,, De
winkel heeft me veel mooie contacten
opgeleverd"
Johannes de Vries,
sluit na 91 jaar Bakkerij Schirm.
In deze serie
volgen we Johannes zijn mooie verhalen, met onze
grote dank.
Bijnamen.
Vanouds hadden
velen in Lemmer een bijnaam. Vooral onder de
vissersbevolking. Met de visserij waren hele
series Bootsma’s en Vissers annex. Die moest je
toch wat uit elkaar houden. Dat kon door iemand
te noemen bij zijn voornaam, gevolgd door de
aanduiding ‘van’ en dan de naam van zijn of haar
vader. In die tijd werden ouders, schoonouders,
broers en zusters volgens een vast schema
vernoemd. Er kwamen dus ook nog eens veel van
dezelfde namen voor. Dan kon het treffen dat
twee vaders met dezelfde naam ook hun kind een
gelijke naam gaven. Dan gaf de aanduiding ‘van’
ook niets meer.
Er was nog een
andere manier om mensen nader aan te duiden.
Door hun naam te verbinden aan iets waarmee zij
zich van de rest van de bevolking
onderscheidden. Een lichaamseigenschap, een
beroep, de naam van iemands aak of botter. Het
mooist was om iemand naar een gebeurtenis uit
zijn leven te noemen.
Zo’n 600 van deze
bijnamen zijn verzameld door Wietze de Haan en
Klaas Jansma. In het boekje ;’Ach ach, flau Bouk’
hebben zij die gerangschikt en, als de oorsprong
nog bekend was, omschreven hoe men aan die naam
kwam. (nog verkrijgbaar bij oudheidkamer It
Lemster Fiifgea) Voor veel mensen was de bijnaam
een soort geuzennaam. Zij vonden het een eer die
naam te dragen. Roelof Bootsma heeft de
(familie)bijnaam Pruis zelfs op zijn grafsteen
staan. Toch konden er soms ook pijnlijke
situaties ontstaan. Als je iemand die er geen
prijs op stelde met zijn bijnaam aansprak. Zo is
het mijn overgrootmoeder eens gebeurd dat zij
brood voor mijn grootvader naar iemand zou
brengen. De betreffende klant stond bekend als
‘de Pauw’. Zo werd hij ook door haar
aangesproken. Woedend moet hij geweest zijn.
Albert Klijnsma,
indertijd wethouder voor de Partij van de
Arbeid, was ook voorzitter van de Krite De
Lemmer. Op onze bestuursvergaderingen heeft hij
verschillende keren de volgende anekdote
verteld: Er was wat aan de hand met
standplaatsen voor de straathandel. Het betrof
Andries Visser, visverkoper, in Lemmer beter
bekend als Andries Panne. Beide wethouders
(Wiebe Poppe was de tweede voor de C.H.U.)
spraken over Andries Panne. Burgemeester Brouwer
nam dat over en zei tegen conciërge Hendrik
Boonstra: ‘Haal meneer Panne even voor mij op.’
Voor Boonstra geen probleem. Hij wist om wie het
ging.
Andries verscheen
bij de burgemeester. Die kwam met uitgestoken
hand op hem af en met de woorden: ‘Dag, meneer
Panne.’ ‘Visser is de naam’, moet Andries toen
gezegd hebben. Een ander mocht die naam
gebruiken, een burgemeester moet toch beter
weten.
Nog zo’n voorval.
Dat speelde zich bij ons thuis af. Mijn moeder
nam op een middag de telefoon op. Zij verstond
de naam niet goed, maar er werd naar mijn vader
gevraagd. Zij gaf hem de hoorn over met de
woorden: "Ik geloof dat het Reade Sake is." Het
was Sake Visser inderdaad. Hij nam het goed op
en zei tegen mijn vader: "Hiltje heeft het goed
gehoord" ik ben Reade Sake.
Lemmer in de
twintiger jaren.
Bij de vraag van
Radio Bezo om op deze verkiezingsavond iets te
vertellen over Lemmer in de twintiger jaren
gingen mijn gedachten in de eerste plaats naar
de middelen van bestaan die Lemmer toen had.
Waar werkte men in die tijd in Lemmer en waar
leefde men van? Het was een tijd van kleine
bedrijven zoals men die nu ook wel graag weer
zou willen hebben om het risico van grote
ontslagen als er iets verkeerd mocht gaan te
voorkomen.
De
industrie van Lemmer was in die tijd de
Houtmolen. Daarnaast waren er de kleinere
bedrijven die op visserij en scheepvaart gericht
waren, zoals de scheepswerf van gebr. De Boer en
drie blokmakerijen. Dan was er de Centrale
Bakkerij met twaalf aangesloten winkels en de
nodige venters en verder personeel. Op de hoek
van Lijnbaan en Nieuwburen was er een schakel
met de veehouderij, de melkfabriek. Er waren zes
zaken die we nu horecabedrijven zouden noemen,
vier kappers, vier smederijen en een drietal
kledingzaken.
De Lemster
vissersvloot bestond in die jaren uit een
honderdtal schepen en scheepjes. De nachtboten
en de tramboten vormden een belangrijke
verbinding met Holland voor passagiers- en
vrachtverkeer. Lemmer kende in die tijd een
drukke scheepvaart en als het een paar dagen
stormde lagen er langs de Polderdijk tot aan de
Gebraden Haan zo maar een zestig tjalken en
klippers.
Voor de verwerking
van de aangevoerde vis waren er vier grote
rokerijen en ook nog drie kleine, waar bij ieder
niet meer dan één of twee mensen werkten. Dan
was er ons Tramstation. Vandaar gingen de
producten van de Lemster rokerijen het land in
en natuurlijk was dat voor de reizigers die met
de boten aankwamen de verbinding verder
Friesland en Groningen in.
Dan wil ik het nu
even hebben over het vis verwerken. Het werk
waarmee ik in die jaren de kost meestal
verdiende. Als de haringtijd begon, dat was
ongeveer van Februari tot April, begon het werk
zo’n week of zes ’s morgens al heel vroeg. Op
Maandagmorgen begonnen de vaste knechten al in
de vroegte en de speters kwamen dan om zes uur.
De eerste ploeg zette de haring in de pekel, een
andere ploeg pakte de bokkingen in kisten van
honderd (dat werd een half tal genoemd), in
driekwart kisten met honderd en vijftig of in
tals kisten met twee honderd stuks. Deze gingen
naar het Zuiden als bakbokking.
Als om zes uur de
speters kwamen was de haring goed gezouten voor
de consumptie. Het duurde niet lang, dan had
ieder zijn werk al weer. Er werd gespoeld met
drie speten tegelijk. Eén of twee man verstreken
de haring aan het spit. De roker had intussen de
vuren aangestoken en de haringen werden in de
hokken gehangen.
Als de haring
droog was kwamen er planken over. Er bleven
naden over waar de rook door kon ontsnappen. Dat
drogen was om te voorkomen dat de haringen van
de speten af vielen. Boven in de rokerij waren
stellingen waar speten met haringen werden
opgehangen. Er moest dan een man boven in de
rokerij staan. In de dikke rook. Vaak sprong
deze man weer uit de rook vandaan omdat hij er
bijna stikte. Dat was voor mij wel het minste
werk, maar er waren jongens die het lang konden
volhouden.‘Waarom werd deze haring daar
neergehangen?’ zult U vragen. Dat was omdat, als
ze boven de vuren kwamen, deze haringen eerder
gerookt waren dan wanneer ze nat boven het vuur
kwamen.
Toen ik later met
vis ventte kocht ik haring van Seerp A. de
Blauw. Mijn broer Jan, die daar toen werkte,
bewaarde dan altijd de bokking voor mij die nat
waren gerookt want die waren het lekkerst.
Als de haring
bokking was geworden werden ze ingepakt als ze
nog warm waren. Wanneer er dan één van de bazen
kwam met een briefje dat er nog vijftig kistjes
met de tram van elf uur mee moesten, werden ze
buiten op een stelling gehangen om koud te
worden. Er kon niet lang gewacht worden met
inpakken. Als er veertig kistjes op de kar
stonden gingen twee man daarmee vooruit naar de
tram. De rest van de bokking werd dan nog
ingepakt. Drie man gingen dan, ieder met een
paar kistjes op het schouder naar het
Tramstation. Het was dan wel eens even over elf,
maar de tram had dan nog wel even op de laatste
kistjes gewacht.
Als je dan in de
hang terug was moest je gauw naar de haven om
haring te halen van de Vollenhoven 64. Die
moesten nog voor twaalven in de pekel. Als de
sirene van de Houtmolen om twaalf uur floot
krioelde het op straat van de arbeiders. Zij
hadden dan een uur schafttijd en als je dan van
de helling naar het Turfland moest lopen viel
dat niet mee. De brug werd dan van vijf vóór tot
kwart over twaalf gesloten.
Deze bijdrage
van mijn vader was bestemd voor de uitzending
van Radio-Bezo, bejaarden- en ziekenomroep die
hier toen in actie was. Er zou verslag worden
gedaan van de uitslagen van de Raadsverkiezingen
op 2 juni 1982. Die avond kampte Lemmer met een
stroomstoring. Hierdoor kwamen veel bijdragen te
vervallen, waaronder deze van mijn vader. In een
bedankbriefje schreef het bestuur dat dit hun
speet maar dat zij het nu wilden gebruiken voor
een uitzending naar Suderigge.
Het
Postkantoor van Lemmer.

Het was vorige week de bedoeling om wat te
schrijven over het postkantoor hier in Lemmer,
zoals te verwachten was is het er toch van
gekomen. De politiek kan zich er tegen verzetten
maar als er eenmaal besloten is dat het kantoor
dicht moet, dan gaat het ook dicht. Het lijkt nu
triest, dat lege kantoor. Gelukkig is er toch
nog wat overgebleven. De brieven bussen zijn er
nog, de post bussen zitten nog in het gebouw en
het is ook nog een uitvalbasis voor de
bestellers. ( ook dat is nu verledentijd ) Het
nieuwe onderkomen in de Spar is mooi dicht bij.
Dan hebben we in ieder geval nog het voordeel
dat er in de persoon van Siebolt van der Bijl
een Lemster achter het loket staat.
Alsof men bang was dat de hele operatie zou
mislukken, zo werd de ontmanteling van het
kantoor aangepakt. Een paar vrachtwagens ervoor
en maar slepen. In een paar uurtjes was alles er
uit en was er alleen de vergane glorie die er
over bleef. De posterijen hebben er geen eeuw
vol kunnen maken. Het werd in mei1908 in gebruik
genomen. Bij de inschrijving op 28 september
werd de bouw gegund aan de laagste inschrijver,
G.S. Kijlstra uit Drachten.
Ontwerper van het was de Rijksbouwmeester. Het
zal geen moeilijke opgave zijn geweest, want het
postkantoor in Joure moest als voorbeeld dienen.
Allen moest het groter zijn, groot werd het.
Niet alleen het kantoor maar ook de
directeurswoning, grote hoge kamers. Op de
beneden verdieping een grote kamer, een brede
gang met een trap met fraai bewerkte
trapleuning, er was nergens op bespaard. Het zou
niet best zijn als je daar nu zou wonen.
Nauwelijks warm te stoken en onbetaalbare stook
kosten. Dat alles voor een aanneemsom van fl
27.983.-!
Ook in het verre verleden werd er al
gereorganiseerd. Zo kreeg de directeur van het
kantoor in Amsterdam in 1815 een brief van de
postmeester-generaal dat de brieven niet meer
via Amsterdam, maar via Heerenveen naar Lemmer
moesten. In 1887 werd de postrit Zwolle,
Blokzijl doorgetrokken naar Lemmer. Voor het
vervoer van de post Joure-Lemmer werd gebruik
gemaakt van de Tram, de zogenaamde Rijdende
Trampost. De post werd dan onder het rijden van
de Tram door de besteller gesorteerd.
Onwillekeurig gaan je gedachten naar wat je zelf
van dit postkantoor hebt meegemaakt ( Johannes
de Vries). Als directeuren en bewoners denk ik
aan de families Tjeerd van der Bijl (later met
beppe Knol als inwonend), Uilkema,Stellingwerf
en Bitter. Door contacten met deze buren ben ik
verschillende keren in de kamers daar boven
geweest. Op de bovenste zolders ben ik nooit
geweest, er is nog eens sprake geweest dat we
daar een studio voor Radio Lemsterland zouden
inrichten. Gelukkig niet door gegaan, dan hadden
we nu op straat gestaan.
Dan waren er de postbodes. Jaren lang dezelfde
mensen. Jouke Wagemakers, Hendrik Kok, Douwe
Schaaf, Durk Reijenga, Hendrik van de Berg,
Jolle Gaastra, het zijn namen die mij zo te
binnen schieten. Bijna autoriteiten in uniform.
Als je ergens de weg niet weet vraag het aan een
postbode, die weet alles te vinden werd er dan
gezegd. Ze hebben er wat afgesjouwd deze mensen.
Met een bijna onbeperkte service voor de
inwoners. Voor al de mensen in de buitengebieden
maakte veel gebruik van hun diensten.
In
het laatst van de oorlog liep het met de post
niet vlot meer. Zakken vol stapelden zich op
voor in het kantoor. In die tijd hielp ik
Blessinga op kantoor voor het plakken van brood
bonnen en andere klusjes, daar hoorde dan ook
het legen van de postbus bij. Om bij nummer 21
te komen moest je soms over de zakken met post
heen klimmen.

De raad van
Lemmer.
LEMMER –
Zondagavond. Negen uur. Eén en zestig jaar
geleden zaten we met ons vijven – mijn
grootouders, mijn ouders en ik – op de bank in
de winkel. Vol bange voorgevoelens, angst voor
de komende nacht en vol hoop dat de bezetting nu
bijna voorbij was. Alles wees er op dat de
Duitsers zich klaar maakten voor de aftocht.
Over water naar Noord Holland. Alles wat Duitser
was bewoog zich in de richting van de havens.
Behalve een wagen met een wit paard er voor. Die
ging verder de Nieuwburen op. Zouden ze wat
vergeten hebben om mee te nemen? We besloten te
wachten tot zij terug kwamen. Dat duurde niet zo
erg lang. Ze kwamen terug met het materiaal dat
op het Katholieke deel van het kerkhof opgesteld
was geweest. Nu moesten we dan toch maar naar
bed. Kleren maar zo veel mogelijk aan houden.
Als er wat mocht gebeuren was je meteen klaar om
te doen wat er gedaan moest worden. Nauwelijks
lagen we in bed of er kwam een vreselijk
rammelend lawaai. Met een ontploffing. Voor ons
stond het vast dat de Duitsers de bruggen en
sluizen opbliezen. Maar het leek wel of ze het
niet kapot konden krijgen. Om de paar minuten
herhaalde dit alles zich. Alleen werden de
tussenpozen langzamerhand groter.
Pas tegen de
morgen werd het stil. De bruggen lagen er nog en
burgemeester Krijger liep met het geweer aan de
schouder voor het Gemeentehuis. Van hem hoorde
mijn vader dat de Duitsers echt vertrokken
waren. Het lawaai van die nacht had niets met
bruggen en sluizen te maken gehad. Lemmer had
die nacht onder Geallieerd vuur gelegen. Er was
grote schade en mogelijk waren er ook
slachtoffers gevallen. Een paar uren scheidden
ons toen nog van de binnenkomst van de Canadese
bevrijders.
Die hele nacht en
de daarop volgende dag staan mij nog levendig
voor de geest. Toch zijn er enkele dingen die er
uit springen. Dat was in de eerste plaats dat we
hoorden dat Willem van Slageren zwaar gewond
was. Even later werd hij naar de bewaarschool
over gebracht. Zijn vader liep als een gebroken
man achter de brancard. Mijn grootvader ging hem
vragen hoe erg het was. ‘Hij leeft nog’, was het
antwoord. Al gauw hoorden we dat hij in de als
noodziekenhuis ingerichte bewaarschool overleden
was. Dit maakte op ons diepe indruk. De familie
Van Slageren had lang tegenover ons gewoond en
toen we klein waren was Willem mijn vaste
speelkameraadje.
Een andere
gebeurtenis was midden in die nacht. Naast ons
woonde de familie Visser. Een broer en twee
zusters waarmee wij al tientallen jaren in onmin
leefden. De Weeskes voor de Lemsters. Contacten
gingen alleen via deurwaarders, advocaten en
rechters. We hoorden dat zij in de steeg waren.
Mijn vader ging er heen. In zulke omstandigheden
vergeet je alle ruzie en kijk je of er geholpen
moet worden. Op vaders vraag of er wat gebeurd
was antwoordden de dames: ‘Er is een stuk vuur
gevallen. Denk er om, trap er maar niet op’.
Meteen kwam Dominicus, de broer, uit het
pakhuis. ‘Spreek niet tegen die vent, naar
binnen jullie’. Vader heeft daar geen
vriendelijk antwoord op gegeven.
Als laatste een
wat positiever gebeurtenis. Op de Straatweg
woonde een boer, beter gezegd een koemelker.
Waar nu de familie Dalsheim woont. Hij had twee
koeien en die waren de vorige dag door de
Duitsers meegenomen. ’s Morgens liepen ze nog op
de dam. Toen heel Lemmer zich hier in het
centrum verzamelde om de Canadezen binnen te
zien komen, kwam meester De Vries (van de lagere
school, niet te verwarren met het NSB hoofd van
de ULO school met dezelfde naam) met beide
koeien aan een touw over de brug. Er werd hem
aangeboden om de dieren naar hun baas terug te
brengen. Daar was geen kans op. ‘Dit doch ik
sels’, zei De Vries.
Alle jaren rond
deze tijd komen die herinneringen weer naar
boven. Deze keer nog sterker dan anders nu ik
bij het voorbereiden van een artikel over de
vernoeming van het parkje bij de Markerstraat
naar onze laatste vermoorde Joden weer
verschillende boeken over de oorlog en de
Bevrijding in handen kreeg.
Jozeph en Sarah Blok
Oorlogskinderen
23-Apr-2003
September 1939. Ik was10 jaar.
Mem seit: 'It is
oarloch.' 'No ja, mar jhir toch net.'
Oarloch like my wol spannend, it wie wer's wat
oars. 'Bernepraat,' seit mem.
Alles ging zijn gewone gang. De oorlog bestond
alleen in de krant en op de radio. "Jhir ek"
Mei 1940 (11 jaar)
Toen wie de oarloch ek yn 'e Lemmer. Tante
Margje: 'Wer is heit? (pake) De Dûtsers stean al
by it gemeentehûs.' Pake zijn vrouw, oate, was
in 1937 overleden, en pake alleen in het grote
huis achter de trambrug, dat werd niks. Pake
woonde dus bij ons in huis. En nu was pake even
de Lemmer in. 'Ik hear him al oankommen,' seit
mem. Want pake slofte nogal, je hoorde hem bij
Sake van de Byl al aankomen. 'Mem, mei ik
dêr's sjen, by it gemeentehûs?' Maar dat
mocht niet van Mem. Maar het was evenzogoed wel
spannend. Op aanplakbiljetten stond: 'Wir
tun euch nichts.' Maar in grote letters: 'Op
verzet staat de doodstraf!' Ook in het Duits
natuurlijk.
Naar de
afsluitdijk
Een paar dagen later. Honderden (duizenden?)
Duitse soldaten op paarden trokken door de
Lemmer naar de afsluitdijk. Wij als jongens
keken onze ogen uit, dit had iets griezelig-
spannend, omdat je wist dat bij de afsluitdijk
zou worden gevochten. In de colonne reden ook
Nederlandse soldaten mee op fietsen.
'Krijgsgevangenen, die gebrûke de moffen as
libbend skyld,'wist lytse Bonne. Ook `s-nachts
ging de colonne door.Van slapen kwam niet veel,
je hoorde zware vrachtwagen en paarden, paarden,
paarden. Later hoorde je van de slag bij
Kornwerderzand. Maar in augustus was het weer
gewoon Lemstermerke.
Een paar dagen
later.
'Vannacht gean de moffen er oan. De Ingelsen
binne al ûnderweis nei de Lemmer ta. Oer see. De
hiele Lemmer giet plat.' Geruchten! De ene wist
dit, de ander dat. Veel Lemsters verlieten het
dorp. Gingen overnachten bij boeren in de schuur
of bij familie in Echten, Follega en verder. Mem
seit: 'Wy bliuwe hjir ek net. We gean nei
Eastersee, nei tante Mine.' Heit fielde
d'r niks foar, mar mem sette troch. En sa
fytsten we jûns nei Eastersee. Pake by heit
foarop de transportfyfs. Letter kamen omke
Miente en tante Margje ek. `s-avonds tegen
elven, we lagen al op bed of op matrassen op de
grond, werd er gebeld. Van zo,n ouderwetse
trekbel werd je wel wakker. 'Net iepen dwaan,'
sei heit. Maar er werd hard op de ramen gebonsd.
'Aufmachen, bite!' Dûtsers' sei heit. Maar omke
Miente was al bij de voordeur. Het was een
Duitse moterordonnands die de weg naar Lemmer
vroeg. Ik denk dat omke hem de goeie weg gewezen
heeft, van verzet was nog geen sprake. Toen we `s-morgens
tegen elven weer in de Lemmer kwamen, was er
niks gebeurd. Het theelichtje brandde nog.
'Ik lit my de kop net wer gek meitsje,' sei
heit.
1940 - 1945
De
tweede wereldoorlog. De oorlog van onze
kinderjaren. Miljoenen, miljoenen doden,
gewonden en nabestaanden. Leed met geen pen te
beschrijven. De straten in ons dorp spreken van
verzet, maar ook van marteling en moord, de
Gerben Bootsmastraat, Wiepke Hofstraat, Jacob de
Rookstraat, Fokelinus van der Walstraat, en
meer. Waar is het Sara en Jozef Blokplein?
17 april 1945. Ik
was amper 16 jaar.
Na
een angstige nacht, alweer doden, werd Lemmer
bevrijd. De Canadezen reden het dorp binnen op
hun stoere Harley Davidsons. En wat in ons dorp
nog nooit was vertoond: hossen! Kinderen,
jongeren, ouderen en de oudsten hosten in lange
slierten door de straten. Onvermoeibaar, de
vreugde van de bevrijding moest er uit. Hossen,
hossen! Een lange polonaise van
bevrijdingsplezier.
Een dag later. .
Bij bevrijding hoorde vrijen. Er vormden zich
paartjes: 'Giest mei nei't Skieppedykje?' 'It is
dêr tjuster' sei it famke.' 'No, wat soe dat?'
Maar er was een groot vuurwerk dat ook het
Skyppedykje hel verlichtte. Dat foel ûs dochs
wat tsjin. Nadat er afgerekend was met de NSBers,en
de meisjes die met de Duitse soldaten hadden
gescharreld genoeg waren uitgejouwd en
vernederd, ging alles weer z'n gewone gang. In
ons dorp is later naar mijn weten nooit meer
gehost.

Turfland 1
Feike Vaartjes.
(Feike Vaartjes werd in 1929 in Lemmer geboren
op de eerste verdieping van het oude pakhuis
Turfland 1, waar zijn vader, Klaas Vaartjes, en
daarvoor zijn grootvader Feike Vaartjes, op de
begane grond of eigenlijk de kelder een
brandstofzaak had. De auteur bracht zijn
kindertijd van 1929 tot 1935 in Lemmer door.)
Andries
Bergsma, een opvallende Lemster.

Andries in zijn
jonge jaren.
Een kleurrijk
figuur in Lemmer was Andries Bergsma. In Lemmer
beter bekend als ‘Reade Okke’. Een man die
levenslang vrijgezel gebleven is. Hij woonde
alleen en leefde op zijn eigen manier. Niemand
tot last. Andries was een man die, als er werk
was, alles aanpakte. Naar ik mij herinner werkte
hij vaak bij het lossen en laden van schepen. In
het werk stond hij zijn mannetje; hij was niet
iemand die zijn collega’s voor het zware werk
liet opdraaien. Veel Lemster hadden niet zo’n
hoge dunk van hem. Die kenden hem het beste van
zijn altijd durende dorst. Hij dronk vrij veel
en ook vrij geregeld wat te veel. Maar daar deed
hij niemand anders dan zichzelf tekort mee. Hij
had een vrolijke dronk over zich en liep dan
zingend door Lemmer.
Persoonlijk heb ik
een heel andere kant van hem leren kennen. Hij
was voor zijn brood altijd klant bij collega
bakker Haveman. Toen die zijn winkel sloot was
Andries in paniek. ‘Wer moat ik nou hinne frou’,
vroeg hij vrouw Haveman. ‘Gean mar nei Evert –
dat was mijn vader – ik bepraat it wol’, zei
vrouw Haveman. Zij vertelde mij dat Andries, die
altijd zoals wij het hier zeggen, ‘pine yn é
bûse’ had (altijd platzak was) een maand lang
alles wat hij kocht liet opschrijven. Als hij
dan zijn AOW ontving kwam hij om te betalen. Zo
ging het voortaan bij ons ook. Ongeveer een week
voor de uitbetaling gaf hij wat ik dan noemde
het tien minuten schot. Zoals bij het
skûtsjesilen ook twee keer geschoten wordt
voordat het aan het startschot toe is. Een keer
tien en een keer vijf minuten. Dat tien minuten
schot was dan bij Andries een waarschuwing dat
mijn moeder de rekening moest optellen. Een paar
dagen later vroeg hij of het al opgeteld was,
het vijf minuten schot. Als de grote dag dan
kwam was hij ’s morgens al heel vroeg bij de
achterdeur van het postkantoor. Om te vragen of
zijn geld al binnen was. Meteen als het kantoor
open was haalde hij zijn geld op en liep
rechtstreeks door naar ons om te betalen.
Alle keren gaf hij
wat extra’s. Als het ƒ 19.50 was zei hij:
‘Rekkenje mar 20.00’ (Maak er maar 20 van). Of
hoe het maar uitkwam. Wij zijn dan ook nooit een
cent aan hem tekort gekomen. Toen hij overleden
was kwam een nicht van hem die hem altijd wat
steunde om wat er nog open stond van de lopende
maand te betalen. Andries is op een rare manier
aan zijn einde gekomen. Hier op de Nieuwburen
werd hij aangereden. Ik meen dat hij nog een
paar dagen geleefd heeft. Maar die aanrijding is
in ieder geval zijn dood geworden. Bergsma was
wel een man met humor. Vaak was het wel een
wrange humor. Misschien ook wel om zichzelf te
beschermen. Hij was nogal emotioneel. Dat moest
iemand anders niet weten en dan moest dat wel
eens op een beetje ruwe manier verborgen
blijven.
Op een dag werd
één van zijn vrienden uit het café begraven. Het
was in de tijd dat de bieten werden
binnengehaald. Wagens vol bietenkoppen werden
door de boeren uit de Noordoostpolder gehaald.
Zij reden daar dan mee door Lemmer. Meteen na de
begrafenisstoet reed zo’n wagen met groen. ‘Hy
hat wol blommen’ (Hij heeft wel veel bloemen)
was het commentaar van Andries die aan de kant
stond te kijken. Zoiets zeg je gemakkelijker dan
woorden van medeleven of gedenken. Andries heeft
zijn hele leven in Lemmer gewoond. Hij hield van
ons dorp. Net als alle geboren Lemsters. Toen
iemand tegen hem zei: ‘Wat is it hjir moai op ‘e
Lemmer’ (Wat is het toch mooi in Lemmer) was
zijn antwoord: ‘Ik kin wol skrieme as ik der oan
tink dat ik hjir in kear wei moat’.(Ik kan wel
huilen als ik er aan denk dat ik hier eens weg
moet)
Met Sinterklaas
was er sjoelen en balgooien in het café van Piet
van der Werf. Andries hoorde daar tot de
stamgasten. Als vaste klant hielp hij daar dan
ook bij. Er was dan ook een soort loterij. Als
hij de winnende loten trok riep hij af en toe
als winnaar ‘Menear Ant. út Ychten’.(Mijnheer
Ant. uit Echten) Die was er natuurlijk niet en
de prijs werd dan eerst aan kant gelegd. Zo
bleef er dan voor de medewerkers aan het eind
van de avond ook nog wat te eten en te drinken
over. |