Wilt U een pagina (artikel) of een foto, willen kopiëren voor schoolverslagen -
privé gebruik: neem dan even contact op.
Het leven en wonen in de eerste helft van de 19e eeuw

LEMMER, In de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw zag het leven er totaal anders uit dan nu. De nu vanzelfsprekende voorzieningen als waterleiding, stroomvoorziening, centrale verwarming, telecommunicatie, en talloze andere zaken, waren onbekende begrippen. 'Leven' betekende voor vele mensen: 'het hoofd boven water houden'.
'Het waren andere tijden, maar wij wisten toen niet beter. We hadden niks,en toch waren we gelukkig, zegt de bejaarde heer Leeuwke Zandstra tevreden. Dit wordt beaamd door de bejaarde familie Bijlsma: 'Het was wel een stuk gezelliger, en als er iemand in de straat ziek was, dan wist de hele straat dat. Dan bracht je een pannetje soep, en praatte je wat met elkaar. Je kende alle buren, en als de klokken van de kerk luidden, dan wist je wie er dood was gegaan, omdat de 'aanzegger' langs alle huizen in de buurt was geweest.'
Lemmer is voor zowel Zandstra, als de familie Bijlsma, de plaats waar zij geboren werden, en waar zij altijd gewoond hebben.Grotere gezinnen,kleinere woningen
Zandstra vertelt: 'Het was in die tijd heel normaal dat ouders wel negen tot twaalf kinderen hadden. Ons gezin bestond echter uit twee kinderen en mijn ouders, maar de meeste gezinnen waren veel groter" Toen ik een kind was, woonden wij in een huurhuis aan de Singel (het Turfland). Het huis was onderdeel van een gebouw van twaalf woningen. De twaalf woningen werden in het midden gescheiden door een poort; zes woningen links en zes woningen rechts. In het poortje waren twee Wc's, één voor de zes woningen links, en één voor de zes woningen rechts. Zo'n WC was eigenlijk gewoon een hokje, met een tonnetje erin. Vooral s zomers kon het er behoorlijk stinken. We knipten vierkante velletjes van oude kranten, en die werden als Wc-papier gebruikt. Zo deed iedereen dat. Tweemaal per week kwam de gemeentereinigingsdienst met een handkar langs om de volle tonnetjes mee te nemen, en er lege voor in de plaats te zetten.' En hij vervolgt: 'De twaalf woningen waren allemaal hetzelfde ingedeeld: een huiskamer, een gang, en twee bedsteden in de woonkamer. En of het gezin nu groot of klein was, meer ruimte was er niet beschikbaar. Er waren geen keukens en geen badkamers.
In de gang stond een tafeltje, met daarop een gaskooktoestel, want er was wel gas. Dat kwam van de gasfabriek. In de gasmeter moest een dubbeltje gedaan worden, en als dat verbruikt was, weer een dubbeltje, anders kwam er geen gas meer. Er was ook geen
waterleiding. Het regenwater werd opgevangen in een bak in de grond. Bij het gemeentehuis konden we water ophalen in melkbussen, voor 2 cent per emmer. 'Het huishouden
Er waren geen wasmachines. Alles was werd met de hand gedaan, met een boender en zachte groene zeep. In de zomer droogde de was buiten, maar in de winter aan lijnen in de kamer, waar de kachel brandde. Er waren wel strijkijzers, maar die waren toen nog niet elektrisch. Wij hadden er twee. Ik streek met de ene, terwijl de andere werd opgewarmd op het gas', zegt mevrouw Bijlsma. 'En stofzuigers waren er ook nog niet. We hadden matten op zeil. Elke week werd er geveegd, en werden de matten geklopt.. Die matten gingen hoogstens een jaar mee. We hadden geen badkamers, geen WC's, en ook geen douches. Om onszelf te wassen, namen we een emmer water mee naar boven. En in de winter kookten we eerst wat water, om dat in de emmer erbij te doen, zodat het wassen niet al te koud zou zijn.' Elke morgen moest in de winter de kachel aangemaakt worden. Dat ging met hout en turf, en daarna kolen erop. Die kolen moesten we met een kruiwagen van de gasfabriek halen. In de winter gingen we allemaal vroeg naar bed, want dat scheelde stookkosten, maar ook gas, want we hadden gaslampen. Dat was trouwens ook zo met de straatverlichting. Die bestond ook uit gaslampen, welke door een 'lantaarnopsteker' aan en uitgedaan werden. Die man trok er 's avonds bij schemering op uit om alle lantaarns aan te steken, en trok er 's morgens bij zonsopgang weer op uit om ze stuk voor stuk te doven', aldus Zandstra.
'Er waren ook nog geen 'wekkers'. Maar dat was geen probleem, want er was wel een 'nachtwaker'. De nachtwaker had tot taak om mensen te wekken op een door hun gewenste tijd. Het maakte niet uit hoe laat dat was. Daarmee verdiende de nachtwaker zijn brood. We sliepen op met stro gevulde zakken. Ik heb daar altijd goed op geslapen, maar ze moesten wel regelmatig met nieuw stro bijgevuld worden.We hadden een klein keldertje. Dat was de koelste plek in huis, dus daar bewaarden we het eten. We hadden geen voorraden, maar kochten dagelijks wel wat er die dag nodig was. Hoewel de kelder koel was, hadden we 's zomers toch vaak zure melk', zegt Bijlsma. 'Op een dag verhuisden wij naar een huis! waar geen bedsteden waren, maar slaapkamers met ledikanten. 'We komen in een paleis', zei mijn vader toen', vervolgt, Bijlsma.
Het Armenhuis
Aan het Achterom stond het Armenhuis. Daar woonden veelal oudere mensen, die geen geld hadden. Het Armenhuis werd beheerd door een zogenaamde 'vader en moeder'. Beulen waren het', zegt Zandstra met afschuw. 'De bewoners werden vaak schandalig behandeld. Wilden ze een wándelingetje maken, dan moesten ze daar toestemming voor vragen. Dan moesten ze op een bepaalde tijd terug zijn. Maar waren ze een paar minuten te laat, dan kregen ze stokslagen.'
Vertrouwen
Het leven was niet gemakkelijk, maar we vertrouwden wel op eerlijkheid. Er werd nauwelijks ingebroken of gestolen, en 's nachts was het niet nodig om onze buitendeuren op slot te doen