Enkele verhalen van Johannes de Vries.

 

                Telnr: 0514-561638.     
                  

,,De winkel heeft me veel mooie contacten opgeleverd"

Johannes de Vries, sluit na 91 jaar Bakkerij Schirm.

 

In deze serie volgen we Johannes zijn mooie verhalen, met onze grote dank.

 

Bijnamen.

Vanouds hadden velen in Lemmer een bijnaam. Vooral onder de vissersbevolking. Met de visserij waren hele series Bootsma’s en Vissers annex. Die moest je toch wat uit elkaar houden. Dat kon door iemand te noemen bij zijn voornaam, gevolgd door de aanduiding ‘van’ en dan de naam van zijn of haar vader. In die tijd werden ouders, schoonouders, broers en zusters volgens een vast schema vernoemd. Er kwamen dus ook nog eens veel van dezelfde namen voor. Dan kon het treffen dat twee vaders met dezelfde naam ook hun  kind een gelijke naam gaven. Dan gaf de aanduiding ‘van’ ook niets meer.

Er was nog een andere manier om mensen nader aan te duiden. Door hun naam te verbinden aan iets waarmee zij zich van de rest van de bevolking onderscheidden. Een lichaamseigenschap, een beroep, de naam van iemands aak of botter. Het mooist was om iemand naar een gebeurtenis uit zijn leven te noemen.   

Zo’n 600 van deze bijnamen zijn verzameld door Wietze de Haan en Klaas Jansma. In het boekje ;’Ach ach, flau Bouk’ hebben zij die gerangschikt en, als de oorsprong nog bekend was, omschreven hoe men aan die naam kwam. (nog verkrijgbaar bij oudheidkamer It Lemster Fiifgea) Voor veel mensen was de bijnaam een soort geuzennaam. Zij vonden het een eer die naam te dragen. Roelof Bootsma heeft de (familie)bijnaam Pruis zelfs op zijn grafsteen staan. Toch konden er soms ook pijnlijke situaties ontstaan. Als je iemand die er geen prijs op stelde met zijn bijnaam aansprak. Zo is het mijn overgrootmoeder eens gebeurd dat zij brood voor mijn grootvader naar iemand zou brengen. De betreffende klant stond bekend als ‘de Pauw’. Zo werd hij ook door haar aangesproken. Woedend moet hij geweest zijn.

Albert Klijnsma, indertijd wethouder voor de Partij van de Arbeid, was ook voorzitter van de Krite De Lemmer. Op onze bestuursvergaderingen heeft hij verschillende keren de volgende anekdote verteld: Er was wat aan de hand met standplaatsen voor de straathandel. Het betrof Andries Visser, visverkoper, in Lemmer beter bekend als Andries Panne. Beide wethouders (Wiebe Poppe was de tweede voor de C.H.U.) spraken over Andries Panne. Burgemeester Brouwer nam dat over en zei tegen conciërge Hendrik Boonstra: ‘Haal meneer Panne even voor mij op.’ Voor Boonstra geen probleem. Hij wist om wie het ging.

Andries verscheen bij de burgemeester. Die kwam met uitgestoken hand op hem af en met de woorden: ‘Dag, meneer Panne.’ ‘Visser is de naam’, moet Andries toen gezegd hebben. Een ander mocht die naam gebruiken, een burgemeester moet toch beter weten.

Nog zo’n voorval. Dat speelde zich bij ons thuis af. Mijn moeder nam op een middag de telefoon op. Zij verstond de naam niet goed, maar er werd naar mijn vader gevraagd. Zij gaf hem de hoorn over met de woorden: "Ik geloof dat het Reade Sake is." Het was Sake Visser inderdaad. Hij nam het goed op en zei tegen mijn vader: "Hiltje heeft het goed gehoord" ik ben Reade Sake.


 

Lemmer in de twintiger jaren.

Bij de vraag van Radio Bezo om op deze verkiezingsavond iets te vertellen over Lemmer in de twintiger jaren gingen mijn gedachten in de eerste plaats naar de middelen van bestaan die Lemmer toen had. Waar werkte men in die tijd in Lemmer en waar leefde men van? Het was een tijd van kleine bedrijven zoals men die nu ook wel graag weer zou willen hebben om het risico van grote ontslagen als er iets verkeerd mocht gaan te voorkomen.

De industrie van Lemmer was in die tijd de Houtmolen. Daarnaast waren er de kleinere bedrijven die op visserij en scheepvaart gericht waren, zoals de scheepswerf van gebr. De Boer en drie blokmakerijen. Dan was er de Centrale Bakkerij met twaalf aangesloten winkels en de nodige venters en verder personeel. Op de hoek van Lijnbaan en Nieuwburen was er een schakel met de veehouderij, de melkfabriek. Er waren zes zaken die we nu horecabedrijven zouden noemen, vier kappers, vier smederijen en een drietal kledingzaken.

De Lemster vissersvloot bestond in die jaren uit een honderdtal schepen en scheepjes. De nachtboten en de tramboten vormden een belangrijke verbinding met Holland voor passagiers- en vrachtverkeer. Lemmer kende in die tijd een drukke scheepvaart en als het een paar dagen stormde lagen er langs de Polderdijk tot aan de Gebraden Haan zo maar een zestig tjalken en klippers.

Voor de verwerking van de aangevoerde vis waren er vier grote rokerijen en ook nog drie kleine, waar bij ieder niet meer dan één of twee mensen werkten. Dan was er ons Tramstation. Vandaar gingen de producten van de Lemster rokerijen het land in en natuurlijk was dat voor de reizigers die met de boten aankwamen de verbinding verder Friesland en Groningen in.

Dan wil ik het nu even hebben over het vis verwerken. Het werk waarmee ik in die jaren de kost meestal verdiende. Als de haringtijd begon, dat was ongeveer van Februari tot April, begon het werk zo’n week of zes ’s morgens al heel vroeg. Op Maandagmorgen begonnen de vaste knechten al in de vroegte en de speters kwamen dan om zes uur. De eerste ploeg zette de haring in de pekel, een andere ploeg pakte de bokkingen in kisten van honderd (dat werd een half tal genoemd), in driekwart kisten met honderd en vijftig of in tals kisten met twee honderd stuks. Deze gingen naar het Zuiden als bakbokking.

Als om zes uur de speters kwamen was de haring goed gezouten voor de consumptie. Het duurde niet lang, dan had ieder zijn werk al weer. Er werd gespoeld met drie speten tegelijk. Eén of twee man verstreken de haring aan het spit. De roker had intussen de vuren aangestoken en de haringen werden in de hokken gehangen.

Als de haring droog was kwamen er planken over. Er bleven naden over waar de rook door kon ontsnappen. Dat drogen was om te voorkomen dat de haringen van de speten af vielen. Boven in de rokerij waren stellingen waar speten met haringen werden opgehangen. Er moest dan een man boven in de rokerij staan. In de dikke rook. Vaak sprong deze man weer uit de rook vandaan omdat hij er bijna stikte. Dat was voor mij wel het minste werk, maar er waren jongens die het lang konden volhouden.‘Waarom werd deze haring daar neergehangen?’ zult U vragen. Dat was omdat, als ze boven de vuren kwamen, deze haringen eerder gerookt waren dan wanneer ze nat boven het vuur kwamen.

Toen ik later met vis ventte kocht ik haring van Seerp A. de Blauw. Mijn broer Jan, die daar toen werkte, bewaarde dan altijd de bokking voor mij die nat waren gerookt want die waren het lekkerst.

Als de haring bokking was geworden werden ze ingepakt als ze nog warm waren. Wanneer er dan één van de bazen kwam met een briefje dat er nog vijftig kistjes met de tram van elf uur mee moesten, werden ze buiten op een stelling gehangen om koud te worden. Er kon niet lang gewacht worden met inpakken. Als er veertig kistjes op de kar stonden gingen twee man daarmee vooruit naar de tram. De rest van de bokking werd dan nog ingepakt. Drie man gingen dan, ieder met een paar kistjes op het schouder naar het Tramstation. Het was dan wel eens even over elf, maar de tram had dan nog wel even op de laatste kistjes gewacht.

Als je dan in de hang terug was moest je gauw naar de haven om haring te halen van de Vollenhoven 64. Die moesten nog voor twaalven in de pekel. Als de sirene van de Houtmolen om twaalf uur floot krioelde het op straat van de arbeiders. Zij hadden dan een uur schafttijd en als je dan van de helling naar het Turfland moest lopen viel dat niet mee. De brug werd dan van vijf vóór tot kwart over twaalf gesloten.

Deze bijdrage van mijn vader was bestemd voor de uitzending van Radio-Bezo, bejaarden- en ziekenomroep die hier toen in actie was. Er zou verslag worden gedaan van de uitslagen van de Raadsverkiezingen op 2 juni 1982. Die avond kampte Lemmer met een stroomstoring. Hierdoor kwamen veel bijdragen te vervallen, waaronder deze van mijn vader. In een bedankbriefje schreef het bestuur dat dit hun speet maar dat zij het nu wilden gebruiken voor een uitzending naar Suderigge.


Het Postkantoor van Lemmer.

 

 

Het was vorige week de bedoeling om wat te schrijven over het postkantoor hier in Lemmer, zoals te verwachten was is het er toch van gekomen. De politiek kan zich er tegen verzetten maar als er eenmaal besloten is dat het kantoor dicht moet, dan gaat het ook dicht. Het lijkt nu triest, dat lege kantoor. Gelukkig is er toch nog wat overgebleven. De brieven bussen zijn er nog, de post bussen zitten nog in het gebouw en het is ook nog een uitvalbasis voor de bestellers. ( ook dat is nu verledentijd ) Het nieuwe onderkomen in de Spar is mooi dicht bij. Dan hebben we in ieder geval nog het voordeel dat er in de persoon van Siebolt van der Bijl een Lemster achter het loket staat.

Alsof men bang was dat de hele operatie zou mislukken, zo werd de ontmanteling van het kantoor aangepakt. Een paar vrachtwagens ervoor en maar slepen. In een paar uurtjes was alles er uit en was er alleen de vergane glorie die er over bleef. De posterijen hebben er geen eeuw vol kunnen maken. Het werd in mei1908 in gebruik genomen. Bij de inschrijving op 28 september werd de bouw gegund aan de laagste inschrijver, G.S. Kijlstra uit Drachten.

Ontwerper van het was de Rijksbouwmeester. Het zal geen moeilijke opgave zijn geweest, want het postkantoor in Joure moest als voorbeeld dienen. Allen moest het groter zijn, groot werd het. Niet alleen het kantoor maar ook de directeurswoning, grote hoge kamers. Op de beneden verdieping een grote kamer, een brede gang met een trap met fraai bewerkte trapleuning, er was nergens op bespaard. Het zou niet best zijn als je daar nu zou wonen. Nauwelijks warm te stoken en onbetaalbare stook kosten. Dat alles voor een aanneemsom van fl 27.983.-!

Ook in het verre verleden werd er al gereorganiseerd. Zo kreeg de directeur van het kantoor in Amsterdam in 1815 een brief van de postmeester-generaal dat de brieven niet meer via Amsterdam, maar via Heerenveen naar Lemmer moesten. In 1887 werd de postrit Zwolle, Blokzijl doorgetrokken naar Lemmer. Voor het vervoer van de post Joure-Lemmer werd gebruik gemaakt van de Tram, de zogenaamde Rijdende Trampost. De post werd dan onder het rijden van de Tram door de besteller gesorteerd.

Onwillekeurig gaan je gedachten naar wat je zelf van dit postkantoor hebt meegemaakt ( Johannes de Vries). Als directeuren en bewoners denk ik aan de families Tjeerd van der Bijl (later met beppe Knol als inwonend), Uilkema,Stellingwerf en Bitter. Door contacten met deze buren ben ik verschillende keren in de kamers daar boven geweest. Op de bovenste zolders ben ik nooit geweest, er is nog eens sprake geweest dat we daar een studio voor Radio Lemsterland zouden inrichten. Gelukkig niet door gegaan, dan hadden we nu op straat gestaan.

Dan waren er de postbodes. Jaren lang dezelfde mensen. Jouke Wagemakers, Hendrik Kok, Douwe Schaaf, Durk Reijenga, Hendrik van de Berg, Jolle Gaastra, het zijn namen die mij zo te binnen schieten. Bijna autoriteiten in uniform. Als je ergens de weg niet weet vraag het aan een postbode, die weet alles te vinden werd er dan gezegd. Ze hebben er wat afgesjouwd deze mensen. Met een bijna onbeperkte service voor de inwoners. Voor al de mensen in de buitengebieden maakte veel gebruik van hun diensten.

In het laatst van de oorlog liep het met de post niet vlot meer. Zakken vol stapelden zich op voor in het kantoor. In die tijd hielp ik Blessinga op kantoor voor het plakken van brood bonnen en andere klusjes, daar hoorde dan ook het legen van de postbus bij. Om bij nummer 21 te komen moest je soms over de zakken met post heen klimmen.


 

De raad van Lemmer.

LEMMER – Zondagavond. Negen uur. Eén en zestig jaar geleden zaten we met ons vijven – mijn grootouders, mijn ouders en ik – op de bank in de winkel. Vol bange voorgevoelens, angst voor de komende nacht en vol hoop dat de bezetting nu bijna voorbij was. Alles wees er op dat de Duitsers zich klaar maakten voor de aftocht. Over water naar Noord Holland. Alles wat Duitser was bewoog zich in de richting van de havens. Behalve een wagen met een wit paard er voor. Die ging verder de Nieuwburen op. Zouden ze wat vergeten hebben om mee te nemen? We besloten te wachten tot zij terug kwamen. Dat duurde niet zo erg lang. Ze kwamen terug met het materiaal dat op het Katholieke deel van het kerkhof opgesteld was geweest. Nu moesten we dan toch maar naar bed. Kleren maar zo veel mogelijk aan houden. Als er wat mocht gebeuren was je meteen klaar om te doen wat er gedaan moest worden. Nauwelijks lagen we in bed of er kwam een vreselijk rammelend lawaai. Met een ontploffing. Voor ons stond het vast dat de Duitsers de bruggen en sluizen opbliezen. Maar het leek wel of ze het niet kapot konden krijgen. Om de paar minuten herhaalde dit alles zich. Alleen werden de tussenpozen langzamerhand groter.

Pas tegen de morgen werd het stil. De bruggen lagen er nog en burgemeester Krijger liep met het geweer aan de schouder voor het Gemeentehuis. Van hem hoorde mijn vader dat de Duitsers echt vertrokken waren. Het lawaai van die nacht had niets met bruggen en sluizen te maken gehad. Lemmer had die nacht onder Geallieerd vuur gelegen. Er was grote schade en mogelijk waren er ook slachtoffers gevallen. Een paar uren scheidden ons toen nog van de binnenkomst van de Canadese bevrijders.

Die hele nacht en de daarop volgende dag staan mij nog levendig voor de geest. Toch zijn er enkele dingen die er uit springen. Dat was in de eerste plaats dat we hoorden dat Willem van Slageren zwaar gewond was. Even later werd hij naar de bewaarschool over gebracht. Zijn vader liep als een gebroken man achter de brancard. Mijn grootvader ging hem vragen hoe erg het was. ‘Hij leeft nog’, was het antwoord. Al gauw hoorden we dat hij in de als noodziekenhuis ingerichte bewaarschool overleden was. Dit maakte op ons diepe indruk. De familie Van Slageren had lang tegenover ons gewoond en toen we klein waren was Willem mijn vaste speelkameraadje.

Een andere gebeurtenis was midden in die nacht. Naast ons woonde de familie Visser. Een broer en twee zusters waarmee wij al tientallen jaren in onmin leefden. De Weeskes voor de Lemsters. Contacten gingen alleen via deurwaarders, advocaten en rechters. We hoorden dat zij in de steeg waren. Mijn vader ging er heen. In zulke omstandigheden vergeet je alle ruzie en kijk je of er geholpen moet worden. Op vaders vraag of er wat gebeurd was antwoordden de dames: ‘Er is een stuk vuur gevallen. Denk er om, trap er maar niet op’. Meteen kwam Dominicus, de broer, uit het pakhuis. ‘Spreek niet tegen die vent, naar binnen jullie’. Vader heeft daar geen vriendelijk antwoord op gegeven.

Als laatste een wat positiever gebeurtenis. Op de Straatweg woonde een boer, beter gezegd een koemelker. Waar nu de familie Dalsheim woont. Hij had twee koeien en die waren de vorige dag door de Duitsers meegenomen. ’s Morgens liepen ze nog op de dam. Toen heel Lemmer zich hier in het centrum verzamelde om de Canadezen binnen te zien komen, kwam meester De Vries (van de lagere school, niet te verwarren met het NSB hoofd van de ULO school met dezelfde naam) met beide koeien aan een touw over de brug. Er werd hem aangeboden om de dieren naar hun baas terug te brengen. Daar was geen kans op. ‘Dit doch ik sels’, zei De Vries.

Alle jaren rond deze tijd komen die herinneringen weer naar boven. Deze keer nog sterker dan anders nu ik bij het voorbereiden van een artikel over de vernoeming van het parkje bij de Markerstraat naar onze laatste vermoorde Joden weer verschillende boeken over de oorlog en de Bevrijding in handen kreeg.

  Jozeph en Sarah Blok


Oorlogskinderen   23-Apr-2003

September 1939. Ik was10 jaar.

Mem seit: 'It is oarloch.'  'No ja, mar jhir toch net.'  Oarloch like my wol spannend, it wie wer's wat oars.  'Bernepraat,' seit mem.

Alles ging zijn gewone gang. De oorlog bestond alleen in de krant en op de radio. "Jhir ek"

Mei 1940 (11 jaar)

Toen wie de oarloch ek yn 'e Lemmer. Tante Margje: 'Wer is heit? (pake) De Dûtsers stean al by it gemeentehûs.' Pake zijn vrouw, oate, was in 1937 overleden, en pake alleen in het grote huis achter de trambrug, dat werd niks. Pake woonde dus bij ons in huis. En nu was pake even de Lemmer in. 'Ik hear him al oankommen,' seit mem. Want pake slofte nogal, je hoorde hem bij Sake van de Byl al aankomen.  'Mem, mei ik dêr's sjen, by it gemeentehûs?'  Maar dat mocht niet van Mem. Maar het was evenzogoed wel spannend.  Op aanplakbiljetten stond: 'Wir tun euch nichts.' Maar in grote letters: 'Op verzet staat de doodstraf!' Ook in het Duits natuurlijk.

Naar de afsluitdijk

Een paar dagen later. Honderden (duizenden?) Duitse soldaten op paarden trokken door de Lemmer naar de afsluitdijk. Wij als jongens keken onze ogen uit, dit had iets griezelig- spannend, omdat je wist dat bij de afsluitdijk zou worden gevochten. In de colonne reden ook Nederlandse soldaten mee op fietsen. 'Krijgsgevangenen, die gebrûke de moffen as libbend skyld,'wist lytse Bonne. Ook `s-nachts ging de colonne door.Van slapen kwam niet veel, je hoorde zware vrachtwagen en paarden, paarden, paarden.  Later hoorde je van de slag bij Kornwerderzand. Maar in augustus was het weer gewoon Lemstermerke.

Een paar dagen later.

'Vannacht gean de moffen er oan. De Ingelsen binne al ûnderweis nei de Lemmer ta. Oer see. De hiele Lemmer giet plat.' Geruchten! De ene wist dit, de ander dat. Veel Lemsters verlieten het dorp. Gingen overnachten bij boeren in de schuur of bij familie in Echten, Follega en verder. Mem seit: 'Wy bliuwe hjir ek net. We gean nei Eastersee, nei tante Mine.'  Heit fielde d'r niks foar, mar mem sette troch. En sa fytsten we jûns nei Eastersee. Pake by heit foarop de transportfyfs. Letter kamen omke Miente en tante Margje ek. `s-avonds tegen elven, we lagen al op bed of op matrassen op de grond, werd er gebeld. Van zo,n ouderwetse trekbel werd je wel wakker. 'Net iepen dwaan,' sei heit. Maar er werd hard op de ramen gebonsd. 'Aufmachen, bite!' Dûtsers' sei heit. Maar omke Miente was al bij de voordeur. Het was een Duitse moterordonnands die de weg naar Lemmer vroeg. Ik denk dat omke hem de goeie weg gewezen heeft, van verzet was nog geen sprake. Toen we `s-morgens tegen elven weer in de Lemmer kwamen, was er niks gebeurd. Het theelichtje brandde nog.  'Ik lit my de kop net wer gek meitsje,' sei heit.

1940 - 1945

De tweede wereldoorlog. De oorlog van onze kinderjaren. Miljoenen, miljoenen doden, gewonden en nabestaanden. Leed met geen pen te beschrijven. De straten in ons dorp spreken van verzet, maar ook van marteling en moord, de Gerben Bootsmastraat, Wiepke Hofstraat, Jacob de Rookstraat, Fokelinus van der Walstraat, en meer. Waar is het Sara en Jozef Blokplein?

17 april 1945. Ik was amper 16 jaar.

Na een angstige nacht, alweer doden, werd Lemmer bevrijd. De Canadezen reden het dorp binnen op hun stoere Harley Davidsons. En wat in ons dorp nog nooit was vertoond: hossen! Kinderen, jongeren, ouderen en de oudsten hosten in lange slierten door de straten. Onvermoeibaar, de vreugde van de bevrijding moest er uit. Hossen, hossen! Een lange polonaise van bevrijdingsplezier.

Een dag later. .

Bij bevrijding hoorde vrijen. Er vormden zich paartjes: 'Giest mei nei't Skieppedykje?' 'It is dêr tjuster' sei it famke.' 'No, wat soe dat?' Maar er was een groot vuurwerk dat ook het Skyppedykje hel verlichtte. Dat foel ûs dochs wat tsjin. Nadat er afgerekend was met de NSBers,en de meisjes die met de Duitse soldaten hadden gescharreld genoeg waren uitgejouwd en vernederd, ging alles weer z'n gewone gang. In ons dorp is later naar mijn weten nooit meer gehost.

Turfland 1

Feike Vaartjes

(Feike Vaartjes werd in 1929 in Lemmer geboren op de eerste verdieping van het oude pakhuis Turfland 1, waar zijn vader, Klaas Vaartjes, en daarvoor zijn grootvader Feike Vaartjes, op de begane grond of eigenlijk de kelder een brandstofzaak had. De auteur bracht zijn kindertijd van 1929 tot 1935 in Lemmer door.)


Andries Bergsma, een opvallende Lemster.

 

Andries in zijn jonge jaren. 

Een kleurrijk figuur in Lemmer was Andries Bergsma. In Lemmer beter bekend als ‘Reade Okke’. Een man die levenslang vrijgezel gebleven is. Hij woonde alleen en leefde op zijn eigen manier. Niemand tot last. Andries was een man die, als er werk was, alles aanpakte. Naar ik mij herinner werkte hij vaak bij het lossen en laden van schepen. In het werk stond hij zijn mannetje; hij was niet iemand die zijn collega’s voor het zware werk liet opdraaien. Veel Lemster hadden niet zo’n hoge dunk van hem. Die kenden hem het beste van zijn altijd durende dorst. Hij dronk vrij veel en ook vrij geregeld wat te veel. Maar daar deed hij niemand anders dan zichzelf tekort mee. Hij had een vrolijke dronk over zich en liep dan zingend door Lemmer.

Persoonlijk heb ik een heel andere kant van hem leren kennen. Hij was voor zijn brood altijd klant bij collega bakker Haveman. Toen die zijn winkel sloot was Andries in paniek. ‘Wer moat ik nou hinne frou’, vroeg hij vrouw Haveman. ‘Gean mar nei Evert – dat was mijn vader – ik bepraat it wol’, zei vrouw Haveman. Zij vertelde mij dat Andries, die altijd zoals wij het hier zeggen, ‘pine yn é bûse’ had (altijd platzak was) een maand lang alles wat hij kocht liet opschrijven. Als hij dan zijn AOW ontving kwam hij om te betalen. Zo ging het voortaan bij ons ook. Ongeveer een week voor de uitbetaling gaf hij wat ik dan noemde het tien minuten schot. Zoals bij het skûtsjesilen ook twee keer geschoten wordt voordat het aan het startschot toe is. Een keer tien en een keer vijf minuten. Dat tien minuten schot was dan bij Andries een waarschuwing dat mijn moeder de rekening moest optellen. Een paar dagen later vroeg hij of het al opgeteld was, het vijf minuten schot. Als de grote dag dan kwam was hij ’s morgens al heel vroeg bij de achterdeur van het postkantoor. Om te vragen of zijn geld al binnen was. Meteen als het kantoor open was haalde hij zijn geld op en liep rechtstreeks door naar ons om te betalen.

Alle keren gaf hij wat extra’s. Als het ƒ 19.50 was zei hij: ‘Rekkenje mar 20.00’ (Maak er maar 20 van). Of hoe het maar uitkwam. Wij zijn dan ook nooit een cent aan hem tekort gekomen. Toen hij overleden was kwam een nicht van hem die hem altijd wat steunde om wat er nog open stond van de lopende maand te betalen. Andries is op een rare manier aan zijn einde gekomen. Hier op de Nieuwburen werd hij aangereden. Ik meen dat hij nog een paar dagen geleefd heeft. Maar die aanrijding is in ieder geval zijn dood geworden. Bergsma was wel een man met humor. Vaak was het wel een wrange humor. Misschien ook wel om zichzelf te beschermen. Hij was nogal emotioneel. Dat moest iemand anders niet weten en dan moest dat wel eens op een beetje ruwe manier verborgen blijven.

Op een dag werd één van zijn vrienden uit het café begraven. Het was in de tijd dat de bieten werden binnengehaald. Wagens vol bietenkoppen werden door de boeren uit de Noordoostpolder gehaald. Zij reden daar dan mee door Lemmer. Meteen na de begrafenisstoet reed zo’n wagen met groen. ‘Hy hat wol blommen’ (Hij heeft wel veel bloemen) was het commentaar van Andries die aan de kant stond te kijken. Zoiets zeg je gemakkelijker dan woorden van medeleven of gedenken. Andries heeft zijn hele leven in Lemmer gewoond. Hij hield van ons dorp. Net als alle geboren Lemsters. Toen iemand tegen hem zei: ‘Wat is it hjir moai op ‘e Lemmer’ (Wat is het toch mooi in Lemmer) was zijn antwoord: ‘Ik kin wol skrieme as ik der oan tink dat ik hjir in kear wei moat’.(Ik kan wel huilen als ik er aan denk dat ik hier eens weg moet)

Met Sinterklaas was er sjoelen en balgooien in het café van Piet van der Werf. Andries hoorde daar tot de stamgasten. Als vaste klant hielp hij daar dan ook bij. Er was dan ook een soort loterij. Als hij de winnende loten trok riep hij af en toe als winnaar ‘Menear Ant. út Ychten’.(Mijnheer Ant. uit Echten) Die was er natuurlijk niet en de prijs werd dan eerst aan kant gelegd. Zo bleef er dan voor de medewerkers aan het eind van de avond ook nog wat te eten en te drinken over.

Home