Historie

Friesland

Lemmer

 

Welkom bij Spanvis.

 

Wie zoekt Wie

Zoekfoto

Genealogie

 


 

Het archief van oud Lemster, Wouter van der Meer.

27-juli-1925 - 17 januari-2013.

Hierbij willen wij Wouter hartelijk bedanken voor zijn bijdrage aan de site voor de Lemmer.

De verhalen zijn veelal afkomstig van: Willem Rinsma, G. van der Gaast, Teade Wouda, Jan Wouda e.a. De verhalen zijn afkomstig omstreeks de jaren 1970-1980.

 

 

 

Inhoudsopgave.

 

DAAN ATSMA.

TANTE TRIEN.

DE GEHEIMZINNIGE BEZOEKER EN DE LDE TSJOENSTER.

de lemmer in 1914.

De omgekeerde werkelijkheid en tijdige redding!

"De fslach is hjir symboalysk foar de striid fan de fiskerij"

de oude Lemmer.

Ingrijpende veranderingen in Lemmer 1886-1890.

't Hoekje

De pan met snert en de zweetsok.

De pas geverfde deurpost.

De risico's van het vissen en de orkaan op 25 september 1935.

De vissersvloot van Lemmer van 1913 en later.

Doorspelen, en safe over de plank.

Een pijp tabak, verlet niet.

En toen, o hemeltjelief.

En weer schudde "De Wildeman"....

Heden en beeldflitsen uit de verte.

Herinneringen.

Het gevecht van de galjoot "Frieslands Gouverneur van   Sijtsema" met de Noordzee in de herfst van 1846.

Het grijs verleden.

Het leven en wonen in de eerste helft van de 19e eeuw.

Incident op de Langestreek.

Incident tijdens (wettelijke)gijzeling.

Jaarlijkse trekvogels en Isral - incident Sake Visser.

Theunis (de Flapper) Visser.

Lemmer, 1909.

Lemmer omstreeks de twintiger jaren.

Lemmer zaterdag 9 augustus 1986.

Lemmer zonder Grenzen

Lemster zeelieden en de zeilvaart in de 19-de eeuw.

Markante figuren van weleer in Lemmer.

Mensen uit het oude Lemmer en anderen herinneringen.

Mist en rondjes langs de streken.

Ook toen vielen de herfstbladeren.

Opnieuw oud Lemmer.

oud-lemmer.

Reacties uit Lemmer nodigen uit nogmaals een stukje te schrijven.

Roerige dagen.

spiegelbeeld.

Spoekerij op 'e Lemmer.

Storm en nog wat over Lemmer.

"Spe se sa alderfreeslikst by jimme yn Lemmer?"

Terug blik op de twintiger jaren.

Tien jaar voor en tegenspoed in Lemmer.

Twaalf Lemster vissers, in actie op 21 en 22 februari 1865.

Ook Lemmer heeft een wapen.

Zeilwedstrijden op de Zuiderzee.

Hof van Holland.

Honderd-tien jaar geleden verging de Willem III.

Zilverbrakels.

Nogmaals De oude Lemmer

Grietman gaf Lemmer bedrijvig aanzien.

De bedrijven en het leven in het verleden en heden aan de polderdijk.

De kof-en smak-schippers van Lemmer.

Sjoerd Jouwerts Stapert.

De watersnood ramp van 3 en 4 februari 1825.

 

 

●●●●●

 


DAAN ATSMA.


Nu ga ik even praten met Daan Atsma, Amstel 258 in Amsterdam. Je ouders Daan, Klaas en Tiete, heb ik heel goed gekend. Mijn vrouw kwam vroeger wel bij je moeder als naaister, je broer David, die bij de waterpolitie was in Amsterdam, kwam af en toe bij mij op het kantoor als we moeilijkheden hadden met ligplaatsen voor arken, want dat was zijn afdeling. Je dacht Daan, dat er vroeger bij Wouda wel karbonade op tafel zou zijn geweest. Dat gebeurde wel eens op zondag en feestdagen en armoede hebben we nooit gehad. Maar mijn vader was dan ook een broodvechter en als zelfstandig visser een zeer goed vakman.

Als het in de winter te koud was om de botbeug te azen, dan gebeurde dat in de huiskamer. De garnalen werden 's morgens om half vijf in de botter gekookt en 's avonds tevoren het zand, hoekwant en aasbakken al naar huis gebracht. 's Morgens om vijf uur waren ze dan al met vijf man aan het aanazen bij petroleumlampen en na 1907 bij gas. Daar waren dan oom Teade, oom Pieter bij en meest Gerben Bootsma, waar een straat in Lemmer naar vernoemd is en een buurjongen Harm van Zwol. Dat duurde tot twaalf uur toe, want na het eten moesten ze naar zee om de beug uit te zetten. Ik aasde dan ook al dapper mee en moeder moest zich maar zien te redden met een klein broertje en zich in de bedstee aankleden, je kunt wel nagaan hoe dat behelpen was. Mocht daar dan eens een karbonaadje op tafel komen?.

Ook vroeg Atsma of er wellicht een oudere Lemster was die eens iets kon schrijven over het baanbrekende werk dat de geheelonthoudersbeweging en de socialisten hebben gedaan omdat gene te verwezenlijken van wat we nu hebben.

Maar er is niemand geweest die de moeite heeft genomen om daar eens over te schrijven. In n van mijn stukken van bijvoorbeeld "Burgermeester Callenbach opende in 1916 de visafslag", waar ik ook vroeg om reacties omtrent de misstanden van toen, heeft ook geen mens gereageerd. Er zijn toch wel Lemsters en zeker ook oud Lemsters die dat beter zouden kunnen doen dan Jan Wouda, die alleen maar de lagere school heeft bezocht. Fedde Schurer is ons helaas ontvallen, maar er is er nog een Age Scheffer, wiens specialiteit dat moet zijn, en een professor Pen, wiens grootvader een grote rol heeft gespeeld in die tijd.

Waarom we het wel aan te danken hebben dat we het nu zoveel beter hebben dan onze voorouders Daan Atsma, is geen gemakkelijke vraag. Misschien hebben mensen als de grootvader van Mej. Romkema, die uit eigen zak bonnen voor levensmiddelen gaf aan behoeftige mensen, daar onbewust aan meegewerkt. Die gaf tenminste blijk wat zijn christenplicht was en zo andere mensen aan het denken bracht. Maar het was natuurlijk een druppel op een gloeiende plaat.

Toen kwam in 1903 de spoorwegstaking, de ellende stond de mensen toen wel aan de lippen, want dat waren toen toch de mensen met een vaste baan, de staking werd toen om zeep geholpen en vele mensen werden op straat gesmeten, en toen kwamen de bekende worgwetten, want ze waren wel geschrokken in Den Haag. In Lemmer werd ook gestaakt op de tram, er woonden twee machinisten in Lemmer, ene Kramer die niet meedeed en een zekere Lienos, die woonde toen achter de timmerwinkel van Nijholt. Ik speelde vaak met zijn zoontje van mijn leeftijd. Dat was Klaas en ik kwam er vaak in huis. Maar ik kreeg de waarschuwing van mijn moeder dat het gevaarlijke mensen waren, maar 't waren fijne mensen.


Vroeger maakte een timmerman n deur per dag en een arbeidershuisje had n deur. Nu maakt n man 16 deuren per dag bij Bruynzeel en een arbeidershuis heeft 16 deuren. Alleen uit dit gezegde blijkt wel dat de industrialisatie zeker een groot aandeel heeft gehad in de vooruitgang. Ook hebben de vakbonden er voor gezorgd dat de werkman nu zijn deel krijgt van de te verdelen koek. Alleen is het bedroevend dat maar 38% de werkmensen georganiseerd zijn, en de rest klaplopers, die de 38% de kastanjes uit het vuur laten halen, maar graag de voordelen opstrijken. En vaak nog de meeste praatjes hebben ook, en o zo goed weten hoe het wel moet. Ik wil geen mens beledigen, maar wie de schoen past trekke hem aan.

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 

 

DE GEHEIMZINNIGE BEZOEKER EN DE LDE TSJOENSTER.


Omstreeks 1924.

Er is meer tussen hemel en aarde, deze aanloop heeft maar weinig te maken met Lemmer en zijn bewoners in het begin van de twintiger jaren waaronder ik al eerder in een artikel hem noemde. Ik bedoel de koopman in lompen en oude metalen, die zijn vrouw en zuster in de Benedenschans woonden. Onder zijn ruige baard, waar het weer haast in zat en in zijn melancholieke ogen, school een zekere slimheid, die hij ook handig gebruikte ten behoeve van zijn handel jegens boeren uit de wijde omgeving van Lemmer. Deze probeerden hem soms met listen en mooie praatjes, oude producten in de maag te splitsen, dan de habbekrats die ze waard waren. Onze koopman zou er dan geen luizige cent aan overhouden na al zijn gezwoeg achter zijn zware handkar. Overigens stond reeds bij zijn geboorte vast, dat hij materieel gezien een dikke niet had getrokken.

In die tijd gebeurde het dat rooien Siemen, 'over hem gaat het' op een mistige herfstdag slechts even na het ochtendgloren, zijn kar uit het berghok pakhuisje trok en zijn schoenen haast zo groot als botters, voorwaarts bewoog in de richting van de Otterweg, een trekhond kon hij er niet op na houden. Want volgens hem vrat deze meer, dan dat hij met zijn hele handel en wandel voor zichzelf, zijn vrouw en zijn zuster bij elkaar kon scharrellen.

Zijn vrouw en zuster kwamen weinig op straat en hebben waarschijnlijk nimmer het andere eind van Lemmer gezien. Jonge kinderen waren eigenlijk maar bang voor hen.

Veel waren ze in hun krakkemikkig huisje niet nodig, waar het stijf stond van het vuil en stank. Wiesje Knol, de blonde en charmante dochter van de bekende bakker Klaas Knol uit de Schans, bracht er geregeld brood voor een schappelijk prijsje. Zij werd dan met veel egards door de dames bejegend, maar Wies zorgde er wel voor niet te ver over de drempel te komen, om een zekere staat van bewusteloosheid te vermijden vanwegen de odeur van half bedorven lucht, de bewoners zelf waren er kennelijk immuun, voor want ze gedijden er zelf goed. Hiernaar beoordeeld lijkt het een open vraag of alle soorten vervuiling wel zo funest zijn als men ons soms doet geloven.

Siemen was onderwijl sloffend de immer gonzende Houtmolen en de smederij van van der Wolf gepasseerd en vervolgde zijn zware gang via Pasveer (hek dicht hek open) langs de beneden kant van de zeedijk. Deze bood een welkome beschutting tegen de straffe zuidwester. Voorbij de boerderij van de toen aldaar zo bekende familie Akkerman, schreed hij waardig over het bruggetje landinwaarts. Zijn metgezel was de jagende wind die de stilte van de aarde raakte. Nu en dan pijlsnel uit een oude sloot opvliegende wilde eenden kregen de doodschrik van Siemen zijn afhangende zwarte hoed en enorme jas welke hem bijkans op de tenen hing. Maar warm dat wel!.

Zelf merkte hij niets van de agitatie van de vogels noch van de donkere luchten boven hem. Zijn gedachten waren bij een mogelijk goed handeltje en dat was het meest belangrijke. De contouren van het boerderijtje, waar hij dacht te moeten zijn een paar honderd meter verderop, bevond zich half verscholen in de mist. Een hem onbekende bezoeker met lange baard en ondoorgrondelijk uiterlijk, had hem een paar weken geleden uitgenodigd om eens langs te komen voor een mooi partijtje oud koper en zink, aantrekkelijke dingen in de wereld van Siemen. Hij had de man met zijn immer tranende ogen goochem aangekeken en veinsde weinig belangstelling, als n van zijn trucjes om bij voorbaat de verlangde prijs te drukken.

Met dit soort dingen had hij zich door jarenlange training een grote behendigheid verworven, men wist nooit wat men aan hem had. Dit zijn aangeboren eigenschappen welke op geen andere school, dan die van het dagelijkse koopmansleven in oude metalen en lompen kunnen worden geleerd, een soort spontane toegepaste psychologie.....Het boerenspultsje bleek een in tamelijk goede staat verkerende bouwval te zijn. Bescheiden van omvang met een woongedeelte met erachter een wrak schuurtje. Buiten liepen een paar mistroostige kijkende geiten die betere dagen hadden gekend.

Siemen kon er niets aan doen, maar alles maakte op hem een sombere, vreemde en tegelijk geheimzinnige indruk. Hij voelde zich opeens niet meer zo prettig. Het bordje "Tink om e houn" was een misplaatste grap, want nergens zag hij iets wat zelfs bij benadering een blaffend geluid zou kunnen produceren. Het stelde hem wat gerust, ervaringen met honden op boerenerven waren niet zijn beste. Maar goed!

Zich over zijn schroom heen zettende klopte hij op de achterdeur. Na een poosje en nog wat gerammel van zijn kant, hoorde hij langzame voetstappen naderbij komen. Deze bleken bij een oude vrouw te behoren die hem vriendelijk verzocht binnen te komen, na hem eerst scherp te hebben opgenomen. Ondanks haar vriendelijkheid bekroop Siemen weer dat nare onbekende gevoel, wat hem achter het huis ook overviel. Hij legde haar uit wat hij kwam doen en bleek in de keuken te zijn waar twee katten hem met felle ogen aan keken. Een ander verdween blazend onder tafel. Het was of ze door een onzichtbare hand werden opgejaagd. Terwijl de vrouw hem niet begrijpend aan keek, viel het hem op dat ze diep weggezonken ogen had, iemand die als het ware door je heen keek.

Na verdere uitleg deelde ze hem mede dat haar man niets gezegd had en de gehele dag afwezig was. Wel waren er veel dingen die opgeruimd moesten worden, daar ze gingen verhuizen. Siemen moest maar met 17 dagen terug komen precies op die dag en niet later, zo tegen een uur of 5 in de middag. Hij vertrok enigszins teleurgesteld en was anderzijds opgelucht toen hij de vreemde sfeer binnenshuis achter zich kon laten.

Op de afgesproken dag en op het overeen gekomen uur het werd reeds donker was hij ter hoogte van het boerderijtje, althans waar het had moeten zijn.

Tot zijn stomme verbazing was er niets te zien dan een kale plek en wat oude rommel. Later bleek na wat informatie dat er in deze omgeving wel een klein koemelkers bedrijfje had gestaan, maar dat was lang heel lang geleden. Het was verwoest door hemelvuur. Siemen voelde zich kompleet aangeslagen en kwam ver na donker Lemmer weer binnen. De mensen die hij het verhaal vertelde, wezen naar hun voorhoofd en zeiden dat je goed kon merken dat Siemen hard achteruit ging. Hij had vast en zeker een tsjoenster gezien.

Of niet? persoonlijk weet ik niet wat waar of niet waar is, daar men mij als jongen het verhaal vertelde. Wel herinner ik mij, dat Siemen een hoogst merkwaardig figuur was om wie een geheimzinnige waas hing. Wie zal het precies zeggen, want tussen hemel en aarde........

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


TANTE TRIEN.


In de directe omgeving van Siemen, woonde later de bekende timmerman Willem Blaauw met zijn vrouw Trijntje Jongsma en kinderen, Zij is een paar jaar geleden op hoge leeftijd helaas op tragische wijze om het leven gekomen. Heel veel oudere Lemsters hebben haar gekend. Over tante Trien zoals ze vaak werd genoemd, wil ik het even hebben. Zij was een bijzonder hartelijk en zeer toegewijde vrouw. Mevr. Jaalsma Fleer, herinnerde mij onlangs opnieuw aan haar. Zij was vroeger de buurvrouw van tante Trien en wordt door haar genoemd als een zorgzame moeder. In de oorlog moest de familie Jaalsma, haar huis in de Benedenschans op last van de bezetters verlaten. Het is duidelijk dat zoiets een diepe inbreuk maakte in de persoonlijke sfeer. Maar daar werd in de onzalige jaren niet naar gevraagd.

Waar moest de familie met hun hele hebben en houden heen? Ze kregen bovendien te horen dat ze niet alles mochten meenemen. Tante Trien kwam onmiddellijk in actie. Haar eerste woorden waren dat er "net ien stikken kopke en pantsje" achter zou blijven. Geen enkele kans, alles ging mee, hoe dan ook. Getracht werd een plaatsje te vinden in het gebouw "Us ths" hier was ruimte genoeg. De familie kon het echter wel vergeten, want er werd geen medewerking verleend. Tante Trien, in het geheel niet ontmoedigd, stelde meteen haar keuken beschikbaar in hun toch al kleine woning. In no-time was alles opgeborgen. Deur van de keuken op slot. In de Schans zou niemand weten waar alles gebleven was. Indien er mocht worden genformeerd van Duitse zijde of meelopers. Waarschijnlijk zouden ze ook nog hebben gezegd nimmer van een familie Jaalsma, te hebben gehoord.

Later ging de boedel naar 'De Houtmolen' door welwillende medewerking van de zo bekende directeur Core, die daar zo lang woonde met zijn vrouw en hartelijke dochters. Later woonde hij in Leeuwarden waar ik hem nog vaak ontmoete, als hij met zijn lange zwierige passen zijn dagelijkse wandeling maakte. Bovenstaande hulpverlening was tante Trien ten voeten uit, bereid een ieder te helpen. Ja mevrouw Jaalsma, de beste dingen gebeuren ook hier in de stilte door zogenaamde gewonen mensen zonder misleidende glans van uiterlijk vertoon en zelfgenoegzaamheid.......

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


de lemmer in 1914.


Wat me van de Lemmer altijd is bijgebleven zijn de optochten, als het twaalf uur was geweest en de arbeiders van 'De Houtmolen' en de Helling in gestrekte looppas naar huis gingen, om te eten. Dan was het een geklos van de klompen...de mensen van de Helling in het roestbruin Engels leer, waarvan vroeger de werkkleding was gemaakt. Lange Herre liep altijd voorop en kon het harst lopen. Hij moest dan ook van het Waaigat heen en terug. Er werkte in die goeie tijd 40 a 50 man. Er stond altijd een rijnaak op stapel, n die werd afgebouwd en n in het hellinggat die werd afgewerkt. Dan de aken en de boeiers en grote aken voor de Zeeuwse mosselvissers.

Er is nog een mooie schoener gebouwd en een stalen logger voor IJmuiden, die de beste zeiler van de loggervloot was. Ik weet nog dat de sleepboot van Koningsveld, die aan de Visserburen woonde, hem naar IJmuiden sleepte, en onderweg op zee iemand van de logger naar de boot wilde palmen langs de sleepdraad en deze man in zee terecht kwam.

Als je vroeger van school afkwam voelde je wel dat je nog lang niet genoeg had geleerd. We hadden vroeger de gelegenheid niet zoals de jonge mensen van nu, die vaak de mogelijkheden die hun worden geboden, niet eens gebruiken. Ik wilde in de winter graag naar de herhalingschool die je toen had in de avond, het lukte me ook wel eens een poosje, maar in de netten zaten altijd gaten die moesten worden geboet.

Toen kwam er in 1913 een zogenaamde schippersschool waar 's avonds les werd gegeven. Meester de Vries was directeur, verder gaven les onderwijzer Oosten, en iemand van de christelijke school, een zeilmaker voor zeilen naaien knopen enz, en een soort eerste hulp bij ongelukken en dat werd gegeven door dokter Tas. Meester de Vries kon niet zo goed met de jongens omgaan. En het eerste wat hij zei was, "dan ga je er maar uit hoor"!. Dat gezegde had hij al gauw als bijnaam.

Meester Oosten was een strenge, en de meester van de christelijke school was een man met een beetje hoge rug, en die kon juist goed met de jongens op schieten. Die maakte een grapje mee, en als de zaak was uitgelachen, kreeg hij ze allemaal rustig aan het werk. Op een keer lagen ze allemaal met directeur de Vries overhoop, en ging het in optocht naar Jan de Vries, dat was een herenboer, die woonde aan het begin van de Straatweg. Hij was de voorzitter van de school, wel eigenaardig een boer voorzitter van een schippersschool. Maar er werd een deputatie door Jan de Vries ontvangen die de tekortkomingen van meester de Vries uit de doeken deed, wat niets uit haalde alles bleef bij het oude.

Op een avond had een knaap een schuttingwoord op het bord geschreven. Meester de Vries kwaad, hij wou geen les meer geven zolang iemand zich niet had gemeld als de dader. Niemand had het natuurlijk gedaan. Dokter Tas kwam voor de ongevallencursus, en meester de Vries zei, "vind U het niet verschrikkelijk dokter ?" waarop dokter zei, "Het is toch maar een gewoon woord meester?".

Het zal zowat in 1912 zijn geweest dat velen in Lemmer in een soort paniek waren. De komeet Halley, zou tegen de aarde botsen en de wereld zou vergaan. Wat waren er velen mensen bang, velen die radeloos waren en volgens de kranten hebben toen verscheidende mensen zelfmoord gepleegd. Maar dat liep ook goed af, wat niet goed afliep was de dreiging van de oorlog in 1914. Het werd (voor ons) wel geen oorlog, maar mobilisatie. Het was begin augustus, de kermis was al opgebouwd langs de Korte en Langestreek, en ik hoorde twee exploitanten tegen elkaar zeggen dat ze met wat kinderen als klanten zouden blijven zitten.

De mensen zagen het donker in, een paar dagen later moesten ze afbreken, want niemand had nog lust in kermisvieren. Er was al bekend gemaakt wie allemaal opgeroepen waren om dienst te nemen in het leger. Wij met een ploegje jongens gingen naar het eindje van de Dam om de vissers die binnenkwamen en op moesten komen het nieuws te vertellen. Alles stond op zijn kop, zoals u wel kunt nagaan. Er was immers al in geen honderd jaar meer oorlog geweest?

Mannen die al een groot gezin hadden waren er bij. Van overal waar Nederlanders woonden in het buitenland, moesten deze naar huis komen. Ook verschillende gezinnen die in Duitsland woonden en werkten moesten hals over kop met hun hele hebben en houwen naar Lemmer, waaronder het gezin Brandsma, Jan van Hansje en zwarte Fekke met gezin. Uit Amerika ook een stuk of drie. Dat was Gerardus Wierdsma, die later in Lemmer politieagent zou worden. Dan had je een Koopmans, zijn vader was meen ik brugwachter, en nog zo'n zware man die in het Waaigat woonde en sergeant was. Koopmans, dat was een nummer, zijn bijnaam was Billy Ritchie, dat was toen een Amerikaanse komiek.

De school werd ontruimd, dat werd een kazerne en er kwamen ook soldaten van buiten de Lemmer. En de meiden dol, zoals dat dan gaat. Billy. R. wou zich doof houden. De rekruten stonden 's morgens voor school en moesten naar de straatweg marcheren. Dat was voorwaarts mars! En daar gingen de landverdedigers. Ze waren zoals verteld werd, bij Follega waar halt werd geroepen, Maar Billy. R. alias Eskebibel liep door, hij was immers doof! Maar na een tijdje ging alles zijn gewone gang, zo goed en zo kwaad als het ging.

De visserlui begonnen weer te vissen en de soldaten kregen af en toe visserij verlof, want de vis kon best worden gebruikt, vooral later want alles kwam al gauw op de bon en de vis is best voedsel. Het is gek maar de hele oorlog is er weinig haring te vangen geweest. Voorheen in de natijd als de haringen weer scholen gingen vormen om weer naar de Noordzee te vertrekken, kon je net zoveel haring vangen als je maar wou, maar omdat het te warm werd, waren ze niks meer waard.

Maar ansjoop was er toen genoeg alle jaren, maar wat erg vreemd was de ansjoop mocht niet worden uitgevoerd, die moest in Holland blijven als volksvoedsel, terwijl haring daar zich veel beter voor leende. Maar de ansjoop was al die jaren klein van stuk, dat was voor de oude netten goed vangen want door het vele tanen werden de mazen iets kleiner. Maar het zogenaamde pluizen van de vis was arbeidsintensief. De prijs was door de overheid vastgesteld op 20 cent per pond, als ze de vis hadden mogen uitvoeren was de prijs wel f 1,- gulden per pond geweest.

Van elk visje moest de kop worden afgeknepen en daar werden de vingers dun van, het vel wel te verstaan. Dat dunne rubber spul van tegenwoordig om de vinger te beschermen was er toen nog niet, het was voor velen een pijnlijke geschiedenis. Alle dagen werkten er losse krachten mee, die hielpen om de vis uit de netten te krijgen, want ze moesten 's avonds weer in zee uitstaan. De hele Lemmer stonk naar vis, langs de haven, op de wal, en langs de streek aan beide kanten, overal waren ze aan het ansjovis pluizen. 's Avonds kwam de brandweer om de boel wat schoon te spuiten.

Als de netten 's avonds in zee werden uitgezet werden de plaatsen uitgezocht waar de ansjoop het minst uit het water sprong, om maar minder te vangen. We hebben de netten een keer opgehaald met 4700 pond ansjoop erin, en af en toe moesten de armen er onder anders scheurde de netten onder het gewicht. In de zouterijen waar de ansjoop moest worden verwerkt was het razend druk. Eerst moesten ze gekopt worden voor zover ze er nog op zaten, en werden de ingewanden er ook mee uitgetrokken. Dan moesten ze geraapt worden, de visjes lagen dan op een brede plank, bij Poppe de Rook, zat dan meestal Jacob de Rook, als inzouter voor het vat of anker.

De vrouwen legden de visjes allemaal met de kop naar n kant in de hand, en als die vol was dan werd die met een handig omkeren in de hand van de zouter gelegd. Was het anker vol dan kwam er een rond houten blok op en werden de visjes met een hefboom in elkaar geperst, weer bijgevuld, en dan ging de duig of deksel erop. En onderwijl werden uit volle borsten de smartlappen gezongen. Dat ging ook zo in de haringtijd, de haring aan de speten geregen om gerookt te worden en in de spiering tijd dito.

Tientallen meisjes en vrouwen werkten dan in de rokerijen om er wat bij te verdienen, voor de vele mondjes die toen gevoed moesten worden, van al die vrouwen wil ik er n naar voren halen om ze de eer te geven, die ze toen niet kregen. En die ne is Kaatje van Wiebe Veenstra, een vrouw die een groot gezin had, en trachtte er fatsoenlijke mensen van te maken wat haar voor 100% is gelukt
>>>

Soldaten in Lemmer, voor de school.

>>>Kaatje.

Ze was ondanks haar grote zorgen altijd vrolijk en zong het hoogste lied. Als je om 12 uur naar huis liep, hoorde je haar boven alles uit zingen van: "En al zijn we kolonialen, daarom zijn wij zo slecht nog niet". Ook had zij een zekere trots. Dat kwam tot uiting toen een van de kinderen om een briefje vroeg voor school, 'dan konden de arme kinderen na schooltijd twee sneen roggebrood krijgen met dikke reuzel er op'. Maar Kaatje zei "kind als je dat doet, dan krijg je voor je hele leven een stempel op gedrukt". Als er dan ook een standbeeld in Lemmer moet worden opgericht dan komt Kaatje die hulde toe, dan heeft Lemmer meteen een verbinding met de vroegere visserij, wat toch in wezen een glorie tijd was voor Lemmer.

Dat Kaatje ook gelijk had dat je een stempel op je kreeg, weet ik nog wel dat als de armste drommels 's winters naar de bedeling moesten, dan werd in de waag onder het gemeentehuis groene erwten en bruine bonen met roggebrood en een bon voor 25 turven uitgereikt, als dan de stumpers onder de hoek langs kwamen werden ze vaak door de plaatsgenoten nog bespot en beschimpt.

We gaan weer naar de mobilisatie. Bot was in die tijd veel te vangen. Dat kwam waarschijnlijk doordat er op de Noordzee weinig werd gevist, vanwege het mijnengevaar. Er zijn toen veel trawlers vergaan doordat ze op mijnen liepen. Er is meen ik nog een Lemster, ene Scheffer bij omgekomen. We hadden soms 1000 ton bot van een schot van de hoekwant gehaald, terwijl 300 pond ook al een dikke vangst was. En keer hebben we het hoekwant gehaald, maar een klein beugje van 40 spleet waar 1600 pond bot aanzat. Aan elke 225 haken zat 40 pond bot allemaal van die grote knapen van 4 ons of een pond.

Het was meen ik 12 januari 1916, dat er een zware storm uit het westen op stak. Het water werd zo hoog opgestuwd dat de kade langs de vluchthaven diep onder water kwam te staan, het water stond nog tot de 5e stelling paal toen in het gras. Zo hoog was het nog nooit geweest, de Dam aan de overkant stond er ook onder, alleen de bolders waren nog te zien. Vader en ik gingen 's morgens vroeg met een kruiwagen naar zeilmaker de Vries, om een nieuwe kabel te halen. We moesten vlak onder de huizen door want de dakpannen keilden door de lucht. Als het erg stormde dan werd er met collega's een flet of bootje naar de Dam of overkant geroeid, en dan werd een kabel vastgemaakt aan de grote bolders die daar in de Dam verankerd zaten. De kabel werd dan stijf getrokken en aan de bolders van de buitenste aak vast gemaakt want we lagen meestal met vier schepen naast elkaar. Maar er waren al verschillende aken en botters losgeslagen, die allemaal met geweld achter in de haven werden gedreven en voor de spuisluis tegen elkaar lagen te botsen.

De wind was later zeker gekrompen anders hadden ze daar niet kunnen komen. De grote schepen van ijzer konden wel wat hebben, maar de kleintjes er tussenin kwamen in de vernieling. Sake Visser, zijn schouw zat ook onder water, en ik zie ze nog hozen met planken op de bun toen ze de schouw er weg kregen. En Wiebe Urk, met zijn houten aak de LE 34. Bleef droog op de kade staan toen het water zakte. Overal was veel schade en wat erger was de zeedijken waren op veel plaatsen doorgebroken. In de omgeving van Monnikendam op verschillende plaatsen, daar om 'Broek in Waterland' heen heb je erg lage polders, daar zijn honderden koeien en schapen verdronken. Er stond wel 4 meter water in de polder en die nacht nog veel meer, alles was verwoest. Ook Marken zat helemaal onder water.

Er kwam later bij de Kuindersedam zoveel hout aangedreven, soms hele huizen met nog gedeeltelijk dakpannen er nog op. De huizen van Marken waren meestal van hout gebouwd. Ook werd verteld dat er zelfs doodkisten van het kerkhof waren afgedreven en aangespoeld, maar ik heb het zelf niet gezien. Alle Lemsters waren toen jutters geworden, gelukkig niet voor lang.

1908.

Toen kwam er naar ik meen in 1908 een grote verandering aan de Korte en Langestreek, over het Dok was toen een houten bruggenaamd "De lange brge" Die was helemaal gebouwd op houten palen met in het midden een of twee klappen, welke met een takel werden opgetrokken. De brug lag aan de kant van de Kortestreek bij de schoenwinkel van Boterkoper, waar later Jan van der Horst zijn kapperszaak had. Ook stond toen aan het water naar de brug een huis, waar Boterkoper zijn schoenmakerij in had. Of de oude brug niet meer kon worden gebruikt voor de nieuwe klaar was weet ik niet, maar wel dat er een pont door het Dok heen en weer werd getrokken voor het publiek en waarvan de school jeugd dankbaar gebruik van maakte.

Waar de nieuwe brug is gekomen weten de Lemsters wel, want jullie moeten er nu vaak voor wachten. Maar toen ging de vaart nog voor 95% door de Rien en Vissersburen. Waar nu de muziektent staat was toen de scheepshelling van Nijdam en die woonde in het huis waar later Andries Vleer woonde. De helling moest verdwijnen en Nijdam nam het stoombootje over van Tieleman, die naar ik meen in beurtdienst voer op Bolsward en later door de Gebr Coehoorn werd voortgezet. Later had Nijdam nog weer een helling in Sloten.

Dat Lemmer toen een heel ander aanzien kreeg, hoef ik U niet te vertellen. Het was net of Lemmer groter was geworden en het streekje omwandelen duurde nu ook langer en dat werd veelvuldig gedaan want Lemsters hielden veel van wandelen.

 Terug naar Inhoudsopgave.

"De lange brge", met de schoenmakerij van Boterkoper.

 


"De fslach is hjir symboalysk foar de striid fan de fiskerij"

 


Lemmer houd op vissersplaats te zijn.

Als vissersplaats heeft Lemmer vrijwel geen betekenis meer. Nog slechts enkele vissers brengen hier de vangst uit het IJsselmeer aan de wal en alleen voor hen bestaat nog steeds de gemeentelijke visafslag. Steven Visser, de nu 80 jarige "Directeur" van de afslag, slaat de aangevoerde vis nog dagelijks af. Gevoelsmatig is de afslag in Lemmer nog van veel waarde. Immers, Lemmer houd officieel op vissersplaats te zijn, als besloten wordt tot opheffing van de visafslag. Een stuk historie zal dan worden afgesloten.

Een sluiting van de visafslag van Lemmer zal velen aan het hart gaan. Er ligt immers een roemrijk stuk geschiedenis in de herinnering van de oude vissers, die vroeger de Zuiderzee bevisten. Alom bekend zijn de Lemster bokking's die voor deze havenplaats een bekend handelsartikel waren. Een halve eeuw lang draaide in Lemmer alles om de visserij. De plaats had een vloot die in 1930 was uitgegroeid tot over de honderd aken, botters, schouwen of anderen boten. Honderden personen vonden een bestaan op het water of in de hangen, 'De Baan' 'De Hellingen' of 'De Zeilmakerijen'.

De penetrante geuren die afkomstig waren van de visrokerijen, de netten, taanderijen kenmerkte op treffende wijze de bedrijvigheid van de toenmalige plaats Lemmer. En de frase," Wee binne Lemster jonges, wee leve fan de s, en al hwat wee tsjinje forpierewaaie wee. Wee witte fan gjin sparjen, wee lizze noait hwat wei,wee leve as God yn Frankryk fan de iene yn de oare dei " uit het officieuze Lemster volkslied, zegt veel over de mentaliteit van de Lemster vissersbevolking.

De bloei als vissersplaats had overigens niet direct een positieve weerslag op de welstand van de bevolking. Velen waren afhankelijk van de besommingen uit de visserij en anderen vonden slechts een armoedig bestaan bij de hangbazen. Het waren met name deze paling en haring rokers die met de handel in vis goede verdiensten binnenhaalden. Heel anders was het met de vissers en de arbeiders.

Sprak men in het jaar 1808 van een vergelijking van de visserij, met het zoeken naar eieren in het lage hooi en rietland, welk een zoeken tot zeer weinig voordeel strekt, en beschreef men de visserij als een zeer schrale kostwinning voor veel vissers, het was rond 1900 niet anders. Als creditgevers bepaalden veel hangbazen de financin van de vissers. Niet alleen vroegen de visrokers rente en aflossing, ook werd een afspraak gemaakt, dat men de vangst moest leveren.

Het ontbreken van de visafslag in Lemmer wreekte zich al gauw. De visrokers, die overigens al vanaf het begin van de negentiende eeuw in Lemmer bloeiende bedrijven hadden, maakte vanaf 1850 afspraken met de vissers om de vangsten rechtstreeks te leveren. Het kwam de prijsstijging niet ten goede, want van openlijke concurrentie was geen sprake, de roep om een gemeentelijke visafslag werd dan ook steeds luider.


Van verschillende kanten werd na de eeuwwisseling herhaalde malen aangedrongen op de instelling van een visafslag, uiteindelijk kwam deze er in 1916. Nadat de Zuiderzee-vissersbond andermaal een dringend verzoek had gedaan, besloot de gemeenteraad tot oprichting. In een voorstel zijn burgermeester en wethouders kort en krachtig: deze visafslag wordt verlangd om de vissers in gelegenheid te stellen bij publieke verkoop zeer waarschijnlijk een hogere prijs voor hun vis te bedingen. Voorts verwacht men, dat na de oprichting van een visafslag zich meerdere visrokers, zouters en handelaren zich te Lemmer zullen vestigen en vissers uit andere plaatsen hun vis aan de afslag te verkoop zullen aanbieden wat de ingezetene dezer gemeente ten goede zal komen.

Eerder had de vissersvereniging te Lemmer in 1908 aangedrongen op een vestiging van een visafslag. In een brief aan de raad wijst men ook op de misstanden die toen der tijd golden onder de vissersbevolking van Lemmer. Men geeft te kennen dat de vishandel in Lemmer in een eigenaardige toestand verkeerd. Doordat de aangevoerde vis steeds aan dezelfde vishandelaren geleverd wordt, die de prijs naar eigen goed vinden kunnen regelen.

Niet alleen wezen de Lemster vissers op het eigen belang. Men verwachte weliswaar dat ook vishandelaren van Urk of uit Enkhuizen of andere plaatsen naar Lemmer zouden komen om voor de nodige concurrentie te zorgen. Maar men wees er ook op dat vreemde vissers die thans Lemmer vermijden, niet zouden aarzelen ook hier hun vis ter afslag zouden aanbieden, de Lemster vissers hadden reden omdat te denken. Toen in 1916 tot de instelling van de visafslag werd besloten, lagen bij de gemeenteraad sympathiebetuigingen van de visserijverenigingen te Spakenburg, Elburg, Medemblik, Vollenhove, Huizen, Laaxem, Enkhuizen, Hoorn, en Kolhorn, alsmede van verschillende vishandelaren uit de vissers plaatsen rond de Zuiderzee.


Tot grote ontevredenheid van de Lemster vissers had het toch nog een groot aantal jaren geduurd, voordat in 1916 tot de oprichting van de afslag in Lemmer was besloten. Vele jaren lang was de visafslag in Lemmer onderwerp van gesprek op de algemene vergadering van de visserijbond te Amsterdam, maar het kwam niet tot een uit te dragen zaak. Maar liefst ander half jaar lang liet de Hoofdinspecteur van Lemsterland, wachten op een advies over de wens van de Zuiderzeevissers. Toen hakte de raad van Lemsterland de knoop door. De burgermeester was verwonderd over de trage gang van zaken. Het gevraagde advies is er nooit gekomen.

Ondanks de komst van de gemeentelijke visafslag bleef aanvankelijk nog de schrille tegenstelling tussen de rijke hangbaas en de arme visserman. De conclusie uit een verslag van de staat der zeevisserijen in 1912 is duidelijk. Het gemakkelijk verkrijgen van kredieten voor de vissers bij hun geldschieters, die tevens afnemers van hun vis en leveranciers van hun visserijbenodigdheden zijn. Heeft in deze gemeente toestanden doen ontstaan, die de vissers in plaats van welvaart een aantal verplichtingen heeft bezorgd. Het grootste deel van de vloot verkeerd onder financile druk, welk slechts door een reeks van voorspoedige jaren kan worden opgeheven. Pas in 1918 werden er maatregelen getroffen, die ervoor zorgden dat vissers niet meer afhankelijk te hoefden zijn van de hangbazen.

Overigens waren deze overeenkomsten tussen de visrokers en de vissers geheel in de rede met de plotseling opkomende bloei van Lemmer als vissersplaats. Niet toevallig was het dat de Lemster vissersvloot rond 1880 in aantal begon toe te nemen. Waren er in 1880 zestien schepen, in 1905 was dat aantal al gestegen tot 84 aken, botters, schouwen, en andere vissersschepen. Veel personen zagen een welkom alternatief voor de vervening of de landbouw. De vervening gebieden in Echten, hadden hun hoogtepunt al gehad, en door de malaise in de landbouw was ook het boeren bestaan van mindere waarde.

Veel veen en landarbeiders zochten daarom hun broodwinning in de visserij. Die bestaansbron bezat toekomst. Door veranderde vis methoden, het vissen met staande netten voldeed beter dan met de zogenaamde wonderkuil, werd de ansjovisvangst juist in 1883 lucratief. Ieder die maar een boot machtig kon worden en enig kapitaal bezat om een viswand te kopen werd ansjovisvisser, predikanten, turfschippers, boerenarbeiders, motor-vaarders, ja wat niet al, groen en rijp, werd ansjovisvisser, zo werd toen in een rapport verklaard.

Maar ook in de aan de visserij verwante bedrijven zagen de boeren en veenarbeiders mogelijkheden. Dank zij de bloeiende visserij konden immers ook zeilmakerijen, scheepshellingen, mast en blikmakerij of netten-taanderijen in Lemmer gedijen. Of men kon wel in de hangen, die al langere tijd goed draaiden en visrokerijen aan de slag. En wilde men de Zuiderzee op, dan kon men krediet krijgen van visrokers als De Rook, De Jager, Sterk of door ondernemer Jan Pen die in Lemmer een belangrijke rol heeft gespeeld in dit soort zaken.

De haring en ansjovisvisserij was in de bloeiperiode van het meest belang voor Lemmer. Vele vangsten werden op de visafslag aangevoerd en vele schotten werden daarna verwerkt in de hangen. Veel hing vast van het slagen van de haringvangst of de ansjovisteelt. Was dat goed, dan profiteerde de hele Lemster bevolking. Drukte in de vissersplaats was er met name in de ansjovistijd. Dan stonden honderden mensen deze vissen uit de netten te halen en waren er even zo velen bezig met koppen en zouten.


Sterk merkbaar was de teruggang op de gemeentelijk visafslag. Met de daling van de aanvoer kwam de visafslag in de rode cijfers. In 1932 besloot de gemeenteraad deze instelling in een andere vorm voort te zetten. De gedachte overheerste toen dat de afslag ten dode was opgeschreven. Om de visserij toen niet te duperen, werd echter niet tot liquidatie overgegaan, zo werd verklaard.

De aanvoer van haring stagneerde al snel, nadat de Afsluitdijk was gedicht. In 1934 werden 10.100 stuks afgeslagen, in 1937 kwamen er nog 600 haringen, maar daarna niets meer. De Tweede Wereldoorlog gaf echter een andere wending aan het verhaal. De aanvoer van met name paling, witvis en snoekbaars maakte een belangrijk deel uit van de omzet en steeg zelfs. Door de oorlogscrisis werden bovendien hogere prijzen betaald en in 1941 concludeerde de gemeenteraad dat de visafslag te Lemmer ook in de toekomst recht van bestaan zou hebben.

Hoe anders zou het echter lopen, toen de Tweede Wereldoorlog was beindigd. De visafslag verloor nadien steeds meer haar functie, ordenend op te treden bij de vishandel van een open prijs was al helemaal geen sprake. De in Lemmer aanwezige vishandelaren bepaalden de prijs, die bovendien lager was dan op andere visafslagen betaalde prijzen. De bedoeling was om verkeerde praktijken in de handel tegen te gaan, maar van het tegendeel was sprake door het monopolie van de Lemster viskooplieden. Uit andere plaatsen kwamen de handelaren niet meer naar Lemmer. Urk werd als afslag hoofdzaak en door de geringe aanvoer te Lemmer kreeg de visafslag nog slechts een zeer bescheiden rol toebedeeld.

En ook de verwachting dat na de inpoldering van de beide Flevo polders de visserij zich zou verplaatsen naar het noordelijke gedeelte van het IJsselmeer en Lemmer gunstiger zou komen te liggen, werd gelogenstraft. Voor de meeste vissers bleef het aantrekkelijker om in Enkhuizen of Urk te lossen. Bovendien speelde mee dat in deze plaatsen een betere outillage aanwezig was, en meer handelaren waren gevestigd en er vanouds een veel betere markt was, eigenlijk heeft de visafslag te Lemmer nooit met Enkhuizen of Urk kunnen concurreren.

"Je kunt wat mij betreft de deuren wel dicht spijkeren van deze afslag" werd in 1952 al aan de afslager in Lemmer toegevoegd, door n van de Lemster vishandelaren. Het werd een hopeloze toestand, en herhaalde malen is daarna gesuggereerd om de gemeentelijke afslag in Lemmer maar op te heffen. De omzet daalde voordurend en het vormde voor de gemeente Lemsterland een aanzienlijke kostenpost.

De visafslag leek op een spoedige sluiting af te stevenen, vooral omdat steeds meer Lemster vissers de netten opborgen of het besluit namen met kotters op de Noordzee te vissen. Onderwijl dunde de vloot sterk uit en van de Lemster vissers bracht ook maar slechts een deel de vangst naar de thuishaven. Van de eens zo vermaarde vissersvloot van Lemmer stonden er in 1962 nog maar vijftien schepen geregistreerd, vijf daarvan visten op de Noordzee. Bovendien bevond zich onder die groep Lemsters ook nog een aantal meer actieve IJsselmeervissers.

Opheffing werd door de jaren steeds voorkomen. Het zou moeilijkheden voor de Lemster vissers kunnen opleveren. De groep die het IJsselmeer bevisten. Zou gedwongen worden om de vis in Stavoren, Urk of Enkhuizen af te slaan. Voor dat argument toonde men zich gevoelig. Ondanks het feit dat de visafslag de gemeente Lemsterland enkele duizenden guldens per jaar kostte, bovendien wees men steeds weer op de veilplicht, als er weer stemmen opgingen om de afslag te sluiten.

En nog steeds wordt opheffing van de visafslag te Lemmer afgezworen. De gemeente moet er weliswaar jaarlijks enkele duizenden guldens op toe leggen, maar Lemmer blijft met de visafslag de status van Vissersplaats behouden. Burgermeester Feite Faber is daar duidelijk over. "Sa lang as it mei in bytsje kosten trochgean kin, sjoch ik gjin reden om der mei te stopjen", aldus luid zijn commentaar.

De vier overgebleven Lemster IJsselmeer vissers hebben te kennen gegeven belang te hebben bij het voortbestaan van de visafslag. Het zijn Jan Fleer, Gauke Bootsma, Rauke Kuipers en Bauke Visser, die nog voor aanvoer zorgen op de gemeentelijke afslag aan de Willemskade. Ondanks het feit dat de visafslag in Lemmer als ordenend orgaan tussen visser en handelaar veel van zijn functie heeft verloren is 'Directeur' Steven Visser er nog dagelijks te vinden als de vissers de haven binnen lopen.

Van de echte afslag kan men overigens moeilijk meer spreken, de enige kopers zijn de vishandelaar Jurjen Bootsma en minder frequent de visverwerkende industrie van de gebroeders Sterk. Meestal laten zij zich niet zien op de visafslag, ze geven slechts de prijzen door waarvoor men de vis wil kopen en voor die prijzen leveren de vier Lemsters in de meeste gevallen de vis rechtstreeks aan de handelaren. Slechts bij grote aanvoeren gaan de beide Lemsters naar de visafslag om te keuren en te kopen.

Zowel van de zijde van de handelaren, als van de vissers hecht men nog waarde aan het voort bestaan van het "Stekkie" van Steven Visser. "Ik sjoch foar de takomst lykwols donkere loften foar de fslach kommem, is echter de mening van visser Jan Fleer. Ik sjoch wol dat dit mei de tiid frint. Foar de de hannel is it nogal hasty net mear de muoite wurdich, omt de oanfier te lyts is, oer't generaal leit de prijs hjir ek leger as yn Starum of op Urk boppdat komme troch lege oanfier ek gjin fremde hannelers mear nei De Lemmer, sadatder hastgjin konkurensje mear is". Verhaalt nu de 63 jarige Fleer, die in zijn zonen opvolgers heeft, die volgens hem mettertijd zullen moeten uitwijken naar anderen afslagen. Om die reden zijn ze ook lid van de vissersvereniging Stavoren, die daar de visafslag van de gemeente heeft overgenomen.

'Directeur' Steven Visser, noteert de door de Lemster vissers, Bauke Visser en Jelle van der Heide, geleverde vangst. Plaats van handeling is het kleine gebouwtje van de visafslag aan de Willemskade in Lemmer.

 

● Foto's van Jilling Kingma.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


De omgekeerde werkelijkheid en tijdige redding!

Nieuw signaal.

Bovendien is het heel belangrijk dat er heden een groot verschil met vroeger is. Genoemde verschijnselen, met inbegrip van het beletten door dictatuur van vrijheid in woord en geschrift, worden nu algemeen krachtig veroordeeld. Het wordt niet langer onvermijdelijk geacht, evenmin als internationaal geweld tussen staten onderling. Het is een duidelijk signaal van een opgang komend ontwaking-proces voor het welzijn van allen. Geweldloze vredesbewegingen voor tweezijdige ontwapening en andere acties die worden gekenmerkt door waardigheid en rust zijn er o.a. een voorbeeld van. Maar het voornaamste is en blijft dat we eerst ons zelf ontwapenen door destructieve neiging beter te beheersen. Verrees ook niet de nieuwe Phoenix als symbool van vernieuwing, uit eigen as? En beginnen overal velen zich niet reeds als Socrates te voelen toen hij eens zei geen Athener te zijn maar een burger van de wereld?

Maar, terug naar Lemmer van toen. Op de ene foto zien we de tramconducteur Jan Woudstra en het tramstation omstreeks 1920. Zijn zoon Ruurd was jaren lang tandarts in Leeuwarden en woont nu al enige tijd in Eindhoven. Woudstra hebben we van nabij gekend via het puffende bokkentrammetje naar Heerenveen. Evenals zijn bekende collega Marten Bijlsma, droeg hij het kleine conducteurs petje nonchalant op het achterhoofd. Beste mensen, maar in de tram moesten we met Marten niet proberen "De kachel aan te maken", want hij zetten je zo buiten boord en dan moest je maar zien hoe je thuis kwam.
>>>

 

 

(Ik weet niet precies welke foto er bedoeld wordt, maar plaats er twee, waar een man met hoed bij op staat.)



>>> Evert moet de ene Foto (Kortestreek) nog eens goed bekijken en zich afvragen of de man met de hoed naast Woudstra niet mijn vader zou kunnen zijn. Bij evenementen als deze ontbrak hij nooit door zijn contact met de Zuiderzeevissers. Vooral later in verband met de drooglegging met de daaruit de voortvloeiende besprekingen met de zogenaamde Zuiderzee commissie in Amsterdam. Ik meen me te herinneren dat deze besprekingen niet het meeste voor de vissers hebben uitgehaald. Is het niet Jan Wouda? Men sprak toen 'De dijk die armoede aandraagt' De mate van inspraak van heden bevond zich in die tijd ver onder de horizon.

Ook de naam Bosma roept herinneringen op. Hij was jarenlang hofmeester op een van de nachtboten; een kleine rustige mannetje die zijn werk voortreffelijk verrichte. Heel wat Lemsters en passagiers van elders hebben zijn koffie gedronken en een kussen gehuurd om te trachten om een beetje te slapen, onder het gestamp van de grote stoommachine. De boot vertrok 's avonds om negen uur, nadat een stoot op de stoomfluit door de stilte van Lemmer had geklonken.

In de herfst en winter keken de mensen onder het koper kleurig licht van de petroleumlamp en zeiden of dachten: De Nachtboot! Genoemde Bosma, bevond zich eens tijdens dichte mist op het zee ijs ter hoogte, meen ik, van de Vuurtoren waar hij in een wak terecht kwam. Door enorm hard te schreeuwen wist hij de aandacht van enkelen bij de sluis staande Lemsters te trekken. Deze renden in de richting van het hulpgeroep en slaagden er in de ongelukkige uit zijn levensgevaarlijke positie te halen. Ik heb het zelf niet meegemaakt maar het incident ging als hot news door het dorp.

We moesten toch wat te praten of te roddelen hebben, want ook de radio stond nog in de kleinste maat kinderschoenen. Een toestel was slechts weggelegd voor een enkeling. En wat voor een? Je had een twee of drie draadantennen nodig van minstens 50 meter en liefst zo hoog mogelijk. Bij heden vergeleken was alles uiterst primitief. De lampen zaten aan de buitenkant en gaven ook nog licht ....voor de huiskamer. Het grootste en modernste apparaat stond bij Pier Meyer in het Nutsgebouw aan de Nieuwburen. Hij was een sympathieke en actieve man met vooruit strevende ideen. Ik herinner mij dat hij eens (ik heb het geloof ik al eerder aangehaald) bekend heeft gemaakt dat bij hem tegen geringe vergoeding, men in de zaal een radiomuziekuitzending kon beluisteren. Voor de muzikale Lemsters was dit heel wat. Er kwam evenwel niets van... er kwam alleen gezucht en geruis, waarschijnlijk was die avond de windrichting niet goed. De nogal wat omvangrijke winkelier Zandbergen tegenover het Nutsgebouw, met zijn handel in grutterswaren, verpakt in grote bussen langs de muur en verkoop van boter uit het vat en prachtige kopperen weegschalen op de toonbank, zag er helemaal niets in! Over zijn bril heen kijkende mompelde hij zoiets als "Moderne fratsen"......

Trouwens voor veel Lemsters was het een groot wonder, zomaar geluiden uit de lucht. Het was dan ook vaak, eerst horen en zien en dan geloven. En zo verstreken de jaren in de goede oude tijd. Het werd steeds duidelijker dat het zoute water van de rusteloze Zuiderzee mettertijd over zou gaan in zoet water - het IJsselmeer. Nu worden hier binnenkort weer de alom bekende zeilwedstrijden gehouden met alles wat er verder aan vast zit. We hopen opnieuw veel oude vrienden te ontmoeten. Ruurd Rodenburg niet te vergeten die ergens in Eindhoven woont. Wiesje Dasoul en haar man zijn blijkbaar naar het buitenland gegaan, we hebben sedert vorig jaar niets meer van hen vernomen. In B was ook niemand aan te treffen. Max Koole is vast van de partij en Zwarthoed zal ook wel weer van de partij zijn uit Nice. En verder Feike en Hidde Visser uit Utrecht, Hidde de Blauw uit Delft. En misschien deze keer Henk Brouwer ook.

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


de oude Lemmer.

Van de besprekingen van de Zuiderzee Commissie in Amsterdam weet ik niet veel, omdat op 12 juli 1927 het laatste schot met de ansjovisbeug was, wat toen toch op het eind liep, ben ik nog diezelfde dag overgestapt als schipper op een motorbootje "De Hans" voor de Rijks-Directie van de Zuiderzeewerken, waarmee toen in dat voorjaar was begonnen.

En zo werden we Medemblikkers. Dat niet ieder zijn zin kreeg van de Zuiderzeecommissie was begrijpelijk. Voor de vaste vissers was het geen punt om belanghebbende te zijn. Maar er waren veel die er zijdelings bij waren betrokken en die voor vol wilden worden aangezien. En daar kwamen wel conflicten uit voort. Ik zelf heb nooit wat met de Zuiderzee steunwet te maken gehad. De toenmalige minister-president Colijn heeft eens gezegd, dat er ten aanzien van de Zuiderzeevissers geen smet mocht kleven aan dat grote nationale werk. Colijn was ook voorzitter, van de Zuiderzeeraad.

In 1929 zijn we naar Den Oever vertrokken, want de Wieringermeerdijk was klaar. Ik was inmiddels op een grote stoomboot gaan varen "De Vlieter" en toen kregen we vaak de heer Colijn op de boot met de hele Zuiderzeeraad. Hij was niet mijn politieke vriend, maar om mee te praten was het een heel aardige man. Hij vertelde ons ook veel over de Zuiderzeewerken.
Ik weet nog een keer dat we door de Wieringermeer stoomden. Hij vertelde dat er 47 bruggen in deze polder zouden komen. Ik heb ze later nooit nageteld. Op de "Vlieter" was mijn mooiste tijd en ik was in mijn element, was als het ware met een kompas voor mijn neus opgegroeid en mist of niet, ik ben altijd gekomen waar we moesten zijn.

De ingenieur en opzichter waren vaak verwonderd hoe wij altijd het punt vonden waar we moesten zijn. In de zomer voeren we altijd met gezelschappen die door de regering waren uitgenodigd om de Zuiderzeewerken te bekijken.
Ze kwamen vanuit de hele wereld, wat voor ons interessant was. Ook Kamerleden en leden van Provinciale Staten van alle provincies.
Onze burgemeester Pollema, die ons ook nog getrouwd heeft en dat nog goed wist, was er ook een keer bij en ik moest hem veel vertellen.

Wat zijn er nadien al veel burgemeesters geweest in Lemsterland. Koninklijke gezelschappen hebben we ook aan boord gehad, o.a. Prins Hendrik met gevolg. De koning van Siam met gevolg (in nu Thailand). Dan de keizer van Japan met een gevolg van dertig man. Wim Kan zou wel gezegd hebben: "Had hem toen maar verzopen". Maar we wisten toen niet, wat er nog zou komen. Maar hij werd toen al erg streng bewaakt.

Ik kom die morgen aan boord, op de brug die was afgesloten zit een mijnheer, ik had direct door dat het een rechercheur was.
Hij zij "Goeiemorgen Wouda" en stelde zich voor als Deelstra. Hij kwam van Oudega en sprak Fries met mij. Ik hoefde hem niks te vertellen, hij wist meer van mijn leven dan ik zelf.
Het was in 1930 toen het gezelschap aan boord kwam. Het was zwart van de mensen op de haven van Den Oever.

De directeur-generaal De Blocq van Kuffeler, van de Zuiderzeewerken was de begeleider van de hoge gasten. Ik kreeg een Marineboot voor en achter me te varen en alles verliep op tijd en volgens plan, maar het was wel uitkijken met aanleggen. Bij de baggermolens en zandzuigers die in de felle stroom lagen te baggeren en te zuigen en met al die staalkabels naar de ankers.

Toen we 's middags weer in de haven terugkwamen opnieuw duizenden mensen. Ir. Ringeling, die mijn baas was zei de volgende dag: "Was je gisteren niet zenuwachtig Jan"? Ik zeg: "Of u nu naast me staat of de keizer van Japan, blijft voor mij hetzelfde". Wat hij maar vreemd vond.
Een bejaarde kapitein uit Dordrecht van de sleepboot "Lotus" zei me die namiddag: "Dat was toch een hele eer voor je Wouda". Ik vond het zelf overdreven, het was toch je werk. Het is allemaal lang geleden en Hirohito leeft ondanks alles ook nog en ik denk vaak aan die mooie tijd terug. Ik werd later toch Rijkswaterstater.

Misschien daardoor? Ik weet het niet, eerst sluiswachter en de laatste acht jaar scheepvaartmeester in Amsterdam. Ik heb ook daar altijd met plezier gewerkt. Maar nu zit ik met een pijnlijk been en kan niet eens naar de Jan Nieveen. We zullen maar hopen dat het gauw beter wordt, want op 9 augustus hebben we een vaarvakantie met een boot de Maas op.

Nu gaan we maar over naar de Bakkershoek door K. Verbeek, geschreven. Wat konden we daar als kinderen mooi spelen. Door kommertje, slingeren met zo'n 50 jongens waarvan de laatste een zwiepert kregen. En dan "typelje" een dwarslatje op je klompen en dan met een lange stok weg zwiepen en dat gebeurde op zeven verschillende manieren. Wie het verst sloeg had gewonnen en daar kwam een hele behendigheid aan te pas.

Ik zal wel ouder zijn dan K. Verbeek en weet daardoor wie er voordien in de panden woonden die op de foto van de Markt staan. Waar nu restaurant Schaaf is was voorheen Linos en Albino maar daarvoor was het 't drukke caf van Minke Vegter en was er de praathoek "Onder de hoek". 's avonds kon je daar altijd een veertig en vaak meer mensen vinden, druk aan het debatteren. Rooie Okke, hoorde je boven alles uit, hij moest heel hard praten anders stotterde hij.


De Albino-winkel was voordien denk ik naast Evert aan de Nieuwburen en heeft H. v.d Schoot later bij zijn zaak getrokken. Daarnaast de zaak van Henk Molenberg. Toen ik een jongen was dreef David de Jong, daar een manufacturenzaak. Die had twee jongens Bram en Nathan, die naar Amsterdam zijn vertrokken. Toen kwam Speier in de zaak, die kwam van Harlingen. Een drukke man waarover Rinsma, al eens een verhaaltje heeft geschreven, met Doede Kok toen als politieagent. Toen kwam Henk Molenberg, zijn vader in de zaak, die daarvoor zijn kleermakerij had naast Joost de Vries, later Bonditti. Naast Molenberg stond vroeger Hotel Eilers. Daar kwamen de boeren met paard en wagen en de paarden werden in de stal ondergebracht, die naast de bakkerij van Hofman in de brede steeg naar het Achterom stond.

Ik was denk ik vijf jaar dat we samen met mijn neefje Jacob Wouda uit de bewaarschool kwamen. Daar stond voor Eilers zo'n tilbury, een mooie grote wagen met veel glas. Het lemoen waar het paard tussen liep lag op de grond, Jaap pakt het ene en ik het andere lemoen en we draaiden dat een eindje. Zoals u weet loopt de Bakkershoek af naar waar nu het gemeentekantoor staat. Begint me die wagen te rijden bij de laagte neer, hoe langer hoe harder. Wij schrokken ons een ongeluk en wij draafden naar huis. Er stond toen een lantaarnpaal voor de kruidenierszaak van Babois. Daar reed de wagen pal bij langs en zo de Rien in. Die boer zeiden ze, stond er later bij te huilen, want er zat ook nog een mand met zeven kippen in..

Wij hadden natuurlijk als kinderen geen vermoeden dat zoiets mogelijk was. Maar geknepen dat wij hem hebben! En moeder je maar bang maken met, "Straks komt politie Venema, je halen en dan ga je de bak in en krijg je roggebrood te eten met spijkers en groene zeep erop". Ik was toch al zo bang voor Venema, want een tijdje eerder had ik een klap van zijn rotanstok gehad op mijn billen dat ik kon veertien dagen niet op mijn kont zitten.

Voor 'Sake de Rus' was hij doodsbenauwd.... Er reed toen nog een postkoets, naar de buitendorpen, er was achter een opstapje.
Ik kwam uit de bewaarschool en moest naar de Schans en dacht mooi mee te rijden, met voornoemd gevolg. Nee, het moet daarna zijn geweest want het postkantoor was in 1907 klaar gelijk met de gasfabriek. Voordien was het postkantoor naast de Lemster boekhandel en werd gedreven door Gebr. Pereboom. Ze waren tevens kleermaker, ook Van der Horst heeft er zijn kapperssalon gehad, ik ben aardig van de Markt afgedreven, maar tegenover Eilers zie je op de hoek de zadelmakerij van Bijlhout. Die kon zo mooi orgelspelen en op zomeravonden ging het raam omhoog en stonden er altijd mensen te luisteren. Dan komen we bij de coperatiewinkel "Excelsior", daarvoor woonde Boonstra er. Hij dreef daar zijn drogisterij. Op de tweede verdieping had hij wel 1000 paar klompen op rekken, die kon je zelf passen. Zijn vrouw heette Kaatje en was meen ik een zuster van Zeilmaker, Marten Folkerts de Vries, van de Polderdijk
>>>

 

De zadelmakerij van Bijlhout en de coperatiewinkel "Excelsior"

 

>>>Boonstra, heeft later een nieuwe zaak geopend aan de Schulpen naast Propsma. Daarnaast krijgen we een winkel ik meen me te herinneren dat Schotsman daar begonnen is. Wat later 'Schotmans bazar' werd bij de klip, daarna Noppert en later Sportcentrum Klaas Visser. Schotsman is toen naar Leeuwarden vertrokken, maar wat ik er van gehoord heb, had hij beter in Lemmer kunnen blijven. Toen kwam in die oude Schotsman winkel de slagerij van Koning, die uit de Schans kwam en later de slagerij kocht van Dooitzen de Jong, op de hoek van de Gedempte Gracht. Koning had twee zoons, Harmen en Andries en een dochter Jansje die bij mij in de klas zat. Harmen is als zo velen in Lemmer en daarbuiten bezweken aan de Spaanse griep na de eerste wereld oorlog.

Dooitzen de Jong, kocht de mooie slagerij van Gebr. van der Woude aan de Langestreek. De slagerij die Koning verliet, werd overgenomen door Koopmans die jaren later naar de bekende Villa Nova ging en weer boer werd. Zoon Jan had later een slagerij aan de Nieuwburen.

Dan krijgen we de ingang naar het Achterom en komen we bij bakker Haveman, daar zijn geen veranderingen gebeurd. De zoon heeft de zaak voortgezet. Zijn broer Jannes, die jarenlang arts is geweest in Sint Nicolaasga kende ik beter. De oude Haveman zijn vrouw was, Marie de Boer van 'De Helling'.
>>>

 

De ingang naar het Achterom en bakker Haveman.

 

Foto waarschijnlijk in het Achterom genomen, waar ook de tuin van Haveman zich bevond. Links is Hennie Haveman te zien.

 

>>>Dan op de hoek bij de Rien waar nu het gemeentekantoor staat, was een grote kruidenierszaak annex grossierderij. Ik meen dat de eerste die ik daar gekend heb een van der Gaast of Gaastra was. Later Babois, die had een zoon die Piet heette. Er stond altijd zo'n groot beeld in de etalage in ouderwetse kleren en een gouden pijp in de mond.
Maar zoals Verbeek schrijft de "good old" Markt is er helaas niet meer.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Ingrijpende veranderingen in Lemmer 1886-1890.

Lange tijd zijn de waterwegen en de sluis in Lemmer voldoende geweest voor het scheepvaart verkeer, schepen veranderden niet veel. Hout was het materiaal dat beschikbaar was voor de scheepsbouw, de masten en het rondhout.
Tjalken, aken, sktsjes en beurtschepen bevoeren de Friese wateren en het vervoer ging voor het overgrote deel per schip.
De landwegen stelden niet veel voor en waren in het natte jaargetijde vrijwel onbegaanbaar. In de toenmalige buitenhaven van Lemmer kwamen en gingen de koffen en smakken en hoe de zeeschepen ook verder mogen heten. Uiteraard zal de sluis het druk gehad hebben met de schepen, die zowel op zee als binnen konden varen.

Uit mijn jeugd herinner ik me nog wel de brede tjalken met de robuuste ronde kop, de gestaagde mast en getaande zeilen.
Maar de moderne tijd diende zich aan. IJzeren schepen kwamen in de vaart en zelfs stoomboten. Het moest groter en sneller.
De Sluis was eigendom van het waterschap "De Lemstersluis". Het bestuur hiervan was een zelfstandig lichaam. Men kan zich wel voorstellen dat het moeizame onderhandelingen zijn geweest, die moesten leiden tot de bouw van een grote sluis en een betere vaarroute. Het Rijk, de Provincie Friesland, de gemeente Lemsterland, het waterschap "De Zeven Grietenijen en Stad Sloten" en het waterschap "De Lemstersluis" waren hierbij met belangen en eigendommen betrokken.
Verschillende plannen en mogelijkheden zijn ongetwijfeld overwogen, maar het is geworden zoals op het hierbij afgedrukte kaartje is weer gegeven. Een nieuwe sluis is gemaakt op 250 meter afstand van de oude met aansluitende havendammen. Het is een zogenaamde bajonetsluis, dit wil zeggen dat het bovenhoofd en het benedenhoofd niet recht tegenover elkaar liggen, maar iets verspringen.

Tekening van een bajonetsluis.



De doorvaart breedte van de sluis is 8 meter, lengte 50 meter, drempeldiepte 2,66 -NAP. Er zijn 5 stel deuren. Aan de zeezijde de stormvloeddeuren.

De hoogte hiervan sluit aan bij de hoogte van het bovenhoofd, 3,50 + NAP. Deze deuren moesten dicht als er op de Zuiderzee door springtij of door storm een hoge waterstand verwacht werd.
Verder is er het stel vloeddeuren voor schuttingen bij normale vloedstand, dus als het water op de Zuiderzee hoger was dan binnen. Maar het omgekeerde kan ook voorkomen.
Bij noordelijke en oostelijke wind wordt het water van de Friese meren naar het zuiden gestuwd en waait de Zuiderzee lager af. Dan is het water binnen hoger dan buiten, de normale vloeddeuren zouden vanzelf open waaien en door de snelle stroom was scheepvaart niet meer mogelijk. Daarom is ook nog een stel ebdeuren gemaakt. Ze doen dienst bij lage ebstand en als door andere oorzaken de waterstand binnen hoger is dan buiten.

Maar er vond ng een ingreep plaats. In het hart van de Lemmer werd de Markt doorgraven, Zodanig, dat de Lemsterrijn rechtstreeks verbinding kreeg met de gevormde binnenhaven. Hiervoor moesten een 10-tal gebouwen worden afgebroken.

De Gracht werd gedempt, evenals een aanwezige zijarm of inham tussen gemeentehuis en kerk konden verdwijnen en een nieuwe brug werd ten westen van die Markt gemaakt>>>

(noot Roelie: Dit was een gracht die liep tussen het gemeenthuis en de voormalige slagerij van Sjoukes door). De twee bruggen, bij de Korte streek en Nieuwburen (noot Roelie: Er lagen twee bruggen over, n in het verlengde van de Nieuwburen, en n vanaf de Kortestreek naar de Oudesluis oostzijde. Eerstgenoemde had in de volksmond de naam "Hottinga's Brge", de andere werd in de volksmond "Plug's brge" genoemd. Er moet een gravure van zijn van 1857, die zich bevind in de Oudheidskamer van Lemmer)

 

Zie ook

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 

 

Deze foto uit Lemmer dateert van omstreeks 1887, toen men begonnen was aan de nieuwe havenwerken met schutsluis enz. Hierdoor had in Lemmer zelf ook een radicale verandering plaats. Het is dus al een hele oude kiek en de kwaliteit heeft daar uiteraard onder geleden. De brug genoemd naar de draaier of "opwipper" uit die tijd, de Hottinga's-brge, was een schakel tussen de Nieuwburen, vanwaar de foto genomen is, en de Markt. De Rien (Vissersburen), liep rechtstreeks voorbij van het gemeentehuis naar het Dok. Daar lag de Plugs-brge, die hier niet opstaat. Tussen deze twee bruggen, lag wat nu Gedempte Gracht heet. De gracht en de drie panden, die men rechts op de foto ziet, zijn afgebroken. Er zijn nog meer panden onder de moker gevallen, maar die zijn hier niet zichtbaar.

 

Zouden dat deze panden kunnen zijn? het gaat hier om de auto lijndienst Lemmer- Heerenveen van Muurling, die zijn centrale punt op de Nieuwburen had...maar het kan ook Heerenveen zijn.

>>>Dit werd de Truitjezijlbrug genoemd, waaronder een keersluisdeur via een nieuwe kade ontstond en zo een verbinding tussen Nieuwburen en Gedempte Gracht enerzijds en Markt en Schans anderzijds vormde. De deuren van de Oude Sluis konden open blijven staan en zo was in 1890 de nieuwe vaarweg gereed. Men zal de verbetering geprezen hebben en het, scheepvaart verkeer werd nog meer dan voorheen een bron van bestaan voor Lemmer.

In de gevormde vluchthaven, ten oosten van de Nieuwe sluis, kwam bovendien een veilige ligplaats voor vissersschepen en vrachtschepen, afgeschermd van de Zuiderzee tot de oostelijke havendam. Aansluitend aan de sluis is een nieuwe zeewerende dijk gemaakt.
Tegelijkertijd is nog een ander punt bij deze werken betrokken, namelijk de afwatering van Friesland. Het overtollige regenwater kan men in herfst en winter maar moeilijk kwijt raken. Grote delen van het lage midden van Friesland, de zogenaamde "blannen" liepen onder en fungeerden als reserve waterberging. In het noorden van de provincie kon alleen bij Dokkumer Nieuwe Zijlen tijdens eb overtollig water gespuid worden. Langs de westkust kon dit door de sluizen in Harlingen, Makkum, Workum, Hindelopen, Molkwerom en Staveren. In het zuiden door Lemmer en Schoterzijl.

Reikhalzend werd in vroegere eeuwen door de boeren uitgezien naar noordoostelijke wind; dan kon het water weg en kwamen de landen droog! In Lemmer gaf dit tegenstrijdigheid van belangen. Als met flinke wind gespuid werd, veroorzaakte dat in de oude oude Sluiskolk zoveel stroom dat de schepen er niet meer in op konden komen. Daarom werd aan 't eindje van de Schans, waar nu de Riensluis is, een spuisluis gebouwd. Zie afdrukken: www.wetterskipfryslan.nl >>>

Lemmer in 1812.

>>>Brede schuiven konden daar opgetrokken worden om het water door te laten. Bij groot peilverschil kolkte het daar met groot geweld door. De scheepvaart had weinig last meer en kon doorgaan.
De nieuwe sluis met havendammen, eigenlijk gebouwd in het water van de Zuiderzee, de spuisluis en de doorgraving van de Markt waren werken van enorme omvang. Voor grondwerk waren er alleen schop en kruiwagen beschikbaar. De heipalen moesten met de trekhei in de grond worden geslagen.

Foto en tekst van HEIBEDRIJF VIS: Tegen de zestiende eeuw was de handhei verdrongen door de trekhei, die een veel grotere valhoogte mogelijk maakte en waarmee veel langere palen tot aan dieper gelegen, stabiele zandlagen de grond in konden worden gedreven. Een trekheistelling bestond uit drie schuin geplaatste houten palen die aan de bovenkant met touwen aan elkaar vast zaten. De middelste paal van de stelling werd het gladde been genoemd. Aan de ene kant van het gladde been stond het klossenbeen, de paal aan de andere kant werd het derde been genoemd. Het klossenbeen was voorzien van uitsteeksels zoals we die kennen van de houten stelten. Het klossenbeen fungeerde als een soort ladder waarlangs je omhoog kon klimmen als dat nodig was. Helemaal bovenin de stellage, op meer dan 15 meter hoogte, hing de rammelschijf. Over deze katrol liep een touw dat aan het ene uiteinde werd bevestigd aan het heiblok, dat langs twee verticale geleiders liep. Wel 40 mannen trokken aan het touw om het zware heiblok op te tillen en lieten het weer vallen. Omdat het met regelmaat moest gebeuren, zongen de mannen ritmische liederen.

Zetsteen, basalt en stortsteen, alles werd met groot vakmanschap door handkracht op zijn plaats gebracht. Het verdwijnen van de oude Lemster Markt, het verlies van vele historische gevels en het dempen van de Gracht waren de offers die gebracht zijn voor de economische ontwikkeling. Of deze offers terecht of onterecht, zijn geweest, daarover kunnen de meningen verschillen.
Het is echter wel, opmerkelijk dat van alle oude havenplaatsen aan deze kant van de Zuiderzee Lemmer de enige is die flink tot bloei is gekomen.

P. Beetsma.

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


't Hoekje

Ja, een merkwaardig huis. Het moet gebouwd zijn in de 18de eeuwen als bakkerij.
Niemand heeft ooit iets over een daar gevestigde bakkerij gehoord en toch moet deze daar geweest zijn. De beide in dit pand nog aanwezige bakkersovens moeten gelijk met het pand zijn gebouwd. Het bestaat niet dat men eerst het huis gebouwd heeft en naderhand daarin de ovens heeft aangebracht. Dan kun je beter het hele geval weer afbreken.

De zoldering, bestaande uit zware balken (thans bedekt door board) wijzen op hoge ouderdom. Had het huis een oud-Hollandse gevel (zoals bijv. het oude gebouw van de Friese Bank naast de Wildeman) dan zou ik het Hoekje in de 17de eeuw thuisbrengen. 't Hoekje heeft een dergelijke gevel niet gehad. Het staat op deze foto in een rij van huizen van eenzelfde (laat 18de eeuws) karakter, met het front naar de Schulpen en met de deur in het midden. Het zal dus wel uit de laatste helft van de 18de eeuw zijn. Daarop wijst zeer duidelijk de aanwezigheid van ornamenten in Franse stijl in de achterkamer. Toch zou het Hoekje wel ouder kunnen zijn, want het staat op zowat het hoogste punt van De Lemmer en dat is altijd bewoond geweest, zolang die bult daar heeft gestaan.

Bewoners:

1838: Siebe Broers Stellingwerf, koopman.

Sietse Douwes van Veen (1796-1867), gehuwd met Minke Rienks Sleeswijk. Hij was boterkoopman.

Douwe Sietses van Veen (1853-1892), gehuwd met Froukje Wouda. Ook hij was boterkoopman.

1892: L.R. Landmeter. Deze liet het huis verbouwen en vestigde daar een sigaren en tabakszaak, alsmede een boekhandel.

1905-1921: Mijn ouders (M. P. Kokje), Jacob Kokje, gehuwd met Trijntje Verbeek, namen woning en zaak van Landmeter over (alsmede zijn kat). In 1921 werden huis en zaak overgedaan aan de familie Zwart (de kat was toen al dood). Nog steeds woont aldaar mevrouw J. Zwart- de Vries en heeft daar later jarenlang een sigarenzaak gedreven.

Het huis stond voor de grote doorbraak van plusminus 1890 in een rij van ongeveer gelijksoortige betere woningen.
Twee van deze huizen bleven staan. Het eerste huis naast de steeg, dat in mijn tijd nog het huis van juffrouw Brandenburg werd genoemd en later Schotman's Bazar werd, en het onze, dat toen pas inderdaad op een hoek kwam te staan. Er bevond zich een vrij brede steeg tussen dit huis en het derde pand. Na de afbraak kwam de zijgevel (wie weet hoe lang had men naar een beetje licht gesnakt) geheel vrij en ontstond daar, na de verbouwing door de heer Landmeter, het aardige huis dat thans 't Hoekje wordt genoemd.
Wat ik tenslotte niet begrijp is, dat er blijkbaar nooit iemand is geweest (bijv. een bouwkundige) die eens is wezen kijken naar die ovenboel. Ik heb getracht daarover iets aan de weet te komen bij mevrouw Zwart (via de telefoon), maar zij bleek nog een stuk dover dan ik en we vonden het toen maar beter het gesprek (?) te beindigen.

Hier is het pand op drie zr oude opnames te zien.

M. P. Kokje.

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


De pan met snert en de zweetsok.

"stjerrend wier heite".

Pieter, toen ongeveer 17 jaar, moest die morgen in het begin van de jaren twintiger jaren vroeg op zijn werk zijn. Hij woonde in een steegje van de Beneden Schans. Via een klein stenen trapje kwam hij ook die morgen in de Schans en ging vervolgens door het smalle straatje, waar in die tijd op de hoek van de haven kapitein Vogelzang, van de nachtboot woonde. Pieter was eigenlijk te laat uit zijn nest gekropen. Dit was eveneens de rede dat hij slechts in haast een paar happen naar binnen had kunnen schrokken. Hij sloot de deur achter zich met een hongerig gevoel. Tot het middaguur is het dan voor een jonge vent een lange rek temeer omdat ze toen echt hard moesten aanpakken voor een paar centen.

Lemmer was nog in een dikke duisternis gehuld. De torenklok sloeg zes monotone slagen. Alleen in de winkel van Libbe Bouma, brandde een waggelend vlammetje van een olielampje. Korte hevige windvlagen joegen de regen door de verlaten en trieste straat. In de verte hoorde je alleen het gerammel van bussen op de wagen van een melkrijder. Vermoedelijk was Faber van 'De Wildeman' reeds onderweg naar zijn land achter het Eerste Brugje. Pieter huiverde in zijn vissersbuis en had het gevoel dat ook die grauwe morgen geen loper voor hem was uitgelegd.

Hij stond bekend als een fijne levenslustige jongen. Altijd met een grijns van oor tot oor op zijn guitige kop. In de voetballerij was hij een enthousiast speler en supporter. Hij had een bijnaam. Deze was verrassend toepasselijk door zijn commentaar op alles en nog wat. Hij was, zogezegd altijd duidelijk met een vlotte babbel aanwezig. Onlangs hoorde ik een verhaal over hem, wat ik in deze tijd naar buiten wil brengen, het was bijna onder het stof der tijden bedolven, lang geleden dus en typisch Lemmer van toen.

Zoals ik al vertelde was hij hongerig van huis gegaan. De klok had dan ook nauwelijks twaalf slagen laten horen en over de Lemmer klinkende fluit van 'De Houtmolen' was nog niet koud of onze Pieter was reeds in hoog tempo naar huis onderweg. Al in de omgeving van hun woonhuis kwam hem via een welwillende windvlaag een verrukkelijke geur van snert tegemoet, waardoor zijn eetlust nogmaals werd opgejaagd. Zijn moeder bleek niet thuis te zijn. Hij ontdekte echter dat bij de buren de deur uitnodigend open stond. Dat kon overal zonder bezwaar.

Want er werd niet op de manier van heden als de raven van alles bij elkaar gejat door een stelletje ongeregeld, groepen die heel zacht uitgedrukt ernstig lijdend zijn aan een gestoord normbesef. Pieter ontwaarde bij de buren ook niemand, maar wel de bron van de geur die voor hem zo'n aantrekkingskracht had. Als de gesmeerde bliksem keek hij onder de deksel van een pan waarvan de inhoud op het vuur stond te pruttelen. Hij had het gevoel dat zijn honger nog intenser werd toen hij in die pan ook nog een vette kluif ontdekte, die door aanbranding al een beetje zwart begon te worden. Geen nood snel griste hij de kluif eruit en brandde zijn vingers.

Maar dit was voor hem geen reden de kluif op zijn rechtmatige plaats terug te leggen. In plaats daarvan greep hij in zijn opwinding een bij de deur hangende zwarte sok die bijna stijf van het zweet stond, deponeerde deze in de pan, en verdween als een schichtige haas met zijn zo begeerde hap. Nadat het tumult over het geheimzinnige later was geluwd zat buurvrouw ijverig aan een zwarte sok te breien. Aan n exemplaar had haar man niets.

Het kwam niet in haar op dat Pieter, die goeie beste jongen de hand in het spel zou kunnen hebben. Zo'n gedachte lag geheel buiten haar verwachtingspatroon. Ze heeft zich nog lang afgevraagd hoe dit alles in hemelsnaam kon plaatsvinden. Toen veel later de ware toedracht uit de mouw kwam, klonk de gulle lach van de humor door de Schans en verspreidde zich op gevleugelde door het dorp van toen.

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 

De Benedenschans, met trapje.

 


De pas geverfde deurpost.


Onlangs stond de deur, die het verleden afsluit, weer even op een kier. Door de tocht dwarrelden enige beelden uit de jaren twintig over de drempel. Geholpen door Jan Wouda, zag ik hem ineens weer voor mij. Een jongeman klein van postuur, fel in dialoog praten als brugman en inderdaad ook een goede voordrager, o.a. van het schone lied "Ach moeder, ik kan je niet missen, het is hier zo stil om mij heen"....... Dit soort emoties oproepende dingen stonden hoog genoteerd.

 

"Moeder, ik kan je niet missen"


Moeder! Ik kan je niet missen
(Moeder, ik mis je zo)
t Is hier zo stil om me heen
k Voel hoe t geluk van mijn leven
Als sneeuw voor de zonne verdween
Moeder! Ik kan je niet missen
t Is hier zo leeg om me heen
Het brandt in mijn ogen, het bonst in mijn hart
Ach moeder, waarom ging je heen?


Hoe rijk was t in ons kleine huis
Bij t jubelen van jouw lach!
Mijn leven was vol zonneschijn
Als k jou maar vr me zag
En nu ooh, t lijkt een bange droom
Terwijl k de waarheid weet
Voor altijd ben je heengegaan
Mn God! Wat is dat wreed!


Moeder! Ik kan je niet missen
(Moeder, ik mis je zo)
t Is hier zo stil om me heen
k Voel hoe t geluk van mn leven
Als sneeuw voor de zonne verdween
Moeder! Ik kan je niet missen
t Is hier zo leeg om me heen
Het is of ik van mn verstand wordt beroofd!
Ach moeder, waarom ging je heen?

Te beluisteren op www.youtube.com


Inderdaad Jan Zandstra, beter bekend als Jan Ukkertsje, een van de bekende figuren van Lemmer uit die tijd. Jan kon echt fel zijn, als het politieke inzichten betrof, alleen leidde het niet tot echte hatelijkheid en elkaar voor rotte vis uitmaken. Links en rechts waren niet alleen op materile pijlers gebouwd. Een voorbeeld hiervan is Evert de Vries, die op zijn tachtigste verjaardag nog gebeld werd door Hidde de Blauw uit Delft, de zoon van Seerp de Blauw, bij wie Evert zo lang heeft gewerkt. Als je Jan bestreed kon je als in een operette zogenaamd van hem een schop krijgen. Zijn commentaar was vaak, "Jimme begripe der neat fan, jim hearre net bij it earme fiskersfolk" waarbij hij vergat dat de meeste vissers niet arm waren. Beslist niet. Overdrijven met een bepaald soort humor was een kenmerk van vele. Wie Jan en zijn maten kende, wist dat het jongens waren die door hun werk de woellende elementen van de rusteloze Zuiderzee in hun bloed voelden stromen. Zij hadden vaak een hard leven met grote risico's door storm regen en koude, voor zichzelf en hun materiaal.

Onderwijzers in Lemmer zeiden niet voor niets dat veel jonge jongens tot de moeilijkst bedwingbare leerlingen behoorde. Een van deze meesters had er inderdaad veel moeite mee, een magere vrijgezel die ergens op de Kortestreek in de kost was, en zich weinig met de dorpsgemeenschap bemoeide. We konden hem zonder veel moeite op de kast jagen. Hij was dan zo stom om steeds woedender te worden, raakte over zijn toeren en sloeg er dan in. Een paar potige jongens namen dat niet en sloegen terug. De daders en bijlopers moesten voor het hoofd van de school, de Heer Radersma, verschijnen en dan kregen we door zijn vlijmscherpe standjes best op onze donder, gevolgd door uren nablijven.

We vonden het allemaal maar heel onredelijk, te onnozel om in te zien dat je beter eerst je zelf had te onderzoeken in plaats van alle schuld aan de onderwijzer toe te schrijven. Veelsoortige dingen voltrokken zich destijds in Lemmer, meerdere zijn al in de krant genoemd. Zij pasten in de sfeer en de omkleding van het toenmalige dorp met zijn grenzen een honderd meter voorbij Spuisluis aan de oostkant en de Trambrug aan de westkant. De geboorte ervan ontstond in hoge mate mee door het rustig leefklimaat wat zo afwijkt van deze tijd.

Verder het grote verschil in communicatie met zelfs een omgeving van enkele kilometers verderop, sporadische informatie, veel minder geld voor alles zodat de gemiddelde mens zich veel minder kon permitteren en zich maar moest zien te redden en het ook deed. Zo herinner ik mij een verhaal van iemand die ook in de rondleiding van de jaren twintig past. Een populaire man. Eens moest hij onverwacht als leedaanzegger voor de bekende heer Faber invallen. Ondanks alle goede bedoelingen van de begrafenisvereniging was niet te voorzien wat zich toen voltrok. Ook onze invaller moest langs de deuren om een tekst voor te lezen waaruit bleek wie er overleden en wanneer de teraardebestelling zou plaatsvinden.

Hij moest daarvoor gebruik maken van een bestaand kostuum. Dit bleek hem echter een paar maten te groot te zijn, maar het kon niet anders de zwart geklede jas was te lang evenals de mouwen waarin zijn handen bijkans zoek waren, de broek sleepte aan de hielen iets, maar net te veel over de grond. De gebruikelijke hoge hoed (kachelpijp) leunde nonchalant naar achteren op zijn kop met krullig haar. Helemaal onderaan staken te grote schoenen uit de broekspijpen. Toen hij ergens opnieuw zijn tekst oplas merkte hij plotseling dat hij met zijn linker handschoen tegen een pas wit geverfde deurpost leunde.

Midden in zijn plechtige opdracht zweeg hij abrupt keek naar zijn zwarte handschoen die van zwart wit was geworden en veegde zonder erg de witte verfhand aan zijn deftig gestreepte broek af.....zijn missie even totaal vergetend, uitte hij tot ontsteltenis van de vrouw in de deur een paar krachttermen die wel totaal buiten de inhoud van zijn boodschap met de daarin vervatte hoop vielen. Hij merkte het echter onmiddellijk en bood met de pink op de naad van zijn broek zijn verontschuldiging aan, en maakte dat hij weg kwam.

De hier afgedrukte tekening is van onze vriend Albert Schirm, hij heeft met zijn talent in de loop van de tijd heel wat werk verricht. Ik vind het allemaal maar heel kunstig, want zelf kan ik met moeite een poppetje op papier krijgen. Omstreeks 1915 en later was het pand links op de tekening in gebruik bij C.J. de Jong, als winkel in koloniale waren, zoals dat toen genoemd werd.

 

Als jongetje deed ik er wel eens boodschappen wij woonden toen nog in de tweede Parkstraat. Het interieur vond ik geweldig, al die grote fraaie bussen met mooie afbeeldingen langs de kanten en veel losse artikelen in de bakken waaruit de waren met een grote houten lepel werden uit geschept. Om vervolgens per pond te worden verkocht. In de avond was de winkel verlicht met zwakke gas pitten met hun effect van beslotenheid en gemoedelijkheid. Ik hoop dat ieder ouder wordend mens de essentie uit zijn jeugd diep in zich voelt en mag beseffen dat de meest gewone dingen later de waardevolste blijken te zijn, omdat ze ergens iets wakker hebben gemaakt.........

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 

 

 


De risico's van het vissen en de orkaan op 25 september 1935.

Herinneringen van H. Bijma. De risico's van het vak.

Hendrik Bijma, weet er niet van, dat bij het vissen op de Zuiderzee ooit n Lemster verdronken is. Wel kan men zich voorvallen herinneren en ook uit de pers zijn daar voorbeelden van bekend, waarbij de goede afloop kantje boord was. En van de vroegste bronnen, waaruit een en ander over de risico's van het vak geput kan worden, is de Visscherij-Courant. Een goed voorbeeld daarvan is de verslaggeving rond het stormweer dat op vrijdag 6 mei 1910 over de Zuiderzee raasde. Vooral rond Urk kwamen velen in problemen en liet een Huizer het leven.

De volgende dag was het nog niet veel beter, zoals een verslaggever uit Lemmer berichtte. Bijna had hier zaterdag 7 mei de zee een offer geeischt. Daar het weer 's morgens te slecht was geweest om de netten te halen, zeilde de vloot in den middag uit. Toen de schuit van schipper Willem van der Bijl, een 15 minuten buiten de haven was, viel er weder een bui in en moest de halve fok gezet worden.
De knecht Klaas Bijlsma, wilde de ringen voor vast maken, doch viel daarbij achterover buiten boord. Men stond achterin klaar om hem te grijpen, doch hij kwam niet weder boven voor de aak al een eindje van hem afwas. Direct werden alle middelen in het werk gesteld. Men bemande de vlet, doch kon deze niet roeien, de vlet dreef harder weg dan de drenkeling zwemmen kon.

Toen met de aak erop af, doch deze weigerde. De fok werd weer gezet, het nog eens geprobeerd en ja, de aak ging door den wind.
Vlug naar de plaats des onheils, de drenkeling was niet meer te zien. Ja, daar zag men hem boven op de zee, vlug de boom klaar, hem die toegestoken; gelukkig hij was binnen boord. Het was een groot wonder, maar Bijlsma was een ontzettend goed zwemmer, dat was zijn geluk. Hij had met dat al.. toch in stormweer meer dan een half uur buiten boord gelegen.
Het is te Lemmer nog eens voorgekomen dat Gauke Leeuwke Bootsma, die uit de vlet viel, door deze na te zwemmen, zich het leven redde. De visschers zijn toch geraden wel te leeren zwemmen".

Een eveneens zeer zware noordwester overviel de zeevarenden op 17 december 1949. Wind uit deze hoek is in het noorden doorgaans nog krachtiger dan op de rest van het IJsselmeer. Hendrik Bijma was die dag met zijn,"spekbak" op zee en kan zich niet herinneren ooit eerder, nog later, zulk slecht weer te hebben meegemaakt.' "We kwamen uit Wieringen, hadden 's morgens de botnetten gehaald en toen was het al slecht weer: in buien de fok neer en dan voor 't kale rifzeil, zo ging dat. We zouden naar Medemblik, onderwijl deden we de vis uit en op het laatst kwam d'r zo'n lucht opzetten: je zag geen horizon meer. Ik dacht bij mezelf: "Dit heb ik nog nooit meegemaakt".

Deden de meest riskante situaties zich voor op zee, ook bij werkzaamheden in of rond de haven kon er iets mis gaan. Onderstaand berichtje uit Lemmer, opgenomen in de krant van 30 mei 1914, geeft daar een tweetal voorbeelden van.

"De knecht van B. .Poepjes had, terwijl hij bezig was met het tanen van netten, het ongeluk een deel der taan over zijn voeten te krijgen, waardoor hij onmogelijk zijn werk kon voortzetten". "Zaterdag l.l. tijdens een onweder sloeg de bliksem in de mast der schuit van H. ter Heide van
Kuinre, waardoor de splinters in het rond vlogen. Persoonlijke ongelukken kwamen echter niet voor"

Herinneringen van Willem Toering; 25 september 1935.

Een datum, die Willem Toering en met hem verschillende andere Lemsters, in het geheugen gegrift staat, is 25 september 1935.
"Ik was 15 jaar en het was het eerste jaar dat ik voor volle knecht moest staan. We gingen 's morgens uit Lemmer vandaan met een klein zuidoostelijk windje en d'r was een regentje. We zeilden zo met z'n allen een eindje zuidwest in en toen d'r an. We trokken zo west-over boven de Friesche wal langs tot een klein eindje van het Vrouwezand af en daar werd het helemaal stil. Zo ineens, uit het niets, schoot die wind uit naar het noordwesten en orkanen! Zijn we van daar helemaal voor de kale mast tot onder Schokland gekomen".

"Dat is het ergste weer geweest wat ik ooit meegemaakt heb. Je kon geen hand voor de ogen zien. Al het water waaide de zee uit! Twee keer zei vader: "Nou moet je zien of je ook wat ziet", want achterin zag je niets. Ik de plecht op en zou me omdraaien om wat te roepen in-de-wind-op. Maar ik kon geen geluid uitbrengen zo waaide het! We hebben, zo voor de wind af, twee keer een zee ingehad, die het deurtje opendrukte en zo het vooronder in liep. Dat is een kluit water hoor! Voordat je dat er weeruit hebt".

"We zouden Schokland in, maar dat haventje was in-de-wind en we konden nooit die motor aankrijgen, want die had onder water gezeten. Zijn we met een stuk of wat onder Schokland ten anker gekomen, de LE 16 ook. Die knecht had de fok niet goed vast gemaakt en toen ie op de wind kwam te liggen, was het zo in n keer: joets, die fok aan boven toe!. Het was twee klappen en een heel stuk sloeg d'r af. Toen met z'n beiden die fok naar beneden wroeten. Het heeft een uur of vier zo achter elkaar gestormd en we hebben die hele nacht daar gelegen".

Willem Toering weet van nog enkele Lemsters, hoe het hen tijdens het noodweer verging. De LE 88 van Henny Kingma z'n vader die zaten in het Lemster vaarwater. En ja, die vertrouwden het niet waar ze terecht zouden komen, dat die gooide de aak dwars en het anker overboord. Dat anker houdt - die aken hadden kettingen -en die aak zet de kop d'r in, dat toen dachten ze : "Hij komt nooit weer boven !"
Maar ja, toen ze n keer die zet gehad hadden, bleef ie zo op en neer rijen.
D'r was n Lemster, die was binnen de gasboei van de Steil Bank en die dacht: "Het anker overboord. Eind aan de mast en laat die kabel nou achter de bolder weggaan: de aak dwars en tjak, de kabel af! Die is geloof ik in De Kuinder terecht gekomen. En mijn jongste oom, met de botter van pake Jelle, die waren aan het halen onder de Afsluitdijk, bot-opper om 't zo maar es te zeggen. Ze konden geen gaffel krijgen en die zijn op verzuipen af in Workum gekomen.
>>>>

 

 

Foto van Jilling Kingma.


>>>>Herinneringen van Harrit Kingma; aan de orkaan.

Van de orkaan op 25 september 1935 heb ik het volgende gehoord. De vissers waren aan het dwarskuilen op paling. Na het halen van de kuil zijn er zeer weinig in Lemmer gekomen. En ervan was de LE 9 van Harrit Kingma, een prima houten zeeschip. Bij hem aan boord was toen Steven Ale Visser, een jonge sterke kerel, die jong is overleden. De LE 6 met aan boord Lubbert Coehoorn, zijn zoon Jilling, en Wiebren Hoekstra, die zelf een nieuwe schouw liet bouwen en zodoende bij Coehoorn aan boord was. De LE 6 is achter de Middelbuurt (Schokland) voor anker gegaan en zij hebben veel zand door de orkaan aan boord gekregen.

Foto van Jilling Kingma: Hier zien we op de rechterfoto, Hendrik, Harrit, Jilling en Wiebren Kingma.

Op deze plaats lag ook de LE 16 van Robijn de Jong, voor anker. Japie Kleis Visser, vluchtte helemaal naar de Ketel en is eerst als vermist opgegeven. Ook de LE 63 van Renze Hoekstra en Rikus Bootsma, werden door de orkaan overvallen en verder Obbe Poepjes en Meinze de Vries, die bij hem viste.
De LE 76 van Janus Coehoom kon de kuil niet aan boord krijgen en moest deze uiteindelijk losgooien en met veelwater in de botter kwamen ze in de haven van Schokland aan.
De LE 74 heeft het natuurgeweld in de haven van Urk afgewacht. De LE 64 van Rense Visser en LE 20 van Rienk Coehoorn, kwamen ten anker richting Kuinderse dam ter hoogte van de boerderij van Rinkema, die als landmerk door de vissers werd gebruikt even als die van Durk Everts in Gaasterland.

Als het zulk vliegend stormweer was of zoals toen zelfs een orkaan, dan restte slechts vluchten voor de wind. Dit waren enkele lotgevallen van de Lemster vissersvloot, die in die jaren vrij groot was. Voorbij, voorgoed voorbij, dichtte J. Bloem, toen griffier bij het kantongerecht.

De sleepboot van Duiker brengt tijdens stormwee een vrachtboot naar binnen. Op de achtergrond de botter van Date Kingma.

Zie ook de Lemstervloot

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


De vissersvloot van Lemmer van 1913 en later.

De laatste tijd heb ik nogal veel reacties gekregen van mensen, die mij hebben gevraagd of ik door wilde gaan met het schrijven over het oude Lemmer, graag wil ik aan dit verzoek voldoen en U mee nemen langs de haven als de vloot binnen ligt en we gaan zien waar ze allemaal een ligplaats hebben gekozen. Het geheel is een prachtig gezicht en ik kan het mij zo weer voor de geest halen.

We beginnen voorin de haven aan de "Gorring" (remming) daar liggen meestal de vissers die ver van de haven wonen, zoals Lykele Poepjes, oude Lykele of ook wel Lykele van Coba genoemd. Hij had een beetje buitenmodel botter, want die was niet aan de zuidkant gebouwd, maar in Joure, zijn vrouw Coba was een zuster van Siebe Zandstra, van de LE 89. De botter had de wijdse naam "Schn wiederein zal nooit de leste zijn" Lykele en Coba woonde op het Oare Ein. ● (Lyckele Poepjes, geboren op 4 juni 1874 te Delfstrahuizen. Gehuwd 24 jr op 15 juli 1898 te Lemsterland met Jacoba Zandstra, geboren op 12 juni 1877 te Lemsterland, Dochter van Geert Zandstra en Gepke de Rook.)

Jan van Bouke, met de LE 36 lag meestal ook aan de gorring. Jan kon onder de hoek lekker bekvechten, want hij ging overal tegenin. Ze hadden een groot gezin en woonden aan de Lijnbaan achter de openbare lagere school. Hun oudste zoon was Age en de jongste was Henny en ik meen dat hij de enigste is die nog leeft en hij moet nu 79 jaar zijn. De drie broers Uilke, Anne, en Henny hebben later samen op de LE 95 gevist.

Johannes Poepjes, met de LE 57 en zijn broer Pieter, lagen meestal ook voorin de haven en zij woonden aan de Lijnbaan en de Nieuwedijk. Pieter had de LE 39 dat was een houten aak, welke in 1898 in Joure gebouwd is en het is de enige houten aak, die nu nog als jacht vaart. De heer Adrianus Kok, uit Muiden heeft er zeven jaar aan gewerkt om er een jacht van te maken en hij is met nog zeven anderen platbodems naar Amerika geweest tijdens de feestelijkheden ter gelegenheid van het 200 jarig bestaan van de Verenigde Staten van Amerika.

LE 39- Zevija- in 1898 gebouwd door "Eeltjesbaes" gerestaureerd door A. Kok, te Huizen (1963-1970)

Nu komen we bij de LE 45 van Nicolaas (Nikkie) Visser. Nikkie was getrouwd met een vrouw, die in de wandel zwarte Foek, werd genoemd, wat betrekking had op de kleur van het haar. Voor zo'n bijnaam moest je rood of zwart, of wit haar hebben.

Nicolaas (Nikkie) Visser.

Een andere vaste klant daar aan de gorring was de LE 16 van Robijn de Jong, welke samen viste met zijn broer Obbe. Deze mensen woonden aan de Nieuwedijk. Robijn was de duiker van de vloot, Als er iets in het water was gevallen dook hij het meestal op want hij kon erg lang onder water blijven. ● (Robijn de Jong, geboren op 5 augustus 1884 te Lemmer, overleden op 24 september 1961 te Lemmer. Gehuwd met Fokje de Jong?, geboren op 7 januari 1887 te Lemmer, overleden op 1 april 1965 te Lemmer.)

Nu komen we bij de LE 17 van Sake Zandstra (oompje). Hij woonde op het eind. De bovenkant van zijn aak was altijd in het roze geverfd, appelbloesem noemden ze dat toen. Het was wel vreemd, ieder kon gaan liggen waar hij wou en toch had ieder zijn eigen stekkie, wel niet altijd op dezelfde plaats, maar altijd wel in de buurt. ● (Sake Zandstra, geboren op 20 mei 1862 te Lemmer, overleden op 27 februari 1931. Gehuwd op 11 oktober 1888 te Lemmer met Aaltje Post (Urker Aaltje), geboren op 17 maart 1866 te Urk, overleden op 19 oktober 1950 te Lemmer, dochter van Jan Post en Anna de Vries.)

Zo lag daar ook altijd de mooie aak van Dirk Coehoorn, de LE 23. Dirk Coehoorn, woonde ook aan de Nieuwedijk. Hij is al op 45 jarige leeftijd overleden en hij liet nog jonge kinderen na. Zijn oudste zonen Jan en Sjoerd hebben het bedrijf voortgezet. Jan is later naar de politie gegaan in Amsterdam en Sjoerd was in zijn hart ook geen vissersman. Later begon hij een garage op het eind van de Nieuwedijk en politieman Jan, kwam ook weer naar Lemmer terug. Hij vertelde dat de politieagenten meer door hun superieuren werden gepest dan door de Amsterdammers. (● Dirk. J. Coehoorn, geboren op 8 februari 1868 te Lemmer, overleden op 14 mei 1913 te Lemmer. Gehuwd met Aukje Siegersma, geboren op 25 juli 1868 te Lemmer.)

Nu gaan we langs de LE 89 van Siebe Zandstra, hij was vrijgezel en woonde met zijn moeder, oude Gepke (Gepke Jurjens Zandstra-de Rook) ook aan het eind. Siebe was een man, die altijd diepgaande gesprekken voerde. (● Siebe Zandstra, geboren op 2 maart 1871 te Lemmer, overleden op 17 augustus 1951 te Lemmer.)

Meestal lag de LE 54 van Rinze Hoekstra (Poedeltsje) naast hem. Hij had de aak overgenomen van Alle Fortuin. Ook de LE 18. van de vader van Rinze, lag hier meestal afgemeerd. Rinze woonde achter de Hervormde kerk op de hoek van de Lijnbaan. Zijn bejaarde zoon Roelof, woont met zijn vrouw nog in de Lemstervaart. (● Rinze Rinzes Hoekstra: geboren 20-06-1854 te Lemmer, overleden 21-06-1938 te Lemmer, gehuwd met Siebrigje de Vries, geboren 17-03-1855 te Lemmer, overleden 12-10-1939 te Lemsterland.)

Op onze tocht langs de boten in de ouder Lemster haven komen we nu langs Hendrik Thijsseling (Tijsseling), met zijn LE 46. Hij was een van de twee katholieke vissers uit deze plaats en hij was goed van de tongriem gesneden. Ik heb hem eens horen zeggen, ik praat net zo gemakkelijk met de burgermeester, als met een minister. Hij is een tijd lang voorzitter geweest van de visserijvereniging. Hij had altijd een sigaar in de brand en woonde in de Tuinstraat.

Het bestuur van 'De Zevenwolden' poseert voor de fotograaf in 1923. Boven, v.l.n.r.: K. Nauta, Jurjen de Rook. Tjebbe de Jager, Lijkle Poepjes en Hendrik Tijsseling. Onder, v.l.n.r.: Jurjen Pen, H. Schotsman, Dirk de Boer en Sjeerp de Blaauw.


In de Tuinstraat woonde meer vissers, o.a ome Jouke Bootsma, met tante Pietsje, volgens mij op nummer 1. Hij viste met de LE 44 , voordien was dat het nummer van de snelle zeiler van Andries Scheffer. Zoon Sake heeft nog lang op de boot gewoond. Hij had een mooie IJsselmeer kotter laten bouwen, welke ook onder nummer LE 44 voer. Later is hij samen met een compagnon op de Noordzee gaan vissen en hij heeft een mooi kottertje aan Jan Fleer verkocht, welke er nu nog mee vist.

Naast hem woonde Gauke Bootsma, met zijn vrouw Antje Vlig, zij had heel donkere ogen. Gauke voer op de LE 66 en had als bijnaam 'De Pekel'. Zijn zoon Poppe zat bij mij in de klas en voor zover ik weet woont hij nog in Lemmer. Ook Hendrik Thijsseling heeft in het huis van Bootsma gewoond, maar of dit eerder of later is geweest is me ontschoten. Verder stond er in de Tuinstraat ook een huis met een gebroken dak. Hierin heeft Rienk Coehoorn, gewoond, eerder was dit huis ook al door Alle Fortuin, bewoond.




Achteraan links, Ellie Vlig, Albertje Bootsma, Henkie Bootsma, Tietje Bootsma, Gepke Bootsma, Antje Bootsma, Gauke Bootsma. Daaronder links, Zwaantje Bootsma, Antje Vlig, Gauke Bootsma, Jantje Bootsma en Poppe Bootsma.

Aan het andere eind van de Tuinstraat woonde ook een Visserman, namelijk Wouter Hoekstra, van de LE 63. De LE 63 was een aak die in 1904 in Joure was gebouwd. Zijn beide zonen Renze en Wiebe, hebben later ook met de aak gevist. In het huis in de Tuinstraat hebben later ook Hidde Koornstra en ome Frans Visser, gewoond. Het huis is al lang geleden afgebroken.

Frans Visser.

Bijna op het eind van de Nieuwedijk woonde Jelle Koornstra, welke viste met zijn botter LE 72. Zijn roepnaam was "Jelle van Betsje", hij was vader van een groot gezin. Hun oudste jongen was Klaas en de jongste noemde ze Adrianus. Ik ken ze allemaal nog. Later zijn ze uit De Lemmer weggegaan en in Makkum gaan wonen. Klaas Koornstra (dove Klaas) is al ver in de negentig en hij woont nog steeds in die plaats.

Kort voordat Jelle Koornstra, uit De Lemmer wegtrok, werd zijn jongste zoon Jelle, als voortvloeisel uit een ruzie, door Geert "Mels" Poepjes met een ansjovis anker, zwaar hoofdletsel toegebracht. De jongen is later aan de gevolgen overleden, waarna de oudste terugkeerde naar De Lemmer. De oude Jelle en zijn zoon Adriaan visten daar verder met de botter LE 72 de andere zoons: Klaas "Blauwe" Jan (WON 28) en Sake bleven in Makkum.>>>

 

Vele namen uit dit artikel komen voor op deze schoolfoto:

De vijfde klas van de openbare lagere school te Lemmer (1925/1926) Bovenste rij v.l.n.r.: meester Oosten, Jurjen Poepjes, Andries de Vries, Jelle Koornstra, Jaap Zwart, Kleis Visser, Roelof Akkerman, Jacob Schippen, Lolke Vleeshouer en Albert Bloem.

Tweede rij: Aukje Stienstra, Trijntje Dijkstra, Clara Meijer, Afke Brandsma, Hendrikje Bootsma, Sjieuwke Dijkstra, Klaasje de Vries, Trijntje Verf, Anna Meester, Pietje Coehoorn, Froukje Bijlsma, Grietje Akkerman en Romke Visser.

Derde rij: Jan Kamminga, Alle Visser, Hendrik Sloothaak, Jan Bosma, Leeuwke Bootsma, Jan Duim, Sander Koehoorn, Reitze Lemstra en Bouke Kuipers.

Beneden: Jantje Hoekstra, Grietje Akkerman, Fetje Visser, Pietje Visser, Manus Wouda, Berend Gaasbeek en Ruurd Elzer.

>>> Van de Tuinstraat gaan we weer terug naar de haven en komen bij de LE 47 van Ro(a)uke Kuipers (Zwarte 'Swarte' Rauke) De LE 47 was een snelle aak. Als eerste had Kuipers zijn aak opgetuigd met een zijden jager, dat is een zeil wat men nu wel ballonfok zal noemen. Met het geringste zuchtje wind stond de zijden jager vol en bij een zeilwedstrijd bij mooi weer had Rouke altijd de eerste prijs. Rouke was een eenzelvig man, die altijd aan boord woonde. Een enkele keer zag je zijn vrouw Akke van Brug, (waar hij niet goed mee leefde, maar van scheiding geen sprake was) wel eens op de haven om wat centen op te halen.

Midden-voor is Rauke Kuipers, met zijn broers Tjalling en Bouke Kuipers.

Ook voorin de haven was de mooie aak van Jilling Kingma, de LE 88, dezewas in 1913 bij de Gebr de Boer, gebouwd en was de beste zeiler, als ze met de hele vloot een uur over dezelfde boeg hadden gelegen, lagen ze altijd hoog in de wind. Ging men dan overstag of ree dan waren ze altijd voor op hun concurrenten.

Renze, was als de oudste, de schipper. Dit was vroeger een ongeschreven wet. Verder waren zijn broers Roelof, Wouter, en Tjalling aan boord. Het waren eerste klas visserslui, welke de hele week keihard werkten, en zaterdag om twee uur moest alles aan kant zijn.

Broer Harriet was de schipper van de LE 9 en hij heeft jarenlang Klaas (?) Vlig als knecht aan boord gehad. Ook ruilde de broers wel eens van bemanningslid met de LE 88.

Jilling, had in 1904 of 1905 een nieuw huis laten bouwen in de Schans naast Rippen. Renze is erg oud geworden en hij heeft 43 jaar bij zijn zuster Bet en zwager Lubbert Coehoorn van de LE 3 ingewoond. Ze hebben aan de Weverswal gewoond waar nu ongeveer de Rabobank staat. In dat huis woonde voorheen veekoopman Blok en zijn zoon Jozef en dochter Saartje, die in de oorlog om het leven zijn gekomen. Er zat een koperen bel aan de deur. In die jaren een teken van een zekere welstand.

-Zie ook: Henny Kingma

-En: Oude vissers families en Jilling Kingma.

De LE 2 van Teade Wouda, (Lytse Teade) lag meestal ook in deze buurt. De aak had een mooie naam "Het is mei sizzen net te dwaan" Teade Wouda was na het ansjoopvissen altijd met zijn zoon Johannes aan het zijdenetten. Lytse Teade was voor zijn tijd een belezen man, en hij is ook voorzitter geweest van de vissersvereniging, deze functie had men in de regel niet lang, want geen mens deed het goed.

1906: De redders van vier opvarenden beloond.

 

Teade Wouda, die vroeger in de Lemsterkrant schreef was zijn kleinzoon.

Wat meer in het midden belanden we bij de LE 3. van Lubbert Coehoorn, die we al eerder tegen kwamen, zijn aak een mooi schip hete "Presto" wat naar muziek wees, waar hij een echte liefhebber van was. Het was een erg aardige man die men zelden of nooit kwaad zag.

Ook de LE 28 van Willem van der Bijl, was daar altijd te vinden, zijn bijnaam was 'Bleke Willem'. Zijn zoon Abe was zijn knecht. Voordien was hij binnenschipper in Idskenhuizen, zijn aak de "Eersteling" is bij de Gebr de Boer gebouwd. Het was niet moeders mooiste maar wel een goed zeeschip, dat altijd lichtgroen in de verf was, ze woonden in het Achterom, achter het zwarte hek.

 

Willem van der Bijl en echtgenote.

Naast hem woonde toen Auke Bakker, van de LE 6 met zijn vrouw Clara en hun vijf zonen en twee dochters, ze waren toen allemaal nog in huis. Het was een muzikale familie, want drie zonen waren bij de muziek. Ook weet ik nog met wie alle kinderen getrouwd zijn, maar als ik dat allemaal neer schrijf, zit ik hier wel tot eind van het jaar. Hun schip de LE 6 is nu in handen van Schirm, het is een mooi schip.

www.lemsternijs.nl

Gerrit Blaauw, was ook een klant van het midden. Hij had een mooie 45 voets aak, die nu in handen is van Stofberg uit Leimuiden. Hij komt in Medemblik wel eens in de haven. De vrouw van Gerrit Blaauw, kwam meen ik uit Wolvega en ze woonden aan de Vissersburen. Gerrit was een goede vissersman, die zijn deel wel kon vangen, en hij kon zijn woordje ook wel voeren.

Gerrit de Blaauw.

Andries Scheffer, met de snelle zeiler LE 44 was daar vaak te vinden. Hij viste niet altijd, maar haalde ook wel appels enz, voor zijn moeder Eike Scheffer, uit de Schans. Ze gingen dan met de boot de IJssel op naar Olst en Wijhe, in die jaren een fruitstreek. Andries woonde in die tijd met zijn vrouw Anna van der Bijl, achter Pieters Antsje. (● Andries Scheffer, geboren op 23 april 1883 te Lemmer, overleden op 21 juni 1956 te Lemmer. Gehuwd op 14 december 1911 te Lemmer met, Antje Geerts van der Bijl, geboren op 3 augustus 1885 te Lemmer, overleden op 23 augustus 1960 te Lemmer.)

Dan kreeg je oostelijker in het midden van de haven de LE 8 te zien, alsook de LE 65. Die waren van Jan Blaauw. Ze woonden in de Schans naast Bondiettie. Jan Blaauw had eerst een grote aak van 50 voet, veel te groot voor Lemmer. Als ik mij goed herinner is deze aak in 1908 verkocht aan de Urker Lub Bakker. Hiervoor in de plek kwam de 45 voets aak LE 8. De LE 65 was een houten aak, die ze al hadden. Alle aken waren gebouwd door de Gebr de Boer. Jan had 9 kinderen. (●
Roely Bos-de Blaauw, verteld: De eerste vrouw van Jan de Blaauw (*17-11-1851, + 01-04-1932, X 03-06-1877) was Deeltje Wagter (*07-4-1849, + 25-12-1882), zij kregen vier zoons (waarvan Gerrit en Andries een tweeling was) en twee dochters, ook een tweeling. Deeltje stierf in het kraambed van jongste zoon Deelus (+11-01-1908), en de dochters zijn slechts enkele maanden oud geworden. Jan, Gerrit en Andries bleven in leven. Jan de Blaauw trouwde opnieuw op 14-05-1885, met Hielkje Meyer, zij kregen samen nog eens zes kinderen. De broer van Deeltje, Hendrik Wagter, trouwde met Annegje van Veen en kreeg dochter Jeltje, die in 1911 trouwde met mijn pake Gerrit, mijn pake en beppe waren dus volle neef en nicht.)

Andries was de schipper op de LE 8 met broer Lieuwe, Jan die schipper was op de LE 65. was nogal zwaar op de hand. Als ze de zee dicht willen gooien gaan ze hun gang maar, het is nu ook "Bidt en werk" terwijl hij nooit een kerk van binnen zag. Van de negen kinderen leeft de jongste dochter nog, ze woont in een bejaardenhuis in Purmerend en is 89 jaar. We zijn wel eens bij haar op bezoek geweest, toen leefde haar man Cornelis de Beer ook nog. Ze komt ons nog wel eens opzoeken met een van haar beide dochters die in Amsterdam wonen, waar ze voordien zelf ook woonde.

Dan zien we de mooie houten aak liggen de LE 50 van Hidde Koornstra, (Hidde Fetsje) ze woonden in de Schans met hun zes zonen en hun dochter als ik het goed heb. Later woonde Piet Blaauw daar, later ging de aak naar de Familie Bootsma en kreeg Hidde een botter. En nog later zijn ze naar Harlingen en Dokkum vertrokken. Je hoort wel eens zeggen dat Den Haag de weduwe van Oostindi is, dat is Makkum van Lemmer.

Juni 1954. Op de haven voor de afslag zijn deze mannen bezig met het inzouten van de vis. V.l.n.r. Sake Koornstra, Joost Siemonsma, Dorus en Hidde Koornstra, Jan Visser, Wybren Rinia, Willem Visser en de jongen op de voorgrond is Arend Hzn. Poepjes.

 Nu beginnen we met het streekje daarachter waar Johannes Visser, lag met de LE 12 (Johannes van Hansje). Hij was getrouwd met Rees van Hielk. Hun achternaam hoorde je nooit. Maar het zal wel 'Zeldenthuis' zijn geweest, want ze hadden een Wieberen, zoals Siemen en Anna en Jansje van Hielk ook een Wieberen hadden>>>

Omschrijving van Evert de Vries: Een opname van de LE 12, 'De Hoop', van Johannes Visser. De aak ligt hier in de oude haven met de noodwoningen op de achtergrond. Hier, vlak voor de hang van De Rook, is men druk aan het pluizen met een vracht ansjovis. Helemaal rechts van de aak zit Johannes Visser, zelf. Aan de andere kant van het roer staat zijn zoon Heiko (met hoed) zijn dochter Hielkje en daartussen zijn zoon Wiep.

>>>De LE 12 was een grote aak en de schipper Johannes Visser, een goede visserman. Daarbij was hij ook nog een aardige man, die altijd een manchester vest over zijn trui droeg. Toen ik drie jaar was zei ik al ome Johannes, ze woonden toen in de Schans en hadden ook een soort winkeltje. Als ik dan bij hem was zei hij "Zoon zullen we een reepje nemen" en dan pakte hij zijn potfles waar Bensdorp repen in zaten en brak er twee af. Er zat ook altijd handel in Johannes, toen ze later op de Vissersburen woonden hadden ze daar een viswinkeltje.

Nadien kwam Rienk Coehoorn van de LE 20 daar te wonen met zijn vrouw Lubkje. Rienk was de trombonist van Excelsior. Toen zijn zonen Jan en Schelte, groot genoeg waren zijn ze knecht bij hem geworden. Zij zijn later ook naar de Vissersburen gegaan. Daar kwamen ze naast ons te wonen, vader Hermanus Wouda (Manus en Mette) van de LE 57 met zijn zes zonen, waarvan ondergetekende de oudste was. In 1928 is het hele gezin naar Medemblik gegaan. Wij woonden er toen al een jaar.

Rienk Coehoorn.

1964: R. Coehoorn 66 jaar in het corps.

RIENK COEHOORN van Lemmer, hoopt aanstaande maandag tachtig jaar te worden. Dat is een hoge, maar in dit goede land geen uitzonderlijk hoge leeftijd. Uitzonderlijk aan deze oud-visserman is echter, dat hij nog altijd werkend lid is van de muziekvereniging Excelsior". Als it muzyk troch de buorren giet" blaast de kleine, witte krullekop nog altijd kwiek lopend zijn partij dapper mee.

Hij bespeelt nu de tweede trombone. Dr hak it hwat makliker mei", zegt deze altijd goed gehumeurde jeugdige bejaarde. Lang heeft hij de eerste trombone gehad. Daarvoor heeft hij de saxofoon en de klarinet bespeeld en hij is begonnen met de kleine trom. Dat is al dik 66 jaar geleden. Toen hij zestig jaar werkend lid van Excelsior" was, werd hij begiftigd met de zilveren eremedaille, die verbonden is aan de Orde van Oranje Nassau. Toen werd gezegd, dat hij n van de oudste corpsmuzikanten van Nederland was en nu kan wel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden aangenomen, dat hij de oudste corpsblazer van het land is. Hij zal in elk geval de muzikant zijn met de langste staat van dienst.

Ik blaes sa lang Ik kin", zegt Rienk Coehoorn, die op de repetities altijd eerst aanwezig is en thuis zondags vroeg in de morgen ook geregeld oefent.

Dan kwam Siebe Kooistra (Siebe Wiets) met zijn aak LE 37. In tegenstelling tot de buurman had Siebe vijf dochters en n zoon, Huite. Siebe was een rustige man, die oorspronkelijk binnenvisser was geweest. Later zijn zij ook aan de Vissersburen gaan wonen.

De Vissersburen.

Als we het streekje verder af gaan komen we bij ome Lykele (zwarte Lykele) Poepjes en tante Jansje Wouda, zij is een zuster van mijn vader (zus van Manus van de LE 27) en is nu 99 jaar. Ome Lykele had in 1913 de botter LE 27 van mijn vader overgenomen. (LE 27: (Eerder LE 101) Eigenaar: Hermanus (Manus) Wouda.) Ome Teade die altijd bij mijn vader had gevaren, had eerste keus, maar hij dorst de stap niet te wagen. Naast ome Lykele woonde in die jaren havenmeester Rein Kool.

1914.

Oostelijk van het midden lag toen Janus Coehoorn. Zijn vrouw was Jansje van Hielk (Jantje Seldenthuis). Het nummer van zijn aak was LE 76. Janus lachte veel, wat op een goed humeur duidt. Hij had drie zoons en twee dochters, ze woonden in de Schans met een steeg tussen nettenhandelaar Jan Pen, later Libbe Bouma. (● Janus Coehoorn, geboren op 13 februari 1881 te Lemmer, overleden op 11 april 1949 te Lemmer.)

Dan lagen wat meer naar de bom, waarin een grote taanketel, de LE 42 van Andries de Jong. Hij woonde met zijn vrouw Geesje in het Achterom en zij hadden geen kinderen. Andries had op een keer met zijn knecht Jan Wierda (Zwarte Jan), die nog jong was een leuke grap. Op een gegeven moment zei hij tegen Andries, je bent een beste kerel je smeert 10 keer boter op je brood, maar de elfde keer haal je alles er weer af. De omstanders lachten natuurlijk.

Opzij lag meestal ook de LE 73 van Sake Zandstra, een broer van Siebe. zijn vrouw was de bekende Urker Aaltsje. Sake was een zwakke man en zijn zoon Leeuwke, moest al jong als schipper optreden, Sake is niet oud geworden, maar Aaltje die altijd klaagde werd 84.

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Doorspelen, en safe over de plank.


Door het jaargetijde was de straat vanaf de Blokjesbrug naar de Langestreek, ook die zaterdagavond tegen negen uur, weer guur en vooral verlaten. Even voorbij de zaak van Gosse Wierda, direct rond de flauwe bocht, was in die tijd de ijzerhandel met aanverwante artikelen gevestigd van de heer Koksma. Ik kwam uit de kapperszaak van Booms op de Prinsessekade, waar de klanten zaterdags tot laat in de avond onder het mes werd genomen. Er werd hier heel wat afgepraat, gelogen en gezwetst, vaak onder aanvoering van Booms zelf, die precies wist hoe hij de geachte clientle moest aanpakken en bespelen om de gang er op een behoorlijke manier in te houden, terwijl hij er toch goed voor wist te zorgen dat de gemoederen niet werden verhit door politieke gesprekken, want dit paste hem niet in verband met zijn winkeltje vr de salon waar hij aan verschillende klanten regelmatig een hoeveelheid aan sigaren verkocht. Deze voorzichtigheid was niet ten onrechte, gelet op de diverse pluimage van zijn bezoekers.
>>>

Het pand geheel links is van Koksma.

>>>Op die bewuste avond was genoemde Koksma, eveneens aanwezig en door al het gepraat kwam hij laat thuis na reeds de gehele dag hard te hebben gewerkt. Dit nam evenwel niet weg dat de winkel als altijd moest worden schoongemaakt. Zo ging hij doodop en heel laat in zijn bed..vervolgens naar boven om met een lucifertje het gas in het licht om te zetten. Later werd dit door een uitvinding van de eeuw gemoderniseerd, door aangebrachte haken die met een lange stok op en neer konden worden bewogen, terwijl overdag het kousje alsjeblieft door middel van een kunstig waakvlammetje bleef branden een grote vooruitgang dus.

Ondanks de toen ook alom heersende enorme werkloosheid met een daarmede gepaard gaande armoede voor de velen, waarvan we heden geen idee hebben, was met de zojuist genoemde dingen nog wel eens iets te verdienen zulks in tegenstelling met het technologisch tijdperk wat heden aan de gang is en wat zoveel goed, eenvoudig werk heeft weggespoeld. En waar is het einde?. Zouden we inderdaad over deze ontwikkeling erg ongerust en zonder vertrouwen moeten zijn?.

In ieder geval was het zelfvertrouwen niet bijster groot van een schipper die destijds met een snikje aan de polderdijk in de Lemmer lag. Toen hij weer eens goed dronken over de loopplank aan boord trachten te kruipen, prevelde hij in zijn zwaar benevelde toestand iedere meter "Heer sta mij bij". Toen hij eindelijk "Vaste wal" op het schip onder de voeten had, slaakte hij een diepe zucht van verlichtingen riep "Naar boven" nu, Heer nu hoeft het niet meer. Het scheepje heeft hier niet lang gelegen, want als turfschipper moest hij zo de winter maar even de hakken liet zien, weer met spoed op reis om nieuwe voorraad op te halen. Zelfs tot in Drenthe, turf was in die tijd de belangrijkste brandstof.

Ik herinner mij dat er ook veel werd afgegraven, in het prachtige natuurgebied in de omgeving van Echten, Delfstrahuizen en verder oostwaarts. Wat de turf betreft ik heb heel wat aantallen van onze zolder gedragen om moeders turfbak die zo'n beetje scheef achter de kachel stond gevuld te houden. Voor bedtijd haalde zij de gloeiende kooltjes uit het vuur die vervolgens gedurende de nacht, zorgvuldig in de grote koperen doofpot werden bewaard om ze de volgende ochtend weer te kunnen gebruiken, voor het aanzetten van de kachel.

In huis kon niets bevriezen want waterleiding moest nog worden uitgevonden. Je kon alleen maar hopen op een volle regenwaterbak. Nog hoor ik als jongen boven op bed liggend de vertrouwde geluiden die van beneden kwamen, in verband met de winterse bezigheden. Het gaf een gevoel van intimiteit en veiligheid in de bedstede waar ik nog een tijd in geslapen heb. Mijn leeftijdgenoten weten wat ik bedoel. Naar boven ging je met een olielampje of een brandende kaars, allemaal dingen die passen in die tijd. Men vergeet het nooit, want het had iets van dat onzichtbare "iets" wat inderdaad heden door veel jongeren wordt aangevoeld. Maar zij hebben weer andere dingen die ook goed zijn, en waar zij veel als ze willen mee kunnen doen.

De sfeer van die tijd werd onlangs door onze vriend Evert de Vries, zo gevoelig getypeerd (hij lag destijds in een ziekenbarak, zie foto onder) toen hij Leeuwke citeerde "Leeuwke stapte in zijn roodbaaien overhemd over de vloer, hij wou naar zee, omdat hij in zijn koorts meende dat er een schip in nood zat en die mensen toch niet kon laten verdrinken" kijk daar was ook een facet van de Lemmer en precies iets voor de goedhartige Evert om het zich klaar te herinneren. In die tijd werden eveneens de kleine dingen meer gewaardeerd. In totaliteit was alles anders, er was bovendien van alles veel minder en daardoor de verleidingen. Op de mens van heden komt vl meer af door alles wat we oproepen.

 Terug naar Inhoudsopgave.

Op de arm is Evert de vries. Links: Moeder van Evert, Rechts: Leeuwke Bootsma en Ferdinand de Vries.

 


Een pijp tabak, verlet niet.

J.P. WIERSMA: Aldfaers Groun.

Het is een heel oud verhaal dat de pakes en beppes zich nog zullen herinneren uit de schoolboekjes van Terborg en Wiersinga, de boekjes die in 1894 verschenen en later nog een paar keer zijn herdrukt. De Heer J. Terborg, was jaren lang hoofd van de christelijke school te Wolvega, zijn collega Wiersinga, te Meppel. Laatst genoemde stierf in 1899 zeer onverwacht, Terborg is in Apeldoorn overleden. De beide schrijvers verzorgde ook kijkjes in onze geschiedenis, dat de oudere onder U zich wel zullen herinneren. Wij lazen het 40 jaar geleden, tenminste in de hoogste klassen.

De schrijver van 'Een pijp tabak verlet niet', was overigens de heer S. Vissering, hier volgt het:

Het was in de tijd, toen er nog geen spoorwegen waren en toen nog geen stoomboten in alle richtingen de oceaan doorploegden; de tijd vr 1830. In die dagen was De Lemmer een knooppunt van het verkeer tussen de noordelijke provincin en Holland, niet alleen voor het goederenvervoer, maar ook dat van de reizigers. De beurtschepen, die elke avond van Amsterdam afvoeren, brachten de passagiers in verschillende richtingen naar de overkant, maar de grote stroomreizigers ging over De Lemmer.

In het Lemster veerhuis.

Nu gebeurde het dan, dat op een zekere voorjaarsavond tegen zonsondergang een aantal passagiers, als naar gewoonte in het Lemster veerhuis te Amsterdam bijeen waren, om het sein tot aan boord te gaan af te wachten. De beurtman was al een uurtje geleden van de steiger naar buiten op stroom gehaald, dat is te zeggen, buiten de dubbele rij palen hier en daar, door openingen ter doorvaart afgebroken die toenmaals nog de binnenhaven van Amsterdam van het IJ afsloot. Die afsluiting had oudtijds gediend tot beveiliging van de stad voor een overval. Evenals de wallen en de poorten aan landzijde, en diende nu nog ten behoeve van de schatkist als middel tot wering van suiker en belaste artikelen.

's Nachts werden de open vakken door een zware drijvende balk, de boom genaamd, afgesloten. Het tijdstip van boomsluiten, dat afwisselde met het lengen en korten van dagen, werd een kwartier van te voren aangekondigd door het luiden van klokken van de oude kerktoren, wiens zware afgemeten tonen plechtig in de avondstilte klonken. Even vr boomsluiten werden dan de reizigers, die met verschillende beurtschepen wilden vertrekken, met hun bagage op zolderschuiten naar buiten aan boord gebracht. De beste gelegen verzamelplaats voor deze reizigers was het Lemster veerhuis.

Onder de passagiers, die op die bewuste avond voornemens waren met de Lemster beurtman te reizen, behoorde ook de eerzame Durk Diekema, van Sneek. Hij was een man van goede doen, goud en zilversmid van zijn ambacht door en door kundig in zijn vak, eerlijk als het edelmetaal zelf, dat hij verwerkte. Hij was naar Amsterdam geweest om wat gouden Willems en Ducaten in te slaan als grondstof voor zijn bedrijf en toog nu met den rijken buit in zijn fulpen reiszak naar huis. Hij was gezellig en vrolijk van aard en hield wel van een grapje, onverstoorbaar kalm in zijn doen, leuk en daarbij als vele Friezen wat stijfkoppig, Hij had nooit haast. 'n Liefhebber van roken, hij had tot zinspreuk. "Een pijp tabak verlet niet"!.

Zo zat hij nu dan ook, temidden van zijn meer bewegelijke en roerige reisgenoten, aan een tafeltje rustig het sein af te wachten, tot de aftocht. Haalde zijn zilveren tabakdoos nog eens uit de borstzak, en stopte een verse pijp. Hoe is het Durk - oom, voegde een der vrienden hem toe, steekt ge nog eens op?. Denkt ge hier te blijven banken?. Een pijp tabak verlet niet Wiebe, was het antwoord en de pijp werd aan het komfoortje aangestoken.

Passagiers voor De Lemmer!

Passagiers voor De Lemmer! Klonk het door de gelachkamer en de haastigen stormden naar buiten. Maar de waarschuwing zou nog tweemaal herhaald worden, en de bedaardsten bleven daarom nog achter. Diekema, zat aan zijn tafeltje en zag de drukte aan. Passagiers voor de Lemmer! klonk het voor de tweedemaal en het hoopje achterblijvers werd al kleiner. Diekema bleef rustig doorroken, alsof het hem niet aanging. Nu wordt het toch zoetjes aan tijd mijnheer Diekema, zei de schoolmeester van Scharnegoutum, die ook mee moest. Een pijp tabak verlet niet meester! was het antwoord.

Ten derde malen werd de waarschuwing vernomen, Nog passagiers voor De Lemmer? en ook de laatsten verlieten het lokaal, moet mijnheer niet mee? vroeg de buffetjuffrouw 't zal nu toch haast tijd worden. Een pijp tabak verlet niet, Juffrouw. Als de pijp uit is ga ik opstappen. Eindelijk legde hij de uitgerookte pijp neer en zei: "ge'n avend saam!" nam zijn reiszak en zijn trommeltje met proviand op en stapte bedaard naar buiten. Maar toen hij aan de steiger kwam, was de zolderschuit reeds afgevaren en al half weg van de boom. Daar stond vader Diekema. Dat is me nog nooit overkomen sprak hij bij zich zelf.

Aan het eind van de steiger zag hij een Jol liggen, de vletterman zat op de roeibank, met een eindje pijp in de mond en de armen over elkaar, van het werk van de dag uit te rusten. Wacht eens dacht Diekema er is nog raad op. Heidaar vriend" riep hij, kun je me voor een goede fooi nog op de Lemster beurtman brengen?. De man keek eens op, keek eens rond, naar de schepen in de laag, die de zeilen al hadden opgehaald, naar de zon, die bijna de kim raakte, en zei dank je heerschap ik zou je er nog wel heen kunnen brengen, maar ik zou voor boomsluiten niet meer binnen kunnen zijn, en ik geef er de brui aan om de gehele nacht op het IJ te zwalken. Meteen stak hij de pijp weer in de mond, kruisten zijn armen en dutte weer in.

Die vent denkt ook een pijp tabak verlet niet, mompelde Diekema. Maar wat nu te doen? 't Is een gek geval, ik moet zo nodig thuis zijn en mijn vrouw zal ongerust worden. 't Is niet plezierig nog tot de volgende avond in Amsterdam rond te lopen. Wat hadden die kerels ook zo'n haast te maken. Met lodenschreden keerde hij van de steiger naar de wal terug, drentelde wat heen en weer, keek rechts en links. De voorbijgangers bleven al staan, wie Amsterdam kent weet hoe spoedig daar een standje vergadert. Zoekt meneer wat? Baas heb je je vrouw verloren? Zo hoorde hij zich toespreken. Wegwijzen, meneertje?. Kan ik een oordje an je verdienen Ome? wierp een straatjongen er tussen in. Het begon hem haast te benauwd te worden.

Dan viel zijn oog op iets, in de hoek die een brug met de wal maakte, lagen enkelen botters verscholen. Op een van die schuiten zag Diekema, dat de bemanning druk bezig was met de zeilen los te maken. H visserman ga je nog naar buiten, riep hij naar beneden. Ja koopman, waar ga je dan heen. Naar Urk als god het blieft, wil je mij naar De Lemmer brengen?, Ik heb er een paar Zeeuwen voor over. Goed! ik zal de schuit aan de steiger aanleggen, en stap dan maar gauw in. We kunnen er nog krek uit. Voor het eerst van zijn leven had Diekema haast, op een drafje liep hij naar het eind van de steiger en trippelde van ongeduld, toen de botter nog op zich liet wachten. Ze kwamen juist op tijd buiten, wel was de boom al uitgehaald maar nog niet aan de ketting gelegd. En voor uitgaande schepen waren de beambte's nog wel wat inschikkelijk.

Met een botter over.

Toen ze op het IJ goed en wel onderzeil waren, en Diekeman de visser zijn geval had uitgelegd, zagen zij in de vallende duisternis de beurtschepen een heel eind vooruit. Wel visser sprak Diekema, zou je die Lemsterman nog kunnen inhalen?. Dat zou wel kunnen lukken, koopman voorbij zeilen ook, als het de Here behaagt. Wat zeg je man? Zou je nog voor hem in De Lemmer kunnen zijn?. Weer en wind dienende, zou dat niet onmogelijk zijn. Kijk zolang wij onder de rook van de stad zijn, kunnen we met een handjevol zeil niet veel op schieten, maar straks komen we in de ruimte. En die dikbuik daarginder zal er last van krijgen, als hij op Pampus komt.. de eb loopt nog een uur af, en met laag water kan hij daar niet hard voort. Dan halen we hem vrijwel in. Vannacht op zee houden wij hem bij, en als de wind staan blijft, waar wel kans op is. Morgenochtend krijgen we in het val van Urk de vloed voor de boeg, hij zal meer moeiten hebben dan wij om tegen de stroom op te tornen en niet naar lagerwal af te drijven. Ook kunnen wij om Urk heen de koers wat scherper aanleggen, terwijl hij wat meer ruimte moet nemen, zo raken wij hem voorbij, en zijn een uur of ander halfuur eerder in De Lemmer.

Een plezierig tochtje had Diekema juist niet. Een nacht op zee in een open schuit, in het voorjaar met een straffe koelte, nu en dan een regenbuitje; was niet alles voor iemand die daar niet aan gewoon was. Wel had hij een bubbeldikke pijjekker aan en de schipper had hem in de kuil van de schuit een soort van slaapstee gemaakt met een paar lappen zeildoek, met een hoop netten als kussen, maar dit was toch anders als thuis in de warme bedstee op het donzen bed.

Na ruim zeven uur, stapte hij aan wal wandelde naar het logement verkwikte zich met een kommetje koffie, en een paar stevige boterhammen, stak toen een pijpje op en kuierde op zijn gemak naar het havenhoofd. Daar was het al vol volks, want de bevolking van De Lemmer verzuimde nooit 't schouwspel van de Amsterdammer beurtman telken dag opnieuw te genieten. Tegen een kwartier voor achten kwam het beurtschip binnen. Op het dek stonden de passagiers op een hoop.

Indien mijn ogen mij niet bedriegen, sprak de schoolmeester uit Scharnegoutum, dan zou ik zeggen dat daar de Heer Diekema onder het volk staat. Wa? Hoe? och kom! niet mogelijk riepen de anderen, die zich gedurende de reis niet weinig vermaakt hadden, met de teleurstelling, welke hij zich door zijn koppigheid bereid had. Wezenlijk hij is het en geen ander, kijk maar die langen pijp met 't zilverdendopje in de mond. En toen de vrienden langs de steile loopplank opstegen en hem met vragen bestormde, was het enige antwoord, dat zei vernamen "Ik heb het ommers wel zeid; "Een pijp tabak verlet niet"

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


En toen, o hemeltjelief.

Op de Oostdam, aan de rand van de Lemster haven, stond een betonnen badhuis, het baaihokje. Van hieruit daalde men langs een steile trap, met daaronder de blauwe keien van de dam, naar beneden om vervolgens via een stevige loopplank met aan weerzijden leuningen in de golven van de Zuiderzee te duiken. Het water was er al meteen vrij diep en stond ongeveer tot aan je middel, veel golfslag was niet nodig om te zorgen dat je kopje onderging. In deze omgeving speelde zich eens het volgende, vermakelijk toneel af: op een warme zomerdag met een kalme zee ging de heer D. met zijn vrouw naar de dam, daar zij een verfrissend bad wilde nemen in het toen nog puur zuivere zeewater. Gestoken in een badpak van moderne snit (wat zij zelf heel goed wist) begaf zij zich op haar manier elegant te water, tevreden gadegeslagen door haar echtgenoot en, tengevolge van het mooie weer, door wandelaars of andere baders.

1921

1936: DE EERSTE WERKZAAMHEDEN ... DE KOMENDE ZUIDERZEEWERKEN BIJ LEMMER zijn begonnen. Een gedeelte van den bestaanden Oosthavendam wordt opgebroken, waar straks de werkhaven aan de Friesche kust zal aansluiten.

1936

Toen mevrouw enige tijd had rond gesparteld en na een paar verrukte kreten weer eens als een zeemeermin naar boven kwam met haar dikke figuur, o hemel, schuurde haar fraaie badpak op een fatale plaats waardoor haar "privacy" in gevaar werd gebracht....Haar man zich niet alleen onmiddellijk bewust van de zich zo onverwacht manifesterende precaire situatie, maar vooral van de duidelijk genteresseerde blikken van de omstanders, schreeuwde uit alle macht, "Hand er voor....en langzaam hierheen kruipen....ik houd de handdoek gereed". In zijn zenuwachtigheid gooide hij ook nog een oude aangespoelde mand naar haar toe, maar deze bleek zonder bodem te zijn. Zodat deze redding's poging mislukte. De intussen dichterbij gestroomde omstanders lachten achter hun hand en veinsden misschien ook alsof ze weinig zagen, maar nog die zelfde avond was heel Lemmer op de hoogte. Een zeker portie leedvermaak was er niet vreemd aan omdat de slachtoffers bekend stonden als nogal dweperig ingetogen mensen.

Wie herinnert zich in Lemmer Tjeerd Knol, broer van bakker Jan Knol, die heel vroeger met zijn zaak en woonhuis aan de Kortestreek was gevestigd een paar huizen verder waar nu de Helling is...? Later woonde men in een herenhuis aan de Langestreek, wat nu meen ik leeg staat en in vervallen toestand verkeert. Het was een bekende familie in Lemmer. De zoon, de heer Atte Knol nu notaris in ruste, heeft enige jaren geleden zijn oude woonplaats weer opgezocht. Hij was een vriend van mijn vader en ging heel vaak met hem jagen en te vissen. Het waren in die tijd twee echte buitenmensen. Voor het jagen gingen ze met de T-Ford van Rinsma Sr, met slinger en houten richtingaanwijzers. Naar Gaasterland, de heer Knol zal zich ongetwijfeld oproeper 'Jan Visser' herinneren de man met de vele bijbaantjes waarover ik eerder heb geschreven. Hij was een prachtig type een echte ouderwetse Gaasterlander. Tjeerd Knol een vrijgezel met een blozend uiterlijk staat vooral in mijn gedachten door zijn opgewektheid waaraan een neutje op zijn tijd niet vreemd was.
>>>

Het pand links op de foto was van bakker Jan Knol.

>>>Hij was een verwoed sportvisser en je zag hem regelmatig op klompen in het visseizoen met zijn hengel op klompen door Lemmer lopen. Men kon de klok er op gelijk zetten zoals hij zich op vaste tijden naar de haven begaf. Zijn vaste stekjes waren meestal aan het remmingswerk langs de Westdam, achter de vuurtoren of op een eindje van de dam. Hier kon hij uren zitten en hij had zich de grote kunst verworven in het vangen van allerlei soorten vis. Hieronder bevond zich Geep: een slanke vis, zoiets als paling en met een lage bek. Deze vissoort zwom meestal in scholen in de Zuiderzee, zodat je heel wat boven water kon halen als je geluk had.

De hengelaar die beet kreeg zag zijn dobber met een ruk in de diepte verdwijnen van het half groene water, waarna hij met een forse slag de buit binnen moest trachten te halen. Knol bezat hierin goede bedrevenheid. Trouwens ook in het vertellen van sterke verhalen was hij niet achterlijk. Eens zo vertelde hij mij, viste hij in het binnenwater bij het strookanaal een eind voorbij de Mudserd, toen er in de verte een dreigende onweersbui op kwam zetten. De vogels werden als gewoonlijk onrustig en begonnen heen en weer te vliegen: de lucht betrok steeds meer. Er was duidelijk zoals we dat noemen "Een schip met zure appels opkomst" Men kan dit zich goed voorstellen en zelf ook weten, dat er dan vlak vr het onweer een typische sfeer aanwezig is, het wordt doodstil in de natuur en de wind gaat liggen. Het is alsof een onzichtbare kracht zich voorbereidt de ontlastende zich dreigend met donkere koppen boven de horizon verheffende bui op te vangen.

Een ademende frisheid van de ochtendschemering is direct weer volop in de atmosfeer, zodra de zon met haar glorie over de aan de hemelgetoverde regenboog op aarde stapt. Tjeerd vertelde verder ik dacht nu moet ik opschieten, want anders raak ik in een enorme bui want de eerste windvlagen joegen over het donkere water van het stroomkanaal. Het werd steeds donkerder. In de verte ruiste het water van de bui toen ik de riemen greep. Hoe hard ik ook roeide, de op het water rikkentikkende regen kwam steeds dichterbij maar ik kon door alle inzet van mijn krachten steeds een paar meter vr de kletterende bui blijven, en bij de Mudsert nog net op tijd op de wal springen alvorens het water bij bakken uit de hemel hoosde, gevolgd door enorme donderslagen en daaraan voorafgaande weerlichtflitsen. Ik was kurkdroog...en een tijdje toen de zon weer doorbrak ben ik teruggegaan om verder te vissen.

Polder Mudsert.

Misschien nog veel beter dan heden, het was in ieder geval vrij wat rustiger (Mr. Henk Luiking, met wie ik nu en dan zeilde zal het bevestigen. Hij woonde destijds op de Kortestreek in het herenhuis waar nu de familie nog woont. Onlangs zag ik zijn naam in deze krant in verband met een artikel over de Lemstersluis. In genoemd gebied heb ik vaak met een Lark gezworven zo'n platte boot waarmee je zelfs langs de kanten van de Brekken tussen het riet door kon varen om een rustig plekje te zoeken. Je zag inderdaad verder niets en behalve het ruisen van de wind door het riet en het geluid van de vogels hoorde je verder niets.

Het 2e huis van links, met het trapgeveltje, was het huis van de familie Luiking.

Jan Bosma, zoon van de machinist van de nachtboot, die destijds tegenover het Waaigat op de Nieuwedijk woonde. Weet ook ongetwijfeld waar ik over praat. Als bureauchef op een notariskantoor woont hij al jaren in Leeuwarden. Wij hebben elkaar in die tijd de loef trachten af te steken met hardzeilen en als heftige concurrenten elkaar dikwijls voor rotte vis uitgemaakt. Op die leeftijd nam je het niet zo precies, zeker niet in de Lemmer. In die tijd zag je ook iedere dag in dit gebied de Gebroeders van der Bijl, de beroepsvissers, met hun goede Friese boot. Zij hadden o.a. een dichtzet op de Zeilroede ongeveer een paar honderd meter voorbij het zgn. Siberi. Hier hing altijd een enorme stank in het bijzonder met zuidenwind. Het was de opslag voor afval en ook werden er de tonnetjes aangevoerd met het "Vlaggenschip" van de Gemeente Lemsterland.

Een grote praam die werd geschoven met lange bomen door twee mensen van de Reinigingsdienst. Een zwaar karwei en niet bepaalt het schoonste, maar niettemin moest het enige keren per week worden uitgevoerd. Het sluit aan wat Albert Schirm, mij onlangs vertelde omtrent n van deze mensen, in de volks mond toen aangeduid als de "Jiskeberen" die met behulp van een maat met de bekende tonnetjeswagen in hoog tempo over de Blokjesbrug reden. Dit was nodig omdat de brug uit twee gebogen delen bestond, zodat er in het midden spraken was van een lichte verhoging. Op het hoogste punt gekomen, gadegeslagen door de vaste klanten onder de hoek en met een hoeraatje als aanmoediging vloog er plotseling een scheut uit een van de goedgevulde tonnetjes en kwam precies op zijn hand terecht. Toen hij die soep wilde wegslaan sloeg hij hart met zijn hand tegen de rand van de wagen en stak hij in een onbewuste reactie, onder commentaar van de omstanders zijn pijnlijke vingers in zijn mond zonder iets te ruiken of te proeven. Alles went blijkbaar........

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


En weer schudde "De Wildeman"....


(3 augustus 1978 )

Het was ook deze zomer weer hoogtij in Lemmer- de feestelijke Friese vlag op de toren is al uit de verte te zien, tijdens de beide topdagen: Hotel de Wildeman, onder eminente leiding en met de uitstekende keuken van de familie Wienia, is met een bonte menigte afgeladen en gevuld met een orkaan van zang en jolijt, begeleid door de muzikant v.d Werf, uit Leeuwarden. Van den Berg, met zijn volledige lengte en stentorstem tornt voortdurend boven alles uit. Zijn vriendelijke begroeting doet altijd goed aan, jegens ieder die heeft ontdekt welk soort ontmoeting zich hier elk jaar voltrekt.

Het is een samenkomst van hl oude vrienden, waarvan ik slechts een paar kan noemen en omschrijven, daar anders teveel plaatsruimte in beslag wordt genomen: Clara en Trijnie Meijer, destijds lange tijd wonende op het Turfland, vergezeld van hun echtgenoten Ben en Haije; nota bene sprak ik ook met Eppie Bosma (met fraaie baard....) zoon van hofmeester Lou Bosma. Hij woont thans in Den Bosch en was vroeger procuratiehouder van de N.V.

Gosse Wierde; een paar zoons van Janus Coehoorn, Siemen en Rienk, de laatste met zijn charmante vrouw, nu wonende in Hoofddorp; de dochters van Lubbert Coehoorn, Greta en "grote" Pietje, die beide het Heiteln weer hebben opgezocht, de eerste in Lemmer in haar fraaie en gastvrije woning aan de Vissersburen en de tweede in IJlst, evenals "kleine" Pietje Coehoorn, gehuwd met oud Lemster Anne Hof, die we allebei ook nog aantroffen.

Laat ik niet de mannen van Greta en "grote" Pietje vergeten, waarop de door mij bedoelde gastvrijheid evenzeer van toepassing is. Er waren natuurlijk, zoals ik al zei, veel meer, maar het is nooit mogelijk met de beschrijving door te gaan. Ik mag echter n naam niet vergeten: Toen ik even bij de brug naar alle bonte verschijningen, zowel mensen als boten, stond te kijken, voelde ik een hand op mijn schouder en zei iemand met een Amerikaans accent: "Is dit Willem Rinsma?" Yes, indeed, en daar stond ik oog in oog met Atse Faber, van de vroegere Wildeman, die meer dan 40 jaar geleden- ik weet het nog best- naar de U.S.A. emigreerde. Hij zag zich de ogen uit het hoofd wat betreft het huidige Lemmer en hij verzuchte: "Als ik alles had geweten, had ik hier ook kunnen blijven, gezien alle verbeteringen waarvan wij destijds niet droomden en geen begrip hadden, maar wel wisten we dat we dag en nachts moesten werken, ook vaak als anderen vrij hadden".

Intussen galmde de zang en muziek nog steeds door de open deuren van een haast schuddend hotel De Wildeman. De klanken reflecteerden op de huizen van de Schulpen, zodat dat daardoor ook buiten de eigen Lemster feestsfeer werd verhoogd. Duidelijk klonk de bekende Zuiderzeeballade en het emotionele "werklozenlied" ... wat herinnert aan de liedjes van weleer. Mijn vrouw en kinderen nemen voor de zoveelste keer afscheid en gaan met Wiesje Knol, dochter van bakker Klaas Knol, destijds in de Schans (hij is 95 jaar! en woont in Bodegraven) naar onze auto's. Wiesje is getrouwd met de innemende Guus Dasoul en beide wonen eveneens in Bodegraven. Een laatste zwaai uit het portierraampje en Wiesje stuift de polder in om nog even in de oude omgeving rond te rijden. Tot volgend jaar.

 Terug naar Inhoudsopgave.


Heden en beeldflitsen uit de verte.


Uit Noordoostelijke richting nadert een bezoeker Lemmer en rijdt via de Nieuwburen, het dorp binnen naar de parkeerplaats tegenover het postkantoor. Hij stapt uit de wagen en vraagt zich af, hoe komt deze ruimte hier, wat is er allemaal rond de oude kerk afgebroken, welke stukken van de Lijnbaan zijn verdwenen, waar zich nu moderne winkels en op de andere hoek het fraaie complex van Zuid Friesland van de heren Lemstra is gevestigd? Heel wat anders dan vroeger bij het Lemster krantje met de geur van lood in hoge bakken, waaruit de zetters op schier navolgbare wijze pikten met boven hun hoofden een paar karige gaspitten.

Vervolgens loopt de bezoeker rond de kerk en komt plotseling vanuit de schaduw in het volle milde zonlicht van de nazomer op de Kortestreek, voorbij de groentehandel van mevrouw, Lemstra. Hij ziet verbaast om zich heen naar het ook nu nog wisselende schouwspel van luxe boten, die aan de streken zijn gemeerd en een vrolijk vertier en opgewekte sfeer meebrengen.

Detailfoto, waarop te lezen staat, dat toen W.A.F. Koopman nog in het pand zat.

Plaatsnemend op n van de aangebrachte uitnodigende banken, is er direct contact met een paar Lemsters, en de verhalen beginnen weer over vroeger, wat praten betekent over gebeurtenissen van een halve eeuw geleden. Johan Platte, komt er ook nog bij en herinnert aan een zware voetbalwedstrijd in Meppel in de trant van, weet je dit nog, weet je dat nog. Verder gaande langs de voormalige winkel van Zwart en Anna Bosma, de vroegere smederij van van Putten, de bakkerij van Jan Knol, de slagerij van Sake van de Bijl, nadert de bezoeker de brug waar destijds Zijlstra, de scepter zwaaide. Hij ziet zich weer als jongen op de toen nog smalle draaibrug staan waar hij op mocht passen als Zijlstra afwezig was, met als hoogte punt de brug alleen te mogen draaien: de hoogste eer die er bestond, vooral wanneer je het trof dat 'De Suup' in aantocht was.

Na Andries Bootsma, begroet te hebben, die kennelijk de hele zomer een vaste zetel heeft bij het brugwachtershuisje, richten de schreden zich door de Pottenbakkersteeg langs het ouderlijk huis naar de Tuinstraat (ik kon het niet laten om even over de schutting te kijken) om vervolgens te ontdekken dat deze straat en de kippenbuurt vrijwel geheel verdwenen waren.

De pijl op het plattegrondje, geeft het winkeltje van tante Leentje aan.

Het antieke winkeltje van tante Leentje, met de weegschaal e.o. stenen als gewichten voor het wegen van stroop, puur uit het vat...is allang toevertrouwd aan het stof der tijden, eveneens als het huis van Jurjen Bootsma, Eelke Rippen, Roel en Siemen Hoekstra die hier zolang met hun hardwerkende moeder hebben gewoond. Via de half afgebroken Nieuwendijk wordt de Schulpen bereikt met zijn bonte menigte vakantiegangers en "omstippers".

Ook hier weer boot na boot die de brug passeert. Welk een verschil met vroeger toen de bruggen alleen werden gedraaid voor vrachtverkeer met schippers die dag en nacht werkten voor hun boterham. Ik herinner mij de kleine brugwachter de Jong (vader van de zo jong gestorven Siebertje de Jong) die de brug naar de Schans bediende. Het verhaal gaat dat hij op zekere dag de kruk niet kon houden en daardoor met een grote boog -dus met de kruk mee- als een snoek in de haven schoot op een manier die Tarzan hem niet kon verbeteren.

Intussen dwaalt de blik over de Binnenhaven waar o.a. de Jan Nieveen lag, die waarachtig het oude nest weer heeft opgezocht. Onbewust verdwijnt ineens de huidige omgeving en werpt plotseling de "geheugenbank" beelden van weleer op het innerlijk oog: je ziet weer die blauwe rook over de huizen van de Schans, het Achterom en de Haven hangen. Enkele zeemeeuwen vissen krijsend in het half zoute water naar aas en verder is het stil, daar er anders in die tijd niets is te beleven. De zon weerspiegeld zich glanzend in het Havenwater. Een enkele visserman klost op klompen in de richting van de haven, waar de Rook's zich naar de afslag spoeden, nadat de bel heeft geluid ten teken dat er verse vis uit de Zuiderzee is aangevoerd.

De netten op de haven wapperen traag in de frisse zeebries: plotseling lopen uit de richting van de markt een paar blonde meisjes met blauwe schorten, die een grote waskorf met zich meedragen, om de was op de haven te hangen als toenmaals goede gewoonte alles in korte tijd droog in de kast te krijgen. Het zijn meisjes die ik goed ken. Zij wuiven een beetje verlegen en doen verder of zij niets zien....Dan verschijnt de omroeper Jan B. in het beeld en hij verkondigd met luide stem: "Hedenavond op de Schulpen afslag van levende schol, zegt het voort".

Alles met elkaar geeft een ietwat dromerig geheel en toch voltrekt het zich alsof filmbeelden worden vertoont. Even plotseling als ze zijn gekomen, lossen ze zich op.. en sta ik weer midden in de zomer van 1977 met alle geluiden van het verkeer en geroezemoes van stemmen. Het brengt opnieuw het besef dat verleden en heden n geheel vormen en daarom alles z'n betekenis heeft, waardoor het heden ook goed is en vooral wezenlijk niets verloren gaat, het goede nog het zogenaamde kwade.

Tegen 6 uur wordt het stiller in het dorp. Evert de Vries staat nog met zijn handel trouw op dezelfde plaats en is bezig met inpakken. Ik loop nog even bij hem langs en zie de verrassing in zijn goedige ogen. Gelukkig is zijn zoon zo vertelde hij mij, uitstekend van zijn ongeluk hersteld. In verband met de rondhangende jongens en hun dure brommers, herinnert mij aan de tijd dat hij iedere dag als jonge knaap om 4 uur opstond - moest opstaan om in de visserij wat te verdienen, maar ook tot niets doen was gedwongen, door gebrek aan werk. Dit betekende meteen over geen geld te kunnen beschikken. Men moet dit van dichtbij hebben meegemaakt om te begrijpen wat er soms in ouderen omgaat. De goede oude tijd had veel meer schaduwen dan het waarschijnlijk heeft voor verzamelaars van oude lampenpitjes enz. Niettemin was het voor vele een goede leertijd voor het geval het getij zich nog verder mocht keren.

Ik rijd langzaam langs de zelfde weg terug als gekomen nog even omziende ontwaar ik in de verte de contouren van de oude fraaie toren in het centrum en stel zonder nostalgie dat het karakter van Lemmer ondanks alles zijn typische kenmerken heeft bewaard.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Herinneringen.

Van A. Romkema, Jan Wouda e.a.

Het is prachtig zomerweer en ik parkeer mijn auto op het parkeerterrein tussen de Schans en Vissersburen, waar vroeger het Achterom was. Ik zet de motor af en zie vanuit de auto om mij heen. De achterkant van de Schans is nog bijna ongewijzigd. Opzij zie ik het nieuwe Gemeentekantoor, een groot kubusachtig geval, in mijn oog een vloekend geval met de gehele omgeving. En dan dwalen mijn gedachten zo'n zestig jaar terug en fotografisch en duidelijk zie ik het oude Achterom voor me.

Japie van Kleis, voor zijn huisje in het Achterom.

Japie van Kleis en Klaske zitten tegen het hek van het armenhuis op twee stoelen met biezenmatten te genieten van de zon. Ik groet hen en loop verder het Achterom in. Oude Friso staat bij zijn huis en praat met zijn witte duiven die koerend op het wit geverfde hok zitten aan de zijkant van de woning. Ik vind het maar vreemd dat een volwassen man tegen een paar duiven staat te praten, doch toen ik ouder werd begreep ik het des te beter. Oude Friso was voor zover mij bekend de eerste ijscoventer van Lemmer en zijn vaste standplaats was op de "Bakkershoek" voor de winkel van Molenberg (toen Speijer).

Rechts het pand van Speijer, later Molenberg.

Nog zie ik hoe hij met bevende handje een ijsco van 2 cent overhandigde. Voorts handelde hij wel in sinaasappelen en had verder een nogal brede handkar waarop allerlei lappen lagen uitgestald. Op een kwade dag had een kwajongen al zijn duiven gekortwiekt, waardoor ze niet meer konden vliegen. Als de dag van gisteren hoor ik hem met zijn bibberende stem nog zeggen. "Die smerige jongen van..... het al m'n duiven kortwiekt". En toen zijn vrouw was overleden, sprak de oude man woorden, die nu nog van toepassing zijn "een mens allienich is niet veul". Intussen zag ik Hanneman, zijn werkelijke naam heb ik nooit gekend met zijn manke been de steeg uit komen. Ook zijn vrouw liep mank. Deze mensen moesten hard sappelen om een karig stukje brood te verdienen. Ik kom hier later nog op terug.

Ik loop verder het Achterom in en zie dan Andries Rippen, met zijn robuuste figuur uit zijn huis komen, terwijl zijn vrouw bezig is het piepkleine straatje voor hun huisje te schrobben. Andries groet mij met een kwinkslag en in zijn ogen twinkelen pretlichtjes. In de loods van Scheffer zijn ze bezig met ansjovis te verwerken en van verre hoor je de mannen al zingen. 'Zo werd Laura zijne bruid' en 'de blikkene dominee', Zij zit al in de kast aan een ketting vast, enz enz. Mocht een van de lezers de woorden van deze liedjes nog kennen zou ik die graag ontvangen voor mijn boek over oud Lemmer.

DE BLIKKEN DOMINEE OF DE MOORD AAN DE NOORDERHAVEN TE HARNS Tarara boemdiee

De blikken dominee Die schoot met kruit en lood Zijn arme naaister dood Nu zit hij in de kast Al aan een ketting vast De jongens roepen luid: Die komt er nooit meer uit.

Volksliedje (1894), gemaakt n.a.v. de moord gepleegd door de Harlinger dominee J. Barger. Dominee Johan Barger woonde op de Noorderhaven nr. 29. Hij was in 1888 aangesteld als predikant bij de Hervormde Gemeente in Harns. De 17-jarige Catharina Helena Mirande, was de dochter van de eigenaar van een manufacturenzaak aan de Voorstraat. Cato was haar roepnaam en ze hielp, tegen betaling, de domineesvrouw met naai- en verstelwerk. Ze werd een huisvriendin.

Uit de dagboeken van de dominee blijkt, dat hij vanaf 1892 geobsedeerd was van het meisje. Zo probeerde hij bij haar af te dwingen, dat ze, ook na een eventueel huwelijk, door hem mocht worden geliefkoosd. Was er sprake van enige instemming? We weten het niet. Op een bruiloft van de familie Mirande gaat dominee Barger zijn boekje ver te buiten en schopt hij een scene. De winkelier verbreekt elk contact en verbiedt ook zijn dochter om de familie Barger te bezoeken. Na een maand, 6 maart 1894, krijgt Johan Barger zijn echtgenote zover om Cato bij hen thuis te inviteren. Misschien dat de zaak uitgepraat kon worden. Als zijn vrouw op de bovenverdieping de jas van Cato ophangt, lokt de dominee de jonge vrouw naar een voorkamertje en deed vervolgens de deur op slot. Toen zij hem afwees, werd de dominee razend, greep een revolver uit zijn broekzak en schoot op zijn jeugdige geliefde.

Het eerste schot miste, het tweede bracht Cato ten val. Van dichtbij schoot hij nog een aantal malen door haar hoofd. Vervolgens pakte hij zijn hoge hoed en wandelde in alle rust naar het politiebureau. Het pistool had hij nog bij zich. Mevrouw Barger had het lawaai gehoord. maar toen ze beneden kwam, was haar man al op weg naar het politiebureau. Toen het tot haar doordrong, wat er was gebeurd, probeerde ze zich in de Noorderhaven te verdrinken. Haar dienstmeisje Eke kon dit nog maar net verhinderen. Johan Barger werd tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Het vuurwapen had hij in Amsterdam gekocht. Hij overleed echter al in 1900 en werd op het gevangeniskerkhof te Leeuwarden begraven. Mevrouw Barger heeft Harlingen snel verlaten. De woning, waar zich dit drama heeft afgespeeld, is nog steeds aan de Noorderhaven te vinden.

Als U wilt, kunt U een blik werpen in het voorkamertje waar de ontknoping van dit liefdesdrama plaatsvond. Johan Barger werd in Amsterdam geboren en was eerder predikant in Garnwerd. In 1875, hij woonde toen nog in Amsterdam, publiceerde hij een dichtbundel: Van Bloesems en knoppen. Uit Harlingen wordt gemeld, dat de predikant van de Hervormde gemeente aldaar, J.Barger, eene jonge dochter, tot zijne gemeente behoorende. heeft doodgeschoten. De aanleiding van de moord is teleurgestelde hartstocht. Het vermoorde meisje was als naaister werksaam aan het huis van den predikant. Deze liet haar op sijne studeerkamer komen om haar geld aan te bieden. Wat er toen tusschen hen beiden is voorgevallen, is niet met zekerheid bekend. Alleen is gebleeken, dat hij uit eene revolver seven schoten op haar heeft gelost. Men heeft vijf kogels in het hoofd van het meisje gevonden. De misdadiger is gisternamiddag 3 uur gevankelijk naar Leeuwarden vervoerd. Hij is een man van ruim 40-jarige leeftijd.

Uit: het Nieuwsblad van het Noorden.

Bonne Blinkma (lytse Bonne) hij was naar ik mij herinner 1.45 lang en stond op een kistje, daar hij anders niet boven de grote tafel uitkwam. Het zingen was opgehouden en n van de Lemster mannen vertelde volgens hem een echt Lemster verhaal.

Bonne Blinksma (lytse Bonne) Geboren op 24 september 1884 te Amsterdam, overleden op 70 jarige leeftijd op 13 augustus 1955 te Sneek. Begraven te Lemmer.

Zoals alle oudere Lemsters weten, kwamen vroeger de nachtboten om ongeveer 4 uur 's morgens in de Lemmer aan. De passagiers werden dan per bus of tram verder Friesland in vervoerd. Nu gebeurde het wel eens dat er n autobus bleef staan op de hoogte van de oude trambrug. Zo gebeurde dit weer eens op een mooie zomerse dag.

Twee Lemsters die nogal eens diep in het glaasje keken kwamen 's morgens om 5 uur over de oude trambrug wandelen en zagen de lege bus daar staan. Daar ze nog niet zo helder van geest waren en wel wat wilden rusten, gingen ze in de bus en vleiden zich behaaglijk op de achterste banken neer. Je kunt nu nog geen klomp onbeheerd laten staan, doch in die armoedige tijd zaten zelfs lege autobussen niet op slot. Baches verdween en Klaas Vaak had de beide mannen al gauw stevig in zijn greep te pakken.

Om 7 uur kwam de chauffeur de bus op halen en niet wetende dat hij twee slapende passagiers in de bus had, reed hij de bus naar Balk en zette hem daar in de garage. Nu zaten in de garage kleine raampjes met tralies er voor. Om ongeveer werd om 8 uur n van de slapers wakker en zag met zijn slaperige ogen die tralies voor de ramen, en stompte zijn maat wakker met de woorden: wordt wakker man, ze hebben ons met bus en al in de bajes gereden........

Jeugdherinneringen.

Vissersburen (82); Onze grootvader Verbeek, had daar namelijk een schilderszaak en wij zijn als kinderen vaak bij hem geweest om stopverf: Wat kon je daar fijn mee spelen Op onze manier waren wij dan aan het boetseren. Ook als wij een hoepel wilden hebben, bijv. om een ereboog te maken voor een schoolfeest, gingen we naar grootvader, die had altijd wel n in de zaak.
Daar hing een prachtige Friese klok en in huis stond in de gang een grote Friese klok. Dat was altijd de spaarpot van onze grootmoeder, vertelde moeder ons. Als de melk zomers een paar centen goedkoper was, kwamen die in de klok en daar werd dan wat extra's voor gekocht, wat anders niet kon. Als kind heb ik er een paar weken gelogeerd. Moeder verwachtte toen onze jongste zus, maar dat wist ik toen natuurlijk niet. Grootmoeder was toen al overleden, die heb ik niet gekend. Grootvader had toen een huishoudster, die we tante Dirkje noemden. Ik had het er heel goed maar was toch erg onwennig.

Op een morgen toen we zaten te ontbijten, kwam vader vertellen dat ik een zusje had gekregen. Daar was ik natuurlijk erg blij mee en 's morgens op school natuurlijk gauw het grote nieuws vertellen. We spraken af dat we 's middags uit school direct naar huis zouden gaan. lna de Vries (zus van mevr. Van Ommen- de Vries) en m'n nichtje Jo Verbeek en ik, er met z'n drien op af. Mijn zusje lag in een witte schommelwieg met rode gordijnen er omheen: En we kregen van de baker ook ieder nog een gebakje, toen was het helemaal feest voor ons. Dat tante Dirkje wel eens ongerust zou kunnen zijn, omdat ik zolang weg bleef, daar dacht ik niet aan, maar dat bleek bij thuiskomst wel.. want voor straf moest ik ' s avonds in de donkere winkel zitten (Mijn grootouders hadden namelijk een drogisterij gehad, maar toen niet meer). Er stond nog een klein trapje en daar zat ik op. Ik had wel het uitzicht op de Rien en de overkant, maar dat interesseerde mij niet. Hoe lang ik daar gezeten heb weet ik niet, maar naar mijn gevoel duurde het heel lang.

Ik was toen zes jaar en zat in de tweedeklas bij meester Kamminga. Dat was een heel aardige meester. Hij woonde aan de Kortestreek. Wij hebben nog altijd een brief van hem die hij onze ouders heeft geschreven bij het overlijden van, ons oudste zusje. Hij was toen in militaire dienst, zodat hij niet persoonlijk kon komen.
Als kinderen hielden wij veel van onze grootvader, hij was heel erg goed voor ons. Zondags was hij altijd de hele dag bij ons. Zaterdagsavonds kwam hij ook, dan nam hij snoep en fruit mee. Dat kocht hij bij schipper Kok, die een winkel had op de Kortestreek naast de Bokkesteeg.
Omdat ik naar grootmoeder was vernoemd had ik geloof ik een streepje voor, want ik ben verschillende keren met hem mee geweest met het Tielemansbootje naar Balk, bijv. op een Hemelvaartsdag of Pinkstermaandag. Dan gingen we met het Tielemansbootje naar Sloten en dan lopende naar Balk op familiebezoek. Dat waren van die fijne tochtjes die ik mij nog zo goed kan herinneren. (● A.W. Tieleman (sinds 1889). De stoomboot van Tieleman was de "Willem III". Waarschijnlijk is dit schip verkocht, want van dinsdag 26 september 1898 voer de Willem III op de stoombootdienst Lemmer-Joure van Harmen Nieveen en D. Gaastra. De Willem III had plaatsruimte voor 40 passagiers en een laadvermogen van 20.000 kilo. A. Tieleman begon op de route Lemmer-Bolsward daarna te varen met de "Stad Bolsward I". Het "bootje van Tieleman" lag aan de Langestreek te Lemmer)

De oud-Lemster W. Tieleman, was de man die de Jan Nieveen in 1960 van de ondergang redde. Tieleman voer in zijn jonge jaren op het Bolswarder en Sneker vrachtbootje en begon later in Rotterdam een eigen bedrijf.

1889.

Zoals ik al schreef grootmoeder heb ik persoonlijk niet gekend, maar wel veel over haar horen vertellen.
Moeders jongste zusje van drie jaar was overleden en door het verdriet daarover waren haar oogleden verlamd en moest ze die steeds optillen, als ze wat wilde zien. Ze is toen in het Academisch ziekenhuis in Groningen geopereerd.
Eerst het ene oog, later het andere. Dat kostte twee honderd gulden, dat was in die tijd een hoog bedrag. Ze moest de eerste tijd een donkere bril dragen, maar gelukkig is alles weer goed gekomen.
Deze week kreeg ik nog weer eens de boekjes in handen geschreven over het doen van hun Geloofsbelijdenis, die ze allebei hadden afgelegd op 28 februari en bevestigd op zondag 2 maart 1862 door ds. W. Middelveld, te Lemmer. Dit is voor ons een kostbaar bezit.

Verder in de herinneringen denk ik allereerst aan een uitstapje met de tram. Dat kan ik mij nog heel goed herinneren. Ik zat in de tweede klas bij meester Kamminga, toen vader mij op een middag ophaalde voor een reisje naar Joure. Vader die voor de dienst naar Joure moest, had aan meester gevraagd of ik een uurtje eerder vrij kon krijgen en dat mocht voor een keer. Om drie uur kwam vader mij ophalen.
Was dat even fijn, een uurtje eerder vrij dan anders. We gingen niet naar het hoofdstation maar naar het stationnetje van Sibbele de Boer (Turfland), dat was dichterbij. Er was een klein wachtkamertje met n bank waar drie of vier mensen op konden zitten. De Trambrug werd dichtgedraaid nadat telefonisch was doorgegeven dat de tram in aantocht was. De brug met z'n vele obstakels en zonder leuning, waar we ook altijd overliepen als we naar Folkert Koopman gingen om "De Standaard" te brengen, de krant die vader samen met Koopmans las. Ook legden we als kinderen wel eens een cent op de rails en als de tram er dan over reed was de cent een "botsen" geworden. Dat was levensgevaarlijk en daar hebben onze ouders ons ook wel voor gewaarschuwd. We kregen er wel eens straf voor als we het toch deden.
Toen we in Joure kwamen, bracht vader mij naar oom en tante. Dat was reuze gezellig, ik was er nog niet eerder geweest Tante vroeg of zusje en ik eens een week kwamen logeren in de vakantie en dat is ook doorgegaan.
>>>

>>> Mijn tweede reisje naar Joure, was nu voor de logeerpartij naar oom en tante. Weken voor de tijd zaten wij er al vol van. Moeder maakte voor ons beiden een, nieuwe jurk. Eindelijk was het dan zo ver, het koffertje werd gepakt met de nieuwe jurkjes en vader bracht ons naar de tram en daar gingen we. Tante haalde ons op. Het was zeker al niet zo vroeg meer, want de kinderen zaten al in de eetkamer. Het werd een heel gezellige avond, de oudste kinderen mochten ook nog een poosje opblijven. De volgende morgen met oom en tante naar de kerk en uit de kerk speelde oom op het orgel en allemaal erbij zingen, wat erg gezellig was. Het was een mooi groot huis, maar dat interesseerde ons niet zoveel, maar wel de grote tuin met schommel. 's Middags gingen oom en tante met de kleintjes wandelen en wij met ons nichtje. Tante had voor ze weg ging gezegd dat we niet op de schommel of wip mochten. Maar wij waren uitgekuierd en het duurde zo lang voor oom en tante weer terugkwamen. We konden ook niet in huis komen we hadden geen sleutel. Toen zei Martha "Het verveelt me ik ga in de tuin spelen" en wij gingen natuurlijk mee. Maar we zaten nog maar net op de schommel of daar kwamen oom en tante weer thuis en tante vreselijk kwaad.

Martha moest dadelijk voor straf op bed en die natuurlijk huilen en wij huilden mee en wilden weer naar huis. Oom en tante deden hun uiterste best om ons te houden. Oom ging met mijn zusje wandelen en tante pakte het fotoalbum en liet mij allemaal foto's zien. Maar niks hielp, wij wilden naar huis, we waren onwennig. De volgende dag heeft vader ons weer opgehaald.
Met een verjaardag mochten we altijd 's middags een uur eerder naar huis. Tenminste bij meester Bosker was dat zo. Dat herinner ik mij nog heel goed van de verjaardag van Ina de Vries (zus van mevr. Van Ommen de Vries). Meester keek op zijn horloge en zei meisjes het is drie uur jullie kunnen gaan. Wij met z'n drien, Ina, Jo en ik natuurlijk vlug door het nauwe steegje en wegwezen. Meester Bosker, was een klein dik mannetje en werd door de jeugd Biertonnetje genoemd. Hij peuterde ook altijd met een speld in zijn oren. De speld stak hij dan later weer in de revers van zijn jasje. Dat was maar een rare gewoonte.

Zo'n verjaardag was altijd een heel gezellig feestje. Bij ons thuis weet ik nog best, kregen we chocolademelk en pinda's en met die pinda's daar werd dan een spelletje van gemaakt. We pelden ze af en aten er natuurlijk van op, maar daar werd dan ook een spelletje van gemaakt. Er werden ook gepelde pinda's op een schoteltje gelegd en moest er n van ons op de gang staan. Er werd dan n pinda aangewezen en dan werd je weer binnengeroepen en mocht je beginnen af te pakken. Soms had je geluk, maar als je juist de aangewezen pinda pakte werd er "poes" geroepen en was je af. Pandverbeuren was ook meestal n van de spelletjes en dan maar afwachten wat voor opdracht je kreeg, er kwam meestal wel een zoenpartij bij en dan tot slot van het feest was de stoelendans en wie in januari geboren is enz.
Al met al erg gezellig maar of de moeders het wel zo gezellig vonden? Moeder spande ook wel eens een lijn door de kamer met allerlei pakjes er aan en met een blinddoek voor moest je er dan n van zien af te trekken.

Toen we klein waren kwam de melkboer aan huis, herinner ik mij nog heel goed. Bij ons kwam Reijenga. Die had een grote blauwe emmer met deksel erop en de inhoudsmaten hingen eraan.
Later, dat zal in de mobilisatie zijn geweest, toen vader al overleden was, moesten we zelf melk halen bij de melkfabriek van Zandbergen aan de Lijnbaan. Maar als kind werd je meestal achteruitgezet.
En als je dan zag dat de bus schuin werd gehouden ging je meestal met een leeg emmertje weer naar huis.

1913.

Later haalden we melk bij Knol aan de Kortestreek, daar moesten we altijd door de steeg. Bij boer Eizema, die er later woonde, gingen we achterom ingang Lijnbaan. We gingen meestal vroeg heen dan waren wij het eerst.
Eizema was dan nog aan het melken, dan moesten we vaak lang wachten maar dan was de melk nog warm. We hebben ook wel bij Jelle Haagsma, melk gehaald. Aardappelen en groenten haalden we bij Koop Gaastra. Zijn dochter Aukje hielp ons meestal want Gaastra zelf ging de boeren langs met zijn honden voor de kar.

Koop en Hammie Gaastra, sluiten hun monumentale groentezaak, aan het Turfland te Lemmer per 1 september 1994.

Bij Sjoerd van der Veen, haalden we ook wel aardappelen. Later kwamen de melkboer en groenteboer aan de deur. Als melkboer kwam Rippen, als groenteboer Sjoerd van der Veen. Ik hoor het hem nog wel vragen: "Mut er ek noch wat wze;reade kool of sa". Ook kwam Nieske de Boer, met de kar met verse spinazie. Een kwartje de nap vol. De kleine kruideniers winkeltjes waren ook leuk. Op het Turfland woonde Wed. Siebolt van der Bijl, met haar dochter Marij, die rekende altijd met nulletjes en streepjes met krijt op de toonbank en bij het optellen veegde ze het er n voor n weer af. Wij snapten er niks van.
Als we bij school vielen, gingen we meestal naar juffrouw Funcke, die dan de wond schoonmaakte en er een verband omheen deed. Dat vonden we heel gewichtig.

Onze school stond aan de Langestreek en dan liepen we voor schooltijd heel vaak naar het bruggetje over de Kolk. Het bruggetje dat er jammer genoeg niet meer is. Soms liepen we even verder voorbij het huis van Roesing. Dat was een oude heer die daar samen met een dochter woonde. Daarnaast woonde meester Bosker. Verder gingen we niet, bang als we waren dat we meester Funcke (
per 1 maart 1887) niet in de handen hoorden klappen ten teken dat de school begon.

De verlengde Langestreek Lemmer, rond 1900. Met de school van 1865.

En te laat wilden we niet graag komen. En als je dan door het nauwe steegje naar de klas van meester Bosker, moest dan was het een gedrang van jewelste. De steeg van meester Rindertsma was wat breder. Bij het kleine bruggetje was toen de Kolk, waar we als kinderen vaak schaatsten.
Ik weet ook nog wel dat Sjoerd van der Veen, daarachter woonde. Toen mijn zus en haar vriendin met de Emmabloem collecte liepen ten behoeve van de T.B.C. bestrijding, moesten ze op de Langestreek collecteren en toen had mevrouw Van der Veen de meisjes binnen gevraagd Dat vonden ze erg fijn.

De grootvader van Teade Woude, uit Leeuwarden. Had de aak LE 2 en de eigenaar werd altijd 'Lytse Teade' genoemd. Lytse Teade, was een oom van Hermanus Wouda en die heeft het vak bij hem aan boord geleerd. De vader van Hermanus was Jan Wouda, hij was timmerman en woonde aan de Lijnbaan naast de smederij van Frans ter Veen (● Frans ten Veen‏‎, geboren ‎ 1858 te Oldemarkt. Beroep: grofsmid. Zoon van Klaas van Veen en Jantje Booij‏. Gehuwd ‎op 31 december 1880 te Lemmer met Jantje Strijker, geboren ‎ 1857 te Lemmer. Dochter van Hendrik Strijker en Grietje Dates Mast‏. Getuigen bij huwelijk: 1e getuige : Carel August Sachse, oud 48 jaar, veldwachter. 2e getuige: Hendrik Jan Prijs, oud 32 jaar, veldwachter. 3e getuige: Johannes Duim, oud 59 jaar, kuiper. 4e getuige: Louis Jacobus Lijklema, oud 39 jaar, klerk. Allen wonende te Lemmer) en toen die in 1910 naar Hilversum ging kocht Jan Gort de smederij.

(● 1946: Kunstsmeed werk van de firma Gort. Toen minister Vos op de Friese Week in Leeuwarden de mogelijkheden van industrialisatie in Friesland besprak, constateerde hij bij de Friezen in het algemeen afkeer van het massaproduct, en voorliefde en geschiktheid voor persoonlijke schepping. We moesten aan deze uitspraak denken, toen wij een bezoek brachten aan de werkplaats van de firma Gort. De faam heeft over deze werkplaats de bazuin niet gestoken, en honderden Lemsters weten zelfs niet dat In het eenvoudige smederijtje van Jan, Gort aan de Lijnbaan iets bijzonders gebeurt, en reclame is er nooit voor gemaakt. Onze aandacht werd voor het eerst op deze naam gevestigd, toen we bijeen dokter een zeldzaam mooie open haard van handsmeedwerk bewonderden. Naar de naam van den maker Informerend, hoorden we tot onze verrassing dat dit een prestatie van de gebroeders Gort was.)

Daarnaast was de oude drukkerij van W.A.F. Koopmans van de Lemster krant. (● Willem Arnold Frederik Koopman was afkomstig uit Dordrecht. Op 6 nov. 1863 huwde hij met Antje Feenstra uit Kampen. Hij was de oprichter van deze bloeiende zaak die een grote plaats inneemt in Lemmer. Vele moeilijke jaren heeft de firma gekend, w.o. de oorlogsjaren. Ook was een concurrentiestrijd met een andere plaatselijke firma steeds hevig. Twee dochters van de oprichter volgden na het overlijden van haar vader hem op. De heer A. E. Klijnsma, wethouder van de gemeente Lemsterland, heeft met hart en ziel een veertigtal jaren deze zaak gediend, tot aan zijn pensionering. In 1922 verscheen in dit bedrijf het eerste nummer van het weekblad Zuid- Friesland" dat zich nu in een flinke lezerskring mag verheugen. In 1956 overleed de laatste dochter van de oprichter en met haar was het geslacht Koopmans uitgestorven. In 1939 werd een neef van de dochters, de heer L. Lemstra opgenomen in de firma.)

Er was nog een broer Pieter Wouda (Pieters Antsje) die altijd op de houtmolen heeft gewerkt en toen hij werd afgedankt, kwam hij bij de "Hikke" die hij voor de boeren open mocht doen bij de werkplaats van Gerrit Wierda. Hermanus Wouda, begon plm. 1898 voor zichzelf met f 200,- geleende guldens van bakker Haveman. De bakkers waren toen w.s. de Rabo-banken. Hij begon met een schouw en later een botter en kocht op 5 juli 1913 de aak LE 70 van Poppe de Rook en werd toen LE 75 en zo zit dat dan in mekaar. Als alle bakkers in die tijd als bankiers fungeerden kon de vloot wel vooruit. Want in de Schans had je bakker Fortuin, later Knol, Auke Douma, bakker Sieger Hofman, aan de Vissersburen J. Koopmans, aan de Oudesluis, J.M. Oldendorp en Van der Geest, op de Schulpen bakker Blessinga. De Langestreek daar had je bakker Dijkman en later Van der Meer die knecht was geweest bij Oldendorp. Zijn vrouw was een Bangma. Dan kwam Geert Hoekstra later nog, en bakker Brouwer aan de Nieuwburen.

1937.

Deze foto is genomen van de mannen die vroeger bij 'De Houtmolen' werkten in Lemmer. Boven vlnr. Pieter Stoffel Zandstra, Anne Bootsma, Hendrik van der Wal, Imke van Dijk, Wiebren Scheffer, Jaap Bijma, Siebolt van der Bijl.

Onder: Douwe Boomsma, Joost Wiebe Scheffer, Klaas Pieter van der Bijl, Siene de Vries Ezn, Pieter Wouda en vlak daarachter Bouke Planting, die een halve eeuw op de oude en zo vertrouwde houtmolen gewerkt heeft.

Ze hadden allemaal een goed belegde boterham. De tijden zijn wel veranderd. Rinsje van Ommen de Vries, haar vader had ook wel klanten in Urk en kwam daar dan om schulden te innen. Daardoor is haar vader in kennis gekomen met een dominees dochter die later zijn vrouw is geworden en een schat van een moeder was.

Zij was niet de enige vrouw uit Urk, die met een. Lemster is getrouwd. De oudste is denk ik Sake Zandstra, geweest met zijn Urker Aaltsje. Ook Renze Visser, met zijn Anna, en ook Jelle Bakker, zijn vrouw was een Urkerin. Anne Hoff de beurtschipper op Urk heeft meen ik ook zijn vrouw daar gevonden en naar ik gehoord ook aardappelschipper Roelof Rippen met zijn "Antilope" dat was de naam van zijn schip. Nu nog de "ielmaagjes" die Rinsje zo lekker vond. Nu, bij de Lemster vissers waren ze niet erg in trek. Maar ze hadden geen koppen als kleine poontjes hoor. Ze hadden het model van een gekrompen paling en ze werden gevangen aan het hoekwant, maar gegeten werden ze nooit. Ze hadden liever een lekkere bot. De aalmaagjes droegen levende jongen, wel zo'n honderd en de kleine visjes hadden achter het kopje een geel knobbeltje dat was zeker de moederkoek. Er was toen op de Zuiderzee geen tweede vis die levende jongen droeg. Soms lagen ze wel gerookt in de viswinkels van de rokerijen. Je ziet ze nu nooit meer maar ze zullen wel niet uitgestorven zijn. Maar het is geen massavis zoals haringen.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Het gevecht van de galjoot "Frieslands Gouverneur van Sijtsema" met de Noordzee in de herfst van 1846.


Aan het eind van de jaren dertig van 2 eeuwen geleden bezocht de beroemde Engelse landschapsschilder Turner, een aantal plaatsen aan de Engelse oostkust, waaronder vermoedelijk ook Great Yarmouth. Een vijftal aquarellen (zeegezichten) van zijn hand leveren een sfeervol beeld op van dit havenstadje. Of Hendrik Foekes Zeijlstra, kapitein van de galjoot Frieslands Gouverneur van Sijtsama, oog heeft gehad voor deze schilderachtige omgeving, zoals Turner enige jaren voor hem valt te betwijfelen. Op 17 oktober 1846 had "De Gouverneur", zoals het schip doorgaans genoemd werd, zwaar beschadigd de haven van Great Yarmouth weten te bereiken en het zou tot 12 januari 1847 duren voor de kapitein de reis kon voortzetten.

De Gouverneur van Sijtsama was een galjoot. Het scheepstype vertoont veel gelijkenis met bovenstaande brigantijn.

Op initiatief van de Woudsender scheepsbouwer, koopman en reder Age HylkesTromp en diens zoon Hylke Ages Tromp, was in 1839 de NV Friesche Kofscheepsrederij opgericht. Deelnemers in Friesche kofscheepsrederij te Woudsend waren o.m. Cornelis Sleeswijk, (zeilmaker), Siemen Visser (zeilmaker), Cornelis Poppes Bakker (scheepsbouwer) en Pieter Wijbrands de Vries (mastmaker) In 1840 bouwt Cornelis Poppes Bakker, (● Cornelis Poppes Bakker, geboren te Lemmer op 20 september 1812, overleden op 17 oktober 1859, zoon van Poppe Cornelis Bakker en Hendrikje Feites Hoeksma. Gehuwd met Dieuwke Symens Visser, geboren te Lemmer op 26 september 1816, overleden op 17 maart 1874, dochter van Symen Wiegers Visser en Anke Frederiks Sleeswijk) in Lemmer een kofschip van 92 voet, voor de Friese kofschiprederij te Woudsend. Pier de Boer werkte voordat hij in 1874 een eigen werf begon bij Bakker.

25-02-1841

In een deel van de houten schuur (het z.g. geitenhokje, behorende bij de scheepswerf van Bakker aan de Langestreek heeft o.a. de familie Kuiper* gewoond.>>>

(Langestreek 29 tot en met 31: Dit is een blok woningen dat in het begin van deze eeuw in Jugendstil werd gebouwd. Kenmerkend voor het gebouw zijn de toegepaste gele en rode steen, de sierende elementen van de gevelbeindiging en de voordeur met siersmeedwerk van no.29. Het gebouw kwam op de plaats waar eerder een voor Lemmer belangrijke werf was geweest, namelijk de scheepswerf van Poppe Bakker. Aan deze werf herinnert nu nog het naast het Vredespaleis (links op de foto) staande woonhuis, Langestreek 28)

>>>*Geert Kuiper (1882-1962) schreef zijn herinneringen aan die tijd.

Vier schepen werden in de vaart gebracht. In 1840 en 1841 waren op de werf van Age Hylkes Tromp, in Woudsend de 'Koning Willem', een schoenerkof van 103 last en de 'Gouverneur' van 102 last gebouwd. In diezelfde jaren bouwde Cornelis Bakker, in De Lemmer twee kleinere kofschepen (72en 76 last) voor de rederij; "De Gouverneur" werd als een brigantijn getuigd: razeilen, aan de razeilen aan de kleinere ver naar voren geplaatste fokkenmast en een brikzeil met daarboven twee (vierkante) topzeilen aan de, eveneens ver naar voren geplaatste, grote mast; Tot 1846 voeren zowel de Koning Willem als "De Gouverneur" op Suriname. Ze brachten er stukgoed en namen suiker, en katoen mee terug. Beide schepen werden halverwege het jaar 1846 ingezet op de Europese trajecten. De reizen naar Suriname leverden weinig op en in Europa kwam een grote goederenstroom opgang, na het mislukken van zowel de aardappel als de roggeoogst in grote delen van West en Midden Europa. De gevolgen van deze voedseltekorten zouden in 1848 leiden tot revoltes en oproeren in heel Europa.

Vanuit de Russische havens Archangel (in het noorden) en Odessa (in het zuiden) werden grote hoeveelheden graan in westelijke richting verscheept. Na jaren van stilstand met minimale winsten kon er in de scheepvaart eindelijk weer eens flink verdiend worden. In de zomer van 1846 maakten de vier schepen van de Friesche Kofscheepsrederij al een reis naar Archangel. "De Gouverneur" was als laatste van de vier; op 21 augustus 1846 terug in Amsterdam. Op advies van de voor de rederij werkende cargadoorsfirma: De Vries & Co werd besloten een reis te maken naar de Zwarte Zee

Balen hooi.

Op 26 september 1846, verliet "De Gouverneur" de haven van Amsterdam. Aan boord bevonden zich tien bemanningsleden die onder bevel stonden van de 29-jarige kapitein Hendrik Foekes Zeijlstra, telg uit een bekend Amsterdams kapiteins geslacht. Het schip was geladen met zevenhonderd balen hooi die bestemd waren voor de paarden van het Franse leger te Algiers. Vandaar zou de reis verder gaan naar Constantinopel, waar de kapitein nader bericht zou ontvangen over zijn definitieve bestemming. Via het Noord-Hollands Kanaal ging de reis allereerst naar het Nieuwediep bij Den Helder. Daar werd gewacht op beter weer. Op de vierde oktober, rond het middaguur, stak het schip in zee. Het weer was goed en er stond een gunstige wind uit zuidoostelijke richting, zo vernemen we uit de correspondentie van de kapitein. Ruim een etmaal later zat men al onder de Engelse kust. Om twaalf uur 's middags van de vijfde oktober bevond "De Gouverneur" zich even ten noordoosten van North Foreland. In vierentwintig uur was ruim 120 mijl afgelegd en dat was lang niet slecht. Na dit voortvarende begin ging het echter tegenzitten.

In de loop van de middag ruimde de wind naar het zuidwesten en nam in kracht toe. De bramzeilen werden ingenomen en de marszeilen gereefd. Rond een uur of acht werd het licht van South Foreland waargenomen. De snelheid was inmiddels flink teruggelopen. Over de ruim vijftien mijl van North naar South Foreland, werd zeven uur gedaan. Met het passeren van South Foreland kreeg het schip het hard te verduren: Nu men uit de luwte van de Engelse kust kwam, kregen wind en golven vrij spel. Bovendien kan er in dit stuk van het Engelse Kanaal een flinke stroom staan. Om negen uur 's avonds "there blew a heavy gale', stond er een zware storm, aldus de scheepsverklaring. De zeilvoering was inmiddels tot het minimale gereduceerd. Rond het middernachtelijk uur besloot de kapitein te gaan bijliggen. Kort daarop maakt hij melding van het opnieuw inzicht, komen van het licht van South Foreland. Ook het licht van lichtschip Goodwin wordt waargenomen. Deze mededeling maakt het aannemelijk te veronderstellen dat "De Gouverneur" in noordoostelijke richting is wegzet, richting Nederlandse kust

Pek uit de naden.

In de dagen die volgden hield de storm onverminderd aan. De kapitein in zijn verslag aan de directie: "Het schip werkte swaar en kreeg veel Zeewater over en thuig en bodem had veel te lijden. De voorbrambardoen (onderdeel van verstaging dat de steng in achterwaartse richting steun'geeft),brak! en al so ook de steng. In het eerst was het schip goed digt dog in het laatst door het verschrikkelijke werken sprong de pek uit de naden toen begonnen wij vrij wat water te maken zo dat wij om het uur pompten".
Op 12 (!) oktober nam de wind wat af. Een week na het vertrek uit het Nieuwendiep, bevonden de mannen zich opnieuw in de buurt van Texel. Bij nadere inspectie bleek de schade mee te vallen; de kapitein besloot opnieuw koers te zetten naar het Engelse Kanaal.

Nauwelijks een dag later, op de dertiende oktober verslechterde het weer opnieuw. De wind wakkerde aan tot stormkracht, dit maal uit noordwestelijke tot: Noord-Noordwestelijke richting. "De Gouverneur" bevond zich in een hachelijke positie: dicht onder de Nederland te kust, t dicht onder de Nederlandse kust. Er bleef er bleef de kapitein niets anders over dan zoveel mogelijk zeil te zetten als in de gegeven omstandigheden maar enigszins mogelijk was, teneinde hoogte te winnen (van de kust af te zeilen). De kans dat "De Gouverneur"' ergens op de ondiepten voor de Belgische kust zou verdagen was niet gering. In nuchtere bewoordingen deed de kapitein verslag van de elkaar opvolgende gebeurtenissen: 's morgens des anderen daags (14 oktober) zaten we in de Flaamsche banken. Edoch tot ons geschenk liep de wind zuidelijk; met de storm zeylden toen uit de banken. Volgens de later afgelegde scheepsverklaring waren de mannen tot op drienhalve mijl, de kust voor Duinkerken genaderd. Het afwenden van dit gevaar betekende evenwel niet dat alle moeilijkheden voorbij waren. De kapitein: Snagts borst mijn digt-gereefde Brikzeyl of Bazaan en wij dreven weer met een erge zee en hadden veel te worstelen kregen geweldig veel water over.

Verschansing.

In diezelfde nacht werd ook nog drie meter verschansing weggeslagen. Voor de tweede keer in ruim een week ging het in noordelijke richting en de kapitein gaf de ongelijke strijd op:"morgens des anderen daags (15 oktober) zagen een Visscherman de welke ik de vlag voor op zette, De man kwam aan boord en ik accorderende voor 12 pond sterling (ongeveer f 140,- veel geld) het schip voor een of andere Engelschehaven te brengen". Met net afnemen van de wind werd koers gezet op Ramsgate maar: We hadden nog maar een wagt deze wind gehad of liepe tot het zuiden weder; zodat ik toen resolveerde naar Jarmhout te gaan om ons schaden te herstellen" aldus de brief van de kapitein aan de directie.

De zestiende oktober bevond "De Gouverneur" zich voor Lowestoft: Op het verzoek een loods te sturen werd niet gereageerd. Het schip maakte inmiddels flink water en de bemanning was 'worn out', doodmoe, aldus de scheepsverklaring. Voor Great Yarmouth lukte het wel een Queenspilot aan boord te krijgen, Nog waren de tegenslagen niet voorbij. Bij het binnenlopen liep de Gouverneur op een der havenhoofden en zat muurvast. Tot overmaat van ramp kon de kapitein nog melden dat: "Toen wij vast zaten kwam een visscher man binnen, de welke het schip met vliegende vaart dwars in de zij op de fokkenmast en deselve verbrijzelde" Zes uur duurde het voor men er met behulp van de plaatselijke bevolking in slaagde het deerlijk gehavende schip van het havenhoofd te krijgen. Bijna veertien dagen waren er verstreken sinds de mannen de veilige beschutting van het Nieuwediep hadden verlaten.

Het Wetboek van Koophandel schreef voor dat een kapitein zich in het geval van averij binnen vierentwintig uur diende te melden, bij het bevoegd gezag in de eerste de beste haven die hij aandeed. Kapitein Zeijlstra kwam terecht bij het notariskantoor Van Isaac Preston & Son. Als eerste werd er aan de hand van het scheepsjournaal een zogenaamde scheepsverklaring of zeeprotest opgesteld, waarin de kapitein en een deel van de bemanning onder ede het gebeurde toelichtten.

Schade getaxeerd.

Op verzoek van de kapitein werd een commissie van deskundigen benoemd, die voor het taxeren van de schade het schip aan een nader onderzoek onderwierp. John Grimes Rivett en Thomas Womack-Branfrd; respectievelijk reder en scheepsbouwer, brachten op 19 oktober een eerste bezoek aan "De Gouverneur". Beide heren waren eensgezind van mening dat voor een grondige inspectie van de romp eerst het hooi gelost moest worden hetgeen gebeurde. Op 23 oktober stapten de heren nogmaals aan boord en diezelfde dag werden hun bevindingen onder ede vastgelegd in een fraaie acte.
Behalve een gebroken bramwant, bovenbrampardoen en steng, ontbraken diverse zeilen, waaronder grootzeil en brikzeil. Bovendien was er veel lopend want verloren gegaan, de fokkenmast verbrijzeld en drie meter verschansing weg. Ook de romp bleek allesbehalve dicht en vrijwel al het zink van het onderwaterschip was verdwenen.

Aangezien het dok slechts met springtij bereikbaar was, kon eerst op 25 november begonnen worden met de herstelwerkzaamheden aan de romp. Op 13 december was het karwei klaar. Vooral over het breeuwwerk was de kapitein zeer tevreden, in tegenstelling tot in Nederland, waar het breeuwwerk door de scheepstimmerman werd uitgevoerd, was het breeuwen in Engeland nog een apart vak en dat was te merken, vond Zeijlstra. Op 8 januari 1847 werd "De Gouverneur" naar Gorleston gesleept, waar de mannen op beter weer wachtten. Op 12 januari koos "De Gouverneur" weer zee. Het oponthoud in Great Yarmouth had bijna drie maanden geduurd. De belangrijkste posten op de eind afrekening waren:

-Het Kalfaten (behandeling van het onderwaterschip 27.09.05,-
-Scheepstimmerman 109.18.11,-
-De zeilmaker 18.13.01,-
-Zink voor het onderwaterschip 54.03.00,-
-Notaris Preston 17.02.02,-
-Voor comissie van deskundigen 9.09.00,-
-Victualie en gage bemanning 147.00.00,-

Het totale schadebedrag bedroeg ruim 397 Engelse ponden. Tegen een koers van f 1.12.20 per pond betekende dat bijna f 5000,- schade.

Verzekering.

Meteen nadat de directie in Woudsend op de hoogte gesteld was van de ramp met "De Gouverneur", zocht ze contact met haar Amsterdamse en Rotterdamse assurantiemakelaars, de firma's Strobel en Voorhoeve. Deze firma's brachten, zoals gebruikelijk was in die tijd, het te verzekeren schip per reis onder bij een groot aantal verzekeringsmaatschappijen. Gewoonlijk betaalden die pas schadeclaims uit als het schip was aangekomen op de in de polis vermeide eindbestemming en als aan alle formaliteiten was voldaan. In het geval van "De Gouverneur" zou het dus nog even duren voor er iets uitgekeerd kon worden. De directie in Woudsend noch de cargadoors voelden er iets voor zolang dat voor die tijd enorme bedrag voor te schieten. Geld lenen in de vorm van het nemen van bodemerij werd afgewezen, omdat het te duur was. Bodemerij nemen was het voor de duur van de reis geld lenen tegen een zeer hoge rente, waarbij de geldgever het risico liep het geleende geld plus de rente te verliezen, als het schip zou vergaan. Aangekomen op de plaats van bestemming, werd het geleende geld plus de rente meteen terugbetaald met de te ontvangen vrachtpenningen. In het geval van "De Gouverneur" werd een tussenoplossing gevonden: de assurantiemaatschappijen verklaarden zich bereid een voorschot uit te betalen.

Aangezien "De Gouverneur" Voor slechts f 13.000,- verzekerd was (ongeveer de helft van de waarde) bleef een flink deel van de schade voor rekening van de rederij. De verzekering maatschappijen keerden niet meer uit dan f 1950,- en de bevrachters f 340.- De rederij kon een verlies van ruim f 2700,- bijschrijven.

Pech en ongeluk.

Ook het verdere verloop van de reis werd een aaneenschakeling van pech en ongeluk. Ter illustratie nog slechts de belevenissen onder de Engelse zuidkust. Op 28 januari 1847, nauwelijks veertien dagen na het vertrek uit Great Yarmouth, zat de kapitein alweer achter zijn schrijftafel: "Deze is dienende om u Edele te berigten dat ik weder met het zware weder verschrikkelijk geworsteld heb".Tot het eiland Wigth was de reis voorspoedig geweest. In de Bay van Goudstaard (tegenwoordig Lyme Bay) was het hard gaan waaien uit het zuiden. Opnieuw moest er uit alle macht gezeild worden om vrij te blijven van de rotsachtige kust.
De kapitein: "Toen nam het weder verschrikkelijk toe met donderen bliksem. Om na des avonds sloeg den bliksem dwars door de voorbramsteng en brak de bramzaling liep vervolgens bij ons ijzeren schoten neder aan dek en het welke op dat ogenblik vol vuur was. Dezelfde bliksem sloeg tussen ons beenen door gaf mij een slag op den borst en liep agter over het dek over boord".
Op 13 februari 1847 bereikte "De Gouverneur" dan eindelijk Algiers. Of de paarden van het Franse leger ooit weer verlangd hebben naar een smakelijk hapje hooi uit Holland valt te betwijfelen.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Het grijs verleden.


Wanneer je met mensen praat, die hier zo' n jaar of tien wonen hoor je weleens,:"Vroeger zal het wel een dooie boel geweest zijn" Zij kunnen het zich gewoon niet voorstellen, wat een drukte en levendigheid het op de haven was, met het uitvaren en binnenkomen van de vissersvloot en dan niet te vergeten de Lemmerboten met hun bedrijvigheid.

In 1871 geeft de Provinc. Friese, "Werkliedenvereniging" als middelen van bestaan op: 17 timmerwinkels, 19 slagerijen, 15 schoenmakerijen, 9 smederijen, 8 kleermakers, 5 'blokmakerijen, 4 scheepstimmerwerven, 4 wagenmakerijen, 3 zeilmakerijen, 3 kuiperijen, 2 boekbinderijen, verder pottenbakkers, touwslagers,goudsmeden enz. 4 bokkingrokerijen met 17 arbeiders, 1 ansjoviszouterij, 488 arbeiders werkzaam in de veenderij, 13 botaken, verder veel sjouwerlui.

Veel vrouwen werkten in de hangen en bij het laden van schepen. Werkuren: 14 per dag, verdiensten 5 7 gulden per week, veldarbeiders verdiensten 4 gulden, huren 35 tot 45 gulden per jaar, aldus het verslag. Wat de scheepsbouw betreft, lezen we dat de laatste brik plm. 1880 bij P.C. Bakker is gebouwd, tegenover de werf van Bakker is ook een taanderij geweest.

1871: Op deze advertentie is te lezen, dat er op de Langestreek een Zeilmakerij zat en nog een Taanderij aan het eind van het Turfland.

De scheepvaart nam ook een zeer grote plaats in het dorp Lemmer in. Nog zie ik bakker Koopmans, een brood verkopen aan een schipper, die hoefde er niet eens voor vast te leggen. De bij ingewijden bekende boei of ton "De Joris" is genoemd naar een loods met die naam die daar een schip verspeelde. In 1865 vond een redding plaats van opvarenden van een houten Marineschip* op weg naar Lemmer.

Hiervoor kreeg Poppe Gauke Bootsma, van minister Thorbecke een getuigschrift (21-2-1885). Van een recherchevaartuig werden mensen gered. P. Bootsma, Jacob Visser, Bauke Visser, Wijbrand Ras (van der Zuiderzee?) Gerben Bootsma, Jurjen Bootsma, Steven Visser en Andries Visser kregen ieder f 25,-.>>>

 

 

 

>>> De geredde mensen zijn aan wal gebracht in de herberg van Atze Knol in Tacozijl. "Uit een Grijs verleden" lezen we in vroegere jaargang van "Zuid- Friesland", dat op 23 januari 1878 een bod van fl 11.000,- werd gedaan op een huis met stalling op de Nieuwburen bewoond door J. Olij. Koffiehuis, stalling en herberg zullen blijven, aangevuld met een commissiekamer, kosten f 16.500,-. Het 60- jarig bestaan van het Departement tot Nut van het Algemeen wordt feestelijk gevierd, met inwijding van het Nutsgebouw (hier komt nu de apotheek). Nu zijn we meteen bij een der oudste vereniging van de gemeente. "Het Nut" uit de geschiedenis van 't Nut: op 12,mei 1887 werd door 'Het Nut' een voorwerp van zilver aangeboden aan Gerrit Hoornstra, voor het redden van het ijs van Jelle Koek, 10 jaar en Hielke van der Gaast 12 jaar. Op 26 mei 1860 kwam Maria Oldendorp, 23 jaar, in de Rien terecht Veerschipper R. de Vries van Harlingen naar Lemmer schoot haar te hulp en Joh. van Putten en Jerke van der Gaast, koperslagers brengen haar naar huis. De redders krijgen een geldelijke beloning van 'Het Nut'.

Het aantal inwoners van Lemsterland in 1811 :1970 inwoners; 1840: 2580 inwoners; 1890 : 3663 inwoners, om met enkele cijfers dit vluchtige overzicht te eindigen.

* Naam schip: Recherche vaartuig No.1
-Type: Inspectieschokker of Rinkelaar
-Jaar: 1857
-Bouwer: Opdrachtgever: Directeurs-Generaal van het loodswezen
-Rederij: Koninklijke Marine
-Materiaal: hout
-Gezagvoerder: Visiteur/Controleur Commandeur Bakker (1887)

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 

 


Het leven en wonen in de eerste helft van de 19e eeuw.


LEMMER, In de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw zag het leven er totaal anders uit dan nu. De nu vanzelfsprekende voorzieningen als waterleiding, stroomvoorziening, centrale verwarming, telecommunicatie, en talloze andere zaken, waren onbekende begrippen. 'Leven' betekende voor vele mensen: 'het hoofd boven water houden'.

"Het waren andere tijden, maar wij wisten toen niet beter. We hadden niks,en toch waren we gelukkig", zegt de bejaarde heer Leeuwke Zandstra tevreden. Dit wordt beaamd door de bejaarde familie Bijlsma: "Het was wel een stuk gezelliger, en als er iemand in de straat ziek was, dan wist de hele straat dat. Dan bracht je een pannetje soep, en praatte je wat met elkaar. Je kende alle buren en als de klokken van de kerk luidden, dan wist je wie er dood was gegaan, omdat de 'aanzegger' langs alle huizen in de buurt was geweest".
Lemmer is voor zowel Zandstra, als de familie Bijlsma, de plaats waar zij geboren werden, en waar zij altijd gewoond hebben.

Grotere gezinnen, kleinere woningen.

Zandstra vertelt: "Het was in die tijd heel normaal dat ouders wel negen tot twaalf kinderen hadden. Ons gezin bestond echter uit twee kinderen en mijn ouders, maar de meeste gezinnen waren veel groter. Toen ik een kind was, woonden wij in een huurhuis aan de Singel. Het huis was onderdeel van een gebouw van twaalf woningen. De twaalf woningen werden in het midden gescheiden door een poort; zes woningen links en zes woningen rechts.
>>>

 

>>>In het poortje waren twee Wc's, n voor de zes woningen links, en n voor de zes woningen rechts. Zo'n WC was eigenlijk gewoon een hokje, met een tonnetje erin. Vooral zomers kon het er behoorlijk stinken. We knipten vierkante velletjes van oude kranten, en die werden als Wc-papier gebruikt. Zo deed iedereen dat. Tweemaal per week kwam de gemeentereinigingsdienst met een handkar langs om de volle tonnetjes mee te nemen, en er lege voor in de plaats te zetten." En hij vervolgt: "De twaalf woningen waren allemaal hetzelfde ingedeeld: een huiskamer, een gang, en twee bedsteden in de woonkamer. En of het gezin nu groot of klein was, meer ruimte was er niet beschikbaar. Er waren geen keukens en geen badkamers.

In de gang stond een tafeltje, met daarop een gaskooktoestel, want er was wel gas. Dat kwam van de gasfabriek. In de gasmeter moest een dubbeltje gedaan worden, en als dat verbruikt was, weer een dubbeltje, anders kwam er geen gas meer. Er was ook geen waterleiding. Het regenwater werd opgevangen in een bak in de grond. Bij het gemeentehuis konden we water ophalen in melkbussen, voor 2 cent per emmer".

Het huishouden.

"Er waren geen wasmachines. Alles was werd met de hand gedaan, met een boender en zachte groene zeep. In de zomer droogde de was buiten, maar in de winter aan lijnen in de kamer, waar de kachel brandde. Er waren wel strijkijzers, maar die waren toen nog niet elektrisch. Wij hadden er twee. Ik streek met de ene, terwijl de andere werd opgewarmd op het gas", zegt mevrouw Bijlsma. "En stofzuigers waren er ook nog niet. We hadden matten op zeil. Elke week werd er geveegd, en werden de matten geklopt. Die matten gingen hoogstens een jaar mee. We hadden geen badkamers, geen Wc's, en ook geen douches.

Om onszelf te wassen, namen we een emmer water mee naar boven. En in de winter kookten we eerst wat water, omdat in de emmer erbij te doen, zodat het wassen niet al te koud zou zijn. Elke morgen moest in de winter de kachel aangemaakt worden. Dat ging met hout en turf, en daarna kolen erop. Die kolen moesten we met een kruiwagen van de gasfabriek halen. In de winter gingen we allemaal vroeg naar bed, want dat scheelde stookkosten, maar ook gas, want we hadden gaslampen. Dat was trouwens ook zo met de straatverlichting. Die bestond ook uit gaslampen, welke door een 'lantaarnopsteker' aan en uitgedaan werden. Die man trok er 's avonds bij schemering op uit om alle lantaarns aan te steken, en trok er 's morgens bij zonsopgang weer op uit om ze stuk voor stuk te doven", aldus Zandstra.

"Er waren ook nog geen 'wekkers'. Maar dat was geen probleem, want er was wel een 'nachtwaker'. De nachtwaker had tot taak om mensen te wekken op een door hun gewenste tijd. Het maakte niet uit hoe laat dat was. Daarmee verdiende de nachtwaker zijn brood. We sliepen op met stro gevulde zakken. Ik heb daar altijd goed op geslapen, maar ze moesten wel regelmatig met nieuw stro bijgevuld worden. We hadden een klein keldertje. Dat was de koelste plek in huis, dus daar bewaarden we het eten. We hadden geen voorraden, maar kochten dagelijks wel wat er die dag nodig was. Hoewel de kelder koel was, hadden we 's zomers toch vaak zure melk", zegt Bijlsma. "Op een dag verhuisden wij naar een huis! waar geen bedsteden waren, maar slaapkamers met ledikanten. 'We komen in een paleis', zei mijn vader toen", vervolgt, Bijlsma.

Het Armenhuis.

Aan het Achterom stond het Armenhuis. Daar woonden veelal oudere mensen, die geen geld hadden. Het Armenhuis werd beheerd door een zogenaamde 'vader en moeder'. Beulen waren het', zegt Zandstra met afschuw. "De bewoners werden vaak schandalig behandeld. Wilden ze een wandelingetje maken, dan moesten ze daar toestemming voor vragen. Dan moesten ze op een bepaalde tijd terug zijn. Maar waren ze een paar minuten te laat, dan kregen ze stokslagen".

Het leven was niet gemakkelijk, maar we vertrouwden wel op eerlijkheid. Er werd nauwelijks ingebroken of gestolen, en 's nachts was het niet nodig om onze buitendeuren op slot te doen.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Incident op de Langestreek.


Als ik er nog aan terug denk, lopen mij de koude rillingen over de rug. Gelukkig maakte de politie er een einde aan, nadat we enige malen de sommaties van de heer Roukema, voor kennisgeving hadden aangenomen. Agent Wiersma, joeg ons met getrokken gummistok de Lemmer in en waarschuwde onze ouders met de boodschap, nu is het afgelopen of anders op de bon en 4 weken tuchtschool op water en brood besmeerd met zeep dit hielp.

In dit gebied was overigens genoeg te beleven, aan de havenkant van de Westdam was een lang remmingwerk (voor het aanleggen van schepen) met loopplanken en leuningen aansluitende op het voetpad van onze pier. Ons feest was om in de zomer hard over de plank te rennen om zover mogelijk in de haven te springen en vervolgens zolang mogelijk onderwater te blijven en daarbij dan liefst ook nog proberen zwemmende de overkant te halen. Er was er maar n die het presteerde en dat was Jan Douma (helaas overleden) zoon van de bakker van de benedenschans, die longen had als een olifant.

Jan voer later als kapitein bij de Coastervaart na zijn opleiding aan de Terschellinger Zeevaartschool. Hij vertelde ons sterke verhalen, nadat hij eerder enige reizen naar het toen voormalige Indi had gemaakt. Ik herinner mij nog de kappers, die daar in de buitenlucht werkten en die.. zo zei Jan, regelmatig riepen "haar knippen meneer, niet goed haar terug", en "volle kracht verkeerd vooruit", als een schip achteruit moest varen

Hij was ook een van de vaste ploeg waarmee we iedere week per tram naar Heerenveen reisden. Jan had de gewoonte zijn niet geringe hoeveelheid brood vr Joure, soldaat te maken, dan was het nog geen half acht in de morgen en bleef de verdere dag in leven door vooral bij ons een hap te lenen. Iemand anders met de voorletter J. was een nogal snel warm oplopende man, die ergens met zijn niet onknappe vrouw op de Langestreek woonde. Ze hadden nu en dan, zal ik maar zeggen een diepgaand verschil van mening en dit koste mij op een vredige zondagmorgen bijna het leven toen er onverwacht een zwaar projectiel door de ruiten van het huis daverde en net achter mijn rug op de straatklinkers aan diggels viel. Het echtelijk verschil werd vervolgens op straat verder uitgepraat. De man kreeg van de doorkijvende vrouw heel duidelijk het verzoek "de pest" of naar keuze het "apezuur" te krijgen aan welke vriendelijke uitnodiging hij niet voldeed.

Age Boem (Age Zandstra), in gezelschap van "karre met schil", die juist uit de richting van het centrum kwam, bekeek de situatie met kennersoog verslikte zich haast, scheler kijkende dan ooit in zijn pruim, draaide de klep van zijn grote pet helemaal naar achteren en riep luidkeels door de aanblik van het straattoneel reeds hevig gemotioneerd "Smyt se mar yn it dok, dat kring hld mar twa kear mei de kop nder wetter. Zover is het echter niet gekomen, want het reeds wat gekalmeerde duo werd door anderen naar binnen geduwd en dit was meteen het einde van de happening.

Een paar dagen later kwam ik J. best een aardige man, op straat tegen en vertelde hij ongeveer wat de oorzaak van het incident was geweest en hoe het kwam dat hij in drift een zware kruik "uit de losse hand" naar buiten kegelde. Als tegenprestatie eiste ik van hem dat hij daarop de volgende avond de ketel van zijn locomotief.. hij werkte een tijdje bij de tram als machinist.. onder hoge druk zou houden zodat wij in recordtijd van Joure naar huis konden, om zo snel mogelijk de warme hap te kunnen pakken, want tegen die tijd rammelde we allemaal van de honger. De machinist die dit traject het snelst reed, was voor ons een Big Boy die hogen ogen gooide.

Nieuwelingen die voor het eerst naar school reisden, hetzij naar Heerenveen of Sneek werden ingewijd: of de hele reis onder de bank, of je werd in het bagagenet gedeponeerd. De actie van de neofiet bepaalde of hij al dan niet verder onder handen werd genomen. Ik herinner mij een jongen die zich verzette, met gevolg dat wij hem vlak vr Lemmer zijn kousen en schoenen uittrokken waarna hij op bloten voeten, aangegaapt door en met de nodige opmerkingen van passanten naar huis moest lopen om de volgende morgen zijn spullen weer in ontvangst te nemen.

Tramstation, met personeel in Lemmer.

Plezier en gein was ook bij ons plaatselijk en vaak zeer afhankelijk van bepaalde typen, zoals Jurjen Propsma, die zo heel jong is overleden, maar optimistisch bleef hij, tot het laatst geheel conform zijn werkelijke aard. Hij was scheepsbevrachter, cafhouder en herenkapper van beroep en woonde op de Oudesluis, waar zijn actieve vrouw jaren later nog een sigarenzaak dreef. Jurjen was een uitstekende voordrager en toneelspeler die veel rollen voor zijn rekening nam. Luid fluitend fietste hij altijd door het dorp wanneer hij de schippers afreed om zijn zaken te regelen.

Pietje Propsma-Zijlstra, in haar genoemde sigarenzaak, aan de Oudesluis te Lemmer.

Schrijvend over hem, over deze man die zo uitstekend in het gehele Lemster beeld paste, schiet mij een jongetje te binnen dat geregeld aan de arm van zijn oudere broer door Lemmer liep.

Ze woonden op de Nieuwburen, waar hun vader een klein kleermakersbedrijfje uitoefende. Als de jongen naar de kapper moest, en dit was dan Jurjen, zong hij onderweg op de melodie van een bekend liedje: "En dan komt Jurjen met een grote schaar, en knipt me een kop met polkahaar". Ja deze dingen speelde zich af en wij vonden het in die kleine gemeenschap van toen allemaal heel gewoon.

Spreek je boers tegen je kinders?!

Mei jo ferlof, ja, jin myn eigen bern
En yn myn eigen wente sprek ik Frysk,
En hoe ek Poep en Waal en Hollnske aap
Dr jamk oer beare en nychheid droan ha,
Wy, nder hslik tek, wy sprekke Frysk,
En nimmen, dyt s hjir s taal ontwringt;
It is s nocht, binn wy mei eigen folk,
Te kltsjen yn de sprake fan s ln: -
Wy litte t net om t noaswiis nferstn.

En bringe de moade t mei, yn frjemde spraak
Oeral jin t uterjen, wrt men langer komt,
En mjit de basterling mei polkahier
Nei tongekromjen jins beskaving f,
En sjocht de koweboer mei kowebrein
Allinne wyt yn t goare thiemske ld
En mient in keale sot him grut en wiis,
Omt hy s taal net sprekke kin of wol.
t Giet s net oan: al mei t sok reau net flije,
Wy, nder eigen folk, nin aperije!

Ja, ths by wiif en bern, dr sprek ik Frysk,
En Fryske sin printsje ik myn jonges yn,
En mei t my barre, meitsje k se ienkear grut,
En stean se sa t lef bastertskaai net oan,
Wurdt hjir te lanne alhiel de tigens hsk,
Sa sis ik: Jonges! Stek de wrld dan yn,
En siikje in plak, drt ienfld, froede sin
Mei flinke hn en holle better jildt!
Dan sinke wei dit laach yn eigen waan,
En kromkje slaafsk de nekke, t frije bloed,
- Salangt jit earne s wrld in stee fan frijdom het -
Fertjirmje net by san ferachtlik bret!

HARMEN S. SYTSTRA (1817-1862)

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Incident tijdens (wettelijke)gijzeling.

1915.

 

Bewoners en verhalen van het Achterom, te Lemmer.

Enige tijd geleden schreef Evert de Vries over "oproer" in het Achterom te Lemmer. Bovenstaande aankondiging heeft totaal niets met gijzeling te maken zoals het in onze tijd als terroristisch verschijnsel voordoet en ook niet met oproer. In de twintiger en in het begin van de dertiger jaren bestond het merkwaardige instituut "gijzeling". Het betekende o.a. dat een crediteur, via een rechtelijk vonnis waarin de gijzeling was uitgesproken in zaken van koophandel iemand voor zijn onbetaalde geldvordering kon laten oppakken. Daarvoor gaf hij opdracht aan een gerechtsdeurwaarder die er dan maar voor had te zorgen, dat de man netjes in een huis van bewaring (wat een naam) werd afgeleverd.

Het slachtoffer verbleef daar, totdat hij zijn schuld had betaald, behalve wanneer hij zichzelf failliet liet verklaren, maar intussen zat hij mooi enige dagen "bewaard" in een hokje. Iedereen zal begrijpen dat veel deurwaarders op dit soort karweitjes niet bepaald happig waren. Mijn vader (Rinsma) en ik als helper zeker niet. Als ik mij kon drukken liet ik het niet. Dat lukte niet altijd, want zeiden ze, je moet er voor later aan wennen. Ik herinner mij verder dat er bij ons zolang mogelijk werd uitgesteld, in bijzonder waneer de schuld niet duidelijk aan slordigheid of opzet van de schuldenaar was te wijten.

Zo'n geval heb ik veel later wl meegemaakt. De bewuste man had de vaste gewoonte alle rekeningen en aanmaningen, die na 15 januari van ieder jaar die binnenkwamen, ijskoud achter de pendule op de schoorsteenmantel te zetten en ze daar toe te vertrouwen aan de tijd die door het uurwerk in alle rust werd weggetikt. Hij had er geen enkele moeite mee.....Een jaar later werden de brieven enz, geopend ondanks het feit dat hij regelmatig visite van deurwaarders kreeg en sommaties van andere rechtsbeoefenaars. Voor deze groepen was hij een welkome klant, want tenslotte werd alles toch betaald. Zo hebben alle dingen ook een betere kant.......

De gijzeling die op mij de meeste indruk maakte speelde zich omstreeks 1927 af. Het betrof een eenzame vissersman uit Tacozeil. Het ging hoogstens om f 200,-  waardoor de gijzeling onmogelijk langer kon worden genegeerd. Het betrof geen verkeerde. Hij zal geen centen hebben gehad, zoals velen in die bar slechte tijd. Daarbij vergeleken is ons geweeklaag van heden een lachertje. Rinsma Sr. had al enige malen laten weten wat de man boven het hoofd hing, maar steeds zonder succes. Een paar reizen op de fiets naar Tacozeil haalde niets uit. Het slachtoffer scheen het te ruiken en was onzichtbaar.

Plan de campagne:

Toen werd een soort overval plan, in fasen uit te voeren, in elkaar gezet. Net echt.....

A. Bericht afwachten van een waarnemer, die wist wanneer onze man bij de kust aan het vissen was met zijn kleine bootje.

B. Het sturen van een snelvoetige bode naar Lemmer, met de gemaakte code.....'Opdraven' dit woord riep hij met luide stem bij ons in de lange gang, waarna het naar achteren echode. Ik hoor het nog.

C. Deurwaarder met getuigen en de snel bij zijn lange flapjas gegrepen veldwachter, pijlsnel in de T-Ford en vervolgens omzichtig naar Tacozijl.

D. Parkeren op een strategisch en daarna sluipend langs de onderkant van de Zeedijk voortbewegen; onderlinge afstand ongeveer 3 meter.

E. Op het juiste positiepunt behendig naar boven klauteren en, als goede spionnen, uiterst voorzichtig over de kop van de dijk loeren.

F. Wachten hoe lang ook, terwijl de dienstpet van de veldwachter als een vogelhuisje net even boven de dijk uit kwam.

Eindelijk was het uur U aangebroken. Ze renden als het weerlicht naar beneden, waarbij de veldwachter struikelde en enige meters verder terecht kwam, wat niet bepaald zijn gezag verhoogde. De deurwaarder riep: "In naam der Koningin" en kondigde de gijzeling aan. Het verliep verder zonder veel moeite daar de man aanvankelijk als verdoofd het hele gebeuren over zich heen liet gaan. Dan allemaal in de auto en op naar Leeuwarden, na dat eerst de familie was ingelicht.

De reis voerde het gezelschap over een brug, naar ik meen in de omgeving van Irnsum, hier voltrok zich een incident. Op de brug moest namelijk een paard en wagen worden gepasseerd, waardoor heel langzaam werd gereden. De doorgang was uiterst smal. Plotseling opende de gegijzelde totaal onverwacht het portier, wrong zich naar buiten en riep "ik verdrink me" en wilde zich in het diepe kanaal storten. Gelukkig kon dat worden vermeden, maar het gaf natuurlijk een niet geringe opschudding. De stemming was nu nog drukkender. Behalve het slachtoffer zelf, slaagde iedereen een diepe zucht van opluchting, toen alles tenslotte in Leeuwarden was afgehandeld.

De achterblijver werd er nog een keer opgewezen dat zijn familie onmiddellijk een advocaat in de arm moest nemen, om eventueel een eigen faillissement aan te vragen of te trachten tot een regeling te komen. Gelukkig was de detentie van korte duur, want na een paar dagen slaagde de familie er inderdaad in de moeilijkheden op te lossen.

Het leed was geleden......

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Jaarlijkse trekvogels en Isral - incident Sake Visser.

Rechts is Sake Visser.

Sake Visser.

Het eerste slaat op vakantie. Maar wel op een heel andere dan in de twintiger jaren en daarvoor. De tijd waarover ook door anderen wordt geschreven in deze krant. Vakantie, wat betekende dat? Werknemers hadden in die tijd twee of drie dagen vrij. Later werd het een week en dat was een gebeurtenis.

Tijdens die schaarse vrije dagen bleven de Lemsters meestal thuis, om uit te rusten of wat te vissen langs de Remming in de Vluchthaven of bij de Sluis. In het centrum van Lemmer heerste stilte; geen gevuld Dok met luxe boten en geen kleurrijke menigte rond de Streken, geen lokkende terrasjes (al of niet met cultuur) dit alles gepaard gaand met gezellige drukte van deze tijd. Het centrum was destijds alleen enige vrachtschepen rijk die diende om met hard werken een boterham te verdienen en verder waren er de eeuwig krijsende meeuwen.

Wie een paar dagen wegging zocht de familie op. De boten van en naar Amsterdam waren een uitkomst door hun indertijd lage tarieven. De lagere school had 14 hele dagen vakantie. In onze ogen een schier eindeloze tijd want het begrip tijd heeft dan een heel andere betekenis voor je. Later gingen we een heel enkele keer kamperen waarbij steevast Albert Schirm, Hendrik Brouwer, en Feike Visser aanwezig waren. Van de hele vaste ploeg destijds is alleen Schirm, in het dorp gebleven, zijn werk lag hier en het resultaat van hem en zijn vrouw is voor ieder op de Schulpen zichtbaar.

Evert en zijn vrienden gingen in die tijd vaak met ons de hort op als er een auto was te pikken, rijbewijs of niet. Controle bestond er bijna niet. Met deze tochtjes was het echter voor deze jongens wel bekeken. Tussen twee haakjes: naoorlogse generaties hebben geen idee van deze totaal andere toestanden, opgegroeid als ze zijn met aanmerkelijk meer "money in the pocket" en andere voorechten.

Zelfs vandaag de dag is vakantie, ondanks de teruggang, een exodus. Ver voor de vertrekdatum worden plannen gesmeed, auto's en tenten nagezien om dan met veel moed (en offers) eigen comfortabele huizen te ontruimen, en zich neer te leggen op een enkele vierkanten meter, van de buitenlucht door een millimeter tentdoek afgescheiden, weer of geen weer lekker of niet als wormzoekers langs de grond te kruipen. Als je zo thuis moest leven, was het huis en de buurt te klein. Hele stromen verplaatsen zich door Europa als een reusachtige waaier nijvere mieren. Op campings kun je de gekste dingen meemaken. Zo stonden we eens op een camping in Itali, Een paar meter bij ons vandaan werd een keurige tent opgezet door even keurige mensen, waaronder een pater met een lange zwarte rok en hoedje (vetpannetje) op zijn hoofd, die enthousiast maar kennelijk onhandig meewerkte.

Na verloop van een paar dagen zeiden we tegen elkaar, wat gek je ziet die pater elke morgen, komende uit de plaatselijke kerk, in vol ornaat in de tent duiken maar dan zie je hem de hele dag niet meer. Hij loste daar blijkbaar in het niets op. Het raadsel werd spoedig opgelost: hij bleek zich te verkleden door een polohemdje en korte broek aan te trekken, want zo zagen we hem aan het meer zitten te vissen, nonchalant een sigaretje draaiende, vermomd dus, als een gewone toerist. De volgende morgen was hij weer de priester en zo ging het door.

Een andere keer het was in Denemarken, raakten we in gesprek met twee dames, namen werden niet genoemd maar uit het gesprek bleek dat de ene in Y woonde, ik liet me ontvallen dat ik daar nog een stuk achternicht moest hebben, van wie ik in jaren niets meer gehoord had. De bewuste dame keek me oplettend aan en zei ineens, jullie komen heb ik begrepen uit Leeuwarden?, we knikten van ja, waarop zij zei. Dan ben jij Willem Rinsma. Zij was de bewuste achternicht.. ik schrok mij dood en stamelde een excuus. Het werd goed opgenomen.

In Lemmer hoorde ik dat Sake Visser (de meeste gefotografeerde oud Lemster) inmiddels op Schiphol was geland na zijn vakantiereis. Het zal wel een gerucht zijn, maar er wordt beweerd dat Sake bij aankomst in Isral enige uren op de luchthaven is vastgehouden, als verdacht van spionage voor een of andere bananenrepubliek. Toen echter zou zijn gebleken dat z'n haargroei geen vermomming was maar puur natuur, mocht hij na aangeboden excuses vertrekken. Sake hoe zit dat nou?

Een paar dagen nadat dit stukje klaar lag voor verzending, ging bij mij de telefoon. Men mag twee keer raden wie mij opbelde - Sake. Hij vertelde mij welk een prachtige reis hij had gemaakt. De beleving van zijn leven, zij het erg vermoeiend. Deze vakantie heeft op zijn gevoelige natuur een diepe indruk gemaakt, zoals duidelijk uit zijn woorden kwam. Woorden van die andere Sake dan alleen de uiterlijke kant. Hij noemde onder andere het prachtige uitzicht vanaf de Olijfberg en de daarmee verbonden historie en andere fraaie dingen, waarvan hij had genoten. Het typische is (in verband met bovenstaand gerucht) dat hij inderdaad door de douane werd terug geroepen toen hij voor de terugreis het controleapparaat passeerde. Hij had een fraai koperen doosje gekocht en dit in zijn reistas gestopt, met als gevolg het alarm afging. Sake Visser moest alles uitpakken en toen ontdekte men de onschuldige oorzaak. Hoe dan ook de reis blijft voor Sake een blijvende herinnerring.



Isral, Jeruzalem: De westelijke muur (Wailing Wall), Al Aqsa Mosque, Olijfberg.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 

 

Theunis (de Flapper) Visser.

Lemmer.

In eerder artikelen hebben wij wat herinneringen laten herleven uit de Lemster periode, die we hier onder voortzetten.

Op de markt was destijds een textielzaak gevestigd van Izaak Speijer, waar zich vermoedelijk thans het zakenpand van de heer Henk Molenberg zich bevindt. In de zaak van Speijer was van alles op textiel te koop. De artikelen lagen in bakken rommelig door elkaar en zelfs aan de buitenkant was een etalage opgesteld om iets uit te zoeken. In die tijd reeds een moderne open winkel, waarmee ik niet wil suggereren dat het bekende mode magazijn van de firma Schirm hiervan het gevolg is geweest.

De zaak van Speijer, later Molenberg.

Speijer, een korte nogal dikke man, stond regelmatig achter zijn toonbank. Op de loer om de geachte kopers goed in de gaten te kunnen houden. Op een warme zomerdag stuurde mijn moeder mij naar zijn winkel om een zwembroek te kopen maar zei ze erbij, je moet goed opletten en afdingen, want zo gaat dat in deze winkel. Ik knoopte het goed in mijn oren en haastte mij naar de winkel met in het vooruitzicht straks in de haven te kunnen plompen met een nieuwe zwembroek, die niet meer zoals de oude steeds afzakte, waardoor de zedelijkheid in gedrang zou komen.

Nauwkeurig doorzocht ik de buiten opgestelde bak en vond al gauw iets van mijn gading om vervolgens opgewekt de winkel te betreden. Deze had mij allang in de gaten en zei direct "Wat hest daar" met daarop mijn vlotte antwoord "Wat anders dan een zwembroek". Speijer had blijkbaar zijn dag niet en bleef kortaf, wat echter geheel niet tot mij doordrong, vervuld als ik was van mijn nieuwe aankoop en de instructies die mijn moeder mij mee gaf, de prijs werd genoemd en ik dingde een stuiver in de argeloze veronderstelling dat Speijer hier wel zou intrappen. In plaats hiervan liep zijn hoofd witheet aan en werd ik uitgescholden voor snotneus. Hij kwam haast over de toonbank heen met de woorden "Wat meenst dou wel, er t of ik schop die er t. Door deze reactie dodelijk verschrikt, ben ik zonder zwembroek in een record tijd naar huis gerend, om maar weer met mijn oude zwembroek te gaan zwemmen.

De eerste weken ben ik met een boog om de winkel van Speijer, heen gelopen, totdat ik de moed verzamelde, zonder af te dingen er toch een broekje te kopen. Speijer was toen weer heel vriendelijk en deed of er niets was gebeurd. Hij was trouwens toch een aardige man, alleen nu en dan wat opvliegend.

Destijds woonde er ook een onderwijzer in Lemmer, die Speijer geregeld op de kaartclub ontmoete in hotel van der Hoff, later hotel Boersma. Speijer kon deze onderwijzer niet luchten nog zien, omdat hij met schutjassen altijd jammerlijk van hem verloor. In die tijd ging er driemaal per dag een bus met passagiers naar Sneek, deze startte voor het Gemeentehuis waar nu onze vriend Everto de Carro (lijkt wel Spaans maar hij is een Real Lemster, al jaren zijn uitstekende producten tegen zeer billijke prijzen verkoopt.

De laatste bus vertrok in de namiddag omstreeks 5 uur en Speijer moest op zekere dag nog dringend voor een boodschap naar Sneek. Zodat hij op het laatste moment dravend en zwetend zijn tent uit stoof, maar oh noodlot, de bus reed precies voor zijn neus weg, hoe Speijer ook schreeuwde en rende hij kon de bus niet meer inhalen en de chauffeur scheen (?) hem niet te horen. Dit vermakelijk tafereel werd door vernoemde onderwijzer, die toevallig voor het postkantoor stond met kennelijk genoegen aangezien. Hij kon het niet laten om tegen Speijer te zeggen, dat hij meer moest trainen in hardlopen om wat ponden af te vallen. Deze werd razend, stikte haast in zijn woorden en kon alleen tegen zijn rivaal uitbrengen "Och man val dood smerige bleuband vreter" dit was zijn manier om wraak te nemen.

Dit incident herinnert weer aan een andere familie in Lemmer. Op de Nieuwedijk woonde destijds de Davidsons: vader, moeder, dochter en zoon Machiel. (● Machiel Davidson, geboren op 21 juli 1893 te Lemmer, overleden op 28 februari 1943 te Auschwitz, 49 jaar.) Deze laatste was eveneens een apart type, die wij als jongens goed kenden en die nu en dan ook op onze dansavondjes in het Nutsgebouw aanwezig was. De moeilijkheid voor Machiel was, dat de meisjes vaak niet met hem wilde dansen omdat hij zo stonk naar kattenvellen en allerlei andere rommel, die hij in een hok op de Nieuwedijk, laat ik maar zeggen deskundig bewerkte ten behoeve van zijn handel. Uit het hok kwam inderdaad een niet te harde, alles doordringende stank waar Machiel door gewoonte niets van merkte, maar hem wel als een mistbank doordrong. Dergelijke oneindigheden moesten door een oudere vriend die de leiding had, op een tactische manier worden geklaard. Geen gemakkelijke opgave met Machiel, want deze begreep er niks van en kreeg de pest aan hem.

Als hij zelf danste wenkte Machiel ons en wees naar hem, en had dan de gewoonte te zeggen "kijk zie je wel hij is kwaad, hij heeft een kattenrug" iets wat Machiel door zijn specialiteit heel goed kon beoordelen. Wij konden deze grap maar matig waarderen, omdat onze vriend inderdaad een klein lichaamsgebrek had. Om hem af te leiden vroegen wij hoe het met zijn zuster Sara ging, waarop altijd prompt de reactie op volgde "Zoek haar eens op dan zal je zien dat zij vlekkerig begint te worden, omdat het weer er in zit".

Je kon zulke dansavonden best met hem omgaan, maar het kon de volgende dag ook gebeuren dat hij vanuit zijn werkplaats met kabaal en veel geschreeuw een bezem achter je aansmeet, omdat je er langs fietsende vriendelijk riep: "Machiel Adriaanzoon de Ruyter" zonder enige bijbedoeling natuurlijk. Deze mensen zijn er helaas allang niet meer in het bijzonder door de Duitse bezetter. Zij gaven een aparte fleur aan Lemmer, evenals Hijmans uit de Schans.

In deze zelfde periode, of iets later werd ook nu en dan behoorlijk geknokt door jongelui die boven hun dranklinie waren gestegen. Gelukkig was het nooit ernstig en vielen er geen slachtoffers. Alles was gebaseerd op een grote mond en wat vuistwerk. In dit verband herinner ik mij nog heel goed dat zij een groot ontzag hadden voor agent Hans Poepjes, die in Oosterzee werd gestationeerd, nadat hij zijn opleiding in Rotterdam had genoten. Men wist te vertellen dat hij korte metten maakte en niet vatbaar was voor smoesjes.

Toen er weer eens iets aan de hand was, werd Poepjes erbij gehaald. De relletjeschoppers vluchten hals over kop naar de aken en de botters, die als gewoonlijk in rijen van 4 of 5 in de vluchthaven lagen aangemeerd. Als ik mij niet vergis was Rode Okke er ook bij en Teunis Flappert, overigens beste jongens die zo'n haast hadden dat zij struikelden, ook door het afzakken van hun broek, en aan de buitenkant van de gemeerde schepen als speren in het water schoten. Poepjes stond het schouwspel vergenoegd aan te zien, stak de duimen achter zijn koppelriem en liep met opgeheven gezicht terug naar het centrum de orde was immers hersteld en de burgerij kan rustig gaan slapen.

Theunis (de Flapper) Visser.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Lemmer, 1909.

Naar ik meen in 1909, kwamen er weer twee nieuwe plannen, de Parkstraat zou worden gebouwd en het park werd een perkje van 5 bij 6 meter doorsnee. Maar ik weet nog, dat de sloot langs de straatweg eerst werd gedempt met zand. Er werd begonnen met het bouwen van twee winkels vooraan, waarin later een kruidenierswinkel kwam, van Pieter Douma en aan de Lemster kant Beersma met textiel, het waren voor die tijd riante huizen, en dat niets hier blijvend is, blijkt wel uit het feit dat de winkel van Beersma (J.J. Beersma, 2e Parkstraat) allang weer afgebroken is.

Later kwamen de tweede en derde Parkstraat, je dacht toen maar ze kunnen nooit tot de trambaan bouwen, want dat is zo eindeloos ver weg. Als je op de straatweg liep, en je zag de tram voorbij rijden, die zo klein leek aan de horizon, nee dat was nooit te belopen. Japie van Kleis, kwam dan ook later in de tweede Parkstraat wonen, maar dat duurde niet lang want Japie zei "Het was 1600 stappen naar de haven en 1600 stappen terug" en dat duurde Japie veel te lang. En nu zijn die Parkstraten allang afgebroken, en de tram rijd allang niet meer, de tramboot vaart al in geen jaren meer, en de Lemsters wonen al verder van het centrum dan destijds van af de trambaan het geval was.

Parkstraat te Lemmer.

We hadden het toen nooit voor mogelijk gehouden. Meester leerde ons toen op school, dat we met 7 miljoen mensen in Nederland woonden en landbouw en veeteelt het hoofdmiddel van bestaan was, en dat we arm waren bedeeld met delfstoffen. Dat is nu allemaal wel even anders, want we lopen al aardig naar de 14 miljoen. Maar toch is het leven heel wat prettiger geworden. Want we beginnen maar eens te kijken naar wat we nu kinderarbeid noemen, maar toen heel gewoon was.

Ik zal U eerst vertellen wat aanazen was, want dat bestaat een dikke 40 jaar niet meer, de helft van de vissersvloot was naast het ansjoopvissen aan het hoekwanten. Dat was vissen op bot met een hoekwant, een spleet telde 225 haken, die aan snelle laten we maar zeggen dunne touwtjes waren bevestigd en zo'n 60 70 cm lang waren. Die waren dan weer geknoopt aan een dikkere lijn, de haken zaten aan een vaam, dat is ongeveer 1.75m. van elkaar en aan elke haak moest een gekookte garnaal worden gestoken of gekruld , je had aasbakken die zo'n 1.20 m. lang waren en zo'n 60 cm breed, met schuin opstaande randen, alleen aan de voorkant niet. De haken zaten op een spleet, dat was een houtje van 35 cm lang, waarin naast elkaar twee dikke ijzeren draden geregen zaten, waar de haken op geregen waren.

De spleet of het houtje stak in een gat in de aasbak en het azen kon beginnen. Zo'n 20 cm van de achterkant van de bak werd een laagje zand gelegd het hoekwant kwam er achter te liggen en de haken met de garnaal eraan in het zand. Zo gingen 5 spleet hoekwant op of in een bak. Het was zoals U wel begrijpt arbeidsintensief werk , want er werd door de best bemande schepen zo'n 60 spleet geschoten of uitgezet in zee en dat was vele kilometers lengte.

U had zeker niet gedacht dat vroeger de Lemsters gokkers waren. Nu dat was wel zo, naast de hang van Andries Blauw, toen het huis er naast nog niet gebouwd was, stond er alleen een schaapskooi van Pieter Wouda, een broer van mijn schoonvader Jan Wouda en Taede Wouda, van de LE 2. Dat zijn de drie stamvaders van alle Wouda's. Je had in de Benedenschans de steeg van Pieters Antje, en daar stond een pomp van Pieters Antjes, Pieter werkte op de houtmolen en had een paar schapen die 's avonds in de kooi worden gebracht.

Als kinderen mazelen hadden, en die wilden niet uitkomen, ging men naar Pieter om schapenkeutels, die werden in een zakje in warme melk gehangen en de kinderen moesten dat op drinken. 't Was een probaat middel, zei men! Maar bij de schaapskooi van Pieter was een flink stuk zwarte grond en dat was de gokhoek. Zondagsmorgens waren daar zo'n 150 man bezig om met geld te spelen. Het meest geliefd was het zogenaamde "bekken" Dat werd met drie of vier man gespeeld en er werd eerst overeen gekomen of er met n of twee centen gespeeld zou worden. Dan werd er getost wie er eerst mocht, was al koploper, deed je met vier man dan kreeg de eerste 8 centen in een dichte hand en die werden op de grond geworpen, de centen die op kruis vielen waren voor de gooier. Dan mocht de tweede met de overgebleven centen en zo ging dat door.

Er waren soms wel volwassenen die het met dubbeltjes deden, dan waren er die net als stand werkers riepen "Cent forgees" Er werd dan een cent gegeven aan de roeper en die gooide de cent omhoog en die moest wapperen, dat was kantelen in de lucht. Viel de cent op kruis dan mocht de opgooier de cent houden, viel hij op munt dan moest de ander 2 cent hebben. Dan was er het streekje nerven, dan werd er een ovaal figuur in de grond met een streep overdwars gezet, en daar in het midden een vierkantje op, hoedje genaamd dan was er het werpen met centen door twee of drie man, gooide iemand een cent in het hoedje dan was al het geld voor hem. En anders was de winnaar wie het dichts bij het hoedje was.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Lemmer omstreeks de twintiger jaren.

Toen het die avond lang geleden gebeurde, moet het laat in november zijn geweest. Lemmer was reeds een paar dagen in een vieze kleverige mist gehuld, mede veroorzaakt door de laaghangende rook van de visrokerijen (het milieu was toen nog onbekend) De misthoorn met zijn dag en nacht naarstig gebrul (de Bolle zei men) golfde in flarden tegen de huizen en stierf enige kilometers verder uit. De smoezelige gasverlichting bij de Blokjesbrug kon nauwelijks tot verlichting komen. Nog zie ik de man uit het doktershuis op de Schulpen komen, om vervolgens met haastige tred in de richting van de brug lopen. Tot mijn schrik liep hij verleid door de mist en de karige verlichting teveel naar rechts en met 'n schreeuw verdween hij van de hoge kade in het donkere koude water.

Na de plons was het even doodstil maar gelukkig kwam de vergadering (Leugenbank) op de hoek in actie en hoorde je enige malen achtereen Plomp, plomp, plomp. Dit werd gevolgd door veel geschreeuw en gevloek in het water, want de redders 'Witte Jelle' inbegrepen konden elkaar niet onderscheiden waardoor de n de ander greep. Het duurde echter niet lang of de drenkeling werd met man en macht via het vlot op de kant gehesen, voor de huizen van Bakker Loen en Slager Wiersma. Het bleek een schipper te zijn die naar de dokter moest voor een plotseling ziektegeval aan boord.

30-12-1940

Er werd verder in Lemmer niet lang over gepraat want zo iets gebeurde wel vaker, maar de drenkelingen werden altijd gered omdat zovele Lemsters uitstekende zwemmers waren en uiteraard vertrouwd met het water. Het was gewoon een erezaak en vaak ook een welkom verzetje.

Zo ook een redding in 1903.

Een verzetje was ook voor ons jongens, toen mijn goede vriend Albert Schirm, met een oude motorfiets, die hij ergens voor een tientje op de kop had getikt, op straat verscheen tot groot verdriet van zijn oom die er kennelijk totaal niets in zag. Wat hebben wij een moeite gedaan om dat kreng aan het lopen te krijgen, hetgeen voor mij althans veel zweten en duwen betrof. Daartoe aangespoord door een enthousiaste Schirm, die aanvankelijk niet wilde weten dat hij een kat in de zak had gekocht. Tenslotte belandde het vehikel op de schroothoop en zagen we uit naar andere mogelijkheden.

Dit had als gevolg dat we stiekem de motorfiets van mijn vader pikte. Dit was n van de eerste Harley Davidson's met een heel breed stuur. Deze motor zou geschiedenis maken Pa Rinsma, was als berijder zo onhandig als het maar kon, wat natuurlijk resulteerde in allerlei dwaze situaties. Zo herinner ik mij dat hij eens vanaf de Gedempte Gracht in de richting van de Kortestreek reed, de bocht te lang nam (of te hard reed) over de stoep bij de winkel van Peereboom en gas gaf van in plaats te remmen, om daarna door de ruit van de winkel te rammen en zonder ook maar n schrammetje terecht kwam tussen de baaien hemden petten en hoge hoeden.

De motor bleef draaiende voor de pui staan en Lemmer heeft er nog dagenlang over gepraat. Mijn vader had trouwens nog meer sporten, zoals het 'Wilsterflappen'. (Wilster is de lokale naam voor goudplevier en flappen staat voor de vangmethode.) Dit was toen in deze regio een volkomen onbekend iets. Hij was er zelf trots op en noemde zich bij voorkeur vogel flapper in plaats van Deurwaarder. Hij beschikte over de welwillende medewerking van, Van Deinum, die in 'n huisje woonde vlakbij de Zeedijk tussen Lemmer en Tacozeil. Deinum fungeerde als een soort voorhoede post, die direct een boodschap zou sturen zodra er wilsters in de buurt waren. Hij liet dan weten dat Rinsma onmiddellijk moest komen want zei hij "Het tilt van de wilsters wel een, Tramboot vol". Vader schoot dan meteen in de klompen om bij aankomst te ontdekken dat er geen vogel was te bekennen. Deinum veinsde er niets van te snappen, want hij had ze toch zeker zelf gezien!

Zou dit het huisje kunnen zijn van Van Deinum?.

Het moet ongeveer in die zelfde tijd zijn geweest toen schoorvoetend de schoolreisjes opgang kwamen. Wij stonden dan voor dag en dauw op en ik weet nog, dat ik de eerste keer door Siep Vleer, werd afgehaald om met het trammetje helemaal naar Oranjewoud te reizen. In ons gezelschap was ook onze vriend, Jan Douma, zoon van de bakker uit de Schans, later kapitein bij de Coastervaart, Die het als de beste kon versieren en mooi opzeggen. Hij had lak aan de ons vergezellende schoolmeester, waarbij o.a. de heer S. de Vries, van deze kreeg Jan een daverende klap om de oren, toen hij een glas kwast omschreef als hondenpies. Zijn reactie was dat het hem heel goed gelegen kwam, want eigenlijk had hij een gloeiende hekel aan limonade.

Over het trammetje gesproken: later reden wij er elke dag mee naar Heerenveen. Als conducteurs herinner ik mij de altijd vriendelijke Imke de Vries, Bakker en van der Wal met Prins op de "koffiemolen" als machinist. Vooral is mij M. Bijlsma, bijgebleven: een grote man met een klein conducteurpetje op zijn guitige kop, zoals hij alleen kon dragen. Hij maakte tijdens zijn werk geen onderscheid; iedereen was voor hem gelijk. De kaartjes werden meestal in de tram verkocht en Bijlsma had de gewoonte heel duidelijk te vragen, "n waar zal de reis heen"? Iemand die een retourtje vroeg kreeg te horen, dat hij alleen enkele reizen in de handel had, voor een retourtje moest je bij de chef aan het loket zijn. Hij wist ons ook goed aan te pakken, als we gezeten tegenover elkaar op de lange banken de tramwagen lieten schommelen tot ontzetting van de passagiers.

Door middel van de noodrem werd de tram gestopt en werden we ergens tussen Follega en Lemmer er uitgeschopt, wat lopen betekende tot aan de trambrug. Intussen was de Boer de brugwachter gewaarschuwd die ons aanzegde dat we op de bon gingen, wegens lopen op de trambaan. Al deze dingen hebben blijkbaar een diepere indruk gemaakt dan je verondersteld, Want anders zou je het nu niet meer zo precies weten. Door n en ander weer wat te laten herleven, hoop ik mijn vrienden en bekenden uit die tijd 'n pleziertje te hebben gedaan, want verder hebben dit soort stukjes natuurlijk geen enkele pretentie.

 Terug naar Inhoudsopgave.

De oude trambrug.


Lemmer zaterdag 9 augustus 1986.


Op n na de laatste dag van de groots opgezette festiviteiten, overigens met weinig wind voor de zeilers op het IJsselmeer, maar wel met een aangename temperatuur. Van de ons oud-Lemsters, zo bekende schepen waren nog slechts weinig in de oorspronkelijke toestand waar te nemen. De bouwers van de Lemster aken, gebroeders de Boer en hun vakmensen, waren op een vergrote foto uit 1911 te zien bij Foto Werner. Het was niet moeilijk de vader van Harm Douma, er meteen uit te halen noch de heer de Boer die, naar ik meen, destijds met zijn gezin naar Bussum is vertrokken. Als het juist is dan hebben we daar al eens met onze ploeg op weg naar Laren om te kamperen, een nacht op zolder geslapen. Of niet Feike Visser en Albert Schirm?
>>>

>>>Harm zag ik net nog even op de Kortestreek, scharrelen maar hij had niets in de gaten. Lemmer was weer even in de aanstekelijke atmosfeer gehuld. De harmonische muziek op de klip tegenover de Schulpen deinde over de straten en het water en paste geheel in de totaliteit van het Lemster beeld. Ik heb me laten vertellen dat de bespeler van het instrument in de Tuinstraat, woont en blijkbaar een inwoner van de laatste tijd is. Als immer waren de Streken dik bezet en het Dok gestoffeerd met rijen jachten, alles met elkaar een fleurig geheel vormende. Het rinkelen van de kassa's was hoorbaar....

Als je ook nu weer veel bekenden en vrienden ontmoet, dan is je dag helemaal goed. Bij de brug zag ik de sympathieke Siebe de Jong, die mij direct herkende ofschoon we elkaar in geen jaren hebben gezien, terwijl ook hij in Leeuwarden bleek te wonen. Wiebe Visser en zijn vrouw (Groningen), troffen we op het gezellige terras van de lunchroom met zijn handige zelfbediening aan de Kortestreek. Een uitstekende gelegenheid om weer eens wat bij te praten en zo ook te vernemen dat zijn zusters (en Jelle natuurlijk) met hun boten in de zomer een vaste ligplaats in de jachthaven hebben. Alle drie onze groeten langs deze weg.

Langs genoemd terras zag ik ook ineens Rienk Tijsseling en zijn vrouw voorbij gaan. Het gevolg was een onmiddellijke herkenning met een wederzijdse vriendelijke groet. Rienk was met zijn integriteit en bekwaamheid de grondlegger van het bekende accountantskantoor. Bij de sluis heerste eveneens een geanimeerde drukte. Als ik daar sta ben ik altijd zo stom om de Zuiderzee te willen zien, maar altijd loopt mijn blik te pletter tegen grote gebouwen op de achtergrond.

Teade Wouda en echtgenote waren er ook. Ze vertelden mij dat ze nog dit jaar naar 'n appartement in de Schrans te Leeuwarden hoopten te verhuizen. Bij de spoorwegovergang wordt nl. een groot flatgebouw neergezet. Hun huidige woonomgeving voldeed hun zacht uitgedrukt niet meer. Verderop, wandelend langs de nieuwbouw richting Schapendijkje, zag ik Wiebe Scheffer, nu ook wonende in Leeuwarden, zich daar had genesteld. We hebben een paar woorden gewisseld met er tussen door een groet aan de vrouw van Imke van Dijk. Ik kan geen stap in Lemmer doen of ik kom n van hun beiden tegen. Gegroet! Daar we - mijn vrouw, dochter Ingrid en man en 'ik zei de gek'- nogal laat waren hebben we van het zeilen niks kunnen zien. Maar de NOS had warempel deze keer Lemmer ontdekt zodat het journaal van acht uur goede beelden van het gebeuren gaf.

Een onverwacht beeld vertoonde zich toen we de Plattedijk afreden om een bezoek aan het Iselmar-centrum te brengen. Ik was daar al een hele tijd niet meer geweest en dan sta je toch wel even te kijken, dat enorme complex met al die appartementen, het fraaie ingerichte restaurant met lounge, ingebouwd zwembad en solarium. Inderdaad niet niks. Vanaf de achterkant van dit royale sportcentrum heeft de recreant een ruim overzicht over de tot de 'nok' toe gevulde jachthaven. Op de wal waan je je ergens in Duitsland, vanwege de vrijwel alleen Duitse kentekens op de geparkeerde auto's.

Ik loop verder naar het eindpunt waar de oude Zijlroede in het Stroomkanaal overgaat. De schittering van het zonlicht op het brede water van het kanaal, omhult nog steeds het zacht ruisende riet dat zich elegant op de wind buigt. Vroeger heerste hier een volmaakte stilte en hoorde je in de late zomeravonden alleen de roep van een eenzame binnenvisser, De introverte bezoeker van heden kan de echo ervan misschien nog horen.

Terug in Lemmer, wat zich zo langzamerhand gerust een kuuroord mag noemen - was Reade grijze Sake, niet te zien. Voor hem is dit overigens niet zo erg want hij had onlangs reeds weer de show gestolen door de manier waarop hij bij (Bram-Teut) Bram de Jong een fraaie racefiets inwisselde. Een knap stukje werk.

Sake Visser (Reade Sake) die hier de fiets in ontvangst neemt, en later de wielerronde van Lemmer opent.

Na een vluchtig bezoek aan Henk Molenberg en diens vrouw, liep ik nog gauw even naar n van de praatbanken bij de brug. Riekus was er deze keer niet. En van de aanwezigen werd mij aangewezen als iemand die vroeger zoiets als de 'Schrik van Lemmer' zou zijn geweest. Dit etiket moet ook weer worden beoordeeld in speciale aanduidingstaal van lang geleden. Toen ik hem vroeg of het waar was, kreeg ik vlot te horen "Tink er mar om, oars traapje ik do sa op it tserkhf". Het was dus waar, duidelijker kon het niet.

Later speelde het carillon van de immer over Lemmer wakende toren de melodie van het volle uur. Het past geheel in de fleur van het tegenwoordige dorp. Misschien klinken de tonen door tot in de U.S.A. gelet op de belangstelling aldaar voor platbodems (o.a. klippers) via relaties van scheepsmakelaar Buch, zoals in een krant van 9 augustus was te lezen*.

(* 09-08-1986: AMERIKA HEEFT BELANGSTELLING VOOR ONZE SCHEPEN KLIPPER ALS DRIJVEND KANTOOR.

LEMMER, zaterdag In Amerika is grote belangstelling ontstaan voor Nederlandse klippers. De interesse kwam op gang na de vlootschouw ter gelegenheid van de feestelijkheden rond het herstelde Vrijheidsbeeld. In de vlootschouw, die aan het beeld voorbij trok, voer een aantal Nederlandse schepen mee. Scheepsmakelaar T. Buch uit Lemmer, die bij die gelegenheid ook met zijn boot in New York was, is daar benaderd door drie Amerikaanse architecten, die van klippers drijvende kantoren willen maken.

Men moet bedenken dat in Amerikaanse steden de grondprijzen enorm hoog zijn," vertelt hij. Daardoor gaat men op zoek naar alternatieven. De klipper is een van de weinige schepen die bescheiden van afmetingen zijn, maar wel over voldoende holte beschikken. Ik werd onafhankelijk van elkaar door het drietal benaderd met de vraag of ik hen aan schepen van dit type kan helpen. In de vaart zijnde klippers moeten een hoge prijs opbrengen. Dat komt door het toerisme, want eigenaren van klippers die 'charteren', verdienen een goede boterham.")

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Lemmer zonder Grenzen....(plus minus 1994, met typisch Lemster humor)


Lemmer - Vorige week woensdagmorgen maakte de inmiddels befaamde oud-Lemster Sake Visser in de dorpsmond beter bekend als Reade Sake bekend, dat hij van plan is een boek over Lemmer te gaan schrijven. De titel van het ongetwijfeld interessante boek zal 'Lemmer zonder grenzen" zijn.
De immer opgewekte Sake Visser zat in de Wildeman o.a. bij de in Lemmer wonende Jan Aukema en diens zwager en oud Lemster Reitze Lemstra. Reitze Lemstra woont in Rotterdam, waar hij 45 jaar deel uitmaakte van de politie. Op de vraag waarom ze destijds uit Lemmer weggetrokken waren antwoordden Lemstra en Visser volmondig: "t earmoede".

Na een overeenkomst te hebben gevonden verkondigde Reade Sake meteen dat Lemstra en hij 'wapenbroeders' zijn, die elkaar ieder jaar tijdens de 'Lemster Wike' weer ontmoeten. Op de vraag waar Sake zich bevond tijdens de renie voor oud-Lemsters, antwoordde deze: "Dy haw ik fersitten, jonge. Ja sjoch, ik mocht op 'n aak mei nei it stoomgemaal. Ik hearde by de 'welgestelden'.

Visser, die ooit als een der eersten in Lemmer met ijs begon te venten (een ijsje voor 1 cent), maar ook als goedheiligman en dorpsomroeper fungeerde, stond en staat nog steeds paraat als er iets in Lemmer is te doen. Hiervoor komt hij met veel plezier over vanuit Heerenveen; is het niet voor het zeilen dan wel om hier te fietsen.

V.l.n.r. Jan Aukema, Sake Visser (vader van Roelie) en Reitze Lemstra. Sake Visser merkte bij het nemen van de foto op,"Dat men er bij de drukkerij zorg voor moest dragen dat de foto niet op de kop werd afgedrukt, omdat zijn gebit anders uit zijn mond zou vallen". (waarvan acte!)

Sake Visser.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Lemster zeelieden en de zeilvaart in de 19-de eeuw.
 

Kofschipper Adrianus Siebes de Jong voer op de West.

Vervallen zeilvloot.

Toen in 1813 Nederland weer onafhankelijk werd, verkeerde de zeilvloot ernstig in verval. Er waren hoogstens 30 schepen, min of meer geschikt voor de vaart op Indi. Van Amerikaanse en Engelse reders, die in de Napoleontische tijd een moderne zeilvloot hadden opgebouwd, moesten klippers worden gecharterd om de verbinding met de Tropen te herstellen.

Koning Willem I, bepaalde dat een premie zou worden gegeven aan Nederlandse werven, die schepen van minstens 300 ton lieten bouwen. Op initiatief van de koning werd in 1824 de 'Nederlandsche Handel Maatschappij' opgericht om de in verval geraakte kolonin weer tot 'bloei' brengen. Zo werd onder andere verplicht voor het vervoer van Indische Gouvernement producten uitsluitend gebruik te maken van Nederlandse schepen, terwijl voor elk nieuw schip de bevrachting van twee uit en thuisreizen naar Java of China, tegen winstgevend tarief werd gegarandeerd. Om voldoende aanwas te krijgen van vakbekwame zeelieden werden de grotere klippers en barken verplicht minstens n leerling als lichtmatroos in dienst te nemen voor elke 100 last laadruimte. En last is twee ton

Herstel.

In 1824 bezat Nederland 1100 schepen waarvan 54 Oost-Indivaarders. In 1837 was het aantal Oost-Indivaarders toegenomen tot 146 stuks met een draagvermogen van 50.000 last. Dit was voldoende vervoer's capaciteit om de bouwpremie te laten vervallen. Toen de Nederlandsche Handel Maatschappij er toe overging om aan schepen van 400 last en minder een hogere vracht toe te kennen dan aan schepen van groter charter, werd het voordelig schepen te bouwen die zo dicht mogelijk onder de 400 last bleven.

De gebruikte scheepstypen waren scherp gebouwde klippers, fregatten en barken. De Klippers en fregatten waren gewoonlijk als bark getuigd, waardoor met een kleinere bemanning kon worden volstaan. Op snelheid werd in die dagen nog niet gelet. Omstreeks het midden van 19 de eeuw nam Nederland met 2400 houten zeilschepen, varirend van 100 tot 800 ton, de vierde plaats in van de zeilvloot in de wereld. Van deze 2.400 schepen, die grotendeels per schip kleiner waren dan 100 last, was meer dan de helft gedomicilieerd in Amsterdam. Rotterdam was toen de tweede haven en voor wat de specifiek Nederlandse rondgebouwde scheepstypen, de koffen en tjalken, betrof, was de provincie Groningen de belangrijkste thuishaven.

Wat totale aan en afvoer van lading betrof, zou het tot plm. 1900 duren dat Rotterdam de hoofdstad had ingehaald en begon te overtreffen. In 1859 waren er 1100 reders; de meeste rederijen exploiteerden n schip Ongeveer 500 grotere schepen, klippers, barken en fregatten voeren bij toerbeurt op Indi voor de NHM. De kleinere schepen, zoals koffen, tjalken. en schoeners, waren meer kustvaarders en bevoeren Scandinavische en Engelse havens, de Franse bocht of bedreven, de straatvaart (door de Straat van Gibraltar). Slechts enkelen staken de Atlantische Oceaan over.

Stoomvaart verdringt zeilvaart.

Hoewel al in 1826 de eerste Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (NSBM of NSbM) werd opgericht, die met vijf schepen de vaart van Rotterdam op Keulen en Antwerpen onderhield, vond aanvankelijk de toepassing van hulp stoomvermogen weinig toepassing bij de klipperfregatten. Wel werden kleinere raderstoomsleepboten, gebruikt voor het geleiden van de grotere zeilschepen naar de havens van Amsterdam en Rotterdam.

De in 1847 gebouwde ijzeren schoener "Industria" van W. Ruys bewees in 1848 zijn zeewaardigheid door via Kaap Hoorn naar Valparaiso te varen. Toch waren tegen het einde van het derde kwarteeuw ijzeren schepen in de vaart op Indi nog uitzondering. Omstreeks de zestiger jaren beleefde de zeilvaart wederom een malaise periode. Het scheepstype dat zich onder invloed van de bescherming door de Handel Maatschappijen in de Indische vaart had ontwikkeld, bleek daarbuiten niet rendabel.

De concurrentie van de stoomvaart begon zich af te tekenen. In 1856 werd de KNSM opgericht, in 1870 volgde de SMN. In 1880 kwam de KPM tot stand, terwijl tenslotte de Rotterdamse Lloyd in 1883 werd gesticht. Hoe zou de zeilvaart zich kunnen handhaven, vraagt Jacob Adrianus de Jong, zich in zijn studie af. Het enige wat een zeilschip voor had was de goedkope doch min of meer onberekenbare energiebron de wind. Het waren vooral de barken en de rond gebouwde zeewaardige maar nogal afdrijvende koffen, die plaats moesten maken voor de grotere snel varende scherp gebouwde klippers en schoeners. De traditionele laadruimte van 800 ton voor klippers werd al spoedig vergroot tot meer dan 1.000 ton. In 1870 werd zelfs de 2.000 ton overschreden. In 1903 werd de laatste stalen 4.mast bark gebouwd van 2.500 ton, waarvoor geen lonend emplooi meer werd gevonden. Na 1880 begon de stoomvaart de zeilvaart van de zee te verdringen. Omstreeks de eeuwwisseling was het lot van de grote zeilvaart beslist.

Adrianus Siebes de Jong wordt kapitein.

Adrianus Siebes de Jong, de overgrootvader van mevrouw van der Wal uit Lemmer, geboren te Schiedam op 12 oktober 1830 als zoon van Siebe Benjamins de Jong en Pieternelletje Trappenburg, dochter Van de Schiedamse molenaar Jan Trappenburg. Zijn vader Siebe Benjamins de Jong (1798-1854) stamde uit een oude Lemster familie van zeelieden, was kapitein van de kof "Anna". Zijn grootvader Benjamin Pieters de Jong (1764-1835) was kapitein van de kof "De Jonge Frederik". De familie woonde in Lemmer, de schepen hadden Amsterdam als thuishaven.

Adrianus had drie broers (twee oudere en n jongere) die evenals hij.. hoe kon dat ook anders, zeeman zouden worden en drie zusters, namelijk Clazina, Pietje en Neeltje. De drie broers zijn overleden in of door hun beroep. Zijn oudste broer Benjamin, kapitein van de kof "Valerius Lodewijk" verdronk in 1864 op 43-jarige leeftijd op de rede van Lissabon tengevolge van het omslaan van een sloep.

Adrianus de Jong

Benjamin Pieter de Jong

Jan de Jong

Siebe de Jong

Zijn tweede broer Jan, lichtmatroos op de bark "Jan Pieterszoon", overleed in 1845, te Semarang. Zijn jongste broer Siebe, stuurman op de "Valerius Lodewijk'" overleed in 1863 op 24-jarige leeftijd te Matanzas op Cuba. Zeevaartscholen, zoals wij die thans kennen, bestonden destijds niet.

Jongelui, die zich tot de scheepvaart aangetrokken voelden, leerden hun vak in hoofdzaak in de praktijk. Adrianus de Jong, werd op 20 april 1852 het diploma eerste stuurman van de zeevaartschool te Harlingen uitgereikt. Na een meerjarige praktijk als lichtmatroos, leerling-stuurman en stuurman, werd Adrianus de Jong op 24 jarige leeftijd in 1854 kapitein van de kof "Adolf Frederik". Voordien had hij nog twee jaren gevaren als eerste stuurman op de schoener "De Jonge Walrave". Hij was ingeschreven bij het Zeemanscollege te Amsterdam onder no. 654. Dit is tevens het nummer dat op de vlag was vermeld met de letter 'A' op de voorste mast van zijn schip. De letter 'A' gaf aan de eerste letter van de thuishaven. Van in Rotterdam gedomicilieerde schepen voerden de gezagsvoerders hun collegenummer in de vlag, gevolgd door de letter 'R'.


'De Amsterdam' De Amsterdam in de binnenhaven van Lemmer, omstreeks 1920. En der eerste boten die behalve vracht ook passagiers vervoerde. De "Amsterdam" en het zusterschip de "Lemmer" waren eigendom van de Lemster ondernemers, Adrianus de Jong en Jochem de Haan. Het stoomschip had oorspronkelijk 2 masten. De achterste mast werd later verwijderd, waardoor er meer ruimte kwam voor passagiers.


Over-de oceaan.

De "Adolf Frederik" was een tweemaster, met een ronde voor- en- achtersteven, breed in verhouding tot de lengte, goed belaadbaar, dreef vrij veel af en was derhalve minder snel dan de scherp gebouwde schoeners en klippers. Aangezien snelheid in die dagen niet zo'n voorname rol speelden als in latere jaren het geval zou zijn, het schip eenvoudig was getuigd en een kleine bemanning vroeg, gold toentertijd de kof als een economisch schip. Hoewel kofschippers zich hoofdzakelijk bezig hielden met de Europese kustvaart, maakte mevrouw van der Wal's overgrootvader eens per jaar een reis naar "De West". Hij volgde met zijn schip ten dele het zgn. karrepad van de Oost-Indivaarders, dat wil zeggen door het Kanaal, via de Azoren, Madeira en de Canarische eilanden tot Trinidad. De Indi-vaarders wendden hier de steven naar het Oosten (de Kaap). Adrianus Siebes de Jong, passeerde Trinidad in westelijke richting naar als eerste haven Curaao. Vervolgens werden bezocht de onderwindse eilanden, Paramaribo en de haven langs de oostkust van Brazili tot Rio de la Plata.

Handel op Amsterdam.

Aangezien Adrianus de Jong, behalve schipper ook koopman was, werd behalve de gecontracteerde lading, indien er vrije ruimte overbleef, voor eigen rekening katoentjes en ijzerwaren, meegenomen uit Amsterdam; goederen waarvoor in de West altijd belangstelling bleek te bestaan. Was er voor de terugweg laadruimte over, dan werd deze opgevuld met huiden in Rio de Janeiro of met koffie in Bahia, waarnaar vraag bestond in Amsterdam. Eerste haven in Nederland was Den Helder. Bij gunstig tij en wind werd door de geulen in de Zuiderzee naar Amsterdam gevaren. Zo niet, dan werd het schip door het Noord-Hollands kanaal naar Amsterdam getrokken met een raderstoomsleep-bootje.

De vaargeul in het zuidwestelijke deel van de Zuiderzee vertoonde in het begin van de 19-de eeuw neiging tot verzanding, terwijl het aantal schepen van grotere diepgang toenam. Dit had tot gevolg dat voor Amsterdam bestemde grotere schepen in Den Helder een deel van de lading moesten lossen en zo nodig met een scheepskameel over de ondiepte bij Pampus werden gezeild.
Scheepskamelen zijn inrichtingen waarmee schepen, die door hun diepgang bepaalde ondiepten niet konden passeren, gedeeltelijk uit het water gelicht konden worden, uitgevonden in 1688 door de Amsterdammer Meeuwis Meindertsz Bakker. Ze werden steeds in paren gebruikt en bestonden uit een soort houten caissons, van binnenverdeeld in, waterdichte kamers die leeggepompt konden worden. Tegen elkaar aangetrokken pasten ze precies aan weerszijden tegen een schip, dan kon het onder eigen zeil of gesleept in de haven wordend gebracht.

De noodzaak tot het gebruik van kamelen ontstond door de verzanding van de haven van Amsterdam. Om de haven van Amsterdam voor schepen van grotere diepgang bereikbaar te maken, werd in de jaren 1818-tot 1824 't Noord-Hollandskanaal gegraven. Dit kanaal was twee meter dieper dan de geul bij Pampus. Om de kosten van deze aanleg niet al te zeer op te voeren, werden de vaak zeer bochtige ringvaarten van de ingepolderde meren deel van dit grote scheepvaartkanaal. Deze bochten hebben wel eens last veroorzaakt Volgens W.W Reys in zijn boek. "Aardrijkskunde van Nederland" deel I, kwam in Purmerend op een zondag tijdens de kerkdienst de boegspriet van een klipper door het kerkraam steken. In Amsterdam werd zo mogelijk afgemeerd op het toen nog open IJ aan de noordelijke kant van het stationseiland nabij het voormalige hotel "De Ruyter". Aangezien zo'n trip naar De West slechts enige maanden in beslag nam, werd tussentijds wilde vaart bedreven door vrachten te bemachtigen voor de Duitse bocht, Engelse havens of naar de Middellandse Zee.

Lemmer.

In januari 1857 trouwde Adrianus de Jong te Lemmer met Hendrikje Feites Bakker, geboren op 1 september 1834, overleden op 15 april 1867. Uit dit huwelijk werden twee zoons geboren, namelijk Feite, geboren op 30 januari 1858, overleden op 25 november 1909 en Siebe, de grootvader van mevrouw van der Wal, geboren op 8 mei 1862 en overleden op 27 januari 1935. Omstreeks 1860 kwam aan de bloei van de zeilvaart een eind, vooral barken en koffen verdwenen van het toneel om plaats te maken voor sneller zeilende klippers van grotere tonnage, fregatten en schoeners.

Adrianus de Jong kocht in 1862 in verband hiermee een snel varende schoenerbark van 200 ton, waarmee het bedrijf op dezelfde voet werd voortgezet. De schoenerbark, genaamd "Anna Maria Henrietta" was een tweemaster. De voormast was vierkant getuigd, de achtermast had langsscheepse zeilen. Op 12 oktober 1871 hertrouwde Adrianus de Jong te Lemmer met de volle nicht van zijn eerste vrouw, Hendrikje Comelis Bakker, geboren op 13 maart 1841 te Lemmer, daar overleden op 8 oktober 1914. Uit dit huwelijk werden geboren: Comelis Poppe 25 december 1875, Adrianus 2 juni 1877, Petronella Clazina 1 december 1878 en Dieuwke 19 mei 1881. In 1874 achtte mevrouw van der Wal's overgrootvader het nodig, mede om gezondheidsredenen (hij was astmatisch geworden), om over te schakelen naar de stoomvaart." De Arina Maria Henrietta" werd in het gebouw "Frascati" in Amsterdam verkocht. Nog in ditzelfde jaar werd Adrianus de Jong medeoprichter van de 'Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij' door inbreng van het stoomschip "Lemmer" dat de vracht en passagiersdienst zou onderhouden tussen Lemmer en Amsterdam. Adrianus Siebes de Jong overleed op 5 april 1894 op 63-jarige leeftijd, in Lemmer.

Door Albert Hendriks.


● Reactie.

Toen ik dat aardige verhaal las over de Lemster zeelui en de familie de Jong, bedacht ik, dat er minstens nog een reder in Lemmer geweest moet zijn, n.l Lichthart, maar daarover straks. Mijn reeds lang overleden man kreeg op de Amro- Bank, eens een jonge collega, die beweerde Dick de Jong, te zijn en een kleinzoon of achterkleinzoon van een Lemster reder. Nu kon ik eerst dat verhaal niet goed thuisbrengen, maar aangezien Dick een betrouwbare jongen was, ben ik het gaan navragen en ja, hij moet dus een kleinzoon geweest zijn van Siebe de Jong, die op de Nieuwedijk woonde. Dick' s vader (ouders?) zaten in Amerika en Dick is nog ver voor m'n man gestorven. Maar intussen wist ik het weer: C.P. de Jong was een neef van Siebe, had ook een Adriaan en poppe(tsie) Bakker was ook een neef, had ook een Cornelis.

Dat is gemakkelijk en zinvol als de mensen hun kinderen" vernoemen", dan blijven ze, als het ware, aan hun voorgeslacht verbonden, wat je van Sonja, Martin en Monique niet zo best kunt plaatsen. En nu Lichthart Ik heb hem niet gekend en vermoedelijk niemand van de nog levende Lemsters. Maar wel z'n vrouw, zoon en dochter. Ze woonden tussen bakker Oldendorp en bakker Van der Geest op de "Oude Haven". Toen ik er als kind kwam mocht ik oude platen bekijken van grote zeeschepen en kreeg ik het verhaal van het eigen schip dat nooit weerkeerde.

Of de weduwe daarna een winkeltje begon, weet ik niet, wel dat het erg beste mensen waren en dat het altijd armoe troef was, want zakenmensen waren het niet, behalve voor hun moeder moesten Sijbrand en Diewke ook nog voor 2 demente tantes zorgen Dieuwke was zo'n beetje hoedenmaakster erbij en Sijbrand liep, naar ik meen, voor het ziekenfonds. Later is hij nog bij ons boekhouder geweest, ik was toen z'n assistente en ik heb de herinnering behouden aan een zeer belezen, vrome en wijze man. Toen Dieuwke na de dood van haar broer de winkel niet meer houden kon, heeft ze nog met de "bollekoer" gelopen, die later door een karretje vervangen werd. Gelukkig heeft ze nog een paar zorgeloze jaren gehad in Hilversum, waar ze door een broer van m'n vader, Jentsje de Vries, die daar een rusthuis dreef als een soort juffrouw-van gezelschap bij een oude heer geparkeerd werd.

Rinsje van Ommen de Vries, Amsterdam.

Er steekt een interessant verhaal achter een tekening van een kofschip de "Adolf Frederik" en een schilderij van de Schoenerbrik "Anna Maria Henrietta", beide van de Lemster amateur schilder en tekenaar Siemen van der Wal. Op beide zeilschepen namelijk was de overgrootvader van Van der Wal's vrouw Dorothea Carolina de Jong, de heer Adrianus Siebe de Jong, uit Lemmer kapitein. Mevrouw van der Wal's overgrootvader, die de wereldzeen bevoer, overleed te Lemmer op 5 april 1894 op 63 jarige leeftijd. Zijn levensloop werd ettelijke jaren geleden bestudeerd door Jacob Adrianus de Jong, een neef van mevrouw van der Wal's, vader Feite de Jong.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Markante figuren van weleer in Lemmer.

Zoals ongetwijfeld vele anderen, las ik met belangstelling het interview in de krant van 2 maart 1978 door Albert Hendriks met professor Jan Pen te Groningen. Het blijkt dat ook hij met Lemmer van vroeger nog een binding heeft, gelet op zijn weergegeven indrukken. Met dit dorp is het geloof ik, toch opvallend hoe velen her en derwaarts verspreid regelmatig terug keren door oude banden. Natuurlijk is dit niet alleen met Lemmer het geval, niettemin het lijkt hier anders dan anders. Er was destijds ook duidelijk sprake van een nogal nauw verbonden gemeenschap, misschien door de invloed van de zee, wie zal het precies zeggen.

Jurjen Pen.

Ik herinner mij Jan Pen uit die tijd heel goed, ofschoon hij 10 jaar jonger is dan ik, wat op die leeftijd een groot verschil betekent. Zoals ik Willem Deurtje was, noemden zijn leeftijdgenoten hem inderdaad "Jean Plume" de tijd ook van Lijkele Boersma, zoon van hotelhouder Boersma op Nieuwburen, de nu bekende auteur Pieter Terpstra wiens vader in de Schans een boekhandel dreef. Klaas Zwarthoed later KLM gezagvoerder, de vriendelijke Rinie Koole, Harm Douma en andere die ik mij op dit moment niet zo goed herinner. Ik ben er echter van overtuigd dat de heer Pen in die tijd door zijn bijnaam niet gefrustreerd werd. Hij had de mond zeker op de goede plaats, maar benaderde de andere op intelligente wijze. Men werd op afdoende wijze van repliek gediend zoals ik hen toevallig eens bezig hoorde.

Ik kwam toen weer regelmatig door omstandigheden in Lemmer op onze primitieve tegeltennisbaan achter 'Hotel Boersma'. Verder kan ik mij levendig voorstellen dat hij van water houd in plaats van bossen, daar hij waarschijnlijk vanuit zijn slaapkamer, over het huis van de vishandelaar Willem Pippy en over de haven de zee kon zien.

De familie Pen woonde in een voor die tijd groot modern woon en winkelpand in de Schans. De winkel had die typisch aangename geur van teer en netten, zo echt behorende tot een levend vissersdorp. Men was zeer nauw met het dorp en de visserij verbonden. Ontelbare, allerlei soorten netten zijn in de kelders gebreid door bekwamen vaklieden als de familie Zijlstra (Minze-Jep) en anderen. De firma zelf had een internationale faam wat betreft de producten en haar betrouwbaarheid. Vader Jurjen Pen* was een sympathiek en dynamische man met een artistieke kuif, die voor iedereen voor goede raad en bijstand aanspreekbaar was, waarbij ongetwijfeld zijn lieve vrouw een grote rol speelde. Ja ook dit zijn mensen die glashelder in het geheugen blijven gegrift, evenals hun boekhouder de Heer de Vries, die jaren en jaren trouw de administratie van het bedrijf verrichte.

(* 21-01-1948Een 93-jarige.

LEMMER. Op Vrijdag 23 Jan. a.s. hoopt de heer Jan Pen alhier zijn 93ste verjaardag te vieren. Wie de heer Pen alle dagen door de Schans ziet lopen, om een bezoek te brengen aan de zaak, die nu beheerd wordt door zijn zoon, de heer Jurjen Pen, zou niet zeggen, dat hij al flink in de 90 is. Deze krasse oude baas fietste nog flink, toen hij de 80 al ver achter zich had. Het waren de Duitsers, die hem de fiets tenslotte ontnomen hebben. In alles stelt de heer Pen nog belang. Als er nog een belangrijke vergadering is, zal hij niet ontbreken, en op het laatste Sint Nicolaasfeest in de bewaarschool was hij aanwezig.

Toen de nieuwe brug naar de Schans in 1941 officieel geopend werd door de Burgemeester, was het ook weer Pen, die als eerste burger de brug overliep. Als oudste inwoner van Lemmer geniet hij een grote populariteit. Zijn gezicht wordt wel minder, en ook de stok is er het laatste jaar bijgekomen, maar desondanks wandelt hij nog overal heen. In het openbare leven heeft de heer Pen altijd een belangrijke plaats ingenomen. Zijn bestuursbaantjes waren vele en overal was hij actief werkzaam. Zo heeft hij mede opgericht de Ned. Ver. tot afsch. v. alc. houdende dranken, waarvan hij jarenlang voorzitter is geweest, en nu nog erelid, de bond van Staatspensionnering en niet te vergeten de Bewaarschool.

Van de vroegere S.D.A.P. is Pen ook de oprichter geweest en wel in de bekende kwestie HoogezandSappemeer. Voor vele Verenigingen was Pen mede de stuwende kracht en tal van sprekers, die voor diverse Verenigingen spraken, vonden in zijn gezin onderdak. Ook voor toneel, zang en muziek bestond bij hem altijd grote belangstelling. Bij de viering van het 50-jarig bestaan van de Muziek- en Zangver. Excelsior in 1946 kwam Pen persoonlijk zijn gelukwensen aanbieden, en sprak een kort herinneringswoord door de microfoon tot de aanwezigen.

Een bijzonderheid uit zijn leven was wel de tocht per arreslee over de toenmalige Zuiderzee in 1891 naar het Eiland Urk. Van de negen personen, die deze tocht volbrachten, is de heer Pen de laatste overlevende. Tot in 1929 was hij recordhouder van deze tocht, maar hij nam de kans toen waar, om op moderne wijze en wel per auto, deze tocht te herhalen. Een oorkonde van deze tochten is in zijn bezit.

Ook is de heer Pen een belangstellend zeiler geweest, en bij vele wedstrijden was hij vertegenwoordigd. Zijn zaak in de Schans in visserij producten, is zeker over het gehele land bekend. De heer Pen is geboren te Oosterzee, in een gezin van negen kinderen. Zijn vader was turfmaker en de verdiensten waren in die dagen slecht. In 1880 vestigde Pen zich in Lemmer en in 1882 trad hij in het huwelijk met Mej. Janke de Rook. Uit hun huwelijk zijn zes kinderen geboren van wie drie nog in leven zijn. Het zal a.s. Vrijdag de heer Pen stellig niet aan belangstelling ontbreken)

Er waren meerdere van die families in Lemmer, markante figuren in een passende omgeving, die een duidelijke stempel op Lemmer drukten, zoals de familie de Rook en de familie Sterk...'De Hangbazen' en de gebroeders Sleeswijk en 'De Houtmolen' van de eerst genoemden herinner ik mij het besten Jurjen en Tiese de Rook. Bij deze de Rook's, werkten destijds als boekhouder de bekwamen Rienk Tijsseling, de later bekende accountant in Lemmer. De door mij bedoelde Tiese de Rook, heeft jaren op de hoek van het tramstation gewoond. Het waren met elkaar mensen met capaciteiten die zelfs op ansjovis (door Tiese) in Spanje lieten vissen. Onderschat deze en andere oud Lemsters niet, zeker niet omdat het een andere tijd betrof met zo totaal verschillende opvattingen en andere economische structuren dan heden. Je moet wel veel visie en durf hebben en niet zoals sommige Lemsters onwennig worden als ze de vertrouwde torens in Lemmer niet meer konden zien.

Naast hun zaken stelden zij zich welbewust op voor het lot van anderen. Men had blijkbaar het intutief besef dat het er meer op aankomt wat iemand werkelijk van binnen is dan wat hij aan de buitenkant zowel is of lijkt: geen (politiek) fanatisme, want dit is de dood voor inzicht en wijsheid, noch holle en daarom vergankelijke leuzen vanaf de (politieke) barricaden.

1953.

Voetbal toen en misdaad.

Het stond destijds, zonder misverstand te wekken, duidelijk in de Lemster courant: Degenen die in de nacht van Vrijdag op Zaterdag de sokken op de Nieuwedijk van de lijn heeft verwijderd, wordt in zijn eigen belang aangeraden ze terug te hangen. De dader is bekend. Het rechercheteam Kok-Wiersma, werd direct ingeschakeld voor een diepgaand onderzoek. De heren hadden echter pech daar geen vingerafdrukken konden woorden ontdekt, noch voetsporen, en het verder een ernstige belemmering was, dat de mensen in die tijd grijze en zwarte sokken droegen. Zoek het dan maar uit. Want je kan moeilijk vermoedelijke verdachten uit de klompen laten stappen om het breipatroon te onderzoeken. Gelukkig was het ook niet nodig, want een paar dagen later kon worden gemeld dat de sokken weer op de plaats van de misdaad hingen en ook nog... zo werd er gezegd, netjes waren gestopt.

Zo ging het in deze tijd toen "Wet en orde" een andere indruk maakte dan nu. Dezelfde courant nam ook geregeld verslagen op van de door LVV gespeelde wedstrijden uit en thuis. Iedere Lemster kent lange Joost Scheffer, die destijds als keeper in het tweede elftal fungeerde en soms in het doel stond met een grote strooien hoed, die bijna tot de bovenlat reikte. Zodra er een gevaarlijke aanval plaatsvond, liep Jaap met een paar grote stappen uit zijn verdediging's positie, stak hij zijn grote hand als een bord in de lucht en brulde uit alle macht STOP! Dit veroorzaakte schrik en verwarring in de gelederen van de aanvallers, de eigen partij was met die truc op de hoogte, waardoor Joost een prachtige kans had de bal te grijpen en deze ver in het veld terug te slingeren. Waar hij terecht kwam was in die tijd van minder belang. Hij kon dit maar een paar keer uithalen, daar alles went en bovendien door de tegenpartij werd geprotesteerd bij de scheidrechters. Dit waren op eigen terrein meestal Lemsters, die beslist niet helemaal vrij waren van partijdigheid en sommige dingen niet hoorde of zagen.

Evert de Vries, 'Carro' speelde ook vaak mee en was wat je noemt een fanatieke doordrukker. Hij was werkelijk een week lang wanhopig als hij of iemand anders een opgelegde kans voor het doel miste. Die toch al loodzware bal kletste dan in een brede sloot met half zout water, die een paar meter achter het doel langs liep. Hij werd meteen opgevist door Sipke Woudstra, de gasfitter die geen enkele wedstrijd miste en vaak meereisde voor de slag die elders moest worden geleverd. Zijn zoon Jaap Woudstra, woont nog in de Lemmer. Vroeger woonden ze in het zogenaamde Kippebuurtje. Het is mij bekend dat Jaap een hartstochtelijk verzamelaar is van oude aanzichtkaarten en foto's van oud Lemmer. Hij maakte hiervan zelf afdrukken.

1963: Koert de Vries, in juli a.s. al 33 jaar lang de actieve secretaris, benevens voorzitter van de jeugdcommissie en totocommissielid.

Deze mensen hebben er veel aan gedaan dat de club steeds beter van de grond kwam om er een paar uit mijn geheugen te noemen: Uilke de Jong, scheidsrechter, Jan Coehoorn als ballenbewaarder, Herman Gebben enz. Jan had een nuttige taak, want we moesten de eerste jaren heel zuinig met geld zijn. Ook mede daarvoor zette Piet Zwart, een verloting op touw en plaatsen wij als jongens het oude orgel van Hette met de kruk. Welk orgel wij om beurten draaiden, op een vrachtwagen om er mee te trekken door Lemmer en omstreken, zelfs tot aan Kuinre toe. Hier hadden wij weinig succes, want voetballen op zondag was uit de boze en loten zijn voor de zotten.

Niettemin werd er een aardige cent opgehaald voor het opknappen van het terrein op het Hop en een poging een tribune te bouwen. Daarna draaide Hette iedere week weer verder met zijn orgel tot het van vermoeidheid in elkaar zakte. Jan Wever de bekende melkboer heeft het orgel als jongen vaak voor zijn oom geduwd en eraan getrokken tot hij er zelf haast bij neer viel.

Het was een hele eer als je in die tijd mee mocht spelen. De elftalcommissie besloot meestal op vrijdag avond. Dit ging zo, in die tijd was het vaste prik dat er veel langs de Streken werd gewandeld. Het kon er zelfs erg druk zijn, vooral waneer Excelsior op zomeravonden een concert gaf vanuit de muziektent, die toen tegenover de openbare school was gelegen, De commissie liep verschillende malen met ernstige gezichten, rond de Streken en plotseling schoot n van de heren op je af met kort afgebeten woorden "Je zit er in". Dit betekende dat je zondag paraat moest zijn, en dat er van je werd verwacht dat je vooral flink op de man speelde.
Later werd het geleidelijk allemaal anders en begonnen aarzelend onderlinge besprekingen over de te volgen spelmethodiek enz. Je kreeg toen ook netjes een briefje met ja of nee in de bus. Als ik nu het prachtige terrein en de accommodatie zie, dan is er uiteraard ook op dit gebied enorm veel veranderd. Ons genoegen en plezier was er toen niet minder om, want je wist immers niet beter.

Deze foto betreft een opname gemaakt ter gelegenheid van het behalen van het kampioenschap in de eerste klasse van de Friese Voetbal Bond in 1927 door Lemmer I. De foto is waarschijnlijk gemaakt in de tuin van hotel Boersma, onder de boom die daar stond en die op een speciale manier geleid was. Op de achtergrond zijn de huizen van de Polderdijk zichtbaar met daarboven uitstekend de pijp van de aan de overkant gelegen houtmolen.

Het eerste elftal kampioen 1e klas. F.V.B in 1927. Van 1923 tot 1926 was de naam L.V.V. Lemmer Voetbal Vereniging. Shirt Groen/Zwart. Broek: Zwart.
V.l.n.r: geheel boven: Sipke Woudstra, Jan Zandstra, (2 supporters) Staand: Jacob Visser, Andries Bootsma, Uilke de Jong, Sake v.d Bijl, Jelle Douma, Eele Visser, Jan Coehoorn, Sake Bootsma, Hidde de Blauw, Jurjen Propsma, Johan Platte, Roelof Zijlstra, A .v. Winden (scheidsrechter) liggend: Yme Bosma, Herman Gebben, Geert Feenstra, Dirk Veldkamp, Johannes Wijnands
.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Mensen uit het oude Lemmer en anderen herinneringen.

Nu stappen we weer over naar een onderwerp, het schaatsen. Wat leefden we vroeger mee met de Lemster schaatsers, die toen in Friesland en Groningen de lakens uitdeelden. U kent ze nog wel, 'Oude Liekele' die jong was, 'Zwarte Liekele', Arend Poepjes en Eelke de Vries. Dit viertal won alle prijzen, de grootste dan. Holst van Amsterdam won ook wel eens, maar de anderen kregen de centen. Maar we hadden ook nog veel schaatsenrijders, die net onder de top waren. Daar had je Andries de Blauw, de latere arm-meester, Lammert en Kees Dijkstra, met daarvoor nog een oudere broer, Jaap Stienstra 'Zwarte Jaap', Meinte Raadsveld, Franke Frankema en Benninga. Die reden meest de wedstrijden waar de kopstukken niet kwamen. Benninga kon zo hard klauwen, de hele 160 mtr lang. Z'n benen gingen zo hard heen en weer, het leek wel een wekker die afliep. Er werden in die tijd ook veel wedstrijden gereden met paren.

Lammert reed veel met Lytse Trien, en ze konden er wel wat van, het was in die tijd een kleine felle bliksem die helemaal schuil ging achter grote Lammert en hem onder het rijden steeds aanvuurde. Ze reed toen altijd in een gebreid, zoals ze dat toen noemden 'Oranje Nassau' garen rokje en een zelfde kleur broek eronder, wat al vrij gedurfd was in die tijd. Ook Djoeke Kingma reed wel mee en Sibbeltje Bootsma.

Sibbeltje Bootsma.

Arend Poepjes.

(Op 14-jarige leeftijd nam Arend deel aan een hardrijderij van jongens te hoek onder Rotstergaast. Hier won hij de premie, een nikkelen horloge met ketting. Toen hij zestien jaar was, ging hij naar Wolvega om aan een rijderij voor mannen mee te doen. Er waren niet veel minder dan 169 rijders. Nadat hij eerst tegen een sterke rijder een kamprit had gemaakt, doch daarna de beide volgende ritten won, ging hij naar een jongere broer en zei hem dat hij nu de eerste prijs ging winnen. En zo kwam 't ook uit. In 1899 wist hij te St. Johannesga, Follega en Wolvega resp. de 1e, 3e en 2e prijs te behalen. Daarna kwam hij op verschillende rijderijen in de provincie uit en ging regelmatig met de 1e prijs strijken. Graag had Poepjes de snelste rijder tegenover zich; dat inspireerde om zich tot het uiterste te geven. En hij wist in die tijd, dat hij het kon winnen.

In Leeuwarden moest hij het eens tegen de toen ook bekende rijder Holst opnemen. De eerste rit werd verloren, maar de beide volgende gewonnen. De eerste prijs ad f 120. was voor Arend Poepjes.


Verder nog de prijzen: Twee medailles van H.M. de Koningin, gewonnen resp. te Joure op 29 December 1908 en te Sneek, van 32 uitgenodigde rijders in 1912 en een van Prins Hendrik, eveneens te Sneek in 1907; twee verguld zilveren medailles van de Koningin, voor de snelste rit, beide te Zoutkamp en beide gewonnen in 1917; een gouden medaille, zonder datum, uitgeloofd door Friso" te Sneek. ,Hier won hij driemaal van 32 uitgenodigden. Het lint met zilveren schaatsje, van de ijsclub te Dokkum, werd eveneens driemaal gewonnen.

Lemmer heeft een riik verleden achter zich. waarmee het heden helaas wl een scherp contrast vormt. Want Lemmer heeft geen hardrijders meer. De klinkende namen van Lyckle Poepjes. Folkert van der Werf, Bouke de Wreede, Miente Steenstra, de Dijkstra's en Eelke de Vries.)

-Om nog even op schaatsrijder Benninga terug te komen, dat was een zoon van n van de twee Joodse slagers die toen in Lemmer waren. Hun slagerij was aan de Schulpen, toen naast de cosmeticazaak van C. P. de Jong. Benninga is naar Leeuwarden gegaan. Ze hebben het daar zeker goed gedaan, want vele jaren later zag je tankwagens rijden met het opschrift Benninga 's vetsmelterijen, (In het pand Hoogend 26 / 28 te Leeuwarden was vroeger de vethandel van Benninga, die via een naastgelegen steegje en een binnenplaats bij zijn hoge bedrijfsgebouw kwam, waar hij de vetsmelterij had).. De andere slager was Gebr. v.d. Woude, hij had een mooie zaak aan de Langestreek. Toen die ook zijn vertrokken heeft Dooitzen de Jong de zaak gekocht en zijn slagerij op de hoek Gedempte Gracht, werd toen betrokken door slager Koning, die zijn zaak in de Schans heeft opgeheven. Janus Coehoorn is daar toen gaan wonen.

Israelietisch weekblad 1898.

Foto van de site: BuzzyBeeForum 

Een tijdje geleden werd op de t.v. "Afkes tiental" en de toen in Warga, heersende armoede op het scherm gebracht. Wat me toen op viel, was dat schipper Bakker van Terhorne ter sprake kwam. Die heeft even later vanuit Lemmer de ansjovisvangst beoefend. Het was een grote groene Tjalk met zo'n koftjalkneusje ervoor en er stond UD 2 op, dat was Utingeradeel. Mijn neef Sake Los, heeft nog bij hem gevaren. Schipper Bakker was een beste man, mijn neef was bij zijn grootmoeder in huis, waar Bakker op bezoek kwam, waarschijnlijk voor zijn knechtje. Grootmoeder was niet erg lekker, hij haalde zijn portemonnee uit zijn zak, legde geld op tafel en zei "Haal hier maar Wortelboer kruidenpillen voor, bent U zo weer beter", wat nog waar was ook.

Jacoba Maria Wortelboer's Kruiden, die tot ver in de omgeving van Oude Pekela afname vonden. Kruiden, 'zijnde het beste huismiddel tegen vele ongesteldheden, zoals slechte spijsvertering, trage ontlasting, hoofdpijn, slijmhoest, gal, roos, influenza, enz. stond er verder op de verpakking van de kruiden te lezen.

Er waren toen veel binnenschippers die netten aanschaften en op ansjovis visten, want daar was voor die tijd soms veel geld mee te verdienen. Maar ja, je bent niet zomaar een goede visserman. Mijn vader heeft mij verteld dat er eens een schipper was, die kon zijn eigen netten of beun niet terug vinden, nu was dat niet zo verwonderlijk voor een niet vakman, want het was soms net een bos van boeistokken, maar voor de visserslui was het een lachertje. Hij vroeg aan iedere visser die hij praaide op zijn Jouster-hollands "H je myn beakens ook zien". Ze zullen hem wel niet veel wijzer hebben kunnen maken.

Zo'n geval als waarmee we de vorige keer eindigde, dat een schipper zijn netten niet kon terug vinden, had zich nog nooit voorgedaan en zou ook nooit meer gebeuren. Maar het was wel vakwerk hoor, dat iedere visser zo op zijn beug afstevende. Wel had iedere visser zijn eigen kleur vlaggen aan de boeistokken, maar er werden naar peilingen aan de wal gekeken bijvoorbeeld kerktorens van Lemmer, in elkaar of een handbreed van elkaar naar binnen of juist naar buiten.

Het is vaak gebeurd dat een schip de sluis invoer met een sleep verscheurde netten er achteraan. Die zaten dan vast tussen roer en achtersteven. En de kurken bleven dan boven drijven en goed zichtbaar. De schipper maakte flink haast om weg te komen uit de sluis, en de vissers kwamen later hun verscheurde eigendommen ophalen, de nummers van de aken stonden in de kurken gesneden. Verzekerd was er niks en niemand. Alle schade was voor je zelf. Dat waren dan weer de wederwaardigheden van Lemsters vissers uit vroegere, die nooit terug zullen komen.

Ook een bekend figuur uit die tijd was Durk Mop, dat was vanzelf zijn bijnaam, maar je kende hem niet anders, z'n eigennaam was Bijlsma. Hij had een blozende ronde kop, en altijd een zwarte hoed op, en kon praten als brugman. Het was in de herfst van 1914. We visten met Jelle Visser, van de LE 58, met de wonderkuil in span op spiering. Er zat wel wat handelsbloed in Dirk. Hij kocht van ons een paar keer in de week 50 pond spiering, die we voor hem uitzochten, want ze moesten wat groter zijn dan normaal. Die kwam hij dus 's morgens vroeg halen, voor we naar zee gingen, met een vletje, ze hingen dan voor hem klaar in een klaarzak, die in de bun hing. Hij ging dan met een vletje achter 'De Suup' aan dat was de boot naar Sneek, en verhandelde ze daar.

Maar op een morgen dat Dirk de vis kwam halen, waren ze gestolen. Een zoon van Jelle, Renze en ik moesten van Dirk mee naar zijn huis om huiszoeking te doen, want hij wilde niet onder verdenking staan. Hij woonde toen in het Achterom in de steeg tegenover de "jiskepream". Zijn vrouw was geen Lemster en leek wat ziekelijk te zijn. We moesten ook mee op zolder, vanzelf geen spiering te zien. Veel later kwamen we aan de weet wie de spiering wl had gestolen. Het was een later geerd koopman. De spiering was gebakken bij van der Meer, toen hoek Schulpen, Nieuwedijk. Die daar toen een grote kruidenierswinkel had en de leverantie van levensmiddelen verzorgde voor het Belgische vluchtelingenkamp bij Sondel. Het was toen het eerste jaar van de oorlog 1914-1918. Van der Meer wist natuurlijk niet dat de spiering was gestolen, en voor ons viel het toch niet meer te bewijzen.

Ik heb later Dirk uit het oog verloren, maar heb gehoord dat hij later een houten aak heeft gekocht, ik meen de LE 76 van Janus Coehoorn, en daar zijn jongens op heeft groot gebracht, nee Dirk was er de man niet naar om zijn kinderen in de steek te laten.

Nu krijgen we nog een bekend figuur uit het Achterom. De bijnaam was 'Appe Koo'. Ik denk dat ze Afke hete, maar van sommige mensen kende je alleen de bijnaam. Ze liep altijd met grote stappen, de knien vooruit, over de straat en was een impulsief mens. Haar man was Marten een goed mens. Hij was aangenomen als knecht op de houtmolen, alwaar hij zomers ook als schipper op de boeier van Sleeswijk mocht varen. Afke maar roepen aan iedereen die het maar horen wilde, "Marten is op houtmole en het foar ivich wurk"!. Tjeerd Knol van de Langestreek was nogal een grappenmaker. Hij was vrijgezel en had rijke ouders.

Afke Spiekholt en Marten Koopmans

Hij kwam Afke op een keer tegen in de Schans. Hij sprak Afke aan en zei "Bij de boer aan het Pasveer verkopen ze vandaag beste karnemelk voor maar 2 cent de liter", dat was tegen geen dove gezeid, het was wel een kwartier of twintig minuten lang lopen, maar dat had je er in die tijd graag voor over. Afke aan iedereen vertellen van die goedkope karnemelk, dat het was algauw een hele optocht van vrouwen met emmers naar het Pasveer. De boer wist niks van karnemelk af en moest met veel moeite de vrouwen weer tot bedaren brengen, want ze waren het kookpunt nabij.

'Daarom' komt ook nog voor bij de bijnamen in De Lemmer, maar die lag weer op een ander niveau. Die had namelijk de eerste
motorfiets te Lemmer en was toen met stofbril en motorkap, met daar tussen een grote hangsnor, met lerenjas aan, een uniek verschijnsel in die tijd, hij had een fietsenzaak aan het begin van de Nieuwburen, tussen de 'Wezen Visser' en de manufacturenzaak van 'Van Schoot'. Ik denk dat het pand later de bakkerij van Schirm was. Maar je zag toen nog weinig fietsen, de mensen waren toen te arm voor een dergelijke luxe. 'Daarom' zijn naam was Keimpe Veenstra en ik kan hem nog wel uittekenen, iedereen kende hem van zijn motorfiets, het was een trekpleister. Hij is al gauw naar Enkhuizen verhuisd.

 Terug naar Inhoudsopgave.

Foto van Tresoar: Een motor-motorfiets met 'voorspan', foto uit het familiebezit van Tjerk Lammers (kleinzoon van man op motor), Drachten. Het nummer B-199 was geregistreerd op naam van Keimpe Aukes Veenstra, Lemmer. Afgegeven: 07-01-1907

 

Het uithangbord wijst de zaak van Keimpe Veenstra aan.

Omstreeks 1908 kwam de eerste margarine op de markt en in het land, en ook De Lemmer werd overspoelt met reclame. De eerste twee merken waren "Vitello" en "Ballon". De arbeiders in die dagen en ook wel de kleine middenstand kregen toen ook al geen roomboter van Van Zandbergen, die het in Lemmer maakte, op hun brood. Het was in die tijd meestal reuzel en dat was tenminste zuiver varkensvet. De eerste margarine was lang niet zo goed, als de tegenwoordige. Maar het was gauw in. Bij een pakje Vitello kreeg de koper een zakmes en vele andere dingen cadeau. Toen kwam de grote reclamewagen door De Lemmer met een groot pak Ballon er op van wel 2 x 2 meter groot. Er werden proefpakjes uitgedeeld met liedjes erbij en de jeugd maar zingen.

1900-Een chemist van het Duitsche leger, dr. Bernegau, is het gelukt, uit stoffen van verschillende voedingswaarde een product te bereiden, dat van natuurboter bij het gewone dagelijksche gebruik niet te onderscheiden is. Dit product noemt hij Vitello.

Het chemisch product is aangewezen om voor dagelijksch gebruik de natuurboter te vervangen en vele vaklieden hebben zich er gunstig over uitgelaten
.



-Nu gaan we naar een andere handel, naar de man met de molentjes. Een paar keer per jaar kwam de "Moolsjeman" uit Sneek. Het was zo'n lange magere man, z'n knien zowat tegen elkaar en zijn ene been stond naar buiten. Dan kwam hij met een kar, waarop in het midden een soort zuil stond van stro en daar stonden stokjes met gekleurde wiekjes er aan, zgn. molentjes te draaien. Het was een leuk gezicht. Maar ze waren niet te koop je moest de Mooltsjeman vodden brengen en niet te kort, anders kreeg je er niet een. De kinderen waren er dol op, je zag ze over de straat rennen, want hoe harder je liep hoe harder het molentje draaide. De moeders slaagden dan ook een zucht van verlichting als de Mooltsjeman weer weg was.

Twee broers uit Oosterzee, kwamen vaak met een grammofoon met zo'n grote hoorn en die zag je in die tijd haast niet. De grammofoon stond in een wagentje. De broers draaiden platen en vertelden erbij, met meestal een stel mensen er omheen. En ging dan met een centenbakje rond dat was toen volksvermaak.

Maar als Vermaning kwam, die maakte levende muziek. Hij lag dan met zijn schip in de Dijksloot aan het Murkemeslandsje. De man was blind, maar kon prachtig harmonica spelen. Hij zat dan op een platte wagen met een hit er voor. Hij had een installatie op de wagen waar je U tegen zei. Met zijn voet bediende hij de grote trom. Met de ellebogen kon hij ook wat bewerken en op zijn hoofd een puntige hoed met belletjes, wat het effect had van een tamboerijn. Het was haast een heus concert. Hij had dan ook in Lemmer altijd een geweldig succes en verdiende wel goed, want hij kwam altijd terug.

1923:  In 't slopje, daar jengelt een klein melodietje 'n Harmonicaliedje Een jodelend kofjes-geneugt.

Hier was de harmonica in handen van Jan Vermaning, (Jan is geboren op 31 juli 1879 om 19:30 uur in Sintjohannesga)
De Vermaningsband.

die met dit instrument op zijne wijze de kunst dient en tegelijk centen ophaalt voor zijn gezin, dat in een woonwagen verblijf houdt. Ja, zoo is het nu eenmaal In ons kikkerland, waar de kunst loopt bedelen. Maar als hij speelt, de harmonicavirtuoos....

Door ramen en kieren, daar kijken de buren, 't Is praten en lachen en glundertjes gluren, Vergeten voor 'n poos is het slaaf'rig getob.: Voor hen is de jool de muziek van het slop, Hum la lat Hum la lat

Op den droeven dag van Dinsdag 28 Augs. zag de virtuoos echter zich plotseling zijn instrument ontrukt door zijn collega-kunstbroeder en concurrent Evert v. d. W., 25 j., mede cosmopoliet-woonwagenbewoner, ged. te Assen.

Er was eenige disharmonie ontstaan over de recette, welke voor massale rekening werd opgehaald. Toen was het uit met de pret. Toen zweeg de muziek.

Bij verstek wordt tegen v. d. W. 1 maand gevang, gevorderd.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Mist en rondjes langs de streken.


Oud Lemsters zullen het nog wel weten. Sluit uw ogen maar eens en ga stil zitten om in uw herinnering, laten wij zeggen, goed 50 jaar terug te gaan. Het is n van de mistige en gure dagen van begin december. De duisternis is omstreeks 4 uur ingetreden en de mist wordt steeds dichter. Huizen en schepen zijn in vreemde, geheimzinnige vormen gehuld; de gordijnen zijn overal reeds gesloten, alleen hier en daar valt door een spleet een straaltje koperkleurig licht naar buiten. Het zachte schijnsel van de gaspitten in de etalages van Luite Steensma en bakker Dijkman, werpt een smoezelig op straat, en schept met de mistige lichtboog van een gaslantaarn lange schaduwen, die schijnbaar beurtelings zwarter en lichter worden. Ter hoogte van het Waaigat, is het akelige, doordringende gebrul van 'De Bolle' de misthoorn ineens veel krachtiger en lijkt het of de mist even van schrik in elkaar krimpt.

Gees Potter, scharrelt 't steegje in naast 'De Kleine Winst' het sigarenwinkeltje van conducteur van der Wal. Het roept de herinnering op aan een jongetje dat destijds bij haar woonde en Murk hete, op wie de Lemster in n van de hangen dit rijmpje had gemaakt. "Murk dreef op een kurk, naar Urk. De kurk zonk, en Murk verdronk" je moest dit versje niet hardop zeggen als Gees in de buurt was, Want een pats om je oren was dan snel een feit geworden.

In die tijd zo tegen St. Nicolaas en Kerstmis had manufacturier 'Speijer' (Izak Speijer) van de markt 's avonds nog wel eens een handeltje. Hij bracht dan na 8 uur, zware pakken stof bij de klanten om deze rustig te laten uitzoeken om ze vervolgens te verkopen. Dit was doorgedrongen tot de kaart en schaak club, die een paar keer in de week in Hotel Boersma, bijeen kwam. Er werd hier heel wat afgepraat, en grappen in elkaar gezet, dwaze streken inbegrepen.

Zo besloot men Speijer, die ook lid was en vaak met heel wat praatjes te koop liep, een poets te bakken, waarvoor veldwachter Kok in het complot werd genomen. Afgesproken werd dat hij na 8 uur de eerstvolgende zaterdag de wacht op de markt zou betrekken.. en dan toevallig Speijer zou ontmoeten, indien deze met een zwaar pak op de schouder voornemens was een klant op te zoeken om zaken te doen. Verkoop was in die tijd na 8 uur verboden, hetgeen Speijer natuurlijk heel goed wist. De opzet gelukte op volmaakte wijze. Kok groette Speijer vriendelijk, paste zijn stap aan bij die van Speijer en daar ging het stel over de Blokjesbrug, langs de Oude Sluis naar beneden en vervolgens de Langestreek op...Ziet U het?.. Speijer liep keuvelend en welgemoed door naar de Kortesteek, via de brug tegenover het Waaigat. Hij vond het wel een beetje vreemd dat Kok toen niet linksaf sloeg om naar huis te gaan, maar hij vermoede eigenlijk nog niets. De tocht werd voortgezet tot ze weer de Blokjesbrug bereikte, maar ook hier zette Kok geanimeerd het gesprek voort zonder alleen verder te gaan.

Ondanks de mist en de koude begon Speijer te zweten, toen ze weer de andere brug bereikten en dezelfde omloop zich voor de tweede keer herhaalde. Het pak op zijn schouder werd hoe langer hoe zwaarder en zijn bange, aangegroeide voorgevoelens kregen de donkere gestalte dat hij op n of andere manier tch te grazen werd genomen, hij zag in een flits ineens de grijzende gezichten van de soosleden. Maar ja wat moest hij? Hij kon moeilijk doorlopen naar zijn klant, die vlak bij de Trambrug woonde, want dan had hij maar af te wachten of er geen bon zou volgen. Hij vertrouwde Kok, nu voor geen cent meer, omdat deze ook al een paar keer langs zijn neus weg informeerde wat eigenlijk de bedoeling was van de zware last, die hij zolang meetorste. Voor de derde maal bij de Blokjes brug aangekomen, zweette Speijer als een otter en begaf zich plotseling richting de andere brug, die hij moest passeren om thuis te komen. Als een ontploffende vulkaan barste hij uit tegen Kok, je kan ploffen en die anderen krijg ik nog wel, want ik heb best in de gaten wie hier achter zitten, hij klapte pisnijdig de winkeldeur achter zich dicht, maar zijn emotie heeft vast niet lang geduurd, want Speijer was z witheet en z ook weer koud.

Nu wij het toch over begin december hebben, herinner ik eraan dat het met St. Nicolaas, in Lemmer ook altijd een beetje feest was: prijs sjoelen bij Kobus Akke, op de Nieuwedijk en schutjassen om prijzen in het caf van Moeke Knol in de Schans. Alles met elkaar gaf een gezellige drukte. Bij Kobus Akke, was het de gehele avond eivol en de sjoelbakken hadden geen moment rust, noch de tafel waar aan blikgooien werd gedaan. Altijd prijs....! Het was er zo heet als in een oven en het zweet liep Kobus bij alles neer. Ik weet nog dat ik het geluk had een boterletter te winnen, wat natuurlijk op jonge leeftijd fantastisch is, de middag was voor de kleintjes, want dan reed Sinterklaas in een open auto door het dorp. Dit werd altijd georganiseerd door de actieve Heer Coree, van 'De Houtmolen'. Deze schakelde mij als chauffeur in. Zodat ik alles van zeer nabij kon meemaken.

Sinterklaas, ik weet waarachtig niet meer wie dit altijd was, verklede zich in het Nutsgebouw en vandaar begon en eindigde de triomftocht door het dorp. Het was een tijd dat alles in centen en dubbeltjes werd berekend en zelden in guldens. Een cadeautje van f 2.00 (gulden) was al heel wat. Er waren ook kinderen die door armoede thuis niks kregen, maar hierin werd vaak op stille wijze voorzien.

Lemmer richtte zich daarna op Kerstmis en Nieuwjaar, ofschoon de kerstboom als symbool in heel veel huisgezinnen ontbrak. Natuurlijk heeft dit laatste niets te maken met oprechte benadering van vele om iets van de essentie van het van het verborgen gebeuren omstreeks de winterzonnewende te beseffen. Want in alle tijden is dit een zaak van de stilte van ons innerlijk en is 't tenslotte maar de buitenkant, een prothese dus als een soort hulpmiddel.

Op n januari zag je het verschijnsel van kinderen die langs deuren liepen met hun nieuwjaarswensen, met daarnaast enkelen oudere die dit beroepsmatig deden en Lemmer en omgeving afsjouwden om een paar centen mee te pikken. De mensen die op deze manier aan de deur niets wilde geven, hadden soms de kans te worden uitgescholden of ze kregen een voet tussen de deur. Dit armoede verschijnsel is in onze tijd reeds lang onbekend.

Ook is heden door alle enorme veranderingen een concert onbekend, via een toen moderne fonograaf, die in het bezit was van Lourens. Zijn achter naam weet ik niet meer. Hij woonde met zijn ouders en zijn zuster Albertje een struise knappe meid, aan de Gedempte Gracht. Op mooie zomeravonden werd het apparaat met een lange hoorn omzichtig door Lourens buiten geplaatst en door de grote menigte onder veelvuldig applaus aangehoord. Lemsters waren altijd al muzikaal, denk maar aan de topprestaties van "Excelsior" waarover de bekwame muziekkenner Teade Wouda, nog onlangs een paar artikelen in de krant heeft geschreven.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Ook toen vielen de herfstbladeren.

De Zuidwestenwind, met op de horizon het laatste licht van de septemberzon, rolden de golven tegen de Lemster kust, toen de Zuiderzee er nog niet werkelijk aandacht afscheid te nemen door zich tot een meer te laten inkrimpen. De eerste vissers kwamen met de wind in de rug geleidelijk de haven binnen. Op het zogenaamde eindje van De Dam en ter hoogte van de aloude vuurtoren, met zijn immer beschermend licht, werden ze gade geslagen door altijd wel enige wandelaar als wijlen de heer Schirm, de vroegere eigenaar van wat nu het Schirm imperium is, gemeentesecretaris, De Boer en de bekende onderwijzer van de openbare school, S. de Vries.

Soms kon je er ook Klaas Knol, aantreffen de actieve banketbakker uit de Schans, vaak gekleed in een sjieke geruite bakkersbroek en hagelwit jasje.
Onlangs vierde hij met zijn dochter Wies en schoonzoon Guus Dasoul, in Bodegraven onder enorme belangstelling, ook vanuit Lemmer zijn ja... Honderdste! verjaardag. Het werd inderdaad een daverend feest met autoriteiten en een gelukstelegram van de Koningin. Een bijzondere dag voor een bijzondere man. Hij is ondertussen naar een bejaardencentrum in Heerenveen verhuist.

Meester de Vries, woonde heel vroeger op een bovenhuis bij het tramstation, het latere pand van de bekende Lemster familie Tijse de Rook. Daarna jaren op de Kortestreek. Met kapitein Grijpsma, van de nachtboot, was hij een van de eerste van het op gang komend bescheiden zeilwereldje, zo'n zestig jaar geleden. De Brekken lag nog in ontastbare stilte te dromen te midden van de watervogels op de zachte zomerse deining van (schoon) water. De er toen varende enkele boot had op de boeg het schuim als een goed getapt glas bier.

De inmiddels in de vluchthaven aangekomen aken en botters zochten hun vaste plaatsen. Voor het donker werd, luide de bel van de afslag nog een keer. De zee zat toen nog vol met spiering, paling, haring, bot, schol en garnalen. Sluiswachter Sander Coehoorn, taxeerde de lucht, maar zag geen rede iets met de stormbal te doen. Een weerbericht had hij evenals de schippers niet nodig. Ze voelden het zo wel. Het zijn allemaal dingen uit een tijd die nog een glimlach brengen voor oud Lemsters.

Gemeentereiniger Folkert, maakte in de rust van de vallende duister nog een rondje. Als altijd alleen. Een lange schrale gebogen man. Een soort verdoolde die vaak luidop sprak, alsof hij een verschil van mening met zichzelf had. Hij woonde in het Achterom in het Armhuis. Wonen is een veel te riante aanduiding. Want er was sprake van een armoedig en ongelofelijk troosteloos gebouwtje, waar ik als jongen het liefst haastig voorbij liep. Dit zijn van die gevoelsmatige dingen, die blijkbaar in onze innerlijke computer blijven geregistreerd, evenals bepaalde geluiden en geuren. De wel eerder genoemde Lammert was er ook gehuisvest. Hij had een oud al jaren niet meer lopend nikkelen horloge. Als we hem vroegen hoe laat het was, kreeg je steevast een tijd te horen die op dat moment nergens op sloeg. Toepasselijk stond hij bekend als, 'Lammert hoe laat is het'.

Folkert reed iedere dag met zijn wagentje met hoge schotten en een lange bezem door het dorp, driftig vegend en ging voor niemand een stap opzij. Als we een geintje met hem uit wilde halen, deed je er verstandig aan niet te dicht bij hem te komen, want hij wierp zijn bezem als een speerwerper, keihard en zuiver. Toen eens een zeldzame auto over de Nieuwburen scharrelde, verrichte Folkert, daar juist zijn dagelijkse bezigheden. In die tijd was er veel vervoer met paard en wagen. Het gevolg daarvan was dat er veel vijgen op straat lagen. Folkert bevond zich midden op de weg, maar ook nu ging hij geen centimeter aan de kant, eerst de straat schoon, ambtelijke dingen hebben voorrang, een auto dient te wachten. Dat kon toen ook zonder bezwaar.

Na lange jaren vol ijver zijn werk te hebben verricht, kwam hij in een tehuis in Joure terecht. Hij is zonder twijfel op zijn eigen manier gestorven: eenzaam, bijna naamloos zou je kunnen aannemen. Als het in de Lemmer had plaats gevonden, zou zijn onafscheidelijke lange bezem als symbool van ijver en zijn functie bij zijn bed hebben kunnen staan. Een paar dagen na zijn heen gaan vergezelde ook hem het geluid van de zware torenklok met zijn melancholieke klanken naar het kerkhof, een verstilde dag in september met reeds lange schaduwen en kleurrijke vallende herfstbladeren, die het pad naar zijn laatste rustplaats tooiden. Terwijl de baar passeerde dwarrelden ze, gedreven door onzichtbare hand, even op alsof ze een trouwe vriend een laatste groet wilden brengen.

Tenslotte hadden ze jaren zijn aandacht gehad, ofschoon Lemmer in die tijd niet bepaald een bomen land was. Maar nu waren ze zijn zorg niet meer. Ook niet het legen van zijn handkar in de Jiskepream die tegenover de Gedempte Gracht, een vaste ligplaats in het Dok had. Noch kon Age Boem, hem meer deren als deze, zoals hij dat deed in het voorbij gaan een straal van zijn tabaksap feilloos in zijn handkar mikte. Een dan opgeheven bezem had op Age geen invloed.

Jiskepream in het Dok.

Bedoelde praam was een van de lijndiensten van de gemeente om afval en de inhoud van de vermaarde tonnetjes te vervoeren. Naar "Siberi, een stortplaats als weidse benaming waar allerlei twijfelachtige, soms haast bewusteloos makende geuren ten hemel stegen. De plaats bevond zich een paar honderd meter voorbij de boerderij van Villa Nova aan de Zijlroede, met aan de andere kant de noordzijde de bekende Roggemolen van Koopmans. Beide bestaan allang niet meer. Evenmin het keiharde werk van de werkers, jong en oud, die toen o.a. rond de visserij bij de hangen werkten. Onlangs hebben we nog via Evert kunnen lezen hoe ze in een koude omgeving in de pekel werkten en gebarsten handen opliepen met de daaraan verbonden pijn. Maar over dat laatste hoor je hem niet. Wie de handen van sommige had gezien, begreep niet hoe ze het volhielden.

Terug naar Folkert. De aanduiding straatreiniger schijnt onder het kleed te zijn geveegd, om er echter aan de andere kant uit te komen met de veelkleurige benaming van milieuverzorger. Althans in de taal van onze vernieuwde boodschappers. Natuurlijk moet de taal werkelijk veranderde opvattingen volgen om levend te blijven. Maar dan wel door onderscheid makende begrippen en niet alleen ten dienste van de ingewijden via modieus groeps Bargoens. Woorden zijn dan voor anderen als aangeboden windeieren.

Folkert zelf zou stom verbaasd zijn geweest.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Opnieuw oud Lemmer.


Geattendeerd door de leuke artikelen van Mej. Romkema en Jan Wouda, over het bovenstaande onderwerp, had ik als oud Lemster het gevoel dat een gordijn werd opgetrokken. Ja Lemmer was vooral in die tijd een dorp met een aparte sfeer en veel typen, waarover je een boek zou kunnen schrijven. Voorop moet inderdaad worden gesteld, dat het voor velen ook een tijd was van armoede, want het ontbrak hen vaak zelfs aan de noodzakelijkste middelen om zich voldoende te kleden en te voeden, waardoor hier en daar soms gebrek werd geleden. Nostalgie is goed en geen reden om te zwijgen, maar het is nooit meer dan n facet van bestaande omstandigheden, die altijd een minder aangename betekenis hebben. Jan Wouda is dit vast met mij eens.

Wij kwamen in 1914 in Lemmer. Mijn ouders woonde lange jaren aan de Langestreek. Door het beroep van mijn vader (deurwaarder) werd ik al spoedig 'Deurtje' genoemd, wat ik heel gewoon vond. Als ik nu en dan in Lemmer kom en achter mij plotseling zacht iemand hoor zeggen, is dit 'Deurtje' niet?, Dan ben ik er nog een beetje trots op. Het blijken oude bekenden de zijn, die ik graag de hand druk. Typische.. in Lemmer waren er zoveel. Zo herinner ik mij een zekere Bouwe de Pieper, die ergens in de Tuinstraat woonde. In het voorjaar door de pottenbakkerssteeg lopende, had hij de gewoonte de vogeltjes na te doen. Waarschijnlijk vandaar zijn typerende bijnaam, waarmee Lemsters zo sterk waren. Veel van deze dingen werden in n van de rokerijen geboren, waar allerlei liederen werden gezongen, vaak verbandhoudende met landelijke of plaatselijke omstandigheden. Zo herinner ik mij ook karakteristieke figuur die werd aangeduid als 'Pieter de Lieger', woonde achter aan op de Langestreek.

Pieter liep altijd met een lege kruiwagen, waarom hij dit deed is een mysterie gebleven......Als wij als snotapen tegen hem zeiden "Pieter denk er om de waarheid en niets dan de waarheid", dan moest je heel gauw weg zijn om een trap onder je achterste te ontlopen. Zijn bijnaam werd hoogwaarschijnlijk ontleed aan de fantastische verhalen die hij ons regelmatig op diste. Ook leefde er destijds een arme Jood in de Schans die vodden en van alles ophaalde en verhandelde. Hij had enorme grote schoenen aan, een rijzige figuur met een onafscheidelijke zwarte hoed en een lange donkere jas. Regelmatig zwierf hij langs 's heren wegen om wat te verdienen. Daar riep een boer vanaf zijn erf: "H Hijmans, kom eens hier, ik heb een handeltje voor je. Wil je deze koeien huid voor mij verkopen, kun je hem hebben"? Hijmans repliceerde: "Ik kan alles hebben, geef maar op". Toen hij veel later dezelfde route maakte, stond die boer weer bij zijn hek op het erf en riep al vanuit de verte "Hoe komt het met de opbrengst van die huid"? Nu moet men weten dat het slachten in die tijd streng verboden was, wat Hijmans natuurlijk heel goed wist. De boer kreeg dan ook het laconieke veelbetekende antwoord: "Kun je zwijgen"? Waarop de boer gretig ja op antwoordde, met als reactie van Hijmans "Dan moet je er nooit meer over praten".

Zo is er veel meer te verhalen, maar dit zou dit stukje veels te lang en eentonig maken. Alleen nog iets over de voetbalclub L.V.V. Als de dag van gisteren weet ik nog dat het voetbalveld op het Lemsterhop in gebruik werd genomen. Hiervoor had zich de Heer Koole extra ingespannen, destijds opzichter van het waterschap, die helaas in de tweede wereldoorlog door een ongeluk om leven is gekomen. Hij was het niet alleen, want zo herinner ik mij ook heel goed dat huisarts dokter Snijder en andere enthousiaste mensen, niet te vergeten mijn goede vriend Piet Zwart. Deze mensen werden later geassisteerd door Uilke de Jong, ook wel scheidsrechter, en Jan Coehoorn, die in het begin ook ballen-bewaarder was. Als wij midden in de week wilde voetballen, dan konden we slechts met de meeste moeite een bal van hem los krijgen, oefenen werd blijkbaar in die tijd niet zo noodzakelijk geacht.

Het elftal is destijds aangevangen in de Friese voetbalbond om tenslotte op te klimmen naar de derde klas van de K.N.V.B. en naar ik meen ook nog in mijn tijd Tweede klasse K.N.V.B. Vooral de begintijd zit vol met aardige dingen. Zeer merkwaardige herinneringen, zo was de toen onze toenmalige Back die in de volksmond "Witte Jelle" werd genoemd, Andries Bootsma, de links half, had de vreemde naam 'Mauke'. Dan was er Joffre, de spil die enorm kon koppen, met in het doel lange Geert, die zelfs in de goal altijd correct gekleed was met een prachtige witte trui en zich manifesteerde als een doel verdediger van grote klasse. Genoemde Jelle was een mannetjesputter met een heel woest gezicht maar een man met een hart van goud.

Als spelers van het elftal konden wij heel best met hem opschieten. Mauke was een grote sterke kerel die tijdens de wedstrijden altijd schreeuwde 'IK' indien wij samen op de bal afrenden. Hij speelde eerst de man en dan de bal. Degene die het ongeluk had tegen hem aan te botsen, ging onvoorwaardelijk tegen de vlakte, zulks tot groot genoegen van de publieke tribune die hem aanmoedigden. Daar bevond zich altijd zonder missen de bekende Lemster Willem Blauw, uit de Schans. Nog hoor ik in mijn dromen zijn boven alles uitstralende krijsende stem tegen mij, wanneer ik volgens hem iets niet goed deed: "Schop hem er uit, maak hem liever cornervlag".

Als ik hem de volgende dag tegenkwam, keek hij me aan met een grijnslach en een knipoogje, zo was Willem de Blauw in werkelijkheid. Ik zal het er ook wel naar gemaakt hebben. Deze voetbalclub zorgde er o.a. voor, dat er in die tijd heersende gevoelens, -van dat zijn zij- en dat --zijn wij- dit waanidee van afgescheidenheid tussen bepaalde maatschappelijke groepen, werd doorbroken, wat ik altijd als een groot winstpunt van de sport in Lemmer beschouwd. Tot slot wil ik nog memoreren dat de uitwedstrijden naar de voetbalclub "De Kooi" in Joure een hoogtepunt waren, vooral als het ging om het kampioenschap. De hele Lemmer stroomde zowat leeg. En zeker met 7 bussen ging men naar Joure, om deze aartsvijand met behulp van de supporters te verslaan. Het waren hevige duels, tijdens welke ik als licht gebouwde jongen geradbraakt van het veld kwam. Je moest niet tegen Rinze Slof oplopen, de spil van de Kooi, want dan kon je net zo goed vechten tegen een betonnen muur. Deze wist ook heel goed eerst de man dan de bal. Ik ga nu ophouden anders blijf ik praten.

www.vvlemmer.nl

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


oud-lemmer.

Wat een mooie foto's van de Heer de Vries, stonden er vorige week van oud Lemmer in de Zuid Friesland. Wel vind ik het er jammer dat ik niet kan lezen wat er op de uithangborden van de winkels aan de Nieuwburen staat. Moeder had ons wel eens verteld dat er vroeger winkels stonden waar nu het postkantoor staat. Er stond in ieder geval ook een galanteriewinkel. Mijn moeder kon zich dat nog heel goed herinneren van toen zij nog kind was. Op een zaterdagmiddag was grootmoeder het dorp in gegaan om boodschappen te doen. Zij, als kinderen waren toen aan het spelen en stootte per ongeluk tegen de tafel aan, waarop het theeblad met het theelichtje, met een theepot stond. De theepot viel toen op de grond en natuurlijk aan scherven. Dat was even een schrik!. Ze zagen er vreselijk tegenop als grootmoeder thuis kwam. Goede raad was duur. De meisjes besloten onder elkaar een nieuwe theepot te kopen voordat grootmoeder thuis kwam.

Toen zagen ze dat grootmoeder bij Jorna in de goudsmidwinkel stond en daar moesten ze voorbij naar de galanteriezaak. Dus dat moest vlug, vlug. Gelukkig hadden ze daar precies zo'n zelfde theepot als het exemplaar dat stuk was. Gauw weer terug en thee gezet, zodat toen grootmoeder weer thuis kwam de theepot weer op het theelichtje stond te trekken, en het leek of er niets was gebeurd. Later zullen ze het wel verteld hebben denk ik. Een dochter van die goudsmid Jorna, is later getrouwd met Hendrikus van Schoot, die later aan de Nieuwburen een manufacturenzaak had. (● Hendrikus van Schoot, zoon van Sybe van Schoot en Durkje Bosma, geboren op 7 juni 1871 te Lemmer, overleden op 8 mei 1952 te ?. Gehuwd op 22 mei 1900 te Lemmer met Geertruida Helena Jorna,
geboren op 4 april 1879 te St Nicolaasga (Doniawerstal), dochter van Theodorus Jorna en Theodora Baltina Born. Theodorus Jorna, geboren op 11 september 1848 te Leeuwarden, overleden op vrijdag 27 september 1912 in Amsterdam, zoon van Jacobus Sibbles Jorna en Magdalena Timmerman. Gehuwd op 2 juni 1874 te Leeuwarden met Theodora Baltina Born.)

1859.

Van Schoot, aan de Nieuwburen te Lemmer.

Detailfoto.

Toen onze ouders getrouwd zijn, hebben ze in het huis van dokter Visser gewoond, dat stond aan de Nieuwburen begin Straatweg. Toen ons oudste zusje daar werd geboren, hadden ze bij van Schoot ook een dochtertje gekregen, Dirkje. (Dirkje Magdalena van Schoot, geboren op woensdag 9 juli 1902 te Lemmer) Moeder en mevrouw van der Schoot gingen vaak met de kinderwagen wandelen. Ik herinner mij die zaak van Van Schoot nog heel goed. Wij als jonge meisjes zijn er ook vaak in de winkel geweest. Ik herinner mij de Heer van de Schoot nog heel goed, hij had meestal een Garibaldihoed op en een zwart pak aan.

Garibaldihoed.

Dirkje en Dora, hielpen ook veel in de zaak, later hielp Thea ook wel in de winkel. Naar ik meen was Catharina onderwijzeres en dan was er ook nog een jong meisje. Ook hadden ze een zoon Siebe, dat was n van de oudste die werkte toen ook in de zaak. Die had later een zaak in de Noordoostpolder (Marknesse).

Ook de foto van de Schutsluis en Binnenhaven, riep heel wat herinneringen op. Hoe vaak hebben we als kinderen niet over de sluisdeuren gelopen. Toen we al in Groningen woonden en we naar Lemmer gingen logeren bij de familie Verbeek die aan de Zeedijk woonden, kwamen we met de Drachtster tram aan en dan liepen we met koffer en al over de sluisdeuren. Ook 's avonds bij donker wel, als het trammetje weer eens pech had, waardoor vertraging vaak het geval was.

(schrijfster niet bekend)

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Reacties uit Lemmer nodigen uit nogmaals een stukje te schrijven.

Wie weet nog dat in die tijd regelmatig boelgoeden werden gehouden, o.a. de totale uitverkoop bij Schotsman, die een pakhuis had in het Achterom?

1918.

Als omroeper fungeerde altijd de bekende Lemster Atte Knol, die tevens met zijn moeder in de Schans een caf exploiteerde. Atte was ook een heel aparte figuur, een man die bij wijze van spreken tot aan de rand was gevuld met kwinkslagen en ook niet in een borreltje spoog. Hij liep vaak op pantoffels door het dorp en had tegen velen n of ander fantastisch verhaal. In zijn branche als omroeper was hij een uitstekende vakman, met zijn eigen psychologie wist hij de kooplustigen meesterlijk te bespelen, de klanten werden eerst in niet mis te verstane woorden uitgescholden als ze een dubbeltje inzetten voor bijvoorbeeld een stelletje beschadigde kommen, wat volgens Atte nergens op leek. Ook zag hij er niet tegenop persoonlijke eigenaardigheden van het publiek te etaleren, waardoor zijn succes bij voorbaat was verzekert, en .....de prijzen werden opgejaagd.

Atte Knol.

In Sondel woonde destijds zijn collega Jan Visser, die de boelgoeden in dit gebied verzorgde. Visser was een kleine vriendelijke welbespraakte man met een wippend sikje, n van die echte oude Gaasterlanders. Zijn hoofdberoep was schoenlapper met nevenfuncties als omroeper, lantaarnopsteker, leedaanzegger, klokkenluider en meer van dit soort eenmansbedrijfjes. Vr de aanvang van een veiling had hij de gewoonte een paar achterover te slaan voor een gezellige stemming. Wij pikten hem met de auto in Sondel op. Dit was een T-Ford (hoge hoed) die met een slinger moest worden aangedraaid om vervolgens met wel 50 Km per uur langs de wegen te stuiven. Het aangeven van de richting geschiede via een touwtje en een houten richtingaanwijzer. Deze auto's hadden geen verwarming zodat het in de winter ijskasten waren met een bevroren voorruit.

Jan Visser had hier een eigen uitvinding voor uitgedokterd: op de terugreis was het gewoonte in Oudemirdum aan te steken voor een hartversterking als afsluiting. Bij het vertrek bestelde hij nog een paar volle romers, die hij nauwkeurig in een grote zakdoek leegde om de bloemen van de ruiten te kunnen verwijderen n om er aan te kunnen ruiken als zalige nagedachtenis van het genotene. In Sondel werd hij afgezet en ik heb zo mijn twijfels in hoeverre hij soms nog stevig op zijn benen stond. Men moet mij echter niet misverstaan, want Visser was beslist niet wat men een drinker noemt.

Er was tenslotte in die tijd niet zoveel te beleven en ook voor Jan was een boelgoed 'n soort feest waarbij het zowel vr als na die tijd gebruikelijk was een paar flinke borrels te drinken. Hij vertelde ons ook boeiende verhalen uit de zo oude historie van Gaasterland. Ik herinner mij heel goed de legende over de klokken van het St. Odulfsklooster (in Bakhuizen is een straat van die naam) dat bij de Galamadammen in het uitgestrekte, eenzame gebied was gelegen, tussen de bekende meren De Morra en de Fluessen. Deze klokken werden geluid bij naderend onheil, speciaal wanneer de wilde Noord-Ooster het water van de meren over de lage landen dreigde te jagen.

Lang heel lang geleden, toen een vijandig leger door deze streken trok, haastten de bewoners zich de mooie en verklinkende klokken van het klooster tegen roof te beschermen en besloten zij deze in n van de diepen meren te laten zinken, alhoewel de klokken nimmer zijn gevonden, verhaalt deze mooie legende dat zelfs heden, indien men voldoende vertrouwen heeft en het juiste innerlijk "gehoor" bezit, hun luiden bij zekere gelegenheden kan worden gehoord: wanneer gevaar dreigt direct na het donkerste uur van de nacht, of nadat een storm zijn hoogste punt bereikte en soms tegen de tijd van Kerstmis.

De klokken zijn voor immer verdwenen daar hun klank zich altijd scheen te verwijderen van de plaats waar men de bron hoopte te vinden. Niettemin is de beschermende invloed blijven bestaan. Naar mijn mening schijnt deze legende te willen aantonen, dat mensen wier geloof n oprechtheid sterk genoeg is. Mythen en legende doen dikwijls een beroep op ons door hun verborgen wijsheid achter en in de woorden,ook in deze legende. De essentie hiervan behoeft niemand naar de galamadammen te reizen; want moet deze niet in ons zelf worden gezocht?

Sint_Odulfusklooster_Staveren_oudste_oorkonden.pdf

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Roerige dagen.

Het zal omstreeks 1913 zijn geweest, dat het er heet aan toeging in Lemmer. Het was zo, dat de vissers voor de knechts moesten betalen ingevolge de ongevallenwet. Maar de vissers wilden dat niet, want ze zeiden: de knechts varen op deel, en zijn daardoor geen knechts maar deelgenoot. Dat was al een jaren lange strijd en daar moest maar eens een eind aankomen en een voorbeeld werd gesteld.

Dat voorbeeld trof oude Liekele Poepjes van de LE 69. Er werd door een deurwaarder beslag gelegd op de inboedel, en die zou per executie in het openbaar worden verkocht, zoals de wet voor schreef. Oude Liekele woonde aan het End, niet ver van de trambrug. Ik meende dat het op een middag zou plaats vinden, naar schatting in augustus. Het was in de tijd van botslepen, het was windstil, zodat bijna de hele vloot in de haven lag. Het was om twee uur zwart van de mensen. Het raam in de voorkamer werd omhoog geschoven en wat er verkocht zou worden werd daar vertoond.

Er moest natuurlijk niemand het lef hebben te bieden. Een broer van Johannes Poepjes, zou alles kopen en mijnde alles af voor n of twee centen. Er stonden twee marechaussees in de gang bij de voordeur en daar dichtbij Andries Blaauw, dat was zo'n beetje de geestelijke leider. Toen kwam er een fiets voor het raam in de kamer, dus binnen, en dat was niet in het openbaar. Het bevel van Andries de Blaauw luide: "Dat mag niet.. Mannen er in"!

Voor het huis was een bleekveldje met een hek er omheen, en in minder dan geen tijd was iedereen bewapend met lat of paal, en dat ging de gang in. De Marechaussees zouden de sabels trekken, maar daar kwamen ze niet aan toe. Toen de sabels half uit de schede waren werden ze hun afgenomen en op de knien in tween gebroken. De marechaussees werden naar buiten getrokken en geduwd en hun uniformen in stukken van hun lichaam gescheurd. En was er bij met een rooie hangsnor, er zei iemand tegen hem: "Toen en toen heb je me te pakken gehad", nu gaan we jouw verzuipen!.

Een paar man hadden zijn benen vast, een andere de armen en zo waren ze hem aan het heen en weer slingeren om hem in de Zijlroede te gooien. Toen kwam Andries Blaauw er aan hollen en riep jongens dit gaat te ver! en gelukkig lieten ze de man vallen. Ik heb er later niks meer van gehoord. De verkoping was gelijk afgelopen.

Een paar jaar later was er weer een roerige dag. Een ploegje Sktsje schippers P. Br. (De Kruik) (De Flappert) en anderen hadden zeker een dolle dag en zetten de boel op stelten. De politiemannen rooie Doede en Venema, die ze de schieter noemden, en dan had je een Rijksveldwachter, eerst was dat Bijkerk, maar later was dat Visser, zo'n strenge magere man met de bijnaam 'Bonkerak'. Rijksveldwachters droegen toen nog helmen met in het midden zo'n blank stalen verhoging, het deed wat Duits aan.

www.van-grinsven.nl

De politie probeerde 's middags wat van die knapen in de cel onder het gemeentehuis te krijgen, maar dat ging niet zo gemakkelijk. Maar toen gingen ze er met de blanke sabel op af en Visser met getrokken revolver. Toen er een stuk of wat opgeborgen waren, dreigde er een stormaanval van een stel heethoofden op het gemeentehuis en ik hoor Jan Scheffer nog zeggen met een paar wilde ogen "De politie hoeft p.v.d. niet altijd te winnen" Toen kwam de kantonrechter van Baelen op de proppen. Dat was een grote man en hij schreeuwde op bevelende toon: "Ik duld geen samenscholingen", even later kwam de bereden Marechaussees, uit Sloten en de rust keerde weer.

Nu slaan we wat jaren over en stappen, naar ik denk 1919 binnen. Er was in de eerste wereldoorlog 1914/1918 flink verdiend. Het was voor Holland wel geen oorlog, maar mobilisatie. Doch door blokkering was het voedsel krap en daardoor de vis prijzig. Het was net als in 1946 dat in 1919 de vissers een aanslagbiljet van achterstallige belasting in huis kregen, die er niet om loog. Die aanslagen liepen in de vele honderden. Het was toen niet anders als nu. De mensen hadden een hekel aan belasting betalen.

De meesten hadden een huisje gekocht en dat viel nu bitter tegen. De meeste vissers moesten bij de belasting inspecteur komen in Heerenveen, maar ze hadden geen poot om op te staan, want welke visserman hield er nu een boekhouding op na?. De meeste waren al blij als ze gebrekkig konden lezen. 't Gaf hen weinig als ze zeiden dat ze alle visbenodigdheden zwart moesten kopen, wat inderdaad het geval was, alles was op de bon. De vissers visten 20 van de 24 uur en gingen naar zee met speculaas in plaats van brood en kilo's zwart vlees, want dat was genoeg te krijgen, als je maar geld had en dat was er wel.

Dikke Jan Poepjes, woonde in die tijd aan de Tjonger en bracht alle dagen vlees rond in een schelvismand. De arbeiders met weinig geld kregen een klein stukje eenheids worst op de bon. We hebben in die jaren veel zootjes bot weggegeven aan knechts van de blokmakers, smeden en mensen van de Helling. Als je ook wist wat die mensen verdienden!. Rein Kool was knecht op de Lemmer nachtboot en werd plm. 1916 havenmeester met het vorstelijk salaris van, schrik niet zes gulden per week. Wij betaalde voor een liter lijnolie 15 gulden.

Maar om op de belastingen terug te komen, het regende aanmaningen en de vissers maar reclameren en hopen dat de aanslagen zouden verminderen, maar daar was geen kwestie van. En zo werd er een begin gemaakt aan de inbeslagneming van de inboedel van Ome Gouke Bootsma uit de Tuinstraat, waar nu nog Sake Bootsma woont. Maar ze hadden met de verkoping van de inboedel van Liekele Poepjes indertijd leergeld gehad en zouden nu de inboedel in Sneek gaan verkopen. Maar er werd niet gerekend op de solidariteit van de visserslui. Mijn vader ging met de aak en een groep vissers aan boord naar Sneek. Bij het verkooplokaal werden eventuele kopers bewerkt, zodat geen het lef had om te bieden op de goederen. Mijn vader kocht alles weer op voor n en twee centen. Net als eertijds als bij Poepjes. Alles werd weer ingeladen en het ging weer in triomf op Lemmer aan. Wij hadden gewonnen, maar dat was maar tijdelijk.

1918

De andere vissers hadden hun huisboedels opgeborgen in schuren en pakhuizen. Er lag zelfs geen linoleum meer op de vloeren (vast tapijt was nog niet uitgevonden) alleen een bed, tafels en stoelen mochten, zoals de mensen zeiden, niet in beslag worden genomen. Maar dat hoefde allemaal niet meer, ondanks de revolutietoestand. Het badhuis op de Dam brandde af, toch ging de belasting inspecteur door. De toestand was gespannen en de marechaussees patrouilleerden door de Lemmer.

Nu moest mijn vader, die z'n zwager zo had geholpen er maar aan geloven. Hij werd failliet verklaart en moest bij de inspecteur in Heerenveen komen. Hij kon praten als brugman, maar had geen succes. Toen naar een advocaat en die kon met moeite het faillissement opgeheven krijgen. Het koste hem een hoop geld zoals U wel kunt begrijpen.

De andere vissers begonnen hem te knijpen en vele moesten een hypotheek op hun pas verworven huisje nemen, om de belasting te betalen. Zo ging het toen ook al, dus er is geen nieuws onder de zon Tegen de bierkaai valt niet te vechten.

Een ander oproer: Ingezonden artikel van 1831.

 


spiegelbeeld.

Het had die hele herfstachtige dag echt vies geregend. Lemmer had dan in die tijd een troosteloze aanblik, zoals dit trouwens overal het geval is. Stilte hing als een waas over het dorp en werd nu en dan verbroken door de toeter van een schipper, die de brug wenste te passeren en daarvoor brugwachter Zijlstra, nodig had. In het Dok lagen een paar schepen en voor de deur van smederij van Putten de sleepboot van Duiker. Pa Duiker was meestal met zijn boot onderweg. Het was tenslotte zijn broodwinning, bijgestaan door zijn actieve jongens, Gerrit en Atte. Ze zwierven door het hele land en naar ik meen ook door de kop van Belgi. Dat was toen hl ver van huis. Het waren uitstekende vakmensen met een bekende naam. Pa Duiker, een kleine bedrijvige man, moest je niet met praatjes aankomen; je werd dan gauw op je plaats gezet en zijn jongens wisten dit.

1927

(De Groningse tegenhanger van de Elfstedentocht kon zich in de jaren veertig, in een grote populariteit verheugen. De eerste winnaar werd Gerrit Duiker, die tot dan toe een uitstekend kortebaan-rijder was. Hij kwam oorspronkelijk uit Lemmer en overleed op hoge leeftijd in Zaandam, waar hij in de jaren zeventig nog met regelmaat de Gerrit Duiker Trofee uitreikte aan talentvolle jonge schaatsenrijders. Gerrit bezat ook de LE 109.)

Hun woonark lag vlakbij de Waaigat-brug tegenover de smederij van de Gebr. Hollander, waar het altijd gonsde van de activiteiten. Buiten de jongens woonde mevrouw Duiker en de dochter Gesina in de woonboot. Zij had altijd voor iedereen een gulle lach. Vaak ben ik in hun Ark geweest. Met zijn kleine kamertjes had een dergelijke bewoning een aparte bekoring en hier kon je nu letterlijk vanuit het venster vissen. Op de wal stond een grote tank waarin water werd bewaard. Ik herinner mij levendig dat Gerrit op een dag enthousiast luidkeels riep: "Wij krijgen pudding, wij krijgen pudding, hoera"! Moeder Duiker hield deze traktatie, dat was in die tijd kool in de water tank en tegen 12 uur bracht zij de lekkernij (in een grote kom in visvorm) naar binnen, gevolgd door ons als een sleep jonge eendjes. Ik mocht zowaar een hap meeproeven Het was vanille pudding. Ik sta zelf verbaast het nog te weten.
>>>

De smidse van de gebroeders Hollander, is rechts op de achtergrond te zien.

 

Dit is de plek z.o. tegenover de smederij van de Gebr. Hollander..misschien is links hun woonark wel.

>>> Aan de andere kant van de brug parkeerde in die dagen het "Vlaggenschip" van de Gemeente Lemsterland, de alom bekende tonnetjes praam die een vaste lijndienst tussen Lemmer en Syberi (een stortplaats enige honderden meters voorbij de Gasfabriek en de Roggemolen) onderhield. In de twintiger jaren was een dergelijk vervoer heel normaal. Wie op de luchtjes lette hoorde er niet bij. Een echte WC was een verre luxedroom.

De dingen omtrent Lemmer flitsen uit mijn herinneringsbank toen ik onlangs door het dorp dwaalde. Later zag ik in deze krant een afbeelding van een oude sleepboot waarvan de heer van Duuren mede eigenaar is. Diens vader Frits van Duuren, heb ik heel goed gekend. Frits zelf en weer zijn vader waren destijds bekende stoomketelbouwers met een bedrijf aan het Vliet te Leeuwarden.

Ook nu was het Dok alweer bijna geheel gestoffeerd met luxe boten van heinde en verre. De gezellige bedrijvigheid was weer bezig op gang te komen. Als de bewoners rond de streken van de twintiger jaren en daarvoor dit konden zien, zouden ze hun ogen niet geloven. Want alles is nu in flagrante tegenstelling met de oude (goede?) tijd met zijn paar beroepsschepen. Op de wal gasverlichting naast o.a. met de hand gedraaide bruggen. Bij lange koude winteravonden werd dan een goud geel schijnsel weerkaatst door de met sneeuw bedekte straat.

Het zo aansprekende, haast geheimzinnige effect ervan is heden haast niet terug te vinden. Wel de ronde bollen van melkglas op de lantaarns, want die zie je steeds meer terug keren. Wat gelijk bleef en altijd zal blijven, is de deinende weerspiegeling van de gevels in het water langs de streken. Ook het ruizen van de wind door de bladeren van de stoere bomen voor het fraaie "Herenhuis" van de heer Bakker, destijds zolang bewoond door de familie Luiking. Ik denk dat deze trotse bomen op enige generaties hebben neer gezien en veel zouden kunnen vertellen. Want lief en leed gaan altijd hand in hand.

Vlak naast ons woonde timmerman aannemer Sietse van der Wal en bakker van der Meer. Aan de andere kant de familie Visscher, hij was machinist op de vrachtboot naar Groningen. Er waren twee dochters ook een Clara?. Misschien kennen ze mij nog. Verderop was het huis van Jozef en Sara Blok, broer en zuster waar ik zo vaak ben geweest. Weer verder het huis met de blauwe stoep van burgermeester Pollema. Later zijn opvolger de Heer Slump, die in de buurt van Eesterga, door een noodlottig ongeluk om het leven kwam. In Lemmer heerste diepe verslagenheid, deze burgemeester was zeer populair door zijn eenvoud en zijn vriendelijkheid jegens iedereen.

Siemen van der Wal, is de zoon van genoemde aannemer. Hij is altijd in Lemmer gebleven en staat bekend om zijn uitzonderlijke teken en schilderwerk, wat ik reeds bewonderde o.a. een grootdoek wat enige tijd in de etalage van mijn vriend Henk Molenberg, heeft gestaan. Het onlangs door Siemen getekende 'Molentje' bij het stoomgemaal trok mijn speciale aandacht het opende van binnen een register. Ja dat Molentje. Het stond daar maar te staan trotseerde weer en wind, als een silhouet tekende het zich af tegen de westelijke hemel, wanneer in de vallende avond wanneer hemel en aarde geruisloos tezamen vloeien.

Een aantal Lemsters tijdens een dagje uit in Volendam rond 1960. Van links naar rechts, Romke de Jong, Siemen Kok, Jaap Visser, Kasper Verbeek, Cees Bergsma, Lieuwe van der Bijl en Siemen van der wal. Ze waren firmanten en medewerkers van het aannemersbedrijf De Jong en Van der Wal.

Tekening van Siemen van der Wal Szn.

Hier was ook het operatiegebied van rode Meine, die ergens op 'Het Eind' woonde. Hij was binnenschipper en we zagen hem ook wel met een jachtgeweer. Meine is naar ik meen jong gestorven. Ik herinner mij hem als een kleine gedrongen man die wel eens plaagde. Toen wij hem eens in de buurt van de vroegere boerderij, 'De Musterd' zagen varen riepen we: "Meine, bistou jager?" Meine: "ja wis". Wij "Maar dou kinst ommers net ienris sjitte"....Meine: "O, nee? Sjogge jim dr dy ld roek wol op 'e hikke sitten?" Meine allang gerriteerd door onze treiterende praatjes legde lang en nauwkeurig aan en Bang de roek vloog verschrikt weg en om het nog erger te maken, vloog hij langzaam terug. Meine dik de pest in.

Voor het vroegere ouderlijk huis, hoek Langestreek/Pottebakkerssteeg, waar zich nu een kapperszaak bevind en waar Max Koole ook een paar jaar in het benedengedeelte heeft gewoond. Te midden van deze overpeinzingen hoor ik ineens, voor mijn gevoel uit een schemerige verten iemand roepen, "Dat koe Deurtje wol wze ja wrachtig it is Willem". De aanroepende kennis wordt de hand geschud. Hij informeert of Willem misschien in de plomp wil springen. Geen sprake van! Wel als jongen, wanneer tijdens de kermis zwemwedstrijden werden gehouden, met aan beide kanten van het Dok een stimulerende groep belangstellenden, maar nog mr critici.

Op weg naar zijn boot ontmoet ik Harm van der Wolf, ex smid en drogist. Ondanks al zijn niet geringe belevenissen door ernstige verwondingen in de oorlog, bleef zijn optimisme recht overeind en dat redde hem ook in zijn donkere uren. Vertellen kon hij nog net als vroeger. Ik wenste hem het allerbeste. Rond de Streken werd het al stiller. Groentehandel Lemstra, was al aan het sluiten door zijn spullen naar binnen te halen. Een jacht eigenaar zat wat verveeld achterop zijn boot. De manier waarop hij echter handig iets in een glaasje als "aards genot" achterover sloeg, verraadde jarenlange oefening van een vakman.

Voor de bezoeker werd het tijd om op te stappen. Bij goede oude vrienden bleken de deuren goed op slot te zitten. Op de stoep voel je eigenlijk al dat er niemand thuis is...zeker op reis, de hemel mag weten waarheen. Want zo zie je ze en morgen komt er in onze tijd een kaart uit Bangkok of een ander werelddeel. In de twintiger jaren was voor sommigen het tweede Brugje bij Eesterga al aardig over de streep, laat staan naar Heerenveen of Oranjewoud, tijdens een schoolreisje met de aloude hijgende Bokketram, maar wat een plezier.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Spoekerij op 'e Lemmer.

Andries Visser.

Op een avond heel lang geleden zaten 4, nog jonge kerels in de Herberg van Boukje, te kaartspelen. Het waren Wietse 'De Ottervanger' een kleine maar lenige vent, die jager en visser van beroep was. Tegenover hem zat Gerben Blei, een breedgeschouderde visserman met een beetje dom gezicht. Aan de zijkanten van de tafel zaten dikke Gauke ook een visser en grote Jildert 'De Biggenvanger' een boomlange kerel met hele grote handen, die boerenknecht in Eesterga was. Nu zou men zeggen hoe komt die boerenknecht zo tussen die vissers terecht, maar Jildert was stamgast en al jaren met de drie anderen bevriend. Hij was meestal goed bij kas, want in zijn weinige vrije tijd maakte hij ook nog klompen en als het winter was verdiende hij veel met hardrijden, want hij was een snelle schaatser die heel wat prijzen won. Een paar tafeltjes verder zaten 3 mannen te praten die ook nog een rol in dit verhaal spelen. Om te beginnen 'Linke Lowie' een Amsterdammer die altijd een geruite pet op had.

Hij was getrouwd met ene Margje die hij in Amsterdam had leren kennen toen die daar diende. Zij waren in Amsterdam getrouwd en toen kort daarna Margje's ouders vlak na elkaar overleden en Margje het huisje in het Achterom erfde, waren ze daar ingetrokken. Lowie ging elke zondagavond met de nachtboot naar de stad en kwam dinsdags terug, met 2 grote zakken vol tweedehands kleren, die hij in Lemmer en omgeving aan de man en vrouw bracht. Verder had hij altijd een zwart koffertje bij zich, maar wat daar in zat wist niemand, zelfs Margje niet.
Wanneer Lowie terug kwam zette hij de zakken met kleren in de gang neer, maar het koffertje ging achter slot en grendel en de volgende ging hij er mee weg en kwam dan pas de volgende dag terug. Wat er in zat wist niet n, maar Lowie zat nooit zonder geld. En keer had Margje gevraagd wat er toch wel in dat koffertje zat, maar Lowie zei "Niet Zeure". Wat niet weet wat niet deert en daar bleef het bij.

Naast Lowie zat Johannes 'De Parelduiker' een schriel kereltje die, als hij geld had, veel te veel dronk. Zijn bijnaam had hij gekregen toen hij eens, toen hij uit de "pisbak" die bij de brug stond kwam en de verkeerde kant uitging en in de binnenhaven liep.
Daarna had hij de naam parelduiker, maar de oorzaak was drank. Als derde zat bij hen Berend 'De Zalmsnijder' die ooit in slechte tijden een poosje bij een riviervisser was geweest, vandaar misschien de naam. Op zijn vaste plekje in de hoek bij de tap stond Jotje 'De Oostganger' met zijn diepliggende zwarte ogen. Verder waren er nog drie Groninger schippers, en dat waren zo'n beetje allen die op die avond bij Boukje zaten...

Toen het spelletje kaarten uit was bestelde Jildert 4 borrels en zei tegen zijn drie maten: "Ik zal jullie eens een vreemd verhaal vertellen"....
"Jullie kennen allemaal grote Siebren de schapenkoopman wel en je weet wel dat die om de bliksem niet bang is. Nu moetje maar eens horen wat die verleden week is overkomen. Hij moest een stekwagen met 6 schapen naar een boer ergens bij Schoterzijl brengen. De grote jongen van onze buren ging mee voor gezelschap en die kon dan ook mooi, de vele hekken open doen. Op de heenweg ging alles goed, ze leverden de schapen af en dronken nog koffie bij die boer. Maar omdat ze wat laat vertrokken waren, was het al bijna donker toen de terugweg werd aanvaard. Alles ging prima en het paard had er zin in toen het weer op de stal aanging. Zo naderden ze de "spoekershikke"....en Siebren zei nog tegen de jongen: "Dit hek hoef je niet open te doen, dat doet het spook wel voor je". Er was een stukje maan opgekomen en het was dus niet zo heel donker meer en wat gebeurde er, toen ze het hek op vijf meter genaderd waren, ging deze vanzelf open. De jongen zat te beven van angst, maar Siebren reed gewoon door. Toen ze door het hek waren, viel het met een harde klap weer dicht... Siebren hield het paard in en zei tegen de jongen: "Ik ga kijken, er zal wel een touw aanzitten waar ze het mee open trekken". Hij pakte een dikke knuppel die hij altijd bij zich had en stapte op het hek af. Hij bekeek alles, maar er was geen touw, er was niks. Toen ging hij bij de dijk op, maar er was niks te bekennen, alles was stil, ook achter de dijk. Hij ging terug op het hek aan en toen gebeurde het, hij hoorde een zacht gekreun. Hij ging erop af en ineens blies een ijzige wind hem recht in het gezicht en dat terwijl het overal bladstil was; Siebren maakte rechtsomkeert en ging als een haas op de wagen af.

Hij sprong erop en haalde de zweep over het paard, iets wat hij anders nooit deed. Onderweg vertelde hij de jongen wat er gebeurd was en de jongen heeft het weer aan mij verteld. Toen het verhaal van Jildert uit was... bleef het even heel stil en toen zei Gerben: "Allemaal onzin, er bestaan geen spoken dat weet jezelf ook wel". "Dat kun je nu wel zeggen", zei Jildert. "Maar ik zal blij zijn als ik vanavond het kerkhof en het eerste brugje voorbij ben". "Wat ben jij toch bang", zei Gerben. "Ik durf wel tien keer voorbij het kerkhof en over het brugje te lopen want er gebeurt toch niks".

Toen Jildert hem ongelovig aankeek, werd hij kwaad en zei: "Of wil je misschien wedden om een gulden!" "Dat is goed",.zei Jildert. "Maar jullie weten dat ik zaterdags altijd wat vroeger weg moet, omdat ik zondags weer vroeg melken moet". Wij geven elk een gulden aan Wietse en hij en Gauke, controleren dan wel even of alles goed gaat. Wij kunnen voor die gulden van de verliezer elk vijf borrels krijgen want ze kosten vijf cent per stuk". Toen het half tien was zei Jildert : "Jongens, het wordt mijn tijd", betaalde zijn rekening en stapte op. Na een halfuurtje zei Wietse tegen Gerben "Als je nu die gulden nog verdienen wilt mogen we wel op weg, want ik wil morgen nog even met het geweer bij de zeewal langs, zien of ik nog een paar eenden te pakken krijg". Zij stapten op, betaalden en gingen op weg naar het eerste brugje. Toen ze de laatste huizen voorbij waren zei Gauke "Ga jij maar voorop, wij komen wel een dertig meter achter je aan".

Het was stil weer en hun klompen klotsten op de stenen. Toen Gerben dichter bij het brugje kwam... ging het steeds langzamer, maar de twee anderen bleven op gelijke afstand. Toen Gerben op een meter na genaderd was, hoorde hij plotseling een zware holle stem die riep "Gerben Blei, Gerben Blei, gij zult wederkeren". Als aan de grond genageld bleef hij staan, hij rilde over zijn hele lichaam. En weer kwam die stem "Gerben Blei, keert weder", toen draaide hij zich om en liep voor zijn leven om bij de anderen te komen.

Toen ze weer in het dorp waren zei Wietse: "Het deugt daar niet, maar ik snap nog niet hoe die geest jouw naam zo goed wist". Toen ze de volgende zaterdag weer bij elkaar zaten en Jildert vroeg hoe het gegaan was, zei Wietse "Jij hebt gewonnen" en vertelde wat er gebeurd was. "Zo kun je maar zien", zei Jildert "Dat er vreemde dingen gebeuren tussen hemel en aarde, maar het heeft ook een goede kant, want wij kunnen vanavond goedkoop drinken, behalve Gerben dan!" Lowie had zo zijn eigen gedachten over het voorval dat niet geheim gebleven was en toen hij weer in Amsterdam was, kocht hij voor een prikje drie oude witte lakens en toen hij weer thuis kwam, zei hij tegen Margje dat ze die aan elkaar moest naaien. Margje vroeg: "Wat moet je er dan mee", maar Lowie zei "Niet zeure, maar doen". Hij had al met Berend en Johannes gepraat en toen ze de volgende zaterdag weer in de herberg zaten had Lowie een pakje bij zich, maar niemand vroeg wat, want hij had wel vaker handel bij zich. Om negen uur ging Lowie weg en vijf minuten later Berend en Johannes ook.

Lowie stond hen op te wachten en vertelde wat hij van plan was. Hij zei: "We wachten tot Jildert eraan komt bij het hoge hek van het kerkhof, dan gaat de sterkste, dat is Berend tegen het hek staan, ik ga op zijn schouders zitten en Johannes gaat weer op mijn schouders zitten en we doen het laken om ons heen, dan wil ik wel eens zien of hij ook bang is". Het duurde nog een poosje en toen hoorden ze Jildert op zijn klompen aankomen. Ze betrokken hun post en Johannes hield zich met n arm aan de ijzeren spijlen van het hek vast en deed het laken zoals het moest. Toen Jildert vlakbij was hoorde hij een vreselijk gesteun en gekreun en zag in het maanlicht een grote witte gestalte tegen het hek staan. Hij liep eerst rechtdoor, maar draaide ineens bij en liep recht op het spook aan en toen werd het stil. Hij ging vlak voor het spook staan en zei: "En hoog is menslijk, twee hoog dat gaat nog, maar drie hoog is onnatuurlijk", en hij schopte hard tegen de benen van het spook. Er volgde een schreeuw en een vloek en het hele spook stortte in elkaar onder het laken. Jildert deelde nog een paar rake klappen uit en vervolgde toen zijn weg. Hij heeft later geen last weer van spoken gehad. Dit alles gebeurde in een tijd dat er nog geen radio en televisie was en praktisch geen straatverlichting.

1930.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Storm en nog wat over Lemmer.

Het zat de hele dag al in de lucht en die avond in de late herfst, lang geleden wakkerde de naar het Zuidwesten draaiende wind krachtig aan. De stormbal werd door de sluismeester Sander Coehoorn, gehesen... zware storm op komst.

Het aakje van Durk Mop, vlak voor de trambug, had nog enige beschutting van de Hogendijk, maar Durk achtte het raadzaam het luik wat extra vast te zetten en een touwtje meer te plaatsen. Scheef tegenover hem lag het oude woonscheepje van de Jong, die toen als machinist werkte op het "Tieleman-bootje" dat tussen Lemmer en Sneek dagelijks vracht en passagiers een dienst onderhield. Het arkje was voor het grote gezin veel te klein en bovendien een weerloze speelbal voor harde wind.
>>>

>>>Verderop naar het dorp, ongeveer waar later de topslager met o.a. de beroemde droge worst was gevestigd van onze vriend en L.V.V. voetballer Sake van der Bijl, lag het snikje van Friso voor de wal, die er met zijn zoon Martinus woonde. Onderwijl had de storm zich uitgediept tot minstens windkracht 12 en daverde over de enorme watermassa's van de Zuiderzee, steeds woester golven opwerpende, in het bijzonder door de grondzeen in de val van Urk, om tenslotte met donderend geraas en geweld tegen de Lemster zeedijken te slaan, ofschoon het Hop wel eens onderliep.

Het water zette in no time de pier naar het zgn. eindje van de Dam blank en rolde soms zelfs over 't Schapendijkje o.a. het scharreldijkje voor paartjes. En verderop over de dijk in de richting van het Witte Huisje en zo vervolgens naar de trots van Lemmer, het Stoomgemaal. Vroeger was de heer Bos hier de baas en nu is de leiding bij de vriendelijke heer Krekt, (Herman M. Krekt) die ons met zijn vrouw vorige maand gastvrij ontving, zodat wij in staat waren het Sktsjesilen goed te volgen, vooral mijn vrouw is hiervoor zeer enthousiast.

1975: Chef-machinist Krekt in de machinekamer van 't gemaal.

De vuurtoren bleef als altijd door het natuurgeweld onbewogen en straalde een beschermend licht over de wilde zee, als een roepende baken voor alles wat in zijn nacht zijn tocht vervolgde naar de Lemster haven, voor zover men niet genoodzaakt was beschutting te zoeken aan de lei-kant van Urk of Schokland.

Durk en zijn jongens kwamen deze nacht goed door. Zelf was hij min of meer een schilderachtige figuur, die altijd getooid liep met een grote zwarte hoed. Hij was hier mee zijn tijd ver vooruit want dit model is nu 'in'. Een vreemdeling had hem kunnen aanzien voor n of andere kunstenaar, zeker als je hem met zijn eindeloze woordenvloed hoorde praten over de dingen van de dag.

De familie de Jong, beleefde het noodweer op tragische wijze. Toen tegen de ochtend het vale licht door de wolken drong, bleek het armzalige aakje.. een drijvende kist geworden en scheef te liggen en lek geslagen. Het huisraad en het beddengoed dreef in het water, ze konden er wel eenden houden. Het geheel was een bedroevende en hopeloze toestand. De stumpers rilden van de koude en vocht en zijn later op de dag overgebracht naar het pakhuis op het Turfland, ongeveer gevestigd tegenover 't kerkje van de Gerf. Gemeente. Het was weinig wat ze kregen en heden zou het als een schandaal worden aangemerkt. Maar wat wisten die mensen van die tijd van sociale voorzieningen en zorg voor de ander, zoals dit nu het geval is.. ondanks het moet met nadruk worden gezegd, de goede en oprechte pogingen van de arm-meester, die eenvoudig geen riemen had om te roeien. En van de jongens van de Jong, Jan de oudste vertelde mij later dat ze nog nooit zo goed en droog hadden gewoond.

De snik van Friso had niet veel van de storm te lijden gehad, want de wind had hier veel minder vrijspel door de hoge huizen, van hem herinner ik mij het volgende. Als jongetje ging ik naar de openbare school "Het Bargehok" zeiden we aan de Kortestreek. Op een morgen zag ik Friso handenwringend en luid jammerend op zijn boot heen en weer lopen. Het bleek dat die nacht zijn zoon Martinus was overleden. Friso opende onverwacht een paar luiken en we zagen regelrecht in het dode gelaat van zijn zoon. Ik stond als versteend en rende ontredderd naar huis, omdat ik niet begreep wat "Dood" wilde zeggen. Mijn moeder kalmeerde mij en als je zo jong bent vergeet je spoedig.

Later was Friso een bekend figuur met zijn ijskarretje een kleintje voor 2 cent, iets groter 3 cent, en een joekel voor 5 cent. Je moest echter goed opletten want Friso was lijdend aan een chronische drupneus. Als we dachten dat het mis ging riepen we in koor: "Oppassen Friso je neus aan de kant man, want we willen ijs zonder neusdruppels", hij accepteerde het gemoedelijk en rinkelde weer met zijn Bel om klanten te trekken. In mijn herinnering had hij wel wat van 'Rode Siemen' uit de Benedenschans, die je immer met zijn tranende melancholieke ogen aanzag, alsof hij het op deze wereld wel gezien had. Hij liep dag in dag uit met een oude handkar voor vodden enz. om een paar centen te verdienen. Zijn rode baard was roestig gekleurd door tabaksap wat er onophoudelijk doorsijpelde. Ook deze types zijn er allang niet meer, en ondertussen bouwde Lemmer aan zijn toekomst, nadat de inzinking door het droogleggen van de Zuiderzee langzaam en energiek werd overwonnen......

 Terug naar Inhoudsopgave.

Tekening van Siemen van der Wal naar een foto uit 1920, toen het stoomgemaal werd geopend. Dit aardige spinnenkopmolentje heeft gestaan tegenover de kop van de Zijlroede aan het weggetje, dat naar veehouder Eizema liep. Rechts het dubbele woonhuis destijds bewoond door de families Krekt en Kok. (Zie ook n na bovenstaande foto)

 


"Spe se sa alderfreeslikst by jimme yn Lemmer?"

En andere herinneringen aan de oude Lemmer.


Met veel genoegen het ingezonden stuk gelezen, dat januari 1911 in de "Nieuwe Friesche Courant" heeft gestaan, uitgave W.A.F. Koopman te Lemmer (toen in de volksmond beter bekent als "Wafke") en ondertekend door acht Lemsters vissers. Dat roept weer vele herinneringen op.

Wat die zuiperij betreft, dat was schromelijk overdreven. Zoals al in dat schrijven staat ging burgermeester Callenbach helemaal af op de inlichtingen van politieman Venema en die had in die tijd van enkele uitwassen het meeste last. Dus dat werd wel breed uitgemeten. De burgermeester had zo goed als geen contact met de bevolking. Op het gemeentehuis ging in die tijd ook niet veel om, er werkte maar een stuk of wat mensen, waar ik mij de secretaris meneer Daan herinner, die aan de Rijksstraatweg woonden, later het huis van Laurens de Rook.

Maar ik geloof niet dat secretaris Daan er in 1911 al was. Lijcklema werkte toen wel op het gemeentehuis, droeg altijd een slipjas, die groen en glad was van ouderdom. Hij en zijn broer exploiteerden ook het caf in de Schans, wat later van Uiltje Kooistra was. Het waren vrijgezellen en Richtje van de Brug was daar jarenlang de huishoudster.

Maar echt dronken mensen zag je er haast nooit. Uitgezonderd met kermissen, maar dat is nu nog zo. Wel waren er een stuk of wat visserslui die, als ze 's middags naar huis gingen om te eten, n of twee borreltjes gebruikten, en zondagsmorgens was het druk in de cafs. Maar wat wil je in de tijd van de n kamer woningen met een troep kinderen?. Het was geen wonder dat de mannen eruit liepen naar het caf, waar het warm en gezellig was en je kon praten, bij moeke Knol nog een stukje muziek er bij? Nee echte zuipers had je niet in Lemmer. Wel een klein ploegje wat ook in de omgeving wel eens over de schreef ging. En het was toen een rauwe tijd en de strijd om het bestaan was zwaar.

En daarom had Venema het niet gemakkelijk. Ik weet van de verhalen van mijn vader, die in zijn jonge tijd ook wel mee kon doen, dat Venema hem een keer van huis zou halen aan de Lijnbaan. Hij had zeker wat uitgehaald, maar hij nam de hete kop van zo'n hoge kachel en gooide die naar Venema, die hard maakte dat hij weg kwam. Venema had in die tijd ook wat met Jan en Afke gehad, waar Jan wraak op moest nemen. Venema liep op een avond op de Lijnbaan, met zijn altijd aanwezige rotanstok in zijn hand. Komt Jan hem op sokken achterop sluipen, steekt vliegensvlug zijn hoofd tussen Venema zijn benen en kwakt hem zo achterover op de straatstenen... er heeft nooit een haan naar gekraaid. Ook hebben ze met een ploegje een bolderwagen bij een boer aan de Rijksstraatweg op de nok van een boerenschuur gezet, met de wielen aan beide kanten van de nok zo ging dat in die goeie ouwe tijd.

Maar met de kermis begin augustus was het wel eens raak. Mijn vader kwam nooit in een caf, en kon daardoor ook niet tegen drank. Ik heb hem n keer dronken gezien, maar dan was het ook wel goed mis. Het was de kermis van 1907 of 1908. het was voormiddag dat Excelsior met daverende marsen door de Lemmer marcheerde. Van de Schans en de Kortestreek naar het Turfland. Ik was toen een jongetje van zes of zeven jaar en stond op de bakkershoek (B.K.plein) te kijken naar de voorbij trekkende stoet. Honderden mensen hossend achter de muziek aan en daar zie ik vader en Kobus Brandenburg, en nog een paar met de armen over elkaars schouder ook achter de muziek hossend, met natuurlijk flink wat op. Ik erg angstig er achteraan, en bij de brug van Jelte gekomen, grijpen ze de stok met klompje er aan, wat Jelte de schippers toe stak om het doorvaart geld te innen, en dat klompje ging met het touw er aan, door de lucht en werd weggegooid.

Even verder bij Schotsman, neemt hij z'n pet en die gaat met een sierlijke boog draaiend over Excelsior heen, een eindje verder neemt hij zijn pantoffel, met geborduurd anker erop van zijn voet en die gaat dezelfde weg, even later gevolgd door de andere, hij liep nu op sokken en had niks meer om weg te gooien. Dat ging zo langs de Kortestreek en ze komen op het Turfland. Net voorbij het "Fine tsjerkje" woonde van der Veen, die daar een winkeltje en aardappelhandel had. Er stond een kruiwagen voor de winkel met zo'n hekwerkje aan de voorkant waartegen een zak aardappelen tegen kon steunen. Vader neemt de kruiwagen en begint daarmee een ronde dans te maken. Toen ben ik maar terug gegaan, en later in de middag hebben vier man hem slepend naar huis gebracht.

Turfland.

Grote consternatie thuis vanzelf. Ik weet nog dat Oate Jette en pake Jan er waren. Pake Jan zei: hij moet wat hards onder het hoofd hebben, en toen legde ze een stoel op de vloer, en hij werd met zijn hoofd op de zgn, bekkeling gelegd en was toen gauw in het land der dromen. Dat is nu zowat 67 jaar geleden, maar ik zie het nog allemaal voor me. De andere dag natuurlijk veel spijt. Het zou niet meer gebeuren en ik moest bij de kraam van Friso, die altijd tussen de beide bruggen stond een grote zak oliebollen halen, en ik kreeg een heel dubbeltje voor de kermis en daar kon je toen heel wat mee doen. Een ritje met de draaimolen van Van der Veen met z'n grote rode hangsnor, koste toen nog n cent. Die stond altijd op de Schulpen met zijn mooie draaimolen.

Oud-kermisman Van der Veen, bij zijn zelfgemaakte mini-draaimolen.

Maar de ouwe heeft wel woord gehouden, zoiets is nooit meer gebeurd. En keer heb ik hem een beetje aangeschoten gezien, dat was in 1911 of 1912. Hij had met een maat een klipper binnen gebracht, die bij de "Marderhoek" was vastgelopen. Ze hebben een anker uitgebracht en wisten hem met de lier los te trekken. Zoiets gebeurde wel vaker en was natuurlijk een welkome prooi. Maar dan moesten ze een akkoord zien te bereiken met de verzekering Mij., want de ondervinding had wel geleerd, dat als het op een proces aankwam, de advocaten met de buit gingen strijken. Met de plaatselijke verzekeringsagent moest dat vanzelf worden afgehandeld bij Faber in de Wildeman.

Maar om op de adviseur van burgermeester Callenbach terug te komen, politie Venema die was niet erg geliefd bij de bevolking en zeker niet bij de visserslui. Hij was dan ook wel een bijzonder mens. Want toen hij met pensioen ging, en dat zal in die tijd ook wel geen vetpot zijn geweest, begon hij een winkel aan de Polderdijk. Nu kon je hem dagelijks door de Lemmer zien rijden met een lange kist met koeken achter op zijn fiets en dan zong hij luidkeels "Bij Venema op de Polderdijk, verkoopt men honingkoeken, Honingkoeken zijn zo zoet je moet ze maar eens proeven" De jongens zongen er dan achteraan. "Valt er een boom uit de lucht, Venema op de vlucht"

Maar de visserslui hebben de politie ook wel eens geholpen. Mijn vader heeft mij verteld dat op een keer een deel van de vloot van Vollenhove, in de haven lag en dat waren in die tijd geen lekkere jongens. Daar waren de Lemsters nog lieverdjes bij vergeleken. Die zaten 's avonds in het caf van Jentsje Knol en maakten daar een herrie. Politieman Bosma, ging het caf in om de herrie wat te sussen. Maar ze ontwapenden Bosma en die werd op het biljart gesmeten, en ze zouden hem met zijn eigen sabel slachten. Toen hebben de Lemster vissers hem ontzet en een broer van Hidde Koornstra, was ontzettend sterk die nam de twee ergste belhamels onder elke arm n en sloeg ze met de koppen tegen elkaar en Bosma's leven was gered.

Het is bij Vollenhove gebeurd, zo tussen plm. 1890 en 1900 dat daar vier stropers, die door de Rijksveldwachter werden aangehouden, koelbloedig door die vier zijn vermoord, om beurten hebben ze die man met een mes bewerkt, omdat ze allemaal evenveel schuld zouden hebben, zijn ze allemaal opgepakt en tot levenslang veroordeeld. Drie zijn in de gevangenis gestorven, en n is als een oude man zijnde op vrije voeten gesteld, dus het waren geen lieverdjes.

Dubbele moord in 1878.

Een markant feit uit de geschiedenis van Vollenhove en omgeving was de moord op twee veldwachters in 1878. Nadat beiden die ochtend niet op hun werk verschenen, werd een zoektocht ingesteld, waarbij uiteindelijk hun ontzielde lichamen in een put werden gevonden. Beide mannen bleken uiterst gewelddadig om het leven gebracht. Al gauw werden drie verdachten gearresteerd: het bleken stropers te zijn. In die tijd was stropen een groot probleem in Vollenhove, met name de illegale jacht op fazanten. De verdachten moesten beschermd worden tegen een enorme volkswoede. De ene veldwachter zou vlak na de moord in ondertrouw gaan en zijn collega liet een vrouw en zes kinderen achter. De veldwachters zouden op stropersjacht zijn gegaan en daarbij de stropers ontdekt hebben, die vervolgens de veldwachters met hun geweren om het leven brachten. De drie verdachten zijn in het huis van bewaring in Zwolle verhoord. Bij de behandeling voor het gerechtshof in Arnhem kreeg de hoofdverdachte vijfentwintig jaar cel en werden de twee andere verdachten ieder tot twintig jaar cel veroordeeld.

Bron wikipedia.

Zie ook: www.henkvanheerde.nl

Terug naar de sterke Lemsters van vroeger. Die sterke broer van Hidde Koornstra is niet oud geworden. Want ik weet mij te herinneren dat toen ik een jongen was, Hidde Fetsje in de Schans woonde, waar later Willem de Blauw woonde, ik heb een foto heb gezien, waar de sterke man in z'n kist lag. (Hidde Koornstra, geboren op 4 augustus 1867 te Lemmer. Gehuwd op 4 juli 1890 te Lemmer, op met Fettje Visser, geboren op 15 september 1869 te Lemmer, dochter van Andries Visser en Baukje Visser. Hidde was eigenaar van een mooie houten aak.)

Juni 1954. Op de haven voor de afslag zijn deze mannen bezig met het inzouten van de vis. V.l.n.r. Sake Koornstra, Joost Siemonsma, Dorus en Hidde Koornstra, Jan Visser, Wybren Rinia, Willem Visser en de jongen op de voorgrond is Arend Hzn. Poepjes.

Maar er waren in die tijd meer krachtpatsers in de Lemmer. Mijn moeder vertelde mij dat zij als jong meisje in betrekking was bij bakker Fortuin, later Knol, in de Benedenschans. Daar werkte ook een bakkersknecht die oersterk was. Er was een groot vat krenten aangekomen van 400 kilogram, dat zouden de mannen met z'n allen naar de zolder brengen, toen ze dat 's middags zouden doen, had de sterke knecht voor een verassing gezorgd, en het alleen de brede trap op weten te krijgen.

Dan ging er het verhaal van de toen al oude Eibert Duim*, die vroeger ook altijd de honderden lammeren, die met de Lemmer nachtboot werden verscheept, met een kwast verf een merk op de kop gaf. Als er dan ook koeien in het ruim werden vervoerd en een enkele de loopbrug niet af wilde, nam hij de koe op zijn rug, met onder zijn armen de voor en achterpoten, en zo sjouwde hij de koe het ruim in, zelf heb ik het niet gezien. Maar wat ik wel heb gezien is dat er een keer stieren met de boot mee moesten en grote Lammert Dijkstra, die ook erg sterk was, een stier bij de horens pakte, zodat de stier zijn kop niet heen of weer kon krijgen, ook liep hij met een aanbeeld van 200 kilo door de smederij.

* Eibert Duim jubileert. (Waarschijnlijk de zoon van de oude Eibert Duim)

1950: Op Vrijdag 16 Juni a.s. hoopt de heer E. Duim te Lemmer de dag te herdenken, waarop hij 40 jaar geleden als kleermaker bij de firma A. C. Molenberg in dienst trad. Eibert was toen 13 jaar en misschien, koos hij dit vak niet uit vooropgezette geestdrift, maar door zijn lichamelijke constitutie waren verschillende andere wegen voor hem afgesloten. Duim heeft echter binnen zijn eigen kring bewezen, hoe ook onder ongunstige voorwaarden van het leven iets goeds en gaafs is te maken. Niet alleen heeft hij deze veertig jaar zijn plaats op de kleermakerstafel met ere ingenomen, maar ooit gaf hij zijn energie aan de strijd voor een betere wereld. Voor de oorlog was hij jaren lang de bezielende leider van de J.V.O. en een actief vechter voor drankbestrijding. Op allerlei congressen en vergaderingen is hij een bekende figuur. Bovendien had het volkstoneel de liefde van zijn hart en hij heeft het niet beneden zich geacht, deze kunst te dienen in de weinig opvallende maar zeer belangrijke rol van souffleur; 25 jaar lang heeft hij in deze functie zyn medewerking verleend bij talloze uitvoeringen in het Nutsgebouw. Ook in de dammerswereld is hij geen onbekende; vele jaren was hij voorzitter en competitieleider van de Damclub Lemmer. Het zal de heer Duim Vrijdag zeker niet aan belangstelling ontbreken.

Nu zijn we door de sterke mensen heen, die komen schijnbaar niet meer voor. Als er 's avonds paarden met de nachtboot mee moesten, wat ook af en toe ook gebeurde, was je daar als jongen niet vandaan te krijgen. Want er waren dan paarden bij, die de loop brug niet af wilden, wat ze ook probeerden, als het dan niet anders kon deden ze zo'n paard een brede zeildoek onder zijn buik door, en werd het paard opgehesen met de stoomlier, dan sloeg het dier uit angst met zijn poten op de keien dat het vuur er uit sloeg. Dan bonkte het hart in je jongenslijf want je hoopte dat het paard zou winnen, wat natuurlijk nooit gebeurde.

Maar op het drankmisbruik terug te komen, toen ik een jongen was.. kwam er maar n dagblad in de Lemmer en dat was van Hepkema's Courant uit Heerenveen. (Nederlands streekblad dat tussen 1874 en 1951 verscheen in Midden- en Zuidoost-Friesland) Die kwam altijd om half vijf, vijf uur met de tram aan in Lemmer. Ik meen dat de krant toen 3 cent koste. En Schotman's Bazar, verkocht ze, abonnees zoals nu waren er geloof ik niet. Bij de rechtszaken van de rechtbank in Heerenveen stonden geregeld verslagen van vecht en steekpartijen, maar nooit uit Lemmer. Wel uit de Wouden zoals Jubbega, Schurega, Haulerwijk, Steenwijk enz. Dus dat wijst ook niet op overdadig drankgebruik voor Lemmer in die tijd, en drank aan boord van vissersschepen is zo goed als nooit voorgekomen. Dat was zeer zeker ruchtbaar geworden, er waren toen ook wel onder de vissers die fel tegen drank gebruik waren en lid van de geheelonthoudersvereniging. Er was vroeger altijd een grote afdeling van de bond in Lemmer en de mensen van het opkomend socialisme, waren ook felle tegenstanders van de drank, want arbeiders gezinnen hadden natuurlijk het meest te lijden als vader te veel dronk. Als er vroeger een verjaardag werd gevierd kwam er niet als nu drank op tafel, wel een pan chocolademelk.

Toen we al voor de oorlog van 1914 aan het buurtje woonden bij de R.K. Kerk waren onze buren Johannes Visser en Rees, toen beter bekend als 'Johannes van Hantsje'. Hij had een grote aak, de LE 12. Ik weet nog best dat als hij en zijn vrouw op bezoek waren, je vaak kon lachen. Hij had altijd van die leuke verhaaltjes, die hij zo smakelijk kon vertellen. Zo had hij ook eens een buurvrouw gehad die in zijn uitzicht een paar weken een hemd had hangen. Dat begon Johannes de keel uit te hangen, en hij zei tegen de buurvrouw "Wanneer zal je nu dat gore Dorcashemd eens inhalen buurvrouw" Nu was 'Dorcas' een meisjes vereniging die met kerstmis onderkleren uitreikte aan behoeftige mensen.

Johannes Visser.

Zo had hij ook een zolder gehuurd, om een deel van zijn netten op te bergen en in de netten zit altijd veel stof. De bewoonster van het huis hete Afke. Als Johannes in de winter op die zolder aan het scharrelen was met het netwant, hoorde hij Afke die hardhorend was, mopperen over het stof dat naar beneden kwam. Afke: "Gesodemieter met dat rotstof uit die netten van Johannes voor die paar centen", Johannes van de zolder, "Sizze jo hwat, Afke?" Afke weer: "Weln myn goede man, geane jo jo gong mar hear". Een tijdje later ging het weer van voren af aan en dan kon Johannes schateren van het lachen.

Johannes was een fijne man. Toen ik drie jaar was noemde ik hem al oom. Hij woonde toen in de Benedenschans, waar later Marten en Griet Kokje woonden. Hij had daar ook een winkeltje en verkocht o.a. ook Bensdorp repen, die in een stopfles zaten en 2 cent kosten. Als ik er was zei hij al gauw Sille wy in reepke nimme, soan? En zo komen er soms herinneringen bij je boven van een gewone foto in de krant, n.l. de foto van mevrouw Coehoorn Jongsma in de Zuid-Friesland, toen ze voor de P.V.D.A. zitting nam in de gemeenteraad van Lemsterland, want de raadsverslagen sla ik namelijk nooit over. De foto was precies haar moeder op die leeftijd. Maar het bijzondere was wel dat haar grootvader, Auke Bakker van de LE 6. in...ik dacht 1913 of 1914 ook in de gemeenteraad van Lemmer heeft gezeten en ik daarin ook nog voor een klein deeltje aan heb meegewerkt.

Het was zo dat naar het oordeel van de vissers hun belangen in de raad niet tot uiting kwam. Er moest een visserman in de raad komen, en de keus was gevallen op Auke Bakker. Het was een rustige man, die zijn woordje goed naar voren wist te brengen. Een stemlokaal was in de oude R.K. Kerk, waar wij toen vlak bij woonden. Ik kreeg een lijst waar de namen op stonden van de kiezers, die waarschijnlijk wel op Bakker zouden stemmen, was er dan weer een geweest, kreeg die een streep. Zo konden ze de kiezers die tegen de tijd dat de stembus ging sluiten nog op roepen om alsnog te komen. Bakker liep altijd rechtop, altijd de beide handen tussen de broeksband en was tevens een droge humorist, mocht er graag iemand tussen nemen. Zo lagen we eens in Urk de ansjovisnetten over te halen. We lagen bij Bakker opzij en daarbinnen nog een Lemster. Die wou rijst eten, maar wist niet hoeveel ze nodig waren met z'n drien, en vroeg dat aan Auke. Daar zag Auke een mooie grap in en zei: "Ik denk dat je aan een kilo wel genoeg hebt". Dus er ging een kilo rijst in de pan en dat vloog al gauw de pan uit. Op het laatst stond alles vol met rijst tot de koffie mokken toe....en Auke maar lachen, dat z'n grap geslaagd was.

Zo kom je ook minder mooie berichten tegen, waarbij je weer gaat denken over het verre verleden. Er stond een overlijdensbericht in het Parool en nadien ook in de Zuid-Friesland van Wybrand Scheffer, psychiater te Bakkum. Dan zie je de familie namen eronder, A. Scheffer, die zo goed als zeker de schrijver is van o.a. "Nachtboot naar Lemmer". De namen Tineke en Aaltje, die de grootmoeder en de vrouw was van grootvader Wybrand Scheffer en dan denk je weer aan de lekkere appels en Urkerbrok, die overgrootmoeder IJke Scheffer in haar winkel in de Schans verkocht, en waar nu nog een kleindochter en haar man woont. Ook denk ik dan aan de verhalen die mijn vader vertelde over Wybrand Scheffer, waar hij als jongen nog bij had gevaren. Dat was een intelligente man. Liep altijd met zijn handen op zijn rug onder zijn jasje. Hij had zo'n klein sikje onder zijn onderlip met een snor als versiering daarboven.

Hij had feitelijk 'te veel' verstand voor visserman. Daarmee wil ik niet beweren dat visserlui domme mensen waren, maar voor een visser bestond er niets anders dan vissen en slapen, wat er in de wereld om je heen gebeurde, moest je je maar niks van aantrekken, daar was gewoon geen tijd voor. Zo zat Wybrand meer in de handel en ik denk wel in samenwerking met zijn moeder en broer Simon. Ze woonden toen aan de Oostkant van de winkel in het huis met het grote winkelraam. Daarna (of was het er voor) heeft Gaasbeek er ook gewoond, die hofmeester was op de nachtboot en de grootvader was van wijlen het raadslid Anne Visser. Ik meen me te herinneren, dat toen het huis daarvoor is verbouwd en er nog een goudsmidzaak in is geweest.

Maar op Wybrand terug te komen, die zat ook altijd vol streken en grappen. Zo gingen ze eens, zo mijn vader vertelde op Kampen aan, om een vracht appels te halen. Telefoon zal er toen nog niet geweest zijn, maar hij bestelde bij 10 slagers een flinke rollade, af te leveren om n uur aan de kade bij dat en dat vaartuig. Om even voor enen gingen de touwen los en daar kwamen 10 slagersjongens met witte jassen aan, allemaal met een rollade aanzetten. Dan had hij de grootste lol en lachte zich slap.

Mijn vader werd er ook af en toe er tussen genomen en die nam op een keer wraak. Ze kwamen van Kampen af en Wybrand deed zijn behoefte zittend op de kant van het boord zo aan de achterkant van het zwaard, zoals dat gewoonte was. Nu stonden daar in zee vroeger in de zachte grond veel van die taaie eikenstokken, waaraan paling-kubben waren bevestigd (de voorlopers van de kistjes, een van wilgen tenen gevochte maand voor de [aal]vangst) van palingvissers. Vader stuurde de botter, want ik geloof dat de aak LE 44 er nog niet was, zo.. dat de zware stok onder de zwaardklamp doorboog. Die kwam er aan de achterkant onder vandaan, vloog weer recht en kwam met een flinke zwiep tegen het blote achterwerk van Wybrand. Toen kon vader weer lachen, want Wybrand kroop met een pijnlijk achterwerk naar het vooronder.

Zo gingen ze ook eens naar Amsterdam met een bun vol bot voor de visafslag daar. Ze lagen in de oranjesluizen, gelijk met een sleepboot, die ze voor een bakzooitje wel even naar de Ruyterkade zou slepen, nu ging het niet om het zooitje bot, want die koste niet zoveel, maar om de kapitein een hak te zetten. Toen ze er zowat waren, stuurde hij vader naar de bolderen, zou dan het roer van de ene kant naar de andere kant gooien, telkens als de aak dan een gier nam kwam er 'Loos' in de sleeptros en dan moest vader de tros zoveel in halen als hij kon. Toen ze zowat vlakbij het schip waren sneden ze het touw door en schreeuwde tegen de kapitein "Smakelijk eten" Bij zulke huzaren stukjes, had hij de grootste lol. Later is hij naar Ameland vertrokken en exploiteerde daar het beurtveer Holwerd - Ameland.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Terug blik op de twintiger jaren.

Typische dingen in Lemmer.

Als je in die tijd het machine - geroezemoes van de houtmolen was gepasseerd en vervolgens het hek bij pasveer had geopend, voor de richting Oosterzee, dan deed je dit als jonge knaap niet zonder enige voorzichtigheid of heimelijke angst. Dit hield verband met sterke verhalen die je menigmaal hoorde in Lemmer, over de "Aapkes van Oosterzee". Het zouden twee jongens zijn met het uiterlijk van apen. Waarvoor je, je terdege in acht moest nemen; ze waren gevaarlijk....zei men. Hoe vaak ik het ook probeerde, na telkens al mijn moed te hebben verzameld, nooit was er iets te zien. Ik begon reeds aan legendevorming te denken, totdat ik op zekere dag, een boodschap moest doen voor mijn vader en er eigenlijk niet meer aan dacht, tot ik in een klein zijstraatje plotseling oog in oog stond met twee vreemde jongens. Iets ouder dan ik in de leeftijd van misschien 13 jaar, die er inderdaad ongewoon uitzagen (en wist je toen veel) en je daardoor schrik inboezemden, ook omdat n rare geluiden maakte.

Dit waren ze, wat nu! Op hetzelfde ogenblik keek ik ze echter recht in de ogen, maar daarin was niets te bespeuren om angstig voor te zijn. Mijn onlust gevoelens verdwenen als nevels voor de zon. Het waren eerder goedige niet begrijpende ogen. En zijn deze, een heel oud gezegde, niet inderdaad de stempels van de ziel? Ik geloof dat die jongens meer van mij schrokken dan ik van hen. Ze deden in ieder geval geen mens kwaad en ook nu bleek weer, dat verhalen vaak langs de rand van de waarheid lopen. Wat er later van de stumpers terecht gekomen is weet ik niet.

Wel herinner ik mij, dat ik medelijden met ze had en dat ik ze nadien nooit meer gezien heb. Het stond misschien in verband met de ouders die de jongens meestal binnenhuis hielden. In die tijd was dit niet zo ongewoon, je moest zoiets zoveel mogelijk verbergen ofschoon natuurlijk de wijde omgeving er bekend mee was. Hulp en begeleiding waren dingen die nauwelijks van de grond kwamen, buiten inrichtingen voor ernstige gevallen. In deze tijd is het heel anders, vooral door de meer begrijpende houding, hoewel daar ook nog wat aan valt te sleutelen. Maar het is in ieder geval in geen enkel opzicht van bestaande instituten van toen. En dan wordt soms ook nog beweerd dat er niets ten goede verandert, terwijl de voorbeelden voor het grijpen liggen, maar je moet het wel willen zien.

Lemmer zelf had in die tijd, weer andere typen die ik reeds in anderen bijdragen heb aangehaald. Zo herinner ik mij de woonwagen bewoners - kooplieden, die zo nu en dan ons dorp aandeden; het gezin van Houten, wat een aantal kinderen betekende. Als het bedtijd was trok pa een grote houten lade, die onder de wagen lag naar buiten, deze diende dan als bed. Het grut werd er netjes ingestopt en vervolgens schoof het geval weer dicht, zodat er aan de buiten kant niets was te zien. De volgende morgen werd het bed teruggehaald en konden de stakkertjes uit stappen. Van Houten, handelde in van alles wat los en vast zat, en had de gewoonte overal uitvoerig te vertellen over zijn levens omstandigheden. Om zijn operatie gebied wat dichter binnen de grenzen van zijn bedoeling te brengen.

Dit lukte hem aardig, want hij was in staat de dood zelf dood te praten. Ook vertelde hij steevast zijn eerdere ervaringen in Lemmer; opgeschoten jongens hadden op een donkere avond zijn woonwagen met alle hebben en houden als een appelboom heen en weer geschud, zodat deze bijna zou zijn gekanteld. Dit laatste was overdreven maar paste prachtig in de trant van zijn verhaal, ook ten behoeve van zijn handel. Zijn geschreeuw die avond met hoge doorslaande stem, tot ver in de omtrek te horen, stond in geen enkele verhouding tot de werkelijkheid. Niettemin was het stof waarover in Lemmer lang en breed is gesproken, aangenomen als een welkom verzetje. Ook van deze typen hebben we later niets meer gehoord. Waarschijnlijk heeft hij het dorp te gevaarlijk gevonden. Zo ja dan was dat ten onrechte, want waneer iemand het toen inderdaad te bont maakte, dan kon hij er op rekenen onder handen te worden genomen, met zo nodig een pak op zijn huid. Mede hierdoor kon haast altijd het evenwicht worden bewaard, zonder tussenkomst van de politierechter, door een soort eigenrichting dus.

In ieder geval ging het het niet zoals ik onlangs in de krant heb gelezen, omtrent een stel "Bokkerijders" uit Lemmer, waarvan minstens n, doordrenkt met enorme hoeveel heden bier, zinloos eigendommen van anderen vernielden en zich zelfs overgaf aan soortgelijke zacht uit gedrukt vorm van geweld in niet bedwelmde toestand. Op de tribune van het gerechtsgebouw bevonden zich een paar aanhangers van de leider die ergens herinnerden aan de onlangs in Amsterdam gehouden Grand Gala van de matheid. Hier waren eveneens vreemde vogels die een show van de zotheid op voerde. Als genoemde leider zijn arendsblik over de tribune liet dwalen, werd hij aangemoedigd door hem vererende aanhangers niet beseffende dat de politierechter inzag op onnozelheid alleen maar met een zekere mildheid te kunnen reageren.

Iets heel anders betreft een koopman uit Sneek, die eens per jaar met een grote handkar ons dorp aandeed. De wagen was gevuld met krakkemikkige vlaggetjes en andere prullaria. Hij was verzot op vodden en afgedankte dingen (vroeger werd niet gauw wat afgedankt), die je bij hem kon inruilen tegen de in de handkar bevindende prularia uit zijn handkar. Hij werd door kinderen bestormd, die naar huis waren gerend om oude rommel op te halen. Een bepaald dingetje voor zoveel vodden, en een ander ding voor bijvoorbeeld een kopje of veel beter een oude trekpot.

Zijn vaste kreet, op die mannier zoals alleen sommige kooplui het kunnen doen, klonk de hele dag door Lemmer: "Voddee, voddee, nikkele theepottee". Het is een raadsel hoe de goede man, met zijn bleke ascetengelaat en immer gekleed in een lage zwarte jas, door een dergelijke handel zelfs een korst brood kon verdienen. Maar in die tijd kon hl wat. Het leek wel iets op de Chinezen van voor de oorlog die je in de steden, weer of geen weer, met bakjes voor de borst, kon aantreffen vergezeld met hun klagelijk geroep 'pinda, pinda, lekka pinda'....Ja heel andere tijden en typische dingen en gewoonten, maar niet om ze direct terug te verlangen, daar gelaten het feit dat niets ooit op dezelfde wijze terug keert.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Tien jaar voor en tegenspoed in Lemmer.

In de middag van Goede Vrijdag 1938*, hadden we in het Raadhuis te Lemmer een onderhoud met Lemsterlands burgermeester, M. Krijger. Het geheel was n vlaggenzee: 's morgens om half twaalf was officieel bericht gekomen, dat Lemmer het eindpunt zou zijn van de grote scheepvaartweg naar het IJsselmeer.

Toen ik vanmorgen het bericht ontving, aldus de heer Krijger, was dit voor mij een gelukkig ogenblik. Eindelijk zou nu de plaats, die zo ontzaglijk veel schade door de afsluiting van de Zuiderzee heeft ondervonden, aan de toekomst kunnen beginnen te werken.

Ruim 8 jaar later, in november 1946 zaten we weer op dezelfde plaats tegenover Mr. Krijger "In 1938 staken we de vlaggen uit, aldus de burgemeester. Thans ben ik van mening, dat het nieuwe kanaal voor Lemmer een strop wordt in plaats van een voordeel. Het zal niet naar de Lemster havenmond lopen, doch drie kilometer Westelijk van de plaats in het IJsselmeer uitmonden".

* 1947: Uitbreidingsplan voor Lemmer.

Het was in April 1938 toen iemand in Lemmer een vlag uitstak zonder dat de buren eigenlijk wisten wat er gaande was. Bij informatie kwam men te weten dat het besluit was gevallen, dat het nieuwe kanaal Lemmer Groningen niet over Staveren kwam maar over Lemmer. Grote vreugde heerstte er toen in Lemmer en weldra werden meer vlaggen uitgestoken. Het ging als een lopend vuurtje door het dorp. De muziekverenigingen maakten een rondgang door de plaats en de voorzitter van de Winkeliersvereniging Lemmer", de heer P. Zwart, sprak op het bordes van het gemeentehuis een dankwoord tot Mr. M. Krijger, burgemeester van Lemsterland en overhandigde hem, onder luide toejuichingen van een grote menigte, een mand met bloemen. Lemmer had de strijd om de uitmonding van 't nieuwe kanaal gewonnen. Een nieuw groot stuk werk ten Westen van Lemmer zou binnenkort verrijzen.

Op de vergaderingen van de watersportvereniging kwamen nu ook bezwaren naar voren, want de aanlegsteigers bij Villa Nova" zouden vroeg of laat moeten verdwijnen, want daar zou vermoedelijk de nieuwe sluis komen. - Wat Lemmer aan de visserij had verloren zou ruimschoots vergoed worden door het kanalenplan met zijn grote sluis en de daarbij komende terreinen en woningen. Verschillende tekeningen werden gemaakt en besprekingen gehouden maar de oorlog in Mei 1940 maakte een einde aan de plannen. Het kanalenplan ten gunste van Lemmer, kwam zo langzamerhand in het vergeetboek. Pessimisten meenden al gehoord te hebben dat na de oorlog Staveren misschien wel weer een kans kreeg.

Maar direct na de bevrijding werden de plannen weer aangepakt, en op de eerste raadsvergaderingen konden wij uit de mond van den burgemeester horen, dat de plannen, van het kanaal verwezenlijkt zullen worden. Het stond dus direct al vast, dat het kanaal bij Lemmer bleef. In het begin van de oorlog ging Lemmer nog door met zijn uitbreidingsplan. De Noord-Oostpolder was reeds in wording en vele arbeiders in Lemsterland vonden voldoende arbeid om daar hun brood te verdienen. De uitbreiding van de gemeente Lemsterland ging dan ook in Westelijke richting en voornamelijk tussen de scholen en de trambaan.

De Wieringermeer-directie zette voor haar rekening drie blokken woningen neer voor haar personeel tussen de Verlengde Lijnbaan en de Parkstraat. Verschillende particulieren hadden daar in het zg. stratenplan een woning laten bouwen en als in 1942 geen bouwverbod was afgekondigd, zouden al de gronden, die later voor Volkstuintjes" werden ingericht al met huizen bezet zijn geweest. In die jaren kreeg Lemmer een serie historische straatnamen, zoals o.a. Willem Barentsz, Flevo, Bantega en Cornelis Houtman-straat.

Op een openbare vergadering, die georganiseerd was door V.V.V., sprak dezer dagen de burgemeester over de toekomstplannen van Lemmer. In een rede van bijna twee uur zette spreker de uitbreidingsplannen uitn; twee grote tekeningen, die gemaakt waren door het architectenbureau Baart en Wiersma te Leeuwarden, werden ter verduidelijking getoond. Omdat hel uitbreidingsplan van Lemmer ten nauwste aansluit op het kanalenplan LemmerGroningen. is het nu de vraag maar, welk plan zal aangenomen en uitgevoerd worden. Er bestonden voorheen twee kanaal-plannen. Het eerste plan was dat het nieuwe kanaal van de Brekken uit langs het stroomkanaal zou lopen en dan door de Zijlroede naar de havenmonding. Het tweede plan was dat de havenmonding tussen Lemmer en het stroomkanaal zou komen te liggen

Later kwam er een nieuw plan, het z.g. Plan-West". Dit kwam hierop neer, dat het kanaal nu zijn uitmonding zou krijgen ten Westen van het stroomkanaal. dus op plusminus 3 K.M. ten Westen van Lemmer. Dit plan is voor de uitbreiding van Lemmer zeer ongunstig. Een uitbreiding voor Lemmer over die afstand naar het nieuwe kanaal is ondenkbaar. Daarom is er hard aan gewerkt om te trachten de uitmonding dichter bij Lemmer te krijgen, maar tot nog toe heeft men geen resultaat bereikt.

Enkele dagen geleden is de beslissing gevallen dat plan-West" uitgevoerd zal worden. Nog laat men de moed niet zakken; in ons blad van Zaterdag hebben we uitvoerig het adres van B. en W. aan de Kamer gepubliceerd. Het eerste succes van deze actie heeft vermoedelijk al geklonken in het afdelingsonderzoek in de Provinciale Staten van Friesland, waar er op aangedrongen werd een nieuw onderzoek in 'e stellen naar de bezwaren die de gemeente Lemsterland naar voren heeft gebracht inzake plan-West".

De heer B. Elskamp, secretaris van V.V.V., gaf ons nog enige inlichtingen en deelde mede dat in verband met het kanalenplan vermoedelijk dit jaar nog een grote oppervlakte weiland ten Westen van de trambaan opgespoten zal worden, om dit terrein als bouwgrond te gebruiken. Voor fabrieksterreinen is Lemmer binnenkort zeer gunstig gelegen en deze terreinen komen te liggen vlak bij het nieuwe kanaal, aan de nieuwe weg van GaasterlandLemsterland met aansluiting naar alle richtingen in Friesland en de Noord-Oostpolder met Overijssel; voorts met goede verbindingen te water naar Amsterdam en Snoek.

De nieuwe grote weg die aansluiting zal geven op de rijksstraatweg naar Leeuwarden, en die zijn kruispunt krijgt op plusm. 2 K.M. buiten Lemmer, zal doorgetrokken worden naar de Noord-Oostpolder met een kruising bij Pasveer naar de richting Wolvega. Bij de kruising zal een viaduct gemaakt worden dat weer aansluiting geeft naar Lemmer zelf.

Deze nieuwe weg die door Lemmer zal lopen en aansluiting zal geven naar Gaasterland, zal lopen via het Waaigat over een nieuwe brug over de Zijlroede, door de Flevostraat, waar een drietal huizen verwijderd zal worden, achter de begraafplaats langs en zo met een flauwe bocht naar de straatweg en over de Lemster-Rien naar de Zeedijk, in aansluiting op de weg naar Emmeloord in de Noord-Oostpolder en Kampen.

Want ook moet Lemmer zijn oog gericht houden op de ontwikkeling in de nieuwe polder. Lemmer heeft er belang bij dat er ook goede wegen komen in de polder. Zoals dat nu gaat met het vervoer uit de polders is het niet aan te zien. Grote vrachtwagens met pakken stro moeten eerst door de Schans rijden om op de Schulpen de gelegenheid krijgen te zwaaien, om dan de reis voort te zetten in de richting Wolvega of Kuinre. Het aantal wagens dat elke dag onnodig door Lemmer rijdt, is groot; soms moeten ze wachten voor de twee bruggen, en dit komt omdat de wegen van en naar de polder nog niet klaar zijn en geen aansluiting geven naar het Oosten.

De heer Elskamp wees terecht op het feit dat Lemmer een unieke gelegenheid biedt voor een strokartonfabriek en andere fabrieken die belang hebben bij producten uit de Noord-Oostpolder, en dat er kans bestaat dat de spoorlijn KampenEmmeloord doorgetrokken zal worden naar Lemmer.

Onze plaats heeft thans de kans om zich naar drie kanten uit te breiden. De nieuwe V.V.V. ziet gelukkig die kans ook en zal met alle middelen de gelegenheden aanpakken om Lemmer als tweede havenplaats mee vooruit te krijsen.

Opnieuw dus een gevoelige slag voor de welvaart der bewoners. De scheepvaart zal niet meer door Lemmer gaan, doch op grote afstand er langs. Grote voordelen voor de middenstand, voortvloeiende uit de inkopen van de winkelende en foeragerende schippersvrouwen zullen verloren gaan. Eerst dus de visserij, daarna de schipperij. Wel biedt de zich steeds meer ontwikkelde Noordoostpolder, nieuwe bestaansmogelijkheden voor Lemmer, doch de toekomst zal moeten leren, of deze een voldoende tegenwicht zullen vormen voor deze beide zo even genoemde gevoelige verliezen.

Bij deze twee bleef het echter niet. In 1901 was de tramlijn naar Lemmer aangelegd, zodat de plaats een prachtige verbinding kreeg met haar achterland. In die periode werd ook de z.g. tramhaven gemaakt en naast de reeds bestaande Groninger-Lemmer bootdienst, een trambootdienst op de hoofdstad ingelegd. Tussen deze beide diensten ontstond een zware concurrentie, ten voordele natuurlijk van het reizend publiek. Van deze Tramboten en de oude Lemmer boot, werd jaren lang, een druk gebruik gemaakt, niet alleen door reizigers, doch ook voor goederenvervoer.

De tram op de trambrug over de Zijlroede te Lemmer. De afrduk werd in het laatst van de zomer in 1901 genomen, kort na de officile ingebruikneming van het baanvak JoureLemmer. In 1945, dus nog geen halve eeuw later, reed de laatste personentram naar Lemmer en enkele maanden werd ook het goederenvervoer op deze lijn gestaakt.

De stukgoederen van Amsterdam werden in de N.T.M. wagens overgeladen en naar geheel Noord Nederland vervoerd, terwijl omgekeerd duizenden stuks vee naar Holland werden verscheept. Dit overslag bedrijf legde Lemmer geen windeieren. Door deze verbinding met het hart van Nederland, kreeg Lemmer een grote betekenis. De concurrentie van het auto snelvervoer werd echter steeds groter.

De N.T.M. schakelde haar gehele bedrijf over van rail op de auto tractie. De tramboten konden de strijd tenslotte niet meer volhouden en op 1 oktober j.l. zijn ze uit de vaart genomen. Thans vaart nog alleen de Jan Nieveen, van de oude dienst driemaal per week. Hoe lang nog?

Dit was de derde slag, welke Lemmer in de laatste halve eeuw trof en thans, tien jaren na het in de aanhef vermelde bezoek aan Lemmer, zijn we opnieuw met burgermeester Krijger gaan praten, om zijn oordeel over de toekomstmogelijkheden, welke de plaats thans nog resten, te vernemen.

Toen de tram verdween, aldus de heer Krijger, nam de A.T.O. het vrachtvervoer voor haar rekening. Hiervan werden grote verwachtingen gekoesterd, doch het is tegengevallen en het zou me niet verbazen, dat binnenkort ook deze dienst wordt opgeheven. Het verheugde ons niet weinig, uit de loop van het verdere gesprek te vernemen, dat de burgermeester betreffende Lemmers toekomst.. ook na deze nieuwe tegenslag, nog niet pessimistisch gestemd is.

1949: RAAD LEMSTERLAND 17 Januari. Gematigd optimistische rede van de burgemeester.

Bij de aanvang der raadsvergadering zei de de voorzitter ongeveer het volgende: Bij de aanvang van deze eerste vergadering in het nieuwe jaar wil ik, der gewoonte getrouw, deze gelegenheid benutten om met U in het kort een blik terug te werpen in het afgelopen jaar en vooruit te zien naar het werk, dat ons in 1949 wacht.

Globaal gesproken meen ik te moeten vaststellen, dat het jaar 1948 voor onze gemeente niet een onverdeeld gunstig jaar is geweest, al zijn er gelukkig ook vele gunstige aspecten aan te wijzen. Belangrijk en hoop gevend was zeer zeker, dat tengevolge van de wijziging in de financile verhouding tussen Rijk en gemeente de sedert vele jaren bestaande noodlijdendheid der gemeente een einde nam. Met de toekenning van een extra bijdrage van ruim f 55.000, vastgesteld voor 3 achtereenvolgende jaren, kon de begroting sluitend worden gemaakt en zelfs een bedrag voor onvoorziene uitgaven worden uitgetrokken.

Stond reeds bij het begin van 1948 vast, dat de uitmonding van het kanaal StrobosLemmer op de door ons zo ongewenst geachte plaats, ten westen van het Stoomgemaal zou komen, in de loop van dat jaar kregen wij steeds meer en dieper inzicht in de gevolgen, die deze verlegging van het scheepvaartverkeer met zich mee zal brengen. Nu de cijfers over de scheepvaartbeweging over 1948 bekend zijn, is gebleken, dat ongeacht de schepen, waaruit in totaal bijna 80.000 ton goederen in de buitenhaven overgeslagen werden, niet minder dan 15.947 schepen met een totaal inhoud van 2.012.917 ton de sluis passeerden, hetgeen een vermeerdering betekent ten opzichte van 1947 van 3650 schepen en 533.938 ton.

Na de totstandkoming van het nieuwe kanaal zal zeer zeker 80% van deze scheepvaartbeweging zich door dit kanaal naar haar plaats van bestemming begeven, waardoor ook de gemeente in financieel opzicht omvangrijke inkomsten zal gaan derven. Bovendien zullen vele uitgaven in verband met de haven en de havenwerken, walmuren e.d. dezelfde blijven of slechts in geringe mate dalen.

Ook het welvaartspeil der bevolking en vooral dat van de middenstand zal een gevoelige klap krijgen. Het verdwijnen van het passagiersvervoer geheel en dat van het vrachtvervoer grotendeels door de opheffing van de tramlijnverbinding bracht nadelen met zich mee en de kort geleden plaats gevonden hebbende opheffing van de bootlijn der N.V. Koppe met als gevolg een belangrijke inkrimping van het bedrijf van de N.V. A.T.O. was eveneens een tegenslag.

Gelukkig was van dit alles niet een 'omvangrijke stijging van de werkloosheid het gevolg. Vele inwoners van de gemeente immers vinden werk zij het dan meestal in los verband in de Noordoostpolder, al zal de voortschrijdende in cultuurbrenging daarvan en de voortgaande aanleg van wegen en andere kunstwerken daarin op de duur successievelijk een afvloeiing van arbeidskrachten tengevolge hebben.

In dit verband rijst de vraag of ook in onze gemeente de stichting van een aanvankelijk kleine industrieflat in die behoefte zou kunnen voorzien. Een belangrijk besluit werd genomen door de aankoop der terreinen en gebouwen van de N.T.M. Gunstig gelegen aan weg, rail en water zullen deze m.i. de mogelijkheid tot industrievestiging vergroten en kansrijker maken. Wel zullen we ons bewust moeten zijn, dat een te gering aantal vakarbeiders ter plaatse een handicap daarvoor vormt en dat de aantrekking daarvan afgezien van het landelijk tekort zeer moeilijk is door de heersende woningnood.

De woningtoestanden in de gemeente zijn nog steeds zeer slecht. Ondanks het feit, dat de gemeente tot op heden niet ongelukkig is geweest met het aantal nieuw gebouwde huizen, is eigenlijk het tekort nog steeds gestegen. Het aantal aanvragen om woonruimte vermeerdert langzaam maar zeker, en bereikte een aantal van 227. waarvan niet minder dan 165 voor Lemmer. En helaas is de toewijzing die de gemeente voor 1949 kreeg zo klein, dat deze niet meer betekent dan een druppel op een gloeiende plaat. Het grote aantal zeer slechte woningen vermeerdert deze nood nog.

Evenals in tal van andere plaatsen zullen we ook hier moeten trachten nieuwe industrien te krijgen. Deze zullen zeker komen, mits we kunnen beschikken over bestaande gebouwen met voldoende ruimte. Op stations emplacement zijn nu enkele gebouwen vrij gekomen, welke voor dit doel niet ongeschikt lijken. Over opbreken van de rails naar Heerenveen, schijnt vooralsnog niet te worden gedacht, terwijl ook voor het vervoer over water van de grondstoffen en producten volop gelegenheid bestaat. Het gemeentebestuur zal dan ook met de eigenaars van deze gebouwen voeling houden.

Het Economisch Technologisch instituut voor Friesland heeft bovendien een mogelijke structuurverandering voor Lemsterland in studie genomen. U ziet dus dat het aan onze medewerking niet ontbreekt. Ook krijgen we hier binnenkort een nieuwe Landbouw - Huishoudschool, terwijl Lemmer tot die plaatsen behoort welke in aanmerking komen voor de vestiging van een Ambachtschool.

Wij brachten ook nog even de eventuele mogelijkheden, welke de Noordoostpolder voor Lemmer biedt, ter sprake. De heer Krijger, bleek van oordeel te zijn dat het Noordelijk deel van de polder zich deels op Lemmer en deels op Emmeloord zal orinteren. Persoonlijk staat hij op het standpunt dat het voor de verdere ontwikkeling van de Polder het beste zal zijn, waneer hiervan een twaalfde provincie word gemaakt.

Uit de polder worden grote hoeveelheden stro aangevoerd, welke bestemd zijn voor de stro kartonfabrieken in Groningen en elders. Het is ons bekend dat dit jaar een aanvraag is binnen gekomen voor de vestiging van zulk fabriek te Lemmer, en dat hier over besprekingen zijn gevoerd. Te hopen is dat zulke aanvragen meer zullen worden gevolgd.



Polygoonjournaal uit 1949 over de ontginning van de Noordoostpolder. Bron Wikipedia.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Twaalf Lemster vissers, in actie op 21 en 22 februari 1865.


bron: Fotoarchief Eerste Kamer. Jhr. Mr. J.H.F.K. van Swinderen.

Op 22 februari 1865 schreef de burgermeester van Gaasterland, Jhr. Mr. J.H.F.K. van Swinderen, in "Den huize Rijs" een brief aan Zijne Excellentie den Heere Betz, minister van financin, waarin hij de minister rapporteerde over de redding van de quipage van een in noodverkerend recherchevaartuig. De minister antwoordde reeds op 27 februari hij betuigde zijn welgemeende dank voor het beleid en de zelfopoffering bij die gelegenheid aan de dag gelegd. In deze brief wees de minister de Gaasterlandse burgermeester er overigens op, dat het bewuste vaartuig niet aan het rijk behoorde, maar aan de ambulante recherche te water en verhuurd was door de weduwe A. de Bruin, winkelierster in Den Helder, in hr dienst stond ook de hele bemanning, behalve de visiteur en de sloeproeier.

De reddingsactie en de daarmee verband houdende correspondentie zou ons honderd en twintig jaar later nauwelijks kunnen interesseren, ware het niet dat twaalf Lemster schippers met twee aken vanuit Tacozijl, de redding in twee etappes onder moeilijke omstandigheden hebben uitgevoerd. Ik begin het verslag van de actie met het noemen van de namen van de twaalf Lemster redders. Het Koninklijk Besluit van 14 juli 1865 ondertekent door Koning Willem III en gecontrasigneerd door de minister van binnenlandse zaken Thorbecke, vermeld dat als blijk van onze goedkeuring en tevredenheid een loffelijk getuigschrift worden verleend aan: Bauke Jelles Visser, Wybrand Ras, Poppe Gaukes Bootsma, Jacob Visser, Gerben Gaukes Bootsma, Jan Wieberen Siemensz, Zeldenthuis, Steven Rinzes Visser, Steven Jelles Visser, Jan Jans Visser, Geert Siebes Zandstra, en Andries Jelles Visser. Schippers van de Lemmer wegens het met levensgevaar redden van de bemanning van het in zee tussen het ijs bekneld in noodverkerend Recherchevaartuig No.1 op de 21 februari 1865. Aan dit loffelijk getuigschrift was op 25 juni voorafgegaan een Koninklijk besluit, waarbij aan de 12 schippers iedere een gratificatie van f 20,-gulden werd toegekend.

Het verslag van deze actie op de gedenkwaardige 21 februari treffen we aan in een brief van de zeer actieve en meelevende burgermeester van Gaasterland, Jhr. van Swinderen, hij schreef dit verslag heet van de naald, waarschijnlijk nog op de 22 februari aan Zijne Excellentie Den Heere Betz Minister van financin. Ik citeer: Voor ongeveer drie weken (dat moet dus omstreeks 1 februari zijn geweest, werd het genoemde vaartuig bij slecht weer op strand gezet onder mijne gemeente en heeft de aanwezige Visiteur uit voorzorg eenige der voornaamste goederen terstond doen bergen, hopende dat het schip bij hoog water weder vlot zou worden en hij aldus na die goederen te hebben ingenomen zijne reis zoude kunnen vervolgen.

In de nacht van zondag op maandag jongstleden is echter dat vaartuig bij hevige n.n. Westenwind van het strand in het ijs weggedreven, zodat ik het maandag 's middags (dus 20 februari, a.s.) omstreeks twee uur niet meer dan met behulp van verre kijkers konden bespeuren. Op het zien van het noodsein door de bemanning gehesen heb ik onmiddellijk orders gegeven om hen ter hulp te komen, hetgeen echter met zeer veel moeite gepaard ging, daar de haven van Tacozijl geheel vol ijs was, en de vissersvaartuigen die daar in lagen er niet uit konden. Na een vorst periode van lange duur met constante oostelijke winden was dus de wind naar noordelijke tot westelijke richting gekrompen, waardoor enorm veel water de met ijsvelden overdekte Zuiderzee werd binnen geblazen. Storm en wind jaagde het vlot geraakte recherchevaartuig met de op hol geslagen ijsvelden in zuidoostelijke richting uit de Gaasterlandse wal.

Na de haven te hebben doen ontruimen, door het hakken van een geul en het opzij bergen van de stuk gestampte schotsen, en de schippers van het naburige Lemmer te hebben doen afhalen, waarschijnlijk door boeren wagens, zijn er twee aken met elk zes man bemand uitgegaan omstreeks half zes in de avond, maar deze moesten toen onverrichter zaken terugkeren daar het onmogelijk was bij het inmiddels heersende stormweer en bij de in zee heersende zware ijsgang het in nood zijnde schip te naderen. Dit was een zeer riskante tocht voor de Lemsters. Stormweer zeer donker, zeilend in een zeer smalle geul water tussen het randijs langs de kust, en de hier en daar gevaarlijk kruiende ijsvelden aan lei. Het recherchevaartuig bevond zich zuidelijk van Lemmer in dit bewegelijk ijs. Het was bij de heersende omstandigheden totaal onmogelijk iets voor de opvarende te doen.

Later heeft de visiteur zich beklaagd over het niet branden van het Lemster vuur. Ten onrechte. Namens de commissaris des Konings in Friesland deelde gedeputeerde S. van Welderen Rengers, op 4 augustus aan de minister mede dat de Lemster havenvuren ter voorkoming van ongelukken nimmer worden ontstoken, wanneer de haven voor schepen niet toegankelijk is. In andere zeeplaatsen word deze gedragslijn ook gevolgd. Zodra echter pogingen tot redding van het recherchevaartuig werden aangewend had de burgermeester de havenvuren doen ontsteken.

Dinsdagmorgen zo vervolgd de burgermeester van Gaasterland, zijn verhaal, zijn de genoemde schepen onmiddellijk weder uitgezeild en konden, daar het weder toen bedaard en de zee langs de kust vrij van ijs was, meerdere pogingen tot redding in het werk stellen. Het in nood verkerende schip was inmiddels te midden ener bijna onafzienbare ijsmassa bij sterken eb, meer dan een uur ver van de plaats afgedreven waar het den vorige avond lag. De Minister schreef op 5 juli 1865 aan zijn ambtgenoot van binnenlandse zaken, dat het vaartuig in de richting van het Vrouwenzand buiten Stavoren en Urk, door de Lemsters was bereikt.

Na enige tijd gezocht te hebben aldus weer de Gaasterlandse Burgermeester, gelukte het de beide schepen het vaartuig te ontdekken en konden ze het tot op zekere afstand naderen. De equipage, bestaande uit zes man heeft zich toen over de schotsen met een vlet bij hen gevoegd en ze zijn allen behouden in de haven van Lemmer aangekomen, voorlopig heb ik de equipage huisvesting bezorgd in een bij Tacozijl gelegen logement. Thans zijn de mensen in afwachting op nadere bevelen, opgenomen bij verschillende in mijn gemeente wonende personen, die er zich om strijd mede willen belasten om hen op te nemen.

Vooral des 's maandags avonds in de poging tot redding bepaalt zijn met levensgevaar gepaard geweest voor degenen die ter redding waren uitgegaan en ik geef Uwe Excellentie daarom in overweging Uwen vermogende invloed aan te wenden om aan deze mensen eene gratificatie te doen toekomen, de brief van de burgermeester eindigt met de mededeling, dat hij zoeven verneemt dat vermelde vaartuig van Stavoren uit is gezien, en er pogingen zijn aangewend om het nog te behouden en zo mogelijk in een Noord Hollandse haven binnen te brengen, de gehele kust hier is thans bedekt met ijs.

Wat voor eventuele belangstellenden nog verder uitgeplozen kan worden is bijvoorbeeld het archief van de controleur Commandeur van de Recherche in de eerste afdeling te Den Helder. Age Scheffer Zaandam.

Zie ook Het Grijs Verleden.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Ook Lemmer heeft een wapen.

Het volgende dorpswapen is bekend : "In azuur een arm van zilver, gekleed van keel, komende uit een wolk van zilver, geplaatst in de linkerschildrand, en dragende een stok van zilver, waaraan een schuinlinks geplaatst kruisvaandel van keel, met kruis van zilver."

Oorsprong/verklaring: De oorsprong van het wapen is niet geheel duidelijk. Het is bekend van een uit 1695 daterend handschrift van Andries Schoenmaker.

Bron: De Lemmer - Heraldrywiki

De "Marike" is Lemmer's "vlaggenschip"

Niet alleen de gemeente Lemmer heeft een wapen, maar de plaats Lemmer ook! Dit wapenfeit was ons niet bekend en we denken de plank niet ver mis te slaan, wanneer wij veronderstellen dat het merendeel van ons hiermee niet op de hoogte zal zijn: In ieder geval was men tot voor kort op de afdeling Algemene Zaken ten Gemeentehuize ook niet met het Lemster wapen op de hoogte, zo bleek ons. Dat wij het inmiddels wel weten en u nu dus ook, kwam door het bezoek aan ons redactiekantoor van twee zoons van schipper F. de Vries van het 1155 ton metende vrachtschip Marike.

De Marike (samengesteld uit de voorste letters van de namen van de kinderen Marianne (18), Rimmy (29) en Kees (17) heeft sinds vorige week maandag het wapen van Lemmer op de roef. Het wapen, geschilderd door Kees de Vries, LTS-leerling in Sneek en verblijvend in het internaat in Lemmer, is op een aluminiumplaat aangebracht op de roef van het schip. Alhoewel schipper De Vries afkomstig is uit Sneek, kreeg de Marike twee jaar geleden Lemmer als domicilie. en de jongens kwamen er al sneupend achter, dat ook de plaats Lemmer zelf een wapen heeft. Bij navraag op het gemeentekantoor werd de correspondentiemap "Heraldiek" nagekeken en daaruit kwam "It wapen fan De Lemmer" in beeld, kleuraanduiding en nadere omschrijving tevoorschijn, van de hand van de heer Klaas Sierksma, o.m. voorzitter van de Stichting voor Banistiek en Heraldiek, welke stichting haar zetel heeft in Muiderberg en ook een Friese afdeling heeft, waarvan de heer Sierksma eveneens voorzitter is.

De heer Sierksma schrijft over het wapen van Lemmer het volgende (en voor hen die het Fries niet machtig zijn, vertalen wij het in het Nederlands): Een wapen van blauw met een arm, bekleed met rood, en zilveren hand, komende uit een zilveren wolk in de linker schildrand, de aanduidingen: links en rechts te rekenen vanuit het wapen zelf, en houdende een kruisvaandel van rood en zilver aan een stok van zilver, schuin naar links wijzend. De heer Sierksma schrijft vervolgens: Een opmerkelijk wapen, dat van de Flekke de Lemmer. Men kan nauwelijks zulke meer vinden in Nederland. Al heeft het - niet in figuur (meubel zegt men in de heraldiek), maar van aard - enige overeenstemming met het wapen van Lemmer, dat naar de beschrijving van de Hoge Raad van Adel er zo uitziet. -Van zilver met een arm van keel rood,volgens de omschrijvingen die bij de heraldiek, worden gebruikt, komende van de regter zijde van het schild, dragende op zijne hand een wereldkloot van goud.

Draagt dus het wapen van de gemeente al van de oudst bekende tijden af een symbool van de wereld, van de aarde en van de macht daarover, het wapen van de hoofdplaats heeft het symbool van de kerkelijke macht. Evenals ook andere Flekke-wapens is dat van 'De Lemmer' ons bekend geworden door het handschrift uit 1695 van Andries Schoemaker. Heeft de gemeente er zin aan, of de Flekke zelf, dat zou men er eens over kunnen denken om een eigen vlag in te stellen, waarvan de kruisvlag dan de grondslag zou kunnen zijn. Op het midden van het kruis zou het symbool van de gemeente kunnen komen. In elk geval komt de "hearring op 'e toer, er niet meer bij te pas" zo besluit de heer Sierksma zijn toelichting. Hoe het ook zij, gewapend met de wetenschap, dat de hoofdplaats over 'een opmerkelijk wapen' beschikt, kunnen we de ongunst der tijden weer wat manmoediger tegemoet treden. Misschien dat dr. mr. H.F.W. Luiking uit Naarden, wiens bijdragen over Lemmers historie wij altijd bijzonder waarderen, in dit stukje aanleiding zien op de kwestie wat wetenschappelijker in te gaan. In ieder geval voert de Marike ht wapen van Lemmer. Over de wateren tussen Friesland en Wesel (Dld.) waar het vrachtschip regelmatig ladingen grint en zand inneemt.

Andries Schoemaker (1660-1735) was een rijk koopman. Schoemaker is afgebeeld terwijl hij werkt aan zijn aantekenalbum.

●●● Bovenstaand is er al iets over geschreven over het wapen van De Lemmer, met een afbeelding. ervan en een foto van de brug van het vrachtschip "Marika" waarop dit wapen prijkt. De ontdekker van dit wapen is de heer KL. Sierksma te Muiderberg voorzitter van de stichting voor banistiek en Heraldiek. Het is hem bekend geworden uit het handschrift van 1694/96 van Andries Schoemaker.

De redaktie van ZF vraagt mij, zo mogelijk, iets nader op deze aangelegenheid in te gaan. Aan dit verzoek voldoe ik bij dezen gaarne. Het wapen van 'De Lemmer' was mij tot nu toe onbekend. In 1960 heb ik met de heer Sierksma gecorrespondeerd over de vlag van de vlekke 'De Lemmer', vermeld onder Lemmer in zijn in -1960- verschenen Spectrum boek "De gemeentewapens van Nederland". Doch uit deze briefwisseling is gebleken, dat hier sprake is van een onjuistheid, aangezien een Lemster vlag onbekend is. Het blijft duister of deze al dan niet heeft bestaan.

Omtrent het wapen van 'De Lemmer' bestaat geen onzekerheid. Ik vroeg de heer Sierksma nadere inlichting t.a.v. genoemd handschrift. Hij verwees mij naar zijn uitvoerig artikel hieromtrent in de Friese Koerier van 28 december 1957. Het volgende is daaraan ontleend.

De vrijwel als wapenverzamelaar onbekend gebleven, maar als penningkundige wel vermaarde Amsterdammer, Andries Schoemaker(1660), heeft in de jaren rond 1695 een wapenboek in twee delen getekend, dat voor de Friese wapenkunde van uitzonderlijke betekenis is. In dit boek treft men voor het eerst Friese wapens van steden en grietenijen aan, die inkleur zijn uitgevoerd. Vader en zoon Schoemaker hadden in hun bezit; drie dikke boeken met 14827 handgetekende wapens van Jacob Colyns. Dit was een Amsterdamse "kunstschilder", die van 1614 tot 1686 heeft geleefd en gewerkt. Zowel deze Colyns, maar evenzeer Schoemaker hebben uitgebreide en langdurige reizen door de Nederlandse dreven gemaakt. Zonder twijfel zijn toen hun schetsboeken gevuld met al het oudheidkundig belangwekkende dat zij onderweg tegenkwamen. Wie van hen beiden het nu geweest is, die ook de Friese steden, dorpen en wegen heeft verkend, kan (nog) niet worden nagegaan. In elk geval is er in de wapenboeken van Schoemaker veel interessant materiaal over Friesland bewaard, waarvan grotendeels de andere bronnen verloren zijn gegaan. Naast veel familiewapens zijn die van alle Friese steden en grietenijen opgenomen, bovendien een twaalftal dorpswapens, waaronder dat van De Lemmer.

Het wapen van De Lemmer wijkt volkomen af van alle uit Friesland bekende wapens. Zoals ook het gemeentewapen met de wereldbol iets uitzonderlijks is, zo blijkt ook het "dorpswapen" een wel bijzonder opmerkelijk beeld te vertonen. Men omschrijft het aldus: van blauw een arm, gekleed van rood, en hand van zilver, komende uit een wolk van zilver aan de linker schildrand, en houdende een kruisvaan van rood. en zilver aan een stok van zilver, in schuinlinker stand. Tot zover het ontleende aan genoemd artikel in de Friese Koerier.

Vermeldenswaard is het volgende, hetwelk ik van de heer Sierksma vernam. Het wapen van 'De Lemmer' is wel al een beetje wereldwijd bekend. De congressisten van het 6e Internationaal Congres voor Vlaggenkunde, die in 1975 per boot ook De Lemmer aandeden en aldaar door het gemeentebestuur werden ontvangen. Deze congressisten kwamen uit 38 landen. Opgemerkt zij, dat in tegenstelling tot het gemeentewapen van Lemmer, hetwelk bij besluit van de Hoge Raad van Adel van 25 maart 1818 werd bevestigd, het onderhavige wapen van De Lemmer geen officieel karakter heeft. Het is aan te merken als een wapen van de dorpsgemeenschap, als een embleem van de gezamenlijke dorpsbewoners

Elke Lemster kan, als lid van deze gemeenschap dit wapen op enigerlei wijze voeren, als schipper de Vries van de "Marike". Hij brengt hierdoor tot uitdrukking dat hij tot de gemeenschap behoort. Hetzelfde geldt, t.a.v. een oud Lemster, hij was lid van deze gemeenschap. Het verschil met het gemeentewapen is o.m. dat het niet valt onder het verbod dat een wapen van een publiekrechtelijke lichaam (gemeente) in een warenmerk voorkomt (art. 4, sub. 1, van de Bijlage van de Eenvormige Beneluxwet op de warenmerken). Het wapen van de Lemmer mag derhalve in een gedeponeerd warenmerk worden opgenomen.

Mijn wens is, dat het Lemster wapen op velerlei wijze ingang zal vinden.

Naarden, Dr. Mr. H. F. W. Luiking.

Een Friese bladzijde uit het wapenboek Schoemaker (plm.1695). Van boven naar beneden ziet men de wapens van Opsterland, Molkwerum, Loppersum-Groningen (afwijkend van heupen) Heerenveen, Hommerts, Koudum, Lemmer, Warns, Makkum, Kollum. Wat had er is de laatste twee schildjes getekend moeten worden....? Ondergrond en blanco schilden zijn nl. gedrukt en werden met verf ingevuld.

(Foto: archief van H. M. de Koningin)

Wapen van Lemsterland
(anno 1664)

Het Wapen der " gemeente vertoont in een veld van zilver, een arm van rood, komende uit den rechter schildrand, dragende op de hand van natuurlijke kleur, een wereldkloot van goud; het schild gedekt door een kroon van goud.

Een volksrijrapje zegt hiervan:

In jiffrou mei in bal yn 'e han
Is 't wapen fen Lemsterlan."

Opmerkelijk, dat het eertijds nauw met Lemsterland verbonden Doniawerstal eenzelfde
wapenfiguur, zij het in omgekeerde houding, vertoont. Lemsterland's hoofdplaats is sedert
onheugelijke tijden het vlek.

Wapen van Doniawerstal.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Zeilwedstrijden op de Zuiderzee.

We willen het dit keer eens hebben over de Zeilvereniging "De Zevenwolden". De vereniging is opgericht op 1 augustus 1865 en dat betekent, dat zij behoort tot de tien oudste zeilverenigingen van Nederland. Er is toen toch een behoorlijke handel en industrie geweest, om deze vereniging op te richten. De visserij had toen nog weinig betekenis. Een geschiedschrijving zou in dit kader te ver voeren; we pikken alleen wat krenten uit de pap, in dit geval het hardzeilen, dat van veel betekenis is geweest voor de bevolking. Een beetje fantasie en u ziet de oude haven voor U, vol met schepen. Het kleine hoofd, vanaf de Rook, nu Akkerman, met een flauwe bocht lopend, waar nu de sluiswoningen staan, was helemaal versierd. Zo ook het grote hoofd, ongeveer vanaf het huis van Schirm tot voorbij Eerdmans. Op het einde van het grote hoofd stond het grote vuur. De oude haven moet toen ook groter geweest zijn, richting Bijlhout en Amro-bank. Het loopvlak was ongeveer 3 4 meter breed en van houten planken gemaakt. Alles was met vlaggen versierd, wat een feestelijk aanzien is geweest. In 1817 is er geen kermis.>>>

>>>Wel is er geld beschikbaar gesteld door de gemeente voor volksvermaak. We kunnen wel aannemen dat op 11 september 1871 de eerste wedstrijd is gehouden. Prins Hendrik der Nederlanden, (Prins Hendrik de Zeevaarder, de broer van koning Willem III) werd ook uitgenodigd. Hij behaalde met zijn schokkerjacht de "Watergeus" de tweede prijs. De volgende jaren werd hij ook uitgenodigd, maar hij maakte er geen gebruik van. Van de vissersschepen boven de 30 voet, werd 1e Dirk de Waard, 2e C. Zondervan...alle twee van Marken. Bediener van het geschut is Ferdinand de Vries. Het geschut is geleend van J. Visser. Uitlegger Harmen Wouda. Keurmeesters R. Hoekstra, J. de Blaauw en De Rook.

1872. Ook deelname van jachten boven de 9 meter. Beurtschepen beneden 35 ton, 1e H. Coehoom. Botters als 1871. Bot-aken 1e Bootsma, 2e J.J. Visser.

1876. Is er behalve de Markers nr. 2 "de Onderneming" van P. de Rook. Er waren toen ook tjotters bij de deelnemers. De "Bever" 'werd gezeild door kapitein De Haan en zijn stuurman Nolke Hoekstra. Er was veel wind, maar ze lagen voor met het ronden van de boei gingen ze om. Dit gebeurde vlak bij de haven. Hendrik Mulder lag toen in tweede positie, maar die zeilde de mast overboord. 1e werd toen Sake van Teine (Bergsma) met "de Adelaar". Groot feest met de prijsuitdeling.

Na een paar borreltjes kwam er stemming en werd er gezongen: En "De Bever viel op zij, maar de Adelaar was blij". En Mulder heeft de mast gebroken. Falderalaerie, Falderalderi. Us "Adelaar" gaat nooit verloren, Falderalderie enz."

De Markers waren een fleurige groep; de vrouwen in klederdracht met hun lange vlechten, de mannen met hun leren pantoffels met de zilveren gespen en hun ronde platte hoeden. Zij bezochten ook de kermis en de harddraverij op "it Paed", de Straatweg naar Sneek.
Na plus minus 1890, toen de aken 40 voet en groter werden en ze mee zeilden van 1904 tot 1917 in Amsterdam, kwamen er geen Markers meer in Lemmer en waren de Lemsters de hurdsilers" van de "Sudersee".

Het wedstrijdelement is mede ontstaan door de overheersende westenwinden. Om de visgronden te bereiken, moest er bijna altijd bij de wind gezeild worden (elkaar de loef afsteken). De klippers en de tjalken van 38 ton tot 120 ton die mee zeilden in Amsterdam, hebben ook in Lemmer gezeild, maar er zijn geen uitslagen bekend, ook niet van de aken tot 1920. Van der Zande met de klipper "Friso" was altijd present. Toen de klipper nog in de tramhaven lag, was zijn zoon havenmeester van de jachthaven. Verder waren er de Vlietstra' s, Kool, Groenhof enz. Een hele bekende was Deden van Bakhuizen, 38 ton, acht keer mee gezeild in Amsterdam.. tweemaal 1e, tweemaal 2e en tweemaal 3e.

Bijgaande foto van de tjalk "De Jonge Leonardus" is mij toegezonden door de heer Deden, getrouwd met Trees Beljon, wonende in Californi. Hij staat rechts op de foto en was toen ongeveer 14 jaar.

De tjalk " De Jonge Leonardus" van S. Deden uit Bakhuizen.

Even terug naar Amsterdam 8 september 1915. Met 5 minuten verschil werd er gestart in een wedstrijd van 22 zeemijlen. Grote Lemmeraak jachten, klippers, houten en stalen aken.

1e Helena van Kalis, 4.24 uur en 34 sec.; 2e Onrust van Vos, 4.32 uur en 59 sec.; Klipper "Friso" van V.d. Zande 4.35 uur en 14 sec. 1e LE 47 stalen aak. 4.04 uur en 29 sec.; 1e LE 9 houten aak. 4.05 uur en 36 sec.

De vissersaken waren het snelste, maar dat was ook wel eens anders, Van der Zande moest 's zondags zeilen in Amsterdam. Hij tekent daarbij aan: "Woensdag van de werf gekomen in Zwartsluis, was het stormweer. Vrijdags gereefd en kwamen aan in Genemuiden; veel te veel wind. Zondag 's morgens om half zes goed weer, we konden Marken bezeilen. Voor top vlogen we naar de start. Toen de klippers van start gingen, waren we 12 minuten te laat. Het bestuur van de directieboot gaf ons te kennen, dat we mee konden zeilen. Maar wel eerst om de rode boei.
Mijn bemanning was mijn vrouw, mijn schoonzoon en een knecht. Bij de Knar gingen we n voorbij, dat was f 50,-, toen terug naar Marken weer n voorbij f 75,-, bij de finish waren we de eerste f 100,- + een medaille." Dit vertelde hij omstreeks 1950. Het verschil met Deden, die tweede was, was slechts 40 seconden. In 1890 viste hij ook op ansjovis, zoals zoveel schippers, Van der Veen, Van der Zee, Pilon enz.

1911. Prijzengeld boeiers en jachten f 30,- Vrachtschepen Aken f 50.,-. Muziek op 2 boten kosten f 35,-. Huurloon op2 boten kosten f 40,-. Beurtschepen die andere jaren zeilden voor zeil en fok. Nu wordt de zeilgage vrij gelaten.

1917. Twee bestuursleden bedanken als beurtschepen weer meedoen, want zij storen zich niet aan de Wet en Reglementen.

H. Kingma.

 Terug naar Inhoudsopgave.


Hof van Holland.

De heer Siemen van de Wal Szn. maakte deze tekening van Herberg 'Hof van Holland' in Eesterga: Twee gebouwen en een klokkenstoel. Je rijdt er door de bocht, zo'n 2 km van Lemmer, al gauw aan voorbij. Toch is deze plaats in vroeger tijden van veel betekenis geweest. Zo schrijft A. E. Klijnsma in zijn boek; 'In kuijerke troch it forliene' (1975) er het volgende over.

De naam Eesterga' is volgens de Fr. N. van Johan Winkler afgeleid van den ouden mansnaam Ies. Men zou dus Iestergea moeten schrijven. In 1511 was het reeds Eesterga. Bekend is nog de mansnaam Easge of Easger. De Groote Wiel, een meertje nabij de voormalige kerk, is in 1859 drooggelegd. Een huizinge aan den weg staat op kaarten van 1865 als 'Hof van Holland' aangeduid en een ander halfweg de Lemmer als 'Welna'. Het 'Hof van Holland' is een herberg of uitspanning geweest. De zegswijze: Waar een kerk wordt gebouwd, zet de duivel er een "zuiphuisje" naast, gaat ook voor Eesterga op. In de Franse tijd wordt de herberg, met dezelfde naam ook al genoemd. Toen liep er nog een voetpad langs, dat in 1845 een verharde rijweg werd. Beide benamingen zijn nog bekend, evenals Pasveer nabij de Lemmer. Van 1543.

Kerk te Eesterga 1723, gezien vanaf de zuidkant.

In de bocht van de Straatweg staat de klokstoel, met een kerkhof. Ook heeft hier tot in het laatst van de 18e eeuw een kerkje gestaan, dat met het kerkhof het centrum van het dorpje is geweest. De kerk schijnt destijds geen landerijen te hebben gehad. Er werd althans geen aangifte van gedaan.

De Pastoor Ids Bettje had summa 15 fl. 26 st. inkomen uit landbezit, de Vicaris Cornelis Jacobsz 16 fl. 1 oert en 5 st. en de Prebendarius Oedte 14 fl. en 4 st. Elk dier Heeren geeft eerst op een saete", vrij zeker door hen zelf bemeierd en verder losse landerijen, die zich uitstrekten tot aan en over de Brekken. In hun opgaven wordt nog gesproken van de Bandackers, die evenals de tegenwoordige Bandsloot nog herinneren aan 't verdwenen dorpje Band. Het dorp Eesterga heeft kerk noch school meer, enkel een kerkhof met klokhuis. De klok draagt het jaartal 1617 met den naam van den maker Henricus Meurs en de spreuk Soli Deo Gloria (God alleen de eer).

Henricus Meurs me fecit 1617

(Aan God alleen de eer Henricus Meurs heeft me gemaakt)

De kerk wordt in 1773 nog gebruikt voor een stemming voor de landdag, terwijl in 1804 de stemming voor twee volmachten voor "De zeven Grietenijen en stad Sloten" voor de dorpen Eesterga en Follega, volgen. Hieruit zou men haast mogen afleiden, dat de kerk tussen 1773 en 1804 is afgebroken.

Klokkenstoel met helmdak voor een noodzakelijke restauratie op de begraafplaats van Eesterga.

Klokkenstoel Eesterga, Gemeente: Lemmer. Adres: Kerkhof aan de Straatweg tussen nummer 1 en nummer 3, 8534 WB Eesterga Eigenaar: Ned. Herv. Gemeente Lemmer.

Monumentennummer: 25777

Materiaal stoel: Bilingahout
Kleuren stoel: Stoel groen met witte kap
Type kapvorm: Helmdak met weerhaan
Dakbedekking: Gepotdekselde planken
Bouwjaar stoel: Eerste vermelding voor 1720
Fundering: Betonklippen
Luidsysteem: Vliegende klepel
Wordt geluid bij: Begrafenissen en hoogtijdagen
Gietjaar klok: 1617
Gegoten door: Henricus Meurs
Diameter klok: 65 cm
Gewicht klok: 200 kg

(Een bronzen kanon van het kaliber 24 pond. Grof geschut dus: er is een kogel die 24 pond weegt mee af te vuren. 24-ponders behoorden tot het zwaarste kaliber geschut waarmee de VOC haar schepen uitrustte. Op de loop is een tekst aangebracht: 'Henricus Meurs me fecit 1604' en 'De Verenigde Oost-Indische Compagnie' met daaronder de letter 'A' van de Kamer Amsterdam. Deze VOC-afdeling heeft het kanon besteld bij de Amsterdamse geschutgieterij van Henricus Meurs. VOC- schepen hadden geschut aan boord ter bescherming van schip en lading. Boordbewapening kwam van pas in de strijd met Europese concurrentie ter zee. De aanwezigheid van geschut aan boord was een doorslaggevende factor in het verkrijgen van een machtspositie in Azi.)


Afgaande op dat jaartal heeft deze klok ongetwijfeld vroeger in de kerktoren gehangen. Ook het kerkhof getuigd van een hoge ouderdom. Aan de westkant ervan liggen vier grafzerken uit de eerste helft van de 17e eeuw (Volgens opschriften uit 1608, 1623, 1633 en 1638). Voorts vindt men op het kerkhof nog een grafsteen, die dateert van 1821 en die het graf dekt van Johannes Jacobus Lorgion, gestorven op 10 december 1821 in de ouderdom van 49 jaar. (Joh. Jac. Lorgion was gehuwd met Jacoba Diest, die ook in 1821 overleed. Zij zijn beiden begraven te Eesterga. Hun zoon Evert Jan Diest Lorgion, hier geboren, was hoogleraar in de Theologie te Groningen.)
Daarnaast ligt de steen van zijn vrouw Jacoba Diest, gestorven op 2 juli 1821 in de ouderdom van 53 jaar en vier maanden. Deze Lorgion was Hervormd predikant te Lemmer. Hij was medeoprichter van het departement Lemmer van de Mij tot nut van het Algemeen en was de eerste voorzitter. Een zoon van deze dominee noemde zich later Diest Lorgion, Evert Jan (1812-1876), Hoogleraar Geschiedenis en Kritiek van de boeken van het Ouden en Nieuwe Testament, Bijbelse Godgeleerdheid, Patristiek, Kerkelijke Geschiedenis van Nederland en Christelijke Zedeleer 1860-1876)

Het kerkhof is aanvankelijk in onderhoud geweest bij de floreenplichtigen van de kerk van Eesterga en later bij die van Lemmer, Eesterga en Follega. Heden ten dage ligt de onderhoudsplicht nog bij de Lemster kerk, die het graf van ds. Lorgion geregeld verzorgt. Naar mij is verteld, wordt ook het graf van Jhr. Wilco van Andringa de Kempenaer door de Lemster kerk verzorgd. Jhr Wilco was tot 1851 grietman van Lemmer en stierf op 20 februari 1873. Hij was de eigenaar van een aantal boerderijen in Eesterga en Follega en had een groot aandeel in de Lemster-sluis en de kerk.

Zijn laatste wens was om op het kerkhof tussen zijn boeren de eeuwige rust in te gaan. In het graf ernaast ligt Tjallinga Aurelia Wilhelmina Camstra baronesse thoe Schwartsenberg en Hohelansberg, douairire R.L. van Andringa de Kempenaer, die op 10 februari 1857 in Leeuwarden is overleden. Zij was de grootmoeder van Jhr. Wilco van Andringa de Kempenaer.

Ook is op het kerkhof de laatste rustplaats van Folkert Johannes Witteveen, geboren te Metslawier, die samen met Bauke Poppes garde d'honneur (erewacht) is geweest onder Napoleon. (Kortestreek 27/28 Lemmer: Het is in de vorige eeuw bewoond geweest door de huisarts Folkert Witteveen, die in 1811 tot de gard'honneurs behoorde van Napoleon. Ook woonden in het huis enkele kantonrechters.) Jarenlang was hij arts in Lemmer en hij is daar gestorven op 12 oktober 1886.

Toen in 1845 de Rijkstraatweg van Lemmer naar Sneek werd aangelegd, zijn over die afstand zes tolhuisjes met tolhekken gebouwd. Die stonden bij Sneek, bij de bruggen over de Jeltesloot en de Welle, bij Spannenburg onder Doniaga, bij Follega en bij Eesterga. In het laatst van de vorige eeuw moest voor een wagen op vier wielen 10 cent, voor 1 op twee wielen 8 cent aan tol worden betaald. Nadat in 1900 de tollen werden afgeschaft, verdwenen ook langzamerhand de tolhuisjes. Dat in Eesterga is, als laatste, begin 1970 afgebroken.



Het laatste tolhuisje bij Eesterga.

1903.

Hof van Holland en de familie Van der Vies.

In 1816 was de Amsterdammer Frederik Herman van der Vies, daar herbergier en het is mogelijk, dat hij zijn herberg "Hof van Holland" noemde, omdat hij kennelijk van de omgeving was gecharmeerd.
Een zoon van Frederik Herman, eveneens Frederik genaamd, werd in 1816 in de Herberg te Eesterga geboren: Deze was later "tapper" (kroegbaas) aan het Kleine Hoofd, te Lemmer, nu Emmakade. In 1865 stierf zijn vrouw, Antje Johannes de Jong, in het kraambed vijf dagen na de geboorte van hun zoon Frederik. Welke rond de eeuwwisseling als kastelein de scepter zwaaide in het "Bier en Koffiehuis" in de Schans (later broodjeshuis 't Geveltje). Deze Frederik Jr. komt voor in het Lemster volkslied; 'Hij tapte wanneer 'Baukje Meijer' dat niet meer deed'.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Honderd-tien jaar geleden verging de Willem III.

Toen Titte Meines van der Sluis, vijf jaar geleden begon met het uitzoeken van zijn familie stamboom, kwam hij tot de ontdekking dat 110 jaar geleden een groot familiedrama plaatsvond in zijn familie, zowel in de moederlijke als vaderlijke tak. Drie van zijn familieleden vonden op 30 januari 1877 de dood, toen de stoomboot 'Willem III' op de Fluessen verging. Het was de grootste scheepsramp die ooit op de Friese binnenwateren plaatsvond.

Aan de hand van oude kerk en gemeenteregisters, historische krantenberichten etc. Kwam de 66-jarige voormalige inspecteur van uitgeverij Kluwer, achter de toedracht van de ramp in 1877. Dankzij intensief speurwerk wist Van der Sluis, zelfs de kopien van de met de hand geschreven overlijdensberichten te bemachtigen. Doordat de heer Van der Sluis, zich niet alleen verdiepte in zijn vaderlijke maar ook in zijn moederlijke stam ontdekte hij dat uit beide familietakken personen betrokken waren bij het scheepsdrama.

Handgeschreven.

Overleden, bij den ramp van de stoomboot Willem III van Sneek op Stavoren, in den nacht van den 30 op den 31 Januari onze beminde Vader Gerben Foekes van der Wal, in den ouderdom van 50 jaren en ruim 7 maanden, Ons overtuigd houdende van uwe deelneming in dit ons treffende verlies, noem ik mij, mede namens mijn broeders, en zusters.

Uw diep bedroefde T.T. Bokke Gerbens van der Wal, Nijega

(H.O.N:) 31 Januari 1877. De begrafenis zal plaats hebben Zaterdag om 1 uur, waartoe U wordt uitgenodigd.


Aldus luidt de tekst van de met de hand geschreven overlijdens brief van Gerben Foekes van der Wal. Titte van der Sluis, ontdekte dat deze persoon een broer van zijn overgrootvader was van moeders kant. De 37-jarige kapitein van de Willem III, die met zijn schip ten onderging, Foeke Gerrits van der Wal, was een neef van eerder genoemde grootvader. De eveneens bij de schipbreuk omgekomen 28-jarige Harmen Meines van der Sluis, uit Langweer staat in de familiestamboom van Titte Meines uit Lemmer vermeld aan de vaderlijke zijde. Harm Meines van der Sluis, was van beroep timmerman, hij bevond zich ten tijde van de ramp als passagier aan boord van de Willem III, evenals ca. 40 andere personen.

De ramp.

In zijn boek over de historie van Koudum schreef Gerard Koopmans een relaas over de ramp van 1877. Op de 30-ste januari 1877 voer de Willem III, de 'Starumer Boat' die de dienst Stavoren - Sneek onderhield, richting thuishaven. F.G. van der Wal, was kapitein. Lieuwe Fimmes Homstra, uit Bakhuizen en zijn zwager Knilles Bouma, hadden zowel de dienst als de boot van Van der Wal, gekocht. Laatstgenoemde zou echter, volgens afspraak, deze reis nog meemaken.

Nu waren ze dus op de terugreis. Het was die dag verschrikkelijk slecht weer en het leek erop dat daar ook geen verbetering in zou komen. Het werd eerder steeds ruiger. In Heeg stond men in tweestrijd of de reis zou worden voortgezet of dat hier zou worden overnacht.
De meeste passagiers gingen echter het liefst door. Telefoon was er in die dagen niet en de familieleden thuis, zouden zeker ongerust worden, als er die avond niemand op zou komen dagen. Daarbij, de Willem III was een ijzeren schip en zou de storm best kunnen weerstaan. Zodoende werd besloten de reis voort te zetten.

Maar, o wee, wat een noodweer woedde er. Midden op de Fluessen, begaf n van de grote ruiten van de achterste kajuit het onder het gebeuk van water en wind. Even later sneuvelden drie ruiten, voor in het schip. Het water stroomde naar binnen. Met kussens, tafels, ja met alles wat er op dat moment maar voor handen was trachtte men het water te keren. Er werd nog getracht het water weg te pompen. Toen opeens. . . . een schok. De boot was door de harde wind volledig uit de koers geraakt en op een ondiep gedeelte van het meer terecht gekomen.

Kort na de eerste klap volgde er een tweede. De Willem III raakte nu zo hard de bodem, dat het roer stuk geslagen werd: Meteen daarna kwam de boot dwars op de golven te liggen met als gevolg dat alle ruiten het begaven. Zowel voor als achter stroomde het water van de Fluessen, met geweld naar binnen. Passagiers en de bemanning begaven zich snel bovendeks. De boot begon nu te zinken. Het duurde niet lang of de golven sloegen al over het dek.

Verder zinken deed de Willem III echter niet. Het schip zat nu vast op een ondiepte. De aanwezige mensen kregen het echter nog hard te verduren. Het noodweer bleef aanhouden en men zat tot aan de kin in het ijskoude water. Zeventien uren achtereen, dan weer regende het dan weer kletsten hagelstenen op de verkleumde personen en het bleef maar waaien. De luiken op de ruimen begonnen te drijven. Een ieder die zijn plaats verliet of ten gevolge van een misstap in n van de ruimen terecht kwam verdronk.

Gered.

Redding voor de totaal verkleumde overlevenden bracht de Nijegaster veerman Kool, die in de vroege ochtend van de 31-ste januari langs kwam varen. Hij nam de door koude en angst bevroren passagiers van de Willem III aan boord en bracht ze naar' de "Greate Herberge" op de Dammen. Fimme Zalmstra, de kastelein en zijn echtgenote Tjerkje Dolle, ontfermden zich over de meer dood dan levende slachtoffers.

(De geredde passagiers van den de kastelein Fimme Zalmstra, in de herberg op Galamadammen opgevangen. Uit dank voor de goede verzorging boden de overlevenden de kastelein Fimme Zalmstra later een nikkelen koffiekan aan, waarin alle namen van de geredden waren gegraveerd. De kan is nu eigendom van oud-marineofficier K. Silvius uit Koudum, wiens grootvader getrouwd was met een dochter van de kastelein. Er staat ook nog een rijmpje op de kan, dat aldus luidt:

Ja, vreeslijk was de nacht

Nooit zal hij ons vergeten

Zelfs 't verre nageslacht

Zal die gebeurt'nis weten

Het blijde morgenrood

Blijft steeds in onz' gedachten

Toen g'ons uw bijstand boodt

En veler lot verzachtte

U edel menschenpaar

Zij dit tot roem geschonken

Door de verloste schaar

Moog' 't als een parel pronken

Tot nagedachtenis

In uwe fiere woning

En 't oog en 't hart gericht

Tot onzen God en Koning

Wie komt die gunst te sta?

Voor liefdedienst en trouwe?

Wel Fimme Zalmstra

En zijn geliefde vrouwe.)

Uit dankbaarheid voor de goede zorgen van kastelein Zalmstra en zijn vrouw schonken alle geredde passagiers van de 'Willem III' hen een nikkelen koffiekan met stoofje. In de kan werden de namen van de overlevenden gegraveerd en de tekst: "Een vreselijke ramp met Stoomboot Willem III. In den nacht van 30 op 31 Januari 1877. Waarvan 29 personen zijn gered en 14 zijn omgekomen.

 

De herberg aan de Gatama-dammen te Koudum, waarin de overlevenden van de ramp met de stoomboot Willem III werden opgevangen.


Gered werden:

Cornelis de Boer, Heije Kuperus, Andrys Kuperus, M. Roorda en Harmen Veldhuizen, uit Stavoren.

Jatje (Jetje?) D. Hoekstra, uit Workum.

Jacob Brouwer, Douwe F. Flapper en Jacob Rienstra, uit Koudum.

Arjen Pruiksma, uit Oudega.

Femme de Jong, Arend Gras, Berend Gras en Douwe Schaaf uit, Molkwerum.

Cornelis v.d. Brug, uit Woudsend.

IJke J. de Jong, Gerke van Dijk, Anne R. Baijma, S.W. Muizelaar en Pieter v.d. Zijp, uit Wams.

Gysbert Asma, uit Bakhuizen

Lieuwe Hornstra, uit Bakhuizen.

Bouwe Kooistra, uit Drachten.

Eeltje Elzinga, uit Oldeboorn.

Verder Cornelis Bouma, Jan de Jong, Lucas Kool, Jan Zuidema en Freerk Lootsma.

Slachtoffers.

Veertien mensen verloren het leven waaronder kapitein F.G. van der Wal. In diverse dorpen klonken die zondag na de ramp de kerkklokken.
De slachtoffers van de ramp met de 'Willem III', de grootste scheepsramp, die ooit op de Friese binnenwateren plaatsvond, werden begraven.
Met de 'Willem III' gingen ten onder:

-Pieter Annes Okkinga (45) en Siebolt Feddes Wiersma (25) uit Koudum.

-Harmen Meines van der Sluis (28) uit Langweer.

-Aeltsje (Aaltje) Roelofs Hoekstra(26) Lutkewierum.

 

-Gerben Foekes v.d.  Wal (50) en Foeke Gerrits v.d. Wal (37) uit Nijega.

-Sybrichje Thysses Altenburg (25) uit Oosterend.

-Marijke Jacoba Kapper (62) uit Oosterwierum.

-Anne Harings Veldstra (55) en Petrus Attema (26) uit Stavoren.

-Wytse Feddes Veersma (37) uit Warns.

-Durk Ykes Hoekstra, (57) uit Workum.

-Jan Wabes de Jong "(26) IJmedam.

 

-Sijmentsje Ulkes Smit (25) uit IJsbrechtum.


Speurende in oude archieven kwam Van der Sluis, uit de Willem Barendszstraat te Lemmer, verder tot de ontdekking, dat op het tijdstip dat zijn verre familielid Harmen Meines van der Sluis verdronk, diens echtgenote Jeltje Sjoerds Bakker in verwachting was. De echtgenote van de omgekomen Harmen Meines was de dochter van Sjoerd Popkes Bakker, uit Oppenhuizen en Pietje Alberts Spaan uit Lemmer. De zoon van Jeltje en Harmen Meines van der Sluis, Meine, was twee jaar oud toen zijn vader stierf. Zijn moeder trok na het verlies van haar man, in bij haar ouders, waar ze zes weken na de scheepsramp een dochtertje ter wereld bracht, die ze naar haar man Harmke noemde. De weduwe van Harmen Meines van der Sluis, hertrouwde jaren later met Sikke Klazes Visser, winkelier en houtbaas te Langweer.

In de tuin van het scheepvaartmuseum te Sneek, ligt de grafsteen van Pieter Annes Okkinga, n van de slachtoffers van de ramp.
 

't Wie yn achttjinsnensantich
dat de stoomboat Willem III
op it wetter fan De Fluessen
yn swier waar kaam en fergie.
is de dea ienkear beret,
trije skippfers keare 'm net

Tiisdei tritich jannewaris,
middeis om in oer' of twa,
fear men t 'e Snitser haven:
foar de stoarm op Starum ta.
Skippersbloed jout min belies,
ek om fracht en passazjiers.

't Wiene oars woL Lju fan namme:
Bouma, Hornstra, Van der Wal,
en al wie de mar soms ritich,
goed bekend mei stream en fal.
Dat wat koe der eins ferkeard?
Kij en bargen seine neat.

Fan, de omtrint fyftich reizgers
gie yn Drylts in tal fan board.
Snentritich - fjouwer froulju-
hien' doe noch gjin plak by 't soad.
Mar der koe noch al ien by
doe't in jonge frege om mei.

Ien doarp fierder wie der skipsrie,
want de tocht waard no al dreech.
Hornstra Liet him oars wol hearre:
" Wy oernachtsje hjir yn Heech!"
Van der Wal woe Lykwols troch,
want hy koe De Fluessen, sjoch.

Mar wat wie dat foar gerinkeL
by de achterste kajt?
Mei geweld wie dr in koarksek
troch it gls slein fan it rt.
Ien woe ha, hjir spruts it Lot
oaren tichten hurd it gat.

Brzend gie it oer de Heger,
en al hie net elk it rom,
't wie dochs ek wol aventoerlik
machtich btste men it skom.
Aljend tsjin de hurde wyn
tapen guon noch mar ris yn.

Hornstra wiisde nei de Noardwl
dr 't de mar sa wyld net wie,
mar ek dr kamen de weagen
skoarstienheech sa't bliken die.
't Skip rn fol, it like min -
der wie hast gjin pompen tsjin.

Ek foar dy't noch nochteren wiene
waard it skip in dronken flot.
Wie 't net better om te skljen?
Sjoch, dr hiest It Wolvegat.
Och, de gloppe dy't dr Lei
hie syn namme ek net mei.

En sa fear it spoekskip fierder,
yn elk rt in kessen treaun,
want de swiere izeren lken
wiene moarns yn Starum bleaun.
Hie de dea it oars hjoed ret?
't Bliuwt in fraach, men wit it net.

't Like aardich op 'e Fluessen
mei de stjoerman noch oan 't roer,
en de stoker krige opdracht:
ekstra koalen op it fjor!
Kuylart wie noch in kertier,
mar it skip kaam nea safier.

Om it Feitesn te mijen.
- gns ferriedlik en ndjip -
stjoerde men de wide mar op,
mar dr heakke al it skip.
Dreunend rn it oan 'e grn.
Hjir hie 't hjoed syn master fn.

Wat de foarein ek noch stegere,
't skip siet achter as in hs -
dat it wn mei al syn stoomkracht
oars net mear as grom en brs.
Alles kreake, blyn oerstjoer,
en dr brutsen skroef en roer.

"Alle finsters lizze iepen!"
raasde Bouma, heas en bleek.
't Wetter wie al by de tsjettel -
oeral walme stoom en reek.
Ien liet noch de stoomfluit gean,
mar wa soe syn klacht ferstean?

't Unheil wie net mear te kearen:
weagen fnen lek op lek.
Fassazjiers en ek bemanning
skrepten hastich om oan dek.
En dr griep men doch wer moed:
't wetter bleau op oardel foet.

Linken baaide 't folk manmachtich
nei de lije kant fan 't skip.
Mar sa soe it dalik omslaan,
neffens Hornstra syn begrip,
Dat hy loadste elk werom
nei de midden fan 't falom.

Yn 'e kjeld en yn it tsjuster
wisten guon harsels gjin ried.
Wa soe hjir de nacht oerlibje,
blau en oan it fel ta wiet?
En waard aanst de lea net wurch
mei de eangst yn bonk en murch?

Tsien man klommen op 'e tsjettel,
dy't noch krekt wat waarmte joech.
Op in dwarsstang yn 'e skoarstien
siet in jonkje mei ien skoech.
Hornstra stie noch al by 't roer -
krekt as fn er sa wat stjoer.

Dr ynienen sprongen iepen
alle lken fan it rom .
Tusken dnsjend plankieren
dreau de fracht al gau rnom:
tsiis en-klean en pakjeguod,
yn ineachwink. wie it fuort.

Baltend en mei grutte eagen
sochten rij fergees om hld.
Doe 't in baarch begn te biten,
krige ien him by de strt,
mar de brute hurde wyn
skuorde beide 't wetter yn.

Meide bange nacht foar eagen
waard oanien de skipsbel let.
Mocht it sein de wal berikke
oer de weagen fan 't gebed,
miskien wie der dan in kns
om de dea hjir noch oermns.

En - 0 wnder - de sinjalen
waarden heard yn Aldegea.
Mar om drwei t te farren
mei sa'n wyn, dat slagge nea.
Koudum hearde grif de bel.
Sa joech Aldegea him del.

Tsjin 'e nacht wie t' wynkracht njggen,
en it waard noch winters ek,
want yn wite wervels stoden
snie en hagel oer it dek.
Nergens fn in siel ntwyk -
ja, it wie in hel gelyk.

Guon berpen God en himel,
op 'e grins fan razernij,
oaren wiene heal ferdve:
moed en krachten floeiden wei.
As in hn al rding bea,
wie it grif dy fan de dea.

En dr wonk er al de earste.
't Wie Marijke Altenburg
- passazjier t Easterwierrum -
dy't er yn syn almacht burch.
Ek foar dochter wie 't safier:
Siebrech, fiifentweintich jier.

Rillegau folgen ek manlju,
guon op jierren, guon noch jong.
Elkenien liet it gewurde,
hoe 't men ek de hannen wrong.
't Wie ferskriklik, kear op kear,
en de dea wie noch net klear.

Van der Wal - al wie er skipper'-
sette him net langer skoar..
kjeld en wurgens hiene 'm slope,
dat hy sakke wei en stoar.
Fluessen-kenner - wa hie tocht'
dat de dea him hjir krekt socht?

Oeral dreaunen no de likken,
en al seach men leaver neat,
't feale skynsel fan de moanne
toande 't nk fan dizze feart.
En de deaden, frjemd genoch,
woene 't skip ek noch net of.

Yn 'e skimerjende moarntiid
- mar wie 't ljocht eins wol in freon? -
seach men liken en kadavers
op 'e foarplecht by'noar dreaun.
Alve minsken flotsken blyn
tusken kij en'bargen yn.

Brocht de nije dei noch hope
of allinnich grutter leed?
't Wie de lste jannewaris -
och, hoe koe it lot sa wreed!
Santjin oeren'nei de sink
joech de sinne noch gjin blink.

Mar sjoch dr, 't wie net te leauwen:
de kontoeren fan in seil!
Alles' swaaide, rp en belle,
want men seach op slach wer heil.
Guon beklommen de kajt, petten f en jassen ut.

't Wie in beurskip wat se seagen:
Feenstra fan it Heidenskip.
Hy hie earst yn Snits oernachte
en kriich 'hjoed in hiele skrip.
Stoarm of skimer, hoe 't ek sij,
mar hy brsde 't skip foarby,

Fiif of seis wie no de wynkracht.
't Wie yntusken hielendal ljocht.
't Skip lei - elkenien fn 't nuvertichter
by de wal as tocht.
Minsken rnen oer de dyk
en ferdwnen tagelyk.

Mar de rding wie op hannen,
ek al waard it noch wol dreech
Yn 'e fierte, by de mole,
ja, dr kaam in seil omheech.
't Wie in skip dat, nei berie,
dr de stoarmnacht trochbrocht hie.

Dapper fear de Lytse skte
nei it jammerdearlik stee.
Hoe it skip benei te kommen?
Oan 'e sydkant, wie 't idee.
Mar der stie noch altyd wyn,
en men fear de reling fyn.

Wrotten wie 't om los te kommen
en de skte kreake ml.
't Wie noch ien kear te besykjen,
mar dan no fan hegerwl.
Njoggen oere yn 'e moarn
Lei men by de Willem oan.

Dy't de ramp oerLibbe hiene

njoggenentweintich yn getaL -
waarden ien foar ien oan board brocht:
steund of sjoud, al nei gefal.
Dea oanein fan alle striid
rekken fiif noch t 'e tiid.

Kld, apatys, 't 'e liken,
amper noch gefoel, sa stiif,
joech it folk it lot t hannen,
gns ntdien nei sielen liif.
't Skoarstienjonkje, woe men ha,
wie der noch it bst aan ta.

Letter op Galamadammen
die de herberch op 'e sls. - eigendom fan Fimme Zalmstra -
tydlik tsjinst as sikehs.
Hy en Tsjerk, sa seach men 't nea,
dokteren sa goed sa kwea.

Opswold wiene de gesichten -
guon herkende men net mear.
Blau as laai wiene de fuotten
en de hd fan wetter gar.
Soks herstelde him miskien,
mar wat hie 't ynwindich dien?

De wie 't slim om te fernimmen
dat men net in spier ferluts
as men syn ferdve fingers
yn 'e gleone kofje stuts
mar teinlik pleage 't meast
de ferdving fan de geast.

Fjirtjin deaden waarden burgen,
en de klokken waarden let.
Dy't har ein fan tichtby sjoen hie,
sloechde kjeld wer om it hert.
Ek yn jierren lang drnei
woe de nacht mar min foarby

Hornstra is dy nacht noch keal woarn,
op in spierwyt krnske nei.
Yn 't ferfolch hie hy in prk op
ja, sa seach men him oerdei.
Nachts dan waard 't him bang en near-
't wie deselde man net mear.

As syn pakesizzers fregen
wat der mei syn earen wie
- sjoch, de froast hie se misfoarme -
kriich gjin bern fan him beskie.
Beppe joech se gau in tt,
pake stoarre troch it rt.

Bouma, oait in sterke kearel,
waard foartidich ld en griis.
As in wrak sliet hy syn dagen,
mei twa stokken as bewiis.
Wille hie er net in dei -
nei in pear jier wie er wei.

Wie in minskehert fan izer
och, wat wie er dan net mns?
Op in Amsterdamse helling
krige 't skip wer macht en glns.
Duvels glswurk kaam deryn
net in hammer krige 't fyn.

't Far by 't Feitesn waard omlein
en ferdjippe boppedat.
Wrom 't lot noch wer fersykje,
ek al wie 't teinlik God.
Sa naam 't libben wer syn loop,
mar net elk fn treast en hoop.

Dy't dy nacht derby west hiene,
bleaunen oandien en ntset:
wekkerlizzend mei har fragen,
kaam op ien it antwurd net.
Nee, by dizze ramp moat steld:
alles is noch net ferteld,

It ferhaal is eins luguber-skruten
waard der mar oer praat.
Guon woen' 't suver iens net leauwe,
oaren rekken fan 'e kaart.
Yslik wie it - mar ek wier,
dat it mocht net op papier.

Foar't it rdingsskip te plak wie,
hiene oaren dr al west,
roeiend tsjin de hege weagen,
mar fsthldend as de pest -
mtsen op, alhiel yn 't swart,
skuonpoets om 'e holle smard.

Fan it skip en t it wetter
roven hja it bste guod,
en noch wie de heb net stille
fan "t begearich slangebrod:
sulveren knopen, jild en goud
waarden fan de liken klaud.

Nettsjinsteande skaad en swartsel,
hie men guon sekuer herkend,
mar men swijde oer de nammen,
bang foar wraak op bloed of went.
Al hoe slim 't ek wze mocht,
nimmen stapte nei 't gerjocht.

Wa't weromsjocht oer de ieuwen - ek de roeken binne stoarn
griist dy nacht oan alle kanten
om de moed en wredens oan.
Ja, hy lit it minskebern
yn syn kracht en swakte sjen.

As de wyn glt oer de Fluessen,
heart men no noch op 'e nij
't suchtsjen fan de drinkeldeaden,
skriemend t 'e djipte wei.
Nea ferstommet wer de klacht
fan dy bitterswarte nacht.



De laatste overlevende in Amerika overleden. (5 november 1941)

Het bericht uit Amerika aldus de Nieuwe Rott. Crt. dezer dagen in Friesland ontvangen meldende dat onlangs in Ottawa in den ouderdom van 91 jaar is overleden, de heer Lucas Kool, die in zijn hoedanigheid van veerschipper te Nijega, een belangrijke rol heeft gespeeld bij de tragische
gebeurtenis in den nacht van 30 op 31 Januari 1877, brengt de scheepsramp op het meer 'De
Fluessen' waarbij veertien personen het leven verloren in herinnering.

 

Zie ook: Blikvanger

 

 Terug naar Inhoudsopgave.

 

Zilverbrakels.

Wanneer Kokje, in memoires over de Schans, gewag maakt van drie boerderijen, dan zal dat omstreeks 1900 geweest zijn. En dat waren toen Jan. R. de Vries, begin Schans-hoek- binnenhaven; Jan Maaikes tegenover de R.K. kerk en Age Tjalma bij de spuisluis, eerder bewoond door gebroeders Blok. No. twee. is al spoedig afgebroken. Er kwam een nettenbaan met bovenwoningen voor Jan Pen. De andere twee, zowel Jan de Vries als gebroeders Blok, waren tevens veehandelaar en maakten het bedrijf dienstig aan hun handel.

Deel van een plattegrond van De Lemmer uit het midden van de 19de eeuw. Schans 31 was toen kadastraal bekend onder sectie A, nummer 440

Alle vervoer van enige betekenis in die dagen, ging te water en daardoor ontstond in de Lemmer nog wel eens oponthoud. Men had wel vaste beurtdiensten toen nog zeiltractie, bijv. Leeuwarden-Lemmer-Amsterdam. Jarenlang is daarbij Cornelis de Boer uit de Pottebakkerssteeg, vaste dekknecht geweest en kreeg daar, wanneer het schip in de sluis lag voor doorschutten, gelegenheid om even "halje-trawalje" (snel) een schoon hemd te halen. Zijn vrouw was dan meestal al gewaarschuwd.

Ook beurtschipper Hof, van de Vissersburen had een vaste wekelijkse dienst (vrijdagmarkt) op Leeuwarden. Je kon bij hem alles bestellen, het kwam altijd goed. We hebben eens broedeieren voor een toom Zilverbrakels besteld en het kwam prompt in orde. Het waren wel niet allemaal Zilverbrakels, maar dat komt tegenwoordig in elk gezin voor.

Zilverbrakels.

Voor groot vee waren deze beurtschepen echter minder geschikt.
Anderzijds werd bij de mensen graag alles thuis bezorgd. Wanneer koopman F. Schne-met-het-pak, uit Heerenveen in de Lemmer neerstreek, dan werden het voor Ate de volgende week drukke dagen. Reeds bij het eerste brugje stond men naar hem uit te kijken en het was een ware ren om de wilgen. Ate had dan de handen vol aan zijn paard. Wie er niet lachte was manufacturier van Schoot. 'Door je eigen geloofsgenoten word je de das omgedaan' was zijn opvatting.

Maar om op het veevervoer terug te komen voor over zee, eiste dat bijzondere voorzorgen. Nu had de Lemmer met zijn moderne sluis en havenoutillage in 1886 reeds een zekere voorsprong gekregen en was het veevervoer met de Lemmer nachtboten daardoor belangrijk toegenomen. En zo werd ook geleidelijk aan de accommodatie van de boten zelf verbeterd; werd bijvoorbeeld de roerganger meer beschermd en de ijzeren stuurstang vervangen door een stuurrad. Het bezwaar bleek evenwel dat de roerganger dan niet meer kon zien welke stand het roer had en telkens over de achterplecht moest gaan kijken, wat soms tot risico's leidde..

Zo is het eens gebeurd, dat de boot daardoor uit het roer liep; of dat nu de enige oorzaak was de Afsluitdijk was er toen, ook nog niet en er was dus nog eb en vloed, het laat zich in de schemer van de historie niet allemaal meer duidelijk onderkennen, maar in elk geval raakte de boot zijn koers kwijt en kwam op de "Marderhoek" terecht. Er was juist een belangrijke veelading aan boord, ook bovendeks. En koebeest heeft de dijk naar Tacozijl weten te halen, maar het is daar de dood gestorven, ondanks de zorgen van Keizer, die op Tacozijl woonde., Mond op-bek-beademing was toen nog niet bekend.

Het probleem kwam toen om het dode dier naar Lemmer te vervoeren, maar in Tacozijl waren geen takels genoeg, om het kadaver op de wal te krijgen. Het kadaver is toen achter 'De Suup' aan naar de Lemmer vervoerd, waar het officieel is vrijgegeven en een bekende slager van de Schulpen, heeft de 'Achterommers' nog lang goedkoop vlees bezorgd. De man zelf is later naar Amsterdam verhuisd en daar slager in het Panopticum (?) geworden. En zo vroeg de nieuwe situatie op allerlei wijze aanpassing. Er was bijv. vroeger maar n 'Hoofd' en dat was van hout. Schaafsma, een zoon van notaris Schaafsma, de voorganger van notaris Spannenburg, in Utrecht heb ik de krant mee gelezen, heeft wel eens verteld dat zij als jongens onder dit hoofd doorklommen tot aan het vuur toe.

Oud-Tacozijl.

Pietje-van-het-hoofd, was het laatste houten huis, naast het perceel van de familie Klaaszens (Klaassens). De laatste bewoner boven Pietje, voordat het huis voor het tramstation moest wijken, was een familie, waarvan de naam ook nu nog op vele lippen ligt: Schirm.

Later veranderde dat allemaal; de grotere diepgang van de nieuwe haven maakte 't nodig de havenmond verder in zee te brengen, met enerzijds de lagere oostelijke dam en anderzijds de grote 'Daem', waarop later halverwege de vuurtoren met het 'Grote' vuur geplaatst is. De eerste opstelling achter de vroegere bouwkeet van de havenwerken (later woning opzichter Dingemans) aan de Nieuwedijk, voldeed blijkbaar niet. Ondanks dat alles bracht ook de nieuwe situatie nog wel eens moeilijkheden. Het is gebeurd met een loeiende november storm -van de Afsluitdijk was nog geen sprake - dat het water tot een ongekend hoog peil opwoei, zo zelfs dat de kliene oostelijke dam er finaal nderstrpte. Het was echt 'Min waer op 'e Lemmer'.>>>

 
>>> Roukema, die de drie lichten verzorgde, liep zelfs grote risico's. Laat nu een vreemde schipper, ik meen een Arnemuider, misleid door de hoge waterstand en met heel slecht zicht, proberen de haven binnen te lopen langs het grote vuur. De man had nog geluk ook, een grote zee nam de boot, een vergrote Staverse jol, op en zette die prompt weer neer tegen het hek van de vuurtoren.

1948: Uitbreiding en vernieuwing van zaken te Lemmer.

LEMMER. De laatste tijd leest men nog wel eens pessimistische klanken uit Lemmer, zoals: de L.T.M, opgeheven, Koppe's bootdienst Lemmer-Amsterdam gestaakt, weinig voordeel van de Noord-Oostpolder, liet kanalenplan te ver van Lemmer enz. enz., maar als men klanken uit de winkelierskringen hoort, dan is men daar optimistisch.

En gelukkig, Lemmer staat nog niet ten dode opgeschreven, het heeft, mede door zijn ligging vertrouwen in de toekomst, en dat de lege" plekken, die de laatste maanden zijn ontstaan, weer zullen aangevuld worden. Dat de winkeliers het hoofd nog niet in de schoot leggen, komt de laatste maanden wel sterk tot uitdrukking. We hebben zo eens een kijkje genomen langs de winkels en hier en daar een praatje gemaakt. Op de Langestreek zijn er twee winkels bijgekomen van de heren K. Koopmans en B. Steenstra, terwijl de heer Gorter binnenkort naar de Kortestreek en de fa. K. de Boer in dat pand weer gaat uitbreiden voor bedden en matrassen.

Aan de Kortestreek heeft de heer G. v. d. Gaast zijn pand geheel voor winkel ingericht, zodat deze nu overzichtelijk alles op het gebied van electriciteit. waterleiding enz. bijelkaar heeft! De slagerij van Sonsma heeft een geheel nieuwe voorgevel gekregen, in moderne stijl. De kroon op het werk zet de heer J. Gorter, die in het voormalige arbeidsbureau een geheel nieuwe zaak krijgt in goud- en zilverwerk, welke op 18 December officieel geopend zal worden. De fruitwinkel van de heer W. Lemstra is met de helft vergroot.

Op de Nieuwburen heeft de heer Gort, bekend om zijn smeedwerk, de zaak overgenomen van de heer P. de Blauw en binnenkort zal het garagebedrijf en autodiensten van Aukema en De Vries, uitgebreid worden aan de Nieuwburen. De fa. Bijlhout heeft ook nog plannen, door aankoop van het gehele bouwcomplex van de heren IJlst en Verbeek.

In de Schans, waar veel oorlogsschade was, door de bevrijding in April 1945 zijn verschillende panden aardig opgeknapt. Hierbij valt in de eerste plaats op het schoenenbedrijf van de heer Tj. Dijkstra. Daar heeft het bouwbedrijf van de fa. A. Bosma een modern winkelpand van gemaakt. Ook de schoenreparatie werkplaats is groter geworden. De heer Zuur in manufacturen, heeft zijn zaak ook in moderne stijl gebracht met twee etalages.

Aan de haven, bij de ligplaats der boten, heeft de heer De Graaf uit Oosterzee, een winkel geopend in tuigwerk, met aanverwante artikelen. Ook de heer G. v. d. Bijl uit de Schans heeft zijn zaak van binnen geheel gemoderniseerd, met een koelcel voor zijn zuivelproducten en tevens ook voor pluimvee te slachten.

In het vroegere pand van de heer J v. d. Veen, in kruidenierswaren enz. heeft de heer S. v. d. Schoot zijn intrede gedaan aan de Schulpen in werkmanskleding enz., dit is de uitbreiding van de zaak aan de Nieuwburen. Achter dit pand is nu gevestigd het handelshuis van de nieuwe fa. Bos en Heida. Van meerdere, hier niet genoemde zaken, liggen plannen gereed voor modernisatie en uitbreiding. Vaak brengt de uitbreiding moeilijkheden met zich mee, wat betreft het vinden van geschikte ruimte daarvoor.

Het is mogelijk dat we een enkele vergeten hebben, maar we hebben willen aantonen, dat men in Lemmer nog de moed niet zakken laat, en ondanks dure tijden het nog aandurft, om opnieuw geld in de zaken te steken, met vertrouwen in de toekomst. En gelukkig, want ook Lemmer moet met zijn tijd mee.

 Terug naar Inhoudsopgave.

 

Nogmaals De oude Lemmer

Zo was er Gerber, als eigenaar van die mooie kruidenierszaak op de Markt, waar nu het Gemeentekantoor is. Ene Wed Gerber, trouwde met Gaastra, die geen nazaat had. Vermoedelijk de oudste zoon Gerber, zat in die zaak op de markt. Hij was getrouwd met 'tante Foke' die zo genoemd werd. Ze hadden n zoon, die naar z'n stief-grootvader Doede heette. Om het helemaal mooi te maken, kocht Gaastra voor hem zijn naam erbij. Als opgeschoten jongen kwam deze Doede Gaastra Gerber, wel in de vakanties in de Lemmer en werd dan ook op de kermis gesignaleerd, hetgeen Annieke Kalsbeek de vraag ontlokte 'Vindt je grootvader dat wel goed?', waarop de jongeman antwoordde, dat het een spijker aan z'n doodkist was! Intussen was de kruidenier al gestorven en de weduwe weer getrouwd met ene Brouwer, zoon van de predikant, die vr Ds. de Geus, in de Lemmer stond. Deze Brouwer had een Bank in de Boteringestraat in Groningen.

De familie woonde op 'Nienoord' in Leek, nu rijtuigmuseum. Doede is beroepsmilitair geworden.
Dan was er ook een Gerber, die predikant was  in Assen. Hij preekte in de vakanties vaak in de Lemmer, hij liep op een snikhete zomermiddag te zingen: 'Hij werpt z'n ijs daarheen als stukken', hetgeen heel verfrissend was.

Toen Siebold de Vries in de kazerne in Assen lag, was hij welkom in de Geref pastorie.
Deze Ds. Gerber, was getrouwd met een dochter van Peereboom, die, na een mislukt huwelijk met Wed. Jongsma (eind Langestreek), bij de zuster van zijn eerste vrouw introk, waar ook zijn ongetrouwde dochter woonde. Hun adres was even vr Luiking; (tante Rim en tante Frouk). Verder was er dan natuurlijk 'Juffrouw Betje', waar Kaatje Kooistra zolang huishoudster was.

En de schrijver G. Rijnsdorp in Rotterdam, (die steeds interessante artikelen in De Trouw schreef), was ook met een Gerber getrouwd.
Toen Gaastra stierf; vermaakte hij aan de Geref kerk geld, om er nieuwe stoelen voor te kopen, die evenwel niet in de consistorie gebruikt mochten worden. Ook zorgde hij voor een legaat, waarvan, op z'n verjaardag, aardappelen moesten worden gekocht voor de armen. Dat was in de oorlog van 1914 -1918 niet zo eenvoudig, maar ja, dat kon hij ook niet voorzien.

Doede GAASTRA, werkman (1876), aannemer van werk (1880), opzichter te Lemmer (1880), architect te Lemmer (1880), winkelier te Lemmer (1885, 1886), koopman te Lemmer (1890), geboren op 13-11-1845 te Doniawerstal (Tjerkgaast), overleden op 14-02-1913 te Lemsterland op 67-jarige leeftijd, zoon van Hendrik Meines GAASTRA en Bregtje Doedes JAARSMA.

Gehuwd (1) op 29-jarige leeftijd op 16-05-1875 te Lemsterland met Wemmigje Sierds van der VEEN, 29 jaar oud, geboren op 11-09-1845 te Weststellingwerf, overleden op 25-07-1876 te Lemsterland op 30-jarige leeftijd, dochter van Sierd Pieters van der VEEN en Trijntje Hendriks WESTERHOF.

Gehuwd (2) op 34-jarige leeftijd op 05-11-1880 te Lemsterland (getuige(n): Carel August Sachse, Hendrik Jan Prijs, Johannes Duim en Louis Jacobus Lijklema) met Dirkje Ales LIGTHART, 41 jaar oud, winkelierster te Lemmer (1880), geboren op 29-09-1839 te Lemmer, overleden op 02-02-1912 te Lemsterland op 72-jarige leeftijd, dochter van Ale Tjallings LIGTHART, winkelier te Lemmer (1880), en Grietje Willems DIKLAND.

Uit het eerste huwelijk:

1. Sierd, geboren op 20-04-1876 te Lemsterland, overleden op 28-06-1881 te Lemsterland op 5-jarige leeftijd.

www.tonvermaas.nl

>>>

>>> Sint Nicolaas 1939.

Uit een krant van 29 november 1939. De tijd waarin ook toen al naar de verjaardag van Sint Nicolaas werd uitgekeken. En hoe zou het anders kunnen die krant bevat ook een gedichtje van de oud plaatsgenoot L. Boersma. Het weerspiegelt en ook dat zou haast niet anders kunnen, enigszins de spanning van die dagen, hoewel toch ook het vertrouwen dat in Nederland niets zou gebeuren doorschemert. Toch staat de oorlogsdreiging nog niet centraal: Sint Nicolaas en de daarbij behorende extra winkelomzet krijgen nog de meeste aandacht .

Trots bommen, mijnen, vliegmachines,
Of wat de mens meer heeft gewrocht
Om d'halve wereld te verdelgen.
Ondanks dat alles: Sint komt toch
Hij reist uit 't verre, warme Spanje
Met Piet, z'n trouwe, zwarte knecht;
Want hij vervoert geen contrabande,
Maar wat hij meeneemt komt terecht.

Zo is dan Sint weer aangekomen
In 't vredig, kalme Nederland,
En koopt cadeautjes, lekkers, speelgoed,
Begunstigt dus de winkelstand.
Gij lezers, volgt aanstonds dit voorbeeld,
maar koopt dan uw geschenken hier;
Al is het nog zo'n kleinigheidje,
Denkt om de 'Lemster winkelier'

Waarom naar elders nog te reizen.
De winkels hebben grote keus ;
Al koopt gij veel, al koopt gij weinig:
Steeds 'Koopt in Lemmer' blijv uw leus!


Als we dit pleidooi om in Lemmer te kopen hebben gelezen, denken we onwillekeurig: 'Bij wie kon je in die tijd dan terecht voor de St. Nicolaas-inkopen in Lemmer'? Ook daarop geeft deze krant enkele antwoorden d.m.v. de advertenties. Als we die doorlopen komen we de namen tegen van nog bestaande en van allang verdwenen zaken. Zo kan men blijde gezichten toveren met geschenken van P. de Blauw, zorgt Zwarte Piet voor de kinderen met lekkers van Fa. Johs. Zwart, en raadt Fa. Schirm, de mensen aan zoon, echtgenoot of vader te verrassen met een Vlisco-overhemd (400 dessins).

Voor wensen in echt zilver, kon men terecht bij J. Gorter, toen nog op de Langestreek. Ook toen al verpakte 'Molenberg' zijn aanbiedingen in versvorm, zonder daarbij ook maar n artikel te noemen. Iedereen in Lemsterland, wist immers wel dat deze man in textiel handelde. Dan zijn er advertenties van Fa. A. M. Bosma, boekhandel A. Terpstra, drogisterij en wijnhandel B. Hooijsma en slagerij Lageveen. Kinderen wijzen zelf de weg naar het Kinderparadijs en dat blijkt dan Noppert' s Bazar te zijn.
G. v.d. Horst, dames- en herenkapper, W.I. v.d. Berg, herenmode zaak en Reekers woninginrichting zijn ook nog voorbeelden van zaken die uit het beeld van Lemmer zijn verdwenen of die, zoals de kapperszaak, in andere handen zijn overgegaan.

Nostalgie.

Op de plaats waar eens het Nutsgebouw stond, kwam later de nieuwe apotheek de Waech, met bijbehorende woning. Van deze nieuwe woning is de oude gevel uit 1776 bewaard gebleven. Een hele vooruitgang, zeker voor de Nieuwburen.

Maar toch word er nog vaak aan teruggedacht aan de mooie avonden, welke in het Nutsgebouw werden gehouden.
Om een paar te noemen: Barend en Matsje van der Veen, het gezelschap Tetman de Vries. Met mooie toneelstukken en bijpassende decors. Dat is nu heel wat anders, bijvoorbeeld met wat lattenwerk en een paar kistjes.
Dat brengt geen sfeer. Ook de uitvoeringen van Excelsior met muziek, zang en toneel en na afloop nog dansen. Met man en macht werden de tafels en stoelen uit het midden van de zaal op het toneel gedeponeerd, wat poeder op de vloer om deze glad te maken en starten maar.

Ook heeft Excelsior het gepresteerd met eigen krachten drie operettes op te voeren, o.a. Rose Marie, Marion de Marketenster ,en de klokken van Corneville. En met groot succes, alles onder leiding van Lourens de Rook. Ook het begeleidende strijkje waren allen Lemsters.
Wat zat in dit alles een tijd en wat zal het vele extra repetities hebben gekost. Maar men had het er graag voor over. Volle zalen en een dankbaar publiek dat was de beloning. Dat krijgt men vandaag de dag niet meer voor elkaar. De jongeren zoeken nu hun vertier in bars en disco' s.
>>>

De Rook-Orkest: De familie de Rook was een uitermate muzikaal begaafde familie. Verschillende leden ervan zijn in grote orkesten in het hele land terecht gekomen. Zo speelde bv. Klaas de Rook als klarinettist in het Concertgebouworkest (hoewel hij liever pianist was geworden). Laurens de Rook, was te zeer verbonden met Lemmer om het dorp te verlaten. Zijn muzikale kwaliteiten verloochenden zich echter niet en als dirigent van Excelsior maakte hij dit orkest tot een van de besten van het land.

Op de foto zien we staand van links naar rechts: Jo - Klaas - Carel - Jacob - Poppe en zittend van links naar rechts: Jan - Nanne - Jurjen - Vader Klaas - Laurens.

 

>>> Ook organiseerde de beheerder, Pier Meijer af en toe een balavond. De heer Meier speelde dan op de piano en een slagwerkje erbij, dat was alles. Maar gezellig! !
De een na de andere (met mooie figuren) volgden elkaar op. Pauze was er bijna niet bij, want Meier werd nooit moe. Mocht er een groepje even uitrusten, dan kon je met elkaar even babbelen, maar dat lukt nu niet meer, want hoe harder de muziek hoe mooier.

De kleine-trommelslager: de man die het tempo aangaf in het muziekkorps. Deze foto is in de late jaren twintig gemaakt in Lemmer. De trommelslager is wijlen de heer Pier Meijer, die tamboer was bij Excelsior", dat hier een hardrijderij op de schaats opfleurde. Ook het korps had de ijzers ondergebonden.

Dit zijn een paar herinneringen: Het was eenmaal en komt nooit weer 'helaas'.

Toen ik bij meester Funcke in de klas zat en we winterdag's naar catechisatie moesten, mochten we 's middags om drie uur vrij. Ik weet nog wel dat ik op een keer bij een bank langs moest waar jongens zaten en n van die knapen stak mij toen met een pen met inkt in mijn been, wat behoorlijk zeer deed. Ik moest toen eerst naar huis en toen heeft moeder de wond schoongemaakt.
Ja toen konden die knapen ook wel plagen. Ze hadden ook wel de gewoonte om je haar in de inktpot te stoppen, (wij hadden toen lang haar) en droegen witte schorten. Ik weet nog wel daar zat een mooie kantstrook op, waar we erg trots op waren en die schort kwam dan behoorlijk onder de inktvlekken te zitten. Als we dan thuis kwamen was moeder niet kwaad maar wel heel verdrietig. Ze kon de schort haast niet meer schoon krijgen.

Meester Funcke, was een heel aardige en goede man: Maar de jeugd kon hem vaak zo treiteren dat hij behoorlijk kwaad werd en dan kwam de kaartstok er aan te pas, waar hij behoorlijke tikken mee kon uitdelen.
Het is een keer gebeurd dat de kaartstok in tween brak, maar de meeste tijd bleef hij kalm.
Maar wat hij ook wel deed als de jongens het weer te bont maakten, dan ging hij tussen de banken staan te bidden en dat hielp meestal wel, daar kwamen ze wel vanonder de indruk.

Meester Funcke (A. B. H. Funcke van 18861921) had ook een druk leven. Als we winterdag's morgens om half acht op de Franse les kwamen, dan was hij nog druk bezig met de kachel. De kachel brandde dan al wel maar dan was hij bezig de kachel met cokes te vullen. Ja er was toen in die tijd nog geen stoker. Ik zie hem nog bezig met zijn stofjas aan. Dan moest hij natuurlijk gauw naar boven om zich om te kleden. Hij droeg nl. altijd een slipjas. Hij was z'n tijd ver vooruit, hij liet ons Franse versjes leren, psalmen en andere versjes. Wat ik nog van de Franse taal weet, heb ik van hem geleerd. Uit de les moest ik vlug naar huis, want om negen uur begon de school weer.

Winters als er ijs lag dan ging het vlugger, want dan gingen we over het ijs naar huis, want we woonden aan de overkant.
In scheikunde daar was meester Funcke ook zo goed in; er was toen nog geen Mulo. Ik ben wel op de Normaalschool geweest Daar kregen we les van mijnheer Van der Laan en handwerken van juffrouw Huisman. De handwerkstukken die we maakten heb ik lang bewaard. Maar op meester Funcke terug te komen, die moest zondagsmorgens ook al vroeg naar de kerk, want hij moest de psalmverzen op de bordjes schrijven.
Ik zie hem nog wel op de leuning van de bank staan, anders kon hij er niet bij. Hij was ook nog voorlezer en voorzanger. Al met al had hij het maar druk, want toen zijn vrouw ziek was hielp hij ook nog in de huishouding. Ja, dat was een heel andere tijd dan nu, in allerlei opzichten.

Meester Funcke en Dirkje Loen.

Wij moesten als kinderen iedere dag zoveel toeren breien. Dan deed moeder er een draadje in, dan kon ze precies zien hoeveel toeren we hadden gedaan. Maar ja, we hadden niet altijd evenveel zin, dan waren we wel eens ondeugend en haalden het draadje eruit en deden het wat lager. Maar dat kon natuurlijk niet zo vaak, want anders kreeg moeder het in de gaten. Er werd toen veel gebreid, want toen werden er veel gebreide kleren gedragen. Er was ook een breischool in Lemmer, die was in het Waaigat bij mejuffrouw Gaasbeek, Alie Verbeek was er ook. Mej. Gaasbeek las dan uit een boek voor, terwijl de meisjes zaten te breien. Ze hebben er wel plezier gehad en na afloop van de les gingen ze gezellig een blokje om met elkaar.

Dat zijn zo enkele jeugdherinneringen en dan ook niet te vergeten onze reisjes met de tram, b.v. naar Sneek. Wat was dat altijd een feest Als we wat nieuws moesten hebben hadden we een dag vrij van school en als we dan met de tram langs het singeltje reden, dan dacht ik die meisjes die daar wonen moeten naar school en wij zijn lekker vrij. Daar woonden nl. verschillenden van onze school. Als we in Sneek aankwamen dan begon het al zo feestelijk. Dan gingen we naar de Hindelooper kamer en trakteerde moeder ons op een kop chocolademelk, wat genoten we daarvan.

1912

En dan gingen we naar 'Het Kleinzand', daar woonde familie van ons en daar kregen we dan een broodmaaltijd. En dan begon voor ons het echte feest. Samen de stad in en dan natuurlijk winkels kijken, want daar waren zulke mooie winkels met prachtig speelgoed. In Lemmer stonden we ook vaak bij Lute Steenstra, voor het raam, vooral tegen Sinterklaas, maar die winkels waren niet te vergelijken met die grote winkels in de stad, daar kreeg je als kind nooit genoeg van, maar het moest niet bij kijken blijven natuurlijk.

Ik weet nog wel dat we een keer een mooie gekleurde bal kregen. En dan naar de winkel voor nieuwe kleren te kopen; een nieuwe mantel of een nieuwe jurk. En dan als we 's avonds weer thuis waren konden we nog na genieten van al die mooie spullen en dan alles nog eens aanpassen natuurlijk.

Ook zijn we een keer samen met moeder op een foto gekomen. Onze vader was toen al overleden. Dat ging toen heel anders dan tegenwoordig. De fotograag had een grote zwarte doek over zijn hoofd, weet ik nog wel en honderd en n keer kwam hij er weer onder, vandaan. Dan was dit weer verkeerd en moest dat weer anders. Eindelijk was het dan gelukt, maar je kreeg de foto' s later thuis toegestuurd.
En wij maar in spanning zitten te wachten iedere keer als de post kwam of de foto' s er ook bij waren, want dat was toentertijd een hele belevenis..

 Terug naar Inhoudsopgave.

 


Grietman gaf Lemmer bedrijvig aanzien.

LEMMER - Waar nu in de zomermaanden de toerist flaneert op de Langestreek, daar was ooit een samenballing van andere bedrijvigheid, dan van eetgelegenheden zichtbaar. Hier lag namelijk de kern van economische activiteiten, die voor het merendeel te maken hadden met de ligging van Lemmer aan de Zuiderzee. Het water in en om Lemmer lag altijd vol met schepen van allerlei formaat, bestemd voor de zee en binnenvaart.>>>

 

>>> Lemmer ligt op de grens van land en water en de inpoldering van een deel van het IJsselmeer, heeft niets veranderd aan het feit, dat op deze plek de meeste scheepvaartbewegingen binnen de Friese grenzen worden geteld. In de loop der jaren is een groot deel van de maritieme activiteiten verlegd van de dorpskern naar de zeekant, met inbegrip van de grote binnenvaart, die een eigen uitgang naar het IJsselmeer kreeg, via het sluizencomplex van het Prinses Margrietkanaal aan de westkant van Lemmer.

Ondanks de bestemmingsverandering is de dorpskern en de scheepsbedrijvigheid in vroeger jaren nog gemakkelijk voorstelbaar: verander in gedachten de jachten en kruisers die aan de oevers van de Langestreek zijn afgemeerd, in traditionele bedrijfsschepen en er doemt een beeld op, dat alleen de aller-oudste Lemsters nog kunnen oproepen, of dat, dat zichtbaar wordt gemaakt op tekeningen en foto's. De Lemster architect Jelle de Jong, heeft zich beziggehouden met naspeuringen over de Lemster kernbebouwing, toen hij gegevens verzamelde' over het fraaie monument Oudesluis 9.
De Jong, schrijft over Nanne Jouwerts Stapert, die vanaf 1790 op n der fraaiste plaatsen in het dorp woonde, met uitzicht op de zeesluis en op de brug over de (Lemster) Rien. Dit deel van de Rien, zoals de meeste waterlopen bij de Friese steden en dorpen, dicht bezet met werkplaatsen en kleine industrie, is ruim een eeuw geleden gedempt en hoe toepasselijk, herdoopt in Gedempte Gracht.

Het uit 1773, daterende koopmanshuis van de Oudesluis in Lemmer, waarvan een groot deel van de geschiedenis in een boekje is vastgelegd.

● Jelle de Jong en de historie van huis Oudesluis 9"

KARAKTERISTIEK is het huis aan de Oudesluis in Lemmer zeker. Vooral nu het na een grondige restauratie door de Lemster Douwe Tijsseling wordt gebruikt als restaurant en woning. Over de historie van dit uit 1773 daterende pand was tot op heden weinig bekend. De als bouwkundig tekenaar bij architectenbureau Kroes werkzame Jelle de Jong, uit Lemmer werd evenwel in de historie genteresseerd toen in 1980 het pand Oudesluis 9 gedeeltelijk werd gerestaureerd. Veelvuldig gestelde vragen over dit op de Monumentenlijst staande huis brachten hem op het idee om een onderzoek in te stellen. Het resultaat daarvan heeft hij in een boekje samengebracht.

-Nanne Jouwerts Stapert, leefde in een periode, die een grote verandering in Lemmer te zien heeft gegeven. Dat was niet in de laatste plaats te danken aan grietman, Regnerus van Andringa, die bijna een halve eeuw (1692-1741) een stuwende kracht was in dit deel van Friesland. Regnerus stelde veer- en beurtdiensten in, die veel activiteit in het dorp brachten. Reizigers uit Friesland, die overigens ook gebruik maakten van Harlingen en Groningen, reisden over land naar Lemmer. Daar namen ze de veerboot naar Amsterdam. Van Andringa, de grietman met visie, haalde ook ondernemers naar het dorp, dat in de tweede helft van de achttiende eeuw de snelst groeiende plaats van Friesland was.

De aanwezigheid van een flinke koopvaardijvloot, die mede kon profiteren van de Nederlandse neutraliteit in de Brits-Franse oorlog in het midden van de achttiende eeuw, gaf niet alleen werk aan zeelieden, maar ook aan toeleveringsbedrijven van scheepsbenodigdheden. Voor het grove werk was een houtzaagmolen nodig en die was in Lemmer gevestigd aan de Rien. In een beschrijving van A. E. Klijnsma, is sprake van een achtkante bovenkruier met stelling boven de zaagschuur. Het wiekenkruis had een vlucht van twintig meter, waaraan traditiegetrouw om en om witte en roodgetaande zeilen waren bevestigd. Het molencomplex bestond verder uit twee woningen, een molenmakerij met woning, een boerenhuis met schuur, de woning van de bedrijfsleider (waarin een tegelkamer met tableau van de molen) en de houtschuur.

Klijnsma meldt ook, dat vr 1788 de Lemster houtzaagmolen op de Molenkamp stond, aan De Molendray tussen Zijlroede en Zeedijk, aan de westkant van het dorp (Tussen Pension t lytse Knipke en de IJsvereniging Lemmer) De molen aan de Rien is lange tijd in bezit geweest van de familie Wegener Sleeswijk, van wie Cornelis, de bekendste vertegenwoordiger is geweest. Hij was, behalve van de molen, ook eigenaar van een zeilmakerij en een touwslagerij. Niet alleen in het centrum van het dorp was bedrijvigheid, maar, ook aan de Polderdijk, eveneens hoofdzakelijk gericht op scheepsbouw, scheepvaart en visserij.

Het silhouet van (de) Lemmer werd tot 1895 mede bepaald door de molen. In dat jaar ging eigenaar F.W. Wegener Sleeswijk, over van wind, op stoomkracht. De wieken werden afgenomen, maar de romp bleef vooralsnog intact. Lemmer bleef tot de dag van vandaag een belangrijke positie innemen als centrum voor scheepsbouw en onderhoud, distributie van massagoed, met de daarbij horende bedrijvigheid te land en te water. Dat geldt zowel voor de beroepsvaart als, in toenemende mate, de pleziervaart. Er is nu wel een duidelijk verschil met, bijvoorbeeld, de jaren dertig. De vissersvloot is uit de Lemster haven verdwenen.

De N.V. "Stoomhoutzagerij" te Lemmer.

"Cornelis Sleeswijk, dy't ntfanger fan de gritenij en fan it wetterskip "De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten" kocht yn 1849 de houtmoune oan de Rien". De aankoop van deze houtzaagmolen c.a. aan de Polle te Lemmer vond plaats bij gelegenheid, van de openbare verkoop van de onroerende goederen van de familie Brandsma. Successievelijk werd het bedrijf in de volgende jaren uitgebreid door aankoop van aangrenzend onroerend goed. De feitelijke leiding in handen van Johannes Brandsma, die als bedrijfsleider in dienst was van Cornelis Sleeswijk en na diens overlijden in 1857 van zijn weduwe Fettje Wegener. Nadat laatstgenoemde in 1862 was overleden is het bedrijf aanvankelijk voortgezet door Frederik Wilhelm Wegener Sleeswijk en Johannes Brandsma, gezamenlijk in een vennootschap onder firma, genaamd "De Weduwe C. Sleeswijk".

Na de dood van Brandsma in 1883 zette eerst genoemde firmant, het bedrijf alleen voort. Nadat in 1893 zijn zoon Andr Wegener Sleeswijk, zijn intrede in het bedrijf had gedaan, volgde in 1895 modernisering van de onderneming. In dat jaar werd de oude houtzaagmolen vervangen door een stoomhoutzagerij. In 1905 werd de firma omgezet in een naamloze vennootschap "N.V. Stoomhoutzagerij en houthandel, voorheen de Wed. C. Sleeswijk" geheten. In 1916 vond een grote uitbreiding plaats met een kisten, vaten en palletfabriek. Na het plotselinge overlijden in 1918 van directeur Andr Wegener Sleeswijk, ging het snel bergafwaarts met de onderneming en werd de vennootschap in 1925 geliquideerd. De nieuwe eigenaar N.V. De Friesche Bank bracht het bedrijf onder in een commanditaire vennootschap "C.V. Stoomhoutzagerij" genaamd, waarvan B. Core Lzn. bedrijfsleider werd. In 1934 vond wederom een omzetting plaats, waarna Halbertsma's Fabrieken voor Houtbewerking N.V. het bedrijf overnam. Als onderdeel van het concern werd het betrokken bij de overname door Swedish Match te Amsterdam f S.T.A.B. In 1975 werd het bedrijf gesloten. De arbeiders werden naar Grouw en Scheemda overgeplaatst.

 

1884

 


De bedrijven en het leven in het verleden en heden aan de polderdijk.

LEMMER- We beginnen bij de vlettenmakerij en wagenmakerij van Gerrit Wierda en zijn zoon Ate. Na een groot aantal vletten en kleine boten, was de Lemster schouw een begrip, gebouwd door Wierda. Zie het model in de hal van het Gemeentehuis. Zesentwintig schouwen zijn er gebouwd tussen 1897 en 1918, n is er nog van over en vaart als jacht, de vroegere LE 21 van J. Fleer. >>>

LE 21.

>>> Het bedrijf was gevestigd bij de Riensluis, nu...Slump benzinepomp, dichter bij de Rien was de smederij Van der Wolf. De toenmalige bedrijven voor de visserij en scheepvaart speelden zich af aan de Polderdijk, v. d. Neut, is heden nog een bedrijf, te weten de zeilmakerij de Vries aan het strand. De firma v. d. Berg, gaat een nieuw leven beginnen, op het terrein van de vroegere Houtmolen, nu Busker.

1916

1934

Het grote aakjacht gebouwd bij Croles, te IJlst in plm. 1901, is nu een mooie klus om het weer terug te brengen in de oude staat.
Het is een mooi schip met een verleden, gelijk sommige eerbiedwaardige oude dames. Straks na een verjongingskuur een aanwinst voor de rond- en platbodems. Croles was een zeer oude en bekende werf, de eerste ijzeren aak is door hem gebouwd in 1899, voor Siemen Spaan van Lemmer, hij is vrij snel naar Amerika gegaan,
(● Siemen Spaan en Rinsje Visser besloten te gaan emigreren toen ze inmiddels 9 kinderen hadden en de woonruimte veels te klein geworden was. Rinsje was van dit besluit zo nerveus geworden dat al haar haren uitvielen. Later is dit weer aangegroeid. In 1906 verkocht Siemen zijn boot, en Rinsje haar gouden kap, om de tickets te kunnen kopen voor de overtocht. Ze reisden samen met de negen kinderen met nog een echtpaar de heer en Mevr. Scheffer en hun drie dochters. Ze landen in New York, Ellis Island op 15 oktober 1906. Ze hadden 12 dagen over de reis gedaan. Ze settelenden zich in Grand Rapids Michigan, waar Siemen werk vond in de leder bewerking, ook maakte hij kinderschoenen.
Richard Spaan)

Verder de LE 70 voor Jan R. Visser,... Siebe Kooistra, heeft dit schip later gekocht. De laatste die er mee viste was A. Riemersma (Reade Aant), nu vaart het nog als jacht de 'Munzerklif'. De LE 71, was een zusterschip, gebouwd voor A. S. Rottin, in 1913 gekocht door Wouda, (vader van wijlen Jan Wouda) voor de som van f 1250,-. De aak is nu het jacht 'De Breehorn' van mr. Carp. Het waren 40 voets aken en gefinancierd door Hangbaas de Rook. De Aken van Croles komen het meest overeen met 'De Boer Aken'.

Na de afsluiting van de Zuiderzee komt er een regeling voor schadeloosstelling, de waardevermindering is er n van. Het archief vermeldt het volgende. 'Het tweede bedrijf is Smederij firma H. v. d. Berg waarvan het archief van de Zuiderzee-steunwet een tamelijk Uitvoerige beschrijving bevat, van de hand van inspecteur Jacob Boor.

1928: Ingezonden. Lemmer en de afsluiting van de Zuiderzee.

Waarde Redactie! In tegenstelling met de Telegraafcorrespondent, die een paar weken geleden ook zijn licht over de visscherij en de visschers hier ter plaatse opstak, heeft uw verslaggever bij de belanghebbenden genformeerd naar een en ander omtrent de gevolgen, welke de Zuiderzeedroogmaking zal hebben voor onze plaats en hare bevolking.

Wij kunnen niet anders dan dit waardeeren, doch zagen nog gaarne een kleine aanvulling, ofschoon wij op de hoofdzaak niets hebben aan te merken, wat wel het geval was met het Telegraaf-artikel, omdat daarin de werking der Zuiderzeesteunwet veel te optimistisch werd voorgesteld, zoodat wij niet konden aannemen, dat in bedoeld interview de woorden van den Burgemeester juist waren weergegeven, daar bedoelde wet niet alleen door ons belanghebbenden, maar ook door bijna alle anderen, die met deze zaak op de hoogte zijn, te eenenmale onvoldoende wordt geacht.

We hebben maar te verwijzen naar de Tweede Kamerzitting van 16 Mei j.1., waarin bedoelde wet door de woordvoerders van alle belangrijke fracties is veroordeeld.

Verder, omdat bedoelde corr. op zeer lichtvaardige wijze een smet op ons heeft geworpen, alsof wij al maar netten drogen, afwachten en alles van de Regeering willen hebben en dat de komende misre geheel alleen aan de domheid en de kortzichtigheid der visschers zelve zal zijn te wijten.

Een belangrijk punt roert U in 't slot aan. Feitelijk is dat de spil waarom alles draait. Dat is het gemis van een schadeloosstelling van 't waardeloos wordende materiaal, schip en netten. (*) Nu heeft de Regering op dit punt steeds een afwijzende houding aangenomen, maar toch, zoo luidden de officile toezeggingen, op 'n tegemoetkoming konden wij rekenen.

In de Steunwet, zooals die in 1925 is aangenomen en verleden jaar Nov. in werking is getreden, is daar echter niets van terecht gekomen en dat is 't grootste bezwaar tegen die wet, die op dat punt volgens de heeren Duymaer van Twist, v.d. Bilt, Snoek Henkemans en Van Zadelhof noodzakelijk aanvulling: behoeft. Dit punt is, hoe moeilijk ook voor een buitenstaander direct te begrijpen -de zee is immers nog niet droog!" zeer urgent en voor een gezonde oplossing reeds te lang verwaarloosd.

Wij zullen het hier niet hebben over de langzame bureaucratische wijze van werken van 't orgaan, belast met de uitvoering der wet, de te kleine bedragen en de ongelijkheid in de toepassing. De een krijgt bijv. na lang aanhouden 3 a 5 gulden 's weeks om een jongen iets anders te laten leeren, terwijl een ander nog nooit bericht heeft gehad en in arren moede den jongen maar weer aan boord neemt.

Waarom ook bij de uitkeering aan anderen niet een uniforme regeling. 'n Heel enkele gelukkige kan Vijf, de meesten drie of twee, iemand in Laaksum 's weeks n gulden van Koudum halen. En ook zijn er nog, die niets kunnen krijgen, terwijl dat vaak nog niet eens de minst behoeftigen zijn.

Wij willen ook niet het verstrekte crediet critiseeren, maar n ding moet toch vastgesteld worden, n.l. dat al die maatregelen, uitgezonderd de opleiding van jongens in een onder vak, den tendens hebben om de visschers op de Zuiderzee te houden, terwijl 't juist een wederzijds belang zou zijn, geleidelijk de zee te ontvolken.

Dat deze schadeloosstelling of tegemoetkoming als men het liever zoo noemen wil, niet geregeld is, blijft 't grootste struikelblok. Des visschers hele houden en hebben zit in de meeste gevallen in zijn schuitje en netten. Vaak rust er ook nog schuld op aan regeering en particulieren, nethandelaar, hellingbaas, zeilmaker en anderen. Schei dan maar eens uit met vissen.

Ondanks alle goede raadgevingen gaat men immers door; 't kan niet anders. Was het echter ernst met de Regeering, om de visschers aan een ander bestaan te helpen en was die geldelijke tegemoetkoming geregeld, dan zouden velen trachten een andere positie te vinden en geleidelijk zou de visschersvloot verminderen. Zooals 't nu gaat. dreigt er met eenige jaren een catastrophe.

S. G. ZANDSTRA,

Waarn. voorz. Visschersvereen. Lemmer. (*) Als een sterk staaltje hoe het tegenwoordig met die waardevermindering ten gevolge van de droogmaking gesteld is, het volgende. Schuiten, die voor enkele jaren nog f 2000 of f 3000 waarde hadden, worden nu voor enkele honderden aangeboden.

De stichter, de in 1925 overleden H. v. d. Berg, nam in 1900 een, bestaande grofsmederij over van de weduwe van Jan Osinga, waarin al werkzaamheden voor de visserij werden verricht'. Waaruit deze activiteiten ondermeer bestonden, beschreef Boor in zijn rapportje: 'Van ouds is het bekend, dat de Lemmer visschers meestal met een dubbele beug haring- en ansjovisnetten vischten; hetgeen er op wijst, dat ook de smid benoodigd was; immers bij deze visscherij waren benoodigd ankers, dreggen, kettingen en velerlei andere grove ijzeren voorwerpen, die bij een gewone zuid-walvisscherij niet of zeer weinig voorkwamen. Bovendien vischten de Lemmer visschers benoorden Urk en om de Noord, hetgeen noodzakelijk met zich meebracht, dat de visschers bij hun nettenmateriaal grof verbindingsmateriaal noodig hadden. Over de ontwikkeling van het bedrijf schrijft Boor verder: Nu begon Vader v. d. Berg met zijn 3 zoons deze nieuwe smederij aan De Schans. De jongste zoon Anne was in 1900 nog slechts 7 jaar oud, doch Andries was 20 jaar en Sipke 25 jaar oud.

De vader woonde achter de smederij aan De Schans. De zaak bloeide; de zoons werden ouder, gingen trouwen en er moesten meerdere gezinnen (drie) hun levensbestaan uit deze zaak hebben en de energieke vader zocht uitbreiding, door aan den Polderdijk langs de vaart naar Friesland, een nieuwe smederij in 1911 op te richten, waar dan meer voor de binnenvaart kon gewerkt worden.

1887

Lemmer breidde zich aan dien kant meer uit met het oog op de behoeften voor de binnenvaart. In 1901 vestigde zich hier de firma M. F. de Vries, later firma v. d. Neut....en nog enkele kleinere zaken. In 1919 trok de vader zich uit de zaak terug en werd de zaak firma H. v. d. Berg. Wat betreft het werk voor de binnenvaart, zij hier nog vermeld dat de firma bekendheid kreeg met de door haar vervaardigde lieren.

Voor de waardevermindering van 1932 was het van belang om te becijferen voor welk deel de firma haar inkomsten uit de visserij had verkregen. Bepalend voor deze berekening was de toestand in 1918, toen in de smederij op de Schans, geregeld zes man werk vonden en in die aan de Polderdijk vier man.

De totale omzet van de firma bedroeg in dat jaar f 21.922,15, waarvan f 12.624,90 of 57% 'visscherswerk'. De geschatte waarde van dit deel van het bedrijf bedroeg f 1591,50, de werkelijke waarde f 591,50. De waardevermindering bedroeg derhalve f 1000,-. Midden 1939 ging er in de sector visserij, vrijwel niets meer om en vertoonden werkzaamheden voor de schipperij een dalende lijn. Meer en meer legde men zich toe op werk voor particulieren, zoals handel in kachels en rijwielen, kachel- en rijwielreparaties, aanleg van gas en sanitair, smidswerkzaamheden voor aannemers van de Zuiderzeewerken, werkzaamheden aan bruggen en windmotoren voor gemeente en waterschappen, enz....

De Lemster Vluchthaven, gezien vanaf de Zeedijk, links beneden het Oosthoekje, een stukje van de Oostdam en in de haven een baggermolen, bezig om het water op diepte te houden. Langs de kade liggen wat aken en schouwen van de Lemster vissersvloot. Recht vooruit zien we de spuisluis. Als je vanaf de Oostdam iets riep, antwoordde de echo even later vanaf de spuisluis. Links van de spuisluis staat het hokje waar de reddingboot in lag. Het hek op de dijk moest het loslopende vee buiten het dorp houden, Onderaan de dijk staat het hokje voor de man die daar stond om het tolhek voor het doorgaande verkeer te openen. De tolgaarders waren toen Jan Spiekholt en Andries Bergsma. Tegen een kleine vergoeding werd het hek onder aan de dijk geopend. Geheel rechts, naast het tolhek, de boot en wagenmakerij van Gerrit Wierda, de smederij van Van der Wolf en de boerderij van Huitema. Verder nog de toren van de R.K. Kerk en een kijkje de Schans in.

 


De kof-en smak-schippers van Lemmer.

Lemmer als vissersplaats is al veel over geschreven door wijlen Jan Wouda en Evert de Vries. Van oudere datum is de beurtvaart of veerdienst. En natuurlijk de Sontvaart, veelal gevaren met koffen. Op Frankrijk, Spanje en de West voeren schepen van allerlei tuigage: brikken, galjoten, smakschepen enz. Na Harlingen is Lemmer de grootste haven van Friesland, en wel om ruimte en goede ligging aan het vaarwater, en overzee naar Amsterdam en andere havens, Grietman Andringa, heeft vele maatregelen genomen door het instellen van veerdiensten. Na de Franse overheersing, was er een zeer sterk verval; in Lemmer zijn dan nog aanwezig 5 rederijen, 2 schoeners, 3 smakken en 4 galjootkoffen.
Een heel bekende rederkapitein was Adrianus de Jong, (overgrootvader van Doortje van der Wal de Jong.) Met het schip 'Adolf Frederik' en de schoenerbrik 'Anna Maria Henriette' zijn heel wat reizen gemaakt.

In 1874 is er overgeschakeld voor de beurtvaart met stoomschepen van Lemmer op Amsterdam. In het jaar 1729 was er al een Lemster schipper, Haije Boukers met 'De Jonge Swaan' van reder Sicke-Frederik Sleeswijk, om een lading hout van Viborg te halen. Een rederij was vroeger veelal een parten rederij. Een verslag van de Friese kofscheepsrederij te Woudsend 1839-1850, geeft de volgende deelname van Lemmer....Cornelis Sleeswijk, zeilmaker, Sijmen Visser, zeilmaker, Cornelis Poppes Bakker scheepsbouwer, Brandsma, koopman Dijkstra, grofsmid, Bouke Poppes, assersor (wethouder) Wagenaar, Pijter-Wijbrans de Vries, Hijlke-Meinerz de Vries, Mastmaker.
Totaal 114 parten. Grootste parten uit Amsterdam, Rotterdam, Woudsend en Heeg. Het aantal zeilen van een kof was 14, de ankers 496,350,153 en het werpanker 74 kg. Als aandeelhouder kwam hij als eerste in aanmerking voor de te leveren uitrusting van het schip. Alle vrachten en opdrachten waren bijna allemaal afkomstig uit Amsterdam en dat al vele eeuwen. Tot zover de Friese kofscheepsrederij. Zie ook Historie van Friesland-Koopvaardij. En De Oostzeevaarders uit De Lemmer in de 18de eeuw.

Titelblad van het eerste reglement.

Een bekende Sont- en Wadvaarder was Harmen-Jelles Prins van Heerenveen, in dienst als kapitein bij reder Tuijmelaar. Jeltje, zijn dochter, is geboren op een schip op reis naar Zweden; zij is plm. 1839 getrouwd met Michel-IJntes Kingma, een broer van mijn overgrootvader.
Een zuster van Jeltje, is geboren in Carlskroon plm. 1818. Hendrik Jelles, een broer van Harmen trouwt met Minke-Jouwerts Stapert, in 1814, beurtschipper van Lemmer naar Sneek. Cornelis-Jelles, laat in 1854 een schoener bouwen in Lemmer; deze schoener, De 'Heerenveen' groot 149 ton, is aangekomen in Napels op 20-3-1862.

In waterrijk Nederland waren in de 18e en 19e eeuw een groot aantal werven. 26 Augustus 1727 koopt Michel-Jans van Gorredijk voor 1325 Carolusguldens ene schuite van Wijtze-Fockens van Makkum geregistreerd op 'Tien uren voor Noen'. IJnte-Michels laat een contract opmaken op 22-5-1748 bij Dirk Goukes, meester schuitemaker te Grouw voor de som van 920 Carolusguldens, ene schuite die niet buiten duins mag varen. Hij moet 150 Carolusguldens per jaar aflossen. De helft heeft hij reeds betaald aan de werfbaas, zoals toen dikwijls gebeurde. Ook zijn broer Jan laat in 1750 bij bovengenoemde werf een schuite bouwen voor 1060 Carolusguldens. Bovengenoemden zijn allebei verre familie. In het jaar 1760 liggen op de rede en in de haven 31 koffen en galjoten, 15 bestemd voor de wijnhandel in Frankrijk.

Nu schrijven we over enkele losse berichten in de couranten; 1832 H. G. Schut van Woudsend in embargo naar Bordeaux, 1856 ene kof van 76 ton gebouwd te Gorredijk, Woudstra is de reder, in 1868 is dit schip gezonken. 15-1-1862 strandt op reis naar Anholt de smak '4 Gezusters' 83 ton, gebouwd op de werf van C. P. Solm te Grouw, eigenaar is Tromp van Woudsend, kapitein Block. De kof; 4 Vrienden, gebouwd 1792, 86 voet, wijd 21 voet, komt in de veiling van 11-4-1808 te Lemmer, laatst gevoerd door kapitein Tjeerd-Tabes de Boer. 1833-43 kapitein op de kof 'Vrede.' is Wiersma, boekhouder S. W. Visser te Lemmer, 9-11-'1843 bij Callandsoog op de Franse bank gestrand en verbrijzeld, Van de bemanning van 8 man zijn de kapitein en 2 man gered.

Opnieuw een schip geveild te Lemmer 20-8-1803 de kof 'Vriendschap' te bevragen A. Witteveen. De reder Poppes, van Lemmer voerde ook een kof, kapitein J. R. Platte. Dit schip is in het buitenland afgekeurd. En der, grootste reders was Jan S. Visser, 1858 zijn bekende 'Aurora', 'Elsina', 'Jan Visser' en 'Tjalling Aurelia'; kapiteins Boon; Brouwer, Driest en Fekkes. Deze reder is in 1885 nog in het bezit van 2 schepen, hij is lid van het zeemanscollege 'Zeemanshoop' te Amsterdam, de vlag is rood met witte nummers en een wit anker, De laatste bark van Visser in 1888 is de '2 Gezusters'. Verbeek was in 1880 als reder nog in het bezit van de 'Aleida' en 'Maria' en de 'Johanna Margaretha', Dit laatste schip verkoopt hij in 1882 aan S. Spannenburg.

1803.

Van Amsterdam kwamen bijna alle contracten, 1890 is er geen n buitenvaarder in Lemmer, de stoomvaart kwam toen al behoorlijk op gang. De beurtschepen hebben het langer volgehouden, in het jaar 1710 is net octrooi verleend voor een veer naar Amsterdam; 2 diensten van Lemmer en 2 diensten van Amsterdam per week. In 1815 varen er 4 schepen op Groningen en 4 op Amsterdam, Stroobos 3, Joure, Sneek en Zwolle 2 schepen, Balk, Bolsward, Enkhuizen, Gorredijk, Heerenveen,Kampen, Sloten, Wolvega en Workum een dienst per week.

In 1801 Octrooi verleend aan Wiebe Jillings, van Lemmer naar Groningen. Zijn broer Harrit Jillings van Lemmer naar Stroobos. Zij woonden aan de Langestreek. Trijntje Jillings, dochter van Harrit, trouwt in 1811 met IJnte Kingma, mijn betovergrootvader.

In 1815 is op de lijst van bestelloon ondertekend door B. en W. van Amsterdam en Lemmer, o.a. het volgende: een pakje geld tot f 200,- kost f 2,-, grote reiskoffer f 2,-, een kist die gesleept moet worden f 8,-, bokkingmandjes de 100 f 13,-. Uit dit laatste blijkt dat de hangen ver voordat de visserij betekenis kreeg, al zaken deden met Amsterdam. Deze veerdiensten hebben dikwijls buitengewone zware reizen gemaakt.

Voor 1887 was de aanlegsteiger van de veerman in de buitenhaven, nu binnenhaven van Lemmer (zie foto). In Amsterdam was toen de aanlegsteiger aan de Prins Hendrikkade. Ten westen van de Sint- Nicolaaskerk, richting nieuwe brug naar het Damrak, vlakbij het kantoor liep de steeg naar de Zeedijk, toen het centrum van uitgaande zeelui en 'Lemsters', nu toeristencentrum om de dames achter de ramen te bewonderen.

Steiger 4 aan De Ruijterkade te Amsterdam.

Het open havenfront bestond toen nog. Het NS Centraal Station bestond nog niet. Eb en vloed was er tot aan 1876, toen de Oranjesluizen gebouwd zijn. De ouderen weten nog alles van de 'Lemmerboot' aan steiger 4 aan De Ruijterkade. Amsterdam was voor de Joden voor 1940 Mokum, de 'Stad Lemmer' was een voorhaven van Amsterdam.

Velen uit het noorden werkten in de Randstad. Romantiek 's nachts op de boot, 's morgens om 5 uur in Amsterdam, om 7 uur beginnen ze 's maandags, kom daar nu eens om! Het boek 'De Lemmerboot' van Wielenga schrijft daar voortreffelijk over. Om de 'Jan Nieveen' voor Lemmer te bewaren, hebben heel wat mensen hun best gedaan, maar helaas is dit niet gelukt. Deze schepen en de bedrijven, en het aanzicht hiervan leeft nog steeds in mijn fantasie, ook de nadelen van de goede oude tijd? In Lemmer is plm. 1869 een bank van lening opgericht (Ome Jan). Boekhouder Ferber, schatter J. K. de Jong, in 1895 -oudejaarsdag f 49,60 beleend, 3 dagen rente 1%, erg als men bedenkt dat de maand december het aanbod van goederen het grootst was. Een gouden oorijzer, waarde f 100,-, geschat f 75,-.

Bij mijn naspeuringen heb ik ook gelezen dat F. Reijenga, schipper van het bunschip 'Mentor' is aangekomen met 10000 pond aal in Londen, een vaste aanlegplaats was het Custrumhouse aan de Themes in 1865. De handelaren van Heeg hebben tal van jaren deze tak bedreven.

Reijenga was een ver familielid van Jelle van het Lemster Sktsje. Ter geruststelling van de SKS schippers, dat Jelle niet van schippersafkomst is!.

In de dertigerjaren was dit ook afgelopen, n van de laatste reizen naar Londen was met Andries Bergsma (Okke) opstapper. Op de Polderdijk is dit schip nog opgetuigd bij Van der Neut.

H. Kingma.

1780

 


Sjoerd Jouwerts Stapert.

STAPERT (Sjoerd), geb. in de Lemmer 9 Nov 1735, overl. aldaar 6 Nov. 1816, was de derde of jongste zoon van Jouwert Stapert en Tetje Nannes. Hij was als zijn vader waterbouwkundige, aannemer en scheepsbouwer. In de Lemmer was hij bekend onder den naam Sjoerdbaas.
Hij was een warm patriot en werd 16 Juni 1795 in de grietenij Lemsterland tot lid van het bestuur der provincie Friesland gekozen.
Op 15 Juli 1795 werd hij door dat bestuur benoemd tot architect van 's lands werken in Friesland. Zijn zaken gaf hij aan zijn zoons over.
Dit bleef hij totdat de verdeeling van de Bataafsche republiek in provincin gewijzigd werd in een verdeeling in departementen. Hij kwam nu ingevolge besluit van het Uitvoerend bewind van 14 Juli 1800 in dienst der geheele republiek als commissaris-inspecteur van den waterstaat voor de departementen Eems en Oude IJsel, te zamen met J. Sabrier. Hij verkreeg Leeuwarden tot standplaats.
Deze betrekking heeft hij tot 1 Nov. 1803 vervuld, toen hij bij besluit van het Staatsbewind van 14 Oct. te voren buiten dienst gesteld werd en weder in de Lemmer ging wonen.
Hij huwde 20 Nov. 1757 Minke Barre, bij wie hij 2 zonen en 5 dochters had.

www.historici.nl

LEMMER - Oud rechter Rienk Wegener Sleeswijk hield op de donateuravond van It Lemster Sktsje een inleiding over Sjoerd Jouwerts Stapert, een Lemster op drift zoals Sleeswijk hem noemde. Sleeswijk is een Lemsterland-kenner bij uitstek. Zijn familie woonde indertijd in Andringastate aan de Schulpen en was eigenaar van de Houtmolen. Spreker vond het een eer om hier bij de sktsjeliefhebbers te zijn.

Sjoerd Stapert leefde van 1735 tot 1816. Dat was een roerige tijd met veel oorlogen. Van 1740 tot 1748 woedde de Oostenrijkse Successieoorlog. Na enkele jaren gevolgd door de zevenjarige oorlog. Verder kreeg men in die tijd te maken met Engelse zeeroverij.

Tot zijn veertigste was deze geweldig gekke Lemster een heel gewone man. Zijn vader Siebren was een succesvol zakenman, getrouwd met een Lemster meisje uit de gegoede stand. Hij had een touwslagerij, was reder en koopman. Sjoerd kreeg daar zijn opleiding die in 1756 voltooid werd met een reis naar Riga als afsluiting. Het was de tijd dat de Engelsen Nederlandse schepen roofden en uit die tijd hield Stapert een diepe afkeer over voor alles wat Brits was. Toch waren die oorlogsjaren een welvarende tijd. Zo lang er oorlog was en je zelf neutraal bleef kon er aan beide kanten verdiend worden.

Van het goudgeld dat in die oorlogen verdiend was werden een stuk of vijf luxere woningen in Lemmer gebouwd. In het huis aan het Turfland, nu bewoond door Piet Zandman, hebben twee generaties Sleeswijk gewoond. Daarna is het geschikt gemaakt om in tween bewoond te worden.

Sleeswijk vertelde van een tegeltableau van het lopen van Jezus over het water dat in de woning aan het Turfland zat. Dat werd er uit gesloopt en verkocht. Na jaren kwam het weer te koop en kwam in het bezit van de Ottema Kingma Stichting. Die heeft gezorgd dat het nu in het Prinsessehof in Leeuwarden is.

Sjoerd Stapert gaf veel gewicht aan zijn functie van diaken. Daarnaast was hij brandmeester, touwslager, scheepsreder en aannemer. Voor al deze zaken had hij veel werkvolk in dienst. Hij gedroeg zich als een eenvoudig, egalitair man die het met iedereen goed kon vinden. Zo gebruikte de familie Stapert die achternaam nooit. Dat was toen te deftig. Pas toen er contacten met Den Haag kwamen moest die naam er wel bij . Overigens moet die naam afgeleid zijn van een voermansroep Sta paard!

Het redersbedrijf van Stapert, bloeide vooral in de Amerikaanse Vrijheidsoorlog. In 1781 kwam de oorlog met Engeland. Sjoerd Stapert sloot zich aan bij de patriotten. De vrouw van stadhouder Willem V was een zuster van de Engelse koning. Men wantrouwde de stadhouder omdat hij als een halve Engelsman werd beschouwd. Sjoerd was dus antistadhouder. Hij werd kapitein van het Lemster exercitie genootschap. De anti Britse gezindheid van Stapert werd nog verergerd door de Engelse zeeroverij. Er was een vloot van Nederlandse schepen in konvooi onderweg naar een Franse haven. In Het Kanaal lag een eskader Engelsen te oefenen. Zij overvielen het konvooi en tweehonderd schepen met inhoud vielen in Engelse handen. Alleen een paar oude, eigenlijk al afgedankte schepen kwamen terug. Sjoerd had belang in elf van de verloren schepen.

 

Er is een akte waarbij Sjoerd Jouwerts Stapert en zijn compagnons verklaren dat zij voor de bouw van het oorlogsschip "Stad en Lande" de som van 139. 000 Caroli guldens van de provincie Friesland hebben ontvangen en dat daarmee hun aanspraken op betaling door de Staten-Generaal zijn vervallen.

Datering: 1787

NB: Zie tevens de Resoluties van de Staten van 17 december 1786, 16 maart 1787 en 11 mei 1787.

Omvang:Archiefnummer:5-Inventarisnummer:2702

Vindplaats: Tresoar (Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum)

En: Bouwtekening van het oorlogsschip Stadt en Lande

Op een werf in Harlingen liet de admiraliteit een groot schip bouwen. Ook Stapert bouwde een dergelijk schip voor de overheid. Er werd alleen naar het bouwen gekeken en niet naar de mogelijkheden om uit Harlingen weg te komen. De schepen liepen met de kiel in de modder vast en kwamen de haven niet uit. Er moest eerst gebaggerd worden. In 1783 waren de schepen klaar en de oorlog was voorbij. Het door Stapert gebouwde schip moest 400.000.gulden kosten. Het werd door de admiraliteit geaccepteerd maar de laatste 130.00,- gulden kreeg de reder niet meer. Dit sterkte hem in zijn opvatting dat het bestuur zo rot als een mispel was. Door een truc kwam het geld tenslotte toch nog binnen.

Als kapitein van het exercitie genootschap zou Sjoerd met 30 man Lemmer verdedigen tegen de Pruisen. Maar de Pruisen kwam niet. Zij kozen een andere weg naar Amsterdam. Reden voor Sjoerd om met zijn mensen naar Amsterdam te gaan om die stad mee te verdedigen. Ouderkerk aan de Amstel werd met succes verdedigd, maar Amsterdam wilde capituleren. Stapert, vond dat onzin maar werd verbannen. Hij vertrok naar Brussel en was welkom in Noord Frankrijk. Daar ging hij het bedrijfsleven weer in. Tenslotte kwam hij in een Koninklijke commissie terecht.

Na wat omzwervingen door Frankrijk ging Stapert in Duinkerken wonen. Van daaruit kon hij zijn rederij weer beheren. Bij dit alles werd Sjoerd vergezeld door zijn zoon Bareel?. In 1792 vertrok deze, terug naar Nederland. De vader volgde hem en ging in de richting van Zutphen. Hij en zijn metgezellen werden later als helden in Lemmer binnengehaald. Sjoerd werd provinciaal bouwmeester. In die functie kreeg hij te maken met het opruimen van familiewapens en dergelijke van de Friese Nassaus. Hij verhinderde daarbij niet dat alles, zelfs de graven van dat geslacht, kapot geslagen werd.

Door: Johannes de Vries.


● 1796. Onder leiding van de radicale patriot Sjoerd Jouwerts Stapert uit Lemmer werd in de grote kerk van Leeuwarden de grafkelder van de Friese Nassaus vernield, de kisten opengebroken en de beenderen, waaronder die van Willem Lodewijk en Maria Louisa door de kerk verspreid.

● 1797. De inval van de Engelsen, bij Lemmer, wordt door de bevolking (bij de brug te Follega, terug geslagen.

Zie ook: Familie Stapert.

 


De watersnood ramp van 3 en 4 februari 1825.

Een verslag van de gebeurtenissen in en rond Lemmer en de gemeente Lemsterland.

Bron: Een oud boek uit de oudheidkamer Het Lemster Fiifgea, genaamd: Geschiedkundig tafereel van den Watervloed en de overstromingen in de Provincie Vriesland 1825, geschreven in 1826 door J. van Leeuwen.

Bij n van mijn laatste bezoekjes aan de oudheidkamer 'Het Lemster Fiifgea' kreeg ik een oud boek in handen, dat geschreven is in 1826, vrijwel direct na de watersnood ramp van 1825. Hierin staat ten aanzien van Lemmer en de omliggende dorpen een uitgebreid verslag van de gebeurtenissen. Wanneer je langs de oude zeedijk van Lemmer naar Schoterzijl rijdt, kom je, hoewel ze langzaam aan het verdwijnen zijn, nog een aantal kolken tegen. Stille getuigen van de grote watersnoodramp van 1825. Op het stuk zeedijk van Kuinre naar Blokzijl zijn ze nog duidelijker aanwezig.

Nu terug naar het boek. In het najaar van 1824 waren er al diverse stormen en waren de inwoners van Lemmer bang, dat het paalwerk en de sluis (dat was de oude sluis bij vishandel Beljon) op den duur de fel gedreven zee niet zouden kunnen keren. Temeer omdat het water ten oosten van het dorp met zo'n een ontzettende kracht tegen de dijk aan joeg, door rollende stortzeen de kruinen van de dijk afbrokkelden en het dijklichaam verzwakte. Hele rijen palen werden uit de grond gerukt. Dit gebeurde op 20 december 1824. 'Bij een hevigen orkaan, waarbij alle gemoederen eenparig in schrik en vrees voor doorbraak deelden en mannenmoed en veler krachten werden vereischt om het nakend gevaar in den nood af te wenden.' Zo omschrijft J. van Leeuwen het. Je kunt je voorstellen, dat velen met grote angstgevoelens in de nacht van 3 op 4 februari bij een nieuwe storm, het opstuwende water gade sloegen.

Van Leeuwen schrijft: 'De bewoners van den Nieuwendijk (dit was toen nog de zeewering) werden eensklaps in den slaap gestoord en uit het bed gedreven, daar de zware golfslag. al reeds het achterste gedeelte hunner woning genaakte en op dezelve met geweld aandrong. Onder den heftigen storm steeg de vloed in den vrijdagmorgen van 5 uur af telkens met ieder uur enige duimen hooger en was te 9 ure tot 2 el 67 duim boven volzee gerezen (=2,03 meter), waardoor het water over de Schulpen stroomde en al spoedig naar de Lange Streek bezijden de sluis nederliep.' Tot zover het citaat.

De morgen was vol gevaar, want ten westen van de haven werd het paalwerk losgescheurd en tegen de huizen aan gesmeten. Stootte hierbij een muur en gevels aan stukken. Verschillende huizen werden hierbij geheel of gedeeltelijk verwoest, andere zwaar beschadigd. In de Wildeman stond het water 40 cm. hoog: de turfschuur, het washok en de gaanderij, werden binnen een uur weggeslagen, zodat men voor een instorting begon te vrezen, te meer, omdat het door vernieling van het paalwerk direct aan de zee was blootgesteld. De toestand van de dijk werd steeds zorgelijker. Ten westen van het dorp, aan het einde van de Nieuwedijk, (van Leeuwen noemt het: bij de taanderij), werd een gat in de glooiing van de dijk geslagen, met spoedig een doorbraak tot gevolg. Toch wist men de dijk hier te behouden en het gevaar te keren.

Bij de hoogste stand van de vloed in de middag stroomde het water over de klippen van de sluismuren heen. Het had een hoogte bereikt van 2,12 meter boven de normale vloed. Maar het ergste moest nog komen. Want, de in de herfst van 1824 toch al verzwakte dijk ten oosten van Lemmer (het stuk van Lemmer naar Schoterzijl) begaf het op 13 plaatsen, waarbij op 3 plaatsen diepe kolken geslagen werden en het water Friesland in stroomde. Hierdoor steeg het water in de Lemmer zo, dat in de morgen van 5 februari 1825 het water 90 cm op de Nieuwburen stond, zodat men naar de zolder moest om droog te blijven. Met boten werden de mensen van de zolders afgehaald; temeer omdat instorting gevaar aanwezig was.

Ook het huis van Grietman Jhr. A. A. van Andringa de Kempenaer, stond diep in de vloed en werd meer en meer bedreigd. Maar ook hier gold het gezegde: Een ongeluk komt nooit alleen. De Grietman, reeds lang ziek, vertrok naar Holland, naar den Haag (mogelijk om steun te vragen). Hij stierf aldaar.

Nu terug naar het wassende water: dit stond 2,1 meter boven het land in de omtrek. U kunt zich voorstellen wat dit voor de laag gelegen dorpen betekende. Zondag 6 februari draaide de wind naar het noordoosten en bedaarde de storm. Ook toen drong pas goed in Lemmer door wat de andere dorpen, met name Oosterzee en Echten, hadden doorstaan. Hierover later meer. Doordat de al eerder genoemde dijk in Overijssel (het stuk dijk tussen Kuinre en Blokzijl) het begaf , kwam het water van twee kanten op Lemsterland aan. Hierdoor steeg het water zo snel, dat op de rampdag 's avonds om 7 uur te Follega binnen een uur het water 1,30 m in de huizen stond en kort daarna al het land rond Follega en Eesterga 1,40 m onder water liep. Een ramp, wanneer je bedenkt, hoe men in die tijd gehuisvest was.

In de dorpen Oosterzee en Echten was het turfgraven nog in volle gang en de turfgravers, vaak mensen uit Schoterland en Overijssel (Giethoorn), woonden meestal in vlug in elkaar gezette huisjes. Aan de Gieterse vaart stonden er vele, waarvan er nog enkele overgebleven zijn. In het boek worden ook nog diverse staaltjes van menslievendheid genoemd, waarvan ik enkel met naam en toenaam wil noemen. Koopman en veenbaas Hendrik Raterman, welke aan de Oosterzeese brug woonde (Gietersebrug) en zelf door het water al zijn turf verloor, schade ongeveer 16.000,- gulden, in die tijd een heel hoog bedrag, nam op vrijdag een honderdtal mensen in zijn huis op en zaterdag nog eens 70. Al deze mensen werden daar enkele dagen verzorgd ten koste van de voorraad van hun gastheer (een veenbaas was vaak ook winkelier) Ook bij Jan Mast, kastelein aan de Nieuwe brug (tweede brug) onder Echten werden 70 noodlijdenden van voedsel voorzien en verzorgd.

Tevens is vermeld, dat Jelle Jacobs Kolk, boer onder Oosterzee en Arjen Jans, Schipper te Echten vele mensen gered en verzorgd hebben. Ook wordt er door Van Leeuwen melding gemaakt van een 'wonderbaarlijke' geboorte. Dit ging als volgt: Hendrik Huisman, turfgraver in de veenderij onder Echten, woonde met Margje Luitjen, welke hoogzwanger was, en hun vijf kinderen buiten de Polderdijk, niet ver van zee (mogelijk aan het zogenaamde 'wegje' tussen de Kooisloot en de Zeedijk)

Toen vrijdagmiddag het water over de dijk kwam en hun huizen en tenten binnen stroomde en 's avond zo hoog steeg, dat diverse huizen instorten, namen ze hun toevlucht in een turfpraam, een zogenaamde bok. Hierin werden 4 huisgezinnen, die tesamen uit 22 personen bestonden, opgevangen. Hendrik bracht met behulp van een buurvrouw en de vroedvrouw, die omdat zijn vrouw op het punt stond te bevallen, 's morgens uit het dorp was gehaald, zijn hoogzwangere vrouw in de bok, waarin zij al ronddobberend, omstreeks middernacht is bevallen van een levend kind.

De ellendige toestand van de vrouw is met geen pen te beschrijven: in stormweer in een open vaartuig, met daarin 21 lotgenoten, waarmee ze pas zaterdagmiddag te Echten aankwamen bij het huis van Harmen Kortland, veenbaas onder Echten. Getracht werd haar in huis te brengen. Doch dit was door het hoge water niet mogelijk, zodat ze noodgedwongen in de schuur op het hooi terecht kwam, van waaruit ze in een Somp (dat is een platgeboomd zeilvaartuig, zeer geschikt voor vaart op ondiep water) 's nachts naar Lemmer werd gebracht. Waar ze om vijf uur 's morgens aankwamen en waar zij voor het eerst goed verzorgd kon worden. Deze vrouw herstelde boven verwachting snel van haar ontberingen en keerde spoedig weer naar Echten terug. Het kind stierf jammer genoeg na enkele weken.

Ook worden er in het boek de namen genoemd van J. Propsma. S. Herres, B. P. de Jong, S.v. Leeuwen en de kasteleinszoon Breemer. Zij hebben veel mensen uit hun benarde positie gered. Verder worden nog bovengenoemde Huisman en J. G Sloothaak en G. J. Wind genoemd, die met de praam de Fam. Teunis Visser, van een wisse dood gered hebben. Het mag een wonder heten, dat er in de hele Grietenij niemand verdronk. Wel kwamen er 444 stuks vee om en werden bijna driehonderd huizen geheel of gedeeltelijk verwoest.

Alle turf op het land was weg en ook het hooi was onbruikbaar. Ook in de dorpen Eesterga en Follega, was het treurig gesteld. Overal ingestorte huizen en verdronken vee. Alleen in Follega verdronken er al meer dan honderd stuks. De totale waarde van de turf en het hooi, dat verloren was gegaan, werd geschat op f. 132.000,- . De waarde van de beschadigde en verwoeste huizen wordt niet genoemd.

Al met al een grote ramp. Tot zo ver het verslag van de watersnoodramp van 1825. In het boek wordt niet alleen Lemmer en omstreken, maar ook de andere gemeenten genoemd. Deze gebeurtenis, waarbij de helft van Friesland onder water liep en waarbij 17 mensen verdronken, zal veel armoede gebracht hebben. Het zou maanden duren voor het water weer weg was: er kon alleen bij eb afgestroomd worden, via de spuisluizen en bemaling van polders gebeurde toen nog door middel van windmolens.

Dit verhaal is bedoeld om aan te geven dat er in de Oudheidkamer van Lemmer veel meer te vinden is dan oude gebruiksvoorwerpen. Er zijn ook veel oude boeken, foto's, kaarten enz. Ook is er een mooie maquette over het turf maken. De turfmakers werden bij de ramp van 1825 zwaar getroffen. Zij woonden en werkten in het gebied, waar de meeste doorbraken waren: de toen zo geheten Veenpolder van Echten nu Bantega.

Jan. M. de Vries.

Zie ook: Geschiedkundig tafereel van den watervloed en ... - Google Boeken

Pentekening van de watersnoodramp te Lemmer 1825.


 Terug naar Inhoudsopgave.

Home

 

Bron: krantenberichten: Nieuwsblad van Friesland : Hepkema's courant

 

 


Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt of op andere wijze gebruikt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de samensteller.