Wilt U een pagina (artikel) of een foto, willen kopiëren voor schoolverslagen -
privé gebruik: neem dan even contact op.
De risico's van het vissen en de orkaan op 25 september 1935
Herinneringen van H. Bijma; De risico's van het vak
Hendrik Bijma weet er niet van dat bij het vissen op de Zuiderzee ooit één Lemster verdronken is. Wel kan men zich voorvallen herinneren en ook uit de pers zijn daar voorbeelden van bekend, waarbij de goede afloop kantje boord was. Eén van de vroegste bronnen, waaruit een en ander over de risico's van het vak geput kan worden, is de Visscherij-Courant. Een goed voorbeeld daarvan is de verslaggeving rond het stormweer dat op vrijdag 6 mei 1910 over de Zuiderzee raasde. Vooral rond Urk kwamen velen in problemen en liet een Huizer het leven.
De volgende dag was het nog niet veel beter, zoals een verslaggever uit Lemmer berichtte. "Bijna had hier zaterdag 7 mei de zee een offer geeischt. Daar het weer 's morgens te slecht was geweest om de netten te halen, zeilde de vloot in den middag uit. Toen de schuit van schipper Willem van der Bijl een 15 minuten buiten de haven was, viel er weder een bui in en moest de halve fok gezet worden.
De knecht Klaas Bijlsma wilde de ringen voor vast maken, doch viel daarbij achterover buiten boord. Men stond achterin klaar om hem te grijpen,doch hij kwam niet weder boven voor de aak al een eindje van hem afwas. Direct werden alle middelen in het werk gesteld. Men bemande de vlet, doch kon deze niet roeien, de vlet dreef harder weg dan de drenkeling zwemmen kon.Toen met de aak er op af, doch deze weigerde. De fok werd weer gezet, het nog eens geprobeerd en ja, de aak ging door den wind.
Vlug naar de plaats des onheils, de drenkeling was niet meer te zien. Ja, daar zag men hem boven op de zee, vlug de boom klaar, hem die toegestoken; gelukkig hij was binnen boord. Het was een groot wonder, maar Bijlsma was een ontzettend goed zwemmer, dat was zijn geluk Hij had met dat al toch in stormweer meer dan een half uur buiten boord gelegen.
Het is te Lemmer nog eens voorgekomen dat Gauke Leeuwke Bootsma, die uit de vlet viel, door deze na te zwemmen, zich het leven redde. De visschers zij toch geraden wel te leeren zwemmen".Een eveneens zeer zware noordwester overviel de zeevarenden op 17 december 1949. Wind uit deze hoek is in het noorden doorgaans nog krachtiger dan op de rest van het IJsselmeer. Hendrik Bijma was die dag met zijn,"spekbak" op zee en kan zich niet herinneren ooit eerder, nog later, zulk slecht weer te hebben meegemaakt.' "We kwamen uit Wieringen, hadden 's morgens de botnetten gehaald en toen was het al slecht weer: in buien de fok neer en dan voor 't kale rifzeil, zo ging dat. We zouden naar Medemblik, onderwijl deden we de vis uit en op het laatst kwam d'r zo'n lucht opzetten: je zag geen horizon meer. Ik dacht bij mezelf: "Dit heb ik nog nooit meegemaakt".
Deden de meest riskante situaties zich voor op zee, ook bij werkzaamheden in of rond de haven kon er iets mis gaan. onderstaand berichtje uit Lemmer, opgenomen in de krant van 30 mei 1914,geeft daar een tweetal voorbeelden van."De knecht van B. .Poepjes had, terwijl hij bezig was met het tanen van netten, het ongeluk een deel der taan over zijn voeten te krijgen,
waardoor hij onmogelijk zijn werk kon voortzetten. Zaterdag l.l. tijdens een onweder sloeg de bliksem in de mast der schuit van H. ter Heide van
Kuinre, waardoor de splinters in het rond vlogen. Persoonlijke ongelukken kwamen echter niet voor"Herinneringen van Willem Toering; 25 september 1935
Een datum, die Willem Toering en met hem verschillende andere Lemsters, in het geheugen gegrift staat, is 25 september 1935.
"Ik was 15 jaar en het was het eerste jaar dat ik voor volle knecht moest staan. We gingen 's morgens uit Lemmer vandaan met een klein zuidoostelijk windje en d'r was een regentje. We zeilden zo met z'n allen een eindje zuidwest in en toen d'r an. We trokken zo westover boven de Friesche wal langs tot een klein eindje van het Vrouwezand af en daar werd het helemaal stil. Zo ineens, uit het niets, schoot die wind uit naar het noordwesten en orkanen! Zijn we van daar helemaal voor de kale mast tot onder Schokland gekomen."Dat is het ergste weer geweest wat ik ooit meegemaakt heb. Je kon geen hand voor de ogen zien. Al het water waaide de zee uit! Twee keer zei vader: "Nou moet je zien of je ook wat ziet", want achterin zag Je niets. Ik de plecht op en zou me omdraaien om wat te roepen in-de-wind-op. Maar ik kon geen geluid uitbrengen zo waaide het! We hebben, zo voor de wind af, twee keer een zee ingehad, die het deurtje opendrukte en zo het vooronder in liep. Dat is een kluit water hoor! Voordat je dat er weeruit hebt".
"We zouden Schokland in, maar dat haventje was in-de-wind en we konden nooit die motor aankrijgen, want die had onder water gezeten. Zijn we met een stuk of wat onder Schokland ten anker gekomen, de LE 16 ook. Die knecht had de fok niet goed vast gemaakt en toen ie op de wind kwam te liggen, was het zo in één keer: joets, die fok aan boven toe! Het was twee klappen en een heel stuk sloeg d'r af. Toen met z'n beiden die fok naar beneden wroeten. Het heeft een uur of vier zo achter elkaar gestormd en we hebben die hele nacht daar gelegen".
Willem Toering weet van nog enkele Lemsters, hoe het hen tijdens het noodweer verging. De LE 88 Henny Kingma z'n vader die zaten in het Lemster vaarwater. En ja, die vertrouwden het niet waar ze terecht zouden komen, dat die gooide de aak dwars en het anker overboord. Dat anker houdt - die aken hadden kettingen -en die aak zet de kop d'r in, dat toen dachten ze : "Hij komt nooit weer boven !"
Maar ja, toen ze één keer die zet gehad hadden, bleef ie zo op en neer rijen.
D'r was één Lemster,die was binnen de gasboei van de Steil Bank en die dacht: "Het anker overboord. Eind aan de mast en laat die kabel nou achter de bolder weggaan: de aak dwars en tjak, de kabel af! Die is geloof ik in De Kuinder terecht gekomen. En mijn jongste oom, met de botter van pake Jelle, die waren aan het halen onder de Afsluitdijk, bot-opper om 't zo maar es te zeggen. Ze konden geen gaffel krijgen en die zijn op verzuipen af in Workum gekomen.Herinneringen van Harrit Kingma; aan de orkaan
Van de orkaan op 25 september 1935 heb ik het volgende gehoord. De vissers waren aan het dwarskuilen op paling. Na het halen van de kuil zijn er zeer weinig in Lemmer gekomen. Eén ervan was de LE 9 van Harrit Kingma, een prima houten zeeschip. Bij hem aan boord was toen Steven Ale Visser, een jonge sterke kerel, die jong is overleden. De LE 6 met aan boord Lubbert Coehoorn, zijn zoon Jilling, en Wiebren Hoekstra, die zelf een nieuwe schouw liet bouwen en zodoende bij Coehoorn aan boord was. De LE 6 is achter de Middelbuurt (Schokland) voor anker gegaan en zij hebben veel zand door de orkaan aan boord gekregen.
Op deze plaats lag ook de LE 16 van Robijn de Jong voor anker. Japie Kleis Visser vluchtte helemaal naar de Ketel en is eerst als vermist opgegeven. Ook de LE 63 van Renze Hoekstra en Rikus Bootsma werd door de orkaan overvallen en verder Obbe Poepjes en Meinze de Vries, die bij hem viste.
De LE 76 van Janus Coehoom kon de kuil niet aan boord krijgen en moest deze uiteindelijk losgooien en met veelwater in de botter
kwamen ze in de haven van Schokland aan.
De LE 74 heeft het natuurgeweld in de haven van Urk afgewacht. De LE 64 van Rense Visser en LE 20 van Rienk Coehoom kwamen ten anker richting Kuinderse dam ter hoogte van de boerderij van Rinkema, die als landmerk door de vissers werd gebruikt even als die van Durk Everts in Gaasterland.
Als het zulk vliegend stormweer was of zoals toen zelfs een orkaan, dan restte slechts vluchten voor de wind. Dit waren enkele lotgevallen van de Lemster vissersvloot,die in die jaren vrij groot was. Voorbij, voorgoed voorbij, dichtte J. Bloem, toen griffier bij het kantongerecht.
De sleepboot van Duiker brengt tijdens stormwee een vrachtboot naar binnen. Op de achtergrond de botter van Date Kingma.
De vissersvloot van Lemmer van 1913 en later
De laatste tijd heb ik nogal veel reacties gekregen van mensen, die mij hebben gevraagd of ik door wilde gaan met het schrijven over het oude Lemmer, graag wil ik aan dit verzoek voldoen en U mee nemen langs de haven als de vloot binnen ligt en we gaan zien waar ze allemaal een ligplaats hebben gekozen. Het geheel is een prachtig gezicht en ik kan het mij zo weer voor de geest halen.
We beginnen voorin de haven aan de "Gorring" (remming) daar liggen meestal de vissers die ver van de haven wonen, zoals Liekele Poepjes oude Liekele ook wel Liekele van Coba genoemd. Hij had een beetje buitenmodel botter, want die was niet aan de zuidkant gebouwd, maar in Joure, zijn vrouw Coba was een zuster van Siebe Zandstra van de LE 89. De botter had de wijdse naam "Schón wiederein zal nooit de leste zijn" Liekele en Coba woonde op het Oare Ein.
Jan van Bouke met de LE 36 lag meestal ook aan de gorring. Jan kon onder de hoek lekker bekvechten, want hij ging overal tegen in. Ze hadden een groot gezin en woonden aan de Lijnbaan achter de openbare lagere school. Hun oudste zoon was Age en de jongste was Henny en ik meen dat hij de enigste is die nog leeft en hij moet nu 79 jaar zijn. De drie broers Uilke, Anne, en Henny hebben later samen op de LE 95 gevist.
Johannes Poepjes met de LE 57 en zijn broer Pieter lagen meestal ook voorin de haven en zij woonde aan de Lijnbaan en de Nieuwedijk. Pieter had de LE 39 dat was een houten aak, welke in 1898 in Joure gebouwd is en het is de enige houten aak, die nu nog als jacht vaart. De heer Adrianus Kok uit Muiden heeft er zeven jaar aan gewerkt om er een jacht van te maken en hij is met nog zeven anderen platbodems naar Amerika geweest tijdens de feestelijkheden ter gelegenheid van het 200 jarig bestaan van de Verenigde Staten van Amerika.
Nu komen we bij de LE 45 van Nicolaas (Nikkie) Visser. Nikkie was getrouwd met een vrouw, die in de wandel zwarte Foek werd genoemd, wat betrekking had op de kleur van het haar. Voor zo'n bijnaam moest je rood of zwart, of wit haar hebben.
Een andere vaste klant daar aan de gorring was de LE 16 van Robijn de Jong, welke samen viste met zijn broer Obbe. Deze mensen woonden aan de Nieuwedijk. Robijn was de duiker van de vloot, Als er iets in het water was gevallen dook hij het meestal op want hij kon erg lang onder water blijven.
Nu komen we bij de LE 17 van Sake Zandstra (oompje). Hij woonde op het eind. De bovenkant van zijn aak was altijd in het roze geverfd, appelbloesem noemde ze dat toen. Het was wel vreemd, ieder kon gaan liggen waar hij wou en toch had ieder zijn eigen stekkie wel niet altijd op dezelfde plaats, maar altijd wel in de buurt.
Zo lag daar ook altijd de mooie aak van Dirk Coehoorn, de LE 23. Dirk Coehoorn woonde ook aan de Nieuwedijk. Hij is al op 45 jarige leeftijd overleden en hij liet nog jonge kinderen na. Zijn oudste zonen Jan en Sjoerd hebben het bedrijf voort gezet. Jan is later naar de politie gegaan in Amsterdam en Sjoerd was in zijn hart ook geen vissersman. Later begon hij een garage op het eind van de Nieuwedijk en politieman Jan kwam ook weer naar Lemmer terug. Hij vertelde dat de politieagenten meer door hun superieuren werden gepest dan door de Amsterdammers.
Nu gaan we langs de LE 89 van Siebe Zandstra, hij was vrijgezel en woonde met zijn moeder, oude Gepke, ook aan het eind. Siebe was een man, die altijd diepgaande gesprekken voerde.
Meestal lag de LE 54 van Rense Hoekstra (Poedeltsje) naast hem. Hij had de aak overgenomen van Alle Fortuin. Ook de LE 18. Van de vader van Rense lag hier meestal afgemeerd. Rense woonde achter de Hervormde kerk op de hoek van de Lijnbaan. Zijn bejaarde zoon Roelof woont met zijn vrouw nog in de Lemstervaart.
Op onze tocht langs de boten in de ouder Lemster haven komen we nu langs Hendrik Thijsseling met zijn LE 46. Hij was een van de twee katholieke vissers uit deze plaats en hij was goed van de tongriem gesneden. Ik heb hem eens horen zeggen, ik praat net zo gemakkelijk met de burgermeester: als met een minister. Hij is een tijd lang voorzitter geweest van de visserijvereniging. Hij had altijd een sigaar in de brand en woonde in de Tuinstraat.
In de Tuinstraat woonde meer vissers, o a ome Jouke Bootsma met tante Pietsje, volgens mij op nummer 1. Hij viste met de LE 44 , voordien was dat het nummer van de snelle zeiler van Andries Scheffer. Zoon Sake heeft nog lang op de boot gewoond. Hij had een mooie IJsselmeer kotter laten bouwen, welke ook onder nummer LE 44 voer. Later is hij samen met een compagnon op de Noordzee gaan vissen en hij heeft een mooi kottertje aan Jan Fleer verkocht, welke er nu nog mee vist.
Naast hem woonde Gauke Bootsma met zijn vrouw Antje Vlig, zij had heel donkere ogen. Gauke voer op de LE 66 en had als bij naam de Pekel. Zij zoon Poppe zat bij mij in de klas en voor zover ik weet woont hij nog in Lemmer. Ook Henderik Thijsseling heeft in het huis van Bootsma gewoond, maar of dit eerder of later is geweest is me ontschoten. Verder stond er in de tuinstraat ook een huis met een gebroken dak. Hierin heeft Rienk Coehoorn gewoond, eerder was dit huis ook al door Alle Fortuin bewoond.
Achteraan links, Ellie Vlig , Albertje Bootsma, Henkie Bootsma, Tietje Bootsma, Gepke Bootsma, Antje Bootsma, Gauke Bootsma. Daaronder links, Zwaantje Bootsma, Antje Vlig, Gauke Bootsma, Jantje Bootsma, Poppe Bootsma.
Aan het andere eind van de Tuinstraat woonde ook een Visserman, namelijk Wouter Hoekstra van de LE 63. De LE 63 was een aak die in 1904 in Joure was gebouwd. Zijn beide zonen Renze en Wiebe hebben later ook met de aak gevist. In het huis in de Tuinstraat hebben later ook Hidde Koornstra en ome Frans Visser gewoond. Het huis is al lang geleden afgebroken.
Ome Frans Visser (pake van Roelie (spanvis)
Bijna op het eind van de Nieuwedijk woonde Jelle Koornstra, welke viste met zijn botter LE 72. Zijn roepnaam was "Jelle van Betsje", hij was vader van een groot gezin. Hun oudste jongen was Klaas en de jongste noemde ze Adrianus. Ik ken ze allemaal nog. Later zijn ze uit De Lemmer weggegaan en in Makkum gaan wonen. Klaas Koornstra (dove Klaas) is al ver in de negentig en hij woont nog steeds in die plaats.
Van de Tuinstraat gaan we weer terug naar de haven en komen bij de LE 47 van Rouke Kuipers. De LE 47 was een snelle aak. Als eerste had Kuipers zijn aak opgetuigd met een zijden jager, dat is een zeil wat men nu wel ballonfok zal noemen. Met het geringste zuchtje wind stond de zijden jager vol en bij een zeilwedstrijd bij mooi weer had Rouke altijd de eerste prijs. Rouke was een eenzelvig man, die altijd aan boord woonde. Een enkele keer zag je zijn vrouw Akke wel eens op de haven om wat centen op te halen.
Ook voor in de haven was de mooie aak van Jilling Kingma, de LE 88, de LE 88 was in 1913bij de Gebr de Boer bebouwd en was de beste zeiler, als ze met de hele vloot een uur over de zelfde boeg hadden gelegen lagen ze altijd hoog in de wind. Ging men dan overstag of ree dan waren ze altijd voor op hun concurrenten.
Renze was als de oudste, de schipper. Dit was vroeger een ongeschreven wet. Verder waren zijn broers Roelof, Wouter, en Tjalling aan boord. Het waren eerste klas visserslui, welke de hele week keihard werkten, en zaterdag om twee uur moest alles aan kant zijn.
Broer Harriet was de schipper van de LE 9 en hij heeft jaren lang Klaas (?) Vlig als knecht aan boord gehad. Ook ruilde de broers wel eens van bemanningslid met de LE 88.
Jilling had in 1904 of 1905 een nieuw huis laten bouwen in de Schans naast Rippen. Renze is erg oud geworden en hij heeft 43 jaar bij zijn zuster Bet en zwager Lubbert Coehoorn van de LE 3 ingewoond. Ze hebben aan de Weverswal gewoond waar nu ongeveer de Rabobank staat. In dat huis woonde voorheen veekoopman Blok en zijn zoon Jozef en dochter Saartje, die in de oorlog om het leven zijn gekomen. Er zat een koperen bel aan de deur. In die jaren een teken van een zekere welstand.
De LE 2 . van Teade Wouda (lytse teade) lag meestal ook in deze buurt. De aak had een mooie naam "Het is mei sizzen net te dwaan" Teade Wouda was na het ansjoopvissen altijd met zijn zoon Johannes aan het zijdenetten. Lytse Teade was voor zijn tijd een belezen man, en hij is ook voorzitter geweest van de vissersvereniging, deze functie had men in de regel niet lang, want geen mens deed het goed.
Wat meer in het midden belanden we bij de LE 3. van Lubbert Coehoorn, die we al eerder tegen kwamen, zijn aak een mooi schip hete "Presto" wat naar muziek wees, waar hij een echte liefhebber van was. Het was een erg aardige man die men zelden of nooit kwaad zag.
Ook de LE 28 van Willem van der Bijl was daar altijd te vinden, zijn bijnaam was Bleke Willem. Zijn zoon Abe was zijn knecht. Voordien was hij binnenschipper in Idskenhuizen zijn aak de "Eersteling" is bij de Gebr de Boer gebouwd. Het was niet moeders mooiste maar wel een goed zeeschip, dat altijd licht groen in de verf was, ze woonden in het Achterom, achter het zwarte hek.
Willem van der Bijl en echtgenote.
Naast hem woonde toen Auke Bakker van de LE 6 met zijn vrouw Clara en hun vijf zonen en twee dochters, ze waren toen allemaal nog in huis. Het was een muzikale familie, want drie zonen waren bij de muziek. Ook weet ik nog met wie alle kinderen getrouwd zijn maar als ik dat allemaal neer schrijf zit ik hier wel tot eind van het jaar. Hun schip de LE 6 is nu in handen van Schirm, het is een mooi schip.
Gerrit Blaauw was ook een klant van het midden. Hij had een mooie 45 voets aak, die nu in handen is van Stofberg uit Leimuiden. Hij komt in Medemblik wel eens in de haven. De vrouw van Gerrit Blaauw kwam meen ik uit Wolvega en ze woonden aan de Vissersburen. Gerrit was een goede vissersman, die zijn deel wel kon vangen, en hij kon zijn woordje ook wel voeren.
Andries Scheffer met de snelle zeiler LE 44 was daar vaak te vinden. Hij viste niet altijd, maar haalde ook wel appels enz, voor zijn moeder Eike Scheffer uit de Schans. Ze gingen dan met de boot de IJssel op naar Olst en Wijhe, in die jaren een fruitstreek. Andries woonde in die tijd met zijn vrouw Anna van der Bijl achter Pieters Antsje.
Dan kreeg je oostelijker dan het midden van de haven de LE 8 te zien, alsook de LE 65. Die waren van Jan Blaauw. Ze woonden in de Schans naast Bondiettie. Jan Blaauw had eerst een grote aak van 50 voet, veel te groot voor Lemmer. Als ik mij goed herinner is deze aak in 1908 verkocht aan de Urker Lub Bakker. Hier voor in de plek kwam de 45 voets aak LE 8. De LE 65 was een houten aak, die ze al hadden. Alle aken waren gebouwd door de Gebr de Boer. Jan had 9 kinderen.
Andries was de schipper op de LE 8 met broer Lieuwe, Jan die schipper was op de LE 65. was nogal zwaar op de hand. Als ze de zee dicht willen gooien gaan ze hun gang maar, het is nu ook "Bidt en werk" terwijl hij nooit een kerk van binnen zag. Van de negen kinderen leeft de jongste dochter nog, ze woont in een bejaardenhuis in Purmerend en is 89 jaar. We zijn wel eens bij haar op bezoek geweest, toen leefde haar man Cornelis de Beer ook nog. Ze komt ons nog wel eens op zoeken met een van haar beide dochters die in Amsterdam wonen, waar ze voordien zelf ook woonde.
Dan zien we de mooie houten aak liggen de LE 50 van Hidde Koornstra (Hidde Fetsje) ze woonden in de Schans met hun zes zonen en hun dochter als ik het goed heb. Later woonde Piet Blaauw daar, later ging de aak naar de Familie Bootsma en kreeg Hidde een botter. En nog later zijn ze naar Harlingen en Dokkum vertrokken.
Je hoort wel eens zeggen dat Den Haag de weduwe van Oostindie is, dat is Makkum van Lemmer.
Nu beginnen we met het streekje daarachter waar Johannes Visser lag met de LE 12 (Johannes van Hansje). Hij was getrouwd met Rees van Hielk. Hun achternaam hoorde je nooit. Maar het zal wel Zeldenthuis zijn geweest, want ze hadden een Wieberen, zoals Siemen en Anna en Jansje van Hielk ook een Wieberen hadden.
De LE 12 was een grote aak en de schipper Johannes Visser een goede visserman. Daarbij was hij ook nog een aardige man, die altijd een manchester vest over zijn trui droeg. Toen ik drie jaar was zei ik al ome Johannes, ze woonden toen in de Schans en hadden ook een soort winkeltje. Als ik dan bij hem was zei hij zoon zullen we een reepje nemen en dan pakte hij zijn potfles waar Bensdorp repen in zaten en brak er twee af. Er zat ook altijd wat handel in Johannes, toen ze later op de Vissersburen woonde hadden ze daar een viswinkeltje.
Nadien kwam Rienk Coehoorn van de LE 20 daar te wonen met zijn vrouw Lubkje. Rienk was de trombonist van Excelsior. Toen zijn zonen Jan en Schelte groot genoeg waren zijn ze knecht bij hem geworden. Zij zijn later ook naar de Vissersburen gegaan. Daar kwamen ze naast ons te wonen, vader Hermanus Wouda (Manus en Mette) van de LE 57 met zijn zes zonen, waarvan ondergetekende de oudste was. In1928 is het hele gezin naar Medemblik gegaan. Wij woonden er toen al een jaar.
Dan kwam Siebe Kooistra (Siebe Wiets) met zijn aak LE 37. In tegen stelling tot de buurman had Siebe vijf dochters en één zoon, Huite. Siebe was een rustige man, die oorspronkelijk binnenvisser was geweest. Later zijn zij ook aan de Vissersburen gaan wonen.
Als we het streekje verder af gaan komen we bij ome Liekele (zwarte Liekele) en tante Jansje, zij is een zuster van mijn vader en is nu 99 jaar. Ome Liekele had in 1913 de botter LE 27 van mijn vader overgenomen. Ome Teade die altijd bij mijn vader had gevaren, had eerste keus, maar hij dorst de stap niet te wagen. Naast ome Liekele woonde in die jaren havenmeester Rein Kool.
Oostelijk van het midden lag toen Janus Coehoorn. Zijn vrouw was Jansje Van Hielk. Het nummer van zijn aak was LE 76. Janus lachte veel, wat op een goed humeur duidt. Hij had drie zoons en twee dochters, ze woonden in de Schans met een steeg tussen nettenhandelaar Jan Pen, later Libbe Bouma.
Dan lagen we wat meer naar de bom, waarin een grote taanketel de LE 42 van Andries de Jong (pippie). Hij woonde met zijn vrouw Geesje in het Achterom en zij hadden geen kinderen. Andries had op een keer met zijn knecht Jan Wierda ( zwarte Jan), die nog jong was een leuke grap. Op een gegeven moment zei hij tegen Andries, je bent een beste kerel je smeert 10 keer boter op je brood, maar de elfde keer haal je alles er weer af. De omstanders lachten natuurlijk.
Opzij lag meestal ook de LE 73 van Sake Zandstra, een broer van Siebe. zijn vrouw was de bekende Urker Aaltsje. Sake was een zwakke man en zijn zoon Leeuwke moest al jong als schipper op treden, Sake is niet oud geworden, maar Aaltje die altijd klaagde werd 84.
Doorspelen, en safe over de plank
Door het jaargetijde was de straat vanaf de Blokjesbrug naar de Langestreek ook die zaterdagavond tegen negen uur weer guur en vooral verlaten. Even voorbij de zaak van Gosse Wierda direct rond de flauwe bocht, was in die tijd de ijzerhandel met aanverwante artikelen gevestigd van de heer Koksma. Ik kwam uit de kapperzaak van Booms op de Prinssekade waar de klanten zaterdags tot laat in de avond onder het mes werd genomen. Er werd hier heel wat afgepraat, gelogen en gezwetst, vaak onder aanvoering van Booms zelf die precies wist hoe hij de geachte clientèle moest aanpakken en bespelen om de gand er op een behoorlijke manier in te houden, terwijl hij er toch goed voor wist te zorgen dat de gemoederen niet werden verhit door politieke gesprekken, want dit paste hem niet in verband met zijn winkeltje vóór de salon waar hij aan verschillende klanten regelmatig een hoeveelheid aan sigaren verkocht. Deze voorzichtigheid was niet ten onrechte, gelet op de diverse pluimage van zijn bezoekers.
Op die bewuste avond was genoemde Koksma eveneens aanwezig en door al het gepraat kwam hij laat thuis na reeds de gehele dag hard te hebben gewerkt. Dit nam evenwel niet weg dat de winkel als altijd moest worden schoongemaakt. Zo had hij doodop en heel laat in zijn bed naar boven om met een lucifertje het gas in het licht om te zetten. Later werd door een uitvinding van de eeuw gemoderniseerd door aangebrachte haken die met een lange stok op en neer konden worden bewogen terwijl overdag het kousje alsjeblieft door middel van een kunstig waakvlammetje bleef branden een grote vooruitgang dus.
Ondanks de toen ook alom heersende enorme werkloosheid met een daarmede gepaard gaande armoede voor de velen, waarvan we heden geen idee hebben, was met de zojuist genoemde dingen nog wel eens iets te verdienen zulks in tegenstelling met het technologisch tijdperk wat heden aan de gang is en wat zoveel goed, eenvoudig werk heeft weggespoeld. En waar is het einde?. Zouden we inderdaad over deze ontwikkeling erg ongerust en zonder vertrouwen moeten zijn?.
In ieder geval was het zelfvertrouwen niet bijster groot van een schipper die destijds met een snikje aan de polderdijk in de Lemmer lag. Toen hij weer eens goed dronken over de loopplank aan boord trachten te kruipen, prevelde hij in zijn zwaar benevelde toestand iedere meter "Heer sta mij bij". Toen hij eindelijk "Vaste wal" op het schip onder de voeten had, slaakte hij een diepe zucht van verlichtingen riep "Naar boven" nu, Heer nu hoeft het niet meer. Het scheepje heeft hier niet lang gelegen want als turfschipper moest hij zo de winter maar even de hakken lied zien, weer met spoed op reis om nieuwe voorraad op te halen. Zelfs tot in Drenthe turf was in die tijd de belangrijkste brandstof.
Ik herinner mij dat er ook veel werd afgegraven in het prachtige natuurgebied in de omgeving van Echten Delfstrahuizen en verder oostwaarts. Wat de turf betreft ik heb heel wat aantallen van onze zolder gedragen om moeders turfbak die zo beetje scheef achter de kachel stond gevuld te houden. Voor bedtijd haalde zij de gloeiende kooltjes uit het vuur die vervolgens gedurende de nacht, zorgvuldig in de grote koperen doofpot werden bewaard om ze de volgende ochtend weer te kunnen gebruiken, voor het aanzetten van de kachel.
In huis kon niets bevriezen want waterleiding moest nog worden uit gevonden. Je kon alleen maar hopen op een volle regenwaterbak. Nog hoor ik als jongen boven op bed liggend de vertrouwde geluiden die van beneden kwamen in verband met de winterse bezigheden. Het gaf een gevoel van intimiteit en veiligheid in de bedstede waar ik nog een tijd in geslapen heb. Mijn leeftijd genoten weten wat ik bedoel. Naar boven ging je met een olielampje of een brandende kaars, allemaal dingen die passen in die tijd. Men vergeet het nooit, want het had iets van dat onzichtbare "iets"wat inderdaad heden door veel jongeren wordt aangevoeld. Maar zij hebben weer andere dingen die ook goed zijn, en waar zij veel als ze willen mee kunnen doen.
De sfeer van die tijd werd onlangs door onze vriend Evert de Vries zo gevoelig getypeerd (hij lag destijds in een ziekenbarak, zie foto onder) toen hij Leeuwke citeerde Leeuwke stapte in zijn roodbaaien overhemd over de vloer, hij wou naar zee, om dat hij in zijn koorts meende dat er een schip in nood zat en die mensen "toch niet kon laten verdrinken" kijk daar was ook een facet van de Lemmer en precies iets voor de goedhartige Evert om het zich klaar te herinneren. In die tijd werden eveneens de kleine dingen meer gewaardeerd. In totaliteit was alles anders, er was bovendien van alles veel minder en daar door de verleidingen. Op de mens van heden komt véél meer af door alles wat we oproepen.
Op de arm is Evert de vries, links Moeder van Evert , 2 mannen, Leeuwke Bootsma, Ferdinand de Vries.
Een pijp tabak, verlet niet.
Het is een heel oud verhaal dat de pakes en beppes zich nog zullen herinneren uit de schoolboekjes van Terborg en Wiersinga, de boekjes die in 1894 verschenen en later nog een paar keer zijn herdrukt. De Heer J.Terborg was jaren lang hoofd van de christelijke school te Wolvega, zijn collega Wiersinga te Meppel. Laatst genoemde stierf in 1899 zeer onverwacht, Terborg is in Apeldoorn overleden. De beide schrijvers verzorgde ook kijkjes in onze geschiedenis, dat de oudere onder U zich wel zullen herinneren. Wij lazen het 40 jaar geleden, tenminste in de hoogste klassen. De schrijver van en pijp tabak verlet niet, was de heer S. Vissering, hier volgt het :
Het was in de tijd, toen er nog geen spoorwegen waren en toen nog geen stoomboten in alle richtingen de oceaan doorploegden; de tijd vóór 1830. In die dagen was De Lemmer een knooppunt van het verkeer tussen de noordelijke provinciën en Holland, niet alleen voor het goederenvervoer, maar ook dat van de reizigers. De beurtschepen, die elke avond van Amsterdam afvoeren, brachten de passagiers in verschillende richtingen naar de overkant, maar de grote stroomreizigers ging over De Lemmer.
In het Lemster veerhuis,
Nu gebeurde het dan, dat op een zekere voorjaarsavond tegen zonsondergang een aantal passagiers, als naar gewoonte in het Lemster veerhuis te Amsterdam bijeen waren, om het sein tot aan boord te gaan af te wachten. De beurtman was al een uurtje geleden van de steiger naar buiten op stroom gehaald, dat is te zeggen, buiten de dubbele rij palen hier en daar door openingen ter doorvaart afgebroken die toenmaals nog de binnen haven van Amsterdam van het IJ afsloot. die afsluiting had oudtijds gediend tot beveiliging van de stad voor een overval. Even als de wallen en de poorten aan landzijde, en diende nu nog ten behoeve van de schatkist als middel tot wering van suiker en belaste artikelen.
's Nachts werden de open vakken door een zware drijvende balk, de boom genaamd, afgesloten. Het tijdstip van boomsluiten, dat afwisselde met het lengen en korten van dagen, werd een kwartier van te voren aangekondigd door het luiden van klokken van de oude kerktoren, wiens zware afgemeten tonen plechtig in de avondstilte klonken. Even vóór boomsluiten werden dan de reizigers, die met verschillende beurtschepen wilden vertrekken, met hun bagage op zolderschuiten naar buiten aan boord gebracht. De beste gelegen verzamelplaats voor deze reizigers was het Lemster veerhuis.
Onder de passagiers, die op die bewuste avond voornemens waren met de Lemster beurtman te reizen, behoorde ook de eerzame Durk Diekema van Sneek. Hij was een man van goede doen, goud en zilversmid van zijn ambacht door en door kundig in zijn vak, eerlijk als het edelmetaal zelf, dat hij verwerkte. Hij was naar Amsterdam geweest om wat gouden willems en ducaten in te slaan als grondstof voor zijn bedrijf en toog nu, met gevulde fulpen reiszak naar huis. Hij was gezellig en vrolijk van aard en hield wel van een grapje, onverstoorbaar kalm in zijn doen, leuk en daarbij als vele Friezen wat stijfkoppig, Hij had nooit haast. 'n Liefhebber van roken, hij had tot zinspreuk. " Een pijp tabak verlet niet "!.
Zo zat hij nu dan ook, temidden van zijn meer bewegelijke en roerige reisgenoten, aan een tafeltje rustig het sein af te wachten, tot de aftocht. Haalde zijn zilveren tabakdoos nog eens uit de borstzak, en stopte een verse pijp. Hoe is het Durk - oom, voegde een der vrienden hem toe, steekt ge nog eens op?. Denkt ge hier te blijven banken?. Een pijp tabak verlet niet Wiebe, was het antwoord en de pijp werd aan het komfoortje aangestoken.
Passagiers voor De Lemmer!
Passagiers voor De Lemmer! Klonk het door de gelachkamer en de haastigen stormde naar buiten. Maar de waarschuwing zou nog tweemaal herhaald worden, en de bedaardsten bleven daarom nog achter. Diekema zat aan zijn tafeltje en zag de drukte aan. Passagiers voor de Lemmer! klonk het voor de tweedemaal en het hoopje achterblijvers werd al kleiner. Diekema bleef rustig doorroken, alsof het hem niet aanging. Nu wordt het toch zoetjes aan tijd mijnheer Diekema, zei de schoolmeester van Scharnegoutum, die ook mee moest. Een pijp tabak verlet niet meester! was het antwoord.
Ten derde malen werd de waarschuwing vernomen, Nog passagiers voor De Lemmer? en ook de laatsten verlieten het lokaal, moet mijnheer niet mee? vroeg de buffetjuffrouw 't zal nu toch haast tijd worden. Een pijp tabak verlet niet Juffrouw. Als de pijp uit is ga ik opstappen. Eindelijk legde hij de uitgerookte pijp neer en zei: "ge'n avend saam!" nam zijn reiszak en zijn trommeltje met proviand op en stapte bedaard naar buiten. Maar toen hij aan de steiger kwam, was de zolderschuit reeds afgevaren en al half weg van de boom. Daar stond vader Diekema. Dat is me nog nooit overkomen sprak hij bij zich zelf.
Aan het eind van de steiger zag hij een Jol liggen, de vletterman zat op de roeibank, met een eindje pijp in de mond en de armen over elkaar, van het werk van de dag uit te rusten. Wacht eens dacht Diekema er is nog raad op. " Heidaar vriend " riep hij kun je me voor een goede fooi nog op de Lemster beurtman brengen?. De man keek eens op, keek eens rond, naar de schepen in de laag, die de zeilen al hadden opgehaald, naar de zon, die bijna de kim raakte, en zei dank je heerschap ik zou je er nog wel heen kunnen brengen, maar ik zou voor boomsluiten niet meer binnen kunnen zijn, en ik geef er de brui aan om de gehele nacht op het IJ te zwalken. Meteen stak hij de pijp weer in de mond, kruisten zijn armen en dutte weer in.
Die vent denkt ook een pijp tabak verlet niet, mompelde Diekema. Maar wat nu te doen? 't Is een gek geval, ik moet zo nodig thuis zijn en mijn vrouw zal ongerust worden. 't Is niet plezierig nog tot de volgende avond in Amsterdam rond te lopen. Wat hadden die kerels ook zo'n haast te maken. Met lodenschreden keerde hij van de steiger naar de wal terug, drentelde wat heen en weer, keek rechts en links. De voorbijgangers bleven al staan, wie Amsterdam kent weet hoe spoedig daar een standje vergadert. Zoekt meneer wat? Baas heb je je vrouw verloren? Zo hoorde hij zich toespreken. Wegwijzen, meneertje?. Kan ik een oordje an je verdienen Ome?wierp een straatjongen er tussen in. Het begon hem haast te benauwd te worden.
Dan viel zijn oog op iets, in de hoek die een brug met de wal maakte, lagen enkelen botters verscholen. Op een van die schuiten zag Diekema dat de bemanning druk bezig was met de zeilen los te maken. Hé visserman ga je nog naar buiten, riep hij naar beneden. Ja koopman, waar ga je dan heen. Naar Urk als god het blieft, wil je mij naar De Lemmer brengen?, Ik heb er een paar Zeeuwen voor over. Goed! ik zal de schuit aan de steiger aanleggen, en stap dan maar gauw in. We kunnen er nog krek uit. Voor het eerst van zijn leven had Diekema haast, op een drafje liep hij naar het eind van de steiger en trippelde van ongeduld, toen de botter nog op zich liet wachten. Ze kwamen juist op tijd buiten, wel was de boom al uitgehaald maar nog niet aan de ketting gelegd. En voor uitgaande schepen waren de beambte's nog wel wat inschikkelijk.
Met een botter over
Toen ze op het IJ goed en wel onderzeil waren, en Diekeman de visser zijn geval had uitgelegd, zagen zij in de vallende duisternis de beurtschepen een heel eind vooruit. Wel visser sprak Diekema , zou je die Lemsterman nog kunnen inhalen?. Dat zou wel kunnen lukken, koopman voorbij zeilen ook, als het de Here behaagt. Wat zeg je man? Zou je nog voor hem in De Lemmer kunnen zijn?. Weer en wind dienende, zou dat niet onmogelijk zijn. Kijk zolang wij onder de rook van de stad zijn, kunnen we hem met een handjevol zeil niet veel op schieten, maar straks komen we in de ruimte. En die dikbuik daarginder zal er last van krijgen, als hij op Pampus komt de eb loopt nog een uur af, en met laag water kan hij daar niet hard voort. Dan halen we hem vrijwel in. Vannacht op zee houden wij hem bij, en als de wind staan blijft, waar wel kans op is. Morgenochtend krijgen we in het val van Urk de vloed voor de boeg, hij zal meer moeiten hebben dan wij om tegen de stroom op te tornen en niet naar lagerwal af te drijven. Ook kunnen wij om Urk heen de koers wat scherper aanleggen, terwijl hij wat meer ruimte moet nemen : zo raken wij hem voorbij, en zijn een uur of ander halfuur eerder in De Lemmer.
Een plezierig tochtje had Diekema juist niet. Een nacht op zee in een open schuit, in het voorjaar met een straffe koelte, nu en dan een regenbuitje; was niet alles voor iemand die daar niet aan gewoon was. Wel had hij een bubbeldikke pijjekker aan en de schipper had hem in de kuil van de schuit een soort van slaapstee gemaakt met een paar lappen zeildoek, met een hoop netten als kussen, maar dit was toch anders als thuis in de warme bedstee op het donzen bed.
Na ruim zevenuur, stapte hij aan wal wandelde naar het logement verkwikte zich met een kommetje koffie, en een paar stevige boterhammen, stak toen een pijpje op en kuierde op zijn gemak naar het havenhoofd. Daar was het al vol volks, want de bevolking van De Lemmer verzuimde nooit 't schouwspel van de Amsterdammer beurtman telken dag opnieuw te genieten. Tegen een kwartier voor achten kwam het beurtschip binnen. Op het dek stonden de passagiers op een hoop.
Indien mijn ogen mij niet bedriegen, sprak de schoolmeester uit Scharnegoutum, dan zou ik zeggen dat daar de Heer Diekema onder het volk staat. Wa? Hoe? och kom! niet mogelijk riepen de anderen, die zich gedurende de reis niet weinig vermaakt hadden, met de teleurstelling, welke hij zich door zijn koppigheid bereid had. Wezenlijk hij is het en geen ander kijk maar die langen pijp met 't zilverdendopje in de mond. En toen de vrienden langs de steile loopplank opstegen en hem met vragen bestormde, was het enige antwoord, dat zei vernamen :ik heb het ommers wel zeid; een pijp tabak verlet niet!!
En toen, o hemeltjelief
Op de Oostdam, aan de rand van de Lemster haven stond een betonnen badhuis, het baaihokje. Van hieruit daalde men langs een steile trap, met daar onder de blauwe keien van de dam, naar beneden om vervolgens via een stevige loopplank met aan weerzijden leuningen in de golven van de Zuiderzee te duiken. Het water was er al meteen vrij diep en stond ongeveer tot aan je middel, veel golfslag was niet nodig om te zorgen dat je kopje onderging. In deze omgeving speelde zich eens het volgende, vermakelijk toneel af: op een warme zomerdag met een kalme zee ging de heer D. met zijn vrouw naar de dam, daar zij een verfrissend bad wilde nemen in het toen nog puur zuivere zeewater. Gestoken in een badpak van moderne snit (wat zij zelf heel goed wist) begaf zij zich op haar manier elegant te water, tevreden gadegeslagen door haar echtgenoot en, tengevolge van het mooie weer, door wandelaars of andere baders.
Toen mevrouw enige tijd had rondgesparteld en na een paar verrukte kreten weer eens als een zeemeermin naar boven kwam met haar dikke figuur, o hemel, schuurde haar fraaie badpak op een fatale plaats waardoor haar "privacy" in gevaar werd gebracht....Haar man zich niet alleen onmiddellijk bewust van de zich zo onverwacht manifesterende precaire situatie, maar vooral van de duidelijk geïnteresseerde blikken van de omstanders, schreeuwde hij uit alle macht, hand er voor....en langzaam hier heen kruipen....ik houd de handdoek gereed. In zijn zenuwachtigheid gooide hij ook nog een oude aangespoelde mand naar haar toe, maar deze bleek zonder bodem te zijn. Zodat deze reddings poging mislukte. De intussen dichterbij gestroomde omstanders lachten achter hun hand en veinsden misschien ook als of ze weinig zagen, maar nog die zelfde avond was heel Lemmer op de hoogte. Een zeker portie leedvermaak was er niet vreemd aan om dat de slachtoffers bekend stonden als nogal dweperig ingetogen mensen.
Wie herinnert zich in Lemmer Tjeerd Knol broer van bakker Jan Knol, die heel vroeger met zijn zaak en woonhuis aan de Kortestreek was gevestigd een paar huizen verder waar nu Helling is? Later woonde men in een herenhuis aan de Langestreek wat nu meen ik leeg staat en in vervallen toestand verkeert. Het was een bekende familie in Lemmer. De zoon, de heer Atte Knol nu notaris in ruste, heeft enige jaren geleden zijn oude woonplaats weer opgezocht. Hij was een vriend van mijn vader en ging heel vaak met hem jagen en te vissen. het waren in die tijd twee echte buitenmensen. Voor het jagen gingen ze met de T-Ford van Rinsma Sr, met slinger en houten richtingaanwijzers. Naar Gaasterland, de heer Knol zal zich ongetwijfeld oproeper Jan Visser herinneren de man met de vele bijbaantjes waar over ik eerder heb geschreven. Hij was een prachtig type een echte ouderwetse Gaasterlander Tjeerd Knol een vrijgezel met een blozend uiterlijk staat vooral in mijn gedachten door zijn opgewektheid waaraan een neutje op zijn tijd niet vreemd was.
Hij was een verwoed sportvisser en je zag hem regelmatig op klompen in het visseizoen met zijn hengel op klompen door Lemmer lopen. Men kon de klok er op gelijk zetten zoals hij op vaste tijden naar de haven begaf. Zijn vaste stekjes waren meestal aan het remmingswerk langs de Westdam achter de vuurtoren of op een eindje van de dam. Hier kon hij uren zitten en hij had zich de grote kunst verworven in het vangen van allerlei soorten vis. Hieronder bevond zich Geep: een slanke vis, zoiets als paling en met een lage bek. Deze vissoort zwom meestal in scholen in de Zuiderzee, zodat je heel wat boven water kon halen als je geluk had.
De hengelaar die beet kreeg zag zijn dobber met een ruk in de diepte verdwijnen van het half groene water, waarna hij met een forse slag de buit binnen moest trachten te halen. Knol bezat hierin goede bedrevenheid. Trouwens ook in het vertellen van sterke verhalen was hij niet achterlijk. Eens zo vertelde hij mij, viste hij in het binnen water bij het strookanaal een eind voorbij de Mudserd toen er in de verte een dreigende onweersbui op kwam zetten. De vogels werden als gewoonlijk onrustig en begonnen heen en weer te vliegen: de lucht betrok steeds meer. Er was duidelijk zoals we dat noemen " een schip met zure appels opkomst" Men kan dit zich goed voorstellen en zelf ook weten dat er dan vlak vóór het onweer een typische sfeer aanwezig is het wordt doodstil in de natuur en de wind gaat liggen. Het is als of een onzichtbare kracht zich voorbereidt de ontlastende zich dreigend met donkere koppen boven de horizon verheffende bui op te vangen.
Een ademende frisheid van de ochtendschemering is direct weer volop in de atmosfeer, zodra de zon met haar glorie over de aan de hemelgetoverde regenboog op aarde stapt. Tjeerd vertelde verder ik dacht nu moet ik opschieten, want anders raak ik in een enorme bui want de eerste windvlagen joegen over het donkere water van het stroomkanaal. Het werd steeds donkerder. In de verte ruiste het water van de bui toen ik de riemen greep. Hoe hard ik ook roeide, de op het water rikkentikkende regen kwam steeds dichter bij maar ik kon door alle inzet van mijn krachten steeds een paar meter vóór de kletterende bui blijven, en bij de Mudsert nog net op tijd op de wal springen alvorens het water bij bakken uit de hemel hoosde, gevolgd door enorme donderslagen en daaraan voorafgaande weerlichtflitsen. Ik was kurk droog...en een tijdje toen de zon weer doorbrak ben ik teruggegaan om verder te vissen.
Misschien nog veel beter dan heden, het was in ieder geval vrij wat rustiger ( Mr Henk Luiking, met wie ik nu en dan zeilde zal het bevestigen. Hij woonde destijds op de Kortestreek in het herenhuis waar nu de familie nog woont. Onlangs zag ik zijn naam in deze krant in verbant met een artikel over de Lemstersluis ). In genoemd gebied heb ik vaak met een Lark gezworven zo'n platte boot waarmee je zelfs langs de kanten van de Brekken tussen het riet door kon varen om een rustig plekje te zoeken. Je zag inderdaad verder niets en behalve het ruisen van de wind door het riet en het geluid van de vogels hoorde je verder niets.
Jan Bosma zoon van de machinist van de nachtboot, die destijds tegenover het Waaigat op de Nieuwedijk woonde. Weet ook ongetwijfeld waar ik over praat. Als bureauchef op een notariskantoor woont al jaren in Leeuwarden. Wij hebben elkaar in die tijd de loef trachten af te steken met hartzeilen en als heftige concurrenten elkaar dikwijls voor rotte vis uitgemaakt. Op die leeftijd nam je het niet zo precies, zeker niet in de Lemmer. In die tijd zag je ook iedere dag in dit gebied de Gebroeders van der Bijl de beroepsvissers, met hun goede Friese boot. Zij hadden o.a. een dichtzet op de Zeilroede ongeveer een paar honderd meter voorbij het zgn. Siberië. Hier hing altijd een enorme stank in het bijzonder met zuidenwind. Het was de opslag voor afval en ook werden er de tonnetjes aangevoerd met het "Vlaggenschip" van de Gemeente Lemsterland.
Een grote praam die werd geschoven met lange bomen door twee mensen van de Reinigingsdienst. Een zwaar karwei en niet bepaalt het schoonste, maar niet te min moest het enige keren per week worden uitgevoerd. Het sluit aan wat Albert Schirm mij onlangs vertelde omtrent één van deze mensen, in de volks mond toen aangeduid als de "Jiskeberen" die met behulp van een maat met de bekende tonnetjeswagen in hoog tempo over de Blokjesbrug reden. Dit was nodig om dat de brug uit twee gebogen delen bestond, zodat er in het midden spraken was van een lichte verhoging. Op het hoogste punt gekomen, gadegeslagen door de vaste klanten onder de hoek en met een hoeraatje als aanmoediging vloog er plotseling een scheut uit een van de goedgevulde tonnetjes en kwam precies op zijn hand terecht. Toen hij die soep wilde wegslaan sloeg hij hart met zijn hand tegen de rand van de wagen en stak hij in een onbewuste reactie, onder commentaar van de omstanders zijn pijnlijke vingers in zijn mond zonder iets te ruiken of te proeven . Alles went blijkbaar........
Een voorbeeld van een bekend café Billart is van Moeke Knol, die hier tussen haar twee kinderen in staat: zoon Atte Knol en dochter Djoeke Knol. Op deze is nu café Populair van André van de Berg gevestigd.