LEMMER
- Zaterdagmiddag. Morgen is het 10 mei. Dan is
het 69 jaar geleden dat voor Nederland de oorlog
begon. Ineens staan de beelden van die dag weer
helder voor mij. Ik was toen acht jaar. Toch was
ik behoorlijk op de hoogte van de hele politieke
toestand. Tenminste internationaal. Geen wonder,
we hoorden op de radio het laatste jaar anders
niets dan oorlogsberichten.
Het Frans – Duitse front was
bijna onbeweeglijk. Uit die tijd kennen we dan
ook de uitdrukking: ‘im Westen nichts Neues’. Op
zee gebeurde wel een en ander. De Duitse marine
was heel actief en er werden geregeld schepen
tot zinken gebracht. Daarbij werd niet speciaal
naar de nationaliteit gekeken. Ook schepen uit
neutrale landen werden niet gespaard.
Nederlandse dus ook niet. Verklaring van Duitse
zijde was dan dat die neutrale schepen
‘contrabande’ vervoerden.
In het eerst zat er nog een spoor
van menselijkheid in. Schepen werden
aangehouden, doorzocht en gewaarschuwd dat zij
over een bepaalde tijd tot zinken zouden worden
gebracht. De horloges werden gelijk gezet en de
overblijvende tijd kon besteed worden om de
opvarenden in veiligheid te brengen. Dit slaagde
niet altijd en vooral toen er zonder
waarschuwing getorpedeerd werd vielen er
slachtoffers, ook op de neutrale schepen. Toen
de Simon Bolivar in de grond werd geboord bleef
er een verweesde baby achter. Hij werd bij de
Burgerlijke Stand ingeschreven en genoemd naar
het onfortuinlijke schip, Simon Bolivar. Vaak
heb ik mij afgevraagd wat er van dat kind
geworden is.
Op de morgen van 10 mei, toen
mijn grootvader om half zes naar de bakkerij
ging, was het hier voor al vol mensen. Onrustig
door de laatste berichten van de vorige avond
ging men naar Gemeentehuis en postkantoor waar
misschien meer nieuws te horen viel. Mijn eerste
gang was naar de buren, familie Van Schoot. Die
moesten toch ook weten wat er aan de hand was.
Na veel kloppen kwam Ciska, de jongste dochter,
aan het raam. Toen wisten ook de buren dat hun
zoon en broer, die als korporaal in dienst was,
bij de strijd betrokken kon raken.
De gedachte ontstond dat we
misschien zouden moeten vluchten. Velen maakten
vluchtkoffers klaar en ik herinner mij dat hier
thuis alles wat op tas of koffer leek volgepakt
werd. Zelfs de grote koffer waarin onze eerste
stofzuiger gekocht was en bewaard werd.
Ondertussen speelde de radio aan één stuk door.
Het eerste bericht dat wij hoorden was:
’Parachutisten geland bij Leiden’. Toen volgde
de oorlogsverklaring van Koningin Wilhelmina aan
de invallers en het eerste Nederlandse
legerbericht.
In de loop van die dag heb ik
verscheidene loopjes naar de bakkerij gemaakt.
Pake moest immers op de hoogte blijven van het
nieuws. Blessinga, de boekhouder, had de atlas
op zijn bureau liggen om te volgen hoe de strijd
zich voltrok.
Van deze eerste oorlogsdag
herinner ik me nog een maatregel, waarschijnlijk
afkomstig van de dienst Luchtbescherming. De
ramen moesten zoveel mogelijk beplakt worden met
plakband. Als de ruiten door luchtdruk
sneuvelden zouden ze er niet uitvallen omdat het
plakband de scherven op hun plaats hield. Bij de
meesten werd deze bescherming na korte
tijd weer opgeruimd. Bij het
postkantoor bleef het voor de raampjes van het
kolenhok zitten, voor mijn gevoel tot na het
einde van de oorlog.
In mijn enthousiasme om de
gebeurtenissen van die tiende mei te beschrijven
ben ik al ver over de mij toegewezen hoeveelheid
woorden gekomen. Daarom deze week geen foto.