Met het aannemen van de Zuiderzeewet in 1918 werd besloten tot de aanleg en inpoldering van de Zuiderzee/IJsselmeerpolders, het plan "Lely". Zijn plan was vooral om veiligheid te scheppen, daarnaast zou er land worden gewonnen en zouden de dijken korter worden. Goede verkeersverbindingen zouden mogelijk worden. Dit plan was helaas technisch gezien toen niet mogelijk.
Uiteindelijk was het ruim twee eeuwen later dat het kwam tot een definitief plan.
Dit plan was door de heer Lely, toen chef technisch onderzoek van de Zuiderzeevereniging, ontwikkeld. Zijn oplossingen waren bevredigend, bij de definitieve uitvoering hoefde het plan slechts op details gewijzigd te worden. Toch zou het bijna twintig jaar duren voordat met de uitvoering begonnen kon worden. Men vond het plan van Lely te duur. De doorslag van aanvaarding was de enorme overstroming van 1916. Ook bestond er een dreigend voedsel gebrek door het isolement van Nederland tijdens de eerste wereldoorlog.In 1901 diende Lely als minister van Waterstaat een wetsontwerp in voor de aanleg van een afsluitdijk en de aanleg van de twee kleinste polders, maar toen hij na de verkiezingen niet in het kabinet terug kwam werd dit wetsontwerp weer ingetrokken. Een wetsontwerp uit 1907 om de Wieringermeer in te polderen, werd in 1913 ingetrokken met de bedoeling om direct daarna een verdergaand, nieuw wetsontwerp in te dienen.
In dat jaar was Lely weer minister van Waterstaat geworden op voorwaarde dat de Zuiderzeewerken een onderdeel zouden worden van het regeringsprogramma. Dit gebeurde, dus kon Koningin Wilhelmina in haar troonrede op 16 september 1913 de historische woorden spreken:
"Ik acht de tijd gekomen om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen. Verbetering van de waterstaatkundige toestand van de omliggende provincies, uitbreiding van grondgebied en blijvende vermeerdering van arbeidsgelegenheid zullen daarvan het gevolg zijn".Op 2 februari 1936 werd begonnen met de eerste voorbereidende werkzaamheden. In 1940 waren alle dijken gesloten en kon men met droogmalen beginnen en op 9 september 1942 viel de polder officieel droog. De Wieringermeerpolder werd als eerste aangelegd. En omdat deze al in de Zuiderzee was aangelegd, nog voor de Afsluitdijk werd gesloten, was de Noordoostpolder strikt genomen de eerste IJsselmeerpolder. Aanvankelijk was het de bedoeling om eerst de Markerwaard aan te leggen. Maar door de slechte economische omstandigheden van de 30er jaren werd, na aanvankelijk te hebben gesproken over het afbreken van verdere droogmakerij besloten om naar de andere kant van het IJsselmeer te gaan. Daar zou het waarschijnlijk makkelijker zijn om aspirant boeren te vinden. Het achterliggende gebied was immers veel groter. Bovendien was de Noord Oostelijke Polder, wat toen nog een dossiernaam was, veel kleiner en dus ook goedkoper in aanleg.
Op 2 februari 1936 werd met de voorbereidende werkzaamheden begonnen, en in 1937 werd de aanleg van in totaal 31,5 kilometer dijk aanbesteed. Op 3 oktober 1939 werd de dijk tussen Lemmer en Urk gesloten. Urk was voortaan geen eiland meer. In 1940 werd de dijk aan de zuidkant van de polder nabij Schokkerhaven gesloten, en kon het droogmalen beginnen. De polder viel officieel droog op 9 september 1942. Nu verloor ook Schokland de eilandstatus; Schokland lag voortaan in de polder. Omdat de zeebodem tegen de Overijsselse kant sterk opliep werd al in 1941 de eerste oogst (Rogge) van het land gehaald.
De kersverse polder werd al snel een toevluchtsoord voor onderduikers, omdat de arbeiders waren vrijgesteld van de Arbeitseinsatz. Van de Noord-OostPolderwerd in die tijd gezegd dat die ook stond voor "Nederlands Onderduikers Paradijs". In totaal zouden er circa twintigduizend personen ondergedoken zijn geweest gedurende deze oorlogsjaren. In november 1944 werden bij een grote razzia ongeveer 1800 pioniers en onderduikers opgepakt en via Vollenhove naar Meppel afgevoerd. Waarvan de toenmalige Landdrost Smeding toch nog ongeveer de helft heeft weten terug te halen om zodoende de graanoogst nog te kunnen dorsen. Tot op de dag van vandaag zijn er nog twee wegen terug te vinden in de polder, die aan de onderduikers herinneren onder andere de Onderduikersweg en Onderduikerspad, in Espel/Creil.
Reeds in de Tweede Wereldoorlog werd begonnen met de bouw van boerderijen, in eerste instantie dezelfde typen als in de Wieringermeer. Deze staan voornamelijk aan de Oostkant van de Polder, meestal aan het begin van een weg. Omdat ze gebruikt werden om de polder in cultuur te brengen heten deze boerderijen Cultuurboerderijen. Na de Tweede Wereldoorlog waren stenen en metselaars nog schaars; men maakte toen voor het eerst van prefab betonelementen. In 1947 begon de uitgifte van grond. De nieuwe boeren werden streng geselecteerd. Ze kwamen voornamelijk uit Friesland, Noord-Holland, en Zeeland (onder andere uit Walcheren dat in oktober 1944 door de geallieerden onder water was gezet). Na de watersnood van 1953 kwamen er nog veel boeren van Schouwen-Duiveland, Tholen en Zuid-Beveland over.
Bij de inrichting van de polder ging men uit van één centrale plaats (Emmeloord), en stervormige verbindingswegen naar tien kleinere dorpen. Deze vorm van inrichting is gedeeltelijk gebaseerd op de Centrale Plaatsen Theorie van de Duitse econoom en geograaf Christaller die deze in 1933 beschreef. Bij het ontwerp van de Noordoostpolder ging men nog uit van kernen op fietsafstand, maar de opkomst van de auto maakte deze planning tijdens de uitvoering al achterhaald. In Oostelijk Flevoland kon men daarom van een indeling op grotere schaal (kernen op autoafstand) uitgaan, waardoor een aantal geplande dorpen geschrapt konden worden.
Tegenwoordig zijn de (snelweg) A6 tussen Lelystad en Joure en de (autoweg) N50 tussen Emmeloord en Kampen de voornaamste verbindingswegen.
Voor de nieuwe polder waren verschillende namen in omloop; zo werd in 1944 de naam Urkerland officieel vastgelegd, net als de namen van de dorpen. In 1948 werd De Noordoostelijke Polder de officiële naam. Vanaf de instelling van de gemeente Noordoostpolder in 1962 tot de vorming van de provincie Flevoland in 1986, hoorde de polder bij de provincie Overijssel. Voor die tijd viel het gebied bestuurlijk onder het Rijk.
De polder was rond het jaar 1000 nog gewoon land, er was zelfs meer land dan zoals de polder is ingepolderd. Niet geheel duidelijk is of het behoorde bij de gouw Texla, of dat Wiron een afzonderlijke gouw was. Door de stormen van onder andere 12e eeuw was het gebied onder water gelopen en onderdeel van de zee geworden. De stroomgeulen van het Ulkediep en Amsteldiep liepen door het gebied. Deze werden reeds in 1924 afgesloten met een dijk die het eiland Wieringen verbond met het vasteland. Met de aanleg van de Wieringermeerpolder werd in 1927 begonnen. Bij het droogmaken werd gebruikgemaakt van een elektrisch gemaal, nabij Medemblik. De start van de bouwwerkzaamheden was in februari 1928. Ten zuiden van Den Oever op Wieringen is gemaal Leemans gebouwd, een dieselgemaal met een tweetal pompen van 250 kubieke meter per minuut. Gemaal Lely had drie pompen van 400 kubieke meter elk. Op 10 februari 1930 werden de pompen in gebruik gesteld om 6 miljoen kubieke meter water buiten de dijken te krijgen.
Volgens het oorspronkelijke plan zou de polder pas
worden aangelegd als de Afsluitdijk zou zijn voltooid. Maar omdat Nederland
grote behoefte had aan landbouwgrond werd de aanleg versneld. De nieuwe polder
bestond voor het grootste gedeelte uit akkerland.
In de Wieringermeer
werden vier dorpen aangelegd. De centrumplaats is Wieringerwerf, in het zuiden
ligt Middenmeer, in het westen Slootdorp en in het oosten Kreileroord. De
polder bestaat voor het grootste deel uit akkerland, gesymboliseerd door het
beeld De Maaier in het centrum van Wieringerwerf.
De Wieringermeer werd
een soort proefpolder voor de inrichting van het nieuwe land en de opbouw van
een samenleving. Hiervoor had de proefpolder Andijk immers niet genoeg ruimte
geboden. De dijk moest nu in de Zuiderzee worden aangelegd, en moest ook
zwaarder worden uitgevoerd. De polder was feitelijk geen IJsselmeerpolder,
maar een Zuiderzeepolder (de zogenaamde Noordwestpolder). Op 21 augustus 1930
viel de polder droog. Vanaf 1934 werd het nieuwe land in cultuur genomen. De
uitgifte van land gebeurde hierbij voor het eerst via de overheid. Deze wilde
de problemen die waren ontstaan in de eerste jaren na de drooglegging van de
Haarlemmermeerpolder voorkomen (vooral particulier initiatief, waarbij veel
armoede bestond en zelfs malaria uitbrak). De kavelgroottes voor nieuwe boeren
werden door de machtige Wieringermeer directie bepaald op 20 hectare en
uitgegeven middels een
pachtsysteem.






























