Wilt U een pagina (artikel) of een foto, willen kopiëren voor schoolverslagen -
privé gebruik: neem dan even contact op.
De oude Lemmer
Van de besprekingen van de Zuiderzee Commissie in Amsterdam weet ik niet veel, omdat op 12 juli 1927 het laatste schot met de, ansjovisbeug, wat toen toch op het eind liep, ben ik nog diezelfde dag overgestapt als schipper op een motorbootje "De Hans"
voor de Rijks Directie van de Zuiderzeewerken waarmee toen in dat voorjaar was begonnen.
En zo werden we Medemblikkers. Dat niet ieder zijn zin kreeg van de Zuiderzee Commissie was begrijpelijk. Voor de vaste vissers was het geen punt om belanghebbende te zijn. Maar er waren veel die er zijdelings bij waren betrokken en die voor vol wilden worden aangezien. En daar kwamen wel conflicten, uit voort Ik zelf heb nooit wat met de Zuiderzee steunwet te maken gehad De toenmalige minister-president Colijn heeft eens gezegd dat er ten aanzien van de Zuiderzeevissers geen smet mocht kleven aan dat grote nationale werk. Colijn was ook voorzitter, van de Zuiderzeeraad. In 1929 zijn we naar Den Oever vertrokken want de Wieringermeerdijk was klaar. Ik was inmiddels op een grote stoomboot gaan varen "De Vlieter" en toen kregen we vaak de heer Colijn op de boot met de hele Zuiderzeeraad.Hij was niet mijn politieke vriend, maar om mee te praten was het een heel aardige man. Hij vertelde ons ook veel over de Zuiderzeewerken.
Ik weet nog een keer dat we door de Wieringermeer stoomden. Hij vertelde dat er 47 bruggen in deze polder zouden komen. Ik heb ze later nooit nageteld. Op de "Vlieter" was mijn mooiste tijd en ik was in mijn element, was als het ware met een kompas voor mijn neus opgegroeid en mist of niet ik ben altijd gekomen waar we moesten zijn.
De ingenieur en opzichter waren vaak verwonderd hoe wij altijd het punt vonden waar we moesten zijn. In de zomer voeren we altijd met gezelschappen die door de regering waren uitgenodigd om de Zuiderzeewerken te bekijken.
Ze kwamen vanuit de hele wereld wat voor ons interessant was. Ook Kamerleden, leden van Provinciale Staten van alle provincies.
Onze burgemeester Pollema die ons ook nog getrouwd heeft en dat nog goed wist, was er ook een keer bij en ik moest hem veel vertellen. Wat zijn er nadien al veel burgemeesters geweest in Lemsterland. Koninklijke gezelschappen hebben we ook aan boord gehad, o.a. Prins Hendrik met gevolg. De koning van Siam met gevolg (in nu Thailand). Dan de keizer van Japan met een gevolg van dertig man. Wim Kan zou wel gezegd hebben: "had hem toen maar verzopen". Maar we wisten toen niet wat er nog zou komen. Maar hij werd toen erg streng bewaakt.
Ik kom die morgen aan boord, op de brug die was afgesloten zit een mijnheer, ik had direct door dat het een rechercheur was.
Hij zij "Goeie morgen Wouda" en stelde zich voor aIs Deelstra. Hij kwam van Oudega en sprak Fries met mij. Ik hoefde hem niks te
vertellen, hij wist meer van mijn leven dan ik zelf.
Het was in 1930 toen het gezelschap aan boord kwam. Het was zwart van de mensen op de haven van Den Oever.
De directeur-generaalDe Blocq van Kuffeler van de Zuiderzeewerken was de begeleider van de hoge gasten. Ik kreeg een Marineboot voor en achter me te varen en alles verliep op tijd en volgens plan, maar het was wel uitkijken met aanleggen. Bij de baggermolens en zandzuigers die in de felle stroom lagen te baggeren en te zuigen en met al die staalkabels naar de ankers.
Toen we 's middags weer in de haven terugkwamen opnieuw duizenden mensen. Ir. Ringeling,die mijnbaas was zei de volgende " dag: "Was je gisteren niet zenuwachtig Jan"? Ik zeg: "Of u nu naast me staat of de keizer van Japan, blijft voor mij hetzelfde". Wat hij maar vreemd vond.
Een bejaarde kapitein uit Dordrecht van de sleepboot "Lotus" zei me die namiddag: "Dat was toch een hele eer voor je Wouda". Ik vond het zelf overdreven, het was toch je werk. Het is allemaal lang geleden en Hirohito leeft ondanks alles ook nog en ik denk vaak aan die mooie tijd terug. Ik werd later toch Rijkswaterstater.
Misschien daardoor? Ik weet het niet eerst sluiswachter en de laatste acht jaar scheepvaartmeester in Amsterdam. Ik heb ook daar
altijd met plezier gewerkt Maar nu zit ik met eert pijnlijk been en kon niet eens naar de Jan Nieveen. We zullen maar hopen dat het gauw beter wordt want op 9 augustus hebben we een vaarvakantie met een boot de Maas op. Maar de Zuiderzeesteunwet is aardig uitgelopen, Rinsma. Zo gaat dat als je in het verleden begint te wroeten. Nu gaan we maar over naar de Bakkershoek door K. Verbeek geschreven. Wat konden we daar als kinderen mooi spelen. Door kommertje, slingeren met zo'n 50 jongens waarvan de laatste. een zwiepert kregen. En dan "typelje" een dwarslatje op je klompen en dan met een lange stok weg zwiepen en dat gebeurde op zeven verschillende manieren. Wie het verst sloeg had gewonnen en daar kwam een hele behendigheid aan te pas.
Ik zal wel ouder zijn dan K. Verbeek en weet daardoor wie er voordien in de panden woonden die op de foto van de Markt staan. Waar nu restaurant Schaaf is was voorheen Linos en Albino maar daarvoor was het 't drukke café van Minke Vegter en was de praathoek "Onder de hoek". ' s Avonds kon je daar altijd een veertig en vaak meer mensen vinden druk aan het debatteren. Rooie Okke hoorde je boven alles uit, hij moest heel hard praten anders stotterde hij. (De Albino-winkel was voordien denk ik naast Evert aan de Nieuwburen en heeft H. v.d Schoot later bij zijn zaak getrokken). Daarnaast de zaak van Henk Molenberg. Toen ik een jongen was dreef David de Jong daar een manufacturenzaak. Die had twee jongens Bram en Nathan, die naar Amsterdam zijn vertrokken. Toen kwam Speier in de zaak. die kwam van Harlingen. Een drukke man waarover Rinsma al eens een verhaaltje heeft geschreven met Doede Kok toen als politieagent. Toen kwam Henk Molenberg zijn vader in de zaak die daarvoor zijn kleermakerij had naast Joost de Vries, later Bondiëtti. Naast Molenberg stond vroeger hotel Eilers. Daar kwamen de boeren met paard en wagen en de paarden werden in de stal ondergebracht die naast de bakkerij van Hofman in de brede steeg naar het Achterom stond.
Ik was denk ik vijfjaar dat we samen met mijn neefje Jacob Wouda uit de bewaarschool kwamen. Daar stond voor Eilers zo'n tilbury, een mooie grote wagen met veel glas. Het lemoen waar het paard tussen liep lag op de grond Jaap pakt het ene en ik het andere lemoen en we draaien dat een eindje. Zoals u weet loopt de Bakkershoek af naar waar nu het gemeentekantoor staat. Begint me die wagen te rijden bij de laagte neer, hoe langer hoe harder. Wij schrokken ons een ongeluk en wij draven naar huis. Er stond toen een lantaarnpaal voor de kruidenierszaak van Baboies. Daar reed de wagen pal bij langs en zo de Rien in. Die boer zeiden ze, stond er later bij te huilen, want er zat ook nog een mand met zeven kippen in..
Het pand van Eilers
Wij hadden natuurlijk als kinderen geen vermoeden dat zoiets mogelijk was. Maar geknepen dat wij hem hebben! En moeder je maar bang maken met,straks komt politie Venema je halen en dan ga je de bak in en krijg je roggebrood te eten met spijkers en groene zeep erop. Ik was toch al zo bang voor Venema, want een tijdje eerder had ik een klap van zijn rotanstok gehad op mijn billen dat ik kon veertien dagen niet op mijn kont zitten. Voor Sake de Rus was hij doodsbenauwd Er reed toen nog een postkoets, naar de buitendorpen, er was achter een opstapje.
Ik kwam uit de, bewaarschool en moest naar de Schans en dacht mooi mee te rijden, met voornoemd gevolg. Nee, het moet daarna zijn geweest want het postkantoor was in 1907 klaar gelijk met de gasfabriek. Voordien was het postkantoor naast de Lemster boekhandel en werd gedreven door Gebr. Pereboom. Ze waren tevens kleermaker, ook Van der Horst heeft er zijn kappersalon gehad, ik ben aardig van de Markt afgedreven, maar tegenover Eilers zie je op de hoek de zadelmakerij van Bijlhout. Die kon zo mooi orgelspelen en op zomeravonden ging het raam omhoog en stonden er altijd mensen te luisteren. Dan komen we bij de coöperatiewinkel "Excelsior", daarvoor woonde Boonstra er. Hij dreef daar zijn drogisterij. Op de tweede verdieping had hij wel 1000 paar klompen op rekken, die kon je zelf passen. Zijn vrouw heette Kaatje en was meen ik een zuster van Zeilmaker Marten Folkerts de Vries van de Polderdijk.Boonstra heeft later een nieuwe zaak geopend aan de Schulpen naast Propsma. Daarnaast krijgen we een winkel ik meen me te herinneren dat Schotsman daar begonnen is. Wat later Schotmans bazar werd bij de klip, daarna Noppert en later Sportcentrum Klaas Visser. Schotsman is toen naar Leeuwarden vertrokken maar wat ik er van gehoord heb had hij beter in Lemmer kunnen blijven. Toen kwam in die oude Schotsman winkel de slagerij van Koning, die uit de Schans kwam en later de slagerij kocht van Dooitzen de Jong op de hoek van de Gedempte Gracht. Koning had twee zoons, Harmen en Andries en een dochter Jansje die bij mij in de klas zat. Harmen is als zovelen in Lemmer en daarbuiten bezweken aan de Spaanse griep na de eerste wereld oorlog.
Dooitzen de Jong kocht de mooie slagerij van Gebr. van der Woude aan de Langestreek. De slagerij die Koning verliet werd overgenomen door Koopmans die jaren later naar de bekende Villa Nova ging en weer boer werd Zoon Jan had later een slagerij aan de Nieuwburen.
Dan krijgen we de ingang naar het Achterom en komen we bij bakker Haveman, daar zijn geen veranderingen gebeurd:.De zoon heeft de zaak voortgezet. Zijn broer Jannes, die jarenlang arts is geweest in Sint Nicolaasga kende ik beter. De oude Haveman zijn vrouw was, Marie de Boer van de helling. Dan op de hoek bij de Rien waar nu het gemeentekantoor staat, was een grote kruidenierszaak annex grossierderij. Ik meen dat de eerste die ik daar gekend heb een van der Gaast of Gaastra was. Later Baboies, die had een zoon die Piet heette. Er stond altijd zo'n groot beeld in de etalage in ouderwetse kleren en een gouden pijp in de mond.
Maar zoals Verbeek schrijft de "good old" Markt is er helaas niet meer. (onder 2 foto's van de Markt) Wouda
Ingrijpende veranderingen in Lemmer 1886-1890
Lange tijd zijn de waterwegen en de sluis in Lemmer voldoende geweest voor het scheepvaart verkeer schepen veranderde niet veel. Hout was het materiaal dat beschikbaar was voor de scheepsbouw, de masten en het rondhout.
Tjalken, aken, skûtsjes en beurtschepen bevoeren de Friese wateren en het vervoer ging voor het overgrote deel per schip.
De landwegen stelden niet veel voor en waren in het natte jaargetijde vrijwel onbegaanbaar. In de toenmalige buitenhaven van Lemmer kwamen en gingen de koffen en smakken en hoe de zeeschepen ook verder mogen heten. Uiteraard zal de sluis het druk gehad hebben met de schepen, die zowel op zee als binnen konden varen. Uit mijn jeugd herinner ik me nog wel de brede tjalken met de robuuste ronde kop, de gestaagde mast en getaande zeilen.
Maar de moderne tijd diende zich aan. IJzeren schepen kwamen in de vaart en zelfs stoomboten. Het moest groter en sneller.
De Sluis was eigendom van het waterschap "De Lemstersluis". Het bestuur hiervan was een zelfstandig lichaam. Men kan zich wel voorstellen dat het moeizame onderhandelingen zijn geweest die moesten leiden tot de bouw van een grote sluis en een betere vaarroute. Het Rijk, de Provincie Friesland, de gemeente Lemsterand, het waterschap "De Zeven Grietenijen en Stad Sloten" en het water,schap "De Lemstersluis" waren hierbij met belangen en eigendommen betrokken.
Verschillende plannen en mogelijkheden zijn ongetwijfeld overwogen, maar het is geworden zoals op het hierbij afgedrukte kaartje is weer gegeven. Een nieuwe sluis is gemaakt op 250 meter afstand van de oude met aan sluitende havendammen. Het is een zogenaamde bajonetsluis dit wil zeggen dat het bovenhoofd en het benedenhoofd niet recht tegenover elkaar liggen, maar iets verspringen
Tekening van een bajonetsluis
De doorvaart breedte van de sluis is 8 meter, lengte 50 meter, drempeldiepte 2,66 -NAP. Er zijn 5 stel deuren. Aan de zeezijde de stormvloeddeuren. (Noot Roelie; Deze deuren hebben een merkwaardigheid: zij zitten binnenstebuiten. De dwarsbalken (dubbele T balken) vormende het geraamte van de deuren, zitten aan de verkeerde kant, nl. aan de kant waar de waterdruk vandaan komt. De ijzeren beplating zit aan de binnenkant en "hangt" door middel van de klinkbouten aan deze dwarsbalken, inplaats van door de waterdruk tegen deze dwarsbalken te worden geduwd, zoals de gebruikelijke constructie van sluisdeuren is. Boze tongen beweerden, dat de aannemer in familierelatie stond tot de betrokken ingenieur van de Waterstaat, met gevolg dat de fout met de mantel der liefde is bedekt. Wat hiervan waar is, is niet bekend. Wel staat vast dat deze deuren ruim een eeuw hun functie goed hebben vervuld, zelfs bij zeer hoge waterstanden, zoals in 1916 toen de oosthavendam geheel onder water stond en dit bijna over de vloeddeuren liep).
De hoogte hiervan sluit aan bij de hoogte van het bovenhoofd, 3,50 + NAP. Deze deuren moesten dicht als er op de Zuiderzee door springtij of door storm een hoge waterstand verwacht werd.
Verder is er het stel vloeddeuren voor schuttingen bij normale vloedstand, dus als het water op de Zuiderzee hoger was dan binnen. Maar het omgekeerde kan ook voorkomen.
Bij noordelijke en oostelijke wind wordt het water van de Friese meren naar het zuiden gestuwd en waait de Zuiderzee lager af. Dan is het water binnen hoger dan buiten, de normale vloeddeuren zouden vanzelf open waaien en door de snelle stroom was scheepvaart niet meer mogelijk. Daarom is ook nog een stel ebdeuren gemaakt, Ze doen dienst bij lage ebstand en als door andere oorzaken de waterstand binnen hoger is dan buiten.
Maar er vond nóg een ingreep plaats. In het hart van de Lemmer werd de Markt doorgraven, Zodanig, dat de Lemsterrijn rechtstreeks verbinding kreeg met de gevormde binnenhaven. Hiervoor moesten een 10-tal gebouwen worden afgebroken.

Op de tekening is de nieuwe loop met een zwarte lijn aangegeven. De Gracht werd gedempt, evenals een aanwezige zijarm of inham tussen gemeentehuis en kerk ( noot Roelie: Dit was een gracht die liep tussen het gemeenthuis en de voormalige slagerij van Sjoukes door). De twee bruggen, bij de Korte streek en Nieuwburen (noot Roelie: Er lagen twee bruggen over, één in het verlengde van de Nieuwburen, en één vanaf de Kortestreek naar de Oudesluis oostzijde. Eerstgenoemde had in de volksmond de naam " Hottinga's Brêge", de andere werd in de volksmond Plug's brêge" genoemd. Er moet een gravure van zijn van 1857, die zich bevind in de Oudheidskamer van Lemmer), konden verdwijnen en een nieuwe brug werd ten westen van die Markt gemaakt. Dit werd de Truitjezijlbrug genoemd, waaronder een keersluisdeur via een nieuwe kade ontstond en zo een verbinding tussen Nieuwburen en Gedempte Gracht enerzijds en Markt en Schans anderzijds.
Men zal I de verbetering geprezen hebben en.De deuren van de Oude Sluis konden open blijven staan en zo was in 1890 de nieuwe vaarweg gereed. Men zal de verbetering geprezen hebben en het, scheepvaart verkeer werd nog meer dan voorheen een bron van bestaan voor Lemmer.
In de gevormde vluchthaven, ten oosten van de Nieuwe sluis, kwam bovendien een veilige ligplaats voor vissersschepen en vrachtschepen, af geschermd van de Zuiderzee tot de oostelijke havendam. Aansluitend aan de sluis is een nieuwe zeewerende dijk gemaakt.
Tegelijkertijd is nog een ander punt bij deze werken betrokken, namelijk de afwatering van Friesland. Het overtollige regenwater kan men in herfst en winter maar moeilijk kwijt raken. Grote delen van het lage midden van Friesland, de zogenaamde "bûlannen"liepen onder en fungeerden als reserve waterberging. In het noorden van de provincie kon alleen bij Dokkumer Nieuwe Zijlen tijdens eb overtollig water gespuid worden. Langs de westkust kon dit door de sluizen in Harlingen, Makkum, Workum, Hindelopen, Molkwerom en Staveren. In het zuiden door Lemmer en Schoterzijl. Reikhalzend werd in vroegere eeuwen door de boeren uitgezien naar noordoostelijke wind; dan kon het water weg en kwamen de landen droog! In Lemmer gaf dit tegenstrijdigheid van belangen. Als met flinke wind gespuid werd, veroorzaakte dat in de oude oude Sluiskolk zoveel stroom dat de schepen er niet meer in op konden komen. Daarom werd aan 't eindje van de Schans, waar nu de Riensluis is, een spuisluis gebouwd.
Brede schuiven konden daar opgetrokken worden om het water door te laten. Bij groot peilverschil kolkte het daar met groot geweld door. De scheepvaart had weinig last meer en kon door gaan..
De nieuwe sluis met havendammen, eigenlijk gebouwd in het water van de Zuiderzee, de spuisluis en de doorgraving van de Markt waren werken van enorme omvang. Voor grondwerk waren er alleen schop en kruiwagen beschikbaar. De heipalen moesten met de trekhei in de grond worden geslagen.
Foto en tekst van: HEIBEDRIJF VIS, Tegen de zestiende eeuw was de handhei verdrongen door de trekhei, die een veel grotere valhoogte mogelijk maakte en waarmee veel langere palen tot aan dieper gelegen, stabiele zandlagen de grond in konden worden gedreven. Een trekheistelling bestond uit drie schuin geplaatste houten palen die aan de bovenkant met touwen aan elkaar vast zaten. De middelste paal van de stelling werd het gladde been genoemd. Aan de ene kant van het gladde been stond het klossenbeen, de paal aan de andere kant werd het derde been genoemd. Het klossenbeen was voorzien van uitsteeksels zoals we die kennen van de houten stelten. Het klossenbeen fungeerde als een soort ladder waarlangs je omhoog kon klimmen als dat nodig was. Helemaal bovenin de stellage, op meer dan 15 meter hoogte, hing de rammelschijf. Over deze katrol liep een touw dat aan het ene uiteinde werd bevestigd aan het heiblok, dat langs twee verticale geleiders liep. Wel 40 mannen trokken aan het touw om het zware heiblok op te tillen en lieten het weer vallen. Omdat het met regelmaat moest gebeuren, zongen de mannen ritmische liederen.
Zetsteen, basalt en stortsteen, alles werd met groot vakmanschap door handkracht op zijn plaats gebracht.
Het verdwijnen van de oude Lemster Markt, het verlies van vele historische gevels en het dempen van de Gracht waren de offers die gebracht zijn voor de economische ontwikkeling. Of deze offers terecht of onterecht, zijn geweest, daarover kunnen de meningen verschillen.
Het is echter wel, opmerkelijk dat van alle oude havenplaatsen aan deze kant van de Zuiderzee Lemmer de enige is die flink tot bloei is gekomen. P. Beetsma
" Hottinga's Brêge"
't Hoekje
Ja, een merkwaardig huis. Het moet gebouwd zijn in de 18de eeuwen als bakkerij.
Niemand heeft ooit iets over een daar gevestigde bakkerij gehoord en toch moet deze daar geweest zijn. De beide in dit pand nog aanwezige bakkersovens moeten gelijk met het pand zijn gebouwd. Het bestaat niet dat men eerst het huis gebouwd heeft en naderhand daarin de ovens heeft aangebracht. Dan kun je beter het hele geval weer afbreken.
De zoldering, bestaande uit zware balken (thans bedekt door board) wijzen op hoge ouderdom. Had het huis een oud-Hollandse gevel (zoals bijv. het oude gebouw van de Friese Bank naast de Wildeman) dan zou ik het Hoekje in de 17de eeuw thuisbrengen. 't Hoekje heeft een dergelijke gevel niet gehad. Het staat op deze foto in een rij van huizen van eenzelfde (laat 18de eeuws) karakter, met het front naar de Schulpen en met de deur in het midden. Het zal dus wel uit de laatste helft van de 18de eeuw zijn. Daarop wijst zeer duidelijk de aanwezigheid van ornamenten in Franse stijl in de achterkamer. Toch zou het Hoekje wel ouder kunnen zijn, want het staat op zowat het hoogste punt van De Lemmer en dat is altijd bewoond geweest, zolang die bult daar heeft gestaan.Bewoners:
1838) Siebe Broers Stellingwerf, koopman.
Sietse Douwes van Veen (1796-1867), gehuwd met Minke Rienks Sleeswijk. Hij was boterkoopman.
Douwe Sietses van Veen (1853-1892), gehuwd met Frollkje Wouda. Ook hij was boterkoopman.
1892) L.R. Landmeter. Deze liet het huis verbouwen en vestigde daar een sigaren en tabakszaak, alsmede een boekhandel.
1905-1921. Mijn ouders, Jacob Kokje, gehuwd met Trijntje Verbeek) namen woning en zaak van Landmeter over (alsmede zijn kat).ln 1921 werden huis en zaak overgedaan aan de familie Zwart (de kat was toen al dood). Nog steeds woont aldaar mevrouw J. Zwart- de Vries en heeft daar later jarenlang een sigarenzaak gedreven.
Het huis stond voor de grote doorbraak van plusminus 1890 in een rij van ongeveer gelijksoortige betere woningen.
Twee van deze huizen bleven staan. Het eerste huis naast de steeg, dat in mijn tijd nog het huis van juffrouw Brandenburg werd genoemd en later Schotman's Bazar werd, en het onze, dat toen pas inderdaad op een hoek kwam te staan. Volgens het
kaartje (zie boven plattegrond van Lemmer 1890) bevond zich een vrij brede steeg tussen dit huis en het derde pand. Na de afbraak
kwam de zijgevel (wie weet hoe lang had men naar een beetje licht gesnakt) geheel vrij en ontstond daar, na de verbouwing door de heer Landmeter, het aardige huis dat thans 't Hoekje wordt genoemd.
Wat ik tenslotte niet begrijp is, dat er blijkbaar nooit iemand is geweest (bijv. een bouwkundige) die eens is wezen kijken
naar die ovenboel. Ik heb getracht daarover iets aan de weet te komen bij mevrouw Zwart (via de telefoon), maar zij bleek nog een stuk dover dan ik en we vonden het toen maar beter het gesprek (?) te beëindigen. M. P. Kokje
Gelijk rechts naast de auto is het pand 't Hoekje
De pan met snert en de zweetsok.
16-11-'83
"stjerrend wier heite".
Pieter toen ongeveer 17 jaar, moest die morgen in het begin van de jaren twintiger jaren vroeg op zij werk zijn. Hij woonde in een steegje van de Beneden Schans. Via een klein stenen trapje kwam hij ook die morgen in de Schans en ging vervolgens door het smalle straatje waar in die tijd op de hoek van de haven kapitein Vogelzang van de nachtboot woonde. Pieter was eigenlijk te laat uit zijn nest gekropen. Dit was eveneens de rede dat hij slechts in haast een paar happen naar binnen had kunnen schrokken. Hij sloot de deur achter zich met een hongerig gevoel. Tot het middaguur is het dan voor een jonge vent een lange rek temeer om dat ze toen echt hard moesten aanpakken voor een paar centen.
Lemmer was nog in een dikke duisternis gehuld. De torenklok sloeg zes monotone slagen. Alleen in de winkel van Libbe Bouma brandde een waggelend vlammetje van een olielampje. Korte hevige windvlagen joegen de regen door de verlaten en trieste straat. In de verte hoorde je alleen het gerammel van bussen op de wagen van een melkrijder. Vermoedelijk was Faber van de Wildeman reeds onderweg naar zijn land achter het Eerste Brugje. Pieter huiverde in zijn vissersbuis en had het gevoel dat ook die grauwe morgen geen loper voor hem was uitgelegd.
Hij stond bekend als een fijne levenslustige jongen. Altijd met een grijns van oor tot oor op zijn guitige kop. In de voetballerij was hij een enthousiast speler en supporter. Hij had een bijnaam. Deze was verrassend toepasselijk door zijn commentaar op alles en nog wat. Hij was, zogezegd altijd duidelijk met een vlotte babbel aanwezig. Onlangs hoorde ik een verhaal over hem, wat ik in deze tijd naar buiten wil brengen, het was bijna onder het stof der tijden bedolven, lang geleden dus en typisch Lemmer van toen.
Zoals ik al vertelde was hij hongerig van huis gegaan. De klok had dan ook nauwelijks twaalf slagen laten horen en over de Lemmer klinkende fluit van de houtmolen was nog niet koud of onze Pieter was reeds in hoog tempo naar huis onderweg. Al in de omgeving van hun woonhuis kwam hem via een welwillende windvlaag een verrukkelijke geur van snert tegemoed, waardoor zijn eetlust nogmaals werd opgejaagd. Zijn moeder bleek niet thuis te zijn. Hij ontdekte echter dat bij de buren de deur uitnodigend open stond. Dat kon overal zonder bezwaar.
Want er werd niet op de manier van heden als de raven van alles bij elkaar gejat door een stelletje ongeregeld, groepen die heel zacht uitgedrukt ernstig lijdend zijn aan een gestoord normbesef. Pieter ontwaarde bij de buren ook niemand, maar wel de bron van de geur die voor hem zo'n aantrekkingskracht had. Als de gesmeerde bliksem keek hij onder de deksel van een pan waarvan de inhoud op het vuur stond te pruttelen. Hij had het gevoel dat zijn honger nog intenser werd toen hij in die pan ook nog een vette kluif ontdekte, die door aanbranding al een beetje zwart begon te worden. Geen nood snel griste hij de kluif eruit en brandde zijn vingers.
Maar dit was voor hem geen reden de kluif op zijn rechtmatige plaats terug te leggen. In plaats daarvan greep hij in zijn opwinding een bij de deur hangende zwarte sok die bijna stijf van het zweet stond, deponeerde deze in de pan, en verdween als een schichtige haas met zijn zo begeerde hap. Nadat het tumult over het geheimzinnige later was geluwd zat buurvrouw ijverig aan een zwarte sok te breien. Aan één exemplaar had haar man niets.
Het kwam niet in haar op dat Pieter, die goeie beste jongen de hand in het spel zou kunnen hebben. Zo'n gedachte lag geheel buiten haar verwachtingspatroon. Ze heeft zich nog lang afgevraagd hoe dit alles in hemelsnaam kon plaatsvinden. Toen veel later de ware toedracht uit de mouw kwam, klonk de gulle lach van de humor door de Schans en verspreidde zich op gevleugelde door het dorp van toen.
De pas geverfde deurpost.
Onlangs stond de deur, die het verleden afsluit, weer even op een kier. Door de tocht dwarrelden enige beelden uit de jaren twintig over de drempel. Geholpen door Jan Wouda zag ik hem ineens weer voor mij. Een jongeman klein van postuur , fel in dialoog praten als brugman en inderdaad ook een goede voordrager, o.a. van het schone lied " Ach moeder, ik kan je niet missen, het is hier zo stil om mij heen "....... Dit soort emoties oproepende dingen stonden hoog genoteerd.
Inderdaad Jan Zandstra beter bekend als Jan Ukkertsje, een van de bekende figuren van Lemmer uit die tijd. Jan kon echt fel zijn, als het politieke inzichten betrof, alleen leidde het niet tot echte hatelijkheid en elkaar voor rotte vis uitmaken. Links en rechts waren niet alleen op materiële pijlers gebouwd. Een voorbeeld hiervan is Evert de Vries die op zijn tachtigste verjaardag nog gebeld werd door Hidde de Blauw uit Delft, de zoon van Seerp de Blauw bij wie Evert zo lang heeft gewerkt. Als je Jan bestreed kon je als in een operette zogenaamd van hem een schop krijgen. Zijn commentaar was vaak, "Jimme begripe der neat fan, jim hearre net bij it earme fiskersfolk" waarbij hij vergat dat de meeste vissers niet arm waren. Beslist niet. Overdrijven met een bepaald soort humor was een kenmerk van vele. Wie Jan en zijn maten kende, wist dat het jongens waren die door hun werk de woellende elementen van de rusteloze Zuiderzee in hun bloed voelden stromen. Zij hadden vaak een hard leven met grote risico's door storm regen en koude, voor zic zelf en materiaal.
Onderwijzers in Lemmer zeiden niet voor niets dat veel jonge jongens tot de moeilijkst bedwingbare leerlingen behoorde. Een van deze meesters had er inderdaad veel moeite mee, een magere vrijgezel die ergens op de Kortestreek in de kost was, en zich weinig met de dorpsgemeenschap bemoeide. We konden hem zonder veel moeite op de kast jagen. Hij was dan zo stom om steeds woedender te worden, raakte over zijn toeren en sloeg er dan in. Een paar potige jongens namen dat niet en sloegen terug. De daders en bijlopers moesten voor het hoofd van de school, de Heer Radersma verschijnen en dan kregen we door zijn vlijmscherpe standjes best op onze donder, gevolgd door uren nablijven.
We vonden het allemaal maar heel onredelijk, te onnozel om in te zien dat je beter eerst je zelf had te onderzoeken in plaats van alle schuld aan de onderwijzer toe te schrijven. Veelsoortige dingen voltrokken zich destijds in Lemmer, meerdere zijn al in deze krant genoemd. Zij pasten in de sfeer en de omkleding van het toenmalige dorp met zijn grenzen een honderd meter voorbij Spuisluis aan de oostkant en de Trambrug aan de westkant. De geboorte ervan ontstond in hoge mate mee door het rustig leefklimaat wat zo afwijkt van deze tijd.
Verder het grote verschil in communicatie met zelfs een omgeving van enkele kilometers verderop, sporadische informatie, veel minder geld voor alles zodat de gemiddelde mens zich veel minder kon permitteren en zich maar moest zien te redden en het ook deed. Zo herinner ik mij een verhaal van iemand die ook in de rondleiding van de jaren twintig past. Een populaire man. Eens moest hij onverwacht als leedaanzegger voor de bekende heer Faber invallen. Ondanks alle goede bedoelingen van de begrafenisvereniging was niet te voorzien wat zich toen voltrok. Ook onze invaller moest langs de deuren om een tekst voor te lezen waar uit bleek wie er overleden en wanneer de teraardebestelling zou plaatsvinden.
Hij moest daarvoor gebruik maken van een bestaand kostuum. Dit bleek hem echter een paar maten te groot te zijn, maar het kon niet anders de zwart geklede jas was te lang evenals de mouwen waarin zijn handen bijkans zoek waren, de broek sleepte aan de hielen iets, maar net te veel over de grond. De gebruikelijke hoge hoed (kachelpijp) leunde nonchalant naar achteren op zijn kop met krullig haar. Helemaal onderaan staken te grote schoenen uit de broekspijpen. Toen hij ergens opnieuw zijn tekst oplas merkte hij plotseling dat hij met zijn linker handschoen tegen een pas wit geverfde deurpost leunde.
Midden in zijn plechtige opdracht zweeg hij abrupt keek naar zijn zwarte handschoen die van zwart wit was geworden en veegde zonder erg de witte verfhand aan zijn deftig gestreepte broek af.....zijn missie even totaal vergetend, uitte hij tot ontsteltenis van de vrouw in de deur een paar krachttermen die wel totaal buiten de inhoud van zijn boodschap met de daarin vervatte hoop vielen. Hij merkte het echter onmiddellijk en bood met de pink op de naad van zijn broek zijn verontschuldiging aan, en maakte dat hij weg kwam.
De hier afgedrukte tekening is van onze vriend Albert Schirm hij heeft met zijn talent in de loop van de tijd heel wat werk verricht. Ik vind het allemaal maar heel kunstig, want zelf kan ik met moeite een poppetje op papier krijgen. Omstreeks 1915 en later was het pand links op de tekening in gebruik bij C.J. de Jong als winkel in koloniale waren, zoals dat toen hete.
Als jongetje deed ik er wel eens boodschappen wij woonde toen nog in de tweede Parkstraat. Het interieur vond ik geweldig, al die grote fraaie bussen met mooie afbeeldingen langs de kanten en veel losse artikelen in de bakken waaruit de waren met een grote houten lepel werden uit geschept. Om vervolgens per pond te worden verkocht. In de avond was de winkel verlicht met zwakke gas pitten met hun effect van beslotenheid en gemoedelijkheid. Ik hoop dat ieder ouder wordend mens de essentie uit zijn jeugd diep in zich voelt en mag beseffen dat de meest gewone dingen later de waardevolste blijken te zijn, omdat ze ergens iets wakker hebben gemaakt.........
