole van der Duitsers
moest blijven. Maar het ging ook wel
eens anders, want toen machinist Feite
de Jong op een avond bij de tramhaven
kwam, bleek deze te zijn afgezet door
Duitse soldaten. Men zocht een
verzetsman die betrokken was geweest bij
de overval op het distributiekantoor van
Langweer en de Duitsers vermoeden dat
deze zich aan boord van de Waalstroom
zou bevinden. het gehele schip werd
doorzocht en de bemanning verhoord, maar
er werd niemand gevonden. Uiteindelijk
mocht de Waalstroom vertrekken, al
bleven er wel Duitse soldaten aan boord.
Toen stoker Jan Kamminga de vuren wou
gaan verzorgen, kwam de gezochte met
getrokken revolver uit de kolenbunker
gestapt en zei tegen de hevig
geschrokken De Jong en Kamminga: "Als
jullie mij aangeven schiet ik ter
afscheid wel een paar moffen overhoop".
Men stelde hem echter gauw gerust en
later bracht Kamminga de roetzwarte
verzetsman naar het voorschip, waar hij
zich kon wassen. Hoe de man van boord is
gekomen, is nooit duidelijk geworden,
men vermoedde dat hij voor de
Oranjesluizen overboord is gesprongen.
Na de bevrijding bracht deze door de
oorlog invalide geworden man samen met
zijn vrouw een bezoek aan de Waalstroom
en wilde haar met alle geweld laten
zien, waar hij zicht had weten schuil te
houden voor de Duitsers. Hij moest de
machinekamer ingedragen worden door de
bemanning.
Motorvrachtschepen die het IJsselmeer
bevoeren waren in de laatste
oorlogsjaren tot werkloosheid gedoemd,
daar brandstofolie alleen op vergunning
van de Duitsers werd verstrekt. De
stoomschepen van de Trambootdienst en de
Groningen-Lemmer-Stoombootmaatschappij
gingen nu deze motorboten slepen.
Vanwege het grote vrachtaanbod had men
hier soms wel vier van die schepen
achterhangen. Een en ander ging
natuurlijk wel ten koste van de snelheid
en de manoeuvreerbaarheid. 's Nachts
passeerden de Jan Nieveen van de G.L.S.M.
en de Waalstroom elkaar op vaste tijden.
Op een nacht bij helder weer werd het
motorschip Zuiderzee, waarop kapitein
Jelle Werkhoven met zijn zoon die in het
voorschip lag te slapen, gesleept door
de Jan Nieveen. Stoker Kamminga lag te
kooi op de Waalstroom, maar werd wakker
omdat er geblazen werd met de stoomfluit
en vond dat maar vreemd, want dat
gebeurde nooit 's nachts. Aan dek
gekomen zag hij wat er ging gebeuren.
Want tot verwondering van kapitein
Bolhuis ging de Jan Nieveen zijn koers
veranderen en kwam met zijn sleep voor
de Waalstroom langs, tengevolge waarvan
met met volle kracht in de sleeptros
voer. De gesleepte Zuiderzee sloeg met
een klap tegen de huid van de
Waalstroom. Ter plaatse van de
machinekamer ontstond een gat, waardoor
machinist De Jong Urk kon zien liggen.
het gat zat boven de waterlijn zodat het
schip geen water maakte. Kapitein Jelle
Werkhoven van de Zuiderzee had de
aanvaring zien aankomen en bijtijds zijn
zoon gewaarschuwd. De schepen konden na
het voorval hun reis vervolgen.
Vaart
in Zeeland.
Begin 1944
werden een aantal schepen van de rederij
Koppe ingezet in de provincie Zeeland om
te gaan varen tussen Zijppe en Dordrecht
met als doe Zeeuwen over te brengen,
daar een gedeelte van Zeeland onder
water gezet zou worden door de Duitsers.
Deze evacuatie werd uitgevoerd door de
Waalstroom, Rijnstroom, IJsselstroom en
de Houtestroom, waarop men eerst masten
en schoorsteen strijkklaar had moeten
maken in verband met de passage van
vaste bruggen. Volgens een oorkonde
gedateerd 6 maart 1944 werden 3032
evacués overgebracht, die aan boord ook
een warme maaltijd verstrekt kregen,
waartoe grote ketels aan boord waren. Op
zekere dag was er een ketel pap aan
boord van de Waalstroom gekomen, waarvan
de inhoud volgens machinist de Jong niet
helemaal zuiver was. Maar kapitein
Bolhuis die behept was met een gezonde
eetlust, ging er smakelijk van zitten
eten met als gevolg 's avonds hevige
darmstoornissen. Tijdens deze reizen
waren ook Duitse militairen aan boord,
die voor hun eigen kostje zorgden. Toen
ze bezig waren met aardappelen te
schillen, werd het stuurman de Roos in
de stuurhut te gortig, toen hij zag dat
men er vierkante blokjes van maakte. De
Roos kwam naar beneden, schoof de
Duitsers die op het luik van het ruim
zaten op zij, knipte zijn zakmes open en
schilde een aardappel zeer dun. De
dunnen schil omhoog houdend zei hij: "Zo
moet dat" en zich verbazend over zoveel
verkwisting ging hij hoofdschuddend de
brug weer op.
De
machinist van de Houtestroom zat op een
dag pannekoeken te bakken. Toen hij een
aardige stapel klaar had, werd hij
geroepen door Jan Kamminga van de
Waalstroom met de mededeling dat er iets
aan de hand was in de machinekamer. Toen
de goede man de kombuis haastig had
verlaten, werd de stapel pannekoeken
weggegrist door kamminga en meegenomen
naar de Waalstroom die op vertrek lag!
Stoker Kamminga had voor deze Zeeuwse
periode zijn fiets meegenomen aan boord.
Op een morgen vroeg hij aan Feite de
Jong of deze ook wist wie er op zijn
fiets vandoor was. Dit bleek kapitein
Bolhuis te zijn. Een paar uur later riep
machinist de Jong vanaf het dek naar
Kamminga die in de machinekamer de vuren
aan het schoonmaken was, dat Bolhuis
eraan kwam. Tot hun stomme verbazing
zagen ze Bolhuis de fiets voortduwen met
hierop een hoeveelheid proviand, waar de
Waalstroom een knappe lading aan had. De
fiets was afgeladen met zakken meel,
erwten en bonen, plus een paar stukken
spek, terwijl de fietstassen waren
gevuld met boter, suiker en koffie en
over dit alles hing een levende bok. het
bokje zou door kapitein Bolhuis
persoonlijk wel even geslacht worden in
het ruim. Maar dat werd geen sukses,
waarop stoker Kamminga die in zijn
jongensjaren een paar weken bij slager
Wiersma in Lemmer had gewerkt, dat werk
maar over nam.
Na de
vaart in Zeeland werden de tramboten
Waalstroom en Rijnstroom weer ingezet
tussen Lemmer en Amsterdam, al voer de
Rijnstroom ook wel af en toe op Kampen
en Zwolle, waar het schip later voorgoed
op bleef varen. Voedsel ging steeds
schaarser worden en was alleen op bonnen
te verkrijgen of anders tegen
woekerprijzen op de zwarte markt. Toen
men vaten boter naar Amsterdam ging
vervoeren bestemd voor de Duisters, kwam
men tot dingen waar men vroeger niet aan
durfde denken, want de lading was altijd
heilig geweest, speciaal kapitein
Bolhuis was daar zeer streng in. In de
winter 1942/42 had stoker Jan Kamminga
hier al eens tegen gezondigd op een reis
van de Holland van Amsterdam naar de D.E.
fabriek in Utrecht met als bemanning
kapitein Doornspleet, stuurman en
matroos vader en zoon Van der Horst,
machinist en stoker vader en zoon
Kamminga. Men moest ijsbrekend door het
Merwedekanaal tot grote woede van de
schaatsenrijders die om de Holland heen
schaatsen en stenen door de ramen van de
bovenbouw gooiden. Kort na Amsterdam was
het roergerei ontzet geraakt door het
zware ijs en moest eerst gerepareerd
worden, voor men verder kon varen. In
Utrecht werd bij D.E. balen met
tabaksbladeren geladen, die bestemd
waren voor de Duitsers. Maar Jan
Kamminga vond dat de bemanning hiervan
ook wel wat mocht hebben en zette een
aantal balen naast de ketel in de
machinekamer. Dit tot grote schrik van
zijn vader, die zoonlief al gearresteerd
zag worden door de Duisters. Weer in
Amsterdam aangekomen werd deze tabak
eerlijk verdeeld onder de opvarenden van
diverse schepen der rederij Koppe.
En nu in
1944 had men dus roomboter aan boord van
de Waalstroom, wederom bestemd voor de
Edelgermanen. Derhalve vroeg Jan
Kamminga aan machinist De Jong even een
lichtje te maken in het ruim. Hierin
afgedaald, haalde hij twee vaten boter
weg en bracht deze naar de 2e klas
kajuit in het vooschip. Voorzichtig
werden deksel en papier verwijderd,
terwijl hofmeester Wedman de opdracht
kreeg twee strijkbouten warm te maken.
Nadat ieder bemanningslid een pan vol
boter had gekregen, waren inmiddels de
strijkbouten warm geworden. Om een egaal
oppervlak te verkrijgen streek Kamminga
met de warme bouten over de boter, deed
vervolgens het papier er over, maakte de
vaten weer keurig netjes dicht en bracht
ze terug naar het ruim. Deze methode
werd nadien meer toegepast, maar ontdekt
door de kontrole op de Rijnstroom, waar
de vader van Kamminga de machinist op
was. Volgens stoker Jan was het hun
eigen schuld, omdat ze geen strijkbouten
hadden gebruikt!.
Van steeds
groter belang werd de bootverbinding
Amsterdam-Lemmer voor de hongerende
bevolking in het westen van ons land,
want niet alleen werd de
voedseldistributie steeds schaarser, ook
treinen en bussen gingen minder en
onregelmatiger rijden. Vaak stond men
uren in de rij om een kaartje te
bemachtigen voor de overtocht naar
Lemmer. Wat in Friesland werd verkregen
aan voedsel, wilde men ook weer meenemen
naar Holland en dat te bedenken dat de
Duitse kontrole steeds scherper werd.
Groot was dan ook de woede der
bemanningsleden als de gehate
Groenjassen het onontbeerlijke voedsel
voor het vertrek in beslag namen. Al
probeerde men nog zoveel mogelijk de
passagiers behulpzaam te zijn bij het
ontlopen van de kontrole door de
etenswaren tijdelijk te verstoppen. Zo
boden de machinekamers vele onvindbare
bergplaatsen. Voedsel wat door bepaalde
lieden in Amsterdam ter verkoop werd
aangeboden, bracht veel geld op. Op
zekere avond vroeg een zogenaamde
handelaar aan stoker Kamminga of deze
even een zijdje gerookt spek kon
verstoppen tot na de kontrole. Dit was
geen probleem voor Kamminga die het spek
meenam naar de machinekamer, er daar
vakkundig een flinke reep af sneed en de
rest achter het schakelbord verstopte.
Toen de man na kontrole der Duitsers het
spek weer op kwam halen, vroeg Kamminga
aan deze heer of de machinist en hij ook
een stukje spek op het brood konden
krijgen, waarop deze twee dunne plakjes
afsneed. Stoker Jan bedankte de man
hiervoor hartelijk en zei tegen
machinist de Jong: "Zie je nou meester,
dat je die gasten wel moet bestelen".
Ook vis
werd duur betaald in Amsterdam, zo was
gerookte paling uiteraard een gewild en
kostbaar artikel. Een vishandelaar uit
Lemmer verstopte om buiten de kontrole
te blijven voor het vertrek 40 pond
paling in de kolenbunker van de
Waalstroom zonder de bemanning hiervan
in kennis te stellen Toen stoker
Kamminga 's nachts kolen op de vuren
gooide, kwam op een gegeven moment als
brood uit de hemel, gerookte aal uit de
bunker naar beneden wat hem deed
uitroepen: "Meester moet je nou eens
kijken, ik heb gerookte aal op de
schop". Dat werd smullen die nacht voor
de bemanning, want men had een paar pond
achtergehouden voor men de rest
terugzette in de kolenbunker. Dezelfde
handelaar had een paar reizen later zijn
vis goed kunnen verkopen en ter welkom
thuis een mocca- en een slagroomtaart
gekocht in Amsterdam en deze koud gezet
in de ijskist van hofmeester Wedman,
hetgeen kelner stoker Tiemen Bouhuis had
gezien. Deze waarschuwde Jan Kamminga,
dat er twee taarten in de ijskast van
Wedman stonden. In die tijd een bijna
nergens meer te verkrijgen delicatesse.
Kamminga haalde de doos met de
slagroomtaart uit de kist, sneed de
taart in punten en verdeelde deze onder
de watertandende bemanning, die geen
idee had waar dit heerlijks vandaan
kwam. Na afloop van deze smulpartij
verwijderde Kamminga zich met de lege
doos, deed er een grote boodschap in,
versierde één en ander met stukjes
steenkool en schijfjes wortel en zette
de gesloten doos weer in de ijskist
terug. Groot was de konsternatie ten
huize van de vishandelaar, toen 's
morgens de doos werd geopend.
In het
voorjaar van 1944 verliet machinist
Feite de Jong op doktersadvies wegens
maagklachten de Waalstroom. Zijn plaats
aan boord werd ingenomen door Jaap
Wijnstra. De oorlogsituatie ging
veranderen, want de Duisters werden
steeds meer teruggedrongen. Het
personeel der rederij Koppe gaf als
onderdeel der Nederlands Spoorwegen
gehoor aan de oproep uit Engeland om in
staking te gaan na de luchtlandingen bij
Arnhem in september 1944. De Waalstroom
en Rijnstroom werden hierop gevorderd
door de Duitsers om dienst te gaan doen
als hospitaalschepen. Ze werden hiertoe
wit geschilderd en voorzien van rode
kruistekens. Een deel der stakende
bemanning werd gearresteerd en gedwongen
te varen voor het transport van gewonde
Duitsers, want de Canadezen waren na de
barre wineter van 1944/45 in opmars
vanuit Oost Nederland.
Op 17
april 1945 volgde de bevrijding van
Lemmer. In chaotische toestand waren de
Duitsers met schepen 's nachts naar
Holland vertrokken, terwijl Lemmer onder
vuur lag van de Canadezen. Tijdens hun
tocht naar de haven gooiden ze nog
handgranaten in enkele huizen, waar
bewoners zich in de kelder schuil
hielden voor de Canadese beschieting. Zo
vielen er op de laatste dag van de
oorlog nog slachtoffers onder de Lemster
bevolking. De laatste terugtrekkende
Duitsers blokkeerden door het laten
zinken van schepen sluis en haven, zodat
scheepvaart niet meer mogelijk was naar
het noodlijdende Holland. Maar gelukkig
kwam op 5 mei 1945 het einde van de
Tweede Wereldoorlog. De tramboten hadden
in de laatste oorlogsjaren geen schade
opgelopen. Stropakken en zandzakken
werden verwijderd en al gauw werden ze
weer in hun oude vertrouwde kleuren
geschilderd. Machinist Feite de Jong
kwam na een maagoperatie terug op de
Waalstroom en ook Hendrik Dijkstra was
na zijn onderduikperiode weer boven
water. herman Meynen werd kapitein en
Arnold Drent stoker. Een ongekend
passagiersvervoer barstte los tijdens de
zomerdiensten na de bevrijding. De boten
voeren letterlijk af en aan. Voedsel
bleef nog schaars de eerste tijd.
Tijdens de zomerdienst op het eind van
de week schoot de Waalstroom vaak
langszij van een aan de kuilliggende
visserman. Men ruilde dan steenkool
tegen verse aal, die door de bemanning
werd meegenomen naar huis, waar steevast
op zondag gestoofde aal werd gegeten.
Tijdens de
drukke zaterdagen voeren ook de Staverse
boten tussen Lemmer en Amsterdam, zodat
we de Van Hasselt en de Bosman in de
haven van Lemmer konden bewonderen. En
zo komen we aan het einde van vijf
bewogen jaren uit de geschiedenis der
tramboten, waarin veel leed werd
geleden. Dit als dure prijs voor het in
stand houden der verbinding tussen
Friesland en Holland in samenwerking met
de boten der Groninger-Lemmer Stoomboot
Maatschappij.
J. W. de
Jong, Alkmaar.
|