Zuiderzee en Polderwerk

 

 

In het Subatlanticum bestond er hier reeds een merencomplex en het werd rond de jaartelling door Romeinse auteurs Lacus Flevo (Flevomeer) genoemd. Dit merencomplex was toen nog relatief klein en stond in verbinding met de zee door een riviermonding of misschien een nauwe zeearm, waarschijnlijk het Vliestroom kanaal, tussen wat later de eilanden Vlieland en Terschelling zouden worden. Het Marsdiep was toen nog een riviermonding (fluvium Maresdeop). In deze periode stond de Zuiderzee nog bekend als Aelmere. Gedurende de vroege middeleeuwen begon dit te veranderen. Onder invloed van de warme periode van 800-1200 steeg het zeeniveau. In 838 was er een eerste grote overstroming, waarbij volgens twee bronnen een groot aantal plaatsen werd verwoest. Daarna bleef het ruim twee eeuwen rustig.

De definitieve klap kwam met een serie van stormen in de 12e en vooral 13de eeuw, waarbij grote delen van het het veenland wegsloegen. Het begon met de Julianavloed in 1164. Na de overstromingsrampen van 1212, 1214 en 1219 (eerste Sint Marcellusvloed) en 1248 brak het zeewater in het Almere in, waarbij naar verluidt de duinenrij bij Callantsoog werd weggeslagen. De natuurlijk ontstane barrières waren gebroken. Uit het binnenmeer was een binnenzee ontstaan. Na de stormramp van 1282, waarbij de verbinding tussen Texel en het vasteland wordt doorbroken, en de desastreuze Sint Luciavloed in 1287, waarbij vele tienduizenden doden vielen, was dit proces voltooid en kwam de naam Zuiderzee algemeen in zwang.

De overlevende bewoners van het omliggende land maakten er het beste van en werden actief in de handel. Handelsschepen bevoeren de zee; havensteden als Kampen en Harderwijk behoorden tot de Hanze, en via de Zuiderzee voeren VOC-schepen naar Hoorn en Amsterdam. Ook werd er volop gevist. In 1900, toen de Zuiderzeevisserij op haar hoogtepunt was, waren er zo'n 3000 platbodems actief waarmee werd gevist op haring, ansjovis, paling, bot en garnalen.

Keerzijde waren de voortdurende overstromingen, waarbij regelmatig veel slachtoffers vielen. Veel voormalige vissersdorpen rond de vroegere Zuiderzee kennen een monument voor vissers die niet van zee terugkeerden.

In de loop van de negentiende eeuw rees het plan de Zuiderzee helemaal of gedeeltelijk in te polderen. Voor de internationale handelsvaart was de Zuiderzee toen al niet meer zo belangrijk. Inpoldering paste ook in het vooruitgangsgeloof van het tijdperk van de industriële revolutie. Het project zou veel nieuwe landbouwgrond opleveren, en zou de immer bedreigde kustlijn met ruim 250 kilometer inkorten. Dat laatste was van groot belang, omdat de Zuiderzee bekendstond als een woeste zee, die regelmatig voor overstromingen zorgde in het steeds dichter bevolkte Nederland.

_o_

Plannen om de Zuiderzee te temmen bestaan al heel lang. Hendrick Steven (1667) was een van de eerste die met een plan kwam om de Zuiderzee droog te maken.

Met het aannemen van de Zuiderzeewet in 1918 werd besloten tot de aanleg en inpoldering van de Zuiderzee/IJsselmeerpolders, het plan "Lely". Zijn plan was vooral om veiligheid te scheppen, daarnaast zou er land worden gewonnen en zouden de dijken korter worden. Goede verkeersverbindingen zouden mogelijk worden. Dit plan was helaas technisch gezien toen niet mogelijk.
Uiteindelijk was het ruim twee eeuwen later dat het kwam tot een definitief plan.
Dit plan was door de heer Lely, toen chef technisch onderzoek van de Zuiderzeevereniging, ontwikkeld. Zijn oplossingen waren bevredigend, bij de definitieve uitvoering hoefde het plan slechts op details gewijzigd te worden. Toch zou het bijna twintig jaar duren voordat met de uitvoering begonnen kon worden. Men vond het plan van Lely te duur. De doorslag van aanvaarding was de enorme overstroming van 1916. Ook bestond er een dreigend voedsel gebrek door het isolement van Nederland tijdens de eerste wereldoorlog.

In 1901 diende Lely als minister van Waterstaat een wetsontwerp in voor de aanleg van een afsluitdijk en de aanleg van de twee kleinste polders, maar toen hij na de verkiezingen niet in het kabinet terug kwam werd dit wetsontwerp weer ingetrokken. Een wetsontwerp uit 1907 om de Wieringermeer in te polderen, werd in 1913 ingetrokken met de bedoeling om direct daarna een verdergaand, nieuw wetsontwerp in te dienen.
In dat jaar was Lely weer minister van Waterstaat geworden op voorwaarde dat de Zuiderzeewerken een onderdeel zouden worden van het regeringsprogramma. Dit gebeurde, dus kon Koningin Wilhelmina in haar troonrede op 16 september 1913 de historische woorden spreken:
"Ik acht de tijd gekomen om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen.
Verbetering van de waterstaatkundige toestand van de omliggende provincies, uitbreiding van grondgebied en blijvende vermeerdering van arbeidsgelegenheid zullen daarvan het gevolg zijn".

Op 2 februari 1936 werd begonnen met de eerste voorbereidende werkzaamheden. In 1940 waren alle dijken gesloten en kon men met droogmalen beginnen en op 9 september 1942 viel de polder officieel droog. De Wieringermeerpolder werd als eerste aangelegd. En omdat deze al in de Zuiderzee was aangelegd, nog voor de Afsluitdijk werd gesloten, was de Noordoostpolder strikt genomen de eerste IJsselmeerpolder. Aanvankelijk was het de bedoeling om eerst de Markerwaard aan te leggen. Maar door de slechte economische omstandigheden van de 30er jaren werd, na aanvankelijk te hebben gesproken over het afbreken van verdere droogmakerij besloten om naar de andere kant van het IJsselmeer te gaan. Daar zou het waarschijnlijk makkelijker zijn om aspirant boeren te vinden. Het achterliggende gebied was immers veel groter. Bovendien was de Noord Oostelijke Polder, wat toen nog een dossiernaam was, veel kleiner en dus ook goedkoper in aanleg.

Op 2 februari 1936 werd met de voorbereidende werkzaamheden begonnen, en in 1937 werd de aanleg van in totaal 31,5 kilometer dijk aanbesteed. Op 3 oktober 1939 werd de dijk tussen Lemmer en Urk gesloten. Urk was voortaan geen eiland meer. In 1940 werd de dijk aan de zuidkant van de polder nabij Schokkerhaven gesloten, en kon het droogmalen beginnen. De polder viel officieel droog op 9 september 1942. Nu verloor ook Schokland de eilandstatus; Schokland lag voortaan in de polder. Omdat de zeebodem tegen de Overijsselse kant sterk opliep werd al in 1941 de eerste oogst (Rogge) van het land gehaald.

De kersverse polder werd al snel een toevluchtsoord voor onderduikers, omdat de arbeiders waren vrijgesteld van de Arbeitseinsatz. Van de Noord-OostPolderwerd in die tijd gezegd dat die ook stond voor "Nederlands Onderduikers Paradijs". In totaal zouden er circa twintigduizend personen ondergedoken zijn geweest gedurende deze oorlogsjaren. In november 1944 werden bij een grote razzia ongeveer 1800 pioniers en onderduikers opgepakt en via Vollenhove naar Meppel afgevoerd. Waarvan de toenmalige Landdrost Smeding toch nog ongeveer de helft heeft weten terug te halen om zodoende de graanoogst nog te kunnen dorsen. Tot op de dag van vandaag zijn er nog twee wegen terug te vinden in de polder, die aan de onderduikers herinneren onder andere de Onderduikersweg en Onderduikerspad, in Espel/Creil.

Reeds in de Tweede Wereldoorlog werd begonnen met de bouw van boerderijen, in eerste instantie dezelfde typen als in de Wieringermeer. Deze staan voornamelijk aan de Oostkant van de Polder, meestal aan het begin van een weg. Omdat ze gebruikt werden om de polder in cultuur te brengen heten deze boerderijen Cultuurboerderijen. Na de Tweede Wereldoorlog waren stenen en metselaars nog schaars; men maakte toen voor het eerst van prefab betonelementen. In 1947 begon de uitgifte van grond. De nieuwe boeren werden streng geselecteerd. Ze kwamen voornamelijk uit Friesland, Noord-Holland, en Zeeland (onder andere uit Walcheren dat in oktober 1944 door de geallieerden onder water was gezet). Na de watersnood van 1953 kwamen er nog veel boeren van Schouwen-Duiveland, Tholen en Zuid-Beveland over.

Bij de inrichting van de polder ging men uit van één centrale plaats (Emmeloord), en stervormige verbindingswegen naar tien kleinere dorpen. Deze vorm van inrichting is gedeeltelijk gebaseerd op de Centrale Plaatsen Theorie van de Duitse econoom en geograaf Christaller die deze in 1933 beschreef. Bij het ontwerp van de Noordoostpolder ging men nog uit van kernen op fietsafstand, maar de opkomst van de auto maakte deze planning tijdens de uitvoering al achterhaald. In Oostelijk Flevoland kon men daarom van een indeling op grotere schaal (kernen op autoafstand) uitgaan, waardoor een aantal geplande dorpen geschrapt konden worden.

Tegenwoordig zijn de (snelweg) A6 tussen Lelystad en Joure en de (autoweg) N50 tussen Emmeloord en Kampen de voornaamste verbindingswegen.

Voor de nieuwe polder waren verschillende namen in omloop; zo werd in 1944 de naam Urkerland officieel vastgelegd, net als de namen van de dorpen. In 1948 werd De Noordoostelijke Polder de officiële naam. Vanaf de instelling van de gemeente Noordoostpolder in 1962 tot de vorming van de provincie Flevoland in 1986, hoorde de polder bij de provincie Overijssel. Voor die tijd viel het gebied bestuurlijk onder het Rijk.



Plan voor de inpoldering van de Zuiderzee / IJsselmeer van ir. Cornelis Lely (1916).

1 Wieringermeerpolder
2 Noordoostpolder
3 Oostelijk Flevoland
4 Zuidelijk Flevoland
5 Lauwersmeerpolder
6 Markerwaardpolder

Plan van 1925 inzake de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee.

 

1 augustus 1930

15 augustus 1931

_o_

Berichten Zuiderzeewerken;

7 november 1932 _Rijshout bij Lemmer aangedreven.

Tusschen Lemmer en Kuinre is donderdag een groote hoeveelheid rijshout naar schatting 2000 bos, aangedreven. Dit hout is vermoedelijk afkomstig van onlangs gezonken rijnaken, welke op weg waren naar de Zuiderzeewerken.

Arbeiders aan het werk met het 'rijshout'

 

Zuiderzeewerken-Lemmer.

_o_

16 augustus 1937 _Lemmer, de Noord-Oostpolder en het Kanalenplan.

Burgemeester M. Krijger en gedeputeerde S. W. de Jong vertellen, hun Lemsterlandse meening;

Niet het kanaal is primair, maar de Noord-Oostpolder. Daarvan verwachten we groote en directe voordeelen. Dit draagt ook een geheel ander karakter dan het belang van het kanaal. Wat de voordeelen van den polder betreft, daarop hebben we ook enigszins recht. Immers Lemmer heeft als andere plaatsen van de crisis te lijden gehad, maar daarbij kwam de "gemaakte crisis" door de afsluiting van de Zuiderzee. Hierdoor werden vele inwoners gedupeerd en van dezen zijn er vertrokken naar Makkum, Harlingen en Wieringen, waar ze de Waddenzee-visscherij zijn gaan beoefenen, Sommigen zijn hier nog gedomicilieerd , maar ze werken elders. Een ander deel werd echter bijna permanent werkloos en kreeg steun volgens de Zuiderzeesteunwet. Niet alleen werden de vissers gedupeerd, maar ook de middenstand. Vroeger werd op den vischafslag per jaar 3-4½ ton verkocht, nu f 60,000. Hieruit ziet U welk een slag dit is geweest voor de zakenlui.

Onze zakenlui (middenstand) zijn flinke menschen. Hoewel ze geweldige schade hebben geleden, hebben ze het hoofd boven water weten te houden. Maar nu zijn de reserves ook uitgeput. Verder heeft de hoop, dat spoedig betere tijden zouden aanbreken, hen ook gesteund en nu de Zuiderzeewerken zijn begonnen, pakken ze weer flink aan. Veel wordt opgeknapt, de uiterste inspanning wordt betoond om de zaken op peil te brengen en deze energie geeft goede hoop voor de toekomst. Toen de werken aan de havens begonnen, werden 208 man aan het werk gesteld, waarvan 100 werkloozen uit Lemmer. Daardoor rolde er weer geld en voor de gemeente was het ook een uitkomst, daar de werkloosheid snel afnam.

Thans werken er 350 man en 150 uit Lemsterland, waaronder veel veenarbeiders. De visschers konden als bakschippers weer aan den slag komen. Wel zijn de loonen niet hoog, maar voldoende. De toestand is nu zoo, dat in den zomer er geen werkloosheid meer is, maar in den winter, als het werk buitengaats stil ligt, zijn er zoveel te meer, daar vele arbeiders hier zijn komen wonen. Dat stelt weer andere eischen aan de werkverschaffing, maar we zijn bezig die te ondervangen. Daarbij hebben we de meeste hulp van provincie en regeering ondervonden. We zijn immers als gemeente zwaar noodlijdend, 99 pct. steun ontvangen we van het Rijk, maar onze groote werken zijn tot nu toe steeds goedgekeurd. Er is een weg aangelegd van Wolvega naar Lemmer, straks wordt die naar Gaasterland verbeterd. In het dorp werd De Schans en de Nieuwburen verbeterd, op het plan staan de Streek en de weg naar Gaasterland. De weg naar Leeuwarden is ook verbeterd. Zoo zijn de toegangswegen naar den polder tot Lemmer in orde gebracht. Bovendien moest door de uitbreiding die verwacht wordt ons uitbreidingsplan van 1922 geheel herzien worden. Maar nu zitten we met het kanaal. In het westen ligt een uitbreidingsplan, groot 2 H.A. tot den te verwachten kanaalmond. In werkverschaffing zal dit bouwrijp worden gemaakt. Het zand wordt aangevoerd van St. Nicolaasga. Daardoor kunnen we den grond straks uitgeven voor f 3,50 á f 4. Hiermee denken we in twee winters klaar te komen en zoo willen we onze seizoenwerkloosheid bestrijden. Ook terrein voor industrie wordt hier gereserveerd. Is dit plan klaar dan komt het oostelijk uitbreidingsplan aan de beurt. Ook hier wordt industrie terrein open gehouden. Reeds nu is 3500 M2. verkocht aan de N.V. Basalt Maatschappij Zaandam die hier een bouwmaterialenhandel komt vestigen. We verwachten trouwens veel meer industrie, vooral de landbouwindustrie. Maar veel ligt nog in de toekomst. Straks zal van den straatweg bij, of te zuiden van Eesterga een aftakking komen, met een brug over de Rijn en zoo aansluiten op den weg die den polder ingaat. De weg is nog niet bepaald en daarom kan ons uitbreidingsplan ook niet klaar komen. Als straks die weg klaar is, zal Lemmer worden de poort van den polder. Een secundaire weg komt langs den nieuwen dijk naar Urk te loopen en zoo wordt Urk eigenlijk de voorhaven van Lemmer, maar hierop komen we straks terug. De aansluiting op Lemmer zal de beste worden, omdat Lemmer prachtige wegen het achterland in heeft. Als daar dan nog bijkomt, dat veel Friezen den polder binnengaan, zal dat de aansluiting met Friesland bevorderen. De commissie van Vijf (Sneek, Heerenveen, Weststellingwerf, Hemelumer Oldephaert, Noordwolde en Lemsterland) gekozen uit de 18 gemeenten die belang bij den polder hebben en opgericht op initiatief van Ged. Staten, waarbij toegevoegd zijn Gedeputeerde S. W. de Jong van Lemmer en ir. Wouda, hoofdingenieur van den Provincialen Waterstaat, zullen de belangen der provincie zooveel mogelijk voorstaan. Natuurlijk dat de raad van Lemsterland meer speciaal op eigen gemeente let. Zoo denken we er over om straks een markt te Lemmer te vestigen. We zien verder om naar maatregelen, om Lemmer ook cultureel tot centrum te maken, door b.v. een landbouwschool, een ambachtschool, enz. Dit zijn wel geen dingen die vandaag of morgen aan de beurt zijn, maar we hopen de ogen open te houden.

Of de polder een deel van Friesland wordt kunnen we nog geen antwoord op geven, aldus burgemeester Krijger. Maar wel wijst er veel op, dat ze het best bij Friesland past. Van Kampen tot Blokzijl loopt een water langs de grens van Overijssel, bij Schoterzijl sluit hij reeds geheel aan bij het Friesche polderland. Economisch en geografisch wordt het een Fries landschap. Een groot stuk behoort reeds tot Lemmer. Dit is bepaald bij een afzonderlijk wetje van 1922, toen de grens van Lemmer ver in zee werd gelegd. Zoo zijn de sluisput en het electrisch gemaal met het omringende gebied binnen Lemmer gelegen. Men werkt dus nu nog binnen Lemmer.

We verwachten redelijkerwijs wel dat Lemsterland straks aangewezen wordt als het burgerlijk bestuur in de wordingsgeschiedenis van den polder. Maar natuurlijk moeten we niet vergeten, dat Urk een zelfstandige gemeente is en Schokland bij Kampen is ingedeeld.

Zo heeft de inpoldering ook nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. Over de oude argumenten die voor Lemmer pleiten behoeven we niet uit te weiden, die zijn genoegzaam bekend. Er is door den afsluitdijk echter bij 1917, het eerste plan en in 1929, het tweede plan, veel gewijzigd. Doordat er geen eb en vloed meer is, is Stavoren niet meer vrij van ijs. Met zuidelijken wind schuift daar het ijs bij de kust op, net als bij Lemmer. Maar het Lemster ijs kwam van de "Ketel" en in het vervolg is dit uitgesloten. Dan is de dijk iets gewijzigd, zoodat het drijfijs niet op Lemmer aankomt, maar rechtuit naar de kust drijft en daar wordt opgevangen in het "Honzenest" (Dit is de kom die komende vanaf de Prinses Magriet sluis het IJsselmeer op meteen stuurboord uit ligt. Onder de kust loopt de diepgang langzaam terug. (Of te wel een baai in de kust). Zoo kan zelfs bij strenge winters met ijsbrekers zeker een vaargeul  overblijven en open gehouden worden langs den nieuwen dijk. Maar mocht dit toch dicht raken, dan hebben we Urk nog. De polderkanalen worden bevaarbaar  voor schepen van 300 ton en de meeste schepen die onze kanalen bevaren, zijn kleiner. Is Lemmer gesloten dan kunnen ze binnendoor naar Urk en zoo is Urk onze voorhaven. Bovendien is er veel vaart op de "Ketel". De kleine schepen zullen in den winter niet graag buiten willen. Ze zullen door den polder gaan, bij de Lemmer schutten en zoo het kanaal door door Friesland nemen. Zou dit bij Stavoren uitkomen, dan moeten ze nog  een stuk IJsselmeer nemen vlak langs de kust. Bij al de voordeelen voor Lemmer, korter en goedkooper komen bij deze punten ook nog een woord van meespreken, en voor de schipperij niet de minste.

Ik blijf dan ook aldus burgemeester Krijger, zeer optimistisch. In elk geval gaat Lemmer een hoopvolle toekomst tegemoet, en dat heeft Lemmer ook verdiend, nu het zo kranig door de crisis is heen gekomen.

Geduputeerde de Jong deelde mee, dat de vorige minister reeds een besluit had genomen, dat evenwel door Friesland en Groningen nog besproken moest worden. Nu er een nieuwe minister aan het bewind was gekomen, zijn er weer nieuwe onderhandelingen begonnen. Veel meer dan de buitenstaander vermoedt, zit aan beide kwesties, polder en kanaal, vast. De zaken zijn buitengewoon ingewikkeld en in dit stadium wilde de Jong zich niet verder uitlaten over een en ander. Wel sprak hij zijn verwondering uit, hoe men in Den Haag het werk bij Lemmer had ingedeeld bij de arbeidsinspectie van Deventer en niet bij die van Lemmer. Dat is weer ambtenarij. Dat Urk en Schokland daarbij ingedeeld werden is nog te begrijpen, maar dit werk ligt op Lemster grondgebied. Ook over de groei en bloei van Lemmer was deze Gedeputeerde niet zo optimistisch als de burgemeester, al sprak hij de wens uit, dat deze gelijk mocht krijgen.

Hij verwachtte het economisch en cultureel centrum midden in den nieuwe polder, die naar hij dacht het best in twee gemeenten verdeeld kon worden, hoewel hij toegaf dat het een geografisch geheel was, dat het meest zal overstemmen met de agrarische provincie Friesland.

Terwijl er op den wal zoo over de toekomst werd gesproken, werd daar buiten den dijk onafgebroken aan het heden gewerkt. Daar had men weer andere zorgen en moeiten en jaren zullen voorbij gaan, voor de plannen van de havenbewoners in daden kunnen worden omgezet. Maar gelijk dit werk, naar we hopen, tot een goed einde gebracht zal worden, zoo zullen ook straks die andere plannen eens tot een beslissing komen.

_o_

14 oktober 1936 _De N.O.-polder in wording. Bedrijvigheid bij Lemmer.

De Maatschappij tot Uitvoering van Zuiderzeewerken is nog slechts eenige weken met het maken van een aanleghaven en opslagterrein bezig en nu reeds is een deel van dit terrein boven de waterspiegel verrezen. Twee baggermolens zorgen voor het op diepte brengen van de werkhaven (3.40 M. - N.A.P.) en een derde baggert de sluisput, waarvan de diepte op 9.75 M. beneden N.A.P. is bepaald.

Een hijschkraan zorgt voor het aanleggen van een keileemdam, welke om het geheele opslagterrein wordt heen geworpen en thans de toekomstige dijken om de sluisput opwerpt. Het benodigde rijshout voor de zinkstukken wordt iedereen dag aangevoerd en inmiddels is men reeds begonnen met het maken hiervan. De keileem wordt gebaggerd onder de Gaasterlandse kust en het zand noodig voor het opslagterrein wordt westelijk van de buitenhaven gevonden. Een zandzuiger van geweldige capaciteit zorgt voor het opspuiten van het terrein.

Het is een groote bedrijvigheid eenerzijds door 't wegbrengen van opgebaggerden grond en anderzijds door het aanvoeren van zand en keileem. Sleepboten en baggerbakken schieten in bonte mengeling door elkander heen en het getoeter van de stoomfluiten wordt afgewisseld door het stampen en kreunen van de machines en kranen. Het lied van den arbeid klinkt op uit zee, waar de nieuwe grond reeds boven den waterspiegel verrijst, en slechts korten tijd geleden de visscherman nog zijn netten plaatste.

Neringdoenden profiteerden in meer of mindere mate van deze werkzaamheden en verschillende personen, die tot voor kort nog periodiek werkloos waren, zijn nu weer aan den slag.

Het aspect van de zee voor Lemmer verandert thans iederen dag.

_o_

22 oktober 1937 _Ongeval bij de Zuiderzeewerken.

_ Lemmer, Bij het lossen van basaltsteenen op het afslagterrein aan de werkhaven had de arbeider F. Deinum het ongeluk, bij het afhaken van een zwaren bak, beladen met deze steenen, den inhoud tegen zijn beenen te krijgen. Beide beenen bleken te zijn gekneusd en geschaafd, zoodat geneeskundige hulp moest worden ingeroepen. Deze werd verleend door dokter L. Olivier.

 

 

3 juni 1938

_o_

9 juli 1938 _Ongeval bij de Zuiderzeewerken.

_ Lemmer, Bij de Zuiderzeewerken te Lemmer had hedenmorgen een vrij ernstig ongeval plaats. Toen de boot, waarmee de arbeiders des morgens naar hun werk worden vervoerd aan den steiger zou worden gemeerd, had een van hen, de arbeider Verhoeff, wonende te Echten, het ongeluk met zijn rechterbeen in 'n lus van den staaldraad beklemd te raken, zoodat dit lichaamsdeel zeer ernstig verwond werd. De getroffene is, na aanvankelijk door dr. W. Knufman Ansing te zijn behandeld, naar het ziekenhuis te Heerenveen vervoerd.

_o_

De aan de Zuiderzeewerken bij Lemmer toegebrachte schade.

12 oktober 1938 _Omtrent den omvang der aan de Zuiderzeewerken te Lemmer in de vorige week toegebrachte schade loopen de geruchten en mededeelingen nogal uiteen. Om hieromtrent nader te worden ingelicht, hebben we ons met de hoofdopzichter dier werken in verbinding gesteld.

Zooals bekend, is er in den nacht van Maandag op Dinsdag veel materiaal losgeslagen, terwijl een der kranen en een zandzuiger gezonken zijn. Ofschoon dit natuurlijk wel schade beteekent, welke echter door de verzekering gedekt wordt, was dit niet het voornaamste. Die is in hoofdzaak geleden aan den polderdijk in aanleg. Vooral aan den binnenkant, dat is aan den zuidkant, dus aan den kant van de toekomstigen Noordoostpolder hebben wind en water heel wat schade aan den dijk aangericht. De wind stond er recht op. En sedert de Zuiderzee IJsselmeer geworden is, is het water, tengevolge de verzoeting, heel onstuimig geworden.

We mogen er in dit verband wel eens op wijzen, dat er velen zijn, die in de meening verkeeren, dat nu de "zee" in een "meer" is veranderd, ze ook dit meer, als andere kunnen bevaren met kleinere scheepjes. Laten ze, voor het te laat is, er op rekenen, dat die meening een absoluut verkeerde en zeer gewaagde is.

Die onstuimigheid van Het IJsselmeer heeft dan ook op den dijk flink huisgehouden, vooral in het gedeelte tusschen het ten Zuiden der haven gelegen sluitgat en de bocht in den dijk, liggende ongeveer tegenover het provinciaal stoomgemaal, dat is over een lengte van drie á vier kilometer. Hier zijn groote gaten in den dijk geslagen en de steenbekleeding heeft veel geleden. Van het bloksteenen pad, dat langs den voet van den dijk loopt, is maar weinig overgebleven. De cementen bloksteenen zijn voor een groot deel in het water verdwenen. Ook is er een groot deel van de keileembedekking van den dijk weggespoeld. Naar het heette had ook de kop van den dijk veel geleden, maar dat is meegevallen.

Van de  10 km dijk, welke gelegd moet worden, lag er voor den storm ongeveer 9100 meter boven water. De keileemdammen nu zijn ongeveer 100 meter ingekort, terwijl het z.g. zuigerstort  meer heeft geleden; hiervan is ongeveer de helft weggeslagen. Doch deze schade kan men vrij spoedig te boven komen. In tegenstelling met de hier oorspronkelijke meening, dat het dijkvak dit jaar wel niet gereed zou komen, vernamen we dat er toch ernstig over gedacht wordt het werk weer met kracht op te vatten om te trachten de aangenomen 10 km wel klaar te krijgen, behoudens dan de daarna nog noodige afwerking.

Maar dan toch zoover dat het groote materiaal hier niet behoeft te blijven of het volgend voorjaar niet weer naar hier behoeft te worden gebracht. Ter vervanging van het gezonken materiaal zal er dan een andere kraan en zandperszuiger worden aangevoerd. Maar dan moet het weer toch ook nog wel wat willen meewerken. Als deze tegenslag er niet geweest was, dan was men over enkele weken zover geweest; nu zal het half November worden. Terwijl de gewone werkzaamheden dan dus voortgang vinden, wordt een gedeelte der werkkrachten met de herstellingswerkzaamheden belast. Van de in de vorige week aanvankelijk ontslagen arbeiders is er dan ook al weer een deel te werk gesteld.

Vissersschepen en een zandzuiger.

 

24 april 1939 _De Zuiderzeewerken bij Lemmer. Twee heistellingen in den sluisput, welke thans geheel droog ligt. Er moeten in totaal ongeveer 3000 dennen palen, ter lengte van 8 tot 14 meter, geheid worden. De put is thans tot een diepte van 11 meter onder den zeespiegel uitgegraven.

 

20 mei 1939 _ De Zuiderzeewerken bij Lemmer, de onderbouw van het elektrisch poldergemaal. Hier wordt druk getimmerd aan de houten modellen, die straks in beton worden gegoten de z.g. slakkenhuizen. Het gemaal zal straks drie aan elkaar onderling gelijke pompen bezitten. Het onderste deel van elke pomp bestaat uit een zuigtuit, die door een verticaal schot in tweeën is gedeeld en welke de verbinding vormt van den zuigmond met het bovendeel van de pomp, n.l. het bovenbedoelde slakkenhuis. Dit laatste heeft zooveel onder als boven een cirkelvormige opening; onder de onderste sluit de zuigtuit aan: de bovenste dient tot het inbrengen van de waaier, voor het omhoog voeren van het water en gaat verder over in de naar buiten gerichte persbuis.

 

4 oktober 1939 _ De burgemeester van Lemsterland, mr. M. Krijger, en zijn collega te Urk de heer G. Keijzer, drukken elkander de hand boven het pas gedichte gat.

_o_

8 april 1940 _ Ongeval bij de Zuiderzeewerken.

Lemmer _ De heer L. de Blaauw te Lemmer, die bakschipper is bij het kanaalbaggeren van de M.U.Z., werd bij zijn werkzaamheden aan het hoofd getroffen door een losgeschoten lier. De diepe wonde welke hierdoor ontstond, bloedde zoo hevig, dat men ijlings de dokter heeft ontboden. Daar het ongeval op zee gebeurde, duurde het vanzelfsprekend nog geruimen tijd, eer geneeskundige hulp kon worden verleend. De doktoren Van der Poll en dr. W. Knufman-Ansing hebben den man behandeld en de wonde met een flink aantal krammen gehecht. Het slachtoffer is met een motorbootje naar lemmer gevoerd. Naar omstandigheden maakt de heer de Blauw het thans goed.

_o_

28 maart 1940 _ Doodelijk ongeval bij de Zuiderzeewerken.

Lemster arbeider bij Blokzijl verongelukt.

Lemmer _ Gistermiddag om ongeveer kwart over één is den 60 jarigen arbeider Jolle de Boer (schuitevaarder) van Lemmer bij de Zuiderzeewerken te Blokzijl, voor de ogen van zijn zoon omgekomen,een doodelijk ongeval overkomen. De heer de Boer was sinds gisteren werkzaam bij het kanaalbaggeren aldaar. Toen hij zich op een van de sleepboten bevond, werd hij door een der werktuigen plotseling overboord geslingerd. Men slaagde erin, het slachtoffer binnen twee minuten weer aan boord te krijgen. De man was echter met zijn hoofd tegen de sleepboot gestooten, waarbij hij zeer ernstig werd gewond. Hij gaf dan ook geen teeken van leven meer. Waarschijnlijk is hij tengevolge van een schedelbasisfractuur bezweken. Jolle geboren op 8 februari 1880, was een zoon van Tjitze de Boer en Afke Sipkema, en was in 1904 gehuwd met Aaltje Kruis, te Lemsterland.

8 juli 1940 _ De in aanbouw zijnde sluis, waarvan het betonwerk binnenkort gereed zal zijn.

 

24 september 1940 _ Een scheepje zoekt z'n weg naar de haven. Naast die haven ligt de werkhaven voor de Zuiderzeewerken en dáár weer naast het opslagterrein, waar later misschien nieuwe bedrijven zullen staan.

 

5 maart 1941 _De Markerpolder had grooter geweest wanneer het plan van 1925 was gehandhaafd. Volgens laatstgenoemd plan zou deze polder een oppervlakte van 55.00 ha. hebben gekregen. Hetgeen dus een kleine 7000 ha. grooter zou zijn geweest dan de Noordoostpolder, waarvan het eerste nieuwe land nu wel spoedig zichtbaar zal worden. Het hierbij afgedrukte tekeningetje dat allerminst aanspraak op een groote nauwkeurigheid wil maken, tracht zoo ongeveer voor te stellen, hoe de vorm van den Markenpolder zal worden. De stippellijn geeft den vorm aan van het plan 1925. En zoo is Nederland's derde Zuiderzeepolder thans in voorbereiding. Zoo zullen waarschijnlijk binnenkort opnieuw zware dijken groeien en rookpluimen van een machtig werk opstijgen in weer een anderen hoek van de oude Zuiderzee

_o_

20 november 1941 _ Ongeval bij de Zuiderzeewerken.

Lemmer _Bij den sluisput alhier waren hedenmiddag eenige arbeiders bezig met het lossen van basaltblokken uit een schip. Deze blokken werden in een ijzeren bak naar boven gedraaid door een stoomlier en daarna overgeheveld naar de plaats van bestemming. Doordat een draad van het hijschtoestel brak vielen de zware basaltblokken van boven uit den bak, waardoor de arbeider S. uit Oosterzee, die in het schip stond werd getroffen en zoodanig werd gewond, dat hij in zorgwekkenden toestand naar het ziekenhuis moest worden overgebracht.

Zuiderzeewerken-Lemmer.

 

Zuiderzeewerken-Lemmer.

 

Zuiderzeewerken-Lemmer.

 

Zuiderzeewerken-Lemmer.

 

Zuiderzeewerken-Lemmer.

 

 

 

Zuiderzeewerken-Lemmer.

_o_

Amsteldiepdijk 1920-1924

In juni 1920 werd het eerste deel van het werk aanbesteed: de aanleg van de 2,5 kilometer lange Amsteldiepdijk van Noord-Holland naar het eiland Wieringen. Bij dat project werd nuttige ervaring opgedaan die later van pas kwam bij de aanleg van de Afsluitdijk.

OP 31 juli 1924 was de dijk, met een lengte van 2½ kilometer, gereed. Hij vormde de eerste stap tot de inpoldering van de Wieringermeer en de afsluiting van de Zuiderzee. Deze dijk (op Wieringen ook wel aangeduid als de Korte Afsluitdijk) Aan de aanleg van deze dijk werd + 4 jaar gewerkt. Toen hij werd gesloten, betekende dat het einde van het eiland Wieringen.

Wieringen op de achtergrond zichtbaar.

 

De sluiting Amsteldiep. Wieringen met het vaste land bijna tot stand gebracht.

_o_

Proefpolder Andijk 1927.

Eén van de doelstellingen van het Zuiderzeeproject was landaanwinning, vooral ten behoeve van de akkerbouw. Daarom wilde men weten hoe de grond in een drooggemalen polder zich ontwikkelde, en hoe de zoute gronden in cultuur gebracht konden worden. Om die reden werd bij het dorp Andijk, tussen Enkhuizen en Medemblik, een proefpolder aangelegd. De oppervlakte van de polder bedraagt 40 ha en op 28 juli 1928 is de polder als grondgebied aan Andijk toegevoegd. In deze proefpolder bestudeerde men diverse aspecten die voor een optimale benutting van de grond van belang waren, zoals ontzilting, inklinking en opdroging. Ook werden proeven genomen voor de beste manier van grondbewerking en de keuze van de meest geschikte gewassen. De oppervlakte van de polder bedraagt 40 ha en op 28 juli 1928 is de polder als grondgebied aan Andijk toegevoegd.

Wieringermeer 1927-1930

De polder was rond het jaar 1000 nog gewoon land, er was zelfs meer land dan zoals de polder is ingepolderd. Niet geheel duidelijk is of het behoorde bij de gouw Texla, of dat Wiron een afzonderlijke gouw was. Door de stormen van onder andere 12e eeuw was het gebied onder water gelopen en onderdeel van de zee geworden. De stroomgeulen van het Ulkediep en Amsteldiep liepen door het gebied. Deze werden reeds in 1924 afgesloten met een dijk die het eiland Wieringen verbond met het vasteland. Met de aanleg van de Wieringermeerpolder werd in 1927 begonnen. Bij het droogmaken werd gebruikgemaakt van een elektrisch gemaal, nabij Medemblik. De start van de bouwwerkzaamheden was in februari 1928. Ten zuiden van Den Oever op Wieringen is gemaal Leemans gebouwd, een dieselgemaal met een tweetal pompen van 250 kubieke meter per minuut. Gemaal Lely had drie pompen van 400 kubieke meter elk. Op 10 februari 1930 werden de pompen in gebruik gesteld om 6 miljoen kubieke meter water buiten de dijken te krijgen.

Volgens het oorspronkelijke plan zou de polder pas worden aangelegd als de Afsluitdijk zou zijn voltooid. Maar omdat Nederland grote behoefte had aan landbouwgrond werd de aanleg versneld. De nieuwe polder bestond voor het grootste gedeelte uit akkerland.
In de Wieringermeer werden vier dorpen aangelegd. De centrumplaats is Wieringerwerf, in het zuiden ligt Middenmeer, in het westen Slootdorp en in het oosten Kreileroord. De polder bestaat voor het grootste deel uit akkerland, gesymboliseerd door het beeld De Maaier in het centrum van Wieringerwerf.
De Wieringermeer werd een soort proefpolder voor de inrichting van het nieuwe land en de opbouw van een samenleving. Hiervoor had de proefpolder Andijk immers niet genoeg ruimte geboden. De dijk moest nu in de Zuiderzee worden aangelegd, en moest ook zwaarder worden uitgevoerd. De polder was feitelijk geen IJsselmeerpolder, maar een Zuiderzeepolder (de zogenaamde Noordwestpolder). Op 21 augustus 1930 viel de polder droog. Vanaf 1934 werd het nieuwe land in cultuur genomen. De uitgifte van land gebeurde hierbij voor het eerst via de overheid. Deze wilde de problemen die waren ontstaan in de eerste jaren na de drooglegging van de Haarlemmermeerpolder voorkomen (vooral particulier initiatief, waarbij veel armoede bestond en zelfs malaria uitbrak). De kavelgroottes voor nieuwe boeren werden door de machtige Wieringermeer directie bepaald op 20 hectare en uitgegeven middels een pachtsysteem.

De kennis, opgedaan in de Wieringermeer, kon bij de latere, grotere polders worden benut.
De dijk rondom de Wieringermeer was zo sterk dat zij ook stand zou houden als de Afsluitdijk, die toen nog in aanleg was, zou doorbreken. Toch werd, ter geruststelling van de nieuwe inwoners, midden in de polder een vluchtheuvel aangelegd, de laatste terp die in Nederland is opgeworpen. Vijftien jaar later bleek deze vluchtplaats onverwacht van groot belang.
Op 17 april 1945, vlak voor de bevrijding, bliezen de Duitsers in het noorden van de Wieringermeer de dijk op. Meer dan 700 miljoen kubieke meter water overspoelde de polder. Een groot deel van de gebouwen werd verwoest. Acht maanden later, op 11 december 1945, was de polder weer geheel drooggemalen.

Afsluitdijk 1927-1932

De aanleg van de Afsluitdijk was het belangrijkste onderdeel van het Zuiderzeeproject. In 1927 begon men aan de noordoostpunt van Noord-Holland en het in westen van Friesland tegelijkertijd met de aanleg. Op 28 mei 1932 werd het laatste sluitgat gedicht. Hiermee veranderde de Zuiderzee in IJsselmeer.
De Afsluitdijk is dertig kilometer lang. In 1933 kon de weg over de dijk voor het verkeer worden opengesteld. De geplande treinverbinding is er echter nooit gekomen.

 

Aanleg afsluitdijk.

 

Spuisluizen in aanbouw, circa 1930.

_o_

Noordoostpolder.

Herkomst plaatsnamen in de gemeente

  • Emmeloord ontleent zijn naam aan het dorpje op de noordpunt van het voormalige eiland Schokland.

Dit eiland lag in de Zuiderzee. Het dorpje heette vroeger (1478) Emelwerth. Eem, het eerste deel van Emel-, komt van het Germaanse ami, een algemene aanduiding voor een natuurlijk waterverloop. Werth betekent terp. Vanaf 1650 zien we echter dat de naam omgezet is naar Emeloirt. Oirt (door de i achter de o spreek je het uit als oort) betekent punt, net als in Dinteloort en IJoort (later IJdoorn). De overgang van werth naar oort heeft waarschijnlijk te maken met de afbrokkeling van het eiland Schokland. Daardoor was Emelwerth steeds minder een terp (heuvel in het land) maar kwam steeds meer op de punt (oirt) van het eiland te liggen.

  • Ens is zodoende ook aan zijn naam gekomen, het is genoemd naar het zuidelijke deel van het eiland Schokland. De woonkernen Middelbuurt en Zuidert vormden samen Ens, welke in 1859 werd ontruimd, toen het wonen aldaar te gevaarlijk werd.

  • Bant is genoemd naar het dorpje Bantega, dat vroeger in Lemsterland lag en waarschijnlijk door de zee verzwolgen is. In Lemsterland heeft men overigens na de oorlog de naam Bantega gegeven aan een voormalig onderdeel van het dorp Echten.

  • Creil is ofwel vernoemd naar een zandbank in de voormalige Zuiderzee bij Staveren, ofwel naar het Creiler Woud.

  • Espel is ook de naam geweest van een dorp, dat eenmaal ten noorden van Urk lag. Dit verdwenen dorp komt in de historie ook onder de namen Espelbergh en Espelo voor.

  • Kraggenburg heeft zijn naam ontleend aan de vroegere vluchthaven aan de uitmonding van het Zwolse diep. De lichtwachterwoning, het eindpunt van een lange leidam, is na de inpoldering niet afgebroken en staat thans in het nieuwe land.

  • Luttelgeest werd genoemd naar een plaatsje, dat eenmaal bij het toen zeer in aanzien zijnde Kuinre lag.

  • Marknesse is genoemd naar Marcnesse of Marenesse, een dorp dat volgend de kronieken eenmaal in de buurt van Urk en Schokland heeft gelegen.

  • Nagele is een naam, die toen de Noordoostpolder ontstond, nog niet verdwenen was. Oude Zuiderzeevissers beweerden wel, dat ze hun netten scheurden aan de restanten van de plaats Nagele (op oude kaarten voorkomend onder de namen Naghele en Nakala) die eenmaal tussen Urk en Schokland lag. Bijgelovige zeelui hoorden er bij stormweer zelfs de klokken van de door de zee verwoeste toren luiden.

  • Rutten is afgeleid van Ruthne, een dorp dat in de 14e eeuw nog ten noorden van Urk moet hebben gelegen.

  • Tollebeek als laatste lag vroeger in de buurt van Urk, de plaats is een stedenband aangegaan met Tollembeek te België

_o_


Oostelijk Flevoland 1950-1957

Oostelijk Flevoland is de derde droogmakerij (of polder) die is aangelegd in het kader van de Zuiderzeewerken, en is heden onderdeel van de Nederlandse provincie Flevoland. Oostelijk Flevoland wordt omgeven door: het Ketelmeer, het Vossemeer, het Drontermeer, het Veluwemeer (de randmeren), de Knardijk en het IJsselmeer.

De droogmaking van Oostelijk Flevoland begon in 1950. Zeven jaar duurde het in totaal: het maken van een ringdijk en het droogmalen van het ingesloten gebied. Met 54.000 hectare land is Oostelijk Flevoland tot op heden de grootste Nederlandse polder.
In februari 1953 werd de bedijking van Oostelijk Flevoland tijdelijk stilgelegd vanwege de watersnoodramp in Zeeland. Personeel en materieel van de Dienst der Zuiderzeewerken werden ingezet voor herstelwerkzaamheden aan de dijken op Schouwen-Duivenland. In december 1953 keerden ze terug naar Oostelijk Flevoland.
In Oostelijk en Zuidelijk Flevoland was het winnen van landbouwgronden niet langer het voornaamste doel van de inpoldering. Huisvesting en recreatiemogelijkheden voor mensen uit de overbevolkte randstad waren nu belangrijker. En de hoofdstad van Flevoland Lelystad is genoemd naar de bedenker van plannen Lely.

De inpoldering omstreeks 1950 in Oostelijk Flevoland.

_o_

Zuidelijk Flevoland 1959-1968

Twee jaar na de drooglegging van Oostelijk Flevoland begon men met de aanleg van de volgende polder. In het zuidelijk deel van het IJsselmeer werd een nieuwe dijk aangelegd, die aansloot op de dijk rond Oostelijk Flevoland. Na het droogpompen ontstond zo in 1968 Zuidelijk Flevoland. De nieuwe polder was ongeveer 43.000 hectare groot.
Vanwege de gunstige ligging ten opzichte van de Randstad had Zuidelijk Flevoland een grote aantrekkingskracht. Velen verhuisden naar de nieuwe polder. Met name de nieuwe nederzetting Almere groeide in snel tempo, tot bijna 120.000 inwoners in 1997. Het is daarmee op dit moment verreweg de grootste gemeente van de provincie Flevoland, en een van de twintig grootste steden van Nederland.

 

 

 

Home