Hierbij willen wij Wouter hartelijk bedanken voor zijn bijdrage aan de site voor de Lemmer.
De verhalen zijn veelal afkomstig van: Willem Rinsma, G. van der Gaast, Teade Wouda, Jan Wouda e.a. De verhalen zijn afkomstig omstreeks de jaren 1970-1980
Nu ga
ik even praten met Daan Atsma, Amstel 258 in
Amsterdam. Je ouders Daan, Klaas en Tiete, heb ik
heel goed gekend. Mijn vrouw kwam vroeger wel bij je
moeder als naaister, je broer David, die bij de
waterpolitie was in Amsterdam, kwam af en toe bij
mij op het kantoor als we moeilijkheden hadden met
ligplaatsen voor arken, want dat was zijn afdeling.
Je dacht Daan, dat er vroeger bij Wouda wel
karbonade op tafel zou zijn geweest. Dat gebeurde
wel eens op zondag en feestdagen en armoede hebben
we nooit gehad. Maar mijn vader was dan ook een
broodvechter en als zelfstandig visser een zeer goed
vakman.
Als
het in de winter te koud was om de botbeug te azen,
dan gebeurde dat in de huiskamer. De garnalen werden
's morgens om half vijf in de botter gekookt en 's
avonds tevoren het zand, hoekwant en aasbakken al
naar huis gebracht. 's Morgens om vijf uur waren ze
dan al met vijf man aan het aanazen bij
petroleumlampen en na 1907 bij gas. Daar waren dan
oom Teade, oom Pieter bij en meest Gerben Bootsma,
waar een straat in Lemmer naar vernoemd is en een
buurjongen Harm van Zwol. Dat duurde tot twaalf uur
toe, want na het eten moesten ze naar zee om de beug
uit te zetten. Ik aasde dan ook al dapper mee en
moeder moest zich maar zien te redden met een klein
broertje en zich in de bedstee aankleden, je kunt
wel nagaan hoe dat behelpen was. Mocht daar dan eens
een karbonaadje op tafel komen?.
Ook
vroeg Atsma of er wellicht een oudere Lemster was
die eens iets kon schrijven over het baanbrekende
werk dat de geheelonthoudersbeweging en de
socialisten hebben gedaan omdat gene te
verwezenlijken van wat we nu hebben.
Maar
er is niemand geweest die de moeite heeft genomen om
daar eens over te schrijven. In één van mijn stukken
van bijvoorbeeld "Burgermeester Callenbach opende in
1916 de visafslag", waar ik ook vroeg om reacties
omtrent de misstanden van toen, heeft ook geen mens
gereageerd. Er zijn toch wel Lemsters en zeker ook
oud Lemsters die dat beter zouden kunnen doen dan
Jan Wouda, die alleen maar de lagere school heeft
bezocht. Fedde Schurer is ons helaas ontvallen, maar
er is er nog een Age Scheffer, wiens specialiteit
dat moet zijn, en een professor Pen, wiens
grootvader een grote rol heeft gespeeld in die tijd.
Waarom
we het wel aan te danken hebben dat we het nu zoveel
beter hebben dan onze voorouders Daan Atsma, is geen
gemakkelijke vraag. Misschien hebben mensen als de
grootvader van Mej. Romkema, die uit eigen zak
bonnen voor levensmiddelen gaf aan behoeftige
mensen, daar onbewust aan meegewerkt. Die gaf
tenminste blijk wat zijn christenplicht was en zo
andere mensen aan het denken bracht. Maar het was
natuurlijk een druppel op een gloeiende plaat.
Toen
kwam in 1903 de spoorwegstaking, de ellende stond
de mensen toen wel aan de lippen, want dat waren
toen toch de mensen met een vaste baan, de staking
werd toen om zeep geholpen en vele mensen werden op
straat gesmeten, en toen kwamen de bekende
worgwetten, want ze waren wel geschrokken in Den
Haag. In Lemmer werd ook gestaakt op de tram, er
woonden twee machinisten in Lemmer, ene Kramer die
niet meedeed en een zekere Lienos, die woonde toen
achter de timmerwinkel van Nijholt. Ik speelde vaak
met zijn zoontje van mijn leeftijd. Die hete Klaas
en ik kwam er vaak in huis. Maar ik kreeg de
waarschuwing van mijn moeder dat het gevaarlijke
mensen waren, maar 't waren fijne mensen.
Vroeger maakte een timmerman één deur per dag en een
arbeidershuisje had één deur. Nu maakt één man 16
deuren per dag bij Bruynzeel en een arbeidershuis
heeft 16 deuren. Alleen uit dit gezegde blijkt wel
dat de industrialisatie zeker een groot aandeel
heeft gehad in de vooruitgang. Ook hebben de
vakbonden er voor gezorgd dat de werkman nu zijn
deel krijgt van de te verdelen koek. Alleen is het
bedroevend dat maar 38% de werkmensen georganiseerd
zijn, en de rest klaplopers, die de 38% de kastanjes
uit het vuur laten halen, maar graag de voordelen
opstrijken. En vaak nog de meeste praatjes hebben
ook, en o zo goed weten hoe het wel moet. Ik wil
geen mens beledigen, maar wie de schoen past trekke
hem aan.
DE
GEHEIMZINNIGE BEZOEKER EN DE ÂLDE TSJOENSTER.
Omstreeks 1924.
Er is
meer tussen hemel en aarde, deze aanloop heeft maar
weinig te maken met Lemmer en zijn bewoners in het begin
van de twintiger jaren waaronder ik al eerder in een
artikel hem noemde. Ik bedoel de koopman in lompen en
oude metalen, die zijn vrouw en zuster in de
Benedenschans woonden. Onder zijn ruige baard, waar
het weer haast in zat en in zijn melancholieke ogen,
school een zekere slimheid, die hij ook handig gebruikte ten
behoeve van zijn handel jegens boeren uit de wijde
omgeving van Lemmer. Deze probeerden hem soms met listen
en mooie praatjes, oude producten in de maag te splitsen, dan de habbekrats die ze waard waren. Onze koopman zou
er dan geen luizige cent aan overhouden na al zijn
gezwoeg achter zijn zware handkar. Overigens stond reeds
bij zijn geboorte vast, dat hij materieel gezien een dikke
niet had getrokken.
In die
tijd gebeurde het dat rooien Siemen, 'over hem gaat het'
op een mistige herfstdag slechts even na het
ochtendgloren, zijn kar uit het berghok pakhuisje trok en
zijn schoenen haast zo groot als botters, voorwaarts
bewoog in de richting van de Otterweg, een trekhond kon
hij er niet op na houden. Want volgens hem vrat deze
meer, dan dat hij met zijn hele handel en wandel voor
zichzelf, zijn vrouw en zijn zuster bij elkaar kon
scharrellen.
Zijn
vrouw en zuster kwamen weinig op straat en hebben
waarschijnlijk nimmer het andere eind van Lemmer gezien.
Jonge kinderen waren eigenlijk maar bang voor hen.
Veel
waren ze in hun krakkemikkig huisje niet nodig, waar het
stijf stond van het vuil en stank. Wiesje Knol, de
blonde en charmante dochter van de bekende bakker Klaas
Knol uit de Schans, bracht er geregeld brood voor een
schappelijk prijsje. Zij werd dan met veel egards door
de dames bejegend, maar Wies zorgde er wel voor niet te
ver over de drempel te komen, om een zekere staat van
bewusteloosheid te vermijden vanwegen de odeur van half
bedorven lucht, de bewoners zelf waren er kennelijk
immuun, voor want ze gedijden er zelf goed. Hiernaar
beoordeeld lijkt het een open vraag of alle soorten
vervuiling wel zo funest zijn als men ons soms doet
geloven.
Siemen
was onderwijl sloffend de immer gonzende Houtmolen en de
smederij van van der Wolf gepasseerd en vervolgde zijn
zware gang via Pasveer (hek dicht hek open) langs de
beneden kant van de zeedijk. Deze bood een welkome
beschutting tegen de straffe zuidwester. Voorbij de
boerderij van de toen aldaar zo bekende familie
Akkerman, schreed hij waardig over het bruggetje landinwaarts. Zijn metgezel was de jagende wind die de
stilte van de aarde raakte. Nu en dan pijlsnel uit een
oude sloot opvliegende wilde eenden kregen de doodschrik
van Siemen zijn afhangende zwarte hoed en enorme jas
welke hem bijkans op de tenen hing. Maar warm dat wel!.
Zelf
merkte hij niets van de agitatie van de vogels noch van
de donkere luchten boven hem. Zijn gedachten waren bij
een mogelijk goed handeltje en dat was het meest
belangrijke. De contouren van het boerderijtje, waar hij
dacht te moeten zijn een paar honderd meter verderop,
bevond zich half verscholen in de mist. Een hem
onbekende bezoeker met lange baard en ondoorgrondelijk
uiterlijk, had hem een paar weken geleden uitgenodigd om
eens langs te komen voor een mooi partijtje oud koper en
zink, aantrekkelijke dingen in de wereld van Siemen. Hij
had de man met zijn immer tranende ogen goochem
aangekeken en veinsde weinig belangstelling, als één van
zijn trucjes om bij voorbaat de verlangde prijs te
drukken.
Met
dit soort dingen had hij zich door jarenlange training
een grote behendigheid verworven, men wist nooit wat men
aan hem had. Dit zijn aangeboren eigenschappen welke op
geen andere school, dan die van het dagelijkse
koopmansleven in oude metalen en lompen kunnen worden
geleerd, een soort spontane toegepaste psychologie.....Het
boerenspultsje bleek een in tamelijk goede staat
verkerende bouwval te zijn. Bescheiden van omvang met
een woongedeelte met erachter een wrak schuurtje.
Buiten liepen een paar mistroostige kijkende geiten die
betere dagen hadden gekend.
Siemen
kon er niets aan doen, maar alles maakte op hem een
sombere, vreemde en tegelijk geheimzinnige indruk. Hij
voelde zich opeens niet meer zo prettig. Het bordje
"Tink om e houn" was een misplaatste grap, want nergens
zag hij iets wat zelfs bij benadering een blaffend
geluid zou kunnen produceren. Het stelde hem wat gerust,
ervaringen met honden op boerenerven waren niet zijn
beste. Maar goed!
Zich
over zijn schroom heen zettende klopte hij op de
achterdeur. Na een poosje en nog wat gerammel van zijn
kant, hoorde hij langzame voetstappen naderbij komen.
Deze bleken bij een oude vrouw te behoren die hem
vriendelijk verzocht binnen te komen, na hem eerst
scherp te hebben opgenomen. Ondanks haar vriendelijkheid
bekroop Siemen weer dat nare onbekende gevoel, wat hem
achter het huis ook overviel. Hij legde haar uit wat hij
kwam doen en bleek in de keuken te zijn waar twee katten
hem met felle ogen aan keken. Een ander verdween blazend
onder tafel. Het was of ze door een onzichtbare hand
werden opgejaagd. Terwijl de vrouw hem niet begrijpend
aan keek, viel het hem op dat ze diep weggezonken ogen
had, iemand die als het ware door je heen keek.
Na
verdere uitleg deelde ze hem mede dat haar man niets
gezegd had en de gehele dag afwezig was. Wel waren er
veel dingen die opgeruimd moesten worden, daar ze gingen
verhuizen. Siemen moest maar met 17 dagen terug komen
precies op die dag en niet later, zo tegen een uur of 5
in de middag. Hij vertrok enigszins teleurgesteld en was
anderzijds opgelucht toen hij de vreemde sfeer
binnenshuis achter zich kon laten.
Op de
afgesproken dag en op het overeen gekomen uur het werd
reeds donker was hij ter hoogte van het boerderijtje,
althans waar het had moeten zijn.
Tot
zijn stomme verbazing was er niets te zien dan een kale
plek en wat oude rommel. Later bleek na wat informatie
dat er in deze omgeving wel een klein koemelkers
bedrijfje had gestaan, maar dat was lang heel lang
geleden. Het was verwoest door hemelvuur. Siemen voelde
zich kompleet aangeslagen en kwam ver na donker Lemmer
weer binnen. De mensen die hij het verhaal vertelde,
wezen naar hun voorhoofd en zeiden dat je goed kon
merken dat Siemen hard achteruit ging. Hij had vast en
zeker een tsjoenster gezien.
Of
niet? persoonlijk weet ik niet wat waar of niet waar is,
daar men mij als jongen het verhaal vertelde. Wel
herinner ik mij, dat Siemen een hoogst merkwaardig
figuur was om wie een geheimzinnige waas hing. Wie zal
het precies zeggen, want tussen hemel en aarde........
TANTE
TRIEN.
In
de directe omgeving van Siemen, woonde later de bekende
timmerman Willem Blaauw met zijn vrouw Treintje Jongsma
en kinderen, Zij is een paar jaar geleden op hoge
leeftijd helaas op tragische wijze om het leven gekomen.
Heel veel oudere Lemsters hebben haar gekend. Over tante
Trien zoals ze vaak werd genoemd, wil ik het even
hebben. Zij was een bijzonder hartelijk en zeer
toegewijde vrouw. Mevr. Jaalsma Fleer, herinnerde mij
onlangs opnieuw aan haar. Zij was vroeger de buurvrouw
van tante Trien en wordt door haar genoemd als een
zorgzame moeder. In de oorlog moest de familie Jaalsma,
haar huis in de Benedenschans op last van de bezetters
verlaten. Het is duidelijk dat zoiets een diepe inbreuk
maakte in de persoonlijke sfeer. Maar daar werd in de
onzalige jaren niet naar gevraagd.
Waar
moest de familie met hun hele hebben en houden heen? Ze
kregen bovendien te horen dat ze niet alles mochten
meenemen. Tante Trien kwam onmiddellijk in actie. Haar
eerste woorden waren dat er "net ien stikken kopke en
pantsje" achter zou blijven. Geen enkele kans, alles
ging mee, hoe dan ook. Getracht werd een plaatsje te
vinden in het gebouw "Us thûs" hier was ruimte genoeg.
De familie kon het echter wel vergeten, want er werd
geen medewerking verleend. Tante Trien, in het geheel
niet ontmoedigd, stelde meteen haar keuken beschikbaar
in hun toch al kleine woning. In no-time was alles
opgeborgen. Deur van de keuken op slot. In de Schans zou
niemand weten waar alles gebleven was. Indien er mocht
worden geïnformeerd van Duitse zijde of meelopers.
Waarschijnlijk zouden ze ook nog hebben gezegd nimmer
van een familie Jaalsma te hebben gehoord.
Later
ging de boedel naar 'De Houtmolen' door welwillende
medewerking van de zo bekende directeur Corée, die daar
zo lang woonde met zijn vrouw en hartelijke dochters.
Later woonde hij in Leeuwarden waar ik hem nog vaak
ontmoete, als hij met zijn lange zwierige passen zijn
dagelijkse wandeling maakte. Bovenstaande hulpverlening
was tante Trien ten voeten uit, bereid een ieder te
helpen. Ja mevrouw Jaalsma de beste dingen gebeuren ook
hier in de stilte door zogenaamde gewonen mensen zonder
misleidende glans van uiterlijk vertoon en
zelfgenoegzaamheid.......
de
lemmer in 1914
Wat me van
de Lemmer altijd is bijgebleven zijn de optochten, als het
twaalf uur was geweest en de arbeiders van 'De
Houtmolen' en de Helling in gestrekte looppas naar huis
gingen, om te eten. Dan was het een geklos van de
klompen...de mensen van de Helling in het roestbruin
Engels leer, waarvan vroeger de werkkleding was gemaakt.
Lange Herre liep altijd voorop en kon het harst lopen.
Hij moest dan ook van het Waaigat heen en terug. Er
werkte in die goeie tijd 40 a 50 man. Er stond altijd
een rijnaak op stapel, één die werd afgebouwd en één in
het hellinggat die werd afgewerkt. Dan de aken en de
boeiers en grote aken voor de Zeeuwse mosselvissers. Er
is nog een mooie schoener gebouwd en een stalen logger
voor IJmuiden, die de beste zeiler van de loggervloot
was. Ik weet nog dat de sleepboot van Koningsveld, die
aan de Visserburen woonde, hem naar IJmuiden sleepte, en
onderweg op zee iemand van de logger naar de boot wilde
palmen langs de sleepdraad en deze man in zee terecht
kwam.
Als je
vroeger van school afkwam voelde je wel dat je nog lang
niet genoeg had geleerd. We hadden vroeger de
gelegenheid niet zoals de jonge mensen van nu, die vaak
de mogelijkheden die hun worden geboden, niet eens
gebruiken. Ik wilde in de winter graag naar de
herhalingschool die je toen had in de avond, het lukte
me ook wel eens een poosje, maar in de netten zaten
altijd gaten die moesten worden geboet.
Toen
kwam er in 1913 een zogenaamde schippersschool waar 's
avonds les werd gegeven. Meester de Vries was directeur,
verder gaven les onderwijzer Oosten, en iemand van de
christelijke school, een zeilmaker voor zeilen naaien
knopen enz, en een soort eerste hulp bij ongelukken en
dat werd gegeven door dokter Tas. Meester de Vries kon
niet zo goed met de jongens omgaan. En het eerste wat
hij zei was, "dan ga je er maar uit hoor"!. Dat gezegde
had hij al gauw als bijnaam.
Meester Oosten was een strenge, en de meester van de
christelijke school was een man met een beetje hoge rug,
en die kon juist goed met de jongens op schieten. Die
maakte een grapje mee, en als de zaak was uitgelachen,
kreeg hij ze allemaal rustig aan het werk. Op een keer
lagen ze allemaal met directeur de Vries overhoop, en
ging het in optocht naar Jan de Vries, dat was een
herenboer, die woonde aan het begin van de Straatweg.
Hij was de voorzitter van de school, wel eigenaardig een
boer voorzitter van een schippersschool. Maar er werd
een deputatie door Jan de Vries ontvangen die de
tekortkomingen van meester de Vries uit de doeken deed,
wat niets uit haalde alles bleef bij het oude.
Op een
avond had een knaap een schuttingwoord op het bord
geschreven. Meester de Vries kwaad, hij wou geen les
meer geven zolang iemand zich niet had gemeld als de
dader. Niemand had het natuurlijk gedaan. Dokter Tas
kwam voor de ongevallencursus, en meester de Vries zei,
"vind U het niet verschrikkelijk dokter ?" waarop dokter
zei, "Het is toch maar een gewoon woord meester?".
Het
zal zowat in 1912 zijn geweest dat velen in Lemmer in
een soort paniek waren. De komeet Hally zou tegen de
aarde botsen en de wereld zou vergaan. Wat waren er
velen mensen bang, velen die radeloos waren en volgens
de kranten hebben toen verscheidende mensen zelfmoord
gepleegd. Maar dat liep ook goed af, wat niet goed
afliep was de dreiging van de oorlog in 1914. Het werd
(voor ons) wel geen oorlog, maar mobilisatie. Het was
begin augustus, de kermis was al opgebouwd langs de
Korte en Langestreek, en ik hoorde twee exploitanten
tegen elkaar zeggen dat ze met wat kinderen als klanten
zouden blijven zitten.
De
mensen zagen het donker in, een paar dagen later moesten
ze afbreken, want niemand had nog lust in kermisvieren.
Er was al bekend gemaakt wie allemaal opgeroepen waren
om dienst te nemen in het leger. Wij met een ploegje
jongens gingen naar het eindje van de Dam om de vissers
die binnenkwamen en op moesten komen het nieuws te
vertellen. Alles stond op zijn kop, zoals u wel kunt
nagaan. Er was immers al in geen honderd jaar meer
oorlog geweest?
Mannen
die al een groot gezin hadden waren er bij. Van overal
waar Nederlanders woonden in het buitenland, moesten
deze naar huis komen. Ook verschillende gezinnen die in
Duitsland woonden en werkten moesten hals over kop met
hun hele hebben en houwen naar Lemmer, waaronder het
gezin Brandsma, Jan van Hansje en zwarte Fekke met
gezin. Uit Amerika ook een stuk of drie. Dat was
Gerardus Wierdsma, die later in Lemmer politieagent zou
worden. Dan had je een Koopmans, zijn vader was meen ik
brugwachter, en nog zo'n zware man die in het Waaigat
woonde en sergeant was. Koopmans dat was een nummer,
zijn bijnaam was Billy Ritchie, dat was toen een
Amerikaanse komiek.
De
school werd ontruimd, dat werd een kazerne en er kwamen
ook soldaten van buiten de Lemmer. En de meiden dol,
zoals dat dan gaat. Billy. R. wou zich doof houden. De
rekruten stonden 's morgens voor school en moesten naar
de straatweg marcheren. Dat was voorwaarts mars! En daar
gingen de landverdedigers. Ze waren zoals verteld werd,
bij Follega waar halt werd geroepen, Maar Billy. R.
alias Eskebibel liep door, hij was immers doof! Maar na
een tijdje ging alles zijn gewone gang, zo goed en zo
kwaad als het ging.
De
visserlui begonnen weer te vissen en de soldaten kregen
af en toe visserij verlof, want de vis kon best worden
gebruikt, vooral later want alles kwam al gauw op de bon
en de vis is best voedsel. Het is gek maar de hele
oorlog is er weinig haring te vangen geweest. Voorheen
in de natijd als de haringen weer scholen gingen vormen
om weer naar de Noordzee te vertrekken, kon je net
zoveel haring vangen als je maar wou, maar omdat het te
warm werd, waren ze niks meer waard.
Maar
ansjoop was er toen genoeg alle jaren, maar wat erg
vreemd was de ansjoop mocht niet worden uitgevoerd, die
moest in Holland blijven als volksvoedsel, terwijl
haring daar zich veel beter voor leende. Maar de ansjoop
was al die jaren klein van stuk, dat was voor de oude
netten goed vangen want door het vele tanen werden de
mazen iets kleiner. Maar het zogenaamde pluizen van de
vis was arbeidsintensief. De prijs was door de overheid
vastgesteld op 20 cent per pond, als ze de vis hadden
mogen uitvoeren was de prijs wel f 1,- gulden per pond
geweest.
Van
elk visje moest de kop worden afgeknepen en daar werden
de vingers dun van, het vel wel te verstaan. Dat dunne
rubber spul van tegenwoordig om de vinger te beschermen
was er toen nog niet, het was voor velen een pijnlijke
geschiedenis. Alle dagen werkten er losse krachten mee,
die hielpen om de vis uit de netten te krijgen, want ze
moesten 's avonds weer in zee uitstaan. De hele Lemmer
stonk naar vis, langs de haven, op de wal, en langs de
streek aan beide kanten, overal waren ze aan het
ansjovis pluizen. 's Avonds kwam de brandweer om de boel
wat schoon te spuiten.
Als de
netten 's avonds in zee werden uitgezet werden de
plaatsen uitgezocht waar de ansjoop het minst uit het
water sprong, om maar minder te vangen. We hebben de
netten een keer opgehaald met 4700 pond ansjoop erin, en
af en toe moesten de armen er onder anders scheurde de
netten onder het gewicht. In de zouterijen waar de
ansjoop moest worden verwerkt was het razend druk. Eerst
moesten ze gekopt worden voor zover ze er nog op zaten,
en werden de ingewanden er ook mee uitgetrokken. Dan
moesten ze geraapt worden, de visjes lagen dan op een
brede plank, bij Poppe de Rook, zat dan meestal Jacob de
Rook als inzouter voor het vat of anker.
De
vrouwen legden de visjes allemaal met de kop naar één
kant in de hand, en als die vol was dan werd die met een
handig omkeren in de hand van de zouter gelegd. Was het
anker vol dan kwam er een rond houten blok op en werden
de visjes met een hefboom in elkaar geperst, weer
bijgevuld, en dan ging de duig of deksel erop. En
onderwijl werden uit volle borsten de smartlappen
gezongen. Dat ging ook zo in de haringtijd, de haring aan
de speten geregen om gerookt te worden en in de spiering
tijd dito.
Tientallen meisjes en vrouwen werkten dan in de
rokerijen om er wat bij te verdienen, voor de vele
mondjes die toen gevoed moesten worden, van al die
vrouwen wil ik er één naar voren halen om ze de eer te
geven, die ze toen niet kregen. En die éne is Kaatje van
Wiebe Veenstra, een vrouw die een groot gezin had, en
trachtte er fatsoenlijke mensen van te maken wat haar
voor 100% is gelukt.
Kaatje.
Ze was
ondanks haar grote zorgen altijd vrolijk en zong het
hoogste lied. Als je om 12 uur naar huis liep, hoorde je
haar boven alles uit zingen van: "En al zijn we
kolonialen, daarom zijn wij zo slecht nog niet". Ook had
zij een zekere trots. Dat kwam tot uiting toen een van
de kinderen om een briefje vroeg voor school, 'dan konden de
arme kinderen na schooltijd twee sneeën roggebrood
krijgen met dikke reuzel er op'. Maar Kaatje zei "kind als
je dat doet, dan krijg je voor je hele leven een stempel
op gedrukt". Als er dan ook een standbeeld in Lemmer moet
worden opgericht dan komt Kaatje die hulde toe, dan
heeft Lemmer meteen een verbinding met de vroegere
visserij, wat toch in wezen een glorie tijd was voor
Lemmer.
Dat
Kaatje ook gelijk had dat je een stempel op je kreeg,
weet ik nog wel dat als de armste drommels 's winters
naar de bedeling moesten, dan werd in de waag onder het
gemeentehuis groene erwten en bruine bonen met
roggebrood en een bon voor 25 turven uitgereikt, als dan
de stumpers onder de hoek langs kwamen werden ze vaak
door de plaatsgenoten nog bespot en beschimpt.
We
gaan weer naar de mobilisatie. Bot was in die tijd veel
te vangen. Dat kwam waarschijnlijk doordat er op de
Noordzee weinig werd gevist, vanwege het mijnengevaar. Er
zijn toen veel trawlers vergaan doordat ze op mijnen
liepen. Er is meen ik nog een Lemster, ene Scheffer bij
omgekomen. We hadden soms 1000 ton bot van een schot van
de hoekwant gehaald, terwijl 300 pond ook al een dikke
vangst was. Eén keer hebben we het hoekwant gehaald,
maar een klein beugje van 40 spleet waar 1600 pond bot aanzat. Aan elke 225 haken zat 40 pond bot allemaal van
die grote knapen van 4 ons of een pond.
Het
was meen ik 12 januari 1916 dat er een zware storm uit
het westen op stak. Het water werd zo hoog opgestuwd dat
de kade langs de vluchthaven diep onder water kwam te
staan, het water stond nog tot de 5e stelling paal toen
in het gras. Zo hoog was het nog nooit geweest, de Dam
aan de overkant stond er ook onder, alleen de bolders
waren nog te zien. Vader en ik gingen 's morgens vroeg
met een kruiwagen naar zeilmaker de Vries om een nieuwe
kabel te halen. We moesten vlak onder de huizen door
want de dakpannen keilden door de lucht. Als het erg
stormde dan werd er met collega's een flet of bootje
naar de Dam of overkant geroeid, en dan werd een kabel
vastgemaakt aan de grote bolders die daar in de Dam
verankerd zaten. De kabel werd dan stijf getrokken en
aan de bolders van de buitenste aak vast gemaakt want we
lagen meestal met vier schepen naast elkaar. Maar er
waren al verschillende aken en botters losgeslagen, die
allemaal met geweld achter in de haven werden gedreven
en voor de spuisluis tegen elkaar lagen te botsen.
De
wind was later zeker gekrompen anders hadden ze daar
niet kunnen komen. De grote schepen van ijzer konden wel
wat hebben, maar de kleintjes er tussenin kwamen in de
vernieling. Sake Visser zijn schouw zat ook onder water,
en ik zie ze nog hozen met planken op de bun toen ze de
schouw er weg kregen. En Wiebe Urk met zijn houten aak
de LE 34. Bleef droog op de kade staan toen het water
zakte. Overal was veel schade en wat erger was de
zeedijken waren op veel plaatsen doorgebroken. In de
omgeving van Monnikendam op verschillende plaatsen, daar
om 'Broek in Waterland' heen heb je erg lage polders, daar
zijn honderden koeien en schapen verdronken. Er stond
wel 4 meter water in de polder en die nacht nog veel
meer, alles was verwoest. Ook Marken zat helemaal onder
water.
Er
kwam later bij de Kuindersedam zoveel hout aangedreven,
soms hele huizen met nog gedeeltelijk dakpannen er nog
op. De huizen van Marken waren meestal van hout gebouwd.
Ook werd verteld dat er zelfs doodkisten van het kerkhof
waren afgedreven en aangespoeld, maar ik heb het zelf
niet gezien. Alle Lemsters waren toen jutters geworden,
gelukkig niet voor lang.
1908.
Toen
kwam er naar ik meen in 1908 een grote verandering aan
de Korte en Langestreek, over het Dok was toen een
houten bruggenaamd "De lange brêge" Die was helemaal
gebouwd op houten palen met in het midden een of twee
klappen, welke met een takel werden opgetrokken. De brug
lag aan de kant van de Kortestreek bij de schoenwinkel
van Boterkoper, waar later Jan van der Horst zijn
kapperszaak
had. Ook stond toen aan het water naar de brug een huis,
waar Boterkoper zijn schoenmakerij in had. Of de oude
brug niet meer kon worden gebruikt voor de nieuwe klaar
was weet ik niet, maar wel dat er een pont door het Dok
heen en weer werd getrokken voor het publiek en waarvan
de school jeugd dankbaar gebruik van maakte.
Waar
de nieuwe brug is gekomen weten de Lemsters wel, want
jullie moeten er nu vaak voor wachten. Maar toen ging de
vaart nog voor 95% door de Rien en Vissersburen. Waar nu
de muziektent staat was toen de scheepshelling van Nijdam en die woonde in het huis waar later Andries
Vleer woonde. De helling moest verdwijnen en Nijdam nam
het stoombootje over van Tieleman, die naar ik meen in
beurtdienst voer op Bolsward en later door de Gebr
Coehoorn werd voortgezet. Later had Nijdam nog weer een
helling in Sloten.
Dat
Lemmer toen een heel ander aanzien kreeg, hoef ik U niet
te vertellen. Het was net of Lemmer groter was geworden
en het streekje omwandelen duurde nu ook langer en dat
werd veelvuldig gedaan want Lemsters hielden veel van
wandelen.
"De ôfslach is
hjir symboalysk foar de striid fan de
fiskerij"
Lemmer houd op vissersplaats te zijn.
Als vissersplaats heeft Lemmer vrijwel geen
betekenis meer. Nog slechts enkele vissers brengen
hier de vangst uit het IJsselmeer aan de wal en
alleen voor hen bestaat nog steeds de gemeentelijke
visafslag. Steven Visser, de nu 80 jarige
"Directeur" van de afslag, slaat de aangevoerde vis
nog dagelijks af. Gevoelsmatig is de afslag in
Lemmer nog van veel waarde. Immers, Lemmer houd
officieel op vissersplaats te zijn, als besloten
wordt tot opheffing van de visafslag. Een stuk
historie zal dan worden afgesloten.
Een sluiting van de visafslag van Lemmer zal velen
aan het hart gaan. Er ligt immers een roemrijk stuk
geschiedenis in de herinnering van de oude vissers,
die vroeger de Zuiderzee bevisten. Alom bekend zijn
de Lemster bokking's die voor deze havenplaats een
bekend handelsartikel waren. Een halve eeuw lang
draaide in Lemmer alles om de visserij. De plaats
had een vloot die in 1930 was uitgegroeid tot over
de honderd aken, botters, schouwen of anderen boten.
Honderden personen vonden een bestaan op het water
of in de hangen, 'De Baan' 'De Hellingen' of 'De
Zeilmakerijen'.
De
penetrante geuren die afkomstig waren van de
visrokerijen, de netten, taanderijen kenmerkte op
treffende wijze de bedrijvigheid van de toenmalige
plaats Lemmer. En de frase," Wee binne Lemster
jonges, wee leve fan de sé, en al hwat wee tsjinje
forpierewaaie wee. Wee witte fan gjin sparjen, wee
lizze noait hwat wei,wee leve as God yn Frankryk fan
de iene yn de oare dei " uit het officieuze Lemster
volkslied, zegt veel over de mentaliteit van de
Lemster vissersbevolking.
De
bloei als vissersplaats had overigens niet direct
een positieve weerslag op de welstand van de
bevolking. Velen waren afhankelijk van de
besommingen uit de visserij en anderen vonden
slechts een armoedig bestaan bij de hangbazen. Het
waren met name deze paling en haring rokers die met
de handel in vis goede verdiensten binnenhaalden.
Heel anders was het met de vissers en de arbeiders.
Sprak men in het jaar 1808 van een vergelijking van
de visserij, met het zoeken naar eieren in het lage
hooi en rietland, welk een zoeken tot zeer weinig
voordeel strekt, en beschreef men de visserij als
een zeer schrale kostwinning voor veel vissers, het
was rond 1900 niet anders. Als creditgevers
bepaalden veel hangbazen de financiën van de
vissers. Niet alleen vroegen de visrokers rente en
aflossing, ook werd een afspraak gemaakt, dat men de
vangst moest leveren.
Het ontbreken van de visafslag in Lemmer wreekte
zich al gauw. De visrokers, die overigens al vanaf
het begin van de negentiende eeuw in Lemmer
bloeiende bedrijven hadden, maakte vanaf 1850
afspraken met de vissers om de vangsten rechtstreeks
te leveren. Het kwam de prijsstijging niet ten
goede, want van openlijke concurrentie was geen
sprake, de roep om een gemeentelijke visafslag werd
dan ook steeds luider.
Van verschillende kanten werd na de eeuwwisseling
herhaalde malen aangedrongen op de instelling van
een visafslag, uiteindelijk kwam deze er in 1916.
Nadat de Zuiderzeevissersbond andermaal een dringend
verzoek had gedaan, besloot de gemeenteraad tot
oprichting. In een voorstel zijn burgermeester en
wethouders kort en krachtig: deze visafslag wordt
verlangd om de vissers in gelegenheid te stellen bij
publieke verkoop zeer waarschijnlijk een hogere
prijs voor hun vis te bedingen. Voorts verwacht men,
dat na de oprichting van een visafslag zich meerdere
visrokers, zouters en handelaren zich te Lemmer
zullen vestigen en vissers uit andere plaatsen hun
vis aan de afslag te verkoop zullen aanbieden wat de
ingezetene dezer gemeente ten goede zal komen.
Eerder had de vissersvereniging te Lemmer in 1908
aangedrongen op een vestiging van een visafslag. In
een brief aan de raad wijst men ook op de misstanden
die toen der tijd golden onder de vissersbevolking
van Lemmer. Men geeft te kennen dat de vishandel in
Lemmer in een eigenaardige toestand verkeerd.
Doordat de aangevoerde vis steeds aan dezelfde
vishandelaren geleverd wordt, die de prijs naar
eigen goed vinden kunnen regelen.
Niet alleen wezen de Lemster vissers op het eigen
belang. Men verwachte weliswaar dat ook
vishandelaren van Urk of uit Enkhuizen of andere
plaatsen naar Lemmer zouden komen om voor de nodige
concurrentie te zorgen. Maar men wees er ook op dat
vreemde vissers die thans Lemmer vermijden, niet
zouden aarzelen ook hier hun vis ter afslag zouden
aanbieden, de Lemster vissers hadden reden omdat te
denken. Toen in 1916 tot de instelling van de
visafslag werd besloten, lagen bij de gemeenteraad
sympathiebetuigingen van de visserijverenigingen te
Spakenburg, Elburg, Medemblik, Vollenhove, Huizen,
Laaxem, Enkhuizen, Hoorn, en Kolhorn, alsmede van
verschillende vishandelaren uit de vissers plaatsen
rond de Zuiderzee.
Tot grote ontevredenheid van de Lemster vissers had
het toch nog een groot aantal jaren geduurd, voordat
in 1916 tot de oprichting van de afslag in Lemmer
was besloten. Vele jaren lang was de visafslag in
Lemmer onderwerp van gesprek op de algemene
vergadering van de visserijbond te Amsterdam, maar
het kwam niet tot een uit te dragen zaak. Maar
liefst ander half jaar lang liet de Hoofdinspecteur
van Lemsterland, wachten op een advies over de wens
van de Zuiderzeevissers. Toen hakte de raad van
Lemsterland de knoop door. De burgermeester was
verwonderd over de trage gang van zaken. Het
gevraagde advies is er nooit gekomen.
Ondanks de komst van de gemeentelijke visafslag
bleef aanvankelijk nog de schrille tegenstelling
tussen de rijke hangbaas en de arme visserman. De
conclusie uit een verslag van de staat der
zeevisserijen in 1912 is duidelijk. Het gemakkelijk
verkrijgen van kredieten voor de vissers bij hun
geldschieters, die tevens afnemers van hun vis en
leveranciers van hun visserijbenodigdheden zijn.
Heeft in deze gemeente toestanden doen ontstaan, die
de vissers in plaats van welvaart een aantal
verplichtingen heeft bezorgd. Het grootste deel van
de vloot verkeerd onder financiële druk, welk
slechts door een reeks van voorspoedige jaren kan
worden opgeheven. Pas in 1918 werden er maatregelen
getroffen, die ervoor zorgden dat vissers niet meer
afhankelijk te hoefden zijn van de hangbazen.
Overigens waren deze overeenkomsten tussen de
visrokers en de vissers geheel in de rede met de
plotseling opkomende bloei van Lemmer als
vissersplaats. Niet toevallig was het dat de Lemster
vissersvloot rond 1880 in aantal begon toe te nemen.
Waren er in 1880 zestien schepen, in 1905 was dat
aantal al gestegen tot 84 aken, botters, schouwen,
en andere vissersschepen. Veel personen zagen een
welkom alternatief voor de vervening of de landbouw.
De vervening gebieden in Echten, hadden hun
hoogtepunt al gehad, en door de malaise in de
landbouw was ook het boeren bestaan van mindere
waarde.
Veel veen en landarbeiders zochten daarom hun
broodwinning in de visserij. Die bestaansbron bezat
toekomst. Door veranderde vis methoden, het vissen
met staande netten voldeed beter dan met de
zogenaamde wonderkuil, werd de ansjovisvangst juist
in 1883 lucratief. Ieder die maar een boot machtig
kon worden en enig kapitaal bezat om een viswand te
kopen werd ansjovisvisser, predikanten,
turfschippers, boerenarbeiders, motor-vaarders, ja
wat niet al, groen en rijp, werd ansjovisvisser, zo
werd toen in een rapport verklaard.
Maar ook in de aan de visserij verwante bedrijven
zagen de boeren en veenarbeiders mogelijkheden. Dank
zij de bloeiende visserij konden immers ook
zeilmakerijen, scheepshellingen, mast en blikmakerij
of netten-taanderijen in Lemmer gedijen. Of men kon
wel in de hangen, die al langere tijd goed draaiden
en visrokerijen aan de slag. En wilde men de
Zuiderzee op, dan kon men krediet krijgen van
visrokers als De Rook, De Jager, Sterk of door
ondernemer Jan Pen die in Lemmer een belangrijke rol
heeft gespeeld in dit soort zaken.
De
haring en ansjovisvisserij was in de bloeiperiode
van het meest belang voor Lemmer. Vele vangsten
werden op de visafslag aangevoerd en vele schotten
werden daarna verwerkt in de hangen. Veel hing vast
van het slagen van de haringvangst of de
ansjovisteelt. Was dat goed, dan profiteerde de hele
Lemster bevolking. Drukte in de vissersplaats was er
met name in de ansjovistijd. Dan stonden honderden
mensen deze vissen uit de netten te halen en waren
er even zo velen bezig met koppen en zouten.
Sterk merkbaar was de teruggang op de gemeentelijk
visafslag. Met de daling van de aanvoer kwam de
visafslag in de rode cijfers. In 1932 besloot de
gemeenteraad deze instelling in een andere vorm
voort te zetten. De gedachte overheerste toen dat de
afslag ten dode was opgeschreven. Om de visserij
toen niet te duperen, werd echter niet tot
liquidatie overgegaan, zo werd verklaard.
De
aanvoer van haring stagneerde al snel, nadat de
Afsluitdijk was gedicht. In 1934 werden 10.100 stuks
afgeslagen, in 1937 kwamen er nog 600 haringen, maar
daarna niets meer. De Tweede Wereldoorlog gaf echter
een andere wending aan het verhaal. De aanvoer van
met name paling, witvis en snoekbaars maakte een
belangrijk deel uit van de omzet en steeg zelfs.
Door de oorlogscrisis werden bovendien hogere
prijzen betaald en in 1941 concludeerde de
gemeenteraad dat de visafslag te Lemmer ook in de
toekomst recht van bestaan zou hebben.
Hoe anders zou het echter lopen, toen de Tweede
Wereldoorlog was beëindigd. De visafslag verloor
nadien steeds meer haar functie, ordenend op te
treden bij de vishandel van een open prijs was al
helemaal geen sprake. De in Lemmer aanwezige
vishandelaren bepaalden de prijs, die bovendien
lager was dan op andere visafslagen betaalde
prijzen. De bedoeling was om verkeerde praktijken in
de handel tegen te gaan, maar van het tegendeel was
sprake door het monopolie van de Lemster
viskooplieden. Uit andere plaatsen kwamen de
handelaren niet meer naar Lemmer. Urk werd als
afslag hoofdzaak en door de geringe aanvoer te
Lemmer kreeg de visafslag nog slechts een zeer
bescheiden rol toebedeeld.
En
ook de verwachting dat na de inpoldering van de
beide Flevo polders de visserij zich zou verplaatsen
naar het noordelijke gedeelte van het IJsselmeer en
Lemmer gunstiger zou komen te liggen, werd
gelogenstraft. Voor de meeste vissers bleef het
aantrekkelijker om in Enkhuizen of Urk te lossen.
Bovendien speelde mee dat in deze plaatsen een
betere outillage aanwezig was, en meer handelaren
waren gevestigd en er vanouds een veel betere markt
was, eigenlijk heeft de visafslag te Lemmer nooit
met Enkhuizen of Urk kunnen concurreren.
"Je kunt wat mij betreft de deuren wel dicht
spijkeren van deze afslag" werd in 1952 al aan de
afslager in Lemmer toegevoegd, door één van de
Lemster vishandelaren. Het werd een hopeloze
toestand, en herhaalde malen is daarna gesuggereerd
om de gemeentelijke afslag in Lemmer maar op te
heffen. De omzet daalde voordurend en het vormde
voor de gemeente Lemsterland een aanzienlijke
kostenpost.
De
visafslag leek op een spoedige sluiting af te
stevenen, vooral omdat steeds meer Lemster vissers
de netten opborgen of het besluit namen met kotters
op de Noordzee te vissen. Onderwijl dunde de vloot
sterk uit en van de Lemster vissers bracht ook maar
slechts een deel de vangst naar de thuishaven. Van
de eens zo vermaarde vissersvloot van Lemmer stonden
er in 1962 nog maar vijftien schepen geregistreerd,
vijf daarvan visten op de Noordzee. Bovendien bevond
zich onder die groep Lemsters ook nog een aantal
meer actieve IJsselmeervissers.
Opheffing werd door de jaren steeds voorkomen. Het
zou moeilijkheden voor de Lemster vissers kunnen
opleveren. De groep die het IJsselmeer bevisten. Zou
gedwongen worden om de vis in Stavoren, Urk of
Enkhuizen af te slaan. Voor dat argument toonde men
zich gevoelig. Ondanks het feit dat de visafslag de
gemeente Lemsterland enkele duizenden guldens per
jaar kostte, bovendien wees men steeds weer op de
veilplicht, als er weer stemmen opgingen om de
afslag te sluiten.
En
nog steeds wordt opheffing van de visafslag te
Lemmer afgezworen. De gemeente moet er weliswaar
jaarlijks enkele duizenden guldens op toe leggen,
maar Lemmer blijft met de visafslag de status van
Vissersplaats behouden. Burgermeester Feite Faber is
daar duidelijk over. "Sa lang as it mei in bytsje
kosten trochgean kin, sjoch ik gjin reden om der mei
te stopjen", aldus luid zijn commentaar.
'Directeur' Steven Visser, noteert de door de
Lemster vissers, Bauke Visser en Jelle van der
Heide, geleverde vangst. Plaats van handeling is het
kleine gebouwtje van de visafslag aan de Willemskade
in Lemmer.
De
vier overgebleven Lemster IJsselmeer vissers hebben
te kennen gegeven belang te hebben bij het
voortbestaan van de visafslag. Het zijn Jan Fleer,
Gauke Bootsma, Rauke Kuipers en Bauke Visser, die
nog voor aanvoer zorgen op de gemeentelijke afslag
aan de Willemskade. Ondanks het feit dat de
visafslag in Lemmer als ordenend orgaan tussen
visser en handelaar veel van zijn functie heeft
verloren is 'Directeur' Steven Visser er nog
dagelijks te vinden als de vissers de haven binnen
lopen.
Van de echte afslag kan men overigens moeilijk meer
spreken, de enige kopers zijn de vishandelaar Jurjen
Bootsma en minder frequent de visverwerkende
industrie van de gebroeders Sterk. Meestal laten zij
zich niet zien op de visafslag, ze geven slechts de
prijzen door waarvoor men de vis wil kopen en voor
die prijzen leveren de vier Lemsters in de meeste
gevallen de vis rechtstreeks aan de handelaren.
Slechts bij grote aanvoeren gaan de beide Lemsters
naar de visafslag om te keuren en te kopen.
Zowel van de zijde van de handelaren, als van de
vissers hecht men nog waarde aan het voort bestaan
van het "Stekkie" van Steven Visser. "Ik sjoch foar
de takomst lykwols donkere loften foar de ôfslach
kommem, is echter de mening van visser Jan Fleer. Ik
sjoch wol dat dit mei de tiid ôfrint. Foar de de
hannel is it nogal hasty net mear de muoite wurdich,
omt de oanfier te lyts is, oer't generaal leit de
prijs hjir ek leger as yn Starum of op Urk boppdat
komme troch lege oanfier ek gjin fremde hannelers
mear nei De Lemmer, sadatder hastgjin konkurensje
mear is". Verhaalt nu de 63 jarige Fleer, die in
zijn zonen opvolgers heeft, die volgens hem
mettertijd zullen moeten uitwijken naar anderen
afslagen. Om die reden zijn ze ook lid van de
vissersvereniging Stavoren, die daar de visafslag
van de gemeente heeft overgenomen.
De omgekeerde werkelijkheid
en tijdige redding!
Nieuw
signaal.
Bovendien is het heel belangrijk dat er heden een groot
verschil met vroeger is. Genoemde verschijnselen, met
inbegrip van het beletten door dictatuur van vrijheid in
woord en geschrift, worden nu algemeen krachtig
veroordeeld. Het wordt niet langer onvermijdelijk
geacht, evenmin als internationaal geweld tussen staten
onderling. Het is een duidelijk signaal van een opgang
komend ontwaking-proces voor het welzijn van allen.
Geweldloze vredesbewegingen voor tweezijdige ontwapening
en andere acties die worden gekenmerkt door waardigheid
en rust zijn er o.a. een voorbeeld van. Maar het
voornaamste is en blijft dat we eerst ons zelf
ontwapenen door destructieve neiging beter te beheersen.
Verrees ook niet de nieuwe Phoenix als symbool van
vernieuwing, uit eigen as? En beginnen overal velen zich
niet reeds als Socrates te voelen toen hij eens zei geen
Athener te zijn maar een burger van de wereld?
Maar,
terug naar Lemmer van toen. Op de ene foto zien we de
tramconducteur Jan Woudstra en het tramstation omstreeks
1920. Zijn zoon Ruurd was jaren lang tandarts in
Leeuwarden en woont nu al enige tijd in Eindhoven.
Woudstra hebben we van nabij gekend via het puffende
bokkentrammetje naar Heerenveen. Evenals zijn bekende
collega Marten Bijlsma, droeg hij het kleine conducteurs
petje nonchalant op het achterhoofd. Beste mensen, maar
in de tram moesten we met Marten niet proberen "De
kachel aan te maken", want hij zetten je zo buiten boord
en dan moest je maar zien hoe je thuis kwam.
Evert
moet de ene Foto (Kortestreek) nog eens goed bekijken en
zich afvragen of de man met de hoed naast Woudstra niet
mijn vader zou kunnen zijn. Bij evenementen als deze
ontbrak hij nooit door zijn contact met de
Zuiderzeevissers. Vooral later in verband met de
drooglegging met de daaruit de voortvloeiende
besprekingen met de zogenaamde Zuiderzee commissie in
Amsterdam. Ik meen me te herinneren dat deze
besprekingen niet het meeste voor de vissers hebben
uitgehaald. Is het niet Jan Wouda? Men sprak toen 'De
dijk die armoede aandraagt' De mate van inspraak van
heden bevond zich in die tijd ver onder de horizon.
Ook de
naam Bosma roept herinneringen op. Hij was jarenlang
hofmeester op een van de nachtboten; een kleine rustige
mannetje die zijn werk voortreffelijk verrichte. Heel
wat Lemsters en passagiers van elders hebben zijn koffie
gedronken en een kussen gehuurd om te trachten om een
beetje te slapen, onder het gestamp van de grote
stoommachine. De boot vertrok 's avonds om negen uur,
nadat een stoot op de stoomfluit door de stilte van
Lemmer had geklonken.
In de
herfst en winter keken de mensen onder het koper kleurig
licht van de petroleumlamp en zeiden of dachten: De
Nachtboot! Genoemde Bosma bevond zich eens tijdens
dichte mist op het zee ijs ter hoogte, meen ik, van de
Vuurtoren waar hij in een wak terecht kwam. Door enorm
hard te schreeuwen wist hij de aandacht van enkelen bij
de sluis staande Lemsters te trekken. Deze renden in de
richting van het hulpgeroep en slaagden er in de
ongelukkige uit zijn levensgevaarlijke positie te halen.
Ik heb het zelf niet meegemaakt maar het incident ging
als hot news door het dorp.
We
moesten toch wat te praten of te roddelen hebben, want
ook de radio stond nog in de kleinste maat
kinderschoenen. Een toestel was slechts weggelegd voor
een enkeling. En wat voor een? Je had een twee of drie
draadantennen nodig van minstens 50 meter en liefst zo
hoog mogelijk. Bij heden vergeleken was alles uiterst
primitief. De lampen zaten aan de buitenkant en gaven
ook nog licht ....voor de huiskamer. Het grootste en
modernste apparaat stond bij Pier Meyer in het
Nutsgebouw aan de Nieuwburen. Hij was een sympathieke en
actieve man met vooruit strevende ideeën. Ik herinner
mij dat hij eens (ik heb het geloof ik al eerder
aangehaald) bekend heeft gemaakt dat bij hem tegen
geringe vergoeding, men in de zaal een
radiomuziekuitzending kon beluisteren. Voor de muzikale
Lemsters was dit heel wat. Er kwam evenwel niets van...
er kwam alleen gezucht en geruis, waarschijnlijk was die
avond de windrichting niet goed. De nogal wat
omvangrijke winkelier Zandbergen tegenover het
Nutsgebouw, met zijn handel in grutterswaren, verpakt in
grote bussen langs de muur en verkoop van boter uit het
vat en prachtige kopperen weegschalen op de toonbank,
zag er helemaal niets in! Over zijn bril heen kijkende
mompelde hij zoiets als "Moderne fratsen"......
Trouwens voor veel Lemsters was het een groot wonder,
zomaar geluiden uit de lucht. Het was dan ook vaak,
eerst horen en zien en dan geloven. En zo verstreken de
jaren in de goede oude tijd. Het werd steeds duidelijker
dat het zoute water van de rusteloze Zuiderzee
mettertijd over zou gaan in zoet water - het IJsselmeer.
Nu worden hier binnenkort weer de alom bekende
zeilwedstrijden gehouden met alles wat er verder aan
vast zit. We hopen opnieuw veel oude vrienden te
ontmoeten. Ruurd Rodenburg niet te vergeten die ergens
in Eindhoven woont. Wiesje Dasoul en haar man zijn
blijkbaar naar het buitenland gegaan, we hebben sedert
vorig jaar niets meer van hen vernomen. In B was ook
niemand aan te treffen. Max Koole is vast van de partij
en Zwarthoed zal ook wel weer van de partij zijn uit
Nice. En verder Feike en Hidde Visser uit Utrecht,
Hidde de Blauw uit Delft. En misschien deze keer Henk
Brouwer ook.
Niets uit deze
website mag worden
verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.