Wilt U een pagina (artikel) of een foto,  willen kopiëren voor schoolverslagen - privé gebruik: neem dan even contact op.


Daan Atsma

 

 

Nu ga ik even praten met Daan Atsma, Amstel  258 in Amsterdam. Je ouders Daan, Klaas en Tiete, heb ik heel goed gekend. Mijn vrouw kwam vroeger wel bij je moeder als naaister,  je broer David, die bij de waterpolitie was in Amsterdam, kwam af en toe bij mij op het kantoor als we moeilijkheden hadden met ligplaatsen voor arken, want dat was zijn afdeling. Je dacht Daan, dat er vroeger bij Wouda wel karbonade op tafel zou zijn geweest. Dat gebeurde wel eens op zondag en feestdagen en armoede hebben we nooit gehad. Maar mijn vader was dan ook een broodvechter en als zelfstandig visser een zeer goed vakman.

Als het in de winter te koud was om de botbeug te azen, dan gebeurde dat in de huiskamer. De garnalen werden 's morgens om half vijf in de botter gekookt en 's avonds tevoren het zand, hoekwant en aasbakken al naar huis gebracht. 's Morgens om vijf uur waren ze dan al met vijf man aan het aanazen bij petroleumlampen en na 1907 bij gas. Daar waren dan oom Teade, oom Pieter bij en meest Gerben Bootsma, waar een straat in Lemmer naar vernoemd is en een buurjongen Harm van Zwol. Dat duurde tot twaalf uur toe, want na het eten moesten ze naar zee om de beug uit te zetten. Ik aasde dan ook al dapper mee en moeder moest zich maar zien te redden met een klein broertje en zich in de bedstee aankleden, je kunt wel nagaan hoe dat behelpen was. Mocht daar dan eens een karbonaadje op tafel komen?.

Ook vroeg Atsma of er wellicht een oudere Lemster was die eens iets kon schrijven over het baanbrekende werk dat de geheelonthoudersbeweging en de socialisten hebben gedaan om dat gene te verwezenlijken van wat we nu hebben. Maar er is niemand geweest die de moeite heeft genomen om daar eens over te schrijven. In één van mijn stukken van bijvoorbeeld "Burgermeester Callenbach opende in 1916 de visafslag", waar ik ook vroeg om reacties omtrent de misstanden van toen, heeft ook geen mens gereageerd. Er zijn toch wel Lemsters en zeker ook oud Lemsters die dat beter zouden kunnen doen dan Jan Wouda, die alleen maar de lagere school heeft bezocht. Fedde Schurer is ons helaas ontvallen, maar er is er nog een Age Scheffer, wiens specialiteit dat moet zijn, en een professor Pen, wiens grootvader een grote rol heeft gespeeld in die tijd.

Waar we het wel aan te danken hebben dat we het nu zoveel beter hebben dan onze voorouders Daan Atsma, is geen gemakkelijke vraag. Misschien hebben mensen als de grootvader van mej. Romkema, die uit eigen zak bonnen voor levensmiddelen gaf aan behoeftige mensen, daar onbewust aan meegewerkt. Die gaf tenminste blijk wat zijn christenplicht was en zo andere mensen aan het denken bracht. Maar het was natuurlijk een druppel op een gloeiende plaat.

Toen kwam in 1903 de spoorweg staking, de ellende stond de mensen toen wel aan de lippen, want dat waren toen toch de mensen met een vaste baan, de staking werd toen om zeep geholpen en vele mensen werden op straat gesmeten, en toen kwamen de bekende worgwetten, want ze waren wel geschrokken in Den Haag. In Lemmer werd ook gestaakt op de tram, er woonden twee machinisten in Lemmer, ene Kramer die niet meedeed en een zekere Lienos, die woonde toen achter de timmerwinkel van Nijholt. Ik speelde vaak met zijn zoontje van mijn leeftijd. Die hete Klaas en ik kwam er vaak in huis. Maar ik kreeg de waarschuwing van mijn moeder dat het gevaarlijke mensen waren, maar 't waren fijne mensen.

Vroeger maakte een timmerman één deur per dag en een arbeidershuisje had één deur. Nu maakt één man 16 deuren per dag bij Bruynzeel en een arbeiders huis heeft 16 deuren. Alleen uit dit gezegde blijkt wel dat de industrialisatie zeker een groot aandeel heeft gehad in de vooruitgang. Ook hebben de vakbonden er voor gezorgd dat de werkman nu zijn deel krijgt van de te verdelen koek. Alleen is het bedroevend dat maar 38% de werkmensen georganiseerd zijn, en de rest klaplopers, die de 38% de kastanjes uit het vuur laten halen, maar graag de voordelen opstrijken. En vaak nog de meeste praatjes hebben ook, en o zo goed weten hoe het wel moet. Ik wil geen mens beledigen, maar wie de schoen past trekke hem aan.


De geheimzinnige bezoeker en de âlde tsjoenster.

 

Omstreeks 1924.

Er is meer tussen hemel en aarde, deze aanloop heeft maar weinig te maken met Lemmer en zijn bewoners in het begin van de twintiger jaren waaronder ik al eerder in een artikel hem noemde. Ik bedoel de koopman in lompen en oude metalen, die zijn vrouw en zuster in de Benedenschans (*) woonden. Onder zijn ruige baard, waar het weer haast in zat en in zijn melancholieke ogen, school een zekere slimheid die hij ook handig ten behoeve van zijn handel jegens boeren uit de wijde omgeving van Lemmer. Dezen probeerde hem soms met listen en mooie praatjes oude producten in de maag te splitsen dan de habbekrats die ze waard waren. Onze koopman zou er dan geen luizige cent aan overhouden na al zijn gezwoeg achter zijn zware handkar. Overigens stond reeds bij zijn geboorte dat hij materieel gezien een dikke niet had getrokken.

In die tijd gebeurde het dat rooien Siemen, over hem gaat het op een mistige herfstdag slechts even na het ochtendgloren zijn kar uit het berghok pakhuisje trok en zijn schoenen haast zo groot als botters, voorwaarts bewoog in de richting van de Otterweg, een trekhond kon hij er niet op na houden. Want volgens hem vrat deze meer dan dat hij met zijn hele handel en wandel voor zich zelf zijn vrouw en zijn zuster bij elkaar kon scharrellen.

Zijn vrouw en zuster kwamen weinig op straat en hebben waarschijnlijk nimmer het andere eind van Lemmer gezien. Jonge kinderen waren eigenlijk maar bang voor hen. Veel waren ze in hun krakkemikkig huisje niet nodig, waar het stijf stond van het vuil en stank. Wiesje Knol, de blonde en charmante dochter van de bekende bakker Klaas Knol uit de Schans bracht er geregeld brood voor een schappelijk prijsje. Zij werd dan met veel égards door de dames bejegend, maar wies zorgde er wel voor niet te ver over de drempel te komen om een zekere staat van bewusteloosheid te vermijden van wegen de odeur van half bedorven lucht, de bewoners zelf waren er zelf kennelijk immuun voor want ze gedijden er zelf goed. Hiernaar beoordeeld lijkt het een open vraag of alle soorten vervuiling wel zo funest zijn als men ons soms doet geloven.

Siemen was onderwijl sloffend de immer gonzende Houtmolen en de smederij van van der Wolf gepasseerd en vervolgde zijn zware gang via Pasveer (hek dicht hek open) langs de beneden kant van de zeedijk. Deze bood een welkome beschutting tegen de straffe zuidwester. Voorbij de boerderij van de toen aldaar zo bekende familie Akkerman, schreed hij waardig over het bruggetje land inwaarts. Zijn metgezel was de jagende wind die de stilte van de aarde raakte. Nu en dan pijlsnel uit een oude sloot opvliegende wilde eenden kregen de doodschrik van Siemen zijn afhangende zwarte hoed en enorme jas welke hem bijkans op de tenen hing. Maar warm dat wel!.

Zelf merkte hij niets van de agitatie van de vogels noch van de donkere luchten boven hem. zijn gedachten waren bij een mogelijk goed handeltje en dat was het meest belangrijke. De contouren van het boerderijtje, waar hij dacht te moeten zijn een paar honderd meter verderop, bevond zich half verscholen in de mist. Een hem onbekende bezoeker met lange baard en ondoorgrondelijk uiterlijk had hem een paar weken geleden uitgenodigd om eens langs te komen voor een mooi partijtje oud koper en zink, aantrekkelijke dingen in de wereld van Siemen. Hij had de man met zijn immer tranende ogen goochem aangekeken en veinsde weinig belangstelling als één van zijn trucjes om bij voorbaat de verlangde prijs te drukken.

Met dit soort dingen had hij zich door jarenlange training een grote behendigheid verworven, men wist nooit wat men aan hem had. Dit zijn aangeboren eigenschappen welke op geen andere school, dan die van het dagelijkse koopmansleven in oude metalen en lompen kunnen worden geleerd een soort spontane toegepaste psychologie.....Het boerenspultsje bleek een in tamelijk goede staat verkerende bouwval te zijn. Bescheiden van omvang met een woongedeelte met er achter een wrak schuurtje. Buiten liepen een paar mistroostige kijkende geiten die betere dagen hadden gekend.

Siemen kon er niets aan doen, maar alles maakte op hem een sombere, vreemde en tegelijk geheimzinnige indruk. Hij voelde zich opeens niet meer zo prettig. Het bordje "Tink om e houn" was een misplaatste grap, want nergens zag hij iets wat zelfs bij benadering een blaffend geluid zou kunnen produceren. Het stelde hem wat gerust, ervaringen met honden op boerenerven waren niet zijn beste. Maar goed!

Zich over zijn schroom heen zettende klopte hij op de achterdeur. Na een poosje en nog wat gerammel van zijn kant, hoorde hij langzame voetstappen naderbij komen. Deze bleke bij een oude vrouw te behoren die hem vriendelijk verzocht binnen te komen, na hem eerst scherp te hebben opgenomen. Ondanks haar vriendelijkheid bekroop Siemen weer dat nare onbekende gevoel wat hem achter het huis ook overviel. Hij legde haar uit wat hij kwam doen en bleek in de keuken te zijn waar twee katten hem met felle ogen aan keken. Een ander verdween blazend onder tafel. Het was of ze door een onzichtbare hand werden opgejaagd. Terwijl de vrouw hem niet begrijpend aan keek, viel het hem op dat ze diep weggezonken ogen had iemand die als het ware door je heen keek.

Na verdere uitleg deelde ze hem mede dat haar man niets gezegd had en de gehele dag afwezig was. Wel waren er veel dingen die opgeruimd moesten worden, daar ze gingen verhuizen. Siemen moest maar met 17 dagen terug komen precies op die dag en niet later, zo tegen een uur of 5 in de middag. Hij vertrok enigszins teleurgesteld en was anderzijds opgelucht toen hij de vreemde sfeer binnenshuis achter zich kon laten.

Op de afgesproken dag en op het overeen gekomen uur het werd reeds donker was hij ter hoogte van het boerderijtje, althans waar het had moeten zijn. Tot zijn stomme verbazing was er niets te zien dan een kale plek en wat oude rommel. Later bleek na wat informatie dat er in deze omgeving wel een klein koemelkers bedrijfje had gestaan, maar dat was lang heel lang geleden. Het was verwoest door hemel vuur. Siemen voelde zich kompleet aangeslagen en kwam ver na donker Lemmer weer binnen. De mensen die hij het verhaal vertelde, wezen naar hun voorhoofd en zijden dat je goed kon merken dat Siemen hard achteruit ging. Hij had vast en zeker een tsjoenster gezien.

Of niet? persoonlijk weet ik niet wat waar of niet waar is, daar men mij als jongen het verhaal vertelde. Wel herinner ik mij, dat Siemen een hoogst merkwaardig figuur was om wie een geheimzinnige waas hing. Wie zal het precies zeggen want tussen hemel en aarde........

(*) In de directe omgeving van Siemen woonde later de bekende timmerman Willem Blaauw met zijn vrouw Treintje Jongsma en kinderen, Zij is een paarjaar geleden op hoge leeftijd helaas op tragische wijze om het leven gekomen. Heel veel oudere Lemsters hebben haar gekend. Over tante Trien zoals ze vaak werd genoemd, wil ik het even hebben. Zij was een bijzonder hartelijk en zeer toegewijde vrouw. Mevr. Jaalsma Fleer herinnerde mij onlangs op nieuw aan haar. Zij was vroeger de buurvrouw van tante Trien en wordt door haar genoemd als een zorgzame moeder. In de oorlog moest de familie Jaalsma haar huis in de Benedenschans op last van de bezetters verlaten. Het is duidelijk dat zoiets een diepe inbreuk maakte in de persoonlijke sfeer. Maar daar werd in de onzalige jaren niet naar gevraagd.

Waar moest de familie met hun hele hebben en houden heen?. Ze kregen bovendien te horen dat ze niet alles mochten meenemen. Tante Trien kwam onmiddellijk in actie. Haar eerste woorden waren dat er "net ien stikken kopke en pantsje" achter zou blijven. Geen enkele kans, alles ging mee, hoe dan ook. Getracht werd een plaatsje te vinden in het gebouw "Us thûs" hier was ruimte genoeg. De familie kon het echter wel vergeten, want er werd geen medewerking verleend. Tante Trien, in het geheel niet ontmoedigd, stelde meteen haar keuken beschikbaar in hun toch al kleine woning. In no-time was alles opgeborgen. Deur van de keuken op slot. In de schans zou niemand weten waar alles gebleven was. Indien er mocht worden geïnformeerd van Duitse zijde of meelopers. Waarschijnlijk zouden ze ook nog hebben gezegd nimmer van een familie Jaalsma te hebben gehoord.

Later ging de boedel naar de houtmolen door welwillende medewerking van de zo bekende directeur Corée, die daar zo lang woonde met zijn vrouw en hartelijke dochters. Later woonde hij in Leeuwarden waar ik hem nog vaak ontmoeten als hij met zijn lange zwierige passen zijn dagelijkse wandeling maakte. Bovenstaande hulpverlening was tante Trien ten voeten uit, bereid een ieder te helpen. Ja mevrouw Jaalsma de beste dingen gebeuren ook hier in de stilte door zogenaamde gewonen mensen zonder misleidende glans van uiterlijk vertoon en zelfgenoegzaamheid.......


De Lemmer in 1914

 

Wat me van de Lemmer altijd is bijgebleven zijn de optochten, als het twaalf uur was geweest en de arbeiders van de Houtmolen en de Helling in gestrekte looppas naar huis gingen om te eten. Dan was het een geklos van de klompen, de mensen van de Helling in het roestbruin Engels leer, waarvan vroeger de werkkleding was gemaakt. Lange Herre liep altijd voorop en kon het harst lopen. Hij moest dan ook van het Waaigat heen en terug. Er werkte in die goeie tijd 40 a 50 man. Er stond altijd een rijnaak op stapel, één die werd afgebouwd en één in het hellinggat die werd afgewerkt. Dan de aken en de boeiers en grote aken voor de Zeeuwse mosselvissers. Er is nog een mooie schoener gebouwd en een stalen logger voor IJmuiden, die de beste zeiler van de loggervloot was. Ik weet nog dat de sleepboot van Koningsveld, die aan de Visserburen woonde, hem naar IJmuiden sleepte, en onderweg op zee iemand van de logger naar de boot wilde palmen langs de sleepdraad en deze man in zee terecht kwam.

Als je vroeger van school afkwam voelde je wel dat je nog lang niet genoeg had geleerd. We hadden vroeger de gelegenheid niet zoals de jonge mensen van nu, die vaak de mogelijkheden die hun worden geboden, niet eens gebruiken. Ik wilde in de winter graag naar de herhalingschool die je toen had in de avond, het lukte me ook wel eens een poosje, maar in de netten zaten altijd gaten die moesten worden geboet.

Toen kwam er in 1913 een zogenaamde schipperschool waar 's avonds les werd gegeven. Meester de Vries was directeur, verder gaven les onderwijzer Oosten, en iemand van de christelijke school, een zeilmaker voor zeilen naaien knopen enz, en een soort eerste hulp bij ongelukken en dat werd gegeven door dokter Tas. Meester de Vries kon niet zo goed met de jongens omgaan. En het eerste wat hij zei was, dan ga je er maar uit hoor!. Dat gezegde had hij al gauw als bijnaam.

Meester Oosten was een strenge, en de meester van de christelijke school was een man met een beetje hoge rug, en die kon juist goed met de jongens op schieten. Die maakte een grapje mee, en als de zaak was uitgelachen, kreeg hij ze allemaal rustig aan het werk. Op een keer lagen ze allemaal met directeur de Vries overhoop, en ging het in optocht naar Jan de Vries, dat was een herenboer, die woonde aan het begin van de Straatweg. Hij was de voorzitter van de school, wel eigenaardig een boer voorzitter van een schipperschool. Maar er werd een deputatie door Jan de Vries ontvangen die de tekortkomingen van meester de Vries uit de doeken deed, wat niets uit haalde alles bleef bij het oude.

Op een avond had een knaap een schuttingwoord op het bord geschreven. Meester de Vries kwaad, hij wou geen les meer geven zolang iemand zich niet had gemeld als de dader. Niemand had het natuurlijk gedaan. Dokter Tas kwam voor de ongevallencursus, en meester de Vries zei, "vind U het niet verschrikkelijk dokter ?" waarop dokter zei, "Het is toch een gewoon woord meester?".

Het zal zowat in 1912 zijn geweest dat velen in Lemmer in een soort paniek waren. De komeet Hally zou tegen de aarde botsen en de wereld zou vergaan. Wat waren er velen mensen bang, velen die radeloos waren en volgens de kranten hebben toen verscheidende mensen zelfmoord gepleegd. Maar dat liep ook goed af, wat niet goed afliep was de dreiging van de oorlog in 1914. Het werd (voor ons) wel geen oorlog, maar mobilisatie. Het was begin augustus, de kermis was al opgebouwd langs de Korte en Langestreek, en ik hoorde twee exploitanten tegen elkaar zeggen dat ze met wat kinderen als klanten zouden blijven zitten.

De mensen zagen het donker in, een paar dagen later moesten ze afbreken, want niemand had nog lust in kermisvieren. Er was al bekend gemaakt wie allemaal opgeroepen waren om dienst te nemen in het leger. Wij met een ploegje jongens gingen naar het eindje van de Dam om de vissers die binnen kwamen, en op moesten komen het nieuws te vertellen. Alles stond op zijn kop, zoals u wel kunt nagaan. Er was immers al in geen honderd jaar meer oorlog geweest?

Mannen die al een groot gezin hadden waren er bij. Van overal waar Nederlanders woonden in het buitenland, moesten naar huis komen. Ook verschillende gezinnen die in Duitsland woonden en werkten moesten hals over kop met hun hele hebben en houwen naar Lemmer, waar onder het gezin Brandsma, Jan van Hansje en zwarte Fekke met gezin. Uit Amerika ook een stuk of drie. Dat was Gerardus Wierdsma, die later in Lemmer politie agent zou worden. Dan had je een Koopmans, zijn vader was meen ik brugwachter, en nog zo'n zware man die in het Waaigat woonde en sergeant was. Koopmans dat was een nummer, zijn bijnaam was Billy Ritchie, dat was toen een Amerikaanse komiek.

De school werd ontruimd, dat werd een kazerne en er kwamen ook soldaten van buiten de Lemmer. En de meiden dol, zoals dat dan gaat. Billy R wou zich doof houden. De rekruten stonden 's morgens voor school en moesten naar de straatweg marcheren. Dat was voorwaarts mars! En daar gingen de landverdedigers. Ze waren zoals verteld werd, bij Follega waar halt werd geroepen, Maar Billy R alias Eskebibel liep door, hij was immers doof! Maar na een tijdje ging alles zijn gewone gang, zo goed en zo kwaad als het ging.

De visserlui begonnen weer te vissen en de soldaten kregen af en toe visserij verlof, want de vis kon best worden gebruikt, vooral later want alles kwam al gauw op de bon en de vis is best voedsel. Het is gek maar de hele oorlog is er weinig haring te vangen geweest. Voorheen in de natijd als de haringen weer scholen gingen vormen om weer naar de Noordzee te vertrekken, kon je net zoveel haring vangen als je maar wou, maar omdat het te warm werd, waren ze niks meer waard.

Maar ansjoop was er toen genoeg alle jaren, maar wat erg vreemd was de ansjoop mocht niet worden uit gevoerd, die moest in Holland blijven als volksvoedsel, terwijl haring daar zich veel beter voor leende. Maar de ansjoop was al die jaren klein van stuk, dat was voor de oude netten goed vangen want door het vele tanen werden de mazen iets kleiner. Maar het zogenaamde pluizen van de vis was arbeids intensief. De prijs was door de overheid vastgesteld op 20 cent per pond, als ze de vis hadden mogen uitvoeren was de prijs wel f1,-- gulden per pond geweest.

Van elk visje moest de kop worden afgeknepen en daar werden de vingers dun van, het vel wel te verstaan. Dat dunne rubber spul van tegenwoordig om de vinger te beschermen was er toen nog niet, het was voor velen een pijnlijke geschiedenis. Alle dagen werkten er losse krachten mee, die hielpen om de vis uit de netten te krijgen, want ze moesten 's avonds weer in zee uitstaan. De hele Lemmer stonk naar vis, langs de haven, op de wal, en langs de streek aan beide kanten, overal waren ze aan het ansjovis pluizen. 's Avonds kwam de brandweer om de boel wat schoon te spuiten.

Als de netten 's avonds in zee werden uitgezet werden de plaatsen uitgezocht waar de ansjoop het minst uit het water sprong, om maar minder te vangen. We hebben de netten een keer opgehaald met 4700 pond ansjoop erin, en af en toe moesten de armen er onder anders scheurde de netten onder het gewicht. In de zouterijen waar de ansjoop moest worden verwerkt was het razend druk. Eerst moesten ze gekopt worden voor zover ze er nog op zaten, en werden de ingewanden er ook mee uit getrokken. Dan moesten ze geraapt worden, de visjes lagen dan op een brede plank, bij Poppe de Rook, zat dan meestal Jacob de Rook als in zouter voor het vat of anker.

De vrouwen legden de visjes allemaal met de kop naar één kant in de hand, en als die vol is dan werd die met een handig omkeren in de hand van de zouter gelegd. Was het anker vol dan kwam er een rond houten blok op en werden de visjes met een hefboom in elkaar geperst, weer bijgevuld, en dan ging de duig of deksel er op. En onderwijl werden uit volle borsten de smartlappen gezongen. Dat ging ook zo in de haringtijd de haring aan de speten geregen om gerookt te worden en in de spiering tijd dito.

Tientallen meisjes en vrouwen werkten dan in de rokerijen om er wat bij te verdienen, voor de vele mondjes die toen gevoed moesten worden, van al die vrouwen wil ik er één naar voren halen om ze de eer te geven die ze toen niet kregen. En die éne is Kaatje van Wiebe Veenstra, een vrouw die een groot gezin had, en trachtte er fatsoenlijke mensen van te maken wat haar voor 100% is gelukt.

 

Kaatje

Ze was ondanks haar grote zorgen altijd vrolijk en zong het hoogste lied. Als je om 12 uur naar huis liep hoorde je haar boven alles uit zingen van : En al zijn we kolonialen, daarom zijn wij zo slecht nog niet. Ook had zij een zekere trots. Dat kwam tot uiting toen een van de kinderen om een briefje voor school, dan konden de arme kinderen na schooltijd twee sneeën roggebrood krijgen met dikke reuzel er op. Maar Kaatje zei kind als je dat doet, dan krijg je voor je hele leven een stempel op gedrukt. Als er dan ook een standbeeld in Lemmer moet worden op gericht dan komt Kaatje die hulde toe, dan heeft Lemmer meteen een verbinding met de vroegere visserij, wat toch in wezen een glorie tijd was voor Lemmer.

Dat Kaatje ook gelijk had dat je een stempel op je kreeg, weet ik nog wel dat als de armste drommels 's winters naar de bedeling moesten, dan werd in de waag onder het gemeentehuis groene erwten en bruine bonen met roggebrood en een bon voor 25 turven uitgereikt, als dan de stumpers onder de hoek langs kwamen werden ze vaak door de plaats genoten nog bespot en beschimpt.

We gaan weer naar de mobilisatie. Bot was in die tijd veel te vangen. Dat kwam waarschijnlijk doordat er op de Noordzee weinig werd gevist vanwege het mijnengevaar. Er zijn toen veel trawlers vergaan door dat ze op mijnen liepen. Er is meen ik nog een Lemster, ene Scheffer bij omgekomen. We hadden soms 1000 ton bot van een schot van de hoekwant gehaald, terwijl 300 pond ook al een dikke vangst was. Eén keer hebben we het hoekwant gehaald, maar een klein beugje van 40 spleet waar 1600 pond bot  aanzat. Aan elke 225 haken zat 40 pond bot allemaal van die grote knapen van 4 ons of een pond.

Het was meen ik 12 januari 1916 dat er een zware storm uit het westen op stak. Het water werd zo hoog opgestuwd dat de kade langs de vluchthaven diep onder water kwam te staan, het water stond nog tot de 5e stelling paal toen in het gras. Zo hoog was het nog nooit geweest, de Dam aan de overkant stond er ook onder, alleen de bolders waren nog te zien. Vader en ik gingen 's morgens vroeg met een kruiwagen naar zeilmaker de Vries om een nieuwe kabel te halen. We moesten vlak onder de huizen door want de dakpannen keilden door de lucht. Als het erg stormde dan werd er met collega's een flet of bootje naar de Dam of overkant geroeid, en dan werd een kabel vastgemaakt aan de grote bolders die daar in de Dam verankerd zaten. De kabel werd dan stijf getrokken en aan de bolders van de buitenste aak vast gemaakt want we lagen meestal met vier schepen naast elkaar. Maar er waren al verschillende aken en botters losgeslagen, die allemaal met geweld achter in de haven werden gedreven en voor de spuisluis tegen elkaar lagen te botsen.

De wind was later zeker gekrompen anders hadden ze daar niet kunnen komen. De grote schepen van ijzer konden wel wat hebben, maar de kleintjes er tussenin kwamen in de vernieling. Sake Visser zijn schouw zat ook onder water, en ik zie ze nog hozen met planken op de bun toen ze de schouw er weg kregen. En Wiebe Urk met zijn houten aak de LE 34. Bleef droog op de kade staan toen het water zakte. Overal was veel schade en wat erger was de zeedijken waren op veel plaatsen doorgebroken. In de omgeving van Monnikendam op verschillende plaatsen daar om Broek in Waterland heen heb je erg lage polders, daar zijn honderden koeien en schapen verdronken. Er stond wel 4 meter water in de polder en die nacht nog veel meer, alles was verwoest. Ook Marken zat helemaal onder water.

Er kwam later bij de Kuidersedam zoveel hout aangedreven, soms hele huizen met nog gedeeltelijk dakpannen er nog op. De huizen van Marken waren meestal van hout gebouwd. Ook werd verteld dat er zelfs doodkisten van het kerkhof waren afgedreven en aangespoeld, maar ik heb het zelf niet gezien. Alle Lemsters waren toen jutters geworden, gelukkig niet voor lang.

1908

Toen kwam er naar ik meen in 1908 een grote verandering aan de Korte en Langestreek, over het Dok was toen een houten bruggenaamd "De lange brêge" Die was helemaal gebouwd op houten palen met in het midden een of twee klappen, welke met een takel werden opgetrokken. De brug lag aan de kant van de Kortestreek bij de schoenwinkel van Boterkoper, waar later Yan der Horst zijn kapperzaak had. Ook stond toen aan het water naar de brug een huis waar Boterkoper zijn schoenmakerij in had. Of de oude brug niet meer kon worden gebruikt voor de nieuwe klaar was weet ik niet, maar wel dat er een pont door het Dok heen en weer werd getrokken voor het publiek en waarvan de school jeugd dankbaar gebruik van maakte.

Waar de nieuwe brug is gekomen weten de Lemsters wel, want jullie moeten er nu vaak voor wachten. Maar toen ging de vaart nog voor 95% door de Rien en Vissersburen. Waar nu de muziektent staat, was toen de scheepshelling van Nijdam en die woonde in het huis waar later Andries Vleer woonde. De helling moest verdwijnen en Nijdam nam het stoombootje over van Tieleman, die naar ik meen in beurtdienst voer op Bolsward en later door de Gebr Coehoorn werd voortgezet. Later had Nijdam nog weer een helling in Sloten.

Dat Lemmer toen een heel ander aanzien kreeg, hoef ik U niet te vertellen. Het was net of Lemmer groter was geworden en het streekje om wandelen duurde nu ook langer en dat werd veelvuldig gedaan want Lemsters hielde veel van wandelen.

 


" De ôfslach is hjir symboalysk foar de striid fan de fiskerij "

 

 

Lemmer houd op visserplaats te zijn

Als visserplaats heeft Lemmer vrijwel geen betekenis meer. Nog slechts enkele vissers brengen hier de vangst uit het IJsselmeer aan de wal en alleen voor hen bestaat nog steeds de gemeentelijke visafslag. Steven Visser, de nu 80 jarige " Directeur " van de afslag, slaat de aangevoerde vis nog dagelijks af. Gevoelsmatig is de afslag in Lemmer nog van veel waarde. Immers, Lemmer houd officieel op vissersplaats te zijn, als besloten wordt tot opheffing van de visafslag. Een stuk historie zal dan worden afgesloten.

Een sluiting van de visafslag van lemmer zal velen aan het hart gaan. Er licht immers een roemrijk stuk geschiedenis in de herinnering van de oude vissers, die vroeger de Zuiderzee bevisten. Alom bekend zijn de Lemster bokkens die voor deze havenplaats een bekend handelsartikel waren. Een halve eeuw lang draaide in Lemmer alles om de visserij. De plaats had een vloot die in 1930 was uitgegroeid tot over de honderd aken, botters, schouwen of anderen boten. Honderden personen vonden een bestaan op het water of in de hangen, de " baan" , de hellingen of de zeilmakerijen.

De penetrante geuren die afkomstig waren van de visrokerijen de netten taanderijen kenmerkte op treffende wijze de bedrijvigheid van de toenmalige plaats Lemmer. En de frase,"  Wee binne Lemster jonges , wee leve fan de sé, en al hwat wee tsjinje forpierewaaie wee. Wee witte fan gjin sparjen, wee lizze noait hwat wei,wee leve as God yn Frankryk fan de iene yn de oare dei " uit het officieuze Lemster volkslied, zegt veel over de mentaliteit van de Lemster visserbevolking.

De bloei als vissersplaats had overigens niet direct een positieve weerslag op de welstand van de bevolking. Velen waren afhankelijk van de besommingen uit de visserij en anderen vonden slechts een armoedig bestaan bij de hangbazen. Het waren met name deze paling en haring rokers die met de handel in vis goede verdiensten binnenhaalden. Heel anders was het met de vissers en de arbeiders.

Sprak men in het jaar1808 van een vergelijking van de visserij, met het zoeken naar eieren in het lage hooi en rietland, welk een zoeken tot zeer weinig voordeel strekt, en beschreef men de visserij als een zeer schrale kostwinning voor veel vissers was het rond 1900 niet anders, als creditgevers bepaalde veel hangbazen de financiën van de vissers. Niet alleen vroegen de visrokers rente en aflossing, ook werd een afspraak gemaakt, dat men de vangst moest leveren. 

Het ontbreken van de visafslag in Lemmer wreekte zich al gauw. De visrokers, die overigens al van af het begin van de negentiende eeuw in Lemmer bloeiende bedrijven hadden, maakte vanaf 1850 afspraken met de vissers om de vangsten rechtstreeks te leveren. Het kwam de prijsstijging niet ten goede, want van openlijke concurrentie was geen sprake de roep om een gemeentelijke visafslag werd dan ook steeds luider.

Van verschillende kanten werd na de eeuwwisseling herhaalde malen aangedrongen op de instelling van een visafslag uiteindelijk kwam deze er in 1916. na dat de Zuiderzeevissersbond andermaal een dringend verzoek had gedaan, besloot de gemeenteraad tot oprichting. In een voorstel zijn burgermeester en wethouders kort en krachtig: deze visafslag wordt verlangd om de vissers in gelegenheid te stellen bij publieke verkoop zeer waarschijnlijk een hogere prijs voor hun vis te bedingen. Voorts verwacht men, dat na de oprichting van een visafslag zich meerdere visrokers, zouters en handelaren te Lemmer zullen vestigen en vissers uit andere plaatsen hun vis aan de afslag te verkoop zullen aan bieden wat de ingezetene dezer gemeente ten goede zal komen.

Eerder had de vissersvereniging te Lemmer in 1908 aangedrongen op een vestiging van een visafslag. In een brief aan de raad wijst men ook op de mistanden die toen der tijd golden onder de vissersbevolking van Lemmer. Men geeft te kennen dat de vishandel in Lemmer in een eigenaardige toestand verkeerd. Doordat de aangevoerde vis steeds aan de zelfde vishandelaren geleverd wordt, die de prijs naar eigen goed vinden kunnen regelen.

Niet alleen wezen de Lemster vissers op het eigen belang. Men verwachte weliswaar dat ook vishandelaren van Urk of uit Enkhuizen of andere plaatsen naar Lemmer zouden komen om voor de nodige concurrentie te zorgen. Maar men wees er ook op dat vreemde vissers die thans Lemmer vermijden, niet zouden aarzelen ook hier hun vis ter afslag zouden aanbieden, de Lemster vissers hadden reden om dat te denken. Toen in 1916 tot de instelling van de visafslag werd besloten, lagen bij de gemeenteraad sympathiebetuigingen van de visserijverenigingen te Spakenburg, Elburg, Medemblik, Vollenhove, Huizen, Laaxem, Enkhuizen, Hoorn, en Kolhorn, alsmede van verschillende vishandelaren uit de vissers plaatsen rond de Zuiderzee.

Tot grote ontevredenheid van de Lemster vissers had het toch nog een groot aantal jaren geduurd, voor dat in 1916 tot de oprichting van de afslag in Lemmer was besloten. Vele jaren lang was de visafslag in Lemmer onderwerp van gesprek op de algemene vergadering van de visserijbond te Amsterdam, maar het kwam niet tot een uit te dragen zaak. Maar liefst ander half jaar lang liet de Hoofdinspecteur van Lemsterland wachten op een advies over de wens van de Zuiderzeevissers. Toen hakte de raad van Lemsterland de knoop door. De burgermeester was verwonderd over de trage gang van zaken. Het gevraagde advies is er nooit gekomen.

Ondanks de komst van de gemeentelijke vis afslag bleef aanvankelijk nog de schrille tegenstelling tussen de rijke hangbaas en de arme visserman. De conclusie uit een verslag van de staat der zeevisserijen in 1912 is duidelijk. Het gemakkelijk verkrijgen van kredieten voor de vissers bij hun geld schieters, die tevens afnemers van hun vis en leveranciers van hun visserijbenodigdheden zijn. Heeft in deze gemeente toestanden ontstaan, die de vissers in plaats van welvaart een aantal verplichtingen heeft bezorgd. Het grootste deel van de vloot verkeerd onder financiële druk, welk slechts door een reeks van voorspoedige jaren kan worden opgeheven. Pas in 1918 werden er maatregelen getroffen, die er voor zorgden dat vissers niet meer afhankelijk te zijn van de hangbazen.

Overigens waren deze overeenkomsten tussen de visrokers en de vissers geheel in de rede met de plotseling opkomende bloei van Lemmer als vissersplaats. Niet toevallig was het dat de Lemster vissersvloot rond 1880 in aantal begon toe te nemen. Waren er in 1880 zestien schepen, in 1905 was dat aantal al gestegen tot 84 aken, botters, schouwen, en andere vissers schepen. Veel personen zagen een welkom alternatief voor de vervening of de landbouw. De vervening gebieden in Echten hadden hun hoogtepunt al gehad, en door de malaise in de landbouw was ook het boeren bestaan van mindere waarde.

Veel veen en landarbeiders zochten daarom hun broodwinning in de visserij. Die bestaansbron bezat toekomst. Door veranderde vis methoden het vissen met staande netten voldeed beter dan met de zogenaamde wonderkuil werd de ansjovisvangst juist in 1883 lucratief. Ieder die maar een boot machtig kon worden en enig kapitaal bezat om een viswand te kopen werd ansjovisvisser. predikanten, turfschippers, boerenarbeiders, motorvaarders, ja wat niet al, groen en rijp, werd ansjovisvisser, zo werd toen in een rapport verklaard.

Maar ook in de aan de visserij verwante bedrijven zagen de boeren en veenarbeiders mogelijkheden. Dank zij de bloeiende visserij konden immers ook zeilmakerijen, scheepshellingen, mast en blikmakerij of nettentaanderijen in Lemmer gedijen. Of men kon wel in de hangen, die al langere tijd goed draaien en visrokerijen aan de slag. En wilde men de Zuiderzee op, dan kon men krediet krijgen van visrokers als De Rook, De Jager, Sterk of door ondernemer Jan Pen die in Lemmer een belangrijke rol heeft gespeeld in dit soort zaken.

De haring en ansjovisvisserij was in de bloeiperiode van het meest belang voor Lemmer. Vele vangsten werden op de visafslag aan gevoerd en vele schotten werden daarna verwerkt in de hangen. Veel hing vast van het slagen van de haring vangst of de ansjovisteelt. Was dat goed, dan profiteerde de hele Lemster bevolking. Drukte in de vissersplaats was er net name in de ansjovistijd. Dan stonden honderden mensen deze vissen uit de netten te halen en waren er even zo velen bezig met koppen en zouten.

Sterk merkbaar was de terug gang op de gemeentelijk visafslag. Met de daling van de aanvoer kwam de visafslag in de rode cijfers. In 1932 besloot de gemeenteraad deze instelling in een andere vorm voort te zetten. De gedachte overheerste toen dat de afslag ten dode was opgeschreven. Om de visserij toen niet te duperen, werd echter niet tot liquidatie overgegaan, zo werd verklaard.

De aanvoer van haring stagneerde al snel, na dat de Afsluitdijk was gedicht. In 1934 werden 10.100 stuks afgeslagen, in 1937 kwamen er nog 600 haringen, maar daarna niets meer. De Tweede Wereldoorlog gaf echter een andere wending aan het verhaal. De aanvoer van met name paling, witvis en snoekbaars maakte een belang rijk deel uit van de omzet en steeg zelfs. Door de oorlogscrisis werden bovendien hogere prijzen betaald en in 1941 concludeerde de gemeenteraad dat de visafslag te Lemmer ook in de toekomst recht van bestaan zal hebben.

Hoe anders zou het echter lopen, toen de Tweede Wereldoorlog was beëindigd. De visafslag verloor nadien steeds meer haar functie ordenend op te treden bij de vishandel van een open prijs was al helemaal geen sprake. De in Lemmer aanwezige vishandelaren bepaalde de prijs, die bovendien lager was dan op anderen visafslagen betaalde prijzen. De bedoeling was om verkeerde praktijken in de handel tegen te gaan, maar van het tegendeel was sprake door het monopolie van de Lemster viskooplieden. Uit andere plaatsen kwamen de handelaren niet meer naar Lemmer. Urk werd als afslag hoofdzaak en door de geringe aanvoer te Lemmer kreeg de visafslag nog slechts een zeer bescheiden rol toebedeeld.

En ook de verwachting dat na de inpoldering van de beide Flevo polders de visserij zich zou verplaatsen naar het noordelijke gedeelte van het IJsselmeer en Lemmer gunstiger zou komen te liggen, werd gelogenstraft. Voor de meeste vissers bleef het aantrekkelijker om in Enkhuizen of Urk te lossen. Bovendien speelde mee dat in deze plaatsen een betere outillage aanwezig was, en meer handelarenwaren gevestigd en er vanouds een veel betere markt was, eigenlijk heeft de visafslag te Lemmer nooit met Enkhuizen of Urk kunnen concurreren.

Je kunt wat mij betreft de deuren wel dicht spijkeren van deze afslag werd in 1952 al aan de afslager in Lemmer toegevoegd door één van de Lemster vishandelaren. Het werd een hopeloze toestand, en herhaalde malen is daarna gesuggereerd om de gemeentelijke afslag in Lemmer maar op te heffen. De omzet daalde voordurend en het vormde voor de gemeente Lemsterland een aanzienlijke kostenpost.

De visafslag leek op een spoedige sluiting af te stevenen, vooral omdat steeds meer Lemsters vissers de netten opborgen of het besluit namen met kotters op de Noordzee te vissen. Onderwijl dunde de vloot sterk uit en van de Lemster vissers bracht ook maar slechts een deel van de vangst naar de thuis haven. Van de eens zo vermaarde vissersvloot van Lemmer stonden er in 1962 nog maar vijftien schepen geregistreerd, vijf daarvan visten op de Noordzee. Bovendien bevond zich onder die groep Lemsters ook nog een aantal meer actieve IJsselmeervissers.

Opheffing werd door de jaren steeds voorkomen. Het zou moeilijkheden voor de Lemster vissers kunnen opleveren. De groep die het IJsselmeer bevisten. Zou gedwongen worden om de vis in Stavoren, Urk of Enkhuizen af te slaan. Voor dat argument toonde men zich gevoelig. Ondanks het feit dat de visafslag de gemeente Lemsterland enkele duizenden guldens per jaar kostte, bovendien wees men steeds weer op de veilplicht, als er weer stemmen opgingen om de afslag te sluiten.

En nog steeds wordt opheffing van de visafslag te Lemmer afgezworen. De gemeente moet er weliswaar jaarlijks enkele duizenden guldens op toe leggen, maar Lemmer blijft met de visafslag de status van Vissersplaats behouden. Burgermeester Feite Faber is daar duidelijk over. "Sa lang as it mei in bytsje kosten trochgean kin, sjoch ik gjin reden om der mei te stopjen" , al dus luid zijn commentaar.

 

,,Directeur" Steven Visser noteert de door de Lemster vissers Bauke Visser en Jelle van der Heide geleverde vangst. Plaats van handeling is het kleine gebouwtje van de visafslag aan de Willemskade in Lemmer.

 

De vier overgebleven Lemster IJsselmeer vissers hebben te kennen gegeven belang te hebben bij het voortbestaan van de visafslag. Het zijn Jan Fleer, Gauke Bootsma, Rauke Kuipers en Bauke Visser, die nog voor aanvoer zorgen op de gemeentelijke afslag aan de Willemskade. Ondanks het feit dat de visafslag in Lemmer als ordenend orgaan tussen visser en handelaar veel van zijn functie heeft verloren is "Directeur" Steven Visser er nog dagelijks te vinden als de vissers de haven binnen lopen.

Van de echte afslag kan men overigens moeilijk meer spreken, de enige kopers zijn de vishandelaar Jurjen Bootsma en minder frequent de visverwerkende industrie van de gebroeders Sterk. Meestal laten zij zich niet zien op de visafslag, ze geven slechts de prijzen door waarvoor men de vis wil kopen en voor die prijzen leveren de vier Lemsters in de meeste gevallen de vis rechtstreeks aan de handelaren. Slechts bij grote aanvoeren gaan de beide Lemsters naar de visafslag om te keuren en te kopen.

Zowel van de zijde van de handelaren, als van de vissers hecht men nog waarde aan het voort bestaan van het "Stekkie" van Steven Visser. Ik sjoch foar de takomst lykwols donkere loften foar de ôfslach kommem, is echter de mening van visser Jan Fleer. Ik sjoch wol dat dit mei de tiid ôfrint. Foar de de hannel is it nogal hasty net mear de muoite wurdich, omt de oanfier te lyts is, oer't generaal leit de prijs hjir ek leger as yn Starum of op Urk boppdat komme troch lege oanfier ek gjin fremde hannelers mear nei De Lemmer, sadatder hastgjin konkurensje mear is. Verhaalt nu de 63 jarige Fleer, die in zijn zonen opvolgers heeft, die volgens hem mettertijd zullen moeten uitwijken naar anderen afslagen. Om die reden zijn ze ook lid van de vissersvereniging Stavoren, die daar de visafslag van de gemeente heeft overgenomen.


De omgekeerde werkelijkheid en tijdige redding!

Nieuw signaal

Bovendien is het heel belangrijk dat er heden een groot verschil met vroeger is. Genoemde verschijnselen, met inbegrip van het beletten door dictatuur van vrijheid in woord en geschrift, Worden nu algemeen krachtig veroordeeld. het wordt niet langer onvermijdelijk geacht, evenmin als internationaal geweld tussen staten onderling. Het is een duidelijk signaal van een op gang komend ontwakingproces voor het welzijn van allen. Geweldloze vredesbewegingen voor tweezijdige ontwapening en andere acties die worden gekenmerkt door waardigheid en rust zijn er o.a. een voorbeeld van. Maar het voornaamste is en blijft dat we eerst ons zelf ontwapenen door destructieve neiging beter te beheersen. Verrees ook niet de nieuwe Phoenix , als symbool van vernieuwing, uit eigen as? En beginnen overal velen zich niet reeds als Socrates te voelen toen hij eens zij geen Athener te zijn maar een burger van de wereld?

Maar, terug naar lemmer van toen. Op de ene foto zien we inderdaad de tramconducteur Jan Woudstra en op de andere het tramstation omstreeks 1920  Zijn zoon Ruurd was jaren lang tandarts in Leeuwarden en woont nu al enige tijd in Eindhoven. Woudstra hebben we van nabij gekend via het puffende bokkentrammetje naar Heerenveen. Even als zijn bekende collega Marten Bijlsma droeg hij het kleine conducteurs petje nonchalant op het achterhoofd. Beste mensen, maar in de tram moesten we met Marten niet proberen "De kachel aan te maken", want hij zetten je zo buiten boord en dan moest je maar zien hoe je thuis kwam.

Evert moet de ene Foto (kortestreek) nog eens goed bekijken en zich afvragen of de man met de hoed naast Woudstra niet mijn vader zou kunnen zijn. Bij evenementen als deze ontbrak hij nooit door zijn contact met de Zuiderzeevissers,Vooral later in verband met de drooglegging met de daar uit de voort vloeiende besprekingen met de zo genaamde Zuiderzee commissie in Amsterdam. Ik meen me te herinneren dat deze besprekingen niet het meeste voor de vissers hebben uitgehaald. Is het niet Jan Wouda? Men sprak toen de dijk die armoede aandraagt? De mate van inspraak van heden bevond zich in die tijd ver onder de horizon.

Ook de naam Bosma roept herinneringen op Hij was jaren lang hofmeester op een van de nachtboten; een kleine rustige mandie zijn werk voortreffelijk verrichte. Heel wat Lemsters en passagiers van elders hebben zijn koffie gedronken en een kussen gehuurd om te trachten om een beetje te slapen, onder het gestamp van de grote stoommachine. De boot vertrok 's avonds om negen uur na dat een stoot op de stoomfluit door de stilte van Lemmer had geklonken.

In de herfst en winter keken de mensen onder het koper kleurig licht van de petroleumlamp en zeiden of dachten: de nachtboot! Genoemde Bosma bevond zich eens tijdens dichte mist op het zee ijs ter hoogte, meen ik, van de Vuurtoren waar hij in een wak terecht kwam. Door enorm hard te schreeuwen wist hij de aandacht van enkele bij de sluis staande Lemsters te trekken. Deze renden in de richting van het hulpgeroep en slaagde er in de ongelukkige slachtoffer uit zijn levens gevaarlijke positie te halen. Ik heb het zelf niet meegemaakt maar het incident ging als hot news door het dorp.

We moesten toch wat te praten of te roddelen hebben, want ook de radio stond nog in de kleinste maat kinderschoenen. Een toestel was slecht weggelegd voor een enkeling. En wat voor een? Je had een twee of drie draadsantennen nodig van minstens 50 meter en liefst zo hoog mogelijk. Bij heden vergeleken was alles uiterst primitief De lampen zaten aan de buiten kant en gaven ook nog licht ....voor de huiskamer. Het grootste en modernste apparaat stond bij Pier Meyer in het Nutsgebouw aan de Nieuwburen. Hij was een sympathieke en actieve man met voor uit strevende ideeën. Ik herinner mij dat hij eens (ik heb het geloof ik al eerder aangehaald) bekend heeft gemaakt dat bij hem tegen geringe vergoeding bij hem in de zaal een radiomuziekuitzending kan beluisteren. Voor de muzikale Lemsters was dit heel wat. Er kwam even wel niets van er kwam alleen gezucht en geruis, waarschijnlijk was die avond de wind richting niet goed. De nogal wat omvangrijke winkelier Zandbergen tegen over het Nutsgebouw met zijn handel in grutterswaren verpakt in grote bussen langs de muur  en verkoop van boter uit het vat en prachtige kopperen weegschalen op de toonbank, zag er helemaal niets in!Over zijn bril heen kijkende mompelde hij zoiets als : moderne fratsen......

Trouwens voor veel Lemsters was het een groot wonder, zomaar geluiden uit de lucht. Het was dan ook vaak eerst horen en zien en dan geloven. En zo verstreken de jaren in de goede oude tijd. Het werd steeds duidelijker dat het zoute water van de rusteloze Zuiderzee mettertijd over zou gaan in zoet water - het IJsselmeer. Nu worden hier binnenkort weer de alom bekende zeilwedstrijden met alles wat er verder aan vast zit. We hopen op nieuw veel oude vrienden te ontmoeten. Ruurd Rodenburg niet te vergeten die ergens in Eindhoven woont. Wiesje Dasoul en haar man zijn blijkbaar naar het buitenland gegaan, we hebben sedert vorig jaar niets meer van hen vernomen. In B was ook niemand aan te treffen. Max Koole is vast van de partij en Zwarthoed zal ook wel weer van de partij zijn uit Nice. En verder Feike en Hidde Visser uit Utrecht, Hidde  de Blauw uit Delft. En misschien deze keer Henk Brouwer ook .

Home