Wilt U een pagina (artikel) of een foto,  willen kopiëren voor schoolverslagen - privé gebruik: neem dan even contact op.


 

Oud - Lemmer

 

 

Wat een mooie foto's van de Heer de Vries stonden er vorige week van oud Lemmer in de Zuid Friesland. Wel vind ik het er jammer dat ik niet kan lezen wat er op de uithangborden van de winkels aan de Nieuwburen staat. Moeder had ons wel eens verteld dat er vroeger winkels stonden waar nu het postkantoor staat. Er stond in ieder geval ook een galanteriewinkel. Mijn moeder kon zich dat nog heel goed herinneren van toen zij nog kind was. Op een zaterdagmiddag was grootmoeder het dorp in gegaan om boodschappen te doen. Zij, als kinderen waren toen aan het spelen en stootte petongeluk tegen de tafel aan, waarop het theeblad met het theelichtje, met een theepot stond. De theepot viel toen op de grond en natuurlijk aan scherven. Dat was even een schrik!. Ze zagen er vreselijk tegenop als grootmoeder thuis kwam. Goede raad was duur. De meisjes besloten onder elkaar een nieuwe theepot te kopen voor dat grootmoeder thuis kwam.

Toen zagen ze dat grootmoeder bij Jorna in de goudsmid winkel stond en daar moesten ze voorbij naar de galanteriezaak. Dus dat moest vlug, vlug. Gelukkig hadden ze daar precies zo'n zelfde theepot als het exemplaar dat stuk was. Gauw weer terug en thee gezet, zodat toen grootmoeder weer thuis kwam de theepot weer op het theelichtje stond te trekken, en het leek of er niets was gebeurd Later zullen ze het wel verteld hebben denk ik. Een dochter van die goudsmid Jorna is later getrouwd met Hendrikus van Schoot, die later aan de Nieuwburen een manufacturenzaak had.

Toen onze ouders getrouwd zijn hebben ze in het huis van dokter Visser gewoond dat stond aan de Nieuwburen begin Straatweg. Toen ons oudste zusje daar werd geboren hadden ze bij van Schoot ook een dochtertje gekregen, Dirkje. Moeder en mevrouw van der Schoot gingen vaak met de kinderwagen wandelen. Ik herinner mij die zaak van Van Schoot nog heel goed. Wij als jonge meisjes zijn er ook vaak in de winkel geweest. Ik herinner mij de Heer van de Schoot nog heel goed, hij had meestal een Garibaldihoed op en een zwart pak aan.

Dirkje en Dora hielpen ook veel in de zaak, later hielp Thea ook wel in de winkel. Naar ik meen was Catharina onderwijzeres en dan was er ook nog een jong meisje. Ook hadden ze een zoon Siebe, dat was één van de oudste die werkte toen ook in de zaak. Die had later een zaak in de Noordoostpolder. (Marknesse).

Ook de foto van de Schutsluis en Binnenhaven riep heel wat herinneringen op. Hoe vaak hebben we als kinderen niet over de sluisdeuren gelopen. Toen we al in Groningen woonden en we naar Lemmer gingen logeren bij de familie Verbeek die aan de Zeedijk woonde, kwamen we met de Drachtster tram aan en dan liepen we met koffer en al over de sluisdeuren. Ook 's avonds bij donker wel als het trammetje weer eens pech had, waardoor vertraging vaak het geval was.

 


Reacties uit Lemmer nodigen uit nogmaals een stukje te schrijven.

 

Wie weet nog dat in die tijd regelmatig boelgoeden werden gehouden, o.a. de totale uitverkoop bij Schotsman, die een pakhuis had in het Achterom? Als omroeper fungeerde altijd de bekende Lemster Atte Knol die tevens met zijn moeder in de Schans een café exploiteerde. Atte was ook een heel aparte figuur, een man die bij wijze van spreken tot aan de rand was gevuld met kwinkslagen en ook niet in een borreltje spoog. Hij liep vaak op pantoffels door het dorpen had tegen velen één of ander fantastisch verhaal. In zijn branche als omroeper was hij een uitstekende vakman met zijn eigen psychologie wist hij de kooplustigen meesterlijk te bespelen, de klanten werden eerst in niet mis te verstane woorden uitgescholden als ze een dubbeltje inzetten voor bijvoorbeeld stelletje beschadigde kommen wat volgens Atte nergens op leek. Ook zag hij er niet tegen op persoonlijke eigenaardigheden van het publiek te etaleren, waardoor zijn succes bij voorbaat was verzekert, en .....de prijzen werden opgejaagd.

In Sondel woonde destijds zijn collega Jan Visser, die de boelgoeden in dit gebied verzorgde. Visser was een kleine vriendelijke welbespraakte man met een wippend sikje, één van die echte oude Gaasterlanders. Zijn hoofd beroep was schoenlapper met nevenfuncties als oproeper, lantaarnopsteker, leedaanzegger, klokkenluider en meer van dit soort éénmansbedrijfje. Vóór de aanvang van een veiling had hij de gewoonte een paar achterover te slaan voor een gezellige stemming. Wij pikten hem met de auto in Sondel op. Dit was een T-Ford (hoge hoed) die met een slinger moest worden aangedraaid om vervolgens met wel 50 Km per uur langs de wegen te stuiven. Het aangeven van de richting geschiede via een touwtje en een houten richtingaanwijzer. Deze auto's hadden geen verwarming zodat het in de winter ijskasten waren met een bevroren voorruit.

Jan Visser had hier een eigen uitvinding voor uitgedokterd: op de terugreis was het gewoonte in Oudemirdum aan te steken voor een hartversterking als afsluiting. Bij het vertrek bestelde hij nog een paar volle romers, die hij nauwkeurig in een grote zakdoek leegde om de bloemen van de ruiten te kunnen verwijderen én om er aan te kunnen ruiken als zalige nagedachtenis van het genotene. In Sondel werd hij afgezet en ik heb zo mijn twijfels in hoeverre hij soms nog stevig op zijn benen stond. Men moet mij echter niet misverstaan, want Visser was beslist niet wat men een drinker noemt.

Er was tenslotte in die tijd niet zoveel te beleven en ook voor Jan was een boelgoed 'n soort feest waarbij het zowel vóór als na die tijd gebruikelijk was een paar flinke borrels te drinken. Hij vertelde ons ook boeiende verhalen uit de zo oude historie van Gaasterland. Ik herinner mij heel goed de legende over de klokken van het St. Odulfsklooster (in Bakhuizen is een straat van die naam) dat bij de Galamadammen in het uitgestrekte, eenzame gebied was gelegen tussen de bekende meren De Morra en de Fluessen. Deze klokken werden geluid bij naderend onheil, speciaal wanneer de wilde Noord - Ooster het water van de meren over de lage landen dreigde te jagen.

Lang heel lang geleden, toen een vijandig leger door deze streken trok, Haastten de bewoners zich de mooie en verklinkende klokken van het klooster tegen roof te beschermen en besloten zij deze in één van de diepen meren te laten zinken alhoewel de klokken nimmer zijn gevonden, verhaalt deze mooie legende dat zelfs heden, indien men voldoende vertrouwen heeft en het juiste innerlijk "gehoor" bezit, hun luiden bij zekere gelegenheden kan worden gehoord: wanneer gevaar dreigt direct na het donkerste uur van de nacht, of na dat een storm zijn hoogste punt bereikte en soms tegen de tijd van Kerstmis.

De klokken zijn voor immer verdwenen daar hun klank zich altijd scheen te verwijderen van de plaats waar men de bron hoopte te vinden. Niettemin is de beschermende invloed blijven bestaan. Naar mijn mening schijnt deze legende te willen aantonen, dat mensen wier geloof én oprechtheid sterk genoeg is. Mythen en legende doen dikwijls een beroep op ons door hun verborgen wijsheid achter en in de woorden,ook in deze legende. De essentie hiervan behoeft niemand naar de galamadammen te reizen; want moet deze niet in ons zelf worden gezocht?


Roerige dagen

Het zal omstreeks 1913 zijn geweest, dat het heet toeging in Lemmer. Het was zo, dat de vissers voor de knechts moesten betalen ingevolge de ongevallenwet. Maar de vissers wilden dat niet, want ze zeiden : de knechts varen op deel, en zijn daardoor geen knechts maar deelgenoot. Dat was al een jaren lange strijd en daar moest maar eens een eind aankomen en een voorbeeld werd gesteld.

Dat voorbeeld trof oude Liekele Poepjes van de LE 69. Er werd door een deurwaarder beslag gelegd op de inboedel, en die zou per executie in het openbaar worden verkocht, zoals de wet voor schreef. Oude Liekele woonde aan het End, niet ver van de trambrug. Ik meende dat het op een middag zou plaats vinden, naar schatting in augustus. Het was in de tijd van botslepen, het was windstil zodat bijna de hele vloot in de haven lag. Het was om twee uur zwart van de mensen. Het raam in de voorkamer werd om hoog geschoven en wat er verkocht zou worden werd daar vertoond.

Er moest natuurlijk niemand het lef hebben te bieden. Een broer Johannes Poepjes, zou alles kopen en mijnde alles af voor één of twee centen. Er stonden twee marechaussees in de gang bij de voordeur en daar dichtbij Andries Blaauw, dat was zo'n beetje de geestelijk leider. Toen kwam er een fiets voor het raam in de kamer, dus binnen, en dat was niet in het openbaar. Het bevel van Andries de Blaauw luide: dat mag niet mannen er in!

Voor het huis was een bleekveldje met een hek er omheen, en in minder dan geen tijd was iedereen bewapend met lat of paal, en dat ging de gang in. de Marechaussees zouden de sabels trekken maar daar kwamen ze niet aan toe. Toen de sabels half uit de schede waren werden ze hun afgenomen en op de knieën in tweeën gebroken. De marechaussees werden naar buiten getrokken en geduwd en hun uniformen in stukken van hun lichaam gescheurd. Eén was er bij met een rooie hangsnor, er zei iemand tegen hem : "toen en toen heb je me te pakken gehad", nu gaan we jouw verzuipen!.

Een paar man hadden zijn benen vast, en andere de armen en zo waren ze hem aan het heen en weer slingeren om hem in de Zijlroede te gooien. Toen kwam Andries Blaauw er aan hollen en riep jongens dit gaat te ver! en gelukkig lieten ze de man vallen. Ik heb er later niks meer van gehoord. De verkoping was gelijk afgelopen.

Een paar jaar later was er weer een roerige dag. Een ploegje Skûtsje schippers P.Br. (de kruik) de flappert en anderen hadden zeker een dolle dag en zette de boel op stelten. De politiemannen rooie Doede en Venema die ze de schieter noemden, en dan had je een Rijksveldwachter, eerst was dat Bijkerk, maar later was dat Visser, zo'n strenge magere man met de bijnaam Bonkerak. Rijksveldwachters droegen toen nog een helmen met in het midden zo'n blank stalen verhoging, het deed wat Duits aan. De politie probeerde 's middags wat van die knapen in de cel onder het gemeentehuis te krijgen, maar dat ging niet zo gemakkelijk. Maar toen gingen ze er met de blanke sabel op a,f en Visser met getrokken revolver. Toen er een stuk of wat opgeborgen waren, dreigde er een stormaanval van een stel heethoofden op het gemeentehuis en ik hoor Jan Scheffer nog zeggen met een paar wilde ogen "De politie hoeft p.v.d. niet altijd te winnen" Toen kwam de kantonrechter van Baelen op de proppen. Dat was een grote man en hij schreeuwde op bevelende toon: ik duld geen samenscholingen, even later kwam de bereden Marechaussees uit Sloten en de rust keerde weer.

Nu slaan we wat jaren over en stappen, naar ik denk 1919 binnen. Er was in de eerste wereldoorlog 1914/1918 flink verdiend. Het was voor Holland wel geen oorlog, maar mobilisatie. Doch door blokkering was het voedsel krap en daar door de vis prijzig. Het was net als in 1946 dat in 1919 de vissers een aanslagbiljet van achterstallige belasting in huis kregen, die er niet om loog. Die aanslagen liepen in de vele honderden. Het was toen niet anders als nu. De mensen hadden een hekel aan belasting betalen.

De meesten hadden een huisje gekocht en dat viel nu bitter tegen. De meeste vissers moesten bij de belasting inspecteur komen in Heerenveen. maar ze hadden geen poot om op te staan, want welke visserman hield er nu een boekhouding op na?. De meeste waren al blij als ze gebrekkig konden lezen. 't Gaf hen weinig als ze zeiden dat ze alle visbenodigdheden zwart moesten kopen, wat inderdaad het geval was, alles was op de bon. De vissers visten 20 van de 24 uur en gingen naar zee met speculaas in plaats van brood en kilo's zwart vlees, want dat was genoeg te krijgen, als je maar geld had en dat was er wel.

Dikke Jan Poepjes wiens foto ik laatst nog in de Helling zag hangen, woonde in die tijd aan de Tjonger en bracht alle dagen vlees rond in een schelvismand. De arbeiders met weinig geld kregen een klein stukje eenheids worst op de bon. We hebben in die jaren veel zootjes bot weg gegeven aan knechts van de blokmakers, smeden en mensen van de Helling. Als je ook wist wat die mensen verdienden!. Rein Kool was knecht op de Lemmer nachtboot en werd plm. 1916 havenmeester met het vorstelijk salaris van, schrik niet zes gulden per week. Wij betaalde voor een liter lijnolie 15 gulden.

Maar om op de belastingen terug te komen, het regende aanmaningen en de vissers maar reclameren en hopen dat de aanslagen zouden verminderen, maar daar was geen kwestie van. En zo werd er een begin gemaakt aan de inbeslagneming van de inboedel van Ome Jouke Bootsma uit de Tuinstraat, waar nu nog Sake Bootsma woont. Maar ze hadden met de verkoping van de inboedel van Liekele Poepjes indertijd leergeld gehad en zouden nu de inboedel in Sneek gaan verkopen. Maar er werd niet gerekend op de solidariteit van de visserslui. Mijn vader ging met de aak en een groep vissers aan boord naar Sneek. Bij het verkooplokaal werden eventuele kopers bewerkt, zodat geen het lef had om te bieden op de goederen. Mijn vader kocht alles weer op voor één en twee centen. Net als eertijds als bij Poepjes. Alles werd weer ingeladen en het ging weer in triomf op Lemmer aan. Zij hadden gewonnen, maar dat was maar tijdelijk.

De andere vissers hadden hun huisboedels opgeborgen in schuren en pakhuizen. Er lag zelfs geen linoleum meer op de vloeren (vast tapijt was nog niet uitgevonden) alleen een bed, tafels en stoelen mochten, zoals de mensen zeiden, niet in beslag worden genomen. Maar dat hoefde allemaal niet meer, ondanks de revolutietoestand. Het badhuis op de Dam brande af, toch ging de belasting inspecteur door. De toestand was gespannen en de marechaussees patrouilleerden door de Lemmer.

Nu moest mijn vader, die z'n zwager zo had geholpen er maar aan geloven. Hij werd failliet verklaart en moest bij de inspecteur in Heerenveen komen. Hij kon praten als brugman, maar had geen succes. Toen naar een advocaat en die kon met moeite het faillissement opgeheven krijgen. Het koste hem een hoop geld  zoals U wel kunt begrijpen.

De andere vissers begonnen hem te knijpen en vele moesten een hypotheek  op hun pas verworven huisje nemen, om de belasting te betalen. Zo ging het toen ook al, dus er is geen nieuws onder de zon Tegen de bierkaai valt niet te vechten.


Spiegelbeeld

 

Het had die hele herfstachtige dag echt vies geregend, Lemmer had dan in die tijd een troosteloze aanblik, zoals dit trouwens overal het geval is. Stilte hing als een waas over het dorp en werd nu en dan verbroken door de toeter van een schipper die de brug wenste te passeren en daar voor brugwachter Zijlstra nodig had. In het Dok lagen een paar schepen en voor de deur van smederij van Putten de sleepboot van Duiker. Pa Duiker was meestal met zijn boot onderweg. Het was tenslotte zijn broodwinning, bij gestaan door zij actieve jongens, Gerrit en Atte. Ze zwierven door het hele land en naar ik meen ook door de kop van België. Dat was toen héél ver van huis. Het waren uitstekende vak mensen met een bekende naam. Pa Duiker , een kleine bedrijvige man, moest je niet met praatjes aankomen; je werd dan gauw op je plaats gezet en zijn jongens wisten dit.

Hun woonark lag vlakbij de Waaigat brug tegen over de smederij van de gebroeders Hollander waar het altijd gonsde van de activiteiten. Buiten de jongens woonde mevrouw Duiker en de dochter Gesina in de woonboot. Zij had altijd voor iedereen een gulle lach. Vaak ben ik in hun Ark geweest. Met zijn kleine kamertjes had een dergelijke bewoning een aparte bekoring en hier kon je nu letterlijk van uit het venster vissen. Op de wal stond een grote tank waarin water werd bewaard. Ik herinner mij levendig dat Gerrit op een dag enthousiast luidkeels riep: Wij krijgen pudding, wij krijgen pudding, hoera! Moeder Duiker hield deze traktatie, dat was in die tijd kool in de water tank en tegen 12uur bracht zij de lekkernij (in een grote kom in visvorm) naar binnen gevolgd door ons als een sleep jonge eendjes. Ik mocht zowaar een hap meeproeven Het was vanille pudding. Ik sta zelf verbaast het nog te weten.

 

De smidse van de gebroeders Hollander, 'Het Waaigat' in Lemmer.

 

Familie Hollander, Lemmer 1902
Boven van links naar rechts: Aleida, Michiel, Johannes, en Griet
Onderste rij: Geertruida met dochter Gretha, moeder en vader Hollander en Jacobus Hollander zijn broer.

 

Aan de andere kant van de brug parkeerde in die dagen het "vlaggenschip" van de Gemeente Lemsterland, de alom bekende tonnetjes praam die een vaste lijndienst tussen Lemmer en Syberië (een stortplaats enige honderden meters voorbij de Gasfabriek en de Roggemolen) onderhield. In de twintiger jaren was een dergelijk vervoer heel normaal. Wie op de luchtjes lette hoorde er niet bij. Een echte WC was een verre luxedroom.

De dingen omtrent Lemmer flitsen uit mijn herinneringsbank toe ik onlangs door het dorp dwaalde. Later zag ik in deze krant een afbeelding van een oude sleepboot waarvan de heer van Duuren mede eigenaar is. Diens vader Frits van Duuren heb ik heel goed gekend. Frits zelf en weer zijn vader waren destijds bekende stoomketelbouwers met een bedrijf aan het Vliet te Leeuwarden.

Ook nu was het Dok alweer bijna geheel gestoffeerd met luxe boten van heinde en verre. De gezellige bedrijvigheid was weer bezig op gang te komen. Als de bewoners rond de streken van de twintiger jaren en daar voor dit konden zien, zouden ze hun ogen niet geloven. Want alles is nu in flagrante tegenstelling met de oude (goede?) tijd met zijn paar beroepsschepen. Op de wal gasverlichting naast o.a. met de hand gedraaide bruggen. Bij lange koude winteravonden werd dan een goud geel schijnsel weerkaatst door de met sneeuw bedekte straat.

Het zo aansprekende, haast geheimzinnige effect er van is heden haast niet terug te vinden. Wel de ronde bollen van melkglas op de lantaarns, want die zie je steeds meer terug keren. Wat gelijk bleef en altijd zal blijven, is de deinende weerspiegeling van de gevels in het water langs de streken. Ook het ruizen van de wind door de bladeren van de stoere bomen voor het fraaie "Herenhuis" van de heer Bakker, destijds zolang bewoond door de familie Luiking. Ik denk dat deze trotse bomen op enige generaties hebben neer gezien en veel zouden kunnen vertellen. Want lief en leed gaan altijd hand in hand.

Vlak naast ons woonde timmerman aannemer Sietse van der Wal en bakker van der Meer. Aan de andere kant de familie Visscher, hij was machinist op de vrachtboot naar Groningen. Er waren twee dochters ook een Clara?. Misschien kennen ze mij nog. Verderop was het huis van Jozef en Sara Blok, broer en zuster waar ik zo vaak ben geweest. Weer verder het huis met de blauwe stoep van burgermeester Pollema. Later zijn opvolger de Heer Slump die in de buurt van Eesterga door een noodlottig ongeluk om het leven kwam. In Lemmer heerste diepe verslagenheid, deze burgemeester was zeer populair door zijn eenvoud en zijn vriendelijkheid jegens iedereen.

Siemen van der Wal(+) is de zoon van genoemde aannemer. Hij is altijd in Lemmer gebleven en staat bekend om zijn uitzonderlijke teken en schilderwerk wat ik reeds bewonderde o.a. een grootdoek wat enige tijd in de étalage van mijn vriend Henk Molenberg heeft gestaan. Het onlangs door Siemen getekende Molentje bij het stoomgemaal trok mijn speciale aandacht het opende van binnen een register. Ja dat Molentje. Het stond daar maar te staan trotseerde weer en wind. als een silhouet tekende het zich af tegen de westelijke hemel wanneer in de vallende avond wanneer hemel en aarde geruisloos tezamen vloeien.

Hier was ook het operatiegebied van rode Meine, die ergens op het eind woonde. Hij was binnenschipper en we zagen hem ook wel met een jachtgeweer. Meine is naar ik meen jong gestorven. Ik herinner mij hem als een kleine gedrongen man die wel eens plaagde. Toen wij hem eens in de buurt van de vroegere boerderij, de musterd zagen varen riepen we: Meine, bistou jager? Meine : ja wis. Wij maar dou kinst ommers net ienris sjitte....Meine: O, nee? Sjogge jim dêr dy âld roek wol op 'e hikke sitten? Meine allang geïrriteerd door onze treiterde praatjes legde lang en nauwkeurig aan en Bang de roek vloog verschrikt weg en om het nog erger te maken langzaam weg. Meine dik de pest in.

Voor het vroegere ouderlijk huis, hoek Langestreek / Pottebakkerssteeg, waar zich nu een kapperzaak bevind en waar Max Koole ook een paar jaar in het benedengedeelte heeft gewoond. Te midden van deze overpeinzingen hoor ik ineens, voor mijn gevoel uit een schemerige verten iemand roepen, Dat koe Deurtje wol wéze ja wrachtig it is Willem. De aan roepende kennis wordt de hand geschut. Hij informeert of Willem misschien in de plomp wil springen. Geen sprake van! Wel als jongen wanneer tijdens de kermis zwemwedstrijden eerden gehouden, met aan beide kanten van het Dok een stimulerende groep belangstellende, maar nog méér critici.

Op weg naar zijn boot ontmoet ik Harm van der Wolf, ex smid en drogist. Ondanks al zijn niet geringe belevenissen door ernstige verwondingen in de oorlog, bleef zijn optimisme recht overeind en dat redde hem ook in zijn donkere uren. Vertellen kon hij nog net als vroeger. Ik wenste hem het allerbeste. Rond de Streken werd het al stiller. Groentehandel Lemstra was al aan het sluiten door zijn spullen naar binnen te halen. Een jacht eigenaar zat wat verveeld achter op zijn boot. De manier waarop hij echter handig iets in een glaasje als "aards genot" achterover sloeg, verraadde jaren lange oefening van een vakman.

Voor de bezoeker werd het tijd om op te stappen. Bij goede oude vrienden bleken de deuren goed op slot te zitten. Op de stoep voel je eigenlijk al dat er niemand thuis is. zeker op reis, de hemel mag weten waarheen. Want zo zie je ze en morgen komt er in onze tijd een kaart uit Bangkok of een ander werelddeel. In de twintiger jaren was voor sommigen het tweede Brugje bij Eesterga al aardig over de streep, laat staan naar Heerenveen of Oranjewoud tijdens een schoolreisje met de aloude hijgende bokketram, maar wat een plezier.

(+) Siemen staat in het wachthokje van Jan en Hendrik, die met hun moeder in een steegje van de Schans woonde, wel op de juiste plaats moet het niet voor de rails zijn? Beide jongens hebben hier wat koude en armoede geleden. Voor een paar luizige centen als ze wat kregen voor het openen van het hek.

Vermoedelijk is het een tekening van Siemen van der Wal geweest van deze molen.


Spoekerij op 'e Lemmer

Andries Visser

 

Op een avond heel lang geleden zaten 4, nog jonge kerels in de herberg van Boukje te kaartspelen. Het waren Wietse de ottervanger een kleine maar lenige vent die jager en visser van beroep was. Tegenover hem zat Gerben Blei een breedgeschouderde visserman met een beetje dom gezicht. Aan de zijkanten van de tafel zaten dikke Gauke ook een visser en grote Jildert de biggenvanger een boomlange kerel met hele grote handen, die boerenknecht in Eesterga was.Nu zou men zeggen hoe komt die boerenknecht zo tussen die vissers terecht, maar Jildert was stamgast en al jaren met de drie anderen bevriend. Hij was meestal goed bij kas, want in zijn weinige vrije tijd maakte hij ook nog klompen en als het winter was verdiende hij veel met hardrijden, want hij was een snelle schaatser die heel wat prijzen won. Een paar tafeltjes verder zaten . 3 mannen te praten die ook nog een rol in dit verhaal spelen. Om te beginnen Linke Lowie een Amsterdammer die altijd een geruite pet op had.
Hij was getrouwd met ene Margje die hij in Amsterdam had leren kennen toen die daar diende. Zij waren in Amsterdam getrouwd en toen kort daarna Margje's ouders vlak na elkaar overleden en Margje het huisje in het Achterom erfde waren ze daar ingetrokken. Lowie ging elke zondagavond met de nachtboot naar de stad en kwam dinsdags terug met 2 grote zakken vol tweedehands kleren die hij in Lemmer en omgeving aan de man en vrouw bracht. Verder had hij altijd een zwart koffertje bij zich, maar wat daar in zat wist niemand, zelfs Margje niet.
Wanneer Lowie terug kwam zette hij de zakken met kleren in de gang neer maar het koffertje ging achter slot en grendel en de volgende ging hij er mee weg en kwam dan pas de volgende dag terug. Wat er in zat wist niet één, maar Lowie zat nooit zonder geld Eén keer had Margje gevraagd wat er toch wel in dat koffertje zat, maar Lowie zei "niet zeure"wat niet weet wat niet deert en daar bleef het bij.

Naast Lowie zat Johannes de parelduiker,een schriel kereltje die, als hij geld had, veel te veel dronk. Zijn bijnaam had hij gekregen toen hij eens, toen hij uit de  "pisbak" die bij de brug stond kwam en de verkeerde kant uitging en in de binnenhaven liep.
Daarna had hij de naam parelduiker, maar de oorzaak was drank. Als derde zat bij hen Berend de zalmsnijder, die ooit in slechte tijden een poosje bij een riviervisser was geweest, vandaar misschien de naam. Op zijn vaste plekje in de hoek bij de tap stond Jotje de Oostganger met zijn diepliggende zwarte ogen. Verder waren er nog drie Groninger schippers,en dat waren zo'n beetje allen die op die avond bij Boukje zaten...
Toen het spelletje kaarten uit was bestelde Jildert 4 borrels en zei tegen zijn drie maten: "Ik zal jullie eens een vreemd verhaal vertellen.
Jullie kennen allemaal grote Siebren de schapenkoopman wel en je weet wel dat die om de bliksem niet bang is. Nu moetje maar eens horen wat die verleden week is overkomen. Hij moest een stekwagen met 6 schapen naar een boer ergens bij Schoterzijl brengen. De grote jongen van onze buren ging mee voorgezelschap en die kon dan mooi ook de vele hekken open doen. Op de heenweg ging alles goed, ze leverden de schapen af en dronken nog koffie bij die boer. Maar omdat ze.wat laat vertrokken waren was het al bijna donker toen de terugweg werd aanvaard Alles ging prima en het paard had er zin in toen het weer op de stal aanging. Zo naderden ze de "spoekershikke".-en Siebren zei nog tegen de jongen: dit hek hoef je niet open te doen, dat doet het spook wel voor je" .Er was een stukje maan opgekomen en het was dus niet zo heel donker meer en wat gebeurde er, toen ze het hek op vijf meter genaderd waren ging deze vanzelf open. De jongen zat te beven van angst. maar Siebren reed gewoon door. Toen ze door het hek waren viel het met een harde klap weer dicht Siebren hield het paard in en zei tegen de jongen: "Ik ga kijken, er zal wel een touw aanzitten waar ze het mee open trekken". Hij pakte een dikke knuppel die hij altijd bij zich had
en stapte op het hek af. Hij bekeek alles, maar er was geen touw, er was niks. Toen ging hij bij de dijk op maar er was niks te bekennen, alles was stil, ook achter de dijk. Hij ging terug op het hek aan en toen gebeurde het hij hoorde een zacht gekreun.Hij ging er op af en ineens blies een ijzige wind hem recht in het gezicht en dat terwijl het overal blakstil was; Siebren maakte rechtsomkeert en ging als een haas op de wagen af.

Hij sprong er op en haalde de zweep over het paard, iets wat hij anders nooit deed. Onderweg vertelde hij de jongen wat er gebeurd was en de jongen heeft het weer aan mij verteld". Toen het verhaal van Jildert uit was bleef het even heel stil en toen zei Gerben: "Allemaal onzin,er bestaan geen spoken dat weet jezelf ook wel". "Dat kun je nu wel zeggen", zei Jildert. "maar ik zal blij zijn als ik vanavond het kerkhof en het eerste brugje voorbij ben". "Wat ben jij toch bang", zei Gerben. "Ik durf wel tien keer voorbij het kerkhof en over het brugje te lopen want er gebeurt toch niks".
Toen Jildert hem ongelovig aankeek, werd hij kwaad en zei: "Of wil je misschien wedden om een gulden!":,Dat is goed",.zei Jildert. "maar jullie weten dat ik zaterdags altijd wat vroeger weg moet, omdat ik zondags weer vroeg melken moet". Wij geven elk een gulden aan Wietse en hij en Gauke controleren dan wel even of alles goed gaat. Wij kunnen voor die gulden van de verliezer elk vijf borrels krijgen want ze kosten vijf cent per stuk. Toen het half tien was zei Jildert : "Jongens, het wordt mijn tijd", betaalde zijn rekening en stapte op. Na een halfuurtje zei  Wietse tegen Gerben :"Alsje nu die gulden nog verdienen wilt mogen we wel op weg want ik wil morgen nog even met het geweer bij de zeewal langs, zien of ik nog een paar eenden te pakken krijg. Zij stapten op, betaalden en gingen op weg naar het eerste brugje. Toen ze de laatste huizen voorbij waren zei Gauke: "Ga jij maar voorop" wij komen wel een dertig meter achter je aan".
Het was stil weer en hun klompen klotsten op de stenen. Toen Gerben dichter bij het brugje kwam ging het steeds langzamer, maar de twee anderen bleven op gelijke afstand. Toen Gerben op een meter na genaderd was hoorde hij plotseling een zware holle stem die riep: "Gerben Blei,Gerben Blei gij zult wederkeren". Als aan de grond genageld bleef hij staan, hij rilde over zijn hele lichaam En weer kwam die stem" Gerben Blei, keert weder", toen draaide hij zich om en liep voor zijn leven om bij de anderen te komen.
Toen ze weer in het dorp waren zei Wietse: "Het deugt daar niet maar ik snap nog niet hoe die geest jouw naam zo goed wist". Toen ze de volgende zaterdag weer bij elkaar zaten en Jildert vroeg hoe het gegaan was, zei Wietse : "Jij hebt gewonnen" en vertelde wat er gebeurd was. "Zo kun je maar zien", zei Jildert "dat er vreemde dingen gebeuren tussen hemel en aarde, maar het heeft ook een goede kant. want wij kunnen vanavond goedkoop drinken, behalve Gerben dan!" Lowie had zo zijn eigen gedachten over het voorval dat niet geheim gebleven was en toen hij weer in Amsterdam was kocht hij voor een prikjje drie oude witte lakens en toen hij weer thuis kwam zei hij tegen Margje dat ze die aan elkaar moest naaien. Margje vroeg: "Wat moet je er 'dan mee, maar Lowie zei: "Niet zeure, maar doen". Hij had al met Berend en Johannes gepraat en toen ze de volgende zaterdag weer in de herberg zaten had Lowie een pakje bij zich, maar niemand vroeg wat, want hij had weI vaker handel bij zich. Om negen uur ging Lowie weg en vijf minuten later Berend en Johannes ook.

Lowie stond hen op te wachten en vertelde wat hij van plan was. Hij zei: "We wachten tot Jildert er aan komt bij het hoge hek van het
kerkhof, dan gaat de sterkste, dat is Berend tegen het hek staan, ik ga op zijn schouders zitten en Johannes gaat weer op mijn schouders zitten en we doen het laken om ons heen, dan wil ik wel eens zien of hij ook bang is". Het duurde nog een poosje en toen, hoorden ze Jildert op zijn klompen aankomen. Ze betrokken hun post en Johannes hield zich met één arm aan de ijzeren spijlen van het hek vast en deed het laken zoals het moest. Toen Jildert vlakbij was hoorde hij een vreselijk gesteun en gekreun en zag in het maanlicht een grote witte gestalte tegen het hek staan. Hij liep eerst rechtdoor, maar draaide ineens bij en liep recht op het spook aan en toen werd het stil. Hij ging vlak voor het spook staan en zei: "Eén hoog is menslijk, twee hoog dat gaat nog, maar drie hoog is onnatuurlijk", en hij schopte hard tegen de benen van het spook. Er volgde een schreeuw en een vloek en het hele spook stortte in elkaar onder het laken. Jildert deelde nog een paar rake klappen uit en vervolgde toen zijn weg. Hij heeft later geen last weer van spoken gehad. Dit alles gebeurde in een tijd dat er nog geen radio en televisie was en praktisch geen. straatverlichting.

 

Home