|
1 |
Wieringermeerpolder |
|
2 |
Noordoostpolder |
|
3 |
Oostelijk Flevoland |
|
4 |
Zuidelijk Flevoland |
|
5 |
Lauwersmeerpolder |
|
6 |
Markerwaardpolder |

Plan van 1925 inzake de afsluiting en droogmaking der
Zuiderzee.

1 augustus 1930.


Het dichten van
afsluitdijk der Zuiderzee in mei 1932: met
grijperkranen. Eerst is een dijk gelegd van
Noord-Holland naar Wieringen; bij het aanleggen van de
grote dijk tussen Wieringen en Friesland begon men van
beide uiteinden naar het midden toe te werken. Het
IJsselmeerwater verzoette langzamerhand; haring,
ansjovis, spiering, bot en garnalen verdwenen. De
afgebeelde grijpkraan kan heen en weer zwaaien, op- en
neergaan. Thans staat op de afgebeelde plaats een
monument met als opschrift: Een volk dat leeft, bouwt
aan zijn toekomst.
Berichten Zuiderzeewerken;
7 november 1932 _Rijshout bij Lemmer
aangedreven.
Tusschen Lemmer en Kuinre is donderdag
een groote hoeveelheid rijshout naar schatting 2000 bos,
aangedreven. Dit hout is vermoedelijk afkomstig van
onlangs gezonken rijnaken, welke op weg waren naar de
Zuiderzeewerken.

Arbeiders bij Lemmer aan het werk met het 'rijshout' 2e
van rechts is Sake Visser, uit Lemmer.

Zuiderzeewerken-Lemmer.
16 augustus 1937 _Lemmer, de
Noord-Oostpolder en het Kanalenplan.
Burgemeester M. Krijger en gedeputeerde
S. W. de Jong vertellen, hun Lemsterlandse meening;
Niet het kanaal is primair, maar de
Noord-Oostpolder. Daarvan verwachten we groote en
directe voordeelen. Dit draagt ook een geheel ander
karakter dan het belang van het kanaal. Wat de
voordeelen van den polder betreft, daarop hebben we ook
enigszins recht. Immers Lemmer heeft als andere plaatsen
van de crisis te lijden gehad, maar daarbij kwam de
"gemaakte crisis" door de afsluiting van de Zuiderzee.
Hierdoor werden vele inwoners gedupeerd en van dezen
zijn er vertrokken naar Makkum, Harlingen en Wieringen,
waar ze de Waddenzee-visscherij zijn gaan beoefenen,
Sommigen zijn hier nog gedomicilieerd, maar ze werken
elders. Een ander deel werd echter bijna permanent
werkloos en kreeg steun volgens de Zuiderzeesteunwet.
Niet alleen werden de vissers gedupeerd, maar ook de
middenstand. Vroeger werd op den vischafslag per jaar
3-4½ ton verkocht, nu f 60,000. Hieruit ziet U welk een
slag dit is geweest voor de zakenlui.
Onze zakenlui (middenstand) zijn flinke
menschen. Hoewel ze geweldige schade hebben geleden,
hebben ze het hoofd boven water weten te houden. Maar nu
zijn de reserves ook uitgeput. Verder heeft de hoop, dat
spoedig betere tijden zouden aanbreken, hen ook gesteund
en nu de Zuiderzeewerken zijn begonnen, pakken ze weer
flink aan. Veel wordt opgeknapt, de uiterste inspanning
wordt betoond om de zaken op peil te brengen en deze
energie geeft goede hoop voor de toekomst. Toen de
werken aan de havens begonnen, werden 208 man aan het
werk gesteld, waarvan 100 werkloozen uit Lemmer.
Daardoor rolde er weer geld en voor de gemeente was het
ook een uitkomst, daar de werkloosheid snel afnam.
Thans werken er 350 man en 150 uit
Lemsterland, waaronder veel veenarbeiders. De visschers
konden als bakschippers weer aan den slag komen. Wel
zijn de loonen niet hoog, maar voldoende. De toestand is
nu zoo, dat in den zomer er geen werkloosheid meer is,
maar in den winter, als het werk buitengaats stil ligt,
zijn er zoveel te meer, daar vele arbeiders hier zijn
komen wonen. Dat stelt weer andere eischen aan de
werkverschaffing, maar we zijn bezig die te ondervangen.
Daarbij hebben we de meeste hulp van provincie en
regeering ondervonden. We zijn immers als gemeente zwaar
noodlijdend, 99 pct. steun ontvangen we van het Rijk,
maar onze groote werken zijn tot nu toe steeds
goedgekeurd. Er is een weg aangelegd van Wolvega naar
Lemmer, straks wordt die naar Gaasterland verbeterd. In
het dorp werd De Schans en de Nieuwburen verbeterd, op
het plan staan de Streek en de weg naar Gaasterland. De
weg naar Leeuwarden is ook verbeterd. Zoo zijn de
toegangswegen naar den polder tot Lemmer in orde
gebracht. Bovendien moest door de uitbreiding die
verwacht wordt ons uitbreidingsplan van 1922 geheel
herzien worden. Maar nu zitten we met het kanaal. In het
westen ligt een uitbreidingsplan, groot 2 H.A. tot den
te verwachten kanaalmond. In werkverschaffing zal dit
bouwrijp worden gemaakt. Het zand wordt aangevoerd van
St. Nicolaasga. Daardoor kunnen we den grond straks
uitgeven voor f 3,50 á f 4. Hiermee denken we in twee
winters klaar te komen en zoo willen we onze
seizoenwerkloosheid bestrijden. Ook terrein voor
industrie wordt hier gereserveerd. Is dit plan klaar dan
komt het oostelijk uitbreidingsplan aan de beurt. Ook
hier wordt industrie terrein open gehouden. Reeds nu is
3500 M2. verkocht aan de N.V. Basalt Maatschappij
Zaandam, die hier een bouwmaterialenhandel komt
vestigen. We verwachten trouwens veel meer industrie,
vooral de landbouwindustrie. Maar veel ligt nog in de
toekomst. Straks zal van den straatweg bij, of te zuiden
van Eesterga een aftakking komen, met een brug over de
Rijn en zoo aansluiten op den weg die den polder ingaat.
De weg is nog niet bepaald en daarom kan ons
uitbreidingsplan ook niet klaar komen. Als straks die
weg klaar is, zal Lemmer worden de poort van den polder.
Een secundaire weg komt langs den nieuwen dijk naar Urk
te loopen en zoo wordt Urk eigenlijk de voorhaven van
Lemmer, maar hierop komen we straks terug. De
aansluiting op Lemmer zal de beste worden, omdat Lemmer
prachtige wegen het achterland in heeft. Als daar dan
nog bijkomt, dat veel Friezen den polder binnengaan, zal
dat de aansluiting met Friesland bevorderen. De
commissie van Vijf (Sneek, Heerenveen, Weststellingwerf,
Hemelumer Oldephaert, Noordwolde en Lemsterland) gekozen
uit de 18 gemeenten die belang bij den polder hebben en
opgericht op initiatief van Ged. Staten, waarbij
toegevoegd zijn Gedeputeerde S. W. de Jong van Lemmer en
ir. Wouda, hoofdingenieur van den Provincialen
Waterstaat, zullen de belangen der provincie zooveel
mogelijk voorstaan. Natuurlijk dat de raad van
Lemsterland meer speciaal op eigen gemeente let. Zoo
denken we er over om straks een markt te Lemmer te
vestigen. We zien verder om naar maatregelen, om Lemmer
ook cultureel tot centrum te maken, door b.v. een
landbouwschool, een ambachtschool, enz. Dit zijn wel
geen dingen die vandaag of morgen aan de beurt zijn,
maar we hopen de ogen open te houden.
Of de polder een deel van Friesland wordt
kunnen we nog geen antwoord op geven, aldus burgemeester
Krijger. Maar wel wijst er veel op, dat ze het best bij
Friesland past. Van Kampen tot Blokzijl loopt een water
langs de grens van Overijssel, bij Schoterzijl sluit hij
reeds geheel aan bij het Friesche polderland. Economisch
en geografisch wordt het een Fries landschap. Een groot
stuk behoort reeds tot Lemmer. Dit is bepaald bij een
afzonderlijk wetje van 1922, toen de grens van Lemmer
ver in zee werd gelegd. Zoo zijn de sluisput en het
electrisch gemaal met het omringende gebied binnen
Lemmer gelegen. Men werkt dus nu nog binnen Lemmer.
We verwachten redelijkerwijs wel dat
Lemsterland straks aangewezen wordt als het burgerlijk
bestuur in de wordingsgeschiedenis van den polder. Maar
natuurlijk moeten we niet vergeten, dat Urk een
zelfstandige gemeente is en Schokland bij Kampen is
ingedeeld.
Zo heeft de inpoldering ook nieuwe
gezichtspunten naar voren gebracht. Over de oude
argumenten die voor Lemmer pleiten behoeven we niet uit
te weiden, die zijn genoegzaam bekend. Er is door den
afsluitdijk echter bij 1917, het eerste plan en in 1929,
het tweede plan, veel gewijzigd. Doordat er geen eb en
vloed meer is, is Stavoren niet meer vrij van ijs. Met
zuidelijken wind schuift daar het ijs bij de kust op,
net als bij Lemmer. Maar het Lemster ijs kwam van de
"Ketel" en in het vervolg is dit uitgesloten. Dan is de
dijk iets gewijzigd, zoodat het drijfijs niet op Lemmer
aankomt, maar rechtuit naar de kust drijft en daar wordt
opgevangen in het "Honzenest"
(Dit is de kom die komende vanaf de Prinses Magriet
sluis het IJsselmeer op meteen stuurboord uit ligt.
Onder de kust loopt de diepgang langzaam terug. (Of te
wel een baai in de kust).
Zoo kan zelfs bij strenge winters met ijsbrekers zeker
een vaargeul overblijven en open gehouden worden langs
den nieuwen dijk. Maar mocht dit toch dicht raken, dan
hebben we Urk nog. De polderkanalen worden bevaarbaar
voor schepen van 300 ton en de meeste schepen die onze
kanalen bevaren, zijn kleiner. Is Lemmer gesloten dan
kunnen ze binnendoor naar Urk en zoo is Urk onze
voorhaven. Bovendien is er veel vaart op de "Ketel". De
kleine schepen zullen in den winter niet graag buiten
willen. Ze zullen door den polder gaan, bij de Lemmer
schutten en zoo het kanaal door door Friesland nemen.
Zou dit bij Stavoren uitkomen, dan moeten ze nog een
stuk IJsselmeer nemen vlak langs de kust. Bij al de
voordeelen voor Lemmer, korter en goedkooper komen bij
deze punten ook nog een woord van meespreken, en voor de
schipperij niet de minste.
Ik blijf dan ook aldus burgemeester
Krijger, zeer optimistisch. In elk geval gaat Lemmer een
hoopvolle toekomst tegemoet, en dat heeft Lemmer ook
verdiend, nu het zo kranig door de crisis is heen
gekomen.
Geduputeerde de Jong deelde mee, dat de
vorige minister reeds een besluit had genomen, dat
evenwel door Friesland en Groningen nog besproken moest
worden. Nu er een nieuwe minister aan het bewind was
gekomen, zijn er weer nieuwe onderhandelingen begonnen.
Veel meer dan de buitenstaander vermoedt, zit aan beide
kwesties, polder en kanaal, vast. De zaken zijn
buitengewoon ingewikkeld en in dit stadium wilde de Jong
zich niet verder uitlaten over een en ander. Wel sprak
hij zijn verwondering uit, hoe men in Den Haag het werk
bij Lemmer had ingedeeld bij de arbeidsinspectie van
Deventer en niet bij die van Lemmer. Dat is weer
ambtenarij. Dat Urk en Schokland daarbij ingedeeld
werden is nog te begrijpen, maar dit werk ligt op
Lemster grondgebied. Ook over de groei en bloei van
Lemmer was deze Gedeputeerde niet zo optimistisch als de
burgemeester, al sprak hij de wens uit, dat deze gelijk
mocht krijgen.
Hij verwachtte het economisch en
cultureel centrum midden in den nieuwe polder, die naar
hij dacht het best in twee gemeenten verdeeld kon
worden, hoewel hij toegaf dat het een geografisch geheel
was, dat het meest zal overstemmen met de agrarische
provincie Friesland.
Terwijl er op den wal zoo over de
toekomst werd gesproken, werd daar buiten den dijk
onafgebroken aan het heden gewerkt. Daar had men weer
andere zorgen en moeiten en jaren zullen voorbij gaan,
voor de plannen van de havenbewoners in daden kunnen
worden omgezet. Maar gelijk dit werk, naar we hopen, tot
een goed einde gebracht zal worden, zoo zullen ook
straks die andere plannen eens tot een beslissing komen.
14 oktober 1936 _De N.O.-polder in
wording. Bedrijvigheid bij Lemmer.
De Maatschappij tot Uitvoering van
Zuiderzeewerken is nog slechts eenige weken met het
maken van een aanleghaven en opslagterrein bezig en nu
reeds is een deel van dit terrein boven de waterspiegel
verrezen. Twee baggermolens zorgen voor het op diepte
brengen van de werkhaven (3.40 M. - N.A.P.) en een derde
baggert de sluisput, waarvan de diepte op 9.75 M.
beneden N.A.P. is bepaald.
Een hijschkraan zorgt voor het aanleggen
van een keileemdam, welke om het geheele opslagterrein
wordt heen geworpen en thans de toekomstige dijken om de
sluisput opwerpt. Het benodigde rijshout voor de
zinkstukken wordt iedereen dag aangevoerd en inmiddels
is men reeds begonnen met het maken hiervan. De keileem
wordt gebaggerd onder de Gaasterlandse kust en het zand
noodig voor het opslagterrein wordt westelijk van de
buitenhaven gevonden. Een zandzuiger van geweldige
capaciteit zorgt voor het opspuiten van het terrein.
Het is een groote bedrijvigheid
eenerzijds door 't wegbrengen van opgebaggerden grond en
anderzijds door het aanvoeren van zand en keileem.
Sleepboten en baggerbakken schieten in bonte mengeling
door elkander heen en het getoeter van de stoomfluiten
wordt afgewisseld door het stampen en kreunen van de
machines en kranen. Het lied van den arbeid klinkt op
uit zee, waar de nieuwe grond reeds boven den
waterspiegel verrijst, en slechts korten tijd geleden de
visscherman nog zijn netten plaatste.
Neringdoenden profiteerden in meer of
mindere mate van deze werkzaamheden en verschillende
personen, die tot voor kort nog periodiek werkloos
waren, zijn nu weer aan den slag.
Het aspect van de zee voor Lemmer
verandert thans iederen dag.
22 oktober 1937 _Ongeval bij de
Zuiderzeewerken.
_ Lemmer,
Bij het lossen van basaltsteenen op het
afslagterrein aan de werkhaven had de arbeider F. Deinum
het ongeluk, bij het afhaken van een zwaren bak, beladen
met deze steenen, den inhoud tegen zijn beenen te
krijgen. Beide beenen bleken te zijn gekneusd en
geschaafd, zoodat geneeskundige hulp moest worden
ingeroepen. Deze werd verleend door dokter L. Olivier.


3 juni 1938
9 juli 1938 _Ongeval bij de
Zuiderzeewerken.
_ Lemmer,
Bij de Zuiderzeewerken te Lemmer had
hedenmorgen een vrij ernstig ongeval plaats. Toen de
boot, waarmee de arbeiders des morgens naar hun werk
worden vervoerd aan den steiger zou worden gemeerd, had
een van hen, de arbeider Verhoeff, wonende te Echten,
het ongeluk met zijn rechterbeen in 'n lus van den
staaldraad beklemd te raken, zoodat dit lichaamsdeel
zeer ernstig verwond werd. De getroffene is, na
aanvankelijk door dr. W. Knufman Ansing te zijn
behandeld, naar het ziekenhuis te Heerenveen vervoerd.
De aan de Zuiderzeewerken bij Lemmer
toegebrachte schade.
12 oktober 1938
_Omtrent
den omvang der aan de Zuiderzeewerken te Lemmer in de
vorige week toegebrachte schade loopen de geruchten en
mededeelingen nogal uiteen. Om hieromtrent nader te
worden ingelicht, hebben we ons met de hoofdopzichter
dier werken in verbinding gesteld.
Zooals bekend, is er in den nacht van
Maandag op Dinsdag veel materiaal losgeslagen, terwijl
een der kranen en een zandzuiger gezonken zijn. Ofschoon
dit natuurlijk wel schade beteekent, welke echter door
de verzekering gedekt wordt, was dit niet het
voornaamste. Die is in hoofdzaak geleden aan den
polderdijk in aanleg. Vooral aan den binnenkant, dat is
aan den zuidkant, dus aan den kant van de toekomstigen
Noordoostpolder hebben wind en water heel wat schade aan
den dijk aangericht. De wind stond er recht op. En
sedert de Zuiderzee IJsselmeer geworden is, is het
water, tengevolge de verzoeting, heel onstuimig
geworden.
We mogen er in dit verband wel eens op
wijzen, dat er velen zijn, die in de meening verkeeren,
dat nu de "zee" in een "meer" is veranderd, ze ook dit
meer, als andere kunnen bevaren met kleinere scheepjes.
Laten ze, voor het te laat is, er op rekenen, dat die
meening een absoluut verkeerde en zeer gewaagde is.
Die onstuimigheid van Het IJsselmeer
heeft dan ook op den dijk flink huisgehouden, vooral in
het gedeelte tusschen het ten Zuiden der haven gelegen
sluitgat en de bocht in den dijk, liggende ongeveer
tegenover het provinciaal stoomgemaal, dat is over een
lengte van drie á vier kilometer. Hier zijn groote gaten
in den dijk geslagen en de steenbekleeding heeft veel
geleden. Van het bloksteenen pad, dat langs den voet van
den dijk loopt, is maar weinig overgebleven. De cementen
bloksteenen zijn voor een groot deel in het water
verdwenen. Ook is er een groot deel van de
keileembedekking van den dijk weggespoeld. Naar het
heette had ook de kop van den dijk veel geleden, maar
dat is meegevallen.
Van de 10 km dijk, welke gelegd moet
worden, lag er voor den storm ongeveer 9100 meter boven
water. De keileemdammen nu zijn ongeveer 100 meter
ingekort, terwijl het z.g. zuigerstort meer heeft
geleden; hiervan is ongeveer de helft weggeslagen. Doch
deze schade kan men vrij spoedig te boven komen. In
tegenstelling met de hier oorspronkelijke meening, dat
het dijkvak dit jaar wel niet gereed zou komen, vernamen
we dat er toch ernstig over gedacht wordt het werk weer
met kracht op te vatten om te trachten de aangenomen 10
km wel klaar te krijgen, behoudens dan de daarna nog
noodige afwerking.
Maar dan toch zoover dat het groote
materiaal hier niet behoeft te blijven of het volgend
voorjaar niet weer naar hier behoeft te worden gebracht.
Ter vervanging van het gezonken materiaal zal er dan een
andere kraan en zandperszuiger worden aangevoerd. Maar
dan moet het weer toch ook nog wel wat willen meewerken.
Als deze tegenslag er niet geweest was, dan was men over
enkele weken zover geweest; nu zal het half November
worden. Terwijl de gewone werkzaamheden dan dus
voortgang vinden, wordt een gedeelte der werkkrachten
met de herstellingswerkzaamheden belast. Van de in de
vorige week aanvankelijk ontslagen arbeiders is er dan
ook al weer een deel te werk gesteld.

Vissersschepen en een zandzuiger.

24 april 1939 _De Zuiderzeewerken bij Lemmer. Twee
heistellingen in den sluisput, welke thans geheel droog
ligt. Er moeten in totaal ongeveer 3000 dennen palen,
ter lengte van 8 tot 14 meter, geheid worden. De put is
thans tot een diepte van 11 meter onder den zeespiegel
uitgegraven.

20 mei 1939 _ De Zuiderzeewerken bij Lemmer, de
onderbouw van het elektrisch poldergemaal. Hier wordt
druk getimmerd aan de houten modellen, die straks in
beton worden gegoten de z.g. slakkenhuizen. Het gemaal
zal straks drie aan elkaar onderling gelijke pompen
bezitten. Het onderste deel van elke pomp bestaat uit
een zuigtuit, die door een verticaal schot in tweeën is
gedeeld en welke de verbinding vormt van den zuigmond
met het bovendeel van de pomp, n.l. het bovenbedoelde
slakkenhuis. Dit laatste heeft zooveel onder als boven
een cirkelvormige opening; onder de onderste sluit de
zuigtuit aan: de bovenste dient tot het inbrengen van de
waaier, voor het omhoog voeren van het water en gaat
verder over in de naar buiten gerichte persbuis.

4 oktober 1939 _ De burgemeester van Lemsterland, mr. M.
Krijger, en zijn collega te Urk de heer G. Keijzer,
drukken elkander de hand boven het pas gedichte gat.
Klaas Postma,
stuurde een mooi aanvulling op: Het gaat hier om de
afsluiting van de dijk van de Noordoostpolder, waar de
burgemeesters van Lemmer en Urk, elkaar de hand geven en
waar de LE9 van Kingma (tot 1939 LE8 de Blaauw) voorbij
komt zeilen.
Polygoonbeelden
8 april 1940 _ Ongeval bij de
Zuiderzeewerken.
Lemmer _
De heer L. de Blaauw te Lemmer, die
bakschipper is bij het kanaalbaggeren van de M.U.Z.,
werd bij zijn werkzaamheden aan het hoofd getroffen door
een losgeschoten lier. De diepe wonde welke hierdoor
ontstond, bloedde zoo hevig, dat men ijlings de dokter
heeft ontboden. Daar het ongeval op zee gebeurde, duurde
het vanzelfsprekend nog geruimen tijd, eer geneeskundige
hulp kon worden verleend. De doktoren Van der Poll en
dr. W. Knufman-Ansing hebben den man behandeld en de
wonde met een flink aantal krammen gehecht. Het
slachtoffer is met een motorbootje naar Lemmer gevoerd.
Naar omstandigheden maakt de heer de Blauw het thans
goed.

28 maart 1940 _ Doodelijk ongeval bij de
Zuiderzeewerken.
Lemster arbeider bij Blokzijl verongelukt.
Lemmer _
Gistermiddag om ongeveer kwart over één
is den 60 jarigen arbeider Jolle de Boer (schuitevaarder)
van Lemmer bij de Zuiderzeewerken te Blokzijl, voor de
ogen van zijn zoon omgekomen,een doodelijk ongeval
overkomen. De heer de Boer was sinds gisteren werkzaam
bij het kanaalbaggeren aldaar. Toen hij zich op een van
de sleepboten bevond, werd hij door een der werktuigen
plotseling overboord geslingerd. Men slaagde erin, het
slachtoffer binnen twee minuten weer aan boord te
krijgen. De man was echter met zijn hoofd tegen de
sleepboot gestooten, waarbij hij zeer ernstig werd
gewond. Hij gaf dan ook geen teeken van leven meer.
Waarschijnlijk is hij tengevolge van een
schedelbasisfractuur bezweken. Jolle geboren op 8
februari 1880, was een zoon van Tjitze de Boer en Afke
Sipkema, en was in 1904 gehuwd met Aaltje Kruis, te
Lemsterland.

8 juli 1940 _ De in aanbouw zijnde sluis, waarvan het
betonwerk binnenkort gereed zal zijn.

24 september 1940 _ Een scheepje zoekt z'n weg naar de
haven. Naast die haven ligt de werkhaven voor de
Zuiderzeewerken en dáár weer naast het opslagterrein,
waar later misschien nieuwe bedrijven zullen staan.

5 maart 1941 _De Markerpolder had grooter geweest
wanneer het plan van 1925 was gehandhaafd. Volgens
laatstgenoemd plan zou deze polder een oppervlakte van
55.00 ha. hebben gekregen. Hetgeen dus een kleine 7000
ha. grooter zou zijn geweest dan de Noordoostpolder,
waarvan het eerste nieuwe land nu wel spoedig zichtbaar
zal worden. Het hierbij afgedrukte tekeningetje dat
allerminst aanspraak op een groote nauwkeurigheid wil
maken, tracht zoo ongeveer voor te stellen, hoe de vorm
van den Markenpolder zal worden. De stippellijn geeft
den vorm aan van het plan 1925. En zoo is Nederlands
derde Zuiderzeepolder thans in voorbereiding. Zoo zullen
waarschijnlijk binnenkort opnieuw zware dijken groeien
en rookpluimen van een machtig werk opstijgen in weer
een anderen hoek van de oude Zuiderzee.
20 november 1941 _ Ongeval bij de
Zuiderzeewerken.
Lemmer
_Bij den sluisput alhier waren
hedenmiddag eenige arbeiders bezig met het lossen van
basaltblokken uit een schip. Deze blokken werden in een
ijzeren bak naar boven gedraaid door een stoomlier en
daarna overgeheveld naar de plaats van bestemming.
Doordat een draad van het hijschtoestel brak vielen de
zware basaltblokken van boven uit den bak, waardoor de
arbeider S. uit Oosterzee, die in het schip stond werd
getroffen en zoodanig werd gewond, dat hij in
zorgwekkenden toestand naar het ziekenhuis moest worden
overgebracht.

Zuiderzeewerken-Lemmer.

Zuiderzeewerken-Lemmer.

Zuiderzeewerken-Lemmer.

Zuiderzeewerken-Lemmer.




Zuiderzeewerken-Lemmer.
Amsteldiepdijk 1920-1924
In juni 1920 werd het eerste deel van het
werk aanbesteed: de aanleg van de 2,5 kilometer lange
Amsteldiepdijk van Noord-Holland naar het eiland
Wieringen. Bij dat project werd nuttige ervaring
opgedaan die later van pas kwam bij de aanleg van de
Afsluitdijk.
OP 31 juli 1924 was de dijk, met een
lengte van 2½ kilometer, gereed. Hij vormde de eerste
stap tot de inpoldering van de Wieringermeer en de
afsluiting van de Zuiderzee. Deze dijk (op Wieringen ook
wel aangeduid als de Korte Afsluitdijk) Aan de aanleg
van deze dijk werd + 4 jaar gewerkt. Toen hij werd
gesloten, betekende dat het einde van het eiland
Wieringen.

Wieringen op de achtergrond zichtbaar.

De sluiting Amsteldiep. Wieringen met het vaste land
bijna tot stand gebracht.
Proefpolder Andijk 1927.
Eén van de doelstellingen van het
Zuiderzeeproject was landaanwinning, vooral ten behoeve
van de akkerbouw. Daarom wilde men weten hoe de grond in
een drooggemalen polder zich ontwikkelde, en hoe de
zoute gronden in cultuur gebracht konden worden. Om die
reden werd bij het dorp Andijk, tussen Enkhuizen en
Medemblik, een proefpolder aangelegd. De oppervlakte van
de polder bedraagt 40 ha en op 28 juli 1928 is de polder
als grondgebied aan Andijk toegevoegd. In deze
proefpolder bestudeerde men diverse aspecten die voor
een optimale benutting van de grond van belang waren,
zoals ontzilting, inklinking en opdroging. Ook werden
proeven genomen voor de beste manier van grondbewerking
en de keuze van de meest geschikte gewassen. De
oppervlakte van de polder bedraagt 40 ha en op 28 juli
1928 is de polder als grondgebied aan Andijk toegevoegd.
Wieringermeer 1927-1930.
De polder was rond het jaar 1000 nog
gewoon land, er was zelfs meer land dan zoals de polder
is ingepolderd. Niet geheel duidelijk is of het behoorde
bij de gouw Texla, of dat Wiron een afzonderlijke gouw
was. Door de stormen van onder andere 12e eeuw was het
gebied onder water gelopen en onderdeel van de zee
geworden. De stroomgeulen van het Ulkediep en Amsteldiep
liepen door het gebied. Deze werden reeds in 1924
afgesloten met een dijk die het eiland Wieringen verbond
met het vasteland. Met de aanleg van de
Wieringermeerpolder werd in 1927 begonnen. Bij het
droogmaken werd gebruikgemaakt van een elektrisch
gemaal, nabij Medemblik. De start van de
bouwwerkzaamheden was in februari 1928. Ten zuiden van
Den Oever op Wieringen is gemaal Leemans gebouwd, een
dieselgemaal met een tweetal pompen van 250 kubieke
meter per minuut. Gemaal Lely had drie pompen van 400
kubieke meter elk. Op 10 februari 1930 werden de pompen
in gebruik gesteld om 6 miljoen kubieke meter water
buiten de dijken te krijgen.
Volgens het oorspronkelijke plan zou de
polder pas worden aangelegd als de Afsluitdijk zou zijn
voltooid. Maar omdat Nederland grote behoefte had aan
landbouwgrond werd de aanleg versneld. De nieuwe polder
bestond voor het grootste gedeelte uit akkerland.
In de Wieringermeer werden vier dorpen aangelegd. De
centrumplaats is Wieringerwerf, in het zuiden ligt
Middenmeer, in het westen Slootdorp en in het oosten
Kreileroord. De polder bestaat voor het grootste deel
uit akkerland, gesymboliseerd door het beeld De Maaier
in het centrum van Wieringerwerf.
De Wieringermeer werd een soort proefpolder voor de
inrichting van het nieuwe land en de opbouw van een
samenleving. Hiervoor had de proefpolder Andijk immers
niet genoeg ruimte geboden. De dijk moest nu in de
Zuiderzee worden aangelegd, en moest ook zwaarder worden
uitgevoerd. De polder was feitelijk geen
IJsselmeerpolder, maar een Zuiderzeepolder (de
zogenaamde Noordwestpolder). Op 21 augustus 1930 viel de
polder droog. Vanaf 1934 werd het nieuwe land in cultuur
genomen. De uitgifte van land gebeurde hierbij voor het
eerst via de overheid. Deze wilde de problemen die waren
ontstaan in de eerste jaren na de drooglegging van de
Haarlemmermeerpolder voorkomen (vooral particulier
initiatief, waarbij veel armoede bestond en zelfs
malaria uitbrak). De kavelgroottes voor nieuwe boeren
werden door de machtige Wieringermeer directie bepaald
op 20 hectare en uitgegeven middels een pachtsysteem.
De kennis, opgedaan in de Wieringermeer,
kon bij de latere, grotere polders worden benut.
De dijk rondom de Wieringermeer was zo sterk dat zij ook
stand zou houden als de Afsluitdijk, die toen nog in
aanleg was, zou doorbreken. Toch werd, ter
geruststelling van de nieuwe inwoners, midden in de
polder een vluchtheuvel aangelegd, de laatste terp die
in Nederland is opgeworpen. Vijftien jaar later bleek
deze vluchtplaats onverwacht van groot belang.
Op 17 april 1945, vlak voor de bevrijding, bliezen de
Duitsers in het noorden van de Wieringermeer de dijk op.
Meer dan 700 miljoen kubieke meter water overspoelde de
polder. Een groot deel van de gebouwen werd verwoest.
Acht maanden later, op 11 december 1945, was de polder
weer geheel drooggemalen.
Afsluitdijk 1927-1932.
De aanleg van de Afsluitdijk was het
belangrijkste onderdeel van het Zuiderzeeproject. In
1927 begon men aan de noordoostpunt van Noord-Holland en
het in westen van Friesland tegelijkertijd met de
aanleg. Op 28 mei 1932 werd het laatste sluitgat
gedicht. Hiermee veranderde de Zuiderzee in IJsselmeer.
De Afsluitdijk is dertig kilometer lang. In 1933 kon de
weg over de dijk voor het verkeer worden opengesteld. De
geplande treinverbinding is er echter nooit gekomen.


Aanleg afsluitdijk.

Spuisluizen in aanbouw, circa 1930.
Noordoostpolder.
Herkomst plaatsnamen in de gemeente
· Emmeloord ontleent zijn naam aan het dorpje op de
noordpunt van het voormalige eiland Schokland.
Dit eiland lag in de Zuiderzee. Het dorpje heette
vroeger (1478) Emelwerth. Eem, het eerste deel van Emel-,
komt van het Germaanse ami, een algemene aanduiding voor
een natuurlijk waterverloop. Werth betekent terp. Vanaf
1650 zien we echter dat de naam omgezet is naar Emeloirt.
Oirt (door de i achter de o spreek je het uit als oort)
betekent punt, net als in Dinteloort en IJoort (later
IJdoorn). De overgang van werth naar oort heeft
waarschijnlijk te maken met de afbrokkeling van het
eiland Schokland. Daardoor was Emelwerth steeds minder
een terp (heuvel in het land) maar kwam steeds meer op
de punt (oirt) van het eiland te liggen.
· Ens is zodoende ook aan zijn naam gekomen, het is
genoemd naar het zuidelijke deel van het eiland
Schokland. De woonkernen Middelbuurt en Zuidert vormden
samen Ens, welke in 1859 werd ontruimd, toen het wonen
aldaar te gevaarlijk werd.
· Bant is genoemd naar het dorpje Bantega, dat vroeger in
Lemsterland lag en waarschijnlijk door de zee verzwolgen
is. In Lemsterland heeft men overigens na de oorlog de
naam Bantega gegeven aan een voormalig onderdeel van het
dorp Echten.
· Creil is ofwel vernoemd naar een zandbank in de
voormalige Zuiderzee bij Staveren, ofwel naar het
Creiler Woud.
· Espel is ook de naam geweest van een dorp, dat eenmaal
ten noorden van Urk lag. Dit verdwenen dorp komt in de
historie ook onder de namen Espelbergh en Espelo voor.
· Kraggenburg heeft zijn naam ontleend aan de vroegere
vluchthaven aan de uitmonding van het Zwolse diep. De
lichtwachterwoning, het eindpunt van een lange leidam,
is na de inpoldering niet afgebroken en staat thans in
het nieuwe land.
· Luttelgeest werd genoemd naar een plaatsje, dat eenmaal
bij het toen zeer in aanzien zijnde Kuinre lag.
· Marknesse is genoemd naar Marcnesse of Marenesse, een
dorp dat volgend de kronieken eenmaal in de buurt van
Urk en Schokland heeft gelegen.
· Nagele is een naam, die toen de Noordoostpolder
ontstond, nog niet verdwenen was. Oude Zuiderzeevissers
beweerden wel, dat ze hun netten scheurden aan de
restanten van de plaats Nagele (op oude kaarten
voorkomend onder de namen Naghele en Nakala) die eenmaal
tussen Urk en Schokland lag. Bijgelovige zeelui hoorden
er bij stormweer zelfs de klokken van de door de zee
verwoeste toren luiden.
· Rutten is afgeleid van Ruthne, een dorp dat in de 14e
eeuw nog ten noorden van Urk moet hebben gelegen.
·
Tollebeek als laatste lag vroeger in de buurt van Urk,
de plaats is een stedenband aangegaan met Tollembeek te
België.
Oostelijk Flevoland 1950-1957
Oostelijk Flevoland
is de derde droogmakerij (of polder) die is aangelegd in
het kader van de Zuiderzeewerken, en is heden onderdeel
van de Nederlandse provincie Flevoland. Oostelijk
Flevoland wordt omgeven door: het Ketelmeer, het
Vossemeer, het Drontermeer, het Veluwemeer (de
randmeren), de Knardijk en het IJsselmeer.
De droogmaking van Oostelijk Flevoland
begon in 1950. Zeven jaar duurde het in totaal: het
maken van een ringdijk en het droogmalen van het
ingesloten gebied. Met 54.000 hectare land is Oostelijk
Flevoland tot op heden de grootste Nederlandse polder.
In februari 1953 werd de bedijking van Oostelijk
Flevoland tijdelijk stilgelegd vanwege de watersnoodramp
in Zeeland. Personeel en materieel van de Dienst der
Zuiderzeewerken werden ingezet voor herstelwerkzaamheden
aan de dijken op Schouwen-Duivenland. In december 1953
keerden ze terug naar Oostelijk Flevoland.
In Oostelijk en Zuidelijk Flevoland was het winnen van
landbouwgronden niet langer het voornaamste doel van de
inpoldering. Huisvesting en recreatiemogelijkheden voor
mensen uit de overbevolkte randstad waren nu
belangrijker. En de hoofdstad van Flevoland Lelystad is
genoemd naar de bedenker van plannen Lely.

De inpoldering omstreeks 1950 in Oostelijk Flevoland.
Zuidelijk Flevoland 1959-1968.
Twee jaar na de drooglegging van
Oostelijk Flevoland begon men met de aanleg van de
volgende polder. In het zuidelijk deel van het
IJsselmeer werd een nieuwe dijk aangelegd, die aansloot
op de dijk rond Oostelijk Flevoland. Na het droogpompen
ontstond zo in 1968 Zuidelijk Flevoland. De nieuwe
polder was ongeveer 43.000 hectare groot.
Vanwege de gunstige ligging ten opzichte van de Randstad
had Zuidelijk Flevoland een grote aantrekkingskracht.
Velen verhuisden naar de nieuwe polder. Met name de
nieuwe nederzetting Almere groeide in snel tempo, tot
bijna 120.000 inwoners in 1997. Het is daarmee op dit
moment verreweg de grootste gemeente van de provincie
Flevoland, en een van de twintig grootste steden van
Nederland.





Zie ook
Het
Urkerland valt droog
Gerard
Werkman
Home