Wilt U een pagina (artikel) of een foto,  willen kopiëren voor schoolverslagen - privé gebruik: neem dan even contact op.


Lemmer 1909

 

Naar ik meen in 1909 kwamen er weer twee nieuwe plannen, de Parkstraat zou worden gebouwd en het park werd een perkje van 5 bij 6 meter doorsnee. Maar ik weet nog dat de sloot langs de straatweg eerst werd gedempt met zand. Er werd begonnen met het bouwen van twee winkels vooraan, waarin later een kruidenierswinkel kwam, van Pieter Douma en aan de Lemster kant Beersma met textiel, het waren voor die tijd riante huizen, en dat niets hier blijvend is, blijkt wel uit het feit dat de winkel van Beersma allang weer afgebroken is.

Later kwamen de tweede en derde Parkstraat, je dacht toen maar ze kunnen nooit tot de trambaan bouwen, want dat is zo eindeloos ver weg. Als je op de straatweg liep, en  je zag de tram voorbij rijden die zo klein leek aan de horizon, nee dat was nooit te belopen. Japie van Kleis kwam dan ook later in de tweede parkstraat wonen, maar dat duurde niet lang want Japie zei "het was 1600 stappen naar de haven en 1600 stappen terug en dat duurde Japie veel te lang". En nu  zijn die parkstraten allang afgebroken, en de tram rijd allang niet meer, de tramboot vaart al in geen jaren meer,  en de Lemsters wonen al verder van het centrum dan destijds van af de trambaan het geval was.

We hadden het toen nooit voor mogelijk gehouden. Meester leerde ons toen op school, dat we met 7 miljoen mensen in Nederland woonden en landbouw en veeteelt het hoofd middel van bestaan was, en dat we arm waren bedeeld met delfstoffen. Dat is nu allemaal wel even anders, want we lopen al aardig naar de 14 miljoen. Maar toch is het leven heel wat prettiger geworden. Want we beginnen maar eens te kijken naar wat we nu kinderarbeid noemen, maar toen heel gewoon was.

Ik zal U eerst vertellen wat aanazen was, want dat bestaat een dikke 40 jaar niet meer, de helft van de vissersvloot was naast het ansjoopvissen aan het hoekwanten. Dat was vissen op bot met een hoekwant, een spleet telde 225 haken, die aan snelle laten we maar zeggen dunne touwtjes waren bevestigd en zo'n 60 á 70 cm lang waren. Die waren dan weer geknoopt aan een dikkere lijn, de haken zaten een vaam, dat is ongeveer 1.75m. van elkaar en aan elke haak moest een gekookte garnaal worden gestoken of gekruld , je had aasbakken die zo'n 1.20 m. lang waren en zo 60 cm breed, met schuin opstaande randen, alleen aan de voorkant niet. De haken zaten op een spleet, dat was een houtje van 35 cm lang, waarin naast elkaar twee dikke ijzeren draden geregen zaten, waar de haken op geregen waren.

De spleet of het houtje stak in een gat in de aasbak en het azen kon beginnen. Zo'n 20 cm van de achterkant van de bak werd een laagje zand gelegd het hoekwant kwam er achter te liggen en de haken met de garnaal er aan in het zand. Zo gingen 5 spleet hoekwant op of in een bak. Het was zoals U wel berijpt arbeidsintensief werk , want er werd door de best bemande schepen zo'n 60 spleet geschoten of uitgezet in zee en dat was vele kilometers lengte.

U had zeker niet gedacht dat vroeger de Lemsters gokkers waren. Nu dat was wel zo, naast de hang van Andries Blauw, toen het huis er naast nog niet gebouwd was, stond er alleen een schaapskooi van Pieter Wouda, een broer van mijn schoonvader Jan Wouda en Taede Wouda, de LE 2. Dat zijn de drie stamvaders van alle Wouda's. Je had in de Benedenschans de steeg van Pieters Antje, en daar stond een pomp van Pieters Antjes, Pieter werkte op de houtmolen en had een paar schapen die 's avonds in de kooi worden gebracht.

Als kinderen mazelen hadden, en die wilde niet uitkomen, ging men naar Pieter om schapenkeutels, die werden in een zakje in warme melk gehangen en de kinderen moesten dat op drinken. 't Was een probaat middel, zei men! Maar bij de schaapskooi van Pieter was een flink stuk zwarte grond en dat was de gokhoek. Zondagsmorgens waren daar zo'n 150 man bezig om met geld te spelen. Het meest geliefd was het zogenaamde "bekken" Dat werd met drie of vier man gespeeld en er werd eerst overeen gekomen of er met één of twee centen gespeeld zou worden. Dan werd er getost wie er eerst mocht, was al koploper, deed je met vier man dan kreeg de eerste 8 centen in een dichte hand en die werden op de grond geworpen, de centen die op kruis vielen waren voor de gooier. Dan mocht de tweede met de over gebleven centen en zo ging dat door.

Er waren soms wel volwassenen die het met dubbeltjes deden, dan waren er die net als stand werkers riepen "Cent forgees" Er werd dan een cent gegeven aan de roeper en die gooide de cent omhoog en die moest wapperen, dat was kantelen in de lucht. Viel de cent op kruis dan mocht de opgooier de cent houden, viel hij op munt dan moest de ander 2 cent hebben. Dan was er het streekje nerven, dan werd er een ovaal figuur in de grond met een streep overdwars gezet, en daar in het midden een vierkantje op, hoedje genaamd dan was er het werpen met centen door twee of drie man, gooide iemand een cent in het hoedje dan was al het geld voor hem. En anders was de winnaar wie het dichts bij het hoedje was.


Lemmer omstreeks de twintiger jaren

 

Toen het die avond lang geleden gebeurde moet het laat in november zijn geweest. Lemmer was reeds een paar dagen in een vieze kleverige mist gehuld, mede veroorzaakt door de laaghangende rook van de visrokerijen (het milieu was toen nog onbekend) De misthoorn met zijn dag en nacht naarstig gebrul (de Bolle zei men) golfde in flarden tegen de huizen en stierf enige kilometers verder uit. De smoezelige gasverlichting bij de Blokjesbrug kon nauwelijks tot verlichting komen. Nog zie ik de man uit het doktershuis op de Schulpen komen, om vervolgens met haastige tred in de richting van de brug lopen. Tot mijn schrik liep hij verleid door de mist en de karige verlichting teveel naar rechts en met 'n schreeuw verdween hij van de hoge kade in het donkere koude water.

Na de plons was het even doodstil maar gelukkig kwam de vergadering (Leugenbank) op de hoek in actie en hoorde je enige malen achtereen Plomp, plomp, plomp. Dit werd gevolgd door veel geschreeuw en gevloek in het water, want de redders Witte Jelle inbegrepen konden elkaar niet onderscheiden waardoor de één de ander greep. het duurde echter niet lang of de drenkeling werd met man en macht via het vlot op de kant gehesen, voor de huizen van Bakker Loen en Slager Wiersma. Het bleek een schipper te zijn die naar de dokter moest voor een plotseling ziektegeval aan boord.

Er werd verder in Lemmer niet lang over gepraat want zo iets gebeurde wel vaker, maar de drenkelingen werden altijd gered omdat zovele Lemsters uitstekende zwemmers waren en uiteraard vertrouwd met het water. Het was gewoon een erezaak en vaak ook een welkom verzetje. Een verzetje was ook voor ons jongens, toen mijn goede vriend Albert Schirm met een oude motorfiets, die hij ergens voor een tientje op de kop had getikt,  op straat verscheen tot groot verdriet van zijn oom die er kennelijk totaal niets in zag. Wat hebben wij een moeite gedaan om dat kreng aan het lopen te krijgen, hetgeen voor mij althans veel zweten en duwen betrof. Daartoe aangespoord door een enthousiaste Schirm, die aanvankelijk niet wilde weten dat hij een kat in de zak had gekocht. Tenslotte belandde het vehikel op de schroothoop en zagen we uit naar andere mogelijkheden.

Dit had als gevolg dat we stiekem de motorfiets van mijn vader pikte. Dit was één van de eerste Harley Davidson met een heel breed stuur. Deze motor zou geschiedenis maken Pa Rinsma was als berijder zo onhandig als het maar kon, wat natuurlijk resulteerde in allerlei dwaze situaties. Zo herinner ik mij dat hij eens vanaf de Gedempte Gracht in de richting van de Kortestreek reed, de bocht te lang nam (of te hard reed) over de stoep bij de winkel van Peereboom en gas gaf van in plaats te remmen, om daarna door de ruit van de winkel te rammen en zonder ook maar één schrammetje terecht kwam tussen de baaien hemden petten en hoge hoeden.

De motor bleef draaiende voor de pui staan en Lemmer heeft er nog dagenlang over gepraat. Mijn vader had trouwens nog meer sporten, zoals het wilsterflappen. Dit was toen in deze regio een volkomen onbekend iets. Hij was er zelf trots op en noemde zich bij voorkeur vogel flapper in plaats van Deurwaarder. Hij beschikte over de welwillende medewerking van Deinum die in 'n huisje woonde vlak bij de Zeedijk tussen Lemmer en Tacozeil. Deinum fungeerde als een soort voorhoede post, die direct een boodschap zou sturen zodra er wilsters in de buurt waren. Hij liet dan weten dat Rinsma onmiddellijk moest komen want zei hij "het tilt van de wilsters wel een, Tramboot vol". Vader schoot dan meteen in de klompen om bij aankomst te ontdekken dat er geen vogel was te bekennen. Deinum veinsde er niets van te snappen, want hij had ze toch zeker zelf gezien!

Het moet ongeveer in die zelfde tijd zijn geweest toen schoorvoetend de schoolreisjes opgang kwamen. Wij stonden dan voor dag en dauw op en ik weet nog, dat ik de eerste keer door Siep Vleer werd afgehaald om met het trammetje helemaal naar Oranjewoud te reizen. In ons gezelschap was ook onze vriend, Jan Douma, zoon van de bakker uit de Schans, later kapitein bij de Coastervaart, Die het als de beste kon versieren en mooi opzeggen. Hij had lak aan de ons vergezellende schoolmeester, waarbij o.a. de heer S. de Vries, van deze kreeg Jan een daverende klap om de oren, toen hij een glas kwast omschreef als hondenpies. Zijn reactie was dat het hem heel goed gelegen kwam, want eigenlijk had hij een gloeiende hekel aan limonade.

Over het trammetje gesproken: later reden wij er elke dag mee naar Heerenveen. Als conducteurs herinner ik mij de altijd vriendelijke Imke de Vries, Bakker en van der Wal met Prins op de "koffiemolen" als machinist. Vooral is mij M. Bijlsma bij gebleven: een grote man met een klein conducteurspetje op zijn guitige kop, zoals hij alleen kon dragen. Hij maakte tijdens zijn werk geen onderscheid; iedereen was voor hem gelijk. De kaartjes werden meestal in de tram verkocht en Bijlsma had de gewoonte heel duidelijk te vragen, "én waar zal de reis heen"? Iemand die een retourtje vroeg kreeg te horen dat hij alleen enkele reizen in de handel had, voor een retourtje moest je bij de chef aan het loket zijn. Hij wist ons ook goed aan te pakken, als we gezeten tegenover elkaar op de lange banken de tramwagen lieten schommelen tot ontzetting van de passagiers.

Door middel van de noodrem werd de tram gestopt en werden we ergens tussen Follega en Lemmer er uitgeschopt, wat lopen betekende tot aan de trambrug. Intussen was de Boer de brugwachter gewaarschuwd die ons aanzegde dat we op de bon gingen wegens lopen op de trambaan. Al deze dingen hebben blijkbaar een diepere indruk gemaakt dan je verondersteld, Want anders zou je het nu niet meer zo precies weten. Door één en ander weer wat te laten herleven, hoop ik mijn vrienden en bekenden uit die tijd 'n pleziertje te hebben gedaan, want verder hebben dit soort stukjes natuurlijk geen enkele pretentie.

 

Tram bij Heerenveen


Lemmer zaterdag 9 augustus 1986

 

Op één na de laatste dag van de groots opgezette festiviteiten, overigens met weinig wind voor de zeilers op het IJsselmeer, maar wel met een aangename temperatuur. Van de ons oud-Lemsters  zo bekende schepen waren nog slechts nog slechts weinig in de oorspronkelijke toestand waar te nemen. De bouwers van de Lemster aken gebroeders de Boer en hun vakmensen, waren op een vergrote foto uit 1911 te zien bij Foto Werner. Het was niet moeilijk de vader van Harm Douma er meteen uit te halen noch de heer de Boer die, naar ik meen, destijds met zijn gezin naar Bussem is vertrokken. Als het juist is dan hebben we daar al eens met onze ploeg op weg naar Laren om te kamperen, een nacht op zolder geslapen. Of niet Feike Visser en Albert Schirm?

Harm zag ik net nog even op de Kortestreek scharrelen maar hij had niets in de gaten. Lemmer was weer even in de aanstekelijke atmosfeer gehuld. De harmonische muziek op de klip tegenover de Schulpen deinde over de straten en het water en paste geheel in de totaliteit van het Lemster beeld. Ik heb me laten vertellen dat de bespeler van het instrument in de Tuinstraat woont en blijkbaar een inwoner van de laatste tijd is. Als immer waren de Streken dik bezet en het Dok gestoffeerd met rijen jachten, alles met elkaar een fleurig geheel vormende. Het rinkelen van de kassa's was hoorbaar....

Als je ook nu weer veel bekenden en vrienden ontmoet, dan is je dag helemaal goed. Bij de brug zag ik de sympathieke Siebe de Jong die mij direct herkende ofschoon we elkaar in geen jaren hebben gezien, terwijl ook hij in Leeuwarden bleek te wonen. Wiebe Visser en zijn vrouw (Groningen), troffen we op het gezellige terras van de lunchroom met zijn handige zelfbediening aan de Kortestreek. Een uitstekende gelegenheid om weer eens wat bij te praten en zo ook te vernemen dat zijn zusters (en Jelle natuurlijk) met hun boten in de zomer een vaste ligplaats in de jachthaven hebben. Alle drie onze groeten langs deze weg.

Langs genoemd terras zag ik ook ineens Rienk Tijsseling en zijn vrouw voorbij gaan. Het gevolg was een onmiddellijke herkenning met een wederzijdse vriendelijke groet. Rienk was met zijn integriteit en bekwaamheid de grondlegger van het bekende accountantskantoor. Bij de sluis heerste eveneens een geanimeerde drukte. Als ik daar sta ben ik altijd zo stom om de Zuiderzee te willen zien, maar altijd loopt mijn blik te pletter tegen grote gebouwen op de achtergrond. Teade Wouda en echtgenote waren er ook. Ze vertelden mij dat ze nog dit jaar naar 'n appartement in de Schrans te Leeuwarden hoopten te verhuizen. Bij de spoorwegovergang wordt nl. een groot flatgebouw neergezet. Hun huidige woonomgeving voldeed hun zacht uitgedrukt niet meer. Verderop, wandelend langs de nieuwbouw richting Schapendijkje, zag ik Wiebe Scheffer, nu ook wonende in Leeuwarden, zich daar had genesteld. We hebben een paar woorden gewisseld met er tussen door een groet aan de vrouw van Imke van Dijk. Ik kan geen stap in Lemmer doen of ik kom één van hun beiden tegen. Gegroet! Daar we - mijn vrouw, dochter Ingrid en man en 'ik zei de gek'- nogal laat waren hebben we van het zeilen niks kunnen zien. Maar de NOS had warempel deze keer Lemmer ontdekt zodat het journaal van acht uur goede beelden van het gebeuren gaf.

Een onverwacht beeld vertoonde zich toen we de Plattedijk afreden om een bezoek aan het Iselmar-centrum te brengen. Ik was daar al een hele tijd niet meer geweest en dan sta je toch wel even te kijken, dat enorme complex met al die appartementen , het fraaie ingerichte restaurant met lounge, ingebouwd zwembad en solarium. Inderdaad niet niks. Vanaf de achterkant van dit royale sportcentrum heeft de recreant een ruim overzicht over de tot de 'nok' toe gevulde jachthaven. Op de wal waan je je ergens in Duitsland vanwege de vrijwel alleen Duitse kentekens op de geparkeerde auto's. Ik loop verder naar het eindpunt waar de oude Zijlroede in het Stroomkanaal overgaat. De schittering van het zonlicht op het brede water van het kanaal omhult nog steeds het zacht ruisende riet dat zich elegant op de wind buigt. Vroeger heerste hier een volmaakte stilte en hoorde je in de late zomeravonden alleen de roep van een eenzame binnenvisser, De introverte bezoeker van heden kan de echo ervan misschien nog horen.

Terug in Lemmer, wat zich zo langzamerhand gerust een kuuroord mag noemen - was reade grijze Sake niet te zien. Voor hem is dit overigens niet zo erg want hij had onlangs reeds weer de show gestolen door de manier waarop hij bij (Bram-Teut) Bram de Jong een fraaie racefiets inwisselde. Een knap stukje werk. Na een vluchtig bezoek aan Henk Molenberg en diens vrouw, liep ik nog gauw even naar één van de praatbanken bij de brug. Riekus was er deze keer niet. Eén van de aanwezigen werd mij aangewezen als iemand die vroeger zoiets als de 'schrik van Lemmer' zou zijn geweest. Dit etiket moet ook weer worden beoordeeld in speciale aanduidingstaal van lang geleden. Toen ik hem vroeg of het waar was, kreeg ik vlot te horen "Tink er mar om, oars traapje ik do sa op it tserkhóf". Het was dus waar, duidelijker kon het niet.

Later speelde het carillon van de immer over Lemmer wakende toren de melodie van het volle uur. Het past geheel in de fleur van het tegenwoordige dorp. Misschien klinken de tonen door tot in de U.S.A. gelet op de belangstelling aldaar voor platbodems (o.a. klippers) via relaties van scheepsmakelaar Buch zoals in een krant van 9 augustus was  te lezen.

 

Sake Visser (reade sake, vader van Roelie) die hier de fiets in ontvangst neemt, en later de wielerronde van Lemmer opent.


Lemmer zonder Grenzen........    (plus minus 1994, met typisch Lemster humor)

 

Lemmer - Vorige week woensdagmorgen maakte de inmiddels befaamde oud-Lemster Sake Visser in de dorpsmond beter bekend als Reade Sake bekend, dat hij van plan is een boek over Lemmer te gaan schrijven. De titel van het ongetwijfeld interessante boek zal 'Lemmer zonder grenzen" zijn.

De immer opgewekte Sake Visser zat in de Wildeman o.a. bij de in Lemmer wonende Jan Aukema en diens zwager en oud Lemster Reitze Lemstra.  Reitze Lemstra woont in Rotterdam, waar hij 45 jaar deel uitmaakte van de politie. Op de vraag waarom ze destijds uit Lemmer weggetrokken waren antwoordden Lemstra en Visser volmondig: "ût earmoede". Na een overeenkomst te hebben gevonden verkondigde Reade Sake meteen dat Lemstra en hij 'wapenbroeders' zijn, die elkaar ieder jaar tijdens de Lemster Wike weer ontmoeten. Op de vraag waar Sake zich bevond tijdens de reünie voor oud-Lemsters, antwoordde deze: "Dy haw ik fersitten, jonge. Ja sjoch, ik mocht op 'n aak mei nei it stoomgemaal. Ik hearde by de 'welgestelden'''.

Visser, die ooit als een der eersten in Lemmer met ijs begon te venten (een ijsje voor 1 cent), maar ook als goedheiligman en dorpsomroeper fungeerde, stond en staat nog steeds paraat als er iets in Lemmer is te doen. Hiervoor komt hij met veel plezier over vanuit Heerenveen; is het niet voor het zeilen dan wel om hier te fietsen.


Lemster zeelieden en de zeilvaart in de 19-de eeuw


Kofschipper Adrianus Siebes de Jong voer op de West


Vervallen zeilvloot

Toen in 1813 Nederland weer onafhankelijk werd, verkeerde de zeilvlooternstig in verval. Er waren hoogstens 30schepen, min of meer geschikt voor de vaart op Indië. Van Amerikaanse en Engelse reders. die in de Napoleontische tijd een moderne zeilvloot hadden opgebouwd, moesten klippers worden gecharterd om de verbinding met de Tropen te herstellen. Koning Willem I bepaalde dat een premie zou worden gegeven aan Nederlandse werven, die schepen van minstens 300 ton lieten bouwen. Op initiatief van de koning werd in 1824 de Nederlandsche Handel Maatschappij opgericht om de in verval geraakte koloniën weer tot 'bloei' brengen. Zo werd onder andere verplicht voor het vervoer van Indische Gouvernement producten uitsluitend gebruik te maken van Nederlandse schepen, terwijl voor elk nieuw schip de bevrachting van twee uit en thuisreizen naar Java of China tegen winstgevend tarief werd gegarandeerd. Om voldoende aanwas te krijgen van vakbekwame zeelieden werden de grotere klippers en barken verplicht minstens één leerling als lichtmatroos in dienst te nemen voor elke 100 last laadruimte. Eén last is twee ton

Herstel

In 1824 bezat Nederland 1100 schepen waarvan 54 Oost-Indiëvaarders. in 1837 was het aantal Oost-Indiëvaarders toegenomen tot 146 stuks met een draagvermogen van  50.000 last Dit was voldoende vervoers capaciteit om de bouwpremie te laten vervallen. Toen de Nederlandsche Handel Maatschappij er toe overging om aan schepen van 400 last en minder een hogere vracht toe te kennen dan aan schepen van groter charter,werd het voordelig schepen te bouwen die zo dicht mogelijk onder de 400 last bleven. De gebruikte scheepstypen waren scherp gebouwde klippers, fregatten en barken. De Klippers en fregatten waren gewoonlijk als bark getuigd, waardoor met een kleinere bemanning -kon worden volstaan. Op snelheid werd in die dagen nog niet gelet.  Omstreeks het midden van 19 de eeuw nam Nederland met 2. 400 houten zeilschepen, variërend van 100 tot 800" ton , de vierde plaats in van de zeilvloot in de wereld . Van deze 2.400 schepen, die grotendeels per schip kleiner waren dan 100 last, was meer dan de helft gedomicilieerd in Amsterdam. Rotterdam was toen de tweede haven en voor wat de specifiek. Nederlandse rondgebouwde scheepstypen, de koffen en tjalken, betrof, was de provincie Groningen de belangrijkste thuishaven. Wat totale aan en afvoer van lading betrof, zou het tot plm. 1900 duren dat Rotterdam de hoofdstad had ingehaald en begon te overtreffen. In 1859 waren er 1100 reders; de meeste rederijen exploiteerden één schip Ongeveer 500 grotere schepen, klippers, barken en fregatten voeren bij tóerbeurt op Indië voor de NHM. De kleinere schepen, zoals koffen, tjalken. en schoeners, waren meer kustvaarders en bevoeren Scandinavische en Engelse havens, de Franse bocht of bedreven, de straatvaart (door de Straat van Gibraltar). Slechts enkelen staken de Atlantische Oceaan over.


Stoomvaart verdringt zeilvaart

Hoewel al in 1826 de Eerste Nederlandse' Stoombootmaatschappij werd opgericht, die met vijf schepen de vaart van Rotterdam op Keulen en Antwerpen onderhield,  vond aanvankelijk de toepassing van hulp stoomvermogen weinig toepassing bij de klipperfregatten. Wel werden kleinere raderstoomsleepboten gebruikt voor het geleiden van  de grotere zeilschepen naar de havens van Amsterdam en Rotterdam. De in 1847 gebouwde ijzeren schoener "Industria" van W. Ruys bewees in 1848 zijn zeewaardigheid door via Kaap Hoorn naar' Valparaiso te varen. Toch waren tegen het einde van het derde kwarteeuw ijzeren schepen in de vaart op Indië nog uitzondering. Omstreeks de zestiger jaren beleefde de  zeilvaart wederom een malaise periode. Het scheepstype dat zich  onder invloed van de bescherming door de Handel Maatschappijen in de Indische vaart had ontwikkeld, bleek daarbuiten niet rendabel. De concurrentie van de stoomvaart begon zich af te tekenen. In1856 werd de KNSM opgericht, in 1870 volgde de SMN'. In 1880 kwam de KPM tot stand, terwijl tenslotte de Rotterdamse Lloyd in 1883  werd gesticht. Hoe zou de zeilvaart zich kunnen handhaven, vraagt Jacob Adrianus de Jong zich in zijn studie af. Het enige wat een zeilschip voor had was de goedkope doch min of meer onberekenbare energiebron de wind. Het waren vooral de barken en de rond gebouwde zeewaardige maar nogal afdrijvende koffen, die plaats moesten maken voor de grotere snel varende schérp gebouwde klippers en schoeners. De traditionele laadruimte van 800 ton voor klippers werd al spoedig vergroot tot meer dan 1.000 ton. In 1870 werd zelfs de 2.000 ton overschreden. In 1903 werd de laatste stalen 4.mast bark gebouwd van 2.500 ton, waarvoor geen lonend emplooi meer werd gevonden. Na 1880 begon de stoomvaart de zeilvaart van de zee te verdringen. Omstreeks de eeuwwisseling was het lot van de grote zeilvaart beslist.

KNSM, logo
 

Adrianus Siebes de Jong wordt kapitein


Adrianus Siebels de Jong, de overgrootvader van mevrouw van der Wal uit Lemmer, geboren te Schiedam op 12 oktober 1830
als zoon van Siebe Benjamins de Jong en Pieternelletje Trappenburg,dochter Van de Schiedamse  molenaar Jan Trappenburg. Zijn vader Siebe Benjamins (1798-1854) die stamde uit een  oude Lemster familie van zeelieden, was kapitein van de kof  "Anna". Zijn grootvader Benjamin Pieters de Jong (1764-1835),was kapitein van de kof "De Jonge Frederik". De familie woonde in Lemmer de schepen hadden Amsterdam als thuishaven. Adrianus had drie broers (twee oudere en één jongere) die evenals hij hoe kon dat ook anders, zeeman zouden worden en drie zusters, namelijk Clazina, Pietje en Neeltje. De drie broers zijn overleden in of door hun beroep. Zijn oudste broer Benjamin, kapitein van de kof "Valerius Lodewijk".verdronk in 1864 op 43-jarige leeftijd op de rede van Lissabon tengevolge van het omslaan van een sloep. Zijn tweede broer Jan, lichtmatroos op de bark "Jan Pieterszoon", overleed in 1845, te Semarang. Zijn jongste broer Siebe, stuurman op de "Valerius Lodewijk'" overleed in 1863 op 24-jarige leeftijd te Matanzas op Cuba. Zeevaartscholen, zoals wij die thans kennen, bestonden destijds niet Jongelui, die zich tot de scheepvaart aangetrokken voelden, leerden hun vak in hoofdzaak in de praktijk. Adrianus de Jong werd op 20 april 1852 het diploma eerste stuurman van de zeevaartschool te Harlingen uitgereikt. Na een meerjarige praktijk als lichtmatroos, leerling-stuurman en stuurman, werd Adrianus de Jong op 24 jarige leeftijd in 1854 kapitein van de kof "Adolf Frederik". Voorien had hij nog twee jaren gevaren als eerste stuurman op de schoener"De Jonge Walrave". Hij was ingeschreven bij het Zeemanskollege te Amsterdam onder no. 654. Dit is tevens het nummer dat op de vlag was vermeld met de letter A opde voorste mast van zij schip. De letter A gaf aan de eerste letter van de thuishaven. Van in Rorterdam gedomicilieerde schepen voerden 'de gezagsvoerders hun collegenummer in de
vlag, gevolgd door de letter R.

Over-de oceaan

De "Adolf Frederik" was een tweemaster, met een ronde voor- en- achtersteven, breed in verhouding tot de lengte, goed belaadbaar, dreef vrij veel af en was derhalve minder snel dan de scherp gebouwde schoeners en klippers. Aangezien snelheid in die dagen niet zo'n voorname rol speelde als in latere jaren het geval zou zijn, het schip eenvoudig was getuigd en een kleine bemanning vroeg, gold toentertijd de kof als een economisch schip. Hoewel kofschippers zich hoofdzakelijk bezig hielden met de Europese kustvaart, maakte mevrouw van der Wal's overgrootvader eens per jaar een reis naar "De Wesf".Hij volgde met zijn schip ten dele het zgn. karrepad van de Oost-Indiëvaarders, dat wil zeggen door het Kanaal, via de Azoren, Madeira en de Canarische eilanden tot Trinidad. De Indiëvaarders wendden hier de steven naar het Oosten (de Kaap). Adrianus Siebes de Jong passeerde Trinidad in westelijke richting naar als eerste haven Curaçao. Vervolgens werden bezocht de onderwindse eilanden, Paramaribo en de haven langs de oostkust van Brazilië tot Rio de la Plata.
 

Handel aan het IJ, Amsterdam rond 1895

Handel op Amsterdàm

Aangezien Adrianus de Jong behalve. schipper ook koopman was, werd behalve de gecontracteerde lading, indien er vrije ruimte overbleef, voor eigen rekening katoentjes en ijzerwaren meegenomen uit Amsterdam; goederen waarvoor in de West altijd belangstelling bleek te bestaan. Was er voor de terugweg laadruimte over, dan werd deze opgevuld met huiden in Rio de Janeiro of met koffie in Bahia, waarnaar vraag bestond in Amsterdam. Eerste haven in Nederland was Den Helder. Bij gunstig tij en wind werd door de geulen in de Zuiderzee naar Amsterdam gevaren. Zo niet, dan werd het schip door het Noord-Hollands kanaal naar Amsterdam getrokken met een raderstoomsleepbootje.
De vaargeul in het zuidwestelijke deel van de Zuiderzee vertoonde in het begin van de 19-de eeuw neiging tot verzanding, terwijl het aantal schepen van grotere diepgang toenam. Dit had tot gevolg dat voor Amsterdam bestemde grotere schepen in Den Helder een deel van de lading moesten lossen en zo nodig met een scheepskameel over de ondiepte bij Pampus werden gezeild.
Scheepskamelen zijn inrichtingen waarmee schepen, die door hun diepgang bepaalde ondiepten niet konden passeren, gedeeltelijk uit het water gelicht konden worden, uitgevonden in 1688 door de Amsterdammer Meeuwis Meendertz Bakker. Ze werden steeds in paren gebruikt en bestonden uit een soort houten caissons, van  binnenverdeeld in, waterdichte kamers die leeggepompt konden worden. Tegen elkaar aangetrokken pasten ze precies aan weerszijden tegen een schip, dan kon het onder eigen zeil of gesleept in de haven wordend gebracht. De noodzaak tot het gebruik van kamelen ontstond door de verzanding van de haven van Amsterdam. Om de haven van Amsterdam voor schepen van grotere diepgang bereikbaar te maken, werd in de jaren 1818-tot 1824 't Noord-Hollandskanaal  gegraven. Dit kanaal was twee meter dieper dan de geul bij Pampus. Om de kosten van deze aanleg niet al te zeer op te voeren, werden de vaak zeer bochtige ringvaarten van de ingepolderde meren deel van dit grote scheepvaartkanaal. Deze bochten hebben wel eens last veroorzaakt Volgens W.W Reys in zijn boek. "Aardrijkskunde van Nederland" deel I, kwam in Purmerend op een zondag tijdens de kerkdienst de boegspriet van een klipper door het kerkraam steken. In Amsterdam werd zo mogelijk afgemeerd op het toen nog open IJ aan de noordelijke kant van het stationseiland nabij het
voormalige hotel "De Ruyter". Aangezien zo'n trip naar De West slechts enige maanden in beslag nam, werd tussentijds wilde vaart bedreven door vrachten te bemachtigen voor de Duitse bocht, Engelse havens of naar de Middellandse Zee.
 

Lemmer

In januari 1857 trouwde Adrianus de Jong te Lemmer met Hendrikje Feites Bakker, geboren op 1 september1834, overleden op 15 april 1867. Uit dit huwelijk werden twee zoons geboren, namelijk Feite, geboren op 30 januari 1858, overleden op 25 november 1909 en Siebe, de grootvader van mevrouw van der Wal, geboren op 8 mei 1862 en overleden op 27 januari1935. Omstreeks 1860 kwam aan de bloei van de zeilvaart een eind, vooral barken en koffen verdwenen van het toneel om plaats te maken voor sneller zeilende klippers van grotere tonnage, fregatten en schoeners. Adrianus de Jong kocht in 1862 in verband hiermee een snel varende schoenerbark van 200 ton, waarmee het bedrijf op dezelfde voet werd voortgezet. De schoenerbark, genaamd "Anna Maria Henrietta" was een tweemaster. De voormast was vierkant getuigd, de achtermast had langsscheepse zeilen. Op 12 oktober 1871 hertrouwde Adrianus de Jong te Lemmer met de volle nicht van zijn eerste vrouw, Hendrikje Comelis Bakker, geboren op 13 maart 1841 te Lemmer, daar overleden op 8 oktober 1914. Uit dit huwelijk werden geboren: Comelis Poppe 25 december 1875, Adrianus 2 juni 1877, Petronella Clazina 1 december 1878 en Dieuwke 19 mei 1881. In 1874 achtte mevrouw van der Wal's overgrootvader het nodig, mede om gezondheidsredenen (hij was astmatisch geworden), om over te schakelen naar de stoomvaart." De Arina Maria Henrietta" werd in het gebouw "Frascati" in Amsterdam verkocht.  Nog in ditzelfde jaar werd Adrianus de Jong medeoprichter van de Groninger-Lemmer Stoomboot ,Maatschappij door inbreng van het stoomschip "Lemmer" dat de vracht en passagiersdienst zou onderhouden tussen Lemmer en Amsterdam. Adrianus Siebes de Jong overleed op 5 april 1894 op 63-jarige leeftijd, in Lemmer.

Albert Hendriks

Een aandeel in het verkooplokaal "Frascati"

Reactie

Toen ik dat aardige verhaal las over de Lemster zeelui en de familie de Jong, bedacht ik, dat er minstens nog een reder in Lemmer geweest moet zijn, n.l Lichthart, maar daarover straks. Mijn reeds lang overleden man kreeg op de Amro- Bank,  eens een jonge collega, die beweerde Dick de Jong te zijn en een kleinzoon of achterkleinzoon van een Lemster reder. Nu kon ik eerst dat verhaal niet goed thuisbrengen, maar aangezien Dick een betrouwbare jongen was, ben ik het gaan navragen en ja, hij moet dus een kleinzoon geweest zijn van Siebe de Jong, die op de Nieuwedijk woonde. Dick' s vader (ouders?) zaten in Amerika en Dick is nog ver voor m'n man gestorven. Maar intussen wist ik het weer: C.P. de Jong was een neef van Siebe, had ook een Adriaan en,.'poppe(tsie) Bakker was ook een neef, had ook een Cornelis. Dat is gemakkelijk en zinvol als de mensen hun kinderen" vernoemen", dan blijven ze, als het ware, aan hun voorgeslacht verbonden, wat je van Sonja, Martin en Monique niet zo best kunt plaatsen.En nu Lichthart Ik heb hem niet gekend en vermoedelijk niemand van de nog levende Lemsters. Maar wel z'n vrouw, zoon en dochter. Ze woonden tussen bakker Oldendorp en bakker Van der Geest op de "Oude Haven". Toen ik er als kind kwam mocht ik oude  platen bekijken van grote zeeschepen en kreeg ik het verhaal van het eigen schip dat nooit weerkeerde..
Of de weduwe daarna een winkeltje begon, weet ik niet, wel dat het erg beste mensen waren en dat het altijd armoe troef was, want zakenmensen waren het niet Behalve voor hun moeder, moesten Sijbrand Diewke ook nog voor 2 demente tantes zorgen Dieuwke was zo'n beetje hoedenmaakster er bij en Sijbrand liep, naar ik meen, voor het ziekenfonds. Later is hij nog bij ons boekhouder geweest ik was toen z'n assistente en ik heb de herinnering behouden aan een zeer belezen, vrome en wijze man. Toen Dieuwke na de dood van haar broer de winkel niet meer houden kon, heeft ze nog met de "bollekoer" gelopen, die later door een karretje vervangen werd Gelukkig heeft ze nog een paar zorgeloze jaren gehad in Hilversum, waar ze door een broer van m'n vader, Jentsje de Vries, die daar een rusthuis dreef als een soort juffrouw-van gezelschap bij een oude heer geparkeerd werd.

Rinsje van Ommen de Vries, Amsterdam.

 

Er steekt een interessant verhaal achter een tekening van een kofschip, de "Adolf Frederik" en een schilderij van de Schoenerbrik "Anna Maria Henrietta", beide van de Lemster amateur schilder en tekenaar Siemen van der Wal. Op beide zeilschepen namelijk was de overgrootvader van Van der Wal's vrouw Dorothea Carolina de Jong, de heer Adrianus Siebe de Jong uit Lemmer kapitein. Mevrouw van der Wal's overgrootvader , die de wereldzeeën bevoer, overleed te Lemmer op 5 april 1894 op 63 jarige leeftijd. Zijn levensloop werd ettelijke jaren geleden bestudeerd door Jacob Adrianus de Jong, een neef van mevrouw van der Wal's vader Feite de Jong

Home