Wilt U een pagina (artikel) of een foto,  willen kopiëren voor schoolverslagen - privé gebruik: neem dan even contact op.


Het leven en wonen in de eerste helft van de 19e eeuw

 

 

LEMMER, In de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw zag het leven er totaal anders uit dan nu. De nu vanzelfsprekende voorzieningen als waterleiding, stroomvoorziening, centrale verwarming, telecommunicatie, en talloze andere zaken, waren onbekende begrippen. 'Leven' betekende voor vele mensen: 'het hoofd boven water houden'.
'Het waren andere tijden, maar wij wisten toen niet beter. We hadden niks,en toch waren we gelukkig, zegt de bejaarde heer Leeuwke Zandstra tevreden. Dit wordt beaamd door de bejaarde familie Bijlsma: 'Het was wel een stuk gezelliger, en als er iemand in de straat ziek was, dan wist de hele straat dat. Dan bracht je een pannetje soep, en praatte je wat met elkaar. Je kende alle buren, en als de klokken van de kerk luidden, dan wist je wie er dood was gegaan, omdat de 'aanzegger' langs alle huizen in de buurt was geweest.'
Lemmer is voor zowel Zandstra, als de familie Bijlsma, de plaats waar zij geboren werden, en waar zij altijd gewoond hebben.

Grotere gezinnen,kleinere woningen

Zandstra vertelt: 'Het was in die tijd heel normaal dat ouders wel negen tot twaalf kinderen hadden. Ons gezin bestond echter uit twee kinderen en mijn ouders, maar de meeste gezinnen waren veel groter" Toen ik een kind was, woonden wij in een huurhuis aan de Singel (het Turfland). Het huis was onderdeel van een gebouw van twaalf woningen. De twaalf woningen werden in het midden gescheiden door een poort; zes woningen links en zes woningen rechts. In het poortje waren twee Wc's, één voor de zes woningen links, en één voor de zes woningen rechts. Zo'n WC was eigenlijk gewoon een hokje, met een tonnetje erin. Vooral  s zomers kon het er behoorlijk stinken. We knipten vierkante velletjes van oude kranten, en die werden als Wc-papier gebruikt. Zo deed iedereen dat. Tweemaal per week kwam de gemeentereinigingsdienst met een handkar langs om de volle tonnetjes mee te nemen, en er lege voor in de plaats te zetten.' En hij vervolgt: 'De twaalf woningen waren allemaal hetzelfde ingedeeld: een huiskamer, een gang, en twee bedsteden in de woonkamer. En of het gezin nu groot of klein was, meer ruimte was er niet beschikbaar. Er waren geen keukens en geen badkamers.
In de gang stond een tafeltje, met daarop een gaskooktoestel, want er was wel gas. Dat kwam van de gasfabriek. In de gasmeter moest een dubbeltje gedaan worden, en als dat verbruikt was, weer een dubbeltje, anders kwam er geen gas meer. Er was ook geen
waterleiding. Het regenwater werd opgevangen in een bak in de grond. Bij het gemeentehuis konden we water ophalen in melkbussen, voor 2 cent per emmer. '

Het huishouden

Er waren geen wasmachines. Alles was werd met de hand gedaan, met een boender en zachte groene zeep. In de zomer droogde de was buiten, maar in de winter aan lijnen in de kamer, waar de kachel brandde. Er waren wel strijkijzers, maar die waren toen nog niet elektrisch. Wij hadden er twee. Ik streek met de ene, terwijl de andere werd opgewarmd op het gas', zegt mevrouw Bijlsma. 'En stofzuigers waren er ook nog niet. We hadden matten op zeil. Elke week werd er geveegd, en werden de matten geklopt.. Die matten gingen hoogstens een jaar mee. We hadden geen badkamers, geen WC's, en ook geen douches. Om onszelf te wassen, namen we een emmer water mee naar boven. En in de winter kookten we eerst wat water, om dat in de emmer erbij te doen, zodat het wassen niet al te koud zou zijn.' Elke morgen moest in de winter de kachel aangemaakt worden. Dat ging met hout en turf, en daarna kolen erop. Die kolen moesten we met een kruiwagen van de gasfabriek halen. In de winter gingen we allemaal vroeg naar bed, want dat scheelde stookkosten, maar ook gas, want we hadden gaslampen. Dat was trouwens ook zo met de straatverlichting. Die bestond ook uit gaslampen, welke door een 'lantaarnopsteker' aan en uitgedaan werden. Die man trok er 's avonds bij schemering op uit om alle lantaarns aan te steken, en trok er 's morgens bij zonsopgang weer op uit om ze stuk voor stuk te doven', aldus Zandstra.

'Er waren ook nog geen 'wekkers'. Maar dat was geen probleem, want er was wel een 'nachtwaker'. De nachtwaker had tot taak om mensen te wekken op een door hun gewenste tijd. Het maakte niet uit hoe laat dat was. Daarmee verdiende de nachtwaker zijn brood. We sliepen op met stro gevulde zakken. Ik heb daar altijd goed op geslapen, maar ze moesten wel regelmatig met nieuw stro bijgevuld worden.We hadden een klein keldertje. Dat was de koelste plek in huis, dus daar bewaarden we het eten. We hadden geen voorraden, maar kochten dagelijks wel wat er die dag nodig was. Hoewel de kelder koel was, hadden we 's zomers toch vaak zure melk', zegt Bijlsma. 'Op een dag  verhuisden wij naar een huis! waar geen bedsteden waren, maar slaapkamers met ledikanten. 'We komen in een paleis', zei mijn vader toen', vervolgt, Bijlsma.

Het Armenhuis

Aan het Achterom stond het Armenhuis. Daar woonden veelal oudere mensen, die geen geld hadden. Het Armenhuis werd beheerd door een zogenaamde 'vader en moeder'. Beulen waren het', zegt Zandstra met afschuw. 'De bewoners werden vaak schandalig behandeld. Wilden ze een wándelingetje maken, dan moesten ze daar toestemming voor vragen. Dan moesten ze op een bepaalde tijd terug zijn. Maar waren ze een paar minuten te laat, dan kregen ze stokslagen.'

Vertrouwen

Het leven was niet gemakkelijk, maar we vertrouwden wel op eerlijkheid. Er werd nauwelijks ingebroken of gestolen, en 's nachts was het niet nodig om onze buitendeuren op slot te doen


Incident op de Langestreek

Als ik er nog aan terug denk, lopen mij de koude rillingen over de rug. Gelukkig maakte de politie er een einde aan, na dat we enige malen de sommaties van de heer Roukema voor kennisgeving hadden aangenomen. Agent Wiersma joeg ons met getrokken gummistok de Lemmer in en waarschuwde onze ouders met de boodschap afgelopen of anders op de bon en 4 weken tuchtschool op water en brood besmeerd met zeep dit hielp.

In dit gebied was overigens genoeg te beleven, aan de havenkant van de Westdam was een lang remmingwerk (voor het aanleggen van schepen) met loopplanken en leuningen aansluitende op het voetpad van onze pier. Ons feest was om in de zomer hard over de plank te rennen om zover mogelijk in de haven te springen en vervolgens zolang mogelijk onderwater te blijven en daarbij dan liefst ook nog proberen zwemmende de overkant te halen. Er was er maar één die het presteerde en dat was Jan Douwma (helaas overleden) zoon van de bakker van de benedenschans, die longen had als een olifant.

Jan voer later als kapitein bij de Coastervaart na zijn opleiding aan de Terschellinger Zeevaartschool. Hij vertelde ons sterke verhalen nadat hij eerder enige reizen naar het toen voormalige Indië had gemaakt. Ik herinner mij nog de kappers die daar in de buitenlucht werkten en die zo zei Jan, regelmatig riepen haar knippen meneer, niet goed haar terug, en volle kracht verkeerd vooruit, als een schip achteruit moest varen

Hij was ook een van de vaste ploeg waarmee we iedere week per tram naar Heerenveen reisden. Jan had de gewoonte zijn niet geringe hoeveelheid brood vóór Joure soldaat te maken, dan was het nog geen half acht in de morgen en bleef de verdere dag in leven door vooral bij ons een hap te lenen. Wij reisden met het zelfde trammetje waarover enige tijd geleden in deze krant afbeeldingen hebben gestaan. Iemand anders met de voorletter J. was een nogal snel warm oplopende man, die ergens met zijn niet onknappe vrouw op de Langestreek woonde. Ze hadden nu en dan, zal ik maar zeggen een diepgaand verschil van mening en dit koste mij op een vredige zondagmorgen bijna het leven toen er onverwacht een zwaar projectiel door de ruiten van het huis daverde en net achter mijn rug op de straatklinkers aan diggels viel. Het echtelijk verschil werd vervolgens op straat verder uitgepraat. De man kreeg van de doorkijvende vrouw heel duidelijk het verzoek "de pest" of naar keuze het "apezuur" te krijgen aan welke vriendelijke uitnodiging hij niet voldeed.

Age Boem (Age Zandstra), in gezelschap van "karre met schil", die juist uit de richting van het centrum kwam, bekeek de situatie met kennersoog verslikte zich haast, scheler kijkende dan ooit in zijn pruim draaide de klep van zijn grote pet helemaal naar achteren en riep luidkeels door de aanblik van het straattoneel reeds hevig geëmotioneerd "Smyt se mar yn it dok, dat kring hâld mar twa kear mei de kop ûnder wetter. Zover is het echter niet gekomen, want het reeds wat gekalmeerde duo werd door anderen naar binnen geduwd en dit was meteen het einde van de happening.

Een paar dagen later kwam ik J. best een aardige man mij op straat tegen en vertelde hij ongeveer wat de oorzaak van het incident was geweest en hoe het kwam dat hij in drift een zware kruik "uit de losse hand" naar buiten kegelde. Als tegenprestatie eiste ik van hem dat hij daarop de volgende avond de ketel van zijn locomotief hij werkte een tijdje bij de tram als machinist onder hoge druk zou houden zodat wij in recordtijd van Joure naar huis konden om zo snel mogelijk de warme hap te kunnen pakken,want tegen die tijd rammelde we allemaal van de honger. De machinist die dit traject het snelst reed, was voor ons een Big Boy die hogen ogen gooide.

Nieuwelingen die voor het eerst naar school reisden, hetzij naar Heerenveen of Sneek werden ingewijd: of de hele reis onder de bank onder de bank, óf je werd in het bagagenet gedeponeerd. De actie van de neofiet bepaalde of hij al dan niet verder onder handen werd genomen. Ik herinner mij een jongen die zich verzette, met gevolg dat wij hem vlak vóór Lemmer zijn kousen en schoenen uittrokken waarna hij op bloten voeten, aangegaapt door en met de nodige opmerkingen van passanten naar huis moest lopen om de volgende morgen zijn spullen weer in ontvangst te nemen.

Plezier en gein was ook bij ons plaatselijk en vaak zeer afhankelijk van bepaalde typen, zoals Jurjen Propsma, die zo heel jong is is overleden, maar optimistisch bleef hij tot het laatst geheel conform zijn werkelijke aard. Hij was scheepsbevrachter, caféhouder en herenkapper van beroep en woonde op de Oudesluis, waar zijn actieve vrouw nog altijd een sigarenzaak drijft. Jurjen was een uitstekende voordrager en toneelspeler die veel rollen voor zijn rekening nam. Luid fluitend fietste hij altijd door het dorp wanneer hij de schippers afreed om zijn zaken te regelen. Schrijvend over hem, over deze man die zo uitstekend in het gehele Lemster beeld paste, schiet mij een jongetje te binnen dat geregeld aan de arm van zijn oudere broer door Lemmer liep.

Ze woonde op de Nieuwburen waar hun vader een klein kleermakersbedrijfje uitoefende. Als de jongen naar de kapper moest, en dit was dan Jurjen, zong hij onderweg op de melodie van een bekend liedje: "En dan komt Jurjen met een grote schaar, en knipt me een kop met polkahaar". Ja deze dingen speelde zich af en wij vonden het in die kleine gemeenschap van toen allemaal heel gewoon.

Spreek je boers tegen je kinders?!

Mei jo ferlof, ja, jin myn eigen bern
En yn myn eigen wente sprek ik Frysk,
En hoe ek Poep en Waal en Hollânske aap
Dêr jamk oer beare en nychheid dêroan ha,
Wy, ûnder húslik tek, wy sprekke Frysk,
En nimmen, dy’t ús hjir ús taal ontwringt;
It is ús nocht, binn’ wy mei eigen folk,
Te kâltsjen yn de sprake fan ús lân: -
Wy litte ’t net om ’t noaswiis ûnferstân.

En bringe de moade ’t mei, yn frjemde spraak
Oeral jin t’ uterjen, wêr’t men langer komt,
En mjit de basterling mei polkahier
Nei tongekromjen jins beskaving ôf,
En sjocht de koweboer mei kowebrein
Allinne wyt yn ’t goare úthiemske lûd
En mient in keale sot him grut en wiis,
Om’t hy ús taal net sprekke kin of wol.
 ’t Giet ús net oan: al mei ’t sok reau net flije,
Wy, ûnder eigen folk, nin aperije!

Ja, thús by wiif en bern, dêr sprek ik Frysk,
En Fryske sin printsje ik myn jonges yn,
En mei ’t my barre, meitsje ’k se ienkear grut,
En stean se sa ’t lef bastertskaai net oan,
Wurdt hjir te lanne alhiel de tigens húsk,
Sa sis ik: Jonges! Stek de wrâld dan yn,
En siikje in plak, dêr’t ienfâld, froede sin
Mei flinke hân en holle better jildt!
Dan sinke wei dit laach yn eigen waan,
En kromkje slaafsk de nekke, ’t frije bloed,
- Salang’t jit earne ús wrâld in stee fan frijdom het -
Fertjirmje net by sa’n ferachtlik bret!

HARMEN S. SYTSTRA (1817-1862)

 


Incident tijdens (wettelijke)gijzeling

Enige tijd geleden schreef Evert de Vries over "oproer" in het Achterom te Lemmer. Bovenstaande aankondiging heeft totaal niets met gijzeling te maken zoals het in onze tijd als terroristisch verschijnsel voordoet en ook niet met oproer. In de twintiger en in het begin van de dertiger jaren bestond het merkwaardige instituut "gijzeling". Het betekende o.a. dat een crediteur, via een rechtelijk vonnis waarin de gijzeling was uitgesproken in zaken van koophandel iemand voor zijn onbetaalde geldvordering kan laten oppakken. Daarvoor gaf hij opdracht aan een gerechtsdeurwaarder die er dan maar voor had te zorgen dat de man netjes in een huis van bewaring (wat een naam) werd afgeleverd.

Het slachtoffer verbleef daar tot dat hij zijn schuld had betaald, behalve wanneer hij zichzelf failliet lied verklaren, maar intussen zat hij mooi enige dagen "bewaard" in een hokje. Iedereen zal begrijpen dat veel deurwaarders op dit soort karweitjes niet bepaald happig waren. Mijn vader en ik als helper zeker niet. Als ik mij kon drukken lied ik het niet. Dat lukte niet altijd want zeiden ze, je moet er voor later aan wennen. Ik herinner mij verder dat er bij ons zolang mogelijk werd uitgesteld, in bijzonder waneer de schuld niet duidelijk aan slordigheid of opzet van de schuldenaar was te wijten.

Zo'n geval heb ik veel later wél meegemaakt. De bewuste man had de vaste gewoonte alle rekeningen en aanmaningen, die na 15 januari van ieder jaar die binnen kwamen, ijskoud achter de pendule op de schoorsteenmantel te zetten en ze daar toe te vertrouwen aan de tijd die door het uurwerk in alle rust werd weggetikt. Hij had er geen enkele moeite mee.....Een jaar later werden de brieven enz, geopend ondanks het feit dat hij regelmatig visite van deurwaarders kreeg en sommaties van andere rechtsbeoefenaars. Voor deze groepen was hij een welkome klant, want tenslotte werd alles toch betaald. Zo hebben alle dingen ook een betere kant.......

De gijzeling die op mij de meeste indruk maakte speelde zich omstreeks 1927 af. Het betrof een eenzame vissersman uit Tacozeil. Het ging hoogstens om F200,- (nu gelijk aan circa F 2.700,-) waardoor de gijzeling onmogelijk langer kan worden genegeerd. Het betrof geen verkeerde. Hij zal geen centen hebben gehad zoals velen in die bar slechte tijd. Daarbij vergeleken is ons geweeklaag van heden een lachertje. Rinsma Sr. had al enige malen laten weten wat de man boven het hoofd hing, maar steeds zonder succes. Een paar reizen op de fiets naar Tacozeil haalde niets uit. Het slachtoffer scheen het te ruiken en was onzichtbaar.

Plan de campagne:

Toen werd een soort overval plan, in fasen uit te voeren, in elkaar gezet. Net echt.....

A. bericht afwachten van een waarnemer die wist wanneer onze man bij de kust aan het vissen was met zijn kleine bootje.

B. het sturen van een snelvoetige bode naar Lemmer, met de gemaakte code.....opdraven dit woord riep hij met luide stem bij ons in de lange gang waarna het naar achteren echode. Ik hoor het nog.

C. deurwaarder met getuigen en de snel bij zijn lange flapjas gegrepen veldwachter pijl snel in de T- Ford en vervolgens omzichtig naar Tacozijl.

D. parkeren op een strategisch en daarna sluipend langs de onderkant van de Zeedijk voortbewegen ; onderlinge afstand ongeveer 3 meter.

E. op het juiste positiepunt behendig naar boven klauteren en , als goede spionnen, uiterst voorzichtig over de kop van de dijk loeren.

F. wachten hoe lang ook, terwijl de dienst pet van de veldwachter als een vogelhuisje net even boven de dijk uit kwam.

Eindelijk was het uur U aangebroken. Ze renden als het weerlicht naar beneden, waarbij de veldwachter struikelde en enige meters verder terecht kwam, wat niet bepaald zijn gezag verhoogde. De deurwaarder riep: "in naam der Koningin" en kondigde de gijzeling aan. Het verliep verder zonder veel moeite daar de man aanvankelijk als verdoofd het hele gebeuren over zich heen liet gaan. Dan allemaal in de auto en op naar Leeuwarden, na dat eerst de familie was ingelicht.

De reis voerde het gezelschap over een brug, naar ik meen in de omgeving van Irnsum hier voltrok zich een incident. Op de brug moest namelijk een paard en wagen worden gepasseerd waardoor heel langzaam werd gereden. De doorgang was uiterst smal. Plotseling opende de gegijzelde totaal onverwacht het portier, wrong zich naar buiten en riep "ik verdrink me" en wilde zich in het diepe kanaal storten. Gelukkig kon dat worden vermeden maar het gaf natuurlijk een niet geringe opschudding. De stemming was nu nog drukkender. Behalve het slachtoffer zelf, slaagde iedereen een diepe zucht van opluchting toen alles tenslotte in Leeuwarden was afgehandeld.

De achter blijver werd er nog een keer opgewezen dat zijn familie onmiddellijk een advocaat in de arm moest nemen om eventueel een eigen faillissement aan te vragen of te trachten tot een regeling te komen. Gelukkig was de detentie van korte duur, want na een paar dagen slaagde de familie er inderdaad in de moeilijkheden op te lossen.

Het leed was geleden......


Jaarlijkse trekvogels en Israël - incident Sake Visser

 

Het eerste slaat op vakantie. Maar wel op een heel andere dan in de twintiger jaren en daarvoor. De tijd waarover ook door anderen wordt geschreven in deze krant. Vakantie, wat betekende dat? Werknemers hadden in die tijd twee of drie dagen vrij. Later werd het een week en dat was een gebeurtenis.

Tijdens die schaarse vrije bleven de Lemsters meestal thuis om uit te rusten of wat te vissen langs de Remming in de Vluchthaven of bij de Sluis. In het centrum van Lemmer heerste stilte; geen gevuld Dok met luxe boten en geen kleurrijke menigte rond de Streken, geen lokkende terrasjes (al of niet met cultuur) dit alles gepaard gaand met gezellige drukte van deze tijd. Het centrum was destijds alleen enige vrachtschepen rijk die diende om met hart werken een boterham te verdienen en verder waren er de eeuwig krijsende meeuwen.

Wie een paar dagen wegging zocht de familie op. De boten van en naar Amsterdam waren een uitkomst door hun inderdaad lage tarieven. De lagere school had 14 hele dagen vakantie. In onze ogen een schier eindeloze tijd want het begrip tijd heeft dan een heel andere betekenis voor je. Later gingen we een heel enkele keer kamperen waarbij steevast Albert Schirm, Hendrik Brouwer, En Feike Visser aanwezig waren. Van de hele vaste ploeg destijds is alleen Schirm in het dorp gebleven, zijn werk lag hier en het resultaat van hem en zijn vrouw is voor ieder op de Schulpen zichtbaar.

Evert en zijn vrienden gingen in die tijd vaak met ons de hort op als er een auto was te pikken, rijbewijs of niet. controle bestond er bijna niet. Met deze tochtjes was het echter voor deze jongens wel bekeken. Tussen twee haakjes: naoorlogse generaties hebben geen idee van deze totaal andere toestanden, opgegroeid als ze zijn met aanmerkelijk meer "money in the pocket" en andere voorechten.

Zelfs vandaag de dag is vakantie, ondanks de teruggang, een exodus. Ver voor de vertrek datum worden plannen gesmeed, auto's en tenten nagezien om dan met veel moed (en offers) eigen comfortabele huizen te ontruimen, en zich neer te leggen op een enkelen vierkanten meter, van de buiten lucht door een millimeter tentdoek afgescheiden, weer of geen weer lekker of niet als wormzoekers langs de grond te kruipend. Als je zo thuis moest leven, was het huis en de buurt te klein. Hele stromen verplaatsen zich door Europa als een reusachtige waaier nijvere mieren. Op campings kun je de gekste dingen meemaken. Zo stonden we eens op een camping in Italië, Een paar meter bij ons vandaan werd een keurige tent opgezet door even keurige mensen, waar onder een pater met een lange zwarte rok en hoedje (vetpannetje) op zijn hoofd, die enthousiast maar kennelijk onhandig meewerkte.

Na verloop van een paar dagen zeiden we tegen elkaar, wat gek je ziet die pater elke morgen, komende uit de plaatselijke kerk, in vol ornaat in de tent duiken maar dan zie je hem de hele dag niet meer. Hij loste daar blijkbaar in het niets op. Het raadsel werd spoedig opgelost: hij bleek zich te verkleden door een polohemdje en korte broek aan te trekken, want zo zagen we hem aan het meer zitten te vissen, nonchalant  een sigaretje draaiende vermomd dus als een gewone toerist. De volgende morgen was hij weer de priester en zo ging het door.

Een andere keer het was in Denemarken raakte we in gesprek met twee dames, namen werden niet genoemd maar uit het gesprek bleek dat de ene in Y woonde ik lied me ontvallen dat ik daar nog een stuk achternicht moest hebben van wie ik in jaren niets meer gehoord had. De bewuste keek me oplettend aan en zei in eens, jullie komen heb ik begrepen uit Leeuwarden we knikte van ja, waarop zij zei. Dan ben jij Willem Rinsma, Zij was de bewuste achternicht ik schrok mij dood en stamelde een excuus. Het werd goed opgenomen.

In Lemmer hoorde ik dat Sake Visser (de meeste gefotografeerde oud Lemster) inmiddels op Schiphol was geland na zijn vakantiereis. Het zal wel een gerucht zijn, maar er wordt beweerd dat Sake bij aankomst in Israël enige uren op de luchthaven is vastgehouden als verdacht van spionage voor een of andere bananenrepubliek. Toen echter zou zijn gebleken dat z'n haargroei geen vermomming was maar puur natuur, mocht hij na aangeboden excuses vertrekken. Sake hoe zit dat nou?

Een paar dagen nadat dit stukje klaar lag voor verzending, ging bij mij de telefoon. Men mag twee keer raden wie mij opbelde - Sake. Hij vertelde mij welk een prachtige reis hij had gemaakt. De beleving van zijn leven, zij het erg vermoeiend. Deze vakantie heeft op zijn gevoelige natuur een diepe indruk gemaakt, zoals duidelijk uit zijn woorden kwam. Woorden van die andere Sake dan alleen de uiterlijke kant. Hij noemde onder andere het prachtige uitzicht van af de Olijfberg en de daarmee verbonden historie en andere fraaie dingen waar van hij had genoten. Het typische is (in verband met bovenstaand gerucht) dat hij inderdaad door de douane werd terug geroepen toen hij voor de terugreis het controleapparaat passeerde. Hij had een fraai koperen doosje gekocht en dit in zijn reistas gestopt met als gevolg het alarm afging. Sake Visser moest alles uitpakken en toen ontdekte men de onschuldige oorzaak. Hoe dan ook de reis blijft voor Sake een blijvende herinnerring.

 

Israel, Jerusalem: De westerlijke muur (Wailing Wall), Al Aqsa Mosque, Oijfberg

Sake Visser


Lemmer

 

In eerder artikelen hebben wij wat herinneringen laten herleven uit de Lemster periode die we hier onder voortzetten.

Op de markt was destijds een textielzaak gevestigd van Izaak Speyer waar zich vermoedelijk thans het zakenpand van de heer Henk Molenberg. In de zaak van Speyer was van alles op textiel te koop. De artikelen lagen in bakken rommelig door elkaar en zelfs aan de buiten kant was een etalage opgesteld om iets uit te zoeken. In die tijd reeds een moderne open winkel, waarmee ik niet wil suggereren dat het bekende mode magazijn van de firma Schirm hiervan het gevolg is geweest.

Speyer een korte nogal dikke man stond regelmatig achter zijn toonbank. Op de loer om de geachte kopers goed in de gaten te kunnen houden. Op een warme zomerdag stuurde mijn moeder mij naar zijn winkel om een zwembroek te kopen maar zei ze erbij, je moet goed opletten en afdingen want zo gaat dat in deze winkel. Ik knoopte het goed in mijn oren en haaste mij naar de winkel met in het vooruitzicht straks in de haven te kunnen plompen met een nieuwe zwembroek, die niet meer zoals de oude steeds afzakte, waardoor de zedelijkheid in gedrang zou komen.

Nauwkeurig doorzocht ik de buiten opgestelde bak en vond al gauw iets van mijn gading om vervolgens opgewekt de winkel te betreden. Deze had mij allang in de gaten en zei direct " wat hest daar" met daarop mijn vlotte antwoord wat anders dan een zwembroek. Speyer had blijkbaar zijn dag niet en bleef kortaf wat echter geheel niet tot mij doordrong, vervuld als ik was van mijn nieuwe aankoop en de instructies die mijn moeder mij mee gaf, de prijs werd genoemd en ik dingde een stuiver in de argeloze veronderstelling dat Speyer hier wel zou intrappen. In plaats hiervan liep zijn hoofd witheet aan en werd ik uitgescholden voor snotneus. Hij kwam haast over de toonbank heen met de woorden "wat meenst dou wel, er ût of ik schop je er ût. Door deze reactie dodelijk verschrikt, ben ik zonder zwembroek in een record tijd naar huis gerend en maar weer met mijn oude zwembroek te gaan zwemmen.

De eerste weken ben ik met een boog om de winkel van Speyer heen gelopen, tot dat ik de moed verzamelde zonder af te dingen er toch een broekje te kopen. Speyer was toen weer heel vriendelijk en deed of er niets was gebeurd. Hij was trouwens toch een aardige man, alleen nu en dan wat opvliegend.

Destijds woonde er ook een onderwijzer in Lemmer die Speyer geregeld op de kaartclub ontmoete in hotel van der Hoff, later hotel Boersma. Speyer kon deze onderwijzer niet  luchten nog zien, omdat hij met schutjassen altijd jammerlijk van hem verloor. In die tijd ging er driemaal per dag een bus met passagiers naar Sneek, deze startte voor het Gemeentehuis waar nu onze vriend Everto de Carro (lijkt wel Spaans maar hij is een real Lemster al jaren zijn uitstekende producten tegen zeer billijke prijzen verkoopt.

De laatste bus vertrok in de namiddag omstreeks 5 uur en Speyer moest op zekere dag nog dringend voor een bootschap naar Sneek. Zodat hij op het laatste moment dravend en zwetend zijn tent uit stoof, maar o noodlot de bus reed precies voor zijn neus weg, hoe Speyer ook schreeuwde en rende hij kon de bus niet meer inhalen en de chauffeur scheen (?) hem niet te horen. Dit vermakelijk tafereel werd door vernoemde onderwijzer die toevallig voor het postkantoor stond met kennelijk genoegen aangezien. Hij kon het niet laten om tegen Speyer te zeggen dat hij meer moest trainen in hardlopen om wat ponden af te vallen. Deze werd razend, stikte haast in zijn woorden en kon alleen tegen zijn rivaal uitbrengen "och man val dood smerige bleuband vreter" dit was zijn manier om wraak te nemen.

Dit incident herinnert weer aan een andere familie in Lemmer. Op de Nieuwedijk  woonde destijds de Davidsons : vader, moeder, dochter en zoon Machiel. Deze laatste was eveneens een apart type, die wij als jongens goed kende en die nu en dan ook op onze dansavondjes in het Nutsgebouw aanwezig was. De moeilijkheid voor Machiel was, dat de meisjes vaak niet met hem wilde dansen omdat hij zo stonk naar kattenvellen en allerlei andere rommel, die hij in een hok op de Nieuwedijk, laat ik maar zeggen deskundig bewerkte ten behoeve van zijn handel. Uit het hok kwam inderdaad een niet te harde, alles doordringende stank waar Machiel door gewoonte niets van merkte, maar hem wel als een mistbank doordrong. Dergelijke oneindigheden moesten door een oudere vriend die de leiding had, op een tactische manier worden geklaard. Geen gemakkelijke opgave met Machiel, want deze begreep er niks van en kreeg de pest aan hem.

Als hij zelf danste wenkte Machiel ons en wees naar hem, en had dan de gewoonte te zeggen "kijk zie je wel hij is kwaad, hij heeft een kattenrug" iets wat Machiel door zijn specialiteit heel goed kon beoordelen. Wij konden deze grap maar matig waarderen, omdat onze vriend inderdaad een klein lichaamsgebrek had. Om hem af te leiden vroegen wij hoe het met zijn zuster Sara ging. waarop altijd prompt de reactie volgde "Zoek haar eens op dan zal je zien dat zij vlekkerig begint te worden, omdat het weer er in zit.

Je kon zulke dansavonden best met hem omgaan, maar het kon de volgende dag ook gebeuren dat hij van uit zijn werkplaats met kabaal en veel geschreeuw een bezem achter je aansmeet, omdat je er langs fietsende vriendelijk riep : "Machiel Adriaanzoon de Ruyter" zonder enige bijbedoeling natuurlijk. Deze mensen zijn er helaas allang niet meer in het bijzonder door de Duitse bezetter. Zij gaven een aparte fleur aan Lemmer, evenals Hijmans uit de Schans, waarover ik eerder heb geschreven.

In deze zelfde periode, of iets later werd ook nu en dan behoorlijk geknokt door jongelui die boven hun dranklinie waren gestegen. Gelukkig was het nooit ernstig en vielen er geen slachtoffers. Alles was gebaseerd op een grote mond en wat vuistwerk. In dit verband herinner ik mij nog heel goed dat zij een groot ontzag hadden voor agent Poepjes, die in Oosterzee werd gestationeerd nadat hij zijn opleiding in Rotterdam had genoten. Men wist te vertellen dat hij korte metten maakte en niet vatbaar was voor smoesjes. Toen er weer eens iets aan de hand was werd Poepjes erbij gehaald. De relletjeschoppers vluchten hals over kop naar de aken en de botters, die als gewoonlijk in rijen van 4 of 5 in de vluchthaven lagen aangemeerd. Als ik mij niet vergis was Rode Okke er ook bij en Teunis Flappert overigens beste jongens die zo haast hadden dat zij struikelden, ook door het afzakken van hun broek, en aan de buitenkant van de gemeerde schepen als speren in het water schoten. Poepjes stond het schouwspel vergenoegd aan te zien, stak de duimen achter zijn koppelriem en liep met opgeheven gezicht terug naar het centrum de orde was immers hersteld en de burgerij kan rustig gaan slapen.

Home